170


1 6889/98 (Presse 73) C/98/ e zitting van de Raad - JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN - Brussel, 28/29 mei 1998 Voorzitter: de heer Jack STRAW Minister v...
Author:  Alfred Lenaerts

0 downloads 12 Views 126KB Size

Recommend Documents


No documents


6889/98 (Presse 73) C/98/170

2099e zitting van de Raad - JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN Brussel, 28/29 mei 1998

Voorzitter: de heer Jack STRAW Minister van Binnenlandse Zaken van het Verenigd Koninkrijk

Internet : http://ue.eu.int/Newsroom E-mail : press.office @ consilium.eu.int

INHOUD

DEELNEMERS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 BESPROKEN PUNTEN

OPENBAAR DEBAT OVER GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6 VOORTGANGSVERSLAG VOOR DE EUROPESE RAAD BETREFFENDE DE UITVOERING VAN HET ACTIEPLAN TEGEN GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 OVEREENKOMST BETREFFENDE ONTZEGGING VAN DE RIJBEVOEGDHEID

........ 8

GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN INZAKE GOEDE PRAKTIJKEN BIJ WEDERZIJDSE RECHTSHULP IN STRAFZAKEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11 GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN TOT OPRICHTING VAN EEN EUROPEES JUSTITIEEL NETWERK . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12 EUROPOL

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13

OVEREENKOMST MET BETREKKING TOT DE WEDERZIJDSE RECHTSHULP IN STRAFZAKEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15 GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN TOT VASTSTELLING VAN EEN MECHANISME VOOR COLLECTIEVE EVALUATIE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16 DE RECHTSSTAAT: CONCLUSIES VAN DE FOLLOW-UP VAN DE CONFERENTIE VAN NOORDWIJK . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17 CRIMINALITEITSPREVENTIE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19 VERSLAG AAN DE EUROPESE RAAD OVER DRUGSACTIVITEITEN MET INBEGRIP VAN DE VOORNAAMSTE PIJLERS VAN EEN EU-DRUGSSTRATEGIE NA 1999 . . . . . . . . 20 ACTIEPLAN OVER DE TOEVLOED VAN MIGRANTEN UIT IRAK EN HET OMLIGGENDE GEBIED . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21 EURODAC-OVEREENKOMST . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22 GEGEVENSBESCHERMING . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24 PRETOETREDINGSPACT INZAKE GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT . . . . . . . . . 25 en 28 BIJEENKOMST MET DE MINISTERS VAN DE LMOE EN CYPRUS . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25 BIJEENKOMST VAN HET COMITE VAN DE OVEREENKOMST VAN DUBLIN . . . . . . . . . . 26

PUNTEN AANGENOMEN ZONDER DEBAT

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN -

Jaarlijkse evaluatie van de dreiging die van het terrorisme uitgaat . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . I

-

Financiering van terrorisme . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . I

-

Uitvoering van de resolutie van de Raad van 1997 inzake de uitwisseling van DNA-analyseresultaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . I

-

Uitvoering van de resolutie van 1977 inzake voetbalvandalisme . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . II

-

Conclusies van de Raad over encryptie en wetshandhaving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . II

-

Uitvoering van het gemeenschappelijk optreden van 1997 over de openbare orde . . . . . . . III

-

Uitvoering van het gemeenschappelijk optreden van 1996 ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . IV

-

Aanbeveling betreffende apparatuur voor de herkenning van valse documenten in doorlaatposten in de EU . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . IV

-

Uitvoering van het gemeenschappelijk optreden van 1996 inzake convenanten tussen douaneautoriteiten en handelsondernemingen bij de bestrijding van de drugshandel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . IV

-

Toelichtend verslag over de Overeenkomst van Napels II . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . V

-

Reglement van orde van het beheerscomité van de Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . VI

-

Uitvoering van de resolutie van 1996 betreffende het opstellen van overeenkomsten tussen politie en douane inzake drugsbestrijding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . VI

-

Verdrag betreffende huwelijkszaken (Brussel II) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . VI

-

Mededeling van de Raad inzake een uniform model voor verblijfstitels . . . . . . . . . . . . . . VII

EXTERNE BETREKKINGEN -

Sluiting van de Overeenkomst tussen de EG en de VS betreffende de handhaving van hun mededingingswetgeving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . VII

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd: België: de heer Frans VAN DAELE

Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger

Denemarken: de heer Thorkild SIMONSEN de heer Frank JENSEN

Minister van Binnenlandse Zaken Minister van Justitie

Duitsland: de heer Kurt SCHELTER de heer Heinz LANFERMANN de heer Walter ZUBER

Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken Staatssecretaris van Justitie Minister van Binnenlandse Zaken van Rijnland-Palts

Griekenland: de heer Pavlos APOSTOLIDES

Ambassadeur Permanent Vertegenwoordiger

Spanje: mevrouw Margarita MARISCAL DE GANTE Y MIRÓN de heer Jaime MAYOR OREJA

Minister van Justitie Minister van Binnenlandse Zaken

Frankrijk: mevrouw Elisabeth GUIGOU Ierland: de heer John O'DONOGHUE

Minister van Justitie

Minister van Justitie, Gelijkheid en Hervorming van het Recht

Italië: de heer Giorgio NAPOLITANO de heer Giovanni Maria FLICK de heer Giannicola SINISI

Minister van Binnenlandse Zaken Minister van Justitie Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken

Luxemburg: de heer Luc FRIEDEN

Minister van Justitie

Nederland de heer Hans DIJKSTAL mevrouw Winnie SORGDRAGER

Plaatsvervangend Eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken Minister van Justitie

Oostenrijk: de heer Karl SCHLÖGL de heer Nikolaus MICHALEK

Minister van Binnenlandse Zaken Minister van Justitie

Portugal: de heer José Luis LOPES da MOTA de heer Luis PARREIRÃO

Staatssecretaris van Justitie Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken

Finland: de heer Jan-Erik ENESTAM

Minister van Binnenlandse Zaken

Zweden: de heer Pierre SCHORI mevrouw Kristina RENNERSTEDT

Minister van Internationale Ontwikkelingssamenwerking, Plaatsvervangend Minister van Buitenlandse Zaken Staatssecretaris van Justitie

Verenigd Koninkrijk: de heer Jack STRAW mevrouw Joyce QUIN

Minister van Binnenlandse Zaken Onderminister van Binnenlandse Zaken

Commissie: mevrouw Anita GRADIN

Lid

Deelnemers van de Kandidaatlanden van Midden- en Oost-Europa en Cyprus: Bulgarije de heer Bogomil BONEV de heer Vassil GOTZEV

Minister van Binnenlandse Zaken Minister van Justitie en Europese wetsintegratie

Tsjechische Republiek de heer Cyril SVOBODA de heer Petr TRÖSTER

Minister van Binnenlandse Zaken Vice-Minister van Justitie

Estland de heer Paul VARUL

Minister van Justitie

Hongarije de heer Gábor KUNCZE de heer Ferenc KONDOROSI

Minister van Binnenlandse Zaken Plaatsvervangend Staatssecretaris van Justitie

Letland de heer Andrejs KRASTINŠ de heer Aivars MALDUPS

Minister van Binnenlandse Zaken Staatssecretaris van Justitie

Litouwen de heer Vytautas PAKALNIŠKIS de heer Julius ADOMAITIS

Minister van Justitie Vice-Minister van Binnenlandse Zaken

Polen de heer Janusz TOMASZEWSKI

Plaatsvervangend Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken

Roemenië de heer Valeriu STOICA de heer Gavril DEJEU

Minister van Staat en Minister van Justitie Minister van Binnenlandse Zaken

Slowaakse Republiek de heer Gustav KRAJCI

Minister van Binnenlandse Zaken

Slovenië de heer Mirko BANDELJ de heer Slavko DEBELAK

Minister van Binnenlandse Zaken Staatssecretaris

Cyprus de heer Nicos KOSHIS de heer Dinos MICHAELIDES

Minister van Justitie en Openbare Orde Minister van Binnenlandse Zaken

OPENBAAR DEBAT OVER GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT Conform het onlangs in maart goedgekeurde verslag, waarin werd opgeroepen om meer openheid te betrachten in JBZ-aangelegenheden, heeft de Raad een voor de pers en het grote publiek openbaar debat gehouden over georganiseerde criminaliteit. Tijdens dit debat hebben de ministers de terreinen in de verf kunnen zetten waaraan zij in eigen land speciaal belang hechten bij de strijd van de georganiseerde criminaliteit. Ook hebben de ministers aandacht besteed aan relevante maatregelen die al genomen zijn of nog genomen zullen worden op nationaal niveau. In zijn slotopmerkingen heeft de voorzitter benadrukt dat er bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit goede vorderingen zijn gemaakt, maar dat er nog veel moet gebeuren. Zowel elke lidstaat op zich als de EU als geheel staan voor de uitdaging om het werk op te voeren, o.a. omdat de nationale wetgevingen verschillende straffen kennen voor hetzelfde misdrijf. De complexiteit van het verschijnsel georganiseerde criminaliteit noopt ook tot een multidisciplinaire aanpak. Bij de werkzaamheden moet over de EU-grenzen heen gekeken worden en dan vooral in de richting van de aspirant-lidstaten. Het is van essentieel belang dat Europol zo snel mogelijk klaar is om van start te gaan. In dit verband heeft de voorzitter met tevredenheid kennis genomen van de op handen zijnde voltooiing van de procedures van bekrachtiging van de Europol-overeenkomst in de lidstaten, dit naar aanleiding van de mededeling van de vertegenwoordiger van België dat zijn land als laatste deze procedures tegen eind juni zal hebben afgesloten. In antwoord op opmerkingen van sommige lidstaten over de toekomstige werkzaamheden heeft de voorzitter gezegd dat ernstige vormen van milieu- en economische criminaliteit, alsook preventieve maatregelen op beide gebieden, overwogen moeten worden. Daarnaast moeten de toekomstige werkzaamheden ook gericht zijn op de justitiële samenwerking, die naar de mening van verscheidene ministers achterblijft bij de politiële samenwerking. VOORTGANGSVERSLAG VOOR DE EUROPESE RAAD BETREFFENDE DE UITVOERING VAN HET ACTIEPLAN TEGEN GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT De Raad nam nota van het ontwerp-verslag over de voortgang bij de uitvoering van het actieplan tegen georganiseerde criminaliteit. Het ontwerp-verslag zal verder worden geactualiseerd om rekening te houden met de meest recente gebeurtenissen tot medio juni, in het bijzonder na de besluiten van vandaag, zodat het kan worden goedgekeurd door de Europese Raad van Cardiff. Het door de Europese Raad van Amsterdam in juni 1997 goedgekeurde actieplan voorzag in de oprichting van de Multidisciplinaire Groep Georganiseerde Criminaliteit (MDG), die minimaal eens per maand bijeenkomt om zich te beraden over de uitvoering van de 30 aanbevelingen van het actieplan. In de MDG komen praktijkbeoefenaars van de operationele wetshandhavingsdiensten, de openbare ministeries en beleidsmedewerkers van het hoogste niveau bijeen. De Groep heeft belangrijke vooruitgang geboekt: alle actiepunten met als streefdatum eind 1997 of medio 1998 zijn uitgevoerd of zijn een goed eind op weg. Daarnaast zijn al veel van de actiepunten met een latere streefdatum ter hand genomen. Zo zijn o.a. de volgende resultaten behaald: -

in deze vergadering is het pretoetredingspact inzake georganiseerde criminaliteit met de LMOE goedgekeurd; in maart is politieke overeenstemming bereikt over een gemeenschappelijk optreden inzake de deelneming aan een criminele organisatie; in december vorig jaar is de Overeenkomst over douanesamenwerking (Napels II) ondertekend;

-

in maart is het Falcone-meerjarenprogramma tegen de georganiseerde criminaliteit goedgekeurd; in december vorig jaar is het gemeenschappelijk optreden inzake een systeem voor wederzijdse evaluatie aangenomen; in deze vergadering is het gemeenschappelijk optreden tot oprichting van een Europees justitieel netwerk aangenomen; ook in deze vergadering is het gemeenschappelijk optreden aangenomen dat goede praktijken bij wederzijdse rechtsbijstand in strafzaken behelst.

In het ontwerp-verslag staat tevens dat de MDG zich nuttig heeft gemaakt als forum voor de continue ontwikkeling van het strategisch beleid en de verbetering van de operationele samenwerking. Zij heeft praktische richtsnoeren gegeven voor wetshandhavingsacties op projectbasis van diverse instanties en verslagen ontvangen over relevante ontwikkelingen in de individuele lidstaten. Zij heeft eveneens de samenwerking met essentiële landen en organen buiten de EU bevorderd; in de marge van haar vergaderingen zijn besprekingen gevoerd met vertegenwoordigers van de VS, Canada en de Raad van Europa. Met betrekking tot Rusland werkt de MDG aan methoden voor de praktische samenwerking ter ondersteuning van het werk van de Samenwerkingsraad.

OVEREENKOMST BETREFFENDE ONTZEGGING VAN DE RIJBEVOEGDHEID Met het bereiken van een politiek akkoord over deze Overeenkomst heeft de Raad de kroon gezet op zeven jaar besprekingen en drie jaar gedetailleerde onderhandelingen. De overeenkomst zal formeel worden aangenomen en dan in principe ondertekend door de lidstaten op 17 juni 1998. De bedoeling van deze overeenkomst is de verkeersveiligheid in de Europese Unie te verbeteren door in de gehele Unie uitvoering te geven aan ontzeggingen van de rijbevoegdheid, namelijk doordat een beroep tegen intrekking, schorsing en nietigverklaring van rijbewijzen niet langer mogelijk is. Tengevolge van het toegenomen internationale wegverkeer worden ontzeggingen van de rijbevoegdheid namelijk frequent opgelegd door een andere lidstaat dan die waarin de bestuurder zijn gewone verblijfplaats heeft en momenteel kan een bestuurder die een ernstige verkeersovertreding heeft begaan en aan wie de rijbevoegdheid is ontzegd in een andere lidstaat dan zijn lidstaat van verblijf, normaliter aan de gevolgen van die maatregel ontsnappen door eenvoudigweg de lidstaat waar de overtreding is begaan, te verlaten. Met de uitvoering van deze overeenkomst komt hierin verandering. Wel moet erop gewezen worden dat de overeenkomst de nationale straffen op dit gebied niet harmoniseert. De overeenkomst heeft betrekking op ontzegging van de rijbevoegdheid vanwege een overtreding die het gevolg is van een van de volgende handelingen: 1. 2. 3.

4. 5. 6.

roekeloos of gevaarlijk rijden (al dan niet de dood, verwonding of een grote kans daarop tot gevolg hebbend); opzettelijke niet-inachtneming van de verplichtingen die bestuurders van voertuigen na een verkeersongeval hebben (door- of wegrijden na een ongeval); besturen van een voertuig onder invloed van alcoholische dranken of andere stoffen die de psychische en/of fysieke vaardigheden van de bestuurder aantasten of verminderen, weigeren om een test te ondergaan in verband met het gebruik van alcohol of verdovende middelen; besturen van een voertuig met een hogere snelheid dan toegestaan is; besturen van een voertuig tijdens de periode van ontzegging van de rijbevoegdheid; andere handelingen die een overtreding vormen waarvoor door de staat van de overtreding een ontzegging van de rijbevoegdheid is opgelegd: met een duur van ten minste zes maanden; met een duur van minder dan zes maanden, voor zover zulks bilateraal tussen de betrokken lidstaten is overeengekomen.

De overeenkomst is gebaseerd op het principe dat de Staat van overtreding de centrale autoriteit van de staat van verblijf onverwijld in kennis stelt van de ontzegging van de rijbevoegdheid en dat de staat van verblijf hierna uitvoering geeft aan de ontzegging.

De staat van verblijf voert de beslissing tot ontzegging onmiddellijk uit of neemt daartoe een eigen strafrechterlijke of bestuursrechtelijke beslissing. Daarbij moet hoe dan ook rekening gehouden worden met de periode van ontzegging die al in de staat van de overtreding verstreken is omdat de ontzegging nooit langer mag duren dan door de staat van de overtreding is opgelegd. De staat van verblijf mag de duur van de ontzegging ook inkorten om rekening te houden met zijn eigen wetten. De overeenkomst regelt dat de staat van verblijf moet weigeren uitvoering te geven aan de ontzegging van de rijbevoegdheid, wanneer: a)

de beslissing reeds volledig in de staat van de overtreding ten uitvoer is gelegd;

b)

ten aanzien van de overtreder in de staat van verblijf voor dezelfde feiten reeds een beslissing genomen is en die beslissing ten uitvoer gelegd is of de tenuitvoerlegging ervan lopende is;

c)

de overtreder in de staat van verblijf onder een algemene gratie- of amnestiemaatregel zou vallen indien de overtreding op het grondgebied van deze staat begaan zou zijn;

d)

de maatregel volgens zijn wetgeving verjaard is;

e)

hij, gelet op de omstandigheden van het geval, na ontvangst van elke informatie die de kennisgeving vergezelt, van oordeel is dat de betrokkene niet voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te verdedigen;

De staat van verblijf kan weigeren uitvoering te geven aan de ontzegging van de rijbevoegdheid, wanneer: a)

de handeling waarvoor in de staat van de overtreding ontzegging van de rijbevoegdheid is opgelegd, in de wetgeving van de staat van verblijf geen overtreding vormt;

b)

de resterende periode van ontzegging die in de staat van verblijf ten uitvoer kan worden gelegd, korter is dan een maand;

c)

de wetgeving van de staat van verblijf voor de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de door de staat van de overtreding opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid, niet in ontzegging als maatregel voorziet;

Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om te voorzien in de mogelijkheid tot bestraffing van het besturen van een motorvoertuig op zijn grondgebied, wanneer de rijbevoegdheid bij toepassing van de overeenkomst door de staat van verblijf aan de bestuurder is ontzegd. De overeenkomst bevat ook bepalingen die de overtreder voldoende mogelijkheden biedt om zich te verdedigen. Wat de territoriale toepassing van de overeenkomst betreft, is zij ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk alleen van toepassing op het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd uitspraak te doen in geschillen betreffende de uitlegging of de toepassing van de overeenkomst en ook, mits de lidstaten een verklaring in die zin hebben afgelegd, tot het doen van uitspraken bij wijze van prejudiciële beslissing.

De overeenkomst treedt in werking 90 dagen nadat alle lidstaten kennisgeving hebben gedaan van de voltooiing van hun nationale bekrachtigingsprocedures. In afwachting van de inwerkingtreding is echter een beperkte toepassing voor sommige lidstaten mogelijk: te dien einde kan een lidstaat, wanneer hij kennis geeft van de voltooiing van zijn nationale bekrachtingingsprocedures, verklaren dat hij voornemens is de bepalingen van de Overeenkomst toe te passen in zijn betrekkingen met andere lidstaten die eenzelfde verklaring hebben afgelegd. GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN INZAKE GOEDE PRAKTIJKEN BIJ WEDERZIJDSE RECHTSHULP IN STRAFZAKEN De Raad heeft overeenstemming bereikt over dit gemeenschappelijk optreden, dat formeel zal worden aangenomen op een volgende zitting na de juridische en taalkundige bijwerking van de tekst. Dit gemeeenschappelijk optreden beoogt, de termijnen voor wederzijdse rechtshulp te verminderen en moet ervoor zorgen dat de lidstaten internationale verzoeken om rechtshulp efficiënt en snel verwerken, vooral waar deze betrekking hebben op ernstige vormen van criminaliteit. Het gemeenschappelijk optreden voorziet erin dat elke lidstaat bij het secretariaat-generaal van de Raad een verklaring neerlegt van goede praktijken bij de uitvoering (waaronder de toezending van de resultaten) van verzoeken om rechtshulp in strafzaken, afkomstig van andere lidstaten, en bij het verzenden van dergelijke verzoeken. De lidstaten leggen hun verklaring binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk optreden neer. De verklaring zal verbintenissen in het kader van de nationale wetgeving en juridische procedures bevatten om de ontvangst van alle verzoeken om bijstand en van schriftelijke vragen over de uitvoering van dergelijke verzoeken te bevestigen, met vermelding van de naam van en details over de wijze waarop contact kan worden opgenomen met de instantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het verzoek, waarbij voorrang wordt gegeven aan dringende verzoeken en uitleg wordt verschaft indien de gevraagde hulp niet kan worden gegeven. Elke lidstaat evalueert op gezette tijden in hoeverre hij zijn verbintenissen krachtens de goede-praktijkverklaring is nagekomen. Het vandaag door de Raad opgerichte Europees Justitieel Netwerk beoordeelt de verklaringen en kan relevante voorstellen doen om de wederzijdse rechtshulp in strafzaken te verbeteren. GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN TOT OPRICHTING VAN EEN EUROPEES JUSTITIEEL NETWERK De Raad heeft overeenstemming bereikt over het gemeenschappelijk optreden tot oprichting van een Europees Justitieel Netwerk. De Raad zal dit gemeenschappelijk optreden in een volgende zitting formeel aannemen na de juridische en taalkundige bijwerking van de tekst. Dit gemeenschappelijk optreden is erop gericht de justitiële samenwerking tussen de lidstaten in de strijd tegen de georganiseerde misdaad te versterken in antwoord op de oproep van de Europese Raad van Amsterdam om de justitiële samenwerking op hetzelfde niveau te brengen als de politiële samenwerking. Hiertoe zullen er rechtstreekse contacten tussen de justitiële autoriteiten worden gelegd via de oprichting van een netwerk van contactpunten.

Elke lidstaat zal bij zijn nationale autoriteiten die voor de internationale justitiële samenwerking verantwoordelijk zijn of die specifiek verantwoordelijk zijn in het kader van de bestrijding van ernstige criminaliteit zoals de georganiseerde criminaliteit, corruptie, drugshandel of terrorisme, een of meer contactpunten instellen. De Commissie zal een contactpunt aanwijzen voor de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen. De contactpunten verstrekken de juridische en praktische gegevens die voor de plaatselijke justitiële autoriteiten en de contactpunten en justitiële autoriteiten van de andere landen van belang zijn. Het netwerk van contactpunten belegt periodieke vergaderingen om praktische en juridische problemen in het kader van de justitiële samenwerking te bespreken. De eerste vergadering vindt plaats in september 1998. Binnen zes maanden na inwerkingtreding van het gemeenschappelijk optreden gaat de Raad na of het netwerk door een speciaal telecommunicatiesysteem moet worden verbonden. Wat de territoriale toepassing betreft, is het gemeenschappelijk optreden ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk alleen op het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Kanaaleilanden en het eiland Man van toepassing. Het gemeenschappelijk optreden treedt in werking zes maanden na de aanneming ervan. EUROPOL VOORTGANGSVERSLAG De Raad heeft een overzicht gekregen van de werkzaamheden die erop gericht zijn om de overeenkomst zo snel mogelijk in werking te doen treden en Europol klaar te maken om zo spoedig mogelijk daarna zijn werkzaamheden aan te vangen. In dat verband heeft de voorzitter met tevredenheid kennis genomen van het feit dat de bekrachtigingsprocedures voor de Europol-overeenkomst zeer binnenkort zullen worden afgesloten in de lidstaten, dit naar aanleiding van de mededeling van de vertegenwoordiger van België, als laatste lidstaat die de overeenkomst nog moet bekrachtigen, dat zijn land deze procedures eind juni zal hebben voltooid. Er is aan herinnerd dat de overeenkomst in werking treedt drie maanden nadat de laatste lidstaat zijn bekrachtigingsakte heeft neergelegd. Het voorzitterschap heeft de lidstaten opgeroepen om ook het Protocol inzake de voorrechten en immuniteiten van Europol te bekrachtigen omdat Europol anders niet operationeel kan worden. Tot nog toe hebben slechts zeven lidstaten dit gedaan. BEGROTING Met het oog op de huidige en toekomstige taken van Europol is de Raad van mening dat er de komende jaren aanzienlijk meer personeel nodig zal zijn. In dit verband zal de Raad zich laten leiden door het overzicht van de EDE, dat tussen nu en 2003 voorziet in een significante, regelmatige personeelsuitbreiding. Tegen deze achtergrond heeft de Raad zich ertoe verbonden om de noodzakelijke conclusies te trekken uit de toetsing van het personeelsbestand en de plannen, die voor eind 1998 moet worden uitgevoerd, en, na de inwerkingtreding van de Europol-overeenkomst, uit de jaarverslagen over de toekomstige activiteiten van Europol.

Mocht het noodzakelijk zijn dat Europol snel in actie komt, bijvoorbeeld ten gevolge van een uitbreiding van zijn mandaat of om andere redenen die te maken hebben met de functionele vereisten van Europol, dan zal de Raad ervoor zorgen dat de noodzakelijke financiële middelen op korte termijn beschikbaar worden gesteld (bijvoorbeeld, via een aanvullende begroting). Derhalve verzoekt de Raad de lidstaten, de noodzakelijke nationale regelingen te treffen. Met betrekking tot de toename van het aantal ambten voor 1999, is de Raad akkoord gegaan met een geleidelijk over het jaar te spreiden aanwerving van 50 extra personeelsleden waarmee het totaal op 119 zal komen. Afhankelijk van de uitkomst van de voornoemde toetsing behoort een extra toename tot de mogelijkheden. Op het vlak van het terrorisme zal de Raad rekening houden met aanbevelingen van de haalbaarheidsstudie van de EDE en de eerdergenoemde toetsing wanneer hij een besluit neemt over extra ambten voor terrorismebestrijding na de start van Europol. Op basis van deze politieke consensus zal de EDE een nieuw begrotingsvoorstel indienen dit formeel door de Raad kan worden aangenomen vóór eind juni 1998.

(1)

, zodat

TERRORISME Naar aanleiding van de overeenkomst die in de meest recente zitting (19 maart) is bereikt om het Europol-mandaat zo spoedig mogelijk uit te breiden tot de bestrijding van terrorisme, is de Raad overeengekomen dat Europol deze nieuwe taak in principe per 1 januari 1999 op zich neemt en dat hiertoe in juni 1998 een voorbereidende fase zal beginnen (oprichting van een projectteam en vaststelling van een projectplan). OVEREENKOMST MET BETREKKING TOT DE WEDERZIJDSE RECHTSHULP IN STRAFZAKEN Tijdens de lunch heeft de Raad gediscussieerd over de problemen die er nog resteren met betrekking tot deze ontwerp-overeenkomst, nl. gegevensbescherming, territoriale toepassing, bevoegdheid van het Hof van Justitie en interceptie van telecommunicatie. De Raad heeft de bevoegde instanties opgedragen verder te werken aan deze punten om zo spoedig mogelijk tot een algehele overeenstemming te komen. De overeenkomst strekt tot het aanvullen en het vergemakkelijken van de toepassing van het Verdrag van de Raad van Europa aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 1995, alsmede van de Schengen-overeenkomst en het Benelux-verdrag. Met deze overeenkomst zou de justitiële samenwerking in strafzaken doeltreffender en sneller verlopen, mede dank zij nieuwe onderzoeksmethoden, zoals het verhoor per videoconferentie, of nieuwe technieken, zoals gecontroleerde aflevering. Deze nieuwe overeenkomst, die de wederzijdse rechtshulp tussen justitiële en ook politiële of douaneautoriteiten aanmoedigt en moderniseert, zal een belangrijk instrument zijn in de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Wat de structuur en de specifieke inhoud van de ontwerp-overeenkomst betreft: Titel I bevat andere bepalingen over verzoeken om rechtshulp, nl. inachtneming van de door de verzoekende lidstaat aangegeven formaliteiten en procedures wanneer rechtshulp wordt verleend en in dit verband de mogelijkheid om termijnen aan te geven, toezending en uitreiking van gerechtelijke stukken, toezending van verzoeken om rechtshulp (in principe rechtstreeks tussen de rechterlijke autoriteiten die territoriaal bevoegd zijn tot de indiening en uitvoering ervan) en spontane informatie-uitwisseling.

(1)

Het aanvankelijke voorstel beliep 15.852.000 ecu.

Titel II heeft betrekking op verzoeken om bepaalde specifieke vormen van rechtshulp: teruggave van voorwerpen die door een strafbaar feit zijn verkregen aan hun rechtmatige eigenaar, tijdelijke overbrenging van gedetineerden voor onderzoek, verhoor per videoconferentie van een getuige of deskundige (met eveneens de mogelijkheid om een in beschuldiging gestelde persoon te horen), gecontroleerde aflevering en infiltratie (functionarissen die onder een valse of fictieve identiteit opereren). Titel III heeft betrekking op de interceptie van telecommunicatie, terwijl Titel IV de slotbepalingen bevat (verklaringen van de bevoegde autoriteiten met betrekking tot de verschillende activiteiten waarin de overeenkomst voorziet, voorbehouden, inwerkingtreding, toetreding van nieuwe lidstaten en depositaris).

GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN TOT VASTSTELLING VAN EEN MECHANISME VOOR COLLECTIEVE EVALUATIE De Raad heeft overeenstemming bereikt over een gemeenschappelijk optreden tot vaststelling van een mechanisme voor collectieve evaluatie van de inwerkingtreding, de toepassing en de daadwerkelijke uitvoering van het acquis van de Europese Unie op het gebied van justitie en binnenlandse zaken in de kandidaat-lidstaten. De formele aanneming zal plaatsvinden in een volgende zitting na juridische en taalkundige bijwerking van de tekst. Dit gemeenschappelijk optreden is een uitvloeisel van het verzoek dat Frankrijk en Duitsland in de zitting van maart hebben gedaan om een groep deskundigen van de lidstaten op te richten om toezicht te houden op de uitvoering van het JBZ-acquis door de LMOE. Met het bij dit gemeenschappelijk optreden ingestelde mechanisme zullen de lidstaten en de deskundigen van de Commissie in het kader van de Raad collectieve evaluaties kunnen opstellen en bijwerken. De Commissie zal rekening houden met het resultaat van deze evaluaties bij de bijstelling van de prioriteiten en doelstellingen van de Partnerschappen voor de toetreding. De groep van deskundigen zal rekening houden met alle relevante gegevens die noodzakelijk zijn voor het maken van de evaluatie en die individueel of collectief door de lidstaten, de Commissie of de Raad van Europa worden verstrekt. De groep vermijdt doublures met reeds ondernomen werkzaamheden en overlapping met andere activiteiten van de Unie op dit gebied. DE RECHTSSTAAT: CONCLUSIES VAN DE FOLLOW-UP VAN DE CONFERENTIE VAN NOORDWIJK 1.

De Raad herinnert eraan dat hij in de openingsverklaring van de Europese Unie voor de toetredingsonderhandelingen met de kandidaat-lidstaten uit Midden- en Oost-Europa en Cyprus heeft verklaard dat afzonderlijke vorderingen met de voorbereiding van de toetreding zullen bijdragen tot de voortgang van de onderhandelingen, onder andere rekening houdend met de criteria van Kopenhagen en Madrid waarin de vereisten voor het lidmaatschap zijn vastgelegd, met inbegrip van stabiele instellingen die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen.

2.

De Raad herinnert ook aan de conclusies van de gestructureerde dialoog van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en de Commissie in Brussel op 5 december 1997 waarin nota is genomen van de conclusies van de Conferentie over de rechtsstaat in een democratische samenleving, die op 23/24 juni 1997 in Noordwijk, Nederland, is gehouden, en waarin het belang van de rechtsstaat is benadrukt voor de lidstaten en de kandidaat-lidstaten.

3.

De Raad neemt er nota van dat het Verdrag van Amsterdam (artikel O (nieuw artikel 49) samen met artikel F, lid 1 (nieuw artikel 6)) zal bepalen dat de kandidaat-lidstaat, onder andere, de rechtsstaat moet eerbiedigen, als beginsel dat alle lidstaten gemeen hebben.

4.

In deze context zijn het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op basis van deze artikelen, en de desbetreffende resoluties en aanbevelingen van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van bijzondere betekenis. De Raad neemt er nota van dat de lidstaten van de Europese Unie en de kandidaat-lidstaten van Midden- en Oost-Europa, met inbegrip van de Baltische Staten, en Cyprus, alle het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bekrachtigd hebben.

5.

De Raad bevestigt opnieuw dat de conclusies van de Conferentie van Noordwijk nuttige beschouwingen bevatten die uitgaan van bovengenoemde bronnen en betrekking hebben op nagenoeg alle belangrijke elementen van de rechtsstaat, en met name de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de effectieve toegang van de burgers tot het recht, de eerbiediging van gerechtelijke vonnissen en een objectief systeem van rechtsvervolging, allemaal essentiële eigenschappen die van gerechtelijke systemen in een democratische rechtsstaat mogen worden verwacht.

6.

Ook de operationele rol van de politie is van belang voor de rechtsstaat en de Raad vestigt de aandacht op het door de Vereniging van Europese Politieacademies opgestelde raamwerk voor opleidingssteun van de landen van de Europese Unie aan de kandidaatlidstaten als basis voor de opleiding van de politie, gebaseerd op de democratische beginselen van verantwoordingsplicht van de politie in het kader van de rechtsstaat.

7.

De Raad verzoekt de Europese Commissie derhalve om bij de opstelling van de in punt 29 van de conclusies van de Europese Raad van Luxemburg bedoelde regelmatige verslagen rekening te houden met deze conclusies. Voorts verzoekt de Raad de Europese Commissie in de context van PHARE het horizontale programma op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken te blijven bevorderen en in het kader van de toetredingspartnerschappen projecten te stimuleren die specifiek gericht zijn op de versterking van de rechtsstaat op basis van de onderhavige conclusies en die van de Conferentie van Noordwijk. De Raad zal deze conclusies voor ogen houden in de context van de toekomstige besprekingen over de uitbreiding.

CRIMINALITEITSPREVENTIE In antwoord op de oproep die tijdens verschillende EU-conferenties (Stockholm en Dublin in 1996, Noordwijk in 1997) is gedaan om op het gebied van de criminaliteitspreventie beter samen te werken, heeft de Raad overeenstemming bereikt over regelingen die voorzien in betere uitwisseling van informatie en beste praktijken. Op basis van deze regelingen zullen er in de lidstaten contactpunten worden aangewezen voor het ontvangen van vragen op het gebied van criminaliteitspreventie. Tevens zal de Raadsgroep Politiële Samenwerking worden aangewezen als centraal punt binnen de EU-structuur voor het ontvangen en verspreiden van informatie over aangelegenheden op het gebied van criminaliteitspreventie. Het zal hierbij niet gaan om beleidskwesties op hoog niveau en wetgevingskwesties, die al aan de orde komen binnen de Multidisciplinaire Groep Georganiseerde Criminaliteit, maar wel om jeugdcriminaliteit en -geweld, bewaking, stadsplanning en buurtbeveiliging. In samenhang met deze zaken zou de Groep Politiële Samenwerking zich met name kunnen bezighouden met het bestuderen van methodes voor het opstellen van een handboek van beste praktijken, uitwisselingsprogramma's voor personen die werkzaam zijn op het gebied van criminaliteitspreventie en planningsactiviteiten op dit gebied zoals enquêtes en proefprojecten.

VERSLAG AAN DE EUROPESE RAAD OVER DRUGSACTIVITEITEN MET INBEGRIP VAN DE VOORNAAMSTE PIJLERS VAN EEN EU-DRUGSSTRATEGIE NA 1999 De Raad heeft nota genomen van de JBZ-aangelegenheden in het ontwerp-verslag over activiteiten inzake drugs met inbegrip van de voornaamste pijlers van een EU-drugsstrategie na 1999. Dit ontwerp-verslag heeft betrekking op activiteiten die zijn uitgevoerd sinds het begin van dit jaar. Het zal tevens worden voorgelegd aan de Raad Algemene Zaken met het oog op de goedkeuring ervan door de Europese Raad van Cardiff. Het ontwerp-verslag toont aan dat er in de eerste helft van dit jaar speciale nadruk is gelegd op het slaan van de voornaamste pijlers voor een EU-drugsstrategie na 1999, op de coördinatie van de EUinbreng ten behoeve van de voorbereiding van de bijzondere zitting over drugs van de algemene vergadering van de Verenigde Naties (de UNGASS van 8 tot en met 10 juni 1998) en op de verdere uitvoering van de regionale initiatieven in Latijns-Amerika/het Caribisch gebied en Centraal-Azië. Met betrekking tot de JBZ-aspecten wijst het ontwerp-verslag op vorderingen die zijn gemaakt bij de uitvoering van de verschillende gemeenschappelijke optredens en één resolutie op dit gebied (gemeenschappelijk optreden van 1996 over de onderlinge aanpassing van de wetgevingen en praktijken inzake drugs, gemeenschappelijk optreden van 1996 inzake de samenwerking tussen de douaneautoriteiten en handelsondernemingen bij de bestrijding van de drugshandel, resolutie van 1996 betreffende het opstellen van overeenkomsten tussen politie en douane inzake drugsbestrijding, gemeenschappelijk optreden van 1997 over nieuwe, synthetische drugs). Ook geeft het ontwerp-verslag een overzicht van de activiteiten van de EDE (Europese Drugseenheid in Den Haag) en het EWDD (Europees Waarnemingscentrum voor Drugs en Drugsverslaving in Lissabon). Op het gebied van de externe betrekkingen geeft het ontwerp-verslag een overzicht van de samenwerkingsactiviteiten inzake drugs met de kandidaat-lidstaten, de ASEM, VS/Canada, Rusland, Zuidelijk-Afrika en in het kader van EuroMed. Er wordt speciale aandacht besteed aan de recente werkzaamheden over drugs met Latijns-Amerika en het Caribisch gebied en in het bijzonder aan de bijeenkomst van de EU, Latijns-Amerika en het Caribisch gebied en de Commissie op 23/24 maart die een aanbeveling heeft gedaan tot de instelling van een coördinatie- en samenwerkingsmechanisme. De voornaamste pijlers van een EU-drugsstrategie voor de periode 2000-2004 en de prioriteiten van de EU-drugsstrategie voor 1998/99 staan in een bijlage bij het verslag. Eén van de hoofdpijlers waarop met name moet worden gewezen is de doelstelling van een evenwichtige benadering tussen terugdringing van het aanbod en van de vraag. Het verslag geeft ook aan wat in de toekomststrategie de voornaamste doelregio's zijn. ACTIEPLAN OVER DE TOEVLOED VAN MIGRANTEN UIT IRAK EN HET OMLIGGENDE GEBIED De Raad heeft nota genomen van de vorderingen die zijn gemaakt met de uitvoering van het actieplan over de toevloed van migranten uit Irak en het omliggende gebied, dat de Raad Algemene Zaken op 26 januari 1998 heeft goedgekeurd. De Raad heeft kort van gedachten gewisseld over dit onderwerp. Verschillende ministers hebben in dit verband benadrukt dat het met het oog op de verbetering van de werking van de Overeenkomst van Dublin belangrijk is om het Eurodac-systeem uit te breiden tot het nemen van vingerafdrukken van illegale immigranten. De delegaties waren het erover eens dat de dialoog met Turkije moet worden aangegaan en verwelkomden het dat hiervoor een ontmoeting op hoog niveau gepland is voor 25 juni.

Uit het verslag blijkt dat er intensief is gewerkt aan de uitvoering van de 44 punten van het actieplan, dat betrekking heeft op doeltreffende toepassing van de asielprocedures, voorkoming van misbruik van deze procedures, maatregelen tegen de betrokkenheid van de georganiseerde criminaliteit en bestrijding van illegale immigratie. Op de volgende terreinen is in het bijzonder vooruitgang geboekt: -

beoordeling van de mogelijkheid tot bescherming in de regio en een geactualiseerd UNHCR-advies over binnenlandse vluchtalternatieven en terugkeermogelijkheden; een actieprogramma om de werking van de Overeenkomst van Dublin te verbeteren; aanneming van het Odysseus-programma en overeenstemming om de uitvoering van het actieplan daarin op te nemen als een prioritaire uitgave voor 1998; bestudering van de mogelijkheden tot samenwerking met Turkije.

Er zal nader worden bestudeerd hoe de LMOE kunnen worden geholpen zodat zij kunnen deelnemen aan de Overeenkomst van Dublin. Bij de lopende werkzaamheden wordt ook gekeken naar de mogelijkheid van betere coördinatie op EU-niveau bij het gericht inzetten van ambtenaren die bevoegd zijn voor controle vóór de grens en bij de opleiding en ondersteuning van vervoersmaatschappijen. Het in maart jongstleden aangenomen ODYSSEUS-programma zal middelen verschaffen ter financiering van projecten op dit terrein. Het aanstaande Oostenrijkse voorzitterschap heeft verklaard dat het de werkzaamheden in verband met het actieplan prioritair zal voortzetten en dat het met name zal werken aan de nog niet volledig ten uitvoer gelegde punten. Er zal een nieuw voortgangsverslag worden opgesteld voor de volgende JBZ-zitting. EURODAC-OVEREENKOMST De Raad heeft zich gebogen over de voornaamste onopgeloste punten in verband met de ontwerpovereenkomst tot oprichting van Eurodac als centraal systeem voor de vergelijking van vingerafdrukken van asielzoekers; namelijk de vraag of Eurodac moet worden uitgebreid tot illegale immigranten in het licht van de resultaten van de haalbaarheidsstudie waartoe opdracht is gegeven na de discussie in de zitting van maart, de regelingen voor het beheer en de financiering van de centrale eenheid van Eurodac, de mogelijkheid om het Hof van Justitie prejudiciële uitspraken te laten doen en de territoriale toepassing van de overeenkomst. Aan het eind van het debat heeft de Raad de volgende conclusies getrokken: i)

De Raad komt tot de slotsom dat hij, rekening houdend met de haalbaarheidsstudie, een protocol bij de Eurodac-overeenkomst zal opstellen om het Eurodac-systeem uit te breiden tot vingerafdrukken van "illegale immigranten" (2), opdat dit protocol eind 1998 kan worden aangenomen.

ii)

Rekening houdend met de bepalingen van het Verdrag van Amsterdam besluit de Raad dat hij zal trachten overeenstemming te bereiken over de uitlegging van de Eurodac-overeenkomst door prejudiciële beslissingen door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Dit zou de vorm kunnen aannemen van hetzij een bepaling in de Overeenkomst, hetzij een bepaling in een protocol met hetzelfde tijdsperspectief als in i).

(2)

De precieze definitie van "illegale immigranten" staat nog niet vast.

iii) De lidstaten zullen passende stappen zetten om ervoor te zorgen dat de nationale procedures voor de aanneming van de Eurodac-overeenkomst en van de eventuele protocollen zo snel mogelijk tegelijkertijd worden voltooid. Wat de regelingen voor de financiering en het beheer van de centrale eenheid betreft, bleek in het debat dat een zeer grote meerderheid er voorstander van is dat Eurodac door de Commissie wordt beheerd en wordt gefinancierd uit de Gemeenschapsbegroting. In dit verband heeft de Commissie al een aantal indicaties gegeven van de mogelijke praktische en juridische consequenties van een dergelijk Commissiebeheer. Ten aanzien van het punt "territoriale toepassing van de overeenkomst" is de Raad overeengekomen dat de overeenkomst voor wat het Verenigd Koninkrijk betreft alleen van toepassing zal zijn op het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland. De oprichting van Eurodac is van cruciaal belang voor de ondersteuning van de op 1 september 1997 in werking getreden Overeenkomst van Dublin. Als dit systeem operationeel is, zal veel gemakkelijker nagegaan kunnen worden of iemand al een asielverzoek in één van de lidstaten heeft ingediend en kan derhalve worden voorkomen dat verschillende lidstaten asielverzoeken van één en dezelfde persoon moeten behandelen. Verder zullen asielzoekers niet langer van de ene lidstaat naar de andere gestuurd kunnen worden omdat geen van deze lidstaten de verantwoordelijkheid voor de behandeling van zijn asielverzoek wil dragen. In de ontwerp-overeenkomst staat dat de lidstaten vingerafdrukken zullen nemen van asielzoekers en deze gegevens zullen toezenden aan de centrale eenheid. De centrale eenheid zal de vingerafdrukken met eerder opgeslagen gegevens vergelijken en de lidstaat die de gegevens heeft toegezonden van het resultaat van die vergelijking op de hoogte brengen. De gegevens worden tien jaar nadat zij in het systeem zijn ingevoerd automatisch uit de gegevensbank verwijderd. Gegevens over een persoon die de nationaliteit van een lidstaat heeft verkregen, worden op verzoek van de lidstaat van oorsprong verwijderd. GEGEVENSBESCHERMING Op verzoek van de Italiaanse delegatie heeft de Raad gedebatteerd over de horizontale aspecten van gegevensbescherming. Minister NAPOLITANO heeft erop gewezen dat, gezien de talrijke bestaande internationale wettelijke bepalingen en toezichthoudende autoriteiten op dit gebied, moet worden gezocht naar mogelijke inconsistenties en dat bekeken moet worden of er mogelijkheden zijn voor meer harmonisatie en het vermijden van dubbel werk. Er moet op gewezen worden dat een aantal overeenkomsten die in het kader van de derde pijler zijn opgesteld, specifieke gegevensbeschermingsbepalingen bevatten (Europol, douaneinformatiesysteem, Napels II over douanesamenwerking, enz.). De enige internationaal bindende overeenkomst inzake gegevensbescherming in de brede zin van het woord is het Verdrag van de Raad van Europa van 1981, dat in de praktijk alleen van toepassing is op geautomatiseerde en niet op handmatig verwerkte gegevens. Er zij aan herinnerd dat de EG-richtlijn gegevensbescherming van 1995 geen derde-pijlerkwesties bestrijkt. De Raad heeft het Italiaanse voorstel toegejuicht en het Comité K.4 (JBZ-coördinatiecomité van hoge ambtenaren) opgedragen het te bestuderen.

PRETOETREDINGSPACT INZAKE GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT In afwachting van zijn formele goedkeuring van het Pretoetredingspact inzake georganiseerde criminaliteit tijdens de gezamenlijke bijeenkomst van de ministers van de landen van Midden- een Oost-Europa, inclusief de Baltische Staten, en Cyprus in de namiddag, heeft de Raad zijn fiat gegeven aan het pretoetredingspact (zie bijlage).

BIJEENKOMST MET DE MINISTERS VAN DE LMOE EN CYPRUS - GOEDKEURING VAN HET PRETOETREDINGSPACT INZAKE GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT De ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van de lidstaten van de Europese Unie, in hun hoedanigheid van leden van de Raad van de Europese Unie en in volledige samenwerking met de Commissie, en de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van de kandidaat-lidstaten van Midden- en Oost-Europa, met inbegrip van de Baltische Staten, en van Cyprus, hebben een pretoetredingspact inzake georganiseerde criminaliteit goedgekeurd (zie bijlage). Tijdens het debat dat aan de goedkeuring van het pact voorafging, hebben de ministers van de aspirant-lidstaten kunnen uiteenzetten hoe zij de zaken die in het pact aan de orde komen aanpakken. Zij hebben benadrukt dat zij zich engageren in de strijd tegen de verschillende vormen van georganiseerde criminaliteit en dat zij bereid zijn om de uitdagingen die dit verschijnsel zowel aan de lidstaten als aan hun landen stelt aan te nemen. In zijn slotopmerkingen heeft de voorzitter benadrukt dat de goedkeuring van het pact plaatsvindt met in het achterhoofd de gedachte dat de besluiten op het gebied van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit om te kunnen beantwoorden aan toetredingsvoorwaarden even belangrijk zijn als de maatregelen gericht op economische integratie. In dit verband heeft hij eveneens nadrukkelijk gewezen op het belang dat er in gelegen is dat alle partijen de rechtsstaat als een onschendbaar beginsel aanvaarden. Verder heeft hij opgemerkt dat alle partijen inzien hoe ernstig het gevaar is dat van de georganiseerde criminaliteit uitgaat en heeft hij benadrukt dat de instrumenten die in het pact worden opgesomd snel moeten worden vertaald in nationale wetgeving en actie op het terrein.

BIJEENKOMST VAN HET COMITE VAN DE OVEREENKOMST VAN DUBLIN In de marge van de zitting van 29 mei heeft het Comité van de Overeenkomst van Dublin (een uitvoerend comité, bestaande uit de 15 delegaties van de partijen bij de Overeenkomst), dat krachtens artikel 18 is opgericht om zaken te bespreken die te maken hebben met de toepassing en de uitlegging van de overeenkomst, zijn eerste ministeriële bijeenkomst gehouden. De Overeenkomst van Dublin van 1990 regelt de criteria aan de hand waarvan wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij één van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen is ingediend. Het Comité heeft de werking van de overeenkomst, die op 1 september 1997 van kracht is geworden, besproken. Sommige lidstaten zijn van mening dat de uitvoering van de overeenkomst niet bevredigend verloopt.

De ervaringen tot nog toe wijzen erop dat een relatief klein percentage asielverzoeken dat in de Europese Unie wordt ingediend, onder de werkingssfeer van de overeenkomst valt. Op grond van een van de criteria van de overeenkomst ligt de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielverzoek op basis van bewijsmiddelen bij de lidstaat waar de asielzoeker illegaal de EU is binnengekomen. Het probleem dat zich hierbij voordoet, is de moeilijkheid om vast te stellen waar een illegale immigrant zonder geldige documenten de EU is binnengekomen. Om de werking van de Overeenkomst van Dublin te verbeteren, heeft het Comité overeenstemming bereikt over twee teksten: -

een besluit ter verduidelijking van het gebruik van informatie over de wijze waarop asielzoekers de EU binnenkomen, bij het vaststellen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek; dit besluit voorziet tevens in de bilaterale uitwisseling van informatie over vingerafdrukken met inachtneming van de nationale wet van de aangezochte lidstaat en de EU-beginselen inzake gegevensbescherming, garandeert dat verzoeken om de verantwoordelijkheid over te nemen alle relevante informatie bevatten die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de staat die verantwoordelijkheid is voor de behandeling van het asielverzoek en voorziet in verbetering van de communicatie en samenwerking tussen de lidstaten via wederzijdse bezoeken of de uitwisseling van verbindingsfunctionarissen;

-

een actieprogramma dat gericht is op een aantal hoofdterreinen waarop onder de aanstaande voorzitterschappen werk moet worden verricht en dat asielzoekers aanmoedigt hun documenten bij zich te houden, dat de behandeling betreft van asielzoekers zonder documenten en dat betrekking heeft op snelheid en kwaliteit van informatie-uitwisseling, bewijsmiddelen, interpretatiekwesties en betere communicatie en samenwerking.

Beide teksten zullen formeel worden aangenomen na de taalkundige en juridische bijwerking ervan. Het aanstaande Oostenrijkse voorzitterschap heeft gemeld dat het een nieuwe ministeriële bijeenkomst van het Comité zal beleggen in de marge van een volgende JBZ-Raad.

BIJLAGE PRETOETREDINGSPACT INZAKE GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT TUSSEN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE EN DE KANDIDAAT-LIDSTATEN VAN MIDDEN- EN OOST-EUROPA EN CYPRUS De ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van de lidstaten van de Europese Unie, in onze hoedanigheid van leden van de Raad van de Europese Unie, en in volledige samenwerking met de Commissie, en de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van de kandidaat-lidstaten van Midden- en Oost-Europa, met inbegrip van de Baltische staten, en van Cyprus, hierna de "EU-lidstaten", respectievelijk "LMOE" en "Cyprus" te noemen, NA DE VERGADERING in Brussel op 28 mei 1998, NA BESPREKING van het Actieplan van de Europese Unie ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, dat in juni 1997 door de Europese Raad te Amsterdam is goedgekeurd (3), inzonderheid van aanbeveling 3, BENADRUKKEND dat zij hun gehechtheid aan de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat gemeen hebben en dat zij zich ervan bewust zijn dat de georganiseerde criminaliteit een ernstige bedreiging vormt voor deze waarden omdat zij het staatsbestel, de legale commerciële en financiële wereld en de samenleving op alle niveaus binnendringt, besmet en corrumpeert, ERKENNEND dat, wil men doeltreffend kunnen samenwerken op het gebied van wetshandhaving en justitie, de volgende elementen in ieder geval nodig zijn, zowel op nationaal als op internationaal niveau: -

een efficiënt gestructureerde politie met bevoegdheden om op te treden, goed opgeleid personeel en de voor een doeltreffende misdaadbestrijding benodigde technische uitrusting;

-

een justitieel systeem met adequate bevoegdheden dat op basis van moderne inhoudelijke en procedurele normen fungeert;

-

bevredigende rechtsgrondslagen voor de bestrijding van corruptie en een consequente toepassing daarvan;

-

praktische mogelijkheden voor de wetshandhavingsinstanties om de georganiseerde criminaliteit, met inbegrip van de drugscriminaliteit en de internationale wapensmokkel, te bestrijden, de opbrengsten uit misdaden te confisqueren en het witwassen van geld te voorkomen;

-

voldoende preventiemiddelen in de strijd tegen drugsmisbruik;

-

strenge controle op de legale verwerving van wapens,

VASTBESLOTEN nauw samen te werken om de georganiseerde criminaliteit en andere ernstige vormen van criminaliteit, met inbegrip van de mensenhandel en de georganiseerde illegale immigratie, te bestrijden, VASTBESLOTEN om de internationale samenwerking met het oog op het bestrijden van dit verschijnsel eveneens te verbeteren,

(3)

PB C 251 van 15.08.1997, blz. 1.

GELET OP de Verklaring van Berlijn van september 1994, de mondiale ministeriële conferentie van de Verenigde Naties over grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit van november 1994, de 40 aanbevelingen van de G7/P8 ter bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit van 12 april 1996, de 25 aanbevelingen van de G7/P8 van de ministeriële conferentie over terrorisme van 30 juli 1996 en de 10 beginselen ter bestrijding van high-techcriminaliteit, die op 10 december 1997 door de G8 zijn goedgekeurd, ERKENNEND dat zich reeds een gemeenschappelijke visie begint af te tekenen over de manier waarop de georganiseerde criminaliteit dient te worden bestreden, aangezien allen zijn toegetreden tot internationale instrumenten die een belangrijke functie hebben bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, GELET OP de debatten over georganiseerde criminaliteit die in andere internationale fora worden gevoerd, zoals in de VN, die momenteel bestudeert of het mogelijk is een VN-overeenkomst op te stellen inzake georganiseerde criminaliteit, dit naar aanleiding van een initiatief van de Republiek Polen, ERKENNEND dat hun autoriteiten reeds samenwerken en geleid door de wens om deze samenwerking te versterken, zowel met onmiddellijke ingang als op langere termijn, GELEID DOOR DE WENS hiertoe een pact op te stellen waardoor de bestaande samenwerking tijdens de periode voorafgaand aan de toetreding kan worden versterkt; REKENING HOUDEND MET de noodzaak dat de LMOE en Cyprus het EU-acquis uitvoeren alvorens lid van de Europese Unie te worden, VERKLAREN: Beginsel 1 Wij bevestigen ons vaste voornemen om op alle fronten samen te werken bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en andere ernstige vormen van criminaliteit. Beginsel 2 Wij stellen met tevredenheid vast dat de LMOE en Cyprus hun voornemen kenbaar hebben gemaakt om het Europees Verdrag aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, van 1959, alsmede de internationale verdragen en overeenkomsten die worden genoemd in Aanbeveling 13 van het Actieplan van de Europese Unie ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, aan te nemen en daadwerkelijk uit te voeren. Dit zal dit zo spoedig mogelijk gebeuren, conform Aanbeveling 13. Hierna volgen de in Aanbeveling 13 genoemde internationale verdragen en overeenkomsten, waarbij zij opgemerkt dat wij allen een aantal van deze instrumenten hebben bekrachtigd: -

Europees Uitleveringsverdrag, Parijs 1957;

-

Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering, Straatsburg 1978;

-

Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, Straatsburg 1978;

-

Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, Straatsburg 1990;

-

Overeenkomst inzake wederzijdse bijstand tussen de onderscheiden douaneadministraties en Aanvullend Protocol, Napels 1967 (4);

(4)

Deze overeenkomst staat niet open ter ondertekening door kandidaat-lidstaten.

-

Overeenkomst inzake sluikhandel over zee, ter implementatie van artikel 17 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, Straatsburg 1995;

-

Verdrag tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, Wenen 1988;

-

Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, Straatsburg 1977.

Voorts nemen wij met tevredenheid nota van het voornemen van de LMOE en Cyprus om wetten te maken en te doen naleven die hen in staat zullen stellen om bij hun toetreding de overeenkomsten die in Aanbeveling 14 van het actieplan ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit worden genoemd, te bekrachtigen. Beginsel 3 Wij zijn voornemens samen te werken bij de ontwikkeling en de doeltreffende inzet van centrale instanties op het gebied van wetshandhaving en justitie die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Hierbij wordt vooral gedacht aan de instanties die worden bedoeld in Aanbeveling 1 (centrale nationale instanties verantwoordelijk voor de coördinatie van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit), 19 (centrale nationale contactpunten voor informatie-uitwisseling), 20 (nationale multidisciplinaire teams) en 21 (Europees Justitieel Netwerk) van het Actieplan ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. In overeenstemming met de relevante nationale wetgeving zullen deze instanties tevens dienen ter bevordering van: -

een snelle en doeltreffende internationale samenwerking op het gebied van wetshandhaving en justitie met betrekking tot de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, en

-

de nationale coördinatie van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.

Wij zullen het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie meedelen welke nationale contactpunten overeenkomstig Aanbeveling 19 van het actieplan zijn opgericht en het secretariaat-generaal zal alle belanghebbenden hierover informatie verstrekken. Wij zijn ons ervan bewust dat het voor het behalen van succes in de strijd tegen de georganiseerde misdaad van essentieel belang is het strafrechtelijk onderzoek te coördineren, en derhalve denken wij dat het raadzaam is om, met volledig respect voor de grondwettelijke structuren van al onze staten, de oprichting te overwegen van multidisciplinaire geïntegreerde teams op nationaal niveau, zoals voorgesteld in Aanbeveling 20 van het actieplan ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Wij zijn voornemens van tijd tot tijd vergaderingen van dergelijke teams te beleggen voor de bespreking van gemeenschappelijke strategieën en acties, eventueel bijgestaan door Europol. Wij komen overeen om met hulp van Europol een gemeenschappelijke jaarlijkse strategie te ontwerpen en te ontwikkelen zodat wij kunnen nagaan op welke terreinen de georganiseerde misdaad ons allen het meest bedreigt. Daartoe belegt ieder voorzitterschap van de Raad vergaderingen voor de ontwikkeling en herziening van deze jaarlijkse strategie, waarbij op nuttige wijze kan worden voortgebouwd op de ervaringen met het jaarverslag van de Europese Unie over georganiseerde criminaliteit. De LMOE en Cyprus zijn bereid de vragenlijst die de EU met dat doel heeft opgesteld te beantwoorden en zullen alle noodzakelijke informatie krijgen over het werk van het contact- en ondersteuningsnetwerk van de Raad en de werkzaamheden van Europol. Beginsel 4 Wij benadrukken het belang van een nauwe samenwerking in vraagstukken betreffende de snelle en doeltreffende uitwisseling van informatie zowel ten behoeve van onderzoek en wederzijdse rechtshulp als van de ondersteuning van acties en onderzoek.

De LMOE en Cyprus zullen overwegen om contactpunten voor justitiële samenwerking in te stellen om deze samenwerking onderling en met de lidstaten van de Europese Unie te vergemakkelijken, met de bedoeling die contactpunten geleidelijk in het netwerk van de Europese Unie op te nemen. Beginsel 5 Wij hechten groot belang aan de onderlinge uitwisseling van inlichtingen op het gebied van wetshandhaving, waarbij de bescherming van persoonsgegevens wordt gewaarborgd. Inlichtingen moeten niet alleen worden uitgewisseld als onderdeel van informatie-uitwisseling ten behoeve van een onderzoek maar ook ten behoeve van het vergaren en uitwisselen van informatie voor de ontwikkeling van langetermijnstrategieën. Wij zijn ons ervan bewust dat als ondersteuning van doeltreffend analysewerk het verzamelen van informatie over criminele groeperingen en hun verblijfplaatsen belangrijk is. Wij benadrukken dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat iedere uitwisseling van informatie in overeenstemming is met de terzake doende voorschriften betreffende gegevensbescherming en in het bijzonder met het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens van 28 januari 1981. Wij stellen met tevredenheid vast dat de LMOE en Cyprus voornemens zijn dit verdrag zo spoedig mogelijk te bekrachtigen, zo zij dit inmiddels al niet gedaan hebben. Wij stellen met nadruk dat de grootst mogelijke bescherming moet worden geboden aan gevoelige informatie die afkomstig is uit andere landen. De bevoegde autoriteiten van elk van onze staten worden verzocht elkaar te adviseren over voorschriften betreffende de verspreiding van informatie tijdens justitiële en administratieve procedures, en bij voorbaat problemen die uit deze voorschriften kunnen voortvloeien, te bespreken. In dit verband zijn wij van oordeel dat een verzendende staat de mogelijkheid moet hebben om de ontvangende staat voorwaarden op te leggen inzake de bescherming van gevoelige informatie, alvorens te besluiten of hij deze informatie zal toezenden. Beginsel 6 Wij achten wederzijdse praktische ondersteuning van onderzoeken en acties van het allergrootste belang. Deze wederzijdse praktische ondersteuning kan het volgende inhouden: -

het verlenen van hulp met de opleiding en de uitrusting;

-

gezamenlijke onderzoeksactiviteiten en specifieke acties, eventueel met steun van Europol;

-

het vergemakkelijken van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van wetshandhaving en justitie ten behoeve van langetermijnonderzoek en kortstondige acties, in het bijzonder middels snelle verwerking van de terzake doende formulieren en logistieke ondersteuning in samenhang met grensoverschrijdende samenwerking;

-

onderlinge uitwisseling van wetshandhavingsfunctionarissen en justitiële autoriteiten voor stages in het kader van onderzoek met betrekking tot onze landen.

Wij benadrukken het belang en de doeltreffendheid van technieken zoals elektronisch toezicht, infiltratie en gecontroleerde aflevering. Wij zijn voornemens de internationale samenwerking op deze gebieden te vergemakkelijken, en daarbij ten volle rekening zullen houden met de gevolgen voor de mensenrechten. Beginsel 7 Wij hechten veel belang aan bi- of multilaterale wetshandhavingsprojecten. Deze vorm van samenwerking moet in het bijzonder worden nagestreefd op die gebieden van de georganiseerde misdaad waarop zich grensoverschrijdende gemeenschappelijke problemen voordoen, en dient gebaseerd te zijn op de projectmatige aanpak die de Raad van de Europese Unie tijdens zijn zitting van 4 december 1997 heeft onderschreven.

Wij zijn ons ervan bewust dat er, voorzover nodig en in overeenstemming met de terzake doende resoluties van de Raad van de Europese Unie, beschermingsprogramma's voor getuigen en personen die met de justitie samenwerken moeten worden opgesteld en uitgevoerd en dat wij elkaar daarbij moeten helpen, in het bijzonder door de mogelijkheid te bieden dat deze personen met wederzijdse instemming in onze landen worden opgenomen. Beginsel 8 Wij benadrukken het belang van Europol als informatiekanaal en als leverancier van analytische expertise en operationele steun, ook, te zijner tijd aan de LMOE en Cyprus. Derhalve zijn de LMOE en Cyprus voornemens zo spoedig mogelijk de noodzakelijke voorbereidingen te treffen die hen in staat zullen stellen om op het moment van hun toetreding partij te worden bij de Europol-Overeenkomst en de noodzakelijke nationale eenheden op te richten. Wij constateren met tevredenheid dat de LMOE en Cyprus nu reeds verkennende contacten leggen met de Europol Drugseenheid en wij moedigen dergelijke contacten aan; wij stellen tevens vast dat zij voornemens zijn om, zodra de Europol-Overeenkomst in werking is getreden, formele overeenkomsten voor te bereiden ingevolge de aanneming van dit pact, met name wat betreft de stationering van verbindingsofficieren in Den Haag. De Raad van de EU en de Commissie zijn voornemens de LMOE en Cyprus bij het opzetten van de nodige nationale eenheden bij te staan en financiering via de geëigende communautaire programma's overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften te bevorderen. Beginsel 9 Wij hebben met tevredenheid vastgesteld dat, teneinde de snelheid en de doeltreffendheid bij de uitvoering van rogatoire commissies en andere justitiële verzoeken te waarborgen, de LMOE en Cyprus bereid zijn een verklaring af te leggen van goede praktijken in overeenkomst met het op 28 mei 1998 door de Raad aangenomen gemeenschappelijk optreden inzake goede praktijken bij wederzijdse rechtshulp in strafzaken (5). Beginsel 10 Teneinde te voorkomen dat de plegers van strafbare feiten gebruik maken van verschillen in onze onderscheiden rechtssystemen waardoor er wijkplaatsen kunnen ontstaan, benadrukken wij het belang van een spoedige bekrachtiging van de uitleveringsovereenkomsten van de Europese Unie van 1995 en 1996 die zijn opgesteld in het kader van de Europese Unie, en benadrukken wij dat het voor de LMOE en Cyprus van belang is wetten te maken op basis waarvan zij tot deze overeenkomsten kunnen toetreden op het moment dat zij lid worden van de Europese Unie. Wij geven uitdrukking aan ons voornemen zo weinig mogelijk gebruik te maken van de mogelijkheden tot voorbehoud die deze overeenkomsten bieden. Wij zullen zorg dragen voor een doeltreffende toepassing van het beginsel "aut dedere, aut judicare". Beginsel 11 Ten behoeve van functionarissen van wetshandhavingsdiensten of justitiële autoriteiten moet meer gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden die worden geboden door de verschillende programma's zoals PHARE en MEDA en de relevante specifieke programma's op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, zoals OISIN, GROTIUS, STOP, ODYSSEUS en FALCONE. Opleiding moet in het bijzonder worden gestimuleerd teneinde een volledig inzicht te krijgen in de georganiseerde criminaliteit; evenals de evaluatie en de verbetering van de manieren om de criminaliteit te bestrijden. Voor opleiding zou gebruik kunnen worden gemaakt van relevante opleidingsmodules, zoals de door de Vereniging van Europese Politieacademies (AEPC) ontwikkelde modules.

(5)

PB

Beginsel 12 Een van de grootste bedreigingen voor onze maatschappij is volgens ons de corruptie, waarvan zowel burgers als particuliere en openbare instellingen het slachtoffer worden. Daarom stellen wij met nadruk dat er gemeenschappelijk een alomvattend beleid moet worden ontwikkeld tegen alle vormen van corruptie. Om dit te bereiken zullen wij, zodra een dergelijk beleid is ontwikkeld, regelmatig gemeenschappelijk overleg organiseren met de daarvoor in aanmerking komende instanties van de Raad en de Commissie, en de lidstaten van de EU zullen ernaar streven de LMOE en Cyprus te betrekken bij deze moeilijke opgave. Beginsel 13 Wij komen overeen dat ten behoeve van de bestrijding van het witwassen van geld de 40 FATF-aanbevelingen, Richtlijn 91/308/EEG van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (6) en de Overeenkomst van 1990 inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, onverkort moeten worden uitgevoerd. Wij geven uiting aan ons voornemen om, zo wij dit al niet hebben gedaan, op nationaal niveau financiële inlichtingeneenheden op te richten overeenkomstig de omschrijving van de Groep EGMONT, te weten "een centrale, nationale instantie die verantwoordelijk is voor de ontvangst (en, indien toegestaan, voor het opvragen), de analyse en de verspreiding onder de bevoegde autoriteiten van financiële informatie: (i) betreffende vermoedelijke opbrengsten van misdrijven, of (ii) die krachtens een nationale wetgeving of regeling is opgevraagd ten behoeve van de bestrijding van het witwassen van geld." Beginsel 14 Om de bestaande samenwerking tussen de lidstaten van de EU, de LMOE en Cyprus te verbeteren, moeten wij zo goed mogelijk gebruik maken van onze verbindingsofficieren en verbindingsmagistraten en wij benadrukken dat het wenselijk is dergelijke regelingen uit te breiden. Beginsel 15 Wij vertrouwen de uitvoering van dit pact overeenkomstig de hierboven vastgestelde beginselen, toe aan een groep van deskundigen uit alle aan dit pact deelnemende staten. Uitvoering van het pact zal plaatsvinden op basis van de volgende hoofdelementen: -

omschrijving en bestrijding van de van de internationale criminaliteit uitgaande dreiging op basis van het actieplan van de EU ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit;

-

regelmatig toezicht op en evaluatie van ontwikkelingen op het gebied van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in onze landen, alsmede, in voorkomend geval, de bepaling van de prioriteiten voor elk land. Dit toezicht en deze evaluatie gaat uit van het systeem van gezamenlijke evaluaties van de deskundigen van de lidstaten en de Commissie in het ruimere kader van de onder Justitie en Buitenlandse Zaken vallende aspecten van het uitbreidingsproces;

-

het plannen, uitvoeren en gezamenlijk evalueren, in voorkomend geval in overleg met Europol, van projecten tot bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, om onder meer de gebieden aan te geven waarop technische en financiële bijstand de LMOE en Cyprus van pas zou komen om het lidmaatschap van de Unie voor te bereiden.

(6)

PB L 166 van 28.06.1991, blz. 77.

OVERIGE BESLUITEN (Aangenomen zonder debat. Bij wetsbesluiten worden de tegenstemmen en onthoudingen aangegeven. Besluiten die verklaringen bevatten die de Raad heeft besloten openbaar te maken zijn aangegeven met een asterisk; deze verklaringen kunnen worden aangevraagd bij de Persdienst.)

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN Jaarlijkse evaluatie van de dreiging die van het terrorisme uitgaat De ministers hebben nota genomen van een document met een evaluatie van de interne en externe dreiging die in 1997 van het terrorisme uitging voor de Europese Unie in 1997. Dit document heeft betrekking op de voornaamste bronnen van terrorisme, zoals binnenlandse en buitenlandse terroristische groeperingen en staatssteun aan terrorisme. Dit document wordt jaarlijks door het voorzitterschap opgesteld op basis van de bijdragen van de lidstaten. Financiering van terrorisme De Raad heeft nota genomen van een verslag met een lijst van goedgekeurde maatregelen ter bestrijding van de financiering van terrorisme. De lidstaten erkennen dat een van de meest doeltreffende manieren om terroristen te bestrijden is, samen te werken aan het droogleggen van hun financieringsbronnen, en zij verbinden zich ertoe elkaar te informeren over hun succesvolle praktijken, informatie uit te wisselen met inbegrip van de bekendmaking van contactpunten, en na te gaan of hun nationale wetgeving verbeterd moet worden om de financiering van terrorisme te bestrijden. De lidstaten stellen vast, hoe belangrijk het is adequate waarborgen te hebben die ervoor zorgen dat plaatselijke, nationale en Europese subsidies niet door terroristen benut kunnen worden. Daarnaast stimuleren de lidstaten gezamenlijke initiatieven ter bestrijding van de financiering van terroristische groeperingen die in meer dan één staat actief zijn. Uitvoering van de resolutie van de Raad van 1997 inzake de uitwisseling van DNA-analyseresultaten De Raad heeft nota genomen van een verslag over de uitvoering van de resolutie van de Raad van 9 juni 1997 inzake de uitwisseling van DNA-analyseresultaten. In de resolutie worden de lidstaten uitgenodigd hun eigen nationale DNA-databanken in te stellen en gemeenschappelijk normen overeen te komen voor DNA-profilering om de uitwisseling van gegevens te vergemakkelijken. Het gemeenschappelijk gebruik van DNA-profielen door alle lidstaten zou een belangrijk instrument zijn bij het onderzoek naar en de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit. Uit het verslag blijkt dat Oostenrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk al hun eigen nationale databanken hebben ingesteld en dat de meeste andere lidstaten verwachten dit binnen twee jaar te zullen doen. Het Verenigd Koninkrijk en Nederland werken onder auspiciën van het in Londen gevestigde Europees netwerk van gerechtelijke laboratoria (ENFSI) aan de ontwikkeling van onderling overeengekomen normen voor het opstellen van DNA-profielen. Eind 1999 moet er een definitief advies naar de Raad gaan.

Er moet op gewezen worden dat de omstandigheden waaronder monsters voor het opstellen van DNA-profielen bij personen kunnen worden genomen aanzienlijk variëren van de ene tot de andere lidstaat. Om volledig te kunnen profiteren van DNA-profilering bij de bestrijding van de criminaliteit moeten er bepaalde minimumvereisten worden vastgesteld voor het nemen en bewaren van monsters. Uitvoering van de resolutie van 1977 inzake voetbalvandalisme De Raad heeft kennis genomen van het verslag over de uitvoering van de resolutie van 9 juni 1997 over voorkoming en beteugeling van voetbalvandalisme via de uitwisseling van ervaringen, stadiumverboden en een mediabeleid. Vertegenwoordigers van Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland hebben de opdracht gekregen om jaarlijks verslagen op te stellen over voetbalvandalisme in de gehele EU. De bedoeling hiervan is drieledig, namelijk een accuraat overzicht geven van de huidige toestand in alle lidstaten, zwakke punten aanwijzen en de internationale samenwerking en wederzijdse bijstand tussen wetshandhavingsdiensten versterken. Er is op 27/28 februari 1998 een seminar over voetbalvandalisme in Blackburn gehouden en het verslag dat nu op de tafel van de ministers ligt, houdt rekening met de conclusies van dat seminar. Het verslag is gebaseerd op gegevens uit de lidstaten over 314 wedstrijden van zowel de nationale ploegen (vriendschappelijk en in competitieverband) als de clubteams (Champions League, UEFAbeker, enz.) over de periode juni 1996 - juni 1997. Deze wedstrijden leidden tot in totaal 278 arrestaties en 523 gevallen van preventieve hechtenis. Daarnaast werden er in de verslagperiode 2.111 civielrechtelijke en strafrechtelijke verboden opgelegd om stadions te betreden. Het verslag bevat ook een beschrijving van de gedragspatronen bij supportersreizen naar het buitenland, en wel voor supporters uit Engeland en Wales, Nederland, België en Duitsland. Conclusies van de Raad over encryptie en wetshandhaving De Raad heeft de volgende conclusies goedgekeurd: 1.

De Raad Telecommunicatie heeft op 1 december 1997 de mededeling van de Commissie "Zorgen voor veiligheid van en vertrouwen in elektronische communicatie: naar een Europees kader voor digitale handtekeningen en encryptie" gunstig ontvangen. De Raad Telecommunicatie erkende dat het gebruik van geëncrypteerde mededelingen het vermogen van de lidstaten om de criminaliteit te bestrijden en hun nationale veiligheid te handhaven, kan aantasten en stelde vast dat de relevante aspecten van de Mededeling moeten worden besproken met de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken, teneinde tot een gecoördineerde aanpak te komen. Ook pleitte de Raad Telecommunicatie ervoor om een onderscheid te maken tussen producten en diensten inzake authentificatie en integriteit enerzijds, en producten en diensten inzake vertrouwelijkheid anderzijds.

2.

Tijdens een bijeenkomst van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken op 29 en 30 januari 1998 in Birmingham is informeel gesproken over de wetshandhavingsaangelegenheden die met de Mededelingen samenhangen. Er wordt nu verder onderzocht hoe wetshandhaving gediend is bij het gebruik van cryptografieproducten en -diensten voor vertrouwelijke doeleinden.

3.

De Raad erkent dat het gebruik van cryptografiediensten ter waarborging van de integriteit en vertrouwelijkheid van digitale mededelingen niet alleen grote voordelen biedt voor de elektronische handel en de particuliere levenssfeer van individuele personen, maar ook van belang is voor het voorkomen van misdrijven zoals fraude. De Raad is zich er echter ook van bewust dat de wetshandhavingsinstanties zich zorgen maken over het feit dat de ruime beschikbaarheid van cryptografiediensten voor vertrouwelijke doeleinden een ernstige weerslag kan hebben op de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme indien het niet mogelijk is om, waar zulks noodzakelijk en passend is, per geval legale toegang te krijgen tot de encryptiesleutels. De Raad heeft derhalve besloten nauwlettend toe te zien op de mate waarin encryptie door zware criminelen en terroristen wordt gebruikt.

4.

In de resolutie van de Raad van 17 januari 1995 wordt erkend dat het legaal intercepteren van communicatie een belangrijk instrument is voor de opheldering van zware misdrijven. De Raad merkt op dat wetshandhavingsdiensten voor het behoud van deze mogelijkheid een aanvraag mogen doen voor legale toegang tot encryptiesleutels, zonder dat de gebruiker van de cryptografiedienst ervan op de hoogte is. De Raad ziet in dat, naast andere mogelijke benaderingen, de wetshandhaving belang zou kunnen hebben bij het aanmoedigen van het gebruik van vertrouwelijke diensten, waarbij een encryptiesleutel of andere informatie bij derden in bewaring wordt gegeven. Dergelijke diensten worden vaak "sleutelbewaringsof sleutelterugwinningsdiensten" genoemd. Wetshandhavingsdiensten kunnen ook legale toegang tot encryptiesleutels vragen, indien zulks noodzakelijk is om materiaal te decrypteren dat tijdens onderzoek in een strafzaak in beslag is genomen.

5.

De Raad erkent dat er een reeks maatregelen, waaronder wetgeving, noodzakelijk kan zijn om burgers te beschermen tegen zware criminaliteit en terrorisme. Dergelijke maatregelen moeten echter wel evenredig zijn en opwegen tegen andere grote belangen. Daarbij mag geenszins uit het oog worden verloren dat hieraan nadelen verbonden kunnen zijn, dat de burgerlijke vrijheden moeten worden beschermd en dat de werking van de interne markt ten behoeve van de succesvolle ontwikkeling van de elektronische handel moet worden verzekerd. Maatregelen waarmee legale toegang tot encryptiesleutels wordt gegeven moeten ook stevige garanties bevatten.

6.

De Raad acht het noodzakelijk om te komen tot een gezamenlijke afbakening van de behoeften van wetshandhavingsdiensten die cryptografiediensten voor vertrouwelijke doeleinden gebruiken. Derhalve heeft de Raad ermee ingestemd een resolutie over encryptie en wetshandhaving op te stellen ter completering van de lopende besprekingen in andere Raadsinstanties. De resolutie zal de lidstaten verzoeken om bij de ontwikkeling van hun nationale beleid rekening te houden met de behoeften van de wetshandhaving.

Uitvoering van het gemeenschappelijk optreden van 1997 over de openbare orde De Raad heeft kennis genomen van het verslag over de voortgang die is gemaakt bij de uitvoering van het gemeenschappelijk optreden van 26 mei 1997 met betrekking tot de openbare orde en veiligheid. Op basis van dit gemeenschappelijk optreden werd de lidstaten gevraagd informatie uit te wisselen over de verplaatsingen van groepen van enige omvang die de openbare orde en veiligheid kunnen bedreigen, desgevraagd "liaison officers" te zenden naar andere lidstaten. Verder moet elk voorjaar een bijeenkomst worden georganiseerd voor de hoofden van de Centrale instanties voor openbare orde en veiligheid, en moeten deze de gezamenlijke scholing, stages en oefeningen bevorderen. Uit het verslag over de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden blijkt dat er vooruitgang is geboekt, hoewel de bestaande regelingen voor samenwerking op het gebied van de openbare orde verbetering behoeven. Bijzondere aandacht gaat in het rapport uit naar het systeem voor informatieuitwisseling en met name naar het tijdig uitwisselen van informatie en inlichtingen vóór georganiseerde evenementen. Het verslag wijst erop dat de banden tussen de lidstaten inzake politieoptreden op het terrein van de openbare orde nauwer moeten worden aangehaald.

Uitvoering van het gemeenschappelijk optreden van 1996 ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat De Raad heeft nota genomen van het verslag waarin geëvalueerd wordt hoe ver de lidstaten staan met het nakomen van hun verplichtingen krachtens het gemeenschappelijk optreden dat op 15 juli 1996 is aangenomen. De bedoeling van dit gemeenschappelijk optreden was, de justitiële samenwerking tussen de lidstaten bij de bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat te verbeteren door te voorkomen dat plegers van dergelijke strafbare feiten gebruikmaken van het feit dat deze in de wetgevingen van de lidstaten verschillend worden behandeld en trachten te ontkomen aan strafvervolging door zich eenvoudigweg van het ene naar het andere land te verplaatsen. Uit het verslag blijkt dat de lidstaten in zeer ruime mate hun verplichtingen uit hoofde van het gemeenschappelijk optreden zijn nagekomen. De meeste lidstaten hebben de gedragingen waarbij racisme en vreemdelingenhaat in het spel zijn die door het gemeenschappelijk optreden beoogd worden, strafbaar gesteld. In de lidstaten waar niet alle gewraakte gedragingen onder het strafrecht vallen is men doende de wetgeving te herzien om ervoor te zorgen dat deze activiteiten als strafbare feiten behandeld kunnen worden. Andere elementen van het gemeenschappelijk optreden die nog niet volledig zijn uitgevoerd worden ook aangepakt. Het verslag wijst op een aantal terreinen waarop verdere activiteiten nodig zijn zoals de instelling van contactpunten voor het verzamelen en uitwisselen van informatie op dit gebied. De Raad is overeengekomen dat de situatie opnieuw moet worden bekeken in 2000. Aanbeveling betreffende apparatuur voor de herkenning van valse documenten in doorlaatposten in de EU De Raad heeft een aanbeveling aangenomen betreffende de samenstelling van de apparatuur voor herkenning van valse documenten in doorlaatposten in de Europese Unie. De regeringen van de lidstaten wordt aanbevolen qua deskundigheid en uitrusting uniforme niveaus te bepalen voor de herkenning van valse documenten in doorlaatposten in de Europese Unie. Hiervoor moet aan de hand van de omvang van het personenverkeer, de huidige omvang van het misbruik, de beschikbaarheid van de referentiematerialen, de aanwezigheid van controleambtenaren en het niveau van de verstrekte opleiding de apparatuur die in de doorlaatposten aanwezig moet zijn, worden vastgesteld. Ook geeft de aanbeveling aan welke apparatuur vereist is voor het minimum-, intermediair en hoog niveau. Uitvoering van het gemeenschappelijk optreden van 1996 inzake convenanten tussen douaneautoriteiten en handelsondernemingen bij de bestrijding van de drugshandel De Raad heeft nota genomen van het verslag over de vordering van de uitvoering van het gemeenschappelijk optreden van 29 november 1996 inzake de samenwerking tussen de douaneautoriteiten en handelsondernemingen bij de bestrijding van de drugshandel. Uitgaande van het belang van samenwerking tussen de douane en handelsondernemingen op dit gebied is het gemeenschappelijk optreden erop gericht de doelmatigheid en doeltreffendheid van de bestrijding van de drugshandel op EU-niveau te verbeteren door van de lidstaten te eisen dat zij convenantenprogramma's opstellen tussen douaneautoriteiten en handelsondernemingen, zoals expediteurs, luchtvaartmaatschappijen en havenautoriteiten. Convenanten zijn schriftelijke overeenkomsten waarbij een formeel juridisch kader voor samenwerking wordt ingesteld. Het gebruik van convenanten tussen de douane en het bedrijfsleven is in zeer veel verschillende gremia, zowel op EU als op internationaal niveau, aanbevolen.

Op basis van het gemeenschappelijk optreden moeten de convenanten een akkoordverklaring van ondernemingen bevatten om vooraf informatie aan de douane over vracht en passagiers te verstrekken en toegang tot hun informatiesystemen te verschaffen en verbindt de douane zich ertoe de veiligheidsprocedures van de ondernemingen te beoordelen en opleiding over de drugsproblematiek te geven. Het gemeenschappelijk optreden voorziet er ook in dat de douaneautoriteiten de toepassing kunnen uitbreiden tot andere gebieden waarvoor zij bevoegd zijn, zoals douanefraude (alcohol en tabak, enz.). De resultaten van het verslag zijn bemoedigend in die zin dat alle lidstaten momenteel een convenantenprogramma hebben ingesteld. De convenanten zelf moeten door sommige lidstaten echter nog worden gesloten. Het aantal geldige convenanten is sinds de aanneming van het gemeenschappelijk optreden met 16% gestegen tot een totaal van 222 in 1997. Positieve resultaten van de invoering van de convenantenprogramma's zijn frequentere en omvangrijkere inbeslagnemingen van drugs, een gerichtere besteding van de middelen, betere betrekkingen tussen de douane en handelsondernemingen en verbeterde doorstroming van de informatie ten behoeve van de inlichtingeneenheden. Het blijkt dat er op een aantal terreinen nog werk moet worden verricht om volledig te beantwoorden aan de doelstellingen van het gemeenschappelijk optreden. Hiertoe zou het toepassingsgebied van de convenanten moeten worden uitgebreid tot andere samenwerkingsterreinen die in het gemeenschappelijk optreden genoemd worden en die verder gaan dan de bestrijding van de drugshandel. Toelichtend verslag over de Overeenkomst van Napels II De Raad heeft nota genomen van het toelichtend verslag over de overeenkomst inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties ("Napels II"), die op 18 december 1997 is ondertekend. De overeenkomst heeft ten doel de samenwerking tussen de douaneadministraties van de lidstaten op het gebied van het voorkomen, opsporen en vervolgen van inbreuken op douanevoorschriften te verbeteren. Zij is een actualisering van de Overeenkomst van Napels van 1967 inzake wederzijdse bijstand tussen de onderscheiden douaneadministraties in het licht van de interne markt en de afschaffing van de routinecontroles door de douane aan de binnengrenzen. Het toelichtend verslag geeft de voorgeschiedenis van de aanneming van de overeenkomst, het verklaart de relatie met andere bepalingen inzake samenwerking in strafzaken en bevat een korte schets van de bepalingen van Napels II. Tevens herinnert het eraan dat de Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad inzake douanesamenwerking bedoeld is voor een correcte toepassing van de communautaire wetgeving op douane- en landbouwgebied, terwijl "Napels II" betrekking heeft op wetshandhaving in verband met inbreuken op de douane-wetgeving (opsporing en onderzoek). Reglement van orde van het beheerscomité van de Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied De Raad heeft overeenstemming bereikt over het ontwerp van een reglement van orde voor het beheerscomité van de overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied (DIS), dat zodra de Overeenkomst van 26 juli 1995 inzake het gebruik van informatica op douanegebied in werking is getreden, formeel zal worden aangenomen door dat comité in zijn eerste vergadering.

Een akkoord dat op hetzelfde moment als de overeenkomst is ondertekend, voorziet in de voorlopige toepassing van de overeenkomst na bekrachtiging door acht lidstaten. De Raad zal overeenkomen dat in afwachting van de afsluiting van de bekrachtigingsprocedures door alle 15 lidstaten gedurende deze periode van voorlopige toepassing de Groep Douanesamenwerking als voorlopig beheerscomité optreedt waarbij zij zich zal laten leiden door dit ontwerp-reglement van orde. Uitvoering van de resolutie van 1996 betreffende het opstellen van overeenkomsten tussen politie en douane inzake drugsbestrijding De Raad heeft nota genomen van het verslag over de vorderingen bij de uitvoering van de resolutie van 29 november 1996. De resolutie roept op tot een betere samenwerking tussen politie en douane en andere wetshandhavingsinstanties om de strijd tegen de drugshandel op EU-niveau doeltreffender te voeren. Hiertoe moeten op basis van de richtsnoeren van de resolutie formele overeenkomsten worden gesloten. Het verslag toont aan dat de aanneming van de resolutie de meeste lidstaten ertoe heeft aangezet om overeenkomsten te plannen of bestaande overeenkomsten te herzien. De klemtoon wordt gelegd op het afbakenen van de taken en verantwoordelijkheden en op de uitwisseling van informatie. Er is nadere vooruitgang geboekt bij het gebruik van risico-analysetechnieken en verbindingsovereenkomsten op lokaal niveau. Wel wordt in het verslag gezegd dat er bij deze overeenkomsten meer aandacht moet worden besteed aan algemene procedurele en technische zaken. Het verslag bevat ook een aantal aanbevelingen voor toekomstige werkzaamheden om de samenwerking op dit terrein te verbeteren, zoals het uitwisselen van beste praktijken door de lidstaten die ervaring hebben met gezamenlijke operaties en praktijken van politie- en douanediensten. Verdrag betreffende huwelijkszaken (Brussel II) De Raad heeft het op 28 mei door de lidstaten ondertekende verdrag betreffende de bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken alsmede het protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van dit verdrag, goedgekeurd (zie Persmededeling, doc. 8853/98, Presse 167). De Raad heeft ook kennis genomen van de toelichtende verslagen over het verdrag en het protocol. Mededeling van de Raad inzake een uniform model voor verblijfstitels De Raad heeft overeenstemming bereikt over een in het Publicatieblad bekend te maken mededeling inzake een uniform model voor verblijfstitels. De mededeling bevat de afbeeldingen van drie verschillende soorten verblijfstitels die moeten worden afgegeven door de autoriteiten van de lidstaten en die vervaardigd worden in overeenstemming met de technische specificaties in het Besluit van de Raad van 18 december 1997. Enkel de specimina van de verblijfstitels van Oostenrijk en Nederland worden bekendgemaakt; die van de andere lidstaten zijn nog niet beschikbaar en worden dus pas later bekendgemaakt.

EXTERNE BETREKKINGEN Sluiting van de Overeenkomst tussen de EG en de VS betreffende de handhaving van hun mededingingswetgeving * De Raad heeft een besluit goedgekeurd inzake sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende de toepassing van de beginselen van positieve internationale courtoisie bij de handhaving van hun mededingingswetgeving. Deze overeenkomst is een aanvulling op de overeenkomst die op 23 september 1991 tussen de EG en de VS is gesloten betreffende de toepassing van hun mededingingsregels. De doelstelling van deze tweede overeenkomst is: -

ertoe bij te dragen dat concurrentieverstorende activiteiten waartegen op grond van de mededingingswetgeving van een der Partijen of van beide Partijen kan worden opgetreden, geen belemmering vormen voor de handels- en investeringsstromen tussen de Partijen, noch afbreuk doen aan de mededinging en aan het welzijn van de consument op het grondgebied van de Partijen, en

-

samenwerkingsprocedures in te stellen om tot de meest werkzame en doeltreffendste handhaving van de mededingingswetgeving te komen, waarbij de mededingingsautoriteiten van elke Partij normaal zullen vermijden om voor een optreden tegen concurrentieverstorende activiteiten die voornamelijk op het grondgebied van de andere Partij geschieden en hoofdzakelijk op dat grondgebied zijn gericht, voor rechtshandhaving bestemde middelen in te zetten, wanneer de mededingingsautoriteiten van de andere Partij in staat en bereid zijn die activiteiten te onderzoeken en op grond van hun wetgeving werkzame sancties te treffen om tegen die activiteiten op te treden.

Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.