CLAIRLIEU A CHTENVEE R TIGS T E E N NEGENENVEERTIGSTE. j A A R G A N G ' ) GES H1SDENI5 DBR KRUlSMBREN. Cl.AIRLfiUi. »;m Tei A


1 i CLAIRLIEU IJD AAN DB GES H1SDENI5 DBR KRUlSMBREN»;m Tei A.pcl (1465 (595) J.M. HAY! Le Ptieufc tic tai dc sain A.PPE VVVil,.i,srl)oi J.W. d'...
Author:  Maurits de Veen

4 downloads 150 Views 12MB Size

Recommend Documents


S E P T E M B E R J A A R G A N G N R 3
1 S E P T E M B E R J A A R G A N G N R 32 Colofon Van de redactie REDACTIE: Jos Ducheine FPVG Vredeoord 105 Gebouw VS 5621 CX Eindhoven telefoon (maa...

M E I J A A R G A N G N R 2
1 M E I J A A R G A N G N R 22 Colofon REDACTIECOMMISSIE: Jos Ducheine Wim Hoogenboezem (voorzitter) Kastanjelaan 400 gebouw SFH ½ 5616 LZ Eind...

M E I J A A R G A N G N R 2
1 M E I J A A R G A N G N R 22 Colofon Van de redactie FPVG Vredeoord 105 Gebouw VS 5621 CX Eindhoven telefoon (maandag-woensdag-dond erdag van uur) ...

J a n v a n M e r s b e r g e n
1 S C H R I J F - D A G B O E K J a n v a n M e r s b e r g e n Revisor De Bezige Bij Amsterdam2 Schrijfdagboek kwam mede tot stand met steun van het ...

HET E N N E A G R A M
1 HET E N N E A G R A M Inzicht in de EGO (Persoonlijkheids)structuren van de MENS Inzicht in negen Persoonlijkheidsstructuren van mensen 12 Er bestaa...

Telstar surfclub A r r A n g e m e n T e n
1 Telstar surfclub A r r a n g e m e n t e n2 3 BRUILOFTEN & RECEPTIe 4 FEESTARRANGEMENT 6 DRANKAFKOOP 10 FINGERFOOD & SNACKS 13 KOFFIE & ...

J A A R V E R S L A G E N J A A R R E K E N I N G. Stichting Activa. Horst
1 J A A R V E R S L A G E N J A A R R E K E N I N G Stichting Activa Horst2 Inhoudsopgave 1. Verslag over het jaar Balans per 31 december Staat van Ba...

j a a r g a n g 1 7 n r. 10 p a g i n a 1 n o v e m b e r
1 j a a r g a n g 1 7 n r. 10 p a g i n a 1 n o v e m b e r HET KOEPELTJE IN VOGELVLUCHT In dit Koepeltje: > Het voorwoord van Onno op blz. 2 gaat ...

J A A R G A N G N U M M E R A P R I L
1 P O L I T I E J A A R G A N G N U M M E R A P R I L W W W. B R S - D E N H A A G. N L I N F B R S - D E N H A A G. N L In dit nummer o.a. o Wijkzorg...

R E N C A N A K E R J A K E C A M A T A N U J U N G B E R U N G T A H U N
1 BAB I PENDAHULUAN 1.1. Latar Belakang Pembangunan di wilayah Kecamatan Ujungberung sebagai bagian integral dari pembangunan Kota Bandung pada hakeka...


CLAIRLIEU IJD

AAN

DB

GES£H1SDENI5 DBR KRUlSMBREN

»;m Tei A.pcl (1465 (595) J.M. HAY! Le Ptieufc tic

tai dc sain

A.PPE VVVil,|.i,srl)oi J.W. d'All.uLb O..S.C

94)

in?

L, SIPS

In Mriuuriairi (I. v;m Hoorn ( 1 '^ I '■'- I 'WD) i

A CHTENVEE R TIGS T E

E N

NEGENENVEERTIGSTE j A A R G A N G 9 9 0 - 1 '■)

Cl.AIRLfiUi

MM

■■-

CLAIRLIEU TIJDSCHRIFT

GEWIJD

AAN

DE

GESCHIEDENIS DER KRUISHEREN

ACHTENVEERTIGSTE

EN

NEGENENVEERTIGSTE JAARGANG

19 9 0-1991

CLAIRLIEU —MAASEIK

HET KLOOSTER TER APEL NJJ. VERMEULEN INLEIDING

In het zuiden van de provincie Groningen, niet ver van de Westduitse grens, staat het klooster Novae Lucis, Nieuw Iicht. Dit klooster staat aan de rand van het dorp Ter Apel, in de streek Westerwolde. Het klooster van Ter Apel is tegenwoordig een toeristische bezienswaardigheid, waar jaarlijks duizenden bezoekers genieten van de rust en zich wanen in een tijd ver voor ons.

Het klooster zoals we dat nu kunnen bewonderen is slechts een deel van het oorspronkelijke complex. Een kloostergang ontbreekt bij-

voorbeeld en ook de verdieping waar de monniken hun slaapvertrekken hadden is niet meer aanwezig. Veel van het oude klooster is verloren gegaan, maar wat rest kan de hedendaagse bezoeker nog steeds bekoren.

In dit artikel wordt de geschiedenis van het klooster Novae Lucis be-

handeld vanaf de stichting in 1465 tot het jaar 1595. In dat jaar kwam er officieel een einde aan de functie van het complex als klooster der Kruisheren. Het gebouw zelf blijft hier buiten beschouwing. Uitgangspunt van dit artikel zijn de bewoners, de Kruisheren zelf, die bijna anderhalve eeuw in Ter Apel geleefd hebben. Wie waren zij, met wie hadden zij te maken, wat deden zij om in hun levensonderhoud te voorzien en welke bezittingen behoorden tot het kloostercomplex? Het antwoord op deze vragen is voor een deel te vinden in de ruim vierhonderd akten en brieven, die tesamen het kloosterarchief Ter Apel vormen. Daarnaast is het voor de Orde der Kruisheren zo be* Dit artikel is een bewerking van de doctoraalscriptie van de auteur, die in 1987 is afgestudeerd aan de Rijksuniversiteit Groningen. Met dank aan pater Th. van den Elsen voor zijn goede adviezen.

HET KLOOSTER TER APEL

langrijke boekwerk Definities der Generate Kapitteh van de Orde van het H. Kruis 1410-1786 (verder aangeduid als Definities) een rijke bron voor wat betreft de namen van de kloosterlingen. De speurtocht door archieven is beperkt gebleven tot voornamelijk het Rijksarchief Groningen en het gemeentearchief van de stad Groningen. 1. DE STICHTING VAN HET KLOOSTER TER APEL

De geschiedenis van het Kruisherenklooster van Ter Apel begint in 1464, toen een zekere Jacob Wiltingh zijn 'guet Apell' schonk aan de prior-generaal van de orde, Peregrinus van Kampen1. Wiltingh

was pastoor te Garrelsweer en vicaris van Loppersum en woonde in of bij Onstwedde. De reden voor zijn schenking was eenvoudig: deze gift zou van gunstige invloed zijn op zijn zieleheil. Waarom hij zich richtte tot de Kruisheren is niet bekend. Wellicht had hij kontakten met de moderne Devoten, die hem adviseerden zich tot de Kruishe ren te wenden. Misschien had hij eens een Kruisherenklooster bezocht, al lag het dichtstbijzijnde klooster (Bentlage) zo'n honderd ki lometer van zijn woonplaats. Wiltingh had het stuk grond zes jaar eerder gekocht van het klooster Sancta Maria te Schildwolde, dat behoorde tot de orde der Praemonstratenzers. In een oorkonde van 22 februari 1476 verklaarden proost en priores van dit klooster dat de grond destijds aan Wiltingh was verkocht, omdat ze er zelf geen enkel profijt van hadden, en er ook in de toekomst niet veel van verwachtten2.

Diverse auteurs hebben zich beziggehouden met de vraag of op deze plaats eerder een klooster heeft gestaan. Immers, het was in 1464 geenszins een kaal stuk grond. In de verkoopakte van 1458, toen de Praemonstratenzers het verkochten aan Jacob Wiltingh, staat dat het een 'verwoestede erve und guet' was. Bovendien is er een oor konde uit 1466 bewaard gebleven, waarin verwezen wordt naar een eerder klooster:

"...woe in vorledenen tyden ene watermole gelegen hebbe toe Apell by dat Cloister nu van Orden des hilligen Cruces in der tyt dat Cloester vorscr. hoirde toe den

1 TA inv. 2, reg. 11 (22 februari 1464). 2 TA inv. 1, rcg. 38 (22 februari 1476).

HET KLOOSTER TER APEL

orden

van

praemonstreit

und

den

5

cloister

to

Schildwold..."3

De oudste vermelding van een klooster dat hier gestaan zou hebben,

stamt van Sibrandus Leo (I6e eeuw). In zijn Abtenlevens derFriesche kloosters Mariengaard en Lidlum schrijft hij, dat in 1290 de abt van

Premontre een onderzoek gelastte naar de overgebleven bevolking in de (Oost-)Friese en Groningse kloosters van zijn orde. Door twee overstromingen zouden vele kloosterlingen omgekomen zijn. In zijn opsomming van aantallen overledenen schrijft Leo ondermeer dat in Apelsche (der Apel)..." zeventig monniken zijn omgekomen, maar dat er ten tijde van het onderzoek nog zeventig monniken aanwezig waren. Dit klooster, gesticht in 1216, droeg volgens hem de naam 'Domus Lucis' en behoorde tot de orde der Praemonstratenzers. In 1410 werd het verkocht aan het kruisherenklooster te Schar mer, genaamd 'Domus Verae Lucis'4. Het verhaal van Sibrandus Leo klopt op een aantal punten niet. Volgens N. Backmund (1952) heeft Leo de tussen haakjes geplaatste opmerking 'der Apel' zelf toegevoegd5. Backmund veronderstelt dat het in werkelijkheid om een klooster in Hopels, Oost-Friesland, ging. Toen Leo zijn kroniek schreef bestond dit klooster echter niet meer. Het is mogelijk dat Leo niet geweten heeft van het bestaan van dit huis, en hij daarom 'in Apelsche' vereenzelvigd heeft met Ter Apel. Hoe hij aan het stichtingsjaar 1216 en de naam Domus Lucis is gekomen, vermeldt hij niet, maar dit Praemonstratenzer klooster kan in 1410 onmogelijk aan de Kruisheren in Scharmer overgedragen zijn. Pas in 1489 werd er in Scharmer een Kruisherenklooster gesticht dat niet de naam 'Domus Verae Lucis', maar 'Sanctae Helenae' droeg.

De opmerking '(der Apel)', die Leo wellicht zelf heeft toegevoegd, heeft een aantal latere schrijvers op een dwaalspoor gezet. Zo is H.O. Feith (1842), op grond van Leo's tekst, de geciteerde oorkonde uit 1466 en een verhandeling van A. Ypey (1821) over resten van een

oud voetpad vlakbij het klooster Ter Apel, ervan overtuigd dat er 3 TA inv. 1. reg. 17 (11 oktober 1466). 4 Wumkes, Abtenlevens, 43.

5 Backmund, Monasticon, II, 164, noot 31: "... Sibrandus sua sponte fecit additiones. Ig norant omnino asceteria "Montis Stae. Mariae in Happelsa" [...] erronea ea identificavit cum Ter Apel...".

6

HET KLOOSTER TER APEL

sinds 1216 een huis van de Praemonstratenzers moet hebben gestaan6. Het oude voetpad lijkt echter ook geen aanknopingspunt

te zijn, omdat het waarschijnlijk pas in 1465 is aangelegd voor de mensen die meehielpen aan de bouw van het Kruisherenklooster7. C.H. Peters (1897) en Eerleman (s.a.) gaan nog een stap verder: zij menen zelfs te weten hoe dat oude gebouw eruit gezien moet heb ben8. Peters wijst onder meer op een aantal oude stenen in het ge bouw die groter zijn, en dus volgens hem ouder, dan de overige, omstreeks 1465 gebakken, stenen9. Hij verbindt daaraan de conclusie dat het oude Praemonstratenzer klooster van steen moet zijn geweest. De nieuwbouw zou opgetrokken kunnen zijn op de oude fundamenten, enerzijds uit eerbied voor degenen die er begraven waren (de graven zouden dan ongeschonden blijven), anderzijds ter besparing van tijd, geld en moeite. Deze veronderstelling baseert hij op het feit dat de kerk tegen de gewoonte in aan de zuidzijde van het complex staat en het belangrijkste woongedeelte aan de noordzijde. Daardoor lag het woongedeelte aan de minst zonnige kant van het complex. A.T. Schuitema Meijer (1966) komt met een andere suggestie, die het best aansluit op het bronnenmateriaal10. Omdat de grond ei-

gendom was van de Praemonstratenzers, is het niet ondenkbaar dat zij daar een uithof of voorwerk hebben gehad. Een uithof is een stuk grond met een boerderij, bestemd voor agrarische doeleinden, waaraan de Praemonstratenzers een kapel mochten verbinden. In zo'n kapel werd de mis opgedragen door een van de kloosterlingen en ontvingen mensen uit de omgeving de sacramenten. In een oorkonde uit

1466 staat dat er geruchten de ronde deden dat de plaats, waarop het nieuwe Kruisherenklooster was gevestigd, vroeger bestemd was ge weest voor de gemeenschappelijke eredienst11. Misschien heeft er dus een kapel gestaan, die een tijdlang werd gebruikt ten behoeve van de bevolking in de omtrek. H.A. Spandaw (1821) meent in dit verband dat de naam Apell van deze kapel afgeleid zou kunnen zijn: A-kapel, de kapel bij de rivier de A12. Als deze kapel van steen is 6Feith, "Klooster Ter Apel", 136-138. 7 Ypey, "Nader onderzoek", 75.

8 Peters, "Ter Apel", 137-138 en Eerelman, Het oude klooster, 1. 9 Peters, "Ter Apel", 190-191. 10 Schuitema Meijer, Ter Apel, 9-10. 11 TA inv. 3, reg. 18 (25 oktober 1466): "... quem olim divino cultui deditum communi forma..." ; zie ook Hermans, Annales, II, 518. 12 Spandaw. "Verhandeling", 41. Volgens J. de Vries, Woordenboek, 164, is 'Apell' af geleid van A-pol, hetgeen 'poel van de A' betekent.

HET KLOOSTER TER APEL

7

geweest zou dit tevens de oude stenen in de huidige kloosterkerk kunnen verklaren.

De plaats is op een bepaald moment door de Praemonstratenzers verlaten omdat ze er, naar eigen zeggen, geen profijt meer van hadden. Aannemelijk is dat ze geruime tijd voor 1458 zijn vertrokken,

omdat Jacob Wiltingh in dat jaar een 'verwoestede erve und guet' kocht. Waarom hij dit kocht is niet bekend, maar het heeft ook hem waarschijnlijk niet veel opgeleverd. Al na zes jaar, op 22 februari 1464, schonk hij de mine en de grond aan de Orde der Kruisheren. Opmerkelijk in de schenkingsakte is de vermelding dat er al bewoners aanwezig waren en dat reeds met de bouw van het klooster begonnen was. De voorwaarde van Wiltingh, dat zijn schenking zou komen te vervallen wanneer er niet binnen twee jaar kloosterlingen zouden wonen hield in, dat de bouw gecontinueerd moest worden en dat de kleine gemeenschap niet alleen gehandhaafd, maar ook uitgebreid moest worden. Wiltingh verklaarde zich bereid mee te helpen aan de bouw van het klooster en gedurende de eerste twee jaar zou hij zorgen voor het levensonderhoud van de bewoners. Indien er na die twee jaar inderdaad een klooster zou staan, zou hij ook zijn erf te Onstwedde, Wiltingherve genaamd, en zijn landerijen bij Loppersum en Garrelsweer schenken13.

Op het generaal kapittel van 1465 (15-17 mei) kreeg Everhardus van Orsoy, prior van het convent te Bentlage, opdracht een aantal leden van zijn klooster naar Ter Apel te sturen. Zij zouden de eerste conventualen van de nieuwe stichting worden. De procurator van Bentlage, Hinrick van den Berghe, werd benoemd tot prior van het 'Domus Novae Lucis', zoals het klooster officieel werd genoemd. Met

hem vertrokken senior Ludolphus, broeder Gerardus de Horn, een broeder wiens naam niet bekend is, en enkele leken14. Een maand later, op 22 juni 1465, hechtte Conraad van Diepholt, de bisschop van Osnabriick, goedkeuring aan de bouw van het klooster. De streek waarin Ter Apel ligt, Westerwolde genaamd, ressorteerde onder zijn religieus gezag. De bisschop bevestigde de stich ting en de wijding van de plaats, zoals die door de priesters reeds was geschied. Tevens zegde hij toe het convent te zullen beschermen en 13 TA inv. 2, reg. 11 (22 februari 1464). 14 Weiss, Westfalen, 135-136.

8

HET KLOOSTER TER APEL

verdedigen en beloofde hij een aflaat van veertig dagen aan beschermers, weldoeners en bezoekers van het huis. De ban daarentegen zou hij uitspreken over degenen die het klooster zouden belagen15.

Voor Jacob Wiltingh was de officiele stichting en de aanwezigheid van een aantal Kruisbroeders reden genoeg om zijn toezegging gestand te doen. Al op 21 juli 1465, bijna een jaar eerder dan oorspronkelijk zijn bedoeling was geweest, schonk hij definitief zijn 'goed' Ter Apel, het Wiltingherf in Onstwedde en zijn landerijen bij Loppersum en Garrelsweer. Prior en conventualen mochten ermee doen wat ze wilden, mits het de voortgang van hun klooster ten goede kwam16. Hiermee was een financiele basis voor het voortbestaan van het convent gelegd.

15 TA inv. 2, reg. 12 (22 juni 1465). 16 TA inv. 2, reg. 13 (21 juni 1465).

HET KLOOSTER TER APEL

9

2. DE BEWONERS VAN NOVAE LUCIS

Van de bewoners van het klooster in Ter Apel kennen wij in hoofdzaak slechts namen. Deze namen komen voornamelijk uit twee bron-

nen. Het boek Definities bevat onder meer namen van overleden Kruisheren, gerangschikt naar de kloosters waartoe zij behoorden. Voor wat betreft personen die bestuursfuncties uitoefenden, vormt het kloosterarchief Ter Apel een aanvullende bron. Bijlage 1 geeft een opsomming van overledenen en overgeplaatsten, die volgens de Definities behoorden tot het klooster van Ter Apel. Het hoofdstuk is ingedeeld naar prioraten. Opvallend is dat de meeste prioren hun ambt langdurig hebben vervuld, hetgeen de stabiliteit in het klooster zeker ten goede zal zijn gekomen. 2.1. Hinrick van den Berghe (1465-1486) De eerste prior van Ter Apel was Hinrick van den Berghe17. Samen met enkele andere conventualen kwam hij in 1465 vanuit het convent Sanctae Gertrudis te Bentlage naar Ter Apel om er een klooster te stichten. Zijn geboortejaar en- plaats zijn niet bekend, maar hij heeft in Deventer gestudeerd bij de Broeders des Gemenen Levens18. In 1450 werd hij daar weggehaald door een Kruisheer uit Bentlage, Nikolaus de Alcmaria, die zelf ook in Deventer gestudeerd zou heb ben19. Het klooster Bentlage had goede kontakten met de volgelin-

gen van Geert Grote, want verschillende conventualen kwamen uit Deventer. Enkele van hen werden later prior, niet alleen in Bentlage, maar ook in andere Kruisherenkloosters. De prior van Bentlage die Hinrick van den Berghe naar Ter Apel zond, Everardus van Orsoy, had bijvoorbeeld in Deventer gestudeerd en werd in 1483 priorgeneraal20. Van 1450 tot 1465 heeft Hinrick van den Berghe in Bentlage gewoond. Ongetwijfeld heeft hij zich daar een goede reputatie verworven. Rond 1460 kreeg hij een visitatie-opdracht als vicaris-

17 Gekozen is voor de in de oorkonden van het archief Ter Apel meest voorkomende spel ling. In Latijnse oorkonden wordt hij Hinricus (of Henricus) de Monte genoemd.

is Weiss, Westfalen, 129. 19 ibidem, 129 en Biild, Rheine, 42. De naam Alimaria is waarschijnlijk een drukfout. A. van de Pasch noemt hem Alcmaria ("Sermo", 58). 20 Weiss, Westfalen, 129.

10

HET KLOOSTER TER APEL

generaal voor Frankrijk21. En anders zou hij in 1465 niet de opdracht hebben gekregen een kloosterstichting op zich te nemen. Op

het moment dat hij uit Bentlage vertrok was hij procurator van zijn klooster22.

Met slechts weinig middelen werd met de bouw in Ter Apel begon nen. Dat het werk snel vorderde, blijkt uit de brand, die het klooster in augustus 1472 teisterde. Door deze brand, die aangestoken zou zijn door een boze, ontrouwe lekebroeder, werden de kerk, de slaapzaal, de eetzaal en de keuken in de as gelegd. Twee conventualen van het eerste uur, Gerardus de Horn en senior Ludolphus, kwamen hierbij om. De laatste zou nog acht dagen geleefd hebben, eer hij aan zijn verwondingen bezweek23. Hoe groot de schade precies was is niet na te gaan. Een van de stukken die aan de vlammen werd prijsgegeven, was de verkoopakte van 1458. In 1476 werd een vidimus van deze oorkonde aan de hand van afschriften gemaakt. In de akte, waarin deze vidimus is opgenomen, wordt vermeld waarom een kopie werd gemaakt: "... welckes vorscr. kopes bewijs und breve mit mer cleij-

noden und guederen op de selve stede Apell inder capelle und slaephuse leijder verbrant sint..." 24

Met de wederopbouw werd snel begonnen, want een jaar later wijdde de bisschop van Tricala (Thessalie), wijbisschop van Osnabriick, de vijf altaren23. Daarvoor zal tenminste de kerk hersteld zijn. Van de functies subprior en procurator is slechts een persoon bekend: in een oorkonde uit 1471 wordt als procurator een zekere Gherd genoemd. Mogelijk is hij dezelfde als de priester die in 1472 bij de brand om het leven kwam, Gerardus de Horn. Vanaf 1473 verschenen in de dodenlijsten van de besluiten van het generaal kapittel namen van bewoners van Ter Apel. Al genoemd zijn

de beide priesters die in 1472 om het leven kwamen. Tot i486 zijn

21 Biild, Rheine, 46. Weiss, Westfalen, 138 plaatst dit ten onrechte in 1485, maar het geschiedde onder prior-generaal Theodericus van Hall (1459-1463), toen Hinrick van den Berghe nog in Bentlage was. 22 Biild, Rheine, 46. 23 ibidem, 47; Weiss, Westfalen, 124, 136 en 247. In de Definities wordt bij het jaar 1473 Gerardus Harlem genoemd. Vermoedelijk is dit dezelfde persoon als Gerardus de Horn. 24 TA inv. 1, reg. 38 (22 februari 1476). 25 TA inv. 3, reg. 31 (29 augustus 1473).

HET KLOOSTER TER APEL

11

in totaal vijf broeders overleden. Daarnaast zijn vijf leden overgeplaatst naar kloosters in Sneek, Hoei, Woudrichem, Marienfrede en Emmerich. Bij drie van hen stond de toevoeging dat ze voor een jaar moesten verhuizen. Dat kon verschillende redenen hebben. Een ongehoorzame kloosterling kon naar een klooster gestuurd worden, waar een strengere tucht heerste. Een kloosterling met een goede staat van dienst kon daarentegen naar een convent gezonden worden waar het

met de observance slecht was gesteld of waar extra mensen nodig waren voor de opbouw, als het om een jonge stichting ging. Ook donaten konden overgeplaatst worden, hoewel ze trouw beloofd hadden aan hun klooster en niet aan de orde. Twee van de bovengenoemde vijf leden uit Ter Apel bijvoorbeeld waren donaat26. Waarschijnlijk golden voor hen dezelfde redenen als voor de kloosterlingen die de kloostergelofte hadden afgelegd. Twee Kruisbroeders kwamen in deze periode voor een jaar naar Ter Apel, in 1474 en 1481. De eerste, Johannes Delft uit het klooster Schiedam, werd later nog driemaal overgeplaatst, in 1475 naar Suxy en in 1476 naar Falkenhagen. Hij stierf in 1492/1493 als rector in Virton27. De tweede, Conradus Hoxarie uit het klooster Falkenha gen, trof vrijwel hetzelfde lot. In 1482 werd hij naar Schwarzenbroich gestuurd, in 1484 naar Hoei28. In 1485 was Hinrick van den Berghe een van de vier definitoren

tijdens het generaal kapittel29. Zijn naam komt voor in de dodenlijst van 1487. Dat betekent dat hij overleden is in de tijd tussen het generaal kapittel van i486 en dat van 1487, ofwel tussen 25 april i486 en 13 mei 1487. Vermoedelijk is hij begraven in de kloosterkerk van Ter Apel. Op een der zerken in de kloosterkerk, zwaar aangetast door de tand des tijds, valt nog te lezen: "...t[us] sarchophago tegitur conditor hui[us] Apel pene bis uncti cui prim[us] pirefuit a[n]nis i[n]sta.

' 30

NB met ingang van noot 26 worden niet langer de paginanummers bij de Definities gegeven, maar het betreffende jaar! 26 Hermannus Gudynck (Definities, 1475) en Hermannus (Definities, 1476). 27 Pasch, Definities, 1475, 1476 en 1493. 28 ibidem, 1482 en 1484. 29 ibidem, 1485. 30 Schuitema Meijer, Ter Apel. 131.

12

HET KLOOSTER TER APEL

Uit het woord 'conditor', stichter, zou afgeleid kunnen worden dat het inderdaad om Van den Berghe gaat. Daar zijn naam echter niet vermeld wordt, is dit niet met absolute zekerheid te zeggen.

2.2 Jacob van Wynckell (1487-1518) De tweede prior was Jacob van Wynckell. Zijn naam komt voor het eerst voor in een oorkonde van 22 juni 148731. Waar hij vandaan kwam en of hij al in Ter Apel woonde toen Van den Berghe nog prior was, is niet bekend. Uit de kapittelbesluiten blijkt niet dat hij door het generaal kapittel is benoemd, wat doet vermoeden dat hij door de kloostergemeenschap van Ter Apel zelf gekozen is. Van dit tijdvak zijn de namen van twee subprioren bekend. In 1489 wordt in twee oorkonden een zekere Wigboldus genoemd. Het is Wigboldus Renis (Wybbel van Rheine). Van circa 1495 tot ongeveer 1500 was hij prior in Scharmer; hij stierf in 153032. De tweede subprior was Hubertus, die in 1517 overleed. Van de procurators is slechts een naam overgeleverd, Johannes de Elberge, die in 1511 overleed.

In 1510 werd Berndt van Hebelle opgenomen in Ter Apel als "provener unde medebroder" 33. De Kruisheren beloofden voor de rest van zijn leven voor zijn levensonderhoud te zorgen. In mil daarvoor gaf hij hen al zijn bezittingen, waaronder zijn schapen, bijen, bed, geld, kleding en gereedschap, onder voorwaarde, dat hij hiervan gebruik mocht blijven maken zolang het hem beliefde. Zijn naam komt voor in de staatboeken van Ter Apel. In 1506 betaalde hij een bedrag onder meer "ad subsidum Lampade" 34. Gezien zijn naam kwam hij vermoedelijk uit het plaatsje dat nu Hebelermeer heet, temeer daar de rechter van het nabijgelegen Haren de oorkonde opstelde. Hebelermeer ligt vlak over de Nederlandse grens, ten oosten van Barger-Compascuum.

Het aantal Kruisbroeders dat in de periode 1486-1518 in Ter Apel gewoond heeft is niet bekend, maar er zijn 28 personen in deze tijd

31 TA inv. 1, reg. 66 (22 juni 1487). 32 Bosh, "Priorij", 11 en 27; Detmold, Landesarchiv, hs. 6, fol. 57 r-v: 1530/1531 stierf "fr. Wybbel Novelucis quondam prior in Scharmer" ; bij Pasch, Definities, 1531 ontbreekt "Novelucis". 33 TA inv. 1, reg. 145 (8 januari 1510). 34 TA inv. 4, hs. in folio 481-1, fol 9r.

HET KLOOSTER TER APEL

13

overleden. Wanneer men bedenkt dat er in het koor van de kerk dertig zitplaatsen waren35 en dat er vermoedelijk 23 slaapcellen op de verdiepingen waren36, dan lijkt het gerechtvaardigd te veronderstellen dat er gemiddeld toch zeker 20 'n twintig kloosterlingen moeten hebben gewoond en wellicht zelfs meer. Van overplaatsingen is in deze tijd bijna geen sprake geweest.

Slechts een Kruisbroeder werd naar een ander convent gestuurd (1512) en een kwam vanuit Sneek naar Ter Apel (1501). Daarbij zijn niet gerekend de kloosterlingen die in 1489 naar Scharmer gingen om daar het nieuw gestichte klooster te bevolken. Dat zullen hooguit ze-

ven geweest zijn, aangezien het aantal conventualen dat in 1494 in Scharmer aan de pest overleed, ook zeven bedroeg37. Deze personen hoeven overigens niet alien afkomstig geweest te zijn uit Ter Apel, omdat daar in de tussentijd ook andere Kruisbroeders aangenomen kunnen zijn.

Het verslag van het generaal kapittel meldde in 1518 het overlijden van Van Wynckell. Dat betekent dat hij voor 2 mei 1518, de dag waarop het kapittel bijeenkwam, is overleden. De laatste oorkonde waarin zijn naam nog voorkomt, dateert van 1 augustus 151738. Ja cob van Wynckell zal daarom overleden zijn tussen 1 augustus 1517 en 2 mei 1518.

2.3. Derek van den Hardenberch (1518-1528)

Jacob van Wynckell werd opgevolgd door Derek, of Theodericus, van den Hardenberch. Zoals zijn naam al aangeeft, kwam hij vermoede

lijk uit Hardenberg in Overrijsel. Dit vermoeden wordt versterkt door een oorkonde uit 1520, waarin Derek getuige was van een overeen-

komst tussen twee broers39. Het ging daarbij om de verdeling van een aantal mudden rogge uit landerijen in met name het kerspel Ootmarsum, zo'n 15 kilometer ten zuidoosten van Hardenberg. Bij een van beide partijen werd een zekere Dyrrick genoemd, met wie naar het lijkt de prior werd bedoeld. Van de overeenkomst werden 35 Feith, "Klooster Ter Apel", 145; zie ook Hermans, Annales, II, 500-501. 36 Schuitema Meijer, Ter Apel, 105.

37 Pasch, Definities, 1495. Het is niet zeker ofJacobus Anden ook uit Scharmer kwam. Vol-

gens Weiss (Westfalen, 137) waren het zes personen. 38 TA inv. 37, reg. 182 (1 augustus 1517). 39 TA inv. 48, reg. 187 (3 September 1520).

14

HET KLOOSTER TER APEL

twee afschriften gemaakt, waarvan de prior namens de partij waartoe ook Dyrrick behoorde, er een kreeg.

In de periode 1518-1528 overleden zeven Kruisbroeders, waaronder procurator Johannes Deest (1526). Wellicht was hij de opvolger van procurator Johannes de Elberge, die in 1511 was overleden. De overplaatsingen duiden op een goede reputatie van Ter Apel binnen de orde. Twee kloosterlingen uit Hohnscheid, een convent dat enkele keren te kampen heeft gehad met een verslapte kloostertucht, werden naar Ter Apel gestuurd40. Omgekeerd verbleef Michael Covordie uit Ter Apel drie jaar in Hohnscheid. Enkele jaren na zijn terugkeer was hij subprior41. Hij keerde terug naar Ter Apel toen het klooster in Hohnscheid in 1527 werd opgeheven als gevolg van de Reformatie42. In het begin van de jaren '30 verbleef Libertus Valchs, een kruisheer van Maastricht (Lubbertus Trajectensis) enige tijd in Ter Apel; hij kreeg hier in 1533 zijn benoeming tot subprior in Hoorn43.

Van den Hardenberch overleed op 14 maart 1535. De laatste keer dat hij als prior in de oorkonden voorkomt, is op 3 maart 152844. De eerste vermelding van zijn opvolger, Gerhardus Hasselt, is op 23 juni 153345. Tussen deze twee data heeft hij zijn functie neergelegd. De reden hiervoor is niet bekend, maar omdat hij in het klooster bleef wonen, was hij vermoedelijk te ziek of te oud om de functie van prior uit te oefenen. Blijkens een der zandstenen grafzerken is hij in de kloosterkerk begraven. Het opschrift op zijn grafsteen luidt: "Anno d[omi]ni MDXXXV xllll die Marcie obiit vene[ra]bilis pater Theod[e]ricus Hard[en]berch firmis prior hui[us] co[n]ve[n]ius, cui[us] a[n]i[m]a requiescat in sancta pace" 46

40 Pash, Definities, 1523 en 1524.

41 TA inv. 35, reg. 202 (5 januari 1536), TA inv. 35, reg. 220 (23 augustus 1542) en Pasch,

Definities, 1544: overleden als subprior. 42 Weiss, Westfalen, 174.

43 Libertus Valchs bleef subprior in Hoorn tot 1536. Van 1546 tot 1556 komt hij voor als subprior in Maastricht. Zie Hasselt, Maastricht, 25 en 56. ^ TA inv. 51, reg. 197 (3 maart 1528). 45 TA inv. 47, reg. 200 (23 juni 1533). 46 Schuitema Meijer, Ter Ape/, 131.

HET KLOOSTER TER APEL

15

2.4 Gerhardus Hasselt (ong. 1530-1564)

Gerhardus Hasselt spande de kroon wat betreft de lengte van zijn prioraat. Van 1533 (of eerder) tot 1564 heeft: hij de leiding gehad in Ter Apel.

Tijdens een proces in 1538 aangaande het eigendom van landerijen vertegenwoordigde niet de prior, maar de procurator het klooster. Dit was niet gebruikelijk, maar een verklaring kan zijn, dat de prior nog niet terug was van het generaal kapittel, dat tweeenhalve week eer

der was gehouden. Wellicht reisde hij na afloop van het kapittel direkt door naar Westfalen, waar hij kloosters moest visiteren. De pro

curator was wel de aangewezen persoon om in dergelijke zaken de prior te vervangen. Anderzijds was in de statuten bepaald, dat bij afwezigheid van de prior de subprior de honneurs waarnam, hoewel deze zich in eerste instantie met geestelijke aangelegenheden bezighield. In enkele oorkonden trad de subprior samen met de prior en soms ook nog een senior op, en eenmaal was hij samen met de pro curator partij. In dit laatste geval (1564) ging het om subprior Gerardus van den Hardenberg, die een of twee jaar later prior zou worden.

Gedurende dit lange tijdvak zijn er acht subprioren geweest. In 1529 stierf Henricus de Monte, die mogelijk de opvolger van Hubertus (overleden in 1517) was. Broeder Anthonius bekleedde slechts een jaar de functie van subprior: hij overleed al in 1530. Ook zijn opvol ger Everhardus heeft het niet lang volgehouden: hij stierf in 1533. Denkbaar is dat een subprior werd gekozen uit de senioren, die goed op de hoogte waren van het reilen en zeilen binnen het klooster. Dat betekent dat een broeder pas op vrij hoge leeftijd subprior werd. De kans op een kortstondige ambtsuitoefening was daardoor aanzienlijk. Met de opvolger van Everhardus hadden de broeders echter wat meet geluk: Michael Covordie komt als subprior voor in oorkonden uit 1536 en 1542 en overleed in 1544. Als opvolger van Everhardus is hij dus elf jaar (van 1533 tot 1544) subprior geweest van de in ieder ge val twintig jaren die hij in het klooster heeft doorgebracht. Zijn op volger was Lubbertus van Alten, die in 1537 procurator was geweest. Wellicht is hij dezelfde als Lubbertus, die vanaf ongeveer 1549 tot

aan zijn dood in 1552 prior was in Scharmer47. Daarna kwam

47 Bosch, "Priorij", 28; Pasch, Definities, 1552.

16

HET KLOOSTER TER APEL

Geehardus van den Bussche. Ook zijn ambtsperiode heeft niet erg lang geduurd, daar in de dodenlijst van het generaal kapittel in 1560 Jacobus Hoesden als subprior genoemd wordt. De laatste subprior in deze periode was Gerardus van den Hardenberch, die in 1564 als subprior in een akte wordt genoemd en vermoedelijk dezelfde is, als de Gerardus van den Hardenberch, die een jaar later tot prior werd benoemd.

In 1550 waren er twee procurators48. Een van hen, Everdo Busshuiss, komt nog in een oorkonde van 1564 als procurator voor, en is misschien dezelfde als Everardus, die van 1568 tot 1570 prior was in Scharmer49. Aangezien hij niet in de dodenlijsten van Ter Apel voorkomt, is dit niet onwaarschijnlijk. De ander, Gerardo van Ahuiss, is wellicht dezelfde als senior Gerardus, die in 1570 overleed50. Drie andere paters vertrokken in deze periode om in een ander klooster een hogere funktie te bekleden. In i533 werd pater Lubbertus Trajectensis subprior in Hoorn, in 1539 werd Florencius Novimagii, die in 1537 al eens naar Goes was gezonden, prior in Nieuwwerf (provincie Zeeland) en in 1552 werd Bernardus Northorn 'magister juvenum' in Scharmer.

Deze promoties geven aan dat de kloostergemeenschap van Ter Apel zich een faam had verworven binnen de orde, die zij in voorgaande tijden nog niet in zo'n hoge mate had gehad. Uit de namen der overleden conventualen blijkt, dat Ter Apel een aantrekkingskracht uitoefende niet alleen op mensen uit de direkte omgeving, maar ook op personen uit bijvoorbeeld Aken, Meersen, Utrecht en Nijmegen (of waren zij overgeplaatst?). De prior zelf had eveneens een goede naam, daar hij vele malen visitator was. Voor zover bekend zijn er twee proveniers aangenomen in deze pe riode. Van de eerste provenier, Henrick van Bien, is niet meer be kend dan dat hij omstreeks 1561 overleden is. Zijn broer ontving in

48 TA inv. 35, reg. 243 (26 juli 1550).

49 Pasch, Definities, 1570. In 1568 overleed prior Hubertus Hasselt, in 1570 overleed prior Everardus.

50 Hij is niet dezelfde als Gerardus Ahues, die van 1552 tot 1566 prior in Scharmer was en sinds 1566 abt van het Benedictijner dubbelklooster Thesinge (provincie Groningen). Deze prior kwam uit Marienfrede, waar hij subprior was. Het kapittelverslag van 1552 vermeldt dat hij werd benoemd tot prior van Scharmer. In dit kapittelverslag wordt hij overigens Renis ge noemd. (Rheine en Ahaus liggen niet ver van elkaar.) Hij stierf kort voor 1 maart 1613. Zie over hem Clairlieu, 33 (1975), 21-25; Hermans, Annales, II, 489.

HET KLOOSTER TER APEL

17

dat jaar van het klooster een bedrag voor hemzelf en zijn twee zusters, dat de provenier hen nagelaten had. Van Bien was afkomstig uit Meppen, Duitsland51. In het jaar van zijn overlijden werd een nieuwe provenier aangenomen. Mogelijk was voor de kloostergemeenschap een provenier voldoende, omdat hij de functie van bijenhouder vervulde. Berndt van Hebelle, die in 1510 provenier werd, was bij enhouder, en ook de provenier, die de plaats van Henrick van Bien overnam, had deze taak. Honing was overigens een produkt, waar Westerwolde bekend om stond. De nieuwe provenier was 'mester' Herman Scholte uit Oldenharen, die in 1561 tweehonderd gulden aan het klooster schonk, in mil waarvoor de Kruisbroeders voor zijn

levensonderhoud zouden zorgen. Zijn kleren echter moest hij zelf betalen, behalve twee paar schoenen per jaar, die hij van de Kruisbroe

ders kreeg. Al eerder had hij het klooster zestig Gelderse Rijders gegeven als een lijfrente, waarvoor hij jaarlijks drie goudgulden ontving. Daarmee kon hij dan zijn kleren kopen. Zijn geld, gereedschap en bijen mocht hij houden. Na zijn dood kwam dit alles toe aan het klooster52. Dezelfde dag stelde de prior een oorkonde op, waarin Herman Scholte de Kruisbroeders vijftig Gelderse Rijders schonk. Dit

geld kon hij echter op elk moment weer terugvorderen. Als hij het niet opeiste, moest het na zijn dood verdeeld worden over zijn erfgenamen53.

In 1559 werd een opmerkelijke overeenkomst gesloten met een zekere meester Henrijck Wijspelwij. In de 'kuecken earner' van het klooster werd afgesproken dat hij tweemaal per jaar naar het klooster zou komen 'om the laeten'. In mei en in de herfst, of vaker indien nodig, zou hij de kloosterlingen aderlaten. Voor zijn diensten kreeg hij jaarlijks vier Drentse mudden rogge en een paar 'laukeijen schoen'. Om het jaar zou hij bovendien leer krijgen, waarvan hij laarzen kon laten maken, die tot de knieen reikten. Waar hij die liet maken, mocht hij zelf bepalen54. Het aantal conventualen, dat in deze tijd in Ter Apel overleed, is vergelijkbaar met het aantal overledenen in voorgaande perioden. Gemiddeld stierf ook nu ongeveer een persoon per jaar. In totaal

51 TA inv. 51, briefreg. (6 januari 1561). 52 TA inv. 47, reg. 255 (8 januari 1561). 53 TA inv. 47, reg. 256 (8 januari 1561).

54 TA inv. 51, briefreg. (23 april 1559); zie ook Hermans, Annales, III, 57.

18

HET KLOOSTER TER APEL

overleden van 1529 tot 1565 bijna veertig broeders in Ter Apel. Daarnaast verhuisden in ieder geval drie leden naar andere conventen. Naast de drie paters die naar andere kloosters werden overge plaatst om daar een hogere functie te bekleden, zijn er slechts twee Kruisbroeders van Ter Apel overgeplaatst. In 1537 vertrok Florencius Novimagii naar Goes. Mogelijk is hij dezelfde als Florencius die in 1539 prior in Nieuwwerf werd. Gwilhelmus Bummel werd in 1533 overgeplaatst naar Marienfrede. Of hij is teruggekeerd staat niet vast, daar zijn naam noch in de dodenlijst van Ter Apel, noch in die van

Marienfrede voorkomt. Waarschijnlijk moeten bij de overgeplaatsten ook nog Everardus Busshuis en Lubbertus van Alten gerekend worden. De laatste komt als procurator voor in een oorkonde uit 1537 en als subprior in oorkonden uit 1546 en 1548. Ook zijn naam komt in de dodenlijsten niet voor. Wellicht is hij dezelfde als Lubbertus die van 1549 tot 1552 prior in Scharmer is geweest55. Slechts vier Kruis broeders, uit respectievelijk Namen, Hoorn, Hoei en Schwarzenbroich, hebben enige tijd in Ter Apel doorgebracht. Van een van hen, Cornelis Namurcensis, staat vast, dat hij hooguit een jaar in Ter Apel is geweest. Een jaar later kreeg hij opdracht terug te keren naar zijn eigen klooster56.

De laatste schriftelijke vermelding van Gerhardus Hasselt dateert van 8 juni 156457. Hij stierf in juli 1564. De tekst op zijn grafzerk in de kloosterkerk valt niet meer in zijn geheel te ontcijferen. Leesbaar is nog het volgende: "Anno d[omi]ni MCCCCCLXV ... Juli[i] Gerhardus hie ex Hasselt frater requiescit, qui domui huic ... fuit ... prior..."58

55 Bosch, "Priori)", 28. Hij overleed in 1552 (Pasch, Definities, 1552).

56 Pasch, Definities, 1552, 1553, 1559, 1561 en 1563- Cornelius Namurcensis was eerder al naar Hoorn, Franeker en Ehrenstein gestuurd. Toen hij overleed (tussen 1579 en 1583) was hij subprior in zijn eigen klooster (Namen) geweest. 57 TA inv. reg. 260 (8 juni 1564).

58 Het jaartal op de grafzerk (1565) moet vermoedelijk MCCCCCLXIV zijn, daar Hasselt voorkomt in de dodenlijst van 1565 (Pasch, Definities, 1565). Hij zal in juli 1564 overleden zijn.

HET KLOOSTER TER APEL

19

2.5 Gerardus Hardenberch (1564-1576)

Gerardus Hardenberch promoveerde in 1564 van subprior tot prior. Hij was in ieder geval in 1564 subprior geweest; wellicht volgde hij al in 1560 subprior Jacob Hoesden op die in dat jaar overleed. Als prior trad Hardenberch, voorzover bekend, voor het eerst op in een oorkonde van 4 juni 1566.

In de periode 1564-1576 werd de voorspoed van het klooster langzamerhand omgezet in tegenspoed. Een aanwijzing daarvoor is het

feit dat in 1570, toen subprior Goswinus was overleden, zijn opvolger Ludowicus Coloniensis niet uit de kloostergemeenschap zelf kwam,

maar op last van het generaal kapittel vanuit het klooster Hohenbusch (ten noorden van Aken) werd overgeplaatst naar Ter Apel. In Hohenbusch was hij ook subprior geweest, maar het generaal kapittel ontsloeg hem uit deze functie om hem naar Ter Apel te kunnen sturen59. In principe werd een prior, subprior of procurator gekozen

uit de eigen kloostergemeenschap. Wanneer dit niet mogelijk was door gebrek aan (geschikte) leden, werd door het generaal kapittel iemand uit een ander Kruisherenklooster aangesteld. Tot 1570 was dit in Ter Apel nog nooit gebeurd. Hij is overigens maar een jaar sub prior in Ter Apel geweest, want in een oorkonde uit 1571 wordt Envardus vander Bussch subprior genoemd. In deze periode van elf jaar overleden volgens de opgave van de generale kapittels slechts zeven Kruisbroeders. Dit kan toeval zijn, maar het is ook mogelijk dat er minder mensen dan voorheen in het klooster woonden. Dat betekent dat ofwel zich minder (of geen) nieuw kloosterlingen aanmelden, ofwel dat sommigen het klooster verlieten. Wellicht deed ook hier de invloed van de Reformatie zich gelden. In de kapittelverslagen wordt vanaf ongeveer 1530 herhaaldelijk aandacht besteed aan de 'apostati', de afvalligen. Dergelijke waarschuwingen werden niet zonder aanleiding gegeven.

In 1570 werden voor het laatst, voor zover bekend, overplaatsingen aangekondigd door het generaal kapittel die betrekking hadden op Ter Apel. Naast de nieuwe subprior Ludowicus Coloniensis kwam Petrus Creveldie naar Ter Apel. Deze werd in 1572 weer over geplaatst, nu naar het klooster Briiggen (ten noordoosten van

Roermond)60.

59 Pasch, Definities, 1570. Dit was Ludovicus Gladbach, een kruisheer die eigenlijk thuishoorde in het klooster van Keulen. Hij stierf in 1603/1606 {Clairlieu, 34 (1976), 98) 60 ibidem, 1^12.

20

HET KLOOSTER TER APEL

Everardus vanden Bussch was in 1564 en 1566 procurator, een functie die hij in 1550 ook al had bekleed. Zijn opvolger als procu rator was Bernhardus Hasellundiensis, die als zodanig in 1568 wordt genoemd. Afgaand op zijn naam kwam hij uit het Duitse Haseliinne, dat ongeveer 15 kilometer ten oosten van Meppen ligt. In September

1577 was hij nog in leven61. Hardenberch deed afstand van zijn priorschap tussen 2 februari en 21 januari 1577. Deze twee data zijn respectievelijk de laatste keer dat zijn naam in de oorkonden voorkomt, en de eerste keer dat zijn opvolger als prior wordt genoemd62. Zijn overlijden staat vermeld in het kapittelverslag van 1583, maar aangezien er in de jaren 1579-1582 geen kapittel bijeen is geweest, kan hij ook eerder zijn gestorven. Bij zijn naam staat de toevoeging 'procurator', hetgeen de vraag doet rijzen waarom hij afstand heeft gedaan van zijn priorschap. De taak van

een procurator was minstens even zwaar als die van een prior. Daarom heeft hij waarschijnlijk een andere, helaas onbekende, reden gehad dan ziekte of ouderdom om af te treden. Hardenberchs sterfdag is niet nader te bepalen dan 'ergens' tussen 29 april 1579 en 18 mei 1583, de eind- en begindata van twee aaneensluitende generale kapittels.

2.6 Cornells van Nimwegen I Van Oy (1576-1587)

Cornelis van Nimwegen (van Oy) was een Kruisheer van Sint Agatha (Noord-Brabant) die in 1562 van subprior van Sint Agatha was bevorderd tot prior in Hoorn. Na de overgave van de stad Hoorn aan Oranje in 1572 moesten de Kruisheren hun klooster verlaten. Corne lis van Nimwegen werd waarschijnlijk aangesteld (niet gekozen) tot prior van Ter Apel63.

Al vrij snel na zijn aanstelling zijn er problemen geweest in het klooster met betrekking tot de kloostertucht. Drie Kruisbroeders van Ter Apel kwamen in September van dat jaar naar het huis te Wedde, waar zij voor drost Matthias Ort hun schuld bekenden wegens rebellie tegen de prior en de prior-generaal64. Een van hen was de pro61 GAGr, hs. in folio 282-11, fol I63r (1 September 1577). 62 TA inv. 52 en 51, briefregesten (2 februari 1576 en 21 januari 1577). 63 Hermans, Annales, I (1), 121; (2), 69; II, 127.

64 GAGr, hs. in folio 282-11, fol. I63r-v (1 September 1577); Bernardus Haselunnensis, Ro-

dolphus Hardenberch en Albertus Emensius.

HET KLOOSTER TER APEL

21

curator, een ander zou dat enkele jaren later worden. Nederig vroegen ze in hun verklaring om vergiffenis en beloofden ze voortaan trouw te zijn aan de prior. Het is niet duidelijk wat hun rebellie precies inhield, maar het opmerkelijke is, dat deze zaak niet door de orde zelf is afgehandeld. Mogelijk ging het hier om een vorm van

ketterij. De statuten bevatten uitgebreide regels voor allerlei vergrijpen en de prior-generaal had ook buiten deze reglementen de bevoegdheid ongehoorzame leden te straffen. De reden, waarom in deze zaak de hulp van de wereldlijke overheid werd ingeroepen, is waarschijnlijk gelegen in het feit, dat dit sinds 1424 de prioren van de orde was toegestaan65. Ongehoorzame onderdanen konden op verzoek van de prior door een wereldlijke autoriteit gevangen geno

men en bestraft worden. Wellicht heeft Van Nimwegen de hulp van de drost ingeroepen, omdat hij geen kans zag, de prior-generaal hiervoor te benaderen. In 1580 zouden de kloosterlingen gevlucht zijn naar Kruisheren-

kloosters in Westfalen. Wellicht maakten de soldaten, die sinds 1579 hun intrek in het klooster hadden genomen hen het leven in het klooster onmogelijk. Vermoedelijk zijn niet alle kloosterlingen ge vlucht. De gravin van Aremberg kwam hen in 1581 te hulp met een patentbrief, waarin ze officieren en manschappen verzocht in het vervolg het klooster met rust te laten. Van 1578 tot 1583 zijn volgens het verslag van het generaal kapittel van 1583 zes kloosterlingen in het klooster Ter Apel overleden en in 1585 werd prior Cornelis van Nimwegen tot visitator van het klooster Bentlage aangesteld, terwijl de prior van Bentlage Ter Apel moest visiteren66. Blijkens een inspectieverslag van de Raad van State uit 1636 werd het klooster omstreeks 1580 onder leiding van de prior een gasthuis voor reizigers en zwervers. Na verloop van tijd zou het zelfs gebruikt zijn als een basis van waaruit goederen werden gesmokkeld67. Met een gasthuis wordt hier niet bedoeld een parmanent onderdak, maar een verblijfsmogelijkheid voor enkele dagen of een nacht. De beoefening van de gastvrijheid had bij de reguliere kanunniken altijd een bijzondere plaats. Verscheidene Kruisherenkloosters stonden

65 Ramaekers, "Privileges", 68. 66 Schuitema Meijer, Ter Apel, 24 en 26.

67 Winter, Westerwolde, 70, noot: Najaarsinspectie van de Raad van State 1636 in no. 1661

van het Archief van die Raad.

22

HET KLOOSTER TER APEL

speciaal hierom bekend, sommigen bezaten een hospitaal of passantenhuis, een doorgangshuis voor reizigers en vreemdelingen. De Kruisbroeders van Ter Apel zullen wel steeds in deze afgelegen streek een gastvrij verblijf geboden hebben. Vooral in de laatste decennia van de zestiende eeuw schijnt dat zeer te zijn toegenomen. De gastvrijheid van Ter Apel blijkt in 1568 merkwaardig genoeg uit een verbod gastvrij te zijn ten aanzien van een bepaalde groep personen. Drost Matthias Ort schreef de kloosterlingen in dat jaar een brief, waarin hij hen op de hoogte bracht van een koninklijk placcaat: "... dat ghy niemants in uwen convent voer deme herloessen knechten vagabunden guiten undt vroembden bedelaers inlaten huisen haeven herbergen spisen ofte victalieren..." 68.

In 1575 maakten de broeders zelf gewag van een gasthuis, in een lange brief aan de Spaanse koning. Ze beklaagden zich hierin over de moeilijke tijden die ze doormaakten. Een van de problemen betrof het feit dat zij "... de [...] armen ellendigen menschen die [...] in groten antal vor onsen poorten in de desen iammerlicken en douren tyt moeten dagelicx spysen..." 69

Aan het verbod van de koning hebben ze zich kennelijk niet gehouden, hoewel de gasten waarschijnlijk een zware financiele last betekenden. Naar het aantal gasten, dat in het klooster opgenomen kon worden, valt slechts te gissen. In een inventarisatie uit 1614 worden in totaal 46 bedden genoemd, verspreid over diverse kamers en gebouwen van het kloostercomplex70. Het is evenwel niet zeker of er voor 1580 ook zoveel bedden waren, temeer daar na 1580 het klooster specifiek de functie van gasthuis zou hebben gekregen. In de kamer bij de 'gasthuiskamer' stonden twee bedden, in het oude gast huis buiten het kloostercomplex vijf. Betekent dit, dat er oorspron-

kelijk ruimte was voor maximaal zeven gasten, of werden extra gasten wellicht ook in andere vertrekken ondergebracht? 68 GAGr, hs. in folio 282-11, fol. 156v (10 december 1568). 69 GAGr, hs. in folio 282-1, 73v. 70 GAGr. hs. in folio 282-11, ff. 200v-203v (25 juli 1614).

HET KLOOSTER TER APEL

23

Gedurende het prioraat van Van Nimwegen is er waarschijnlijk maar een subprior geweest, Envardus vander Bussch. Pas in 1586 verschijnt er een nieuwe subprior op het toneel, Albertus Hesselen. Van

de procurators zijn Bernardus Haselunniensis en oud-prior Gerardus Hardenberch in de vorige paragraaf aan de orde geweest. Omdat de laatste overleed tussen 1579 en 1583, zal Albertus Emmen hem in die tijd wel opgevolgd zijn. Laatstgenoemde komt in de oorkonden een keer als procurator voor (1586). Zijn opvolger was Bernhardus Munster, die deze functie in ieder geval van 1587 tot 1593 heeft uitgeoefend. Van de zes overledenen, die in de kapittelverslagen uit deze tijd genoemd worden, waren er vijf donaat. Dit is een hoog aantal als men bedenkt dat van de ruim honderd overledenen die van 1473 tot 1591 op het generaal kapittel werden gemeld, er minstens dertig do naat waren. Waren er aan het einde van de zestiende eeuw relatief meer donaten dan in de beginperiode? Wellicht keerden alleen de donaten, gebonden als zij waren aan het klooster, uit Duitsland terug en bleven de meeste leden die de kloostergelofte hadden afgelegd achter in de conventen, wier voortbestaan minder onzeker was. De laatste opgave van overledenen, uit 1591, bevat namelijk alleen namen van donaten.

Cornelis van Nimwegen werd door zijn medebroeders van Sint Agatha, die in Gennep in ballingschap vertoefden, "zijnde prior tot Horn ende Drapel erst geweest'* tot prior gekozen van zijn domus nativa, het huis waarin hij zijn kloosterleven was begonnen. Dit gebeurde tussen 10 april 1587 (dan is Otto van Doesburg nog prior van

Sint Agatha) en 13 december 1587 (dan wordt Johannes Emmen voor het eerst vermeld als prior van Ter Apel). Hij stierf als prior van Sint Agatha in ballingschap op 7 mei 1605 en werd in Gennep begraven71.

2.7 Johannes Emmen (1587-1595) Een oorkonde met de datum 13 december 1587 vermeldt de naam van de laatste prior van het Kruisherenklooster, Johannes Emmen. Er zijn

7i Sint Agatha, Archief, inv. 209; Hermans, Annales, II, 139, III, 106, 118; Clairlieu, 32

(1974), 5-10.

24

HET KLOOSTER TER APEL

maar weinig bronnen uit deze tijd die informatie over de bewoners bevatten. Het kloosterarchief bevat een zestal oorkonden uit de periode 1587-1593, waarin naast de naam van de prior ook die van de subprior, de procurator en een of twee senioren wordt genoemd. In vroegere oorkonden staat meestal alleen de naam van de prior: de overige kloosterlingen worden met 'conventualen' aangeduid. Waarom nu ook namen van die andere Kruisbroeders worden genoemd, is niet duidelijk. Het kan te maken hebben met de inhoud van de akten, aangezien het klooster nu rentes verkocht. Het kloosterarchief bevat verder vrijwel geen akten, waarin het klooster iets verkoopt. Albertus Hesselen was in deze periode subprior, Bernardus Munster was procurator. De vorige procurator, Albertus Emmen komt in oor

konden van Ter Apel van 1587, 1588 en 1590 voor als senior; hij was omstreeks 1591-1596 prior van Scharmer72.

In de kapittelverslagen worden voor deze periode alleen in 1591 namen van conventualen genoemd. De overledenen waren alien donaat. Het kleine aantal mensen dat overleed, vier personen in achttien jaar, betekent dat er waarschijnlijk niet veel Kruisbroeders meer in het klooster woonden.

De laatste oorkonde van het kloosterarchief voor de Reductie, gedateerd 19 november 1593, bevat een opmerking die aangeeft dat de sauvegarde, die Willem Lodewijk het klooster in 1590 verleende, ofwel slechts korte tijd heeft geduurd, ofwel onvoldoende is geweest. De Kruisbroeders verkochten in deze oorkonde een rente "... in unser uuterste noit do wij binnen Steinwick gefanghen ..."73. Wat er precies gebeurd is, valt uit deze oorkonde niet op te maken, en ook uit andere bronnen is er niets bekend over deze onvrijwillige ballingschap. Waarom zij in Steenwijk gevangen werden gehouden is evenmin bekend. Steenwijk was sinds 1592 in Staatse handen. Wellicht had hun vertrek uit het klooster te maken met het langdurige beleg van Coevorden door Verdugo in 1593 en de strijd rond het huis te Wedde. Omdat Ter Apel tussen de 'brandhaarden' Coevorden en Wedde ligt, kan het zijn dat de Kruisbroeders geen kans meer zagen zich in het klooster te handhaven.

72 Bosch, "Priorij", 28; Scharmer: Reitsma, Ada, 73 TA inv. 51 +, reg. 125. Maurits veroverde in

Hermans, Annales, I (1)150; II, 491; in 1592 vermeld als prior van 196: in 1615 wordt hij "gewesen prior tot Scharmer" genoemd. 277 + (19 november 1593): Formsma, "Nieuwe Geschiedenis", juni 1592 Steenwijk.

HET KLOOSTER TER APEL

25

Hoewel na 1593, afgezien van prior Johannes Emmen, geen namen van conventualen meer genoemd worden in de bronnen, zijn er

waarschijnlijk nog wel enkele Kmisbroeders teruggekeerd naar Ter

Apel. De sauvegarde die graaf Frederik van den Bergh, kapitein van een regiment soldaten, namens de stadhouder in 1598 het klooster verleende, gold "dat Convent sampt dir itzige semptliche conventu alen" 74. Nog in 1603 is er in de akten sprake van 'prior en conven tualen' , ofschoon de band met de kloosterorde officieel als verbroken beschouwd moest worden75.

3. DE VERHOUDING TOT DE WERELDLIJKE EN GEESTELIJKE OVERHEID

3.1 De verhouding tot de wereldlijke overheid WESTERWOLDE

De heerlijkheid Westerwolde werd reeds in 1150 vermeld als bezit van de abdij Corvey. Vermoedelijk kreeg de abdij het gebied al in de negende eeuw van Lodewijk de Duitser76. Omdat Corvey in het bisdom Osnabriick lag, is Westerwolde waarschijnlijk om die reden een onderdeel van dit bisdom geworden. In naam had de bisschop zowel het geestelijke als het wereldlijke gezag over Westerwolde, maar in het begin van de veertiende eeuw stelden de plaatselijke bestuurders van Westerwolde zich onder de bescherming van de bisschop van Munster77. Daardoor ontstond de merkwaardige situatie, dat Westerwolde tot twee bisdommen behoorde: de bisschop van Osna-

74 TA inv. 50, reg. 279 (30 december 1598). 75 Zie bijvoorbeeld TA inv. 29, reg. 280 (4 januari 1603). Het is moeilijk te bepalen wanneer de band met het klooster daadwerkelijk verbroken werd. Johannes Emmen bleef na 1595 administrates van het gewezen convent. Hij is tot het nieuwe geloof overgegaan. Op 25 ja nuari 1601 diende hij een verzoek in om te mogen trouwen; op 22 oktober 1603 werd dit door de Staten-Generaal toegestaan (Clairlieu, 10 (1952), 84). Na 1604 bekleedde hij het ambt van hervormd predikant, gecombineerd met de functie van administrateur van het gasthuis Ter

Apel. Hij stierf op 2 juli 1614 en werd in de voormalige kloosterkerk begraven. Het jaartal 1613 op zijn grafzerk is mogelijk een vergissing (Schuitema Meijer, Ter Apel\ 31-33 en 132). 76 Nolet, Kerkelijke instellingen, 72; Jansen, "Kerkgeschiedenis", 148. 77 Fruin, Overzicbt, 60.

26

HET KLOOSTER TER APEL

briick voerde het geestelijk gezag, de bisschop van Munster het wereldlijk. Het geestelijk gezag bleef tot 1559 in handen van de bis schop van Osnabriick; in dat jaar vond in de Nederlanden een herindeling der bisdommen plaats, waardoor Westerwolde voortaan onder het bisdom Groningen zou ressorteren. Met het wereldlijk gezag lag de zaak wat ingewikkelder. De overeenkomst met de bisschop van Munster betekende niet veel meer dan dat deze in mil voor een zogenaamde 'hoenderpacht' slechts nominaal het gezag voerde over Westerwolde. In de praktijk werd het bestuur uigevoerd door de 'meente', een soort college van inwoners, die over enig bezit beschikte. Het dagelijks bestuur werd gevormd door een rechter, die werd bijgestaan door een twaalftal gezworenen. De formele afspraak dat de bisschop steun zou verlenen wanneer Westerwolde aangevallen zou worden, was in de praktijk slechts een dode letter. In feite had Westerwolde een onafhankelijk zelfbestuur. Dit veranderde toen in de veertiende eeuw de familie Addinga zich in Wedde vestigde. De abdij Corvey gaf haar een aanzienlijke hoeveelheid landerijen in leen, waardoor zij na verloop van tijd steeds meer invloed kon uitoefenen op het bestuur. Egge Addinga noemde zich omstreeks 1400 hoofdeling en zijn zoon Haye ging in 1427 zelfs zover de bevolking van Westerwolde 'zijne onderzaten' te noemen78. Tot 1459 berustte de feitelijke macht bij deze familie. Toen sloten Egge Addinga en de inwoners van het gebied een verdrag met de bisschop van Munster. De bisschop was kennelijk van mening dat de Addinga's zich teveel macht hadden toegeeigend79. Egge plaatste zich onder het gezag van de bisschop en behield slechts het beheer over zijn huis te Wedde en de daaraan verbonden inkomsten. De bevolking van Westerwolde verklaarde daarnaast nook een andere landsheer dan de bisschop te zullen aannemen. In 1482 verpachtte de bisschop het gericht van Westerwolde aan de stad Groningen voor de duur van 25 jaar. Alle rechten die de Ad dinga's zich hadden toegekend, vervielen. Al in 1498 echter droeg de stad deze rechten weer over aan de bisschop, die ze op zijn beurt

in 1522 weer afstond aan de Addinga's80. Toen de bisschop korte

78 ibidem, 79 en verder. Over de functie van hoofdeling geeft M. Hartgerink-Koomans (Het Geslacht Ewsum, 4-8) een goed overzicht. 79 ibidem, 128. 80 Formsma. "Middeleeuwse vrijheid", 104; Dijk, "Hoofdelingen", 68-69.

HET KLOOSTER TER APEL

27

tijd later spijt van deze beslissing kreeg en zijn rechten terugeiste, riep de weduwe van Haye Addinga de hulp in van Karel van Gelre. Deze veroverde in 1530 het huis te Wedde, in ruil waarvoor hij de rechten die de Addinga's eerder van de bisschop hadden gekregen, ontving. Hij stelde een drost aan, die namens hem Westerwolde bestuurde81. Toen de stad Groningen, die eveneens onder het bestuur van Karel van Gelre viel, in 1534 zich aan zijn heerschappij onttrok en Karel V als heer aannam, had dat ook gevolgen voor Westerwolde. Karel van Gerle deed afstand van al zijn aanspraken, zodat Westerwolde het bezit van de keizer werd. De drost mocht blijven en kreeg het gebied van de keizer als leen82.

In 1561 verkocht de toenmalige drost, Karel Schenck, zijn leen Westerwolde aan Johan van Ligne, de graaf van Aremberg. In naam hebben de Arembergs Westerwolde gehouden tot 1593, toen Willem Lodewijck Wedde veroverde. In de periode 1570-1593 viel de feitelijke macht toe aan de stadhouder van de Spaanse koning, slechts onderbroken door een korte periode, toen het huis te Wedde was veroverd door Staatse troepen (1580)83. De betrokkenheid van het klooster bij de oorlogshandelingen is in het vorige hoofdstuk al even aan de orde geweest. Op 17 maart 1579 droeg de kapitein van een vaandel soldaten het klooster op een be-

drag van tweehonderd gulden te betalen. De kapitein, Charles van Hamal, behoorde tot het regiment van de graaf van Rennenberg, stadhouder van Groningen, Friesland en Drente. Het geld had Van Hamal nodig. "... ter cause ende oersaecke om te coopen munnutie ende andersins bequam zynder sulcken huys want wy bevonden hebben het selve huys ofte forteresse ongeprovideert..."84

Kennelijk hadden de soldaten hun intrek in het klooster genomen en moesten de Kruisbroeders voor hun levensonderhoud en geld voor munitie zorgen. Dit zal voor een hachelijke situatie geweest zijn,

81 82 83 84

Dijk, "Hoofdelingen", 70-73. ibidem, 80 en Fruin, Overzicht, 154. Dijk, "Hoofdelingen", 84. TA inv. 51 reg. 271 (17 maart 1579).

28

HET KLOOSTER TER APEL

temeer daar sinds 1570 vijandelijke Spaanse troepen gelegerd waren

in het huis te Wedde. Het is niet bekend hoe lang de soldaten in het klooster gewoond hebben. Evenmin is bekend wat er met hun gebeurde toen Rennenberg in maart 1580 overliep naar Spaanse zijde. Ook in de jaren na 1580 maakten de Kruisbroeders in Ter Apel moeilijke tijden door. In hoeverre de sauvegarde van Willem Lodewijk in 1590 hun situatie verbeterde, valt niet te zeggen. Willem Lodewijk was in 1588 begonnen aan een offensief tegen de Spaanse overheersing in het Noorden. Hij veroverde een aantal schansen in de provincie Groningen, maar van een echte doorbraak was nog geen sprake. Zijn tegenstander Verdugo kreeg op tijd versterkingen om de Staatse troepen te weerstaan. In Westerwolde had Willem Lodewijk geen enkele plaats veroverd83.Daarom is het opmerkelijk, dat hij het klooster in 1590 onder zijn bescherming nam. De sauvegarde hield in, dat Willem Lodewijk ervoor zou zorgen, dat het klooster niet langer geteisterd zou worden door plunderingen, brand en beschadigingen. Tevens zou hij ervoor zorgen, dat de broeders ongehinderd konden reizen naar Groningen, Drenthe en Duitsland. Voor een reis naar Emden, waar zij onder meer gewassen verkochten, moest vooraf de 'Convoymeister binnen Reyde' op de hoogte gebracht wor

den. Reide was een van de plaatsen die in 1589 in Staatse handen was gevallen. In mil voor deze bescherming werden de kloosterlingen geacht een contributie te betalen. "gelyck andere heure naburen". Over de hoogte van deze contributie wordt in de betreffende oorkonde niet gerept. De sauvegarde zou voor onbepaalde tijd van kracht zijn en kon eenzijdig door Willem Lodewijk opgezegd worden met een termijn van vier weken86. Twee aspecten ten aanzien van deze 'beschermingsbrief verdienen hier enige aandacht. In de eerste plaats kunnen wij ons afvragen hoe effectief deze bescherming kon zijn. In een gebied dat nog grotendeels in handen was van Spaanse troepen zal het voor Willem Lode wijk moeilijk, zo niet onmogelijk, geweest zijn de kloosterlingen daadwerkelijk te beschermen. Pas in 1592 kwamen zijn troepen

enigszins in de buurt van Ter Apel, toen zij Coevorden hadden

85 Formsma, "Landsheerlijke periode", 203-204. Zie voor een gedetailleerd verslag van de oorlogshandelingen in het Noorden het boek van G. Overdiep, De Groningse schansenkrijg. De strategie van graaf Willem Lodewijk. Drente als strijdtoneel 1389-1594. Groningen, 1970. 86 TA inv. 50 reg. 277 (27 november 1590).

HET KLOOSTER TER APEL

29

veroverd87. Tot die tijd was Westerwolde in handen van Verdugo en zal het gebied vanuit Wedde onder controle gehouden zijn door Spaansgezinde troepen. In de tweede plaats doet het wat vreemd aan, dat de Protestantse Willem Lodewijk bereid was een klooster te beschermen. Het ware logischer dat de kloosterlingen door de Spaanse stadhouder Verdugo in bescherming waren genomen. Om deze redenen dwingt de gedachte zich op dat de beschermingsbrief vooral een middel was voor Willem Lodewijk om aan geld te komen. Wel-

licht was er zelfs sprake van een zekere dwang om zijn protectie te aanvaarden, in mil voor de verzekering dat het klooster niet door zijn eigen soldaten werd geplunderd. In augustus 1593 werd het huis te Wedde door Willem Lodewijk veroverd, maar reeds enkele weken later weer heroverd door Verdugo: toen Willem Lodewijk hoorde dat Verdugo spoedig versterking zou krijgen en mogelijk naar Wedde zou optrekken, haastte hij zich 'over het klooster Ter Apel' weer terug naar Coevorden. Een maand later viel het huis te Wedde echter definitief in handen van Willem Lo dewijk88. Korte tijd later, op 19 november 1593, blijken de kloosterlingen gevangen gehouden te worden in Steenwijk, zoals in het vorige hoofdstuk is beschreven. De ondertekening op 23 juli 1594 door Maurits en Willem Lode wijk van het Tractaet van Reductie en Reconciliatie' betekende het einde van de katholieke kerk in Groningen en daarmee ook van de meeste kloosters in de provincie. Voor de Kruisheren in Ter Apel was het verhaal nog niet ten einde. Westerwolde, dat sinds 1561 had toebehoord aan de katholieke familie Van Aremberg, werd door de Staten-Generaal toevertrouwd aan de regering van Willem Lode wijk89. In oktober 1594 liet prior Johannes Emmen een zekere Jan ten Buer een verzoekschrift indienen bij de Staten-Generaal, om voor de Kruisbroeders toestemming te krijgen in het klooster te mogen blijven wonen90. Een antwoord van de Staten-Generaal bleef uit,

87 Formsma, "Landsheerlijke periode", 204.

88 Tegenwoordige Staat, I, 515. Uit het boek van Overdiep blijkt echter niet dat Willem Lodewijk op dat moment zelf in Wedde was {Schansenkrijg, 74-75); Reyntjes, Groningen en de Ommelanden, 101-106. 89 Winter, Westerwolde, 27. Officieel werd Willem Lodewijk pas op 24 augustus 1596 door

de Staten-Generaal benoemd tot gouverneur en Kapitein-generaal van het huis Wedde en

Westerwoldingerland; tot die tijd trad hij al wel als zodanig op (zie Overdiep, Scbansenkrijg, 103). 90 Schuitema Meijer, Ter Apel, 29.

30

HET KLOOSTER TER APEL

waardoor aangenomen mag worden, dat de regering stilzwijgend aan het verzoek tegemoet kwam. Johannes Emmen was voortaan beheerder van het kloosterbezit. De opbrengsten van de kloostergoederen moesten worden aangewend 'ad pios usus\ voor religieuze doeleinden. Hieronder vielen, naast het levensonderhoud van Kruisbroeders, onder meer het in stand houden van weeshuizen en scholen en het onderhoud van predikanten en kerken. De kloostergoederen van Ter Apel werden niet in beslag genomen, zoals bij vele andere kloosters wel gebeurde. In de Ommelanden werden bijvoorbeeld in 1595 alle kloosters en hun bezittingen verbeurd verklaard. Waarom dit met het klooster niet gebeurde staat nergens expliciet vermeld, maar het had waarschijnlijk te maken met de stilzwijgende toestemming van de Staten-Generaal om Johannes Emmen als beheerder der kloostergoe deren te handhaven. Bovendien werd het klooster al geruime tijd gebruikt als gasthuis, waardoor van het monastieke karakter van het huis weinig was overgebleven. De aldus ontstane situatie, enerzijds het gasthuis, anderzijds het beheer door een zich niet langer specifiek Kruisheer noemende prior, was voor de Staten-Generaal geen aanleiding een verdere secularisatie door te voeren. Zo bleef het kloostercomplex gespaard voor vernielingen, die voor zovele andere kloosters in Noord-Nederland het deflnitieve einde hadden betekend.

RECHTERS WESTERWOLDE

Het klooster had in Westerwolde met drie rechters te maken, die ook daadwerkelijk zaken hebben behandeld, waarbij het klooster betrokken was. Er waren twee rechters, van Westerwolde en Bellingwolde, die in eerste instantie rechtspraken. Zij hadden ook bevoegdheden als notaris. Bij verscheidene verkopen van land of rentes aan het klooster traden zij op als oorkonder. De keuze van de rechter was afhankelijk van de ligging van de grond, die binnen het ambtsgebied moest liggen. Bij een geschil gold hetzelfde criterium in de zin, dat het onderwerp van het geschil, meestal land, binnen de territoriale grenzen van zijn jurisdictie moest liggen. De rechters spraken recht volgens het oude landrecht. Voor Westerwolde en Bellingwolde waren dit aparte verzamelingen. Het Westerwoldse landrecht werd voor het

HET KLOOSTER TER APEL

31

eerst in 1470 opgetekend, en in de zestiende eeuw enkele malen herzien en uitgebreid. Het Bellingwolder landrecht werd voor het eerst in 1427 opgetekend91. Wanneer men niet tevreden was over de uitspraak van bovenge-

noemde rechters, was hoger beroep mogelijk bij de drost in Wedde. Soms waren bij een beroepszaak ook andere rechters aanwezig om de drost bij te staan. Zo werd drost Hans Hesse in 1539 bijgestaan door

de rechters van Westerwolde en Oldambt in een zaak, die eerder

door de rechter van Bellingwolde was behandeld92. Daarnaast trad de drost op als notaris, zoals bijvoorbeeld in 1466, toen hij de gift van Jacob Wiltingh aan het nieuwe klooster bevestigde, en in 1566, toen hij een vidimus op verzoek van de prior bekrachtigde93. Vanaf 1538 bestond er een mogelijkheid om na het oordeel van de drost in hoger beroep te gaan bij de Hoofdmannenkamer in Groningen94. Het kloosterarchief bevat een oorkonde die over een dergeiijk beroep handelt. Onderwerp van het geschil was een stuk land bij Belling wolde, dat aan het klooster toebehoorde, maar waar anderen aanspraak op maakten. De rechter van Bellingwolde had het aan het klooster toegewezen, hetgeen de drost in hoger beroep eveneens deed. De Hoofdmannenkamer kreeg deze zaak in 1556 voorgelegd, maar achtte zichzelf om onbekende redenen incompetent om een uitspraak te doen. Over de afloop zijn geen gegevens95.

DRENTHE

Een opmerkelijke overeenkomst tussen het landrecht van Wester

wolde en dat van Drenthe was de bepaling uit het begin van de zestiende eeuw dat aan een klooster geen onroerend goed verkocht mocht worden. Een uitspraak van de Etstoel in 1527 luidde, dat op straffe van een boete "...men den kloisteren geyn erffachtich guedt

91 Dijk, "Hoofdelingen", 78 en 82; Tegenwoordige Staat, II, 430. 92 TA inv. 34, reg. 208 (6 oktober 1539).

93 TA inv. 32, reg. 15 (22 juli 1466) en TA inv. 35, reg. 264 (9 december 1566). 94 RAGr, HJK, afschrift in inv. 2282, reg. 120 (12 augustus 1538); inwoners van Belling wolde konden vanaf 1546 een beroep doen op de Hoofdmannenkamer in de stad Groningen: R.F. 1546.10 (20 januari 1546). 95 TA inv. 35, reg. 250 + (13 maart 1556).

32

HET KLOOSTER TER APEL

verkoopen sail../'96. Dit valt evenwel moeilijk te rijmen met het grote aantal landaankoopen door de Kruisbroeders van Ter Apel in zowel Westerwolde als Drenthe. Was hier sprake van onwettig handelen, werd er niet op de naleving van deze bepaling toegezien, of moeten al deze transacties beschouwd worden als verkapte schenkingen, zoals Van den Bosch veronderstelt?97 In ieder geval zijn deze aankopen nooit door een rechterlijke beschikking ongedaan gemaakt. De Etstoel was in Drenthe het hoogste rechtscollege. Voorzitter was de drost van Coevorden, die werd bijgestaan door een college van 24 Etten. Driemaal per jaar kwam dit college bijeen om te oordelen over zowel zaken in hoger beroep als zaken die in eerste instantie werden voorgelegd. Na de Etstoel was hoger beroep in principe niet mogelijk. De zaken die hier in hoger beroep werden behandeld, waren eerder voorgelegd aan een rechtscollege in een van de zes dingspillen van Drenthe. Een dingspil was een gebied, dat meerdere kerspelen omvatte. De rechtszittingen hier heetten de goorspraken, die op initiatief van de drost, die ook hier voorzitter was, eveneens drie keer per jaar werden gehouden98. Het noemen van de Etstoel en goorspraken is van belang, omdat het klooster met beide colleges bemoeienis heeft gehad, hoewel de betreffende goorspraken buiten de behandelde periode vallen (1599). Probleem is echter, dat de uitspraken van de Etstoel, zoals die zijn verzameld en uitgegeven door onder meer J.G.C. Joosting, de inhoud van de geschillen niet vermelden. Zo heeft het klooster een langdurig konflikt gehad met een zekere Jan Vrese, maar uit geen enkele Etstoeluitspraak blijkt de reden voor het konflikt. In de jaren

1550-1559 heeft de Etstoel maar liefst twaalf keer in deze zaak uitspraak gedaan, waarbij nu eens werd besloten dat beide partijen met behulp van onpartijdige scheidslieden hun probleem zelf moesten oplossen, en dan weer een beslissing om onduidelijke redenen werd uitgesteld ".

De Etstoel deed in 1563 wel een duidelijke uitspraak. Drost Engelbrecht van Ensse stelde in een proces de aanklager, de koninklijke

96 Joosting, Etstoel, 75-76 (1527). 97 Bosch, "Priorij", 13.

98 Gegevens uit Kerverling Buisman, Etstoel, 43-71'. 99 Joosting, Etstoel, 234, 236, 243, 250, 255, 263, 275, 309, 335, 341 en 347. Na 1560 gaat de verzameling verder met het jaar 1596. Het is dus mogelijk dat deze zaak tussen 1560 en 1596 ook nog door de Etstoel is behandeld.

Noordelijke Kruisgang. Het raam aan het einde is een geschenk

van het Kruisherenklooster te Hoei.

Gedeelte van de Noordgevel met erker en onder raampjes van de kelder. Rechts van erker: metselaarstekens in de muur: PEL van Ter Apel.

HET KLOOSTER TER APEL

33

rentmeester van het landschap Drenthe, in het ongelijk, omdat hij

ten eerste de kloosterlingen niet op de hoogte had gebracht van zijn voornemen hen voor de Etstoel te dagen en ten tweede omdat de

Kruisbroeders niet in het landschap Drenthe woonden100. Het laatste is een interessant gegeven, daar kennelijk volgens de rent meester Ter Apel wel degelijk tot Drenthe behoorde. De grensscheiding in dit gebied tussen Groningen en Drenthe heeft ook in later tijden, in de zeventiende eeuw, tot problemen geleid. Direkt na de dood van Johannes Emmen in 1614 maakten Drentse Gedeputeerden (vergeefs) aanspraak op de kloostergoederen op grond van de bewering, dat het klooster op Drents grondgebied lag101. De goorspraken, voor de periode 1563-1602 in vijf delen uitgegeven, werden veel uitgebreider opgetekend dan de uitspraken van de Etstoel. De meeste goorspraken, die betrekking hebben op het klooster Ter Apel, vallen buiten de behandelde periode, maar een ervan is in dit kader toch vermeldenswaard. Het onderwerp was namelijk gelijk aan de zaak, die de Etstoel van 1550 tot 1559 had behandeld102. Op 16 maart 1599 kwamen de partijen weer bijeen op de goorspraakzitting te Sleen, alwaar prior Johannes Emmen een aantal

koopakten overlegde om te bewijzen, dat het klooster rechtmatig eigenaar was van een vijftal stukken grond in Drenthe. De Etstoel had

echter in 1598 de grond al toegewezen aan de tegenpartij103. Tijdens deze goorspraakzitting verklaarde de tegenpartij dan ook, dat tegen een vonnis van de Etstoel geen beroep mogelijk was, weshalve

de prior geen recht had zich nu alsnog te beklagen. Al met al was dit een zaak, die zich bijna vijftig jaar heeft voortgesleept.

100 Heringa e.a., Rechtsbronnen, 329: "... soo den rentmeester den van der Apel niet gerichtlicken geciteert unde verwittiget heft op desen lotting tegens hem te sullen erschijnen und inden lande van Drente niet woonachtich en sijn...". In principe Icon de prior wel voor de Etstoel gedaagd worden, wanneer het onderwerp van de zitting tenminste landerijen of andere bezittingen van het klooster in Drenthe betrof. Het onderwerp van deze zaak wordt in de akte niet genoemd, waarschijnlijk vanwege de procedurele fouten die een behandeling van deze zaak bij voorbaat uksloten. 101 Schuitema Meijer, Ter Apel, 35-39. 102 Kuile, Goorspraken, V, 78-80.

103 RAGr, HGG, inv. 62, reg. 285 (24 augustus 1598). Deze uitspraak is niet in de verza-

meling van Joosting opgenomen.

34

HET KLOOSTER TER APEL

DUITSLAND

Ook in Duitsland hadden de Kruisbroeders van Ter Apel met enkele rechters te maken. Het kloosterarchief bevat ongeveer twintig akten uit de periode 1466-1542, die door Duitse rechters in Eemsland en Oost-Friesland zijn opgesteld. Meer dan de helft daarvan zijn koopakten van land of rentes in de buurt van Duthe (vlakbij Meppen), Mep pen, Haren, Emden en Asschendorp. Twee van deze landaankopen hadden indirekt te maken met de Wederdopers. Nadat de Wederdopers in 1535 uit Munster waren verdreven door Frans van Waldeck, de bisschop van Munster en Osnabriick, heeft de bevolking van deze bisdommen de bisschop moeten betalen voor zijn inspanningen. De buren van Over- en Nederlangen, niet ver van de Nederlandse grens ten oosten van Ter Apel, besloten daarom in 1539 een deel van hun mark te verkopen aan het klooster "Myt wyllen und consent des [...] forsten [...] soe de landtscap merckelick beswairt wass myt groten sculden [...] van wegen des Munsterschen oproers und myshandels der secte und wederopers"

De oorkonders waren de rechter van Duthe en de bisschop zelf. Dezelfde dag werd voor de buren van Oldenharen een identieke oorkonde opgesteldI04. Enkele maanden later bekrachtigde de bisschop deze verkoop en bepaalde tegelijkertijd dat de buren van Oldenharen voortaan niets mochten verkopen zonder "unse eder unser Nakomelinge sunderlinger verwilligunge".105. Deze toevoeging maakte hij waarschijnlijk om te voorkomen dat hem zijn deel van de opbrengst werd onthouden. In 1542 verkochten beide gemeenschappen nogmaals land aan het klooster om hun bisschop te kunnen betalen106. Naast koopakten zijn er tevens enkele oorkonden die handelen over bezittingen, die het klooster via schenkingen of erfenissen had verworven. In 1474 verkochten enkele familieleden van Jacob

104 TA inv. 39, reg. 209 (1 december 1539) en reg. 210 (1 december 1539). Aan de achterzijde van beide oorkonden staat dat de oorkonde is gericht aan respectievelijk de buren van Langen en Oldenharen, en Haeren en Langen. Hadden beide marken zeggenschap over elkaars grondgebied? 105 TA inv. 39, reg. 211 (17 maart 1540).

106 TA inv. 39, reg. 217 (31 juli 1542) en reg. 219 (31 juli 1542).

HET KLOOSTER TER APEL

35

Wiltingh hun aanspraak op diens nalatenschap aan het klooster. De oorkonder was de rechter van Osnabriick, waarschijnlijk omdat de familieleden in deze stad woonden107. In een tweede oorkonde ging het over een geschil tussen het klooster enerzijds en de erfgenamen van heer Frederik uit Larrelt anderzijds. De rechters in deze zaak waren de proost van 'Leeker' (Leer), tevens pastoor van Rysum, en een buurman uit Wolthusum. Zij lieten de kloosterlingen in mil voor enkele opofferingen in het bezit van de erfenis108. De graaf van OostFriesland, Enno, was in 1540 oorkonder in een zaak, waarbij de zoon

van Renske Frederik in mil voor een geldbedrag afstand deed van aanspraken op zijn moeders erfenis ten gunste van het klooster109. Een eerdere rechtszaak hierover was behandeld door een burgemeester van Groningen; het derde proces, in 1547, werd door de

drost van Old-ambt op gezag van Burgemeesters en Raad van Gro ningen, afgehandeld. Het lijkt daarom vreemd dat nu de graaf van Oost-Friesland optrad. De reden hiervoor zou kunnen zijn dat de zoon in Bunde woonde, dat tot Oost-Friesland behoorde, en op grond daarvan het recht had zich tot deze rechter te wenden. Wellicht hoopte hij bij deze rechter meer succes te hebben dan hij in Groningen had gehad.

ANDERE RECHTERS

Naast de rechters in Westerwolde, Drenthe en Duitsland kon het klooster te maken krijgen met rechters in die gebieden, waar landerijen in eigendom van de kloosterlingen waren, zoals bijvoorbeeld in de Ommelanden. Enkele geschillen werden door de drost van het Oldambt behandeld vanwege landerijen bij Winschotenno. Ook kwam de prior in de stad Groningen om zijn belangen te verdedigen. Bij tenminste twee zaken traden in de stad Burgemeesters en Raad op als rechter en eenmaal sprak de Hoofdmannenkamer recht in een zaak, die eerder door de rechter van Zuidwolde was behandeld In.

107 TA inv. 1, reg. 34 (11 oktober 1474).

108 TA inv. 1, reg. 131 (6 maart 1505). 109 TA inv. 37, reg. 213 (5 juni 1540). no TA inv. 37, reg. 185 (31 mei 1520) en reg. 234 (7 maart 1547)

in TA inv. 38, reg. 261 (22 januari 1566) en TA inv. 46, reg. 199 (24 november 1531).

36

HET KLOOSTER TER APEL

3.2 De verhouding tot kerk en orde KERK

Als gevolg van het exemptieprivilege van 1488 viel het klooster bui-

ten de rechtsmacht van de bisschop. De Kruisbroeders waren onderworpen aan het onmiddellijk gezag van achtereenvolgens prior, prior-

generaal en paus. Op geestelijk gebied daarentegen hebben de kloosterlingen zich wel tot de bisschop van Osnabriick gewend. Formeel waren ze vrij in de keuze van een bisschop voor him wijdingen, maar wanneer in de praktijk de relatie met de eigen bisschop goed

was, kozen ze toch voor de laatste. Slechts een oorkonde in het kloosterarchief was afkomstig van een ander diocees, namelijk de bis schop van Utrecht. In 1488 bevestigde hij een vidimus van een oor konde uit 1472 112. De altaren in de kloosterkerk werden in 1473 door de wijbisschop van Osnabriick ingewijd, die bij deze gelegenheid aflaten verleende, bestemd voor beschermers, weldoeners en bezoekers van het klooster. De omvang van deze aflaat, veertig dagen, was niet ongebruikelijk. De Kruisherenkloosters van Diisseldorf en Den Bosch kregen bij hun stichting ook een aflaat van veertig dagen. Opmerkelijk was wel dat niet alleen de wijbisschop deze aflaten ver leende, maar dat ook de bisschop en nog twee andere bisschoppen (eveneens wijbisschoppen?) dit voorbeeld volgden. De aflaat kon op een groot aantal feestdagen verdiend worden, zodat de kans op veel bezoekers, en daarmee op bijdragen, aanzienlijk was. Voor een nieuwe stichting waren deze inkomsten van groot belang. De stichting van het klooster werd door de bisschop van Osna briick, Conraad van Diepholt, in 1465 zelf bevestigd. Ten tijde van deze bevestiging was de plaats, waarop het klooster was gebouwd, al gewijd. Wanneer ergens een klooster werd gesticht moesten de kloosterlin gen afspraken met de bisschop of de plaatselijke pastoor maken met betrekking tot het preken en het biechthoren. Hoewel de Kruisheren in 1318 een pauselijke privilege hadden gekregen dat hen

toestond te preken en de biecht af te nemen, mocht het recht der parochiegeestelijkheid niet geschonden worden. Het privilege gold

112 TA inv. 25, reg. 72 (14 oktober 1488).

HET KLOOSTER TER APEL

37

alleen binnen de kloostermuren, maar beperkte zich niet tot de kloostergemeenschap. De Kruisbroeders van Ter Apel maakten daarom in 1466 afspraken met de pastoor van Sellingen. Deze gaf hen toestemming om sacramenten toe te dienen, begrafenissen te

verzorgen en legaten en geschenken te ontvangen. In mil voor deze

toestemming verplichtten de Kruisbroeders zich hem de "portio canonica" te betalen, zijnde "quator denariorum albium Coloniensium"113. De " portio canonica" was een deel van de inkomsten uit legaten en giften die bij een begrafenis aan het klooster werden geschonken. In dit geval ging het om een vast bedrag dat jaarlijks, op het feest van de Heilige Michael (29 September) aan de pastoor betaald moest worden. , De betrekkingen met andere geestelijken, zoals de domkanunnik van Munster, de aartsdiaken van Westerwolde en enkele pastoors (van onder meer Roswinkel, Stedum en Emden), beperkten zich tot de juridische aangelegenheden. Meestal traden zij op als oorkonder of getuige in zaken, waarin het klooster partij was.

ORDE

De prior moest ieder jaar verslag uitbrengen over de toestand van zijn klooster aan het generaal kapittel. Onderdeel van dit verslag was de melding van conventualen die in het voorgaande jaar waren overleden. Het feit dat in de kapittelverslagen namen van conventualen van Ter Apel voorkomen bewijst dat de prioren van Ter Apel inderdaad de kapittels bijgewoond hebben. Omgekeerd controleerde de priorgeneraal, of de visitator, het klooster jaarlijks. Het klooster betaalde een vast bedrag voor deze visitaties, waarvan de hoogte door het ge neraal kapittel werd bepaald. Een klooster dat in financiele moeilijkheden geraakte kon geholpen worden door het moederklooster of door de orde. Op welke wijze de orde als geheel hulp verleende is niet duidelijk. Waarschijnlijk heeft het klooster Bentlage de eerste jaren na de stichting de Kruisbroeders in Ter Apel met geldelijke steun bijgestaan, maar echte bewijzen daarvoor ontbreken.

113 TA inv. 3, reg. 18 (26 oktober 1466); zie ook Hermans Anneles, II, 518-519.

38

HET KLOOSTER TER APEL

Nieuwe leden werden pas opgenomen in de orde na de goedkeuring van de prior-generaal of de visitator. In theorie werden ongehoorzame leden ook door hen gestraft, maar 'lichte' gevallen bestrafte de prior waarschijnlijk zelf. Het generaal kapittel kon invloed uitoefenen op een klooster via de benoeming van een nieuwe prior. Ieder jaar legden de prioren formeel hun fiinctie neer, waarna ze door het kapittel opnieuw werden benoemd. Een prior die zijn taak niet naar behoren uitvoerde kon op deze wijze vervangen wor-

den. Waarschijnlijk zijn niet alle prioren van Ter Apel door de eigen kloostergemeenschap gekozen.

De kontakten tussen de Kruisherenkloosters onderling waren beperkt. Afgezien van de band tussen moeder- en dochterklooster bestonden er in principe geen relaties met de andere huizen. Ter Apel had afgezien van de visitaties voornamelijk, wellicht uitsluitend,

betrekkingen met het moederklooster Bentlage en het dochterklooster Scharmer.

In 1470 gaf het generaal kapittel de prioren van Bentlage en Ter

Apel, Everardus van Orsoy en Hinrick van den Berghe, opdracht een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid een klooster te stichten

op een niet nader genoemde plaats. Een verzoek daartoe was ingediend door een zekere Johannes Tynkar de Post (volgens een ander handschrift richer de poste), met wie hoogstwaarschijnlijk Johan Rengers van Ten Post werd bedoeld114. Over het onderzoek is niets bekend, behalve dat het niet geresulteerd heeft in een stichting. Mogelijk ging het in 1488, toen Rengers nogmaals een verzoek deed om een klooster te stichten, om eenzelfde aanbod. Prior Jacob van Wynckell kreeg in dat jaar van het generaal kapittel opdracht in Scharmer een klooster te stichten en te voorzien van Kruisbroeders115. In 1489 sloten Van Wynckell en zijn convent enerzijds, en Johan Rengers van ten Post en zijn vrouw en zoons anderzijds, een overeenkomst waarbij laatstgenoemden zich borg stelden voor het nieuwe klooster. Mocht

het klooster van Ter Apel op een of andere manier schade berokkend worden met betrekking tot Scharmer, dan konden de onkosten ver-

H4 Pasch, Definities, 1470: "Item inquisitionem et curam loci ecdesie et domorum per nobilem virum Johannem Tynkar de Post ordini nostro oblatorum pro novo monasterio erigendo prioribus in Bentlachen et Nove lucis committimus et si eis viderit expedire eandem oblationem acceptent ac de priore et fratribus provideant." 115 ibidem, 1488.

HET KLOOSTER TER APEL

39

haald worden op de bezittingen van Rengers116. Opmerkelijk is dat, toen in 1494 alle Kruisbroeders in Scharmer aan de pest waren overleden, de eerste nieuwe leden niet uit Ter Apel kwamen, maar uit Bentlage117. Aangezien in 1495 slechts twee overledenen uit Ter Apel werden vermeld in de kapittelverslagen, heeft de pest waarschijnlijk niet in Ter Apel toegeslagen. Waarom de Kruisbroeders nu uit Bentlage kwamen is onbekend, maar het is wel zo dat Bentlage zich met Scharmer heeft bemoeid. Waarschijnlijk heeft de prior van Bentlage het toezicht op de financien van Scharmer gehad, hetgeen

in de Kruisherenorde wel meer voorgekomen schijnt te zijn118. Wellicht waren de relaties tussen Scharmer en Bentlage daardoor zo hecht, dat er geen beroep op Ter Apel werd gedaan om het klooster opnieuw te bevolken.

Afgezien van Scharmer is er mogelijk nog een klooster vanuit Ter Apel gesticht. In het kapittelverslag van 1485 kregen prior Hinrick van den Berghe en de visitatoren voor het gebied 'trans Renum' opdracht een nieuw klooster in Lottersen of Loppersen te bevolken. Bij de visitatie-opdrachten staat het volgende: "Prior Eykensis et presidents Hoyensis trans Renum et tractabunt una cum priore Nove Lucis cum fundatore novi conventus in Lottersen..."

en volgens een ander handschrift: "Item locum cum suis attinenciis (of continentis) ordini nostro exhibitum in Loppersen committimus prior Nove lucis cum visitatoribus trans Renum ordinatis acceptandum et in personis providendum" 119.

Deze citaten zijn de enige gegevens over dit mogelijke nieuwe klooster, dat wellicht in Loppersum heeft gestaan of had moeten komen. Met Loppersum zou zowel een plaats in de provincie Gronin-

gen bedoeld kunnen worden als een plaats in Oost-Friesland. Een derde mogelijkheid is dat niet zozeer een plaats werd bedoeld,

116 TA inv. 1, reg. 83 (14 november 1489). in Weiss, Westfalen, 137 en Buld, Rbeine, 51. H8 Bosch, "Priorij", 10.

H9 Pasch, Definities, 1485.

40

HET KLOOSTER TER APEL

maar het dekenaat Loppersum. Dat zou kunnen betekenen, dat met het nieuwe klooster Scharmer werd bedoeld dat tot dit dekenaat behoorde. Het verzoek van Rengers in 1488, drie jaar later dus, om in Scharmer een klooster te stichten zou dan betekenen dat de stichting in 1485 om onbekende redenen niet doorgegaan is. Samen met het klooster te Scharmer bezat het klooster van Ter Apel een huis in de stad Groningen en wat grond, waarschijnlijk als

gevolg van schenkingen. Eenmaal, in 1560, was er blijkens het

kloosterarchief een gezamenlijk kapittel van deze beide kloosters, hoewel het niet onmogelijk is, dat zij vaker bijeen zijn geweest 12°. VISITATIES

In principe werden alle Kruisherenkloosters elk jaar gevisiteerd. De visitator was ofwel de prior-generaal, ofwel een prior van een ander klooster. Tot zijn taken behoorde controle op de naleving van de orderegels door de kloosterlingen, tegen wie hij zonodig disciplinaire maatregelen kon treffen. Voor de toelating van nieuwe leden was zijn goedkeuring nodig en een nieuwe prior werd door hem in zijn ambt bevestigd. Daarnaast stelde hij zich op de hoogte van de levensomstandigheden van de kloostergemeenschap. Of hij daarbij inzage had in de boekhouding van de procurator wordt niet expliciet vermeld, maar ligt wel voor de hand: alleen dan zou hij kunnen beoordelen of het een klooster goed ging op financieel gebied. Per klooster werd door het generaal kapittel vastgesteld hoe hoog de geldelijke vergoeding aan de visitator was.

De Kruisheren van Ter Apel werden vanaf 1468 regelmatig gevi siteerd. Uit de verslagen van de generale kapittels blijkt duidelijk de relatie met Bentlage. De prior van Bentlage visiteerde vele keren Ter Apel en omgekeerd bezocht de prior van Ter Apel verschillende ke ren Bentlage. Ook gingen zij samen op pad naar diverse kloosters in Nederland en Duitsland. Afgezien van de prior van Bentlage werd Ter Apel ook gevisiteerd door de prior-generaal en de prioren van met name Duitse Kruisherenkloosters. De prioren van Ter Apel zijn

zelf regelmatig visitator geweest. In de verslagen van de generale ka pittels hebben zij 36 keer opdracht gekregen een of meer kloosters te visiteren. 120 TA inv. 1, reg. 254 (5 September 1560).

HET KLOOSTER TER APEL

41

4. INKOMSTEN EN UITGAVEN — INLEIDING

Waar leefden de Kruisheren van Ter Apel van? Welke waren hun inkomstenbronnen en waar gaven zij geld aan uit? Gesplitst in twee delen komen in dit hoofdstuk de verschiilende 'posten' voor inkomsten en uitgaven aan de orde.

4.1 Inkomsten

De inkomsten zijn te verdelen in twee hoofdcategorieen: vaste, jaarlijkse betalingen en de 'losse', eenmalige inkomsten van bijvoorbeeld de verkoop van een stuk land. Aangenomen mag worden, dat de vaste inkomsten het belangrijkst waren, omdat zij een (betrekkelijke) zekerheid gaven, aan de kloostereconomie. RENTES

Een van de voornaamste bronnen waaruit geput werd, was de opbrengst van rentes. In mil voor een bepaald bedrag ontving het klooster jaarlijks ofwel een som gelds ofwel een betaling in natura. Om een idee te krijgen van het aantal rentes en de inkomsten daaruit, zijn de betreffende oorkonden uit het kloosterarchief 'gezeefd' en in bijlage 3 geplaatst. Uit het overzicht van de rente-aankopen vallen enkele zaken op. De eerste vijf jaar van het bestaan van het klooster zijn er geen rentes gekocht. Dat kan te maken hebben met de onvolledigheid van het kloosterarchief, maar het is ook mogelijk dat de prior zich aanvanke-

lijk volledig op de bouw van het klooster heeft gericht. Misschien was er bovendien nog niet voldoende geld voor dergelijke transacties. Aan de andere kant is het ook denkbaar dat er nog geen behoefte aan was, omdat de steun van de plaatselijke bevolking of van het moederklooster Bentlage voldoende was om van te kunnen leven. Na 1470 veranderde het beleid kennelijk en werden vooral van mensen in de direkte omgeving rentes gekocht. Op deze wijze voorzag het klooster zich van rogge, daar het slechts enkele keren om een geldelijke rente ging.

Tot ongeveer 1518 werden er gemiddeld twee rentes per jaar ge kocht. In twaalf jaren daarna was het aantal beduidend lager. Een duidelijke oorzaak daarvoor is niet aan te geven, maar wellicht was

42

HET KLOOSTER TER APEL

de behoefte aan meer opbrengsten door middel van rentes gering. Wanneer er een balans was tussen inkomsten en uitgaven, zullen nieuwe investeringen waarschijnlijk niet noodzakelijk geweest zijn. Aan de andere kant kan het niet kopen van nieuwe rentes ook wijzen op het tegenovergestelde, namelijk geldgebrek. Deze gedachte ligt hier evenwel niet voor de hand, temeer daar in de jaren tachtig, toen de geldnood hoog was, er juist rentes werden verkocht. Tijdens het prioraat van Gerhardus Hasselt (1531-1564) werden er weer veel meer rentes gekocht, ook nu gemiddeld twee per jaar. De opbrengsten van deze rentes waren uitsluitend geldelijk, waar in voorgaande perioden de betaling nog grotendeels in natura was geschied. Heeft hier de vooruitziende blik van prior en procurator een

rol gespeeld, om de toekomst van het klooster voor wat betreft de financien veilig te stellen?

Een teken van economische achteruitgang van een kloostergemeenschap was de verkoop van onder meer rentes. Het is dan ook opmerkelijk dat juist in een periode waarin het in economisch opzicht slecht ging in het hele noorden, de tweede helft van de zestiende eeuw, de kloosterlingen van Ter Apel pas heel laat zijn overgegaan tot de ver koop van rentes. Tijdens het prioraat van Gerardus Hardenberch (1565-1576) was hier nog helemaal geen sprake van. Ten aanzien van enkele oorzaken van de economische verslechtering, zoals de inflatie vanaf ongeveer 1550 (als gevolg van de toestroom van het Amerikaanse goud) en de prijsstijgingen (door onder andere de bevolkingsgroei), is het de vraag in hoeverre de Kruisbroeders hierdoor getrofFen werden. Pas in 1587 en 1588 werden er enkele rentes verkocht. De reden voor deze renteverkopen wordt het duidelijkst weergegeven in een oorkonde uit het kloosterarchief, gedateerd 13 december 1587: "... durch hoichdringende noit in tidt des swaren lanckdurighen krighes [...] teghenwordighe tidt van krijch unde orlich overloep van water brandt ofte oick enighe andere concussien pilleren unde gewalden..." 121

Daarentegen werd in dezelfde tijd ook een aantal stukken land aangekocht in de buurt van Erm en Barge.

121 TA inv. 51 + reg. 272 + (13 december 1587).

HET KLOOSTER TER APEL

43

Op het eerste gezicht lijkt het vreemd, dat de Kruisbroeders enerzijds uit geldnood rentes verkochten, en anderzijds land erbij kochten. Mogelijk verkochten ze de rentes juist om er land voor terug te kopen. In de loop der tijden had het kloosterareaal een behoorlijke omvang gekregen, voldoende om de kleine kloostergemeenschap te onderhouden. Een verklaring voor deze handelwijze zou kunnen zijn, dat er veel land onbruikbaar was geworden door de overstromingen in de provincie Groningen in 1587 en 1588. Eerdere overstromingen, zoals de Allerheiligenvloed in 1570 en de bijna jaarlijkse dijkdoorbraken sindsdien, hebben de landerijen die eigendom waren van het

klooster, waarschijnlijk niet bereikt. In 1587 en 1588 daarentegen werden de Ommelanden geheel overstroomd122. De landerijen werden daardoor ongeschikt voor verbouwing of begrazing. Het gevolg van deze overstromingen was tweeledig: enerzijds kon het land niet meer gebruikt worden, en anderzijds verminderden de inkomsten van de landeigenaren, die genoodzaakt waren hun pachten te verlagen. Vooral dit laatste zal voor de Kruisbroeders van belang geweest zijn, daar het land in de Ommelanden grotendeels aan meiers werd verpacht. De geldnood kan ook verklaard worden door de oorlogsomstandigheden. Gedurende enige tijd, hoe lang precies valt niet na te gaan, moesten de kloosterlingen onderdak verschaffen aan een troep soldaten. Het is niet ondenkbaar dat ze in 1587 deze zware last nog niet te boven waren gekomen. Wellicht hebben ze bovendien mee moeten betalen aan de hoge schattingen die de stadhouder de bevolking

oplegde, of werd het kloostercomplex regelmatig geplunderd. Bewijzen hiervoor ontbreken, maar uit het bovenstaande citaat blijkt wel, dat het klooster niet gespaard werd. Het rentebedrag bedroeg ongeveer vijf tot zeven procent van het aflossingsbedrag, dat vermoedelijk gelijk was aan het aankoopbedrag. Het probleem bij deze inkomstenbron is evenwel dat de meeste akten de bepaling bevatten dat de rente op ieder moment, op verzoek van de verkoper, afgelost kon worden. Het 'vaste' van deze betalingen werd daardoor in feite ongedaan gemaakt. Over het tijdstip van de

122 Gottschalk, Stormvloeden, 708-776; volgens Reyntjes {Groningen en de Ommelanden, 184) was in 1596 nog een kwart van het Groningse land onbruikbaar, omdat het door het zoute water was overspoeld.

44

HET KLOOSTER TER APEL

aflossingen is vrijwel niets bekend. Van de veertien rentebrieven, die in de kloosterinventaris van 1614 worden genoemd, komen slechts twee overeen met oorkonde uit het kloosterarchief. Dit betreft een

akte uit 1551 (TA I 3, R 144) en een uit (TA I 47, R 249), Van twee andere zijn naam en rentebedrag wel terug te vinden in oorkonden (TA I 47, R 240 en TA I 47, R 241, beide 1550), maar corresponderen de jaartallen in de kloosterinventaris van 1614 niet (1553 en 1557). Wellicht zijn dit schrijf- of leesfouten van de inventariseerders. In deze vier gevallen ging het dus om rentes, die al zo'n zestig jaar inkomsten opleverden. De andere rentes, die in de inventaris van 1614 genoemd worden, waren eveneens vrij oud: de vroegste dateert van 1513, de laatste van 1568, maar de officiele akten van deze overeenkomsten ontbreken in het kloosterarchief. De overige rentebrieven, die in bijlage IV staan, zullen voor 1614 afgelost zijn, op een niet na te gaan moment.

Als er van de veertien vermeldingen in de inventaris van 1614 maar twee of vier akten over zijn, dan is het niet ondenkbaar dat er in werkelijkheid veel meer rentebrieven geweest zijn.

PACHTEN

Een tweede belangrijke inkomstenbron waren de pachtopbrengsten. Afgezien van het corpusland, het land dat door de Kruisbroeders zelf werd bewerkt, werden waarschijnlijk alle landerijen verhuurd. De gegevens over de opbrengsten zijn ook hier te verbrokkeld om te kunnen bepalen wat de grond aan pachten opleverde. Dit probleem wordt nog vergroot door de wisselende bedragen die een perceel kon opleveren, de kwaliteit van de grond en de prijsstijgingen in de zestiende eeuw. De pachten die in de inventaris van 1614 worden ge noemd waren grotendeels geldpachten. Dit was voor grasland de gebruikelijke betalingsvorm. In de provincie Groningen werd het meeste land gebruikt voor de veeteelt, zodat de geldpacht voor het kloosterland hier niet verwonderlijk is. Een enkele keer werd volgens de inventaris deze geldpacht aangevuld met zuivelprodukten. Of de landerijen in Drenthe die voornamelijk voor de akkerbouw werden gebruikt ook geldpachten opleverden, blijkt uit de inventaris niet. Van de 'erven' die in de loop der tijd waren aangekocht, werd veelal een deelpacht ontvangen. Deze deelpacht was de 'derde garve',

HET KLOOSTER TER APEL

45

zijnde een derde deel van de oogstopbrengst123. De 'derde garve' wijst er op dat de kwaliteit van het land, en daarmee de opbrengst, niet slecht was. Bij land van slechte kwaliteit werd namelijk de 'vierde garve', een kwart van de opbrengst, geheven. De opbrengst bestond waarschijnlijk voor het grootste deel uit rogge. Vergelijkbaar met grondpachten waren de huishuren. Het klooster bezat, voorzover bekend, twee huizen in de stad Groningen en een in Duitsland. Het eerste huis in Groningen werd in 1473 aan het klooster geschonken (zie biz 46). In 1493 kochten de Kruisheren van Ter Apel een huis in Duthe. Enkele jaren later, in 1500, kochten ze samen met het klooster Scharmer nog een huis in Groningen, dat in de Oosterstraat stond. Prior en convent van Scharmer verkochten in 1527 hun helft aan de kloosterlingen van Ter Apel124. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat de kloosterlingen van Ter Apel refugia hebben gehad. De huizen in Groningen werden beide

verhuurd, al is het niet uitgesloten, dat het huis in de Oosterstraat aanvankelijk als refugium in Groningen is gebruikt. Het is echter de vraag, of de Kruisbroeders een refugium in Groningen nodig hebben gehad. In tijden van oorlog of onrust diende een refugium als schuilplaats binnen de veilige stadsmuren. Daarnaast werd een refugium gebruikt als een soort privehotel wanneer de prior, eventueel samen met de procurator in de stad zijn zaken behartigde. Geen van beide redenen lijkt evenwel van toepassing op de Kruisbroeders van Ter Apel. Uit het bronnenmateriaal blijkt niet dat ze op zakelijk gebied veel met de stad te maken hebben gehad. Slechts enkele oorkonden werden in Groningen opgesteld en het is zelfs niet te zeggen of de kloosterlingen voor levensmiddelen of andere goederen naar Gronin gen gingen. Misschien kregen ze uit Emden niet alleen vis en bier, maar ook andere produkten 12\ Volgens de sauvegardebrief van Willem Lodewijk verkochten ze hun produkten in Emden. Aan de an

dere kant hoefde het verhuren van de huizen niet uit te sluiten dat de prior met de huurder(s) een overeenkomst sloot, opdat voor de prior een kamer vrijgehouden werd voor het geval hij toch enkele dagen in de stad moest zijn126. 123 RAGr. Farmsum inv. 47: inkomsten 1606.

124 TA inv. 1, reg. 98 (5 juli 1493), reg. 118 (8 juli 1500) en reg. 193 (12 maart 1527). 125 TA inv. 53: brieven van de gebroeders Henrick en Tonnys Priecker uit Emden over zendingen van bier en vis aan het klooster in de jaren 1576-1577. 126 Het huis op de hoek van de Vismarkt en de 'Gaddingestraat' (nu Pelsterstraat) was vol gens J. A. Feith ("Wandelingen", 103) een refugium.

46

HET KLOOSTER TER APEL

SCHENKINGEN EN TESTAMENTS: DONATEN EN PROVENIERS

Het kloosterarchief bevat zes oorkonden waarin aan het klooster land werd geschonken. Aan drie van deze giften waren geen voorwaarden

verbonden. De schenkers hadden alien als reden, dat de gift de zaligheid van hun ziel ten goede zou komen. Over de achtergrond van de eerste schenker, Roloff Hubbelinck is niets bekend. Gherardus Wenneker was vicaris van het bisdom Osnabriick en RoleflF Huinghe was drost van Oldambt127. Aan de andere drie schenkingen, vanjohan Prenger, Elborch Ockena en Willem Claessoen was wel een tegenprestatie verbonden128. Johan Prenger, rechter in Bellingwolde, werd opgenomen in de gebedsbroederschap. Dat betekende dat hij als buitenstaander deelde in de vruchten van de door de Kruisbroeders verrichte goede werken. Degene, die werd opgenomen in de (gebeds)broederschap had daarentegen geen enkele verplichting ten opzichte van het klooster of de orde. In de praktijk blijkt de begunstigde wel een schenking als tegenpfestatie beschikbaar te stellen. Voor Ockena "und oere vrende selen zalicheit" moesten de Kruisbroeders van Ter Apel dertig missen lezen. Voor zijn 'schenking* moesten zij wel betalen, hoewel in de oorkonde staat dat het om een schenking ging. Willem Claessoen tenslotte bepaalde dat voor hemzelf, zijn erfgenamen en zijn ouders gebeden moest worden door de kloosterlingen.

Van de gezusters Heyla en Ludolphia ter Bruggen uit Groningen kreeg het convent in 1473 een huis in Groningen dat op de hoek van de Vismarkt en de Pelsterstraat stond129. In ruil daarvoor dienden de kloosterlingen dagelijks tot in lengte van dagen een mis voor hen op te dragen.

Drie oorkonden lijken wat de voorwaarden betreft wel wat op de overeenkomsten die proveniers met het klooster sloten. In 1509 schonk Aleyt van Boeckholte uit Groningen al haar goederen en geld aan het klooster. Voortaan zouden de Kruisbroeders voor haar levens-

127 TA inv. 1, reg. 25 (25 oktober 1472), reg. 77 (20 juni 1489) en reg. 192 (20 december 1526)

128 TA inv. 1, reg. 173 (31 mei 1516), reg. 80 (25 augustus 1489) en inv. 22, reg. 139 (24 augustus 1508).

129 TA inv. 40, reg. 32 (10 december 1473); J.A. Feith schrijft ("Wandelingen", 103) dat dit huis in 1857 werd afgebroken om plaats te maken voor een kerk van de Waalse gemeente.

HET KLOOSTER TER APEL

47

onderhoud zorgen 13°. Eenzelfde overeenkomst sloten drie jaar later Heye Wensynghe (of Schoemaker) en zijn vrouw Geseke uit Vlachtwedde. Zij bepaalden bovendien dat ze van hun goederen gebruik mochten blijven maken. Als reden voor hun gift gaf het echtpaar op: "... vor onssen zyelen zalicheit ende voir onsser beyder

olderen ende tho hebben de broderscap ende mede deelachtich tho wesen all der goder werck Inden voirscreven cloester gescheen unde mede omme tho hebben wachtynghe ende upseen ..." 131

Ook zij werden dus, evenals Johan Prenger, opgenomen in de gebedsbroederschap. Renske Frederik uit Winschoten tenslotte schonk in 1517 ook haar hele bezit, in mil waarvoor de kloosterlingen zich verplichtten voor haar te zorgen en te bidden132. Zij is de vierde en voorzover bekend laatste persoon, van wie vaststaat dat zij werd op genomen in de (gebeds)broederschap. In hoeverre andere schenkers die als tegenprestatie van de kloosterlingen verlangden dat er voor hen gebeden werd, ook in deze broederschap werden opgenomen, valt niet te zeggen. In de betreffende akten staat deze bepaling niet vermeld. Voor de Kruisbroeders betekende de mogelijkheid om buitenstaanders deelachtig te maken in hun goede werken een extra potentiele inkomstenbron. Hoewel niet verplicht, zullen deze buitenstaanders in mil hiervoor geschenken aangeboden hebben. Bovengenoemde personen hebben dat in ieder geval wel gedaan. De laatste drie schenkingen hebben in latere tijden enkele keren problemen opgeleverd. In 1528 verklaarden Burgemeesters en Raad van Groningen dat de erfgenamen van Aleyt van Boeckholte, waaronder haar zuster Geertmdt, in hun aanspraken op Aleyt's erfenis door de prior waren voldaan133. Achter deze oorkonde schuilt waarschijnlijk een rechtszaak waarin het klooster de bovengenoemde schenkings akte als bewijsstuk heeft gebruikt. Ofschoon de argumenten van de tegenpartij niet bekend zijn is het opmerkelijk, dat in dit geval de

schenkingsakte kennelijk onvoldoende rechtskracht had om de prior

130 131 132 133

TA TA TA TA

inv. inv. inv. inv.

1, reg. 143 (1 augustus 1509). 48, reg. 155 (21 januari 1512). 37, reg. 182 (1 augustus 1517). 51, reg. 197 (3 maart 1528).

48

HET KLOOSTER TER APEL

in het volledig bezit van de erfenis te laten. In 1542 werd een vergelijkbare rechtszaak gehouden met betrekking tot de erfenis van Geseke Heyen, de vrouw van Heye Wensynghe. Nu was de schenkingsakte voor de rechter wel aanleiding om de prior de erfenis te laten behouden134. Mogelijk heeft: het verschil in beide uitspraken te maken met de geldende rechtsregels, die voor Groningen en Wester-

wolde in dit opzicht wellicht niet gelijk waren. De zoon van Renske Frederik tenslotte heeft driemaal, in 1520, 1540 en 1547 een meningsverschil gehad met het convent met betrekking tot aanspraken op zijn moeders erfenis. De eerste en tweede keer betaalde het klooster hem een bedrag, waarna hij beloofde geen aanspraken meer te zullen maken op de erfenis. De derde keer liet hij zich minder makkelijk afschepen en verklaarde hij dat de erfenis hem toekwam, omdat hij van pater Berndt geld had ontvangen. Nadat prior Van Wynckell had uiteengezet dat een gift zonder de goedkeuring van de andere conventualen geen rechtskracht had, stelde de rechter de prior in het gelijk en deed de zoon definitief afstand van zijn aan spraken135.

Behalve landschenkingen kreeg het klooster ook enkele rentes, zoals in het overzicht van de rentes is te zien. In alle gevallen werd van de kloosterlingen een tegenprestatie in de vorm van gebeden of missen verlangd. Van Nomno Folpert uit Winschoten is bekend dat hij proost en pastoor in Hartzum en Wydner was. Van de overige gevers zijn geen gegevens bekend. Twee bijzondere schenkingen werden in 1561 gedaan. Zij hadden waarschijnlijk te maken met de voltooiing van de noordvleugel van het kloostercomplex in dat jaar. Twee gebrandschilderde ruiten, die vermoedelijk in de noordvleugel hebben gezeten, dragen als onderschrift: "Johan de Mepsche, kn. mt. rath undd lieut. der Stadt un[de] Umblande van Groningen, provest to Lo[p]persum Agnes sij[n] huiisfrow a[nn]o 1561":

op het andere staat geschreven: "Johan tho Lellens Elly ... sijn huisvrouw a[nn]o 1561" 134 TA inv. 48, reg. 215 (4 maart 1542). 135 TA inv. 37, reg. 234 (7 maart 1547).

Koorgestoelte

HET KLOOSTER TER APEL

49

Schuitema Meijer veronderstelt dat zij deze ramen aan het klooster schonken als een bewijs van hun vroomheid, temeer daar van een nauwe relatie met het klooster geen sprake lijkt te zijn136. Ook uit testamenten kreeg het klooster inkomsten. Soms waren dit eenmalige schenkingen, soms ook kregen de Kruisbroeders jaarlijks een bedrag uitgekeerd. Het kloosterarchief bevat slechts enkele testa menten, maar ook buiten dit archief zijn er een paar akten waarin

het klooster werd bedeeld. Deze testamenten leverden meestal een jaarlijkse opbrengst in natura (rogge) op. Over het algemeen waren dit bescheiden hoeveelheden, van een tot ongeveer drie mudden. Hoelang de kloosterlingen deze inkomsten genoten is onbekend. Het oorkondenboek van Friedlander bevat twee testamenten waarin Ter Apel wordt genoemd. Beide zijn van burgers uit Emden. De eerste, Hille Smedes, liet een jaarrente na (1481), de andere, Hinricus Mathias, schonk een bedrag ineens (1489)137. Welke hun relatie tot het klooster was, is niet bekend. Eveneens uit de vijftiende eeuw stamt een testament waarin Ter Apel samen met het Armhuiszittend Con vent uit Groningen land kreeg, waarvoor overigens wel betaald moest worden. Voorwaarde was tevens dat beide conventen jaarlijks veertig Arnemse gulden onder de armen moesten verdelenl38. Zonder voor-

waarden bedeelde Sicko tho Ozingeweer de Kruisbroeders van Ter Apel in zijn eerste testament (1475) met een jonge koe ("eyn twenter veerse"), maar toen hij in 1505 zijn testament liet veranderen, liet hij het klooster "to tymmeringe II stucke goldes" na. M. ten Broek,

die over deze Sicko een artikel schreef, voegt hier in een later historisch overzicht van het klooster Ter Apel aan toe, dat deze rijke boer uit Loppersum het klooster in zijn wilsbeschikking opnam, omdat hij vermoedelijk Jacob Wiltingh kende. Mogelijk heeft Wiltingh er bij hem op aangedrongen de Kruisbroeders van Ter Apel niet te vergeten. Anderzijds kan het ook Sicko's eigen idee geweest zijn, temeer

B6 Schuitema Meijer, Ter Abel, 138. Mogelijk viel de schenking van het eerste echtpaar sa men met hun huwelijk. De Mepsche was omstreeks 1558 getrouwd met Catharina van Siegen, maar gezien de tekst op het raam is zij voor of in 1561 overleden en was De Mepsche in dat jaar reeds hertrouwd. Zijn tweede vrouw, Agnes van Munster, was een dochter van Georg van Munster, de drost van Wedde in de jaren 1532-1536. Zie voor een beschrijving van Johan de Mepsche het artikel van J. Nanninga Uiterdijk ,,Dr. Johan de Mepsche, eene bijdrage tot de kennis der geschiedenis van Groningen en Ommelanden onder Spaanschen heerschappij''. 137 Friedlander, Urkundenbuch, II, nr. 1058 (18 mei 1481) en nr. 1248 (12 augustus 1489). 138 RAGr. AHS, voorlopig inv. 131, reg. 133 (3 maart 1477).

50

HET KLOOSTER TER APEL

daar hij zeker affiniteit met de Kruisheren had: hij liet het klooster

te Scharmer onder meer al zijn boeken na en bovendien wilde hij begraven worden in de kloosterkerk m.

In het kloosterarchief zelf komen drie testamenten voor en enkele akten waaruit blijkt dat het klooster in een testament als begunstigde was opgenomen. Ook deze testamenten stammen uit de beginperiode van het klooster (tot 1516). In het eerste testament worden het klooster door een zekere Johannes Rolevinck twee jaarrentes nagelaten, in mil waarvoor jaarlijks voor hem een avondwake en een ochtendmis gehouden moest worden 14°. Bovendien moest de naam van

de overledene in het dodenregister van het klooster opgenomen wor den (dit is overigens de enige aangetroffen vermelding van een do denregister). In het tweede testament bedeelden de weduwe van Neze ten Perboem en haar dochter Wolter het convent met enkele landerijen bij Coevorden141. Het laatste testament, van de weduwe van Johan Scroers uit Roswinkel, leverde een jaarrente op. Dit was eigenlijk een aanvulling op een eerder testament: zij liet een even grote erfenis na als haar man eerder had gedaan142. Hoewel het testament zelf niet aanwezig is, bewijst een akte van een rechtszaak uit 1505 dat heer Frederik, priester en prebendaat te Larrelt, enkele landerijen aan de kloosterlingen had nagelaten143. Zijn nabestaanden raakten in konflikt met de kloosterlingen over het eigendom van deze grond, zodat een rechter hierover uitspraak moest doen. Voor het klooster viel diens oordeel ongunstig uit, daar de kloosterlingen een groot deel van het land moesten afstaan. De tweede akte waaruit blijkt dat het klooster in een testament was op genomen stamt uit 1527 144. Aleyd Huyssinck vermaakte twee stuk ken land in het kerspel Emmen aan het klooster. In deze akte werden aanspraken op beide stukken land door haar kinderen afgekocht door de prior. Naast de grond ontving het klooster nog meer, maar een specificatie hiervan ontbreekt ("... unde al wes dat dye prior unde Conventes vorscr. hebben van Alyt ...").

B9 Broek, "Sicko", 31 en 70; Broek, Kloosters, Ter Apel, 8; "... ic beghere to liggen int choro 140 141 142 143 144

to Scharmer...". TA inv. 1, reg. 60 (29 September 1484).

TA inv. 1, reg. 136 (31 oktober 1507). TA inv. 1, reg. 171 (16 januari 1516). TA inv. 1, reg. 131 (6 maart 1505). TA inv. 1, reg. 194 (8 oktober 1527).

HET KLOOSTER TER APEL

51

De schenkingen en testamenten overziend valt het op dat deze alle tamelijk vroeg zijn gemaakt. Na 1527 zijn in het kloosterarchief, en ook in andere bronnen, geen schenkingen meer te vinden. Een oorzaak hiervoor is moeilijk aan te geven; niets wijst er op dat vanaf de jaren dertig de reputatie van het klooster verslechterd zou zijn. Deed

de invloed van Luther en de zijnen ook hier zijn intrede? Wellicht trad ten gevolge van Luther's ideeen ook in Noord-Nederland langzamerhand een mentaliteitsverandering op, waardoor de belangstelling en sympathie voor kloosters afnam. Economische redenen kun-

nen nauwelijks als verklaring dienen, omdat de achteruitgang van de economie pas halverwege de eeuw goed inzette.

Overeenkomsten die veel leken op testamenten, waren die van de proveniers. In mil voor hun bezittingen werden zij voor de rest van hun leven door het klooster onderhouden. Herman Scholte die in 1561 als provenier in het klooster werd opgenomen sloot op de dag dat hij provenier werd een opmerkelijke overeenkomst met de kloosterlingen. Hij gaf namelijk een geldbedrag in bewaring aan het klooster. Hijzelf of zijn erfgenamen kon dit bedrag elk moment weer terugvorderen145. Inventaris 51 van het kloosterarchief bevat twee akten waaruit ook blijkt dat de Kruisbroeders geld voor anderen bewaarden. Of de kloosterlingen het geld mochten gebruiken is niet duidelijk. Het bedrag moest wel steeds beschikbaar zijn, omdat het op ieder moment terugbetaald moest kunnen worden146.

BEDELINKOMSTEN, AFLATEN EN BEGRAFENISSEN

Inkomsten, waarover volstrekt niets bekend is betreffen de bedelinkomsten. Eens per jaar mochten de Kruisbroeders er op uit trekken om te bedelen. Dit was een pauselijk privilege uit de veertiende eeuw dat voor de hele orde gold. Over het gebied waarbinnen ze mochten bedelen, de termijn, is evenmin iets bekend. Het zou vrij groot geweest kunnen zijn, omdat er geen andere kloosters in de direkte omgeving van Ter Apel lagen. Bovendien was de streek dunbevolkt, zodat voor een behoorlijk bedrag flink gereisd moest worden. 145 TA inv. 47, reg. 256 (8 januari 1561).

146 TA inv. 51, briefregesten (30 maart 1540 en 7 januari 1564).

52

HET KLOOSTER TER APEL

Over inkomsten als gevolg van de mogelijkheid om aflaten te verkrijgen kan ook alleen maar gespeculeerd worden. Door verschillende (wij-)bisschoppen waren aflaten beloofd aan bezoekers en weldoeners van het klooster.

Samenhangend met de testamenten waren de inkomsten die bij begrafenissen werden verkregen. Met de pastoor van Sellingen waren

over het aannemen van legaten en geschenken afspraken gemaakt. Voor de Kruisbroeders van Ter Apel waren de inkomsten in dit opzicht uiteraard afhankelijk van het aantal mensen dat door hen werd begraven. Ook hierover zijn geen gegevens te achterhalen. VERKOPEN

Tenslotte kunnen nog enkele kleine inkomstenbronnen genoemd worden. De kloosterinventaris van 1614 bevat een opsomming van vee dat het klooster op dat moment bezat. Aangenomen mag wor den dat deze aantallen ongeveer overeenkomen met die van vroeger tijden. Alleen al aan rundvee bezaten de kloosterlingen van Ter Apel in 1614 meer dan 230 stuks147. Een deel daarvan zal voor eigen gebruik hebben gediend, maar een deel was ook bestemd voor de verkoop. Dat bewijst tenminste een oorkonde uit 1577 waarin prior Cornelis van Nimwegen zeven paar ossen verkocht voor 45 daalder per paar148. Daarnaast waren er in 1614 20 paarden, 68 varkens en 18 schapen. Ook hiervan zullen ongetwijfeld jaarlijks dieren verkocht zijn. Een uitzondering vormden misschien de schapen, aangezien de inventaris vermeldt dat er dagelijks voor eigen gebruik een schaap werd geslacht.

Andere verkopen die uit bronnenmateriaal bekend zijn waren die van land en rentes. Land werd slechts eenmaal verkocht, en wel in 1478. Zes rentes werden in de periode 1587-1593 noodgedwongen verkocht, toen de kloosterlingen in een benarde positie verkeerden. 4.2 Uitgaven

De posten voor de verschillende uitgaven zijn gedeeltelijk te reconstrueren aan de hand van het bronnenmateriaal. Incidentele ver147 GAGr. hs. in folio 282-11, f. 204 r. 148 TA inv. 51, briefreg. (21 januari 1577).

HET KLOOSTER TER APEL

53

meldingen van uitgaven die het karakter van een vaste, jaarlijkse betaling gehad moeten hebben, zijn helaas het enige aanknopingspunt voor dergelijke betalingen. Van sommige soorten uitgaven daarentegen ontbreekt elk gegeven en is het zelfs de vraag of ze er wel geweest zijn. Het duidelijkste voorbeeld daarvan zijn de belastingen. Van kloosters in bijvoorbeeld de Ommelanden is het bekend dat zij een jaartax moesten betalen voor het land dat ze in eigen gebruik hadden. Het ligt voor de hand dat ook de kloosterlingen van Ter Apel een belasting op onroerend goed hebben moeten betalen. Van overige belastingen waren zij, althans officieel, vrijgesteld. Hetzelfde probleem geldt de visitatiebetalingen. Het generaal kapittel stelde in 1470, 1471 en 1472 het bedrag dat aan de visitator betaald moest worden vast. Ongetwijfeld heeft het klooster aan deze verplichting voldaan, maar deze uitgaven zijn nergens terug te vinden.

LANDERIJEN

Gedurende het hele bestaan van de kloostergemeenschap is er land aangekocht, waar in het volgende hoofdstuk nader op ingegaan zal worden. Omdat de meeste oorkonden die over landaankopen handelen geen aankoopbedragen vermelden, is het moeilijk iets over deze uitgavenpost te zeggen. De grote verschillen in prijzen komen direkt naar voren wanneer twee oorkonden van het kloosterarchief naast el-

kaar worden gelegd: in 1499 werd voor drie akker land (ongeveer 6 hectare) 35 Rijder gulden betaald; negen jaar later kostte een stuk grond van dezelfde omvang en in dezelfde omgeving (bij Bellingwolde) 85 Rijder gulden. Of dit verschil verklaard moest worden door een verschil in kwaliteit of slechts door prijsverhogingen, is niet na te gaan.

RENTES

Aan de in de vorige paragraaf genoemde rente-opbrengsten ging uiteraard de aankoop van rentes vooraf. Het bedrag dat hiervoor betaald moest worden was twintig tot dertig keer zoveel als de rente zelf, zoals uit een aantal oorkonden die in bijlage 2 opgesomd zijn blijkt. In tijden waarin veel rentes werden gekocht moet het klooster derhalve over een behoorlijk kapitaal beschikt hebben. Het is de vraag of

54

HET KLOOSTER TER APEL

rentes werden gekocht van geld dat na aftrek van alle noodzakelijke uitgaven over was, of dat ze als onontbeerlijk bestanddeel van de kloostereconomie werden bescouwd. Omdat een rente meestal op een willekeurig moment kon worden afgelost, waren de inkomsten niet erg vast, tenzij na aflossing het geld onmiddellijk in een nieuwe rente werd geinvesteerd.

DIJK- EN ZIJLGELDEN

Voor het onderhoud van onder meer dijken, zijlen en bruggen wa ren verschillende zijlvesten ingesteld. Westerwolde was een van de vijf 'afdelingen' van het Reiderzijlvest. Met dit zijlvest zal het klooster voornamelijk te maken hebben gehad. De drost van Wedde was ver-

moedelijk voorzitter van de afdeling Westerwolde, een functie die vaak door hoofdelingen werd vervuld. Uit dien hoofde ontving hij waarschijnlijk in 1565 van de procurator 21 Emder gulden en twee stuiver "... voer graven ende diken ..." vanwege het kloosterland bij Bellingwolde149. In 1568 schreef een zekere Hinricus Coster uit Bellingwolde een venijnige brief aan de prior over achterstallige betalingen. Zeven akker

land (ongeveer elf hectare) van het klooster was gelegen aan de rivier

de Ae, waarvoor de prior dijkgeld had betaald. Het vastgestelde tarief lag echter bijna drie keer zo hoog. Coster zette in zijn schrijven uitvoerig uiteen wat de kloosterlingen hadden betaald en wat ze hadden moeten betalen. Het verschil tussen beide bedragen was aanzienlijk "... als de heren sulvest wall rekennen konnen ..." en hij drong er dan ook op aan het resterende bedrag alsnog te betalen 15°. In hetzelfde jaar werd de prior opgeroepen voor drost Mathias Ort te verschijnen op verzoek van de dijkrechters van Bellingwolde. Een uitspraak bleef evenwel uit, omdat de dijkrechters niet op de zitting verschenen. Over de inhoud van het geschil werd niet gesproken, maar dat het over het onderhoud van een dijk of een sloot ging, ligt voor dehand151.

149 TA inv. 51, briefreg. (1 augustus 1565) 150 TA inv. 52, briefreg. (10 januari 1568). 151 ibidem, (9 maart 1568) en TA inv. 35, reg. 266 (11 maart 1568).

HET KLOOSTER TER APEL

55

De laatste vermelding over waterschapszaken stamt uit 1572. De procurator had zijn beklag gedaan bij de rechter van Bellingwolde over een zekere Ulffert Lippens, die had nagelaten een dijk van het

klooster te repareren. Lippens beloofde nu de rechter de herstelwerkzaamheden te zullen verrichten "... soe hem weder unde wynt daer by wil laeten ..." 152.

OORLOGSCONTRIBUTIE

Vanaf welk moment door de kloosterlingen 'oorlogsbijdragen' geleverd moesten worden, is niet bekend. De betalingen aan Charles Hamal en Willem Lodewijk zijn reeds genoemd, maar daarnaast blijkt uit verschillende stukken dat ook Westerwolde als geheel in de jaren tachtig contributies moest betalen. De gravin van Aremberg verzocht in 1581 en 1582 aan luitenant en hoofdmannen en aan Burgemeesters en Raad van Groningen de bevolking van Westerwolde niet te bezwaren met contributies. Haar verzoek werd kennelijk niet ingewilligd, daar uit een latere brief blijkt dat de contribute, zijnde 1200 gulden, door een hopman en 70 soldaten met geweld was geind153. In 1590 vaardigde de Staten-Generaal een plakkaat uit waarin onder meer Wedde een jaartax van 12.000 gulden werd opgelegd, die betaald moest worden aan de rentmeester154. De rentmeester mocht bovendien niet belet worden bij het innen van korenpachten, tijnzen en tienden. Het is mogelijk dat de Kruisbroeders van Ter Apel aan deze contributies hebben moeten meebetalen, maar hierover zijn geen gegevens. Er is slechts een kwitantie bewaard gebleven waaruit blijkt dat het klooster contributie betaalde. In oktober 1595 ontving de rentmeeester van de Ommelanden een onbekend bedrag dat de broeders de Gedeputeerde Staten van Friesland sinds September 1594 schuldig waren155. Deze relatie met Friesland zou te maken hebben met de sauvegarde van Willem Lodewijk die vanuit Friesland opereerde.

152 TA inv. 52, briefreg. (30 oktober 1572). 15.3.-R.F. Ill, 1581.34, 1582.49 en 1582.52. 154 R.F. Ill, 1590.18.

155 TA inv. 51, briefreg. (19 oktober 1595).

56

HET KLOOSTER TER APEL

DIVERSEN

Tot de overige uitgavenposten die terug te vinden zijn in de archiefstukken behoorden onder meer de levensmiddelen die werden aangeschaft. De uitgaven voor de voedselvoorziening vormden waarschijnlijk een belangrijk deel van de totale uitgaven. Uit het geringe aantal gegevens hieromtrent is echter niet op te maken hoe groot de

opbrengst van corpusland en kloostervee was en hoeveel levensmid delen van elders betrokken moesten worden. Daarnaast hadden de kloosterlingen voor verschillende werkzaamheden gereedschap nodig dat ze niet allemaal zelf konden maken. Te denken valt hierbij aan het landbouwgereedschap, zoals de ploegen, eggen en wagens, die in de kloosterinventaris van 1614 worden genoemd. Bij gebrek aan een eigen steenbakkerij moesten stenen van elders betrokken worden. Nog in 1575 kochten de kloosterlingen hier een partij van156. Een vast bedrag tenslotte was het klooster jaarlijks kwijt aan de pastoor van Sellingen en aan de chirurgijn. 5. BEZITTINGEN

5.1 Grondbezit De landerijen van het klooster vormden waarschijnlijk het belang-

rijkste bezit. Vergeleken met andere kloosters in de provincie Groningen was het grondbezit echter betrekkelijk bescheiden. Om te kunnen bepalen hoeveel land het klooster heeft gehad is voornamelijk uitgegaan van het kloosterarchief (aankomsttitels van land). Op deze wijze is bij benadering de maximale omvang van de kloosterlanderijen vast te stellen. Bijlage 2 geeft een overzicht van het grondbezit, zoals dat in de loop der tijd is verworven door koop, ruil of schenking. WESTERWOLDE A: CORPUSLAND

Uit de bijlage blijkt nergens dat een stuk land door de kloosterlin gen zelf werd gebruikt dan wel werd verpacht. Corpusland zal in principe in de buurt van het kooster gelegen hebben. Zo zal het land

156 ibidem (22 januari 1575).

HET KLOOSTER TER APEL

57

dat Jacob Wiltingh in 1465 bij de 'verwoeste erve und guet' schonk,

ongetwijfeld tot het corpusland behoord hebben. Over de omvang is helaas niets bekend. Volgens Siemens behoorde het hele kerspel Sellingen tot het corpusland. De totale oppervlakte schatte hij op on

geveer 1500 ha. (3500 grazen)157. In 1471 verkregen de kruisbroeders land in de mark van Weerdinge158. Op het getekende kaartje (nr. 2) wordt dit aangegeven met de stippellijnen tussen de Ae en de Mussel Ae, waarbinnen staat geschreven:

' 'priors lant luit syn

breeff". De grensscheiding tussen Westerwolde en Eemsland staat op

de oude kaart slechts ten dele aangegeven, tot Ter Apel. Waarschijnlijk Hep de grens verder naar het zuiden ongeveer langs de rivier de Ae. Het is mogelijk dat Barnflair in de zestiende eeuw tot Eemsland

behoorde: twee oorkonden uit het kloosterarchief (Inv. 39, Reg. 217 en 219) betreffen de verkoop van land (1542), genaamd de "Barenvledder unde de Emesche maet", door de buurtschappen van Oldenharen en Over- en Nederlangen. Volgens deze oorkonden behoorde dit land tot hun mark, ofwel tot Eemsland. De omvang van dit land staat in de oorkonde niet duidelijk aangegeven, maar de rivier de Ae vormde de westelijke grens159. In Eemsland Hep het bovendien nog door tot Lindloh ("lyntloe") of daaromtrent. De overige landerijen in het kerspel zijn, behalve de schenking van Wiltingh, niet terug te vinden in de bronnen. Wellicht maakten zij alle deel uit van zijn schenking, die dan wel zeer genereus genoemd kan worden. WESTERWOLDE B: WINSCHOTEN, BELLINGWOLDE EN BLIJHAM

In de buurt van Winschoten heeft het klooster minstens 35 hectare land bezeten. Gezien de datering van de eerste koopakte (1520) heb ben de Kruisheren van Ter Apel aanvankelijk kennelijk weinig behoefte gehad aan land in deze omgeving. Dat het kloosterarchief

157 Siemens, Toelichting, 43. 158 TA, afschrift in een vidimus van 6 maart 1472 (TA inv. 25, reg. 22). 159 "Welcker landt naest by des Cloesters vorgeschreven eygen lande gelegen Anfancklyck van deme paell upgesath indt suyden doer den Barenvledder dyck bes an dem pael staende twyschen dat brock unde lynthloe indt moer wedder van deme paell streckende lynrecht indt westen tho deme paell by dat rivere de Ae geheyten by des papen hutte up gerychtet de Ae bylanges indt norden bes an dat Cloesters voerschreven eygen lande streckende ..." (eigen kursivering).

58

HET KLOOSTER TER APEL

niet compleet is blijkt uit de wisseling van landerijen in 1551. Het klooster stond bijna dertien hectare land af, terwijl het niet bekend is hoe de kloosterlingen aan dit land waren gekomen. Het opvallende in het overzicht van de landerijen bij Bellingwolde en Blijham is dat er relatief vaak land werd gewisseld. Van de negentien oorkonden gaan er vijf over landwisselingen. De Kruisbroeders hadden in deze omgeving een aanzienlijk areaal, ongeveer 70 hectare. Door de wisselingen werd het areaal waarschijnlijk een meer aaneengesloten geheel, hoewel niet precies na te gaan is waar de landerijen lagen. Begrenzingen van land werden in de zestiende eeuw meestal aangegeven met de namen van de eigenaren van aangrenzende percelen. Voor de betrokkenen was dit wel duidelijk, voor de hedendaagse onderzoeker niet. Ofschoon al het land in principe verpacht werd hebben de kloosterlingen zelf ook indirekt gebruik gemaakt van land in deze streek. De inventaris van 1614 vermeldt bij de opsomming van de veestapel dat 31 guste koeien bij Bellingwolde en Blijham geweid werden en dat nog eens 25 stuks rundvee van het klooster bij meier Arent in Bellingwolde waren ondergebracht. In een oorkonde uit 1588 (TA Inv. 51 + R 272 +++ ) zeggen de Kruisbroeders zelf over enkele landerijen bij Bellingwolde "...daer wij [...] unse magher ossen unde koijen pleghen in toe weiden unde vet lathen worden...".

OMMELANDEN

Het meeste land in de Ommelanden is tot het jaar 1520 gekocht. Nadien is daar weinig aan toegevoegd. Het totale areaal bedroeg minstens 200 hectare. De omrekening in hectaren is niet voor alle landerijen mogelijk, omdat niet met zekerheid is vast te stellen hoe groot bijvoorbeeld een "derteyn hundert landes" (TA Inv. 45, Reg. 134) is. Aangezien het om grote aantallen gaat, in het kerspel Stedum bijvoorbeeld in totaal 3400, was de omvang van een 'hundert' waarschijnlijk gering (100 m2?)160.

160 De oppervlaktemaat 'hundert', of honderd, werd in naslagwerken niet aangetroffen. Indien 'hundert' inderdaad de aanduiding was voor een are (100m2) dan zijn de getallen in de bijlage eigenlijk niet correct: het hier aangehaalde voorbeeld zou dan 34 hectare moeten zijn.

HET KLOOSTER TER APEL

59

Afgaand op het aantal plaatsen waar het klooster land bezat, is het grondbezit in de Ommelanden tamelijk versnipperd geweest. De plaats Aynghehoerne is op oude kaarten niet terug te vinden. Witkamp vermeldt 'Aengehorren' als een gehucht onder het Groningse dorp Woltersum, gemeente Ten Boer161.

DRENTHE

Zoals uit de bijlage blijkt is het voor de provincie Drenthe zeer moeilijk te bepalen hoeveel land het klooster hier heeft gehad. Hoewel in deze provincie wel standaardmaten als roede, mud, schepel, morgen en dagwerk gebruikt werden, komen deze in de oorkonden vrij weinig voor. In de meeste gevallen gaat het om een 'stuk' land of om een 'erf. Voor de laatste term zou een aanknopingspunt kunnen zijn dat het daarbij om een kompleet boerenbedrijf gaat. J. Bieleman schrijft dat een bedrijfseenheid in Drenthe in de zeventiende eeuw ongeveer 32 mud land, zijnde ongeveer 8,6 hectare, omvatte162. Omdat deze omvang sterk door traditie bepaald was, zou dit waarschijnlijk ook voor de zestiende eeuw kunnen gelden. I.H. Gosses meent daarentegen, dat de omvang in de zestiende eeuw varieerde van twintig tot veertig mudden, waarbij de nadruk overigens wel op het gemiddelde hiervan, ongeveer dertig mud, lag163. Gezien de grote verschillen die hij constateerde bij zijn onderzoek naar de bedrijfsgrootte van Drentse erven, zijn in de bijlage geen hectaren ingevuld bij de 'erven'. Naast 'konkrete' stukken land hebben de Kruisbroeders van Ter Apel ook 'waardelen' gekocht en gewisseld. Een 'waardeel', of 'waar', was een maatstaf voor eigendoms- of gebruiksrechten met betrekking tot de mark. Degenen die minimaal een "vul vierendeel waardeels" hadden, mochten gebruik maken van de mark. Met een mark wordt al het land bedoeld dat niet in privebezit was, maar gemeenschappelijk kon worden gebruikt. Behalve het gebruiksrecht had de eigenaar van een waardeel ook zeggenschap, afhankelijk van de

161 Witkamp, Woordenboek, 15. 162 Bieleman, "Landbouw", 334. 163 Gosses, Organisatie, 139-

60

HET KLOOSTER TER APEL

grootte van zijn waardeel, bij beslissingen omtrent het beheer van de markegronden. Deze zeggenschap kon evenwel ook overgedragen worden aan een meier van bijvoorbeeld een erf164. Dit blijkt het geval met het Rosinghe-erf, waar een "voll heel ware" aan was verbonden. Een anonieme kloosterling schreef in 1502 over dit waardeel "...dat bruket de meyer altyt..." 165 Of het waardeel dat bij een erf behoorde altijd een heel of vol waardeel was, is uit de oorkonden niet op te maken. Bij het Knechteringhe-erf, dat in 1494 werd gekocht, behoorde een "ware", maar uit de aantekeningen van de eerder genoemde kloosterling blijkt dat in 1502 het klooster hier maar een achtste deel van had ("... dit halve vierendel waers van Knechteringen..."). Overigens is het niet zeker of bij een erf altijd een waardeel hoorde. Bij bijvoorbeeld het Wordinghe-erf, dat de Kruisbroeders in 1478 verkochten, en bij het in 1515 gekochte Rabberynckerf, staat niets over een waardeel. De betreffende oorkonden bij elkaar leggend, blijkt het klooster (of een meier van het klooster) in ieder geval medezeggenschap gehad te hebben over de marken van Emmen, Barge, Zuidbarge, Weerdinge en Valthe. Het probleem met betrekking tot het waardeel is, dat het niet bekend is wat de rechten inhielden. Hoeveel koeien of schapen van het klooster mochten er op markegronden geweid worden als het klooster een vol waardeel bezat? Of hoeveel hout mocht er uit het 'Bargerholt' gehaald worden, waarover de Kruisbroeders een kwart waardeel hadden? Gosses, die uitvoerig over waardelen heeft geschreven, geeft hierop geen antwoord, en ook andere geraadpleegde literatuur over Drentse rechtsgeschiedenis werpt geen licht op dit probleem. De landaankopen in Drenthe zijn redelijk over de tijd verspreid. Van een duidelijk 'beleid' van een prior om het grondbezit in deze provincie uit te breiden, lijkt dan ook geen sprake. De onvolledigheid van het kloosterarchief blijkt uit de al genoemde verkoop van het Wordinghe-erf in 1478: hoe de Kruisbroeders aan dit erf waren gekomen is niet bekend. Wat geografische spreiding betreft is het opvallend dat al het land in zuidoost-Drenthe lag, ofwel betrekkelijk dicht bij het klooster. Zoals reeds eerder beschreven grensde het land bij Roswinkel zelfs aan het corpusland en maakte er wellicht deel van uit. 164 ibidem, 85-94. 165 TA inv. 16, reg. 87 (z.d. 1502).

HET KLOOSTER TER APEL

61

DUITSLAND A: OOST-FRIESLAND

In Oost-Friesland wisten de Kruisbroeders van Ter Apel tussen 1487 en 1511 blijkens het kloosterarchief bijna 50 hectare land te verwerven. In werkelijkheid hebben ze in dit gebied iets meer gehad. In het

eerste deel van de staatboeken van het klooster staat dat het klooster brieven had ontvangen van heer Frederik, priester en prebendaat te Larrelt, waarin hij het klooster 23 grazen land naliet. Door een rechterlijke uitspraak moest hiervan in 1505 de helft worden afgestaan aan andere erfgenamen. In de loop der tijden is van een deel van het grondbezit in Oost-Friesland weer afstand gedaan. Het staatboek ver meldt in 1591 dat het klooster nog ongeveer 65 grazen (ongeveer 32 hectare) bezat. Kennelijk hebben de kloosterlingen wel profijt gehad van deze landerijen en was de afstand tot het klooster geen aanleiding ze van de hand te doen. Waarom hebben de Kruisbroeders vanaf 1487 in Oost-Friesland grond gekocht? De atlas van Siemens vermeldt van geen enkel ander Gronings klooster land in dit gebied. De eerste aankoop betrof land van de kerkvoogden van Larrelt. De reeds genoemde heer Frederik, die het klooster in zijn testament bedeelde, was daar pastoor. Heb ben de kloosterlingen hem tijdens een bezoek aan Emden leren kennen? Of kwam een van hen misschien zelf uit Oost-Friesland? Helaas zijn er geen gegevens die een duidelijke verband leggen tussen het klooster en Oost-Friesland.

DUITSLAND B: EEMSLAND

De inventaris van 1614 noemt slechts een stuk land in Eemsland, namelijk het land bij Hede, dat in 1516 werd gekocht166. De akten die handelen over land in de buurt van Barnflair en de mark van Over- en Nederlangen en Oldenharen zijn in deze inventaris ondergebracht bij het hoofdstuk Westerwolde (waar overigens ook het deel van de mark van Weerdinge bij staat). Het is evenwel de vraag of dit juist is. Het overige grondbezit lag nogal verspreid en lijkt niet zo omvangrijk te zijn geweest. Waarom de Kruisbroeders dit kochten en

of ze hier inkomsten van genoten is niet bekend.

166 GAGr, hs. in folio 282-11, f. 196r.

62

HET KLOOSTER TER APEL

OVERIG

De aankoop van het Heetbercherf in Hardenberg valt wat ligging betreft eigenlijk wat uit de toon. Ware het gekocht toen Derek of Gerardus (van den) Hardenberch prior van het klooster waren, dan lag een mogelijke verklaring voor de hand. Als hun achternaam aangeeft dat ze uit Hardenberg kwamen, dan is het goed denkbaar dat zij kontakten hadden met de inwoners van dit kerspel en op grond van deze kontakten hier land hebben gekocht. Maar in 1506, toen dit erf werd gekocht, was Van Wynckel prior, zodat het verband tussen de plaats Hardenberg en de prior niet met zekerheid gelegd kan worden. De verkoper, Henrick Kampherbeke, was in 1488 rechter te Harden berg (zie TA Inv. 1 Reg. 70) en had het erf zes jaar eerder gekocht (deze koopakte bevind zich ook in het kloosterarchief. Reg. 117). Uit het staatboek blijkt dat dit erf in 1591 nog steeds tot de bezittingen behoorde, aangenomen althans dat met "predium circa Herdenberch" hetzelfde wordt bedoeld167. In de rekening van 1606 en de inventaris van 1614 komt dit erf daarentegen niet meer voor. Wellicht is het voor 1606 verkocht, zodat de inventariseerders de koop akte niet hebben aangetroffen. Immers, bij de verkoop van het erf werd het koopkontrakt overgedragen aan de nieuwe eigenaar en kon het dus niet meer in het kloosterarchief voorkomen.

SLOTOPMERKING

AUe koopakten tesamen overziend blijkt het klooster tot ongeveer

1520 het meeste land verworven te hebben. Dit ligt voor de hand, omdat grondbezit een belangrijke basis vormde voor de kloostereconomie. In Westerwolde werd na 1560 geen land meer gekocht, maar werden alleen nog enkele landerijen gewisseld. In de Ommelanden

vond de laatste aankoop al in 1519 plaats en werd sindsdien alleen nog geruild of geschonken. In Drenthe daarentegen is tot 1589 het grondbezit uitgebreid. Het meest opvallend in de rij zijn de aankopen in Oost-Friesland, die alle in een betrekkelijk korte periode wer den gedaan. In Eemsland tenslotte is tot 1542 land aangekocht. Hoe groot het grondbezit van het klooster in totaal is geweest, blijkt moeilijk te bepalen. De in de bijlage vermelde hectaren, on geveer 385, zijn slechts een deel van het areaal. 167 TA inv. 4, hs. in folio 481-1, f. 3v.

HET KLOOSTER TER APEL

63

5.2 Andere bezittingen

Enkele weken na de dood van Johannes Emmen in 1614 werd er een inventaris opgemaakt van het kloosterbezit. Niet alleen de landerijen en de inboedel van het klooster, maar ook de inkomsten uit rentes en de schulden werden hierin opgesomd. De inventaris werd opge maakt door drost Edsert Rengers ten Post en rentmeester Coppen Jarges, op last van de Staten-Generaal168. In 1637 werd nogmaals een inventaris gemaakt169. Aan de hand van deze twee inventarissen wordt in deze paragraaf beschreven welke andere bezittingen de Kruisheren van Ter Apel hadden en daaruit voortvloeiend welke werkzaamheden zij verrichtten. Deze werkzaamheden waren in het begin van het bestaan van het klooster waarschijnlijk beperkter, daar niet alle vertrekken en bijgebouwen al in de vijftiende eeuw aanwezig waren.

Voor de voedselvoorziening konden zij grotendeels zelf zorgen. Brood werd gebakken in het bakhuis, nadat het graan, voornamelijk rogge, was gemalen in de eigen graanmolen. De grondstoffen kregen zij ofwel als pacht, ofwel als jaarlijkse rente, en misschien ook verbouwden ze die zelf op het corpusland. In hoeverre zij daarnaast graan moesten aankopen is niet bekend. Een tweede molen werd ge-

bruikt als oliemolen. Bier werd in het brouwhuis bereid. Uit het kloosterarchief blijkt dat aan de Kruisbroeders in 1521 een brouwketel geschonken werd door een burger uit Laten 17°. De hop werd in het 'hoppenhuis' opgeslagen of verwerkt. Daarnaast werd er ook bier uit Duitsland geimporteerd. Van de gebroeders Henrick en Tonnys Priecker uit Emden zijn brieven aan het klooster bewaard gebleven die handelen over zendingen van onder meer Hamburgerbier171. Voor vlees, afkomstig van de eigen veestapel, was er een speciaal vleeshuis. De inventaris van 1614 vermeldt dat voor eigen gebruik dagelijks een schaap werd geslacht. Daarnaast aten ze vermoedelijk ook rundvlees, al was het alleen maar vanwege de huiden die nodig waren voor perkament of leer. Koeien waren er eveneens voor de melk.

168 GAGr, hs. in folio 282-11, ff 191r-204v.

169 GAGr, hs. in folio 161, ff. 172r-175r (de naam van de inventariseerder wordt niet ge-

noemd, maar het ligt voor de hand dat dit de officiele beheerder van het klooster was, namelijk Hermannus Meijer).

no TA inv. 51, briefreg. (1521). Hi TA inv. 53, briefreg. (1576 en 1577).

64

HET KLOOSTER TER APEL

Zuivelprodukten als boter en kaas maakten ze waarschijnlijk niet zelf.

Boter kochten ze in ieder geval in 1566 van een zekere Goddert Hanegreve uit Deventer172. Van verschillende pachters ontvingen ze jaarlijks kaas en boter. De 27 bijenkorven leverden de nodige honing en was voor kaarsen op. In een van de cellen werd een kaarsenvorm aangetroffen. De hoeveelheid bijenwas was voor eigen gebruik kennelijk genoeg, aangezien jaarlijks een pond was werd geschonken aan iemand uit Emmen. Vis werd deels aangekocht, deels zelf gevangen in de eigen visvijver. Tijdens een rechtszaak in 1637 verklaarde een getuige, omstreeks 74 jaar oud, zelf gezien te hebben dat "... van sijn dencken af, well sestich jaren geleden, die vant backhuis ende koecken int clooster ter Apell ge-

meenlicks in de Meij tijdt ende herfst in de Mussel t'endes clooster voorgess. hebben te visschen gewest..." 173

Van eerder genoemde gebroeders Priecker kochten ze onder meer sprot, haring en bokking. Van overige levensmiddelen is niets over-

geleverd, afgezien van een jaarlijkse pacht van vijf kippen. Wellicht zijn er voor eigen gebruik nog allerlei gewassen verbouwd op het corpusland, wellicht ook was er een kruidentuin. In de inventaris wordt nog gewag gemaakt van zouttonnen, mosterdpotten en een mosterdmolen.

Naast voorzieningen voor de voedselbereiding waren er ook enkele gebouwen voor andere werkzaamheden. In de kuiperskamer werden kuipen en tonnen gemaakt voor de opslag van allerlei goederen als boter en zout. In het poortgebouw bevonden zich vertrekken voor de smid en de schoenmaker. Het gereedschap van de smid was in 1614 nog aanwezig, zoals het aambeeld, blaasbalgen en een slijpsteen. In het " pergamentes hues" werd vermoedelijk van huiden perkament

gemaakt. Of het leer voor de schoenmaker ook door de kloosterlingen zelf werd bewerkt is onbekend. Voor het maken van perkament en leer waren verschillende technieken vereist. Bij het "schaephues" bevond zich in de grond een kuip waar de huiden in werden gelegd,

waarschijnlijk als onderdeel van het vervaardigen van leer. Voor het

looien van huiden werd dierlijke urine gebruikt, hetgeen de plaats

172 TA inv. 51, briefreg. (14 januari 1566). 173 GAGr, hs. in folio 282-11, f. 311r. (20 juli 1637).

HET KLOOSTER TER APEL

65

van de kuip (naest het 'schaephues') verklaart. Verder was er nog een "warmhuis" (stookhuis), een washuis en een ,,vleeschhuis" met enkele kuipen en tonnen, misschien voor het zouten van vlees. In het stookhuis lagen nog de bijlen en zagen voor het hout en in de kamer van de prior werd allerhande timmergereedschap aangetrofFen. De inventaris van 1637 voegt aan al deze gebouwen nog een "seycken hues" toe en twee schuren, waarschijnlijk voor de opslag van turf. Voor het vee hadden de kloosterlingen diverse onderkomens, waaronder een "schaepstall", een "ossen schotte", een "viehues mit einer schuer" en twee paardestallen.

De prior had de beschikking over twee zegels, "t' eene rond t' ander lanckachtich". Alleen van het ronde zegel zijn afdrukken bekend (zie Regestenlijst van het kloosterarchief). Op dit zegel stond de heilige Augustinus afgebeeld, met in zijn linkerhand een kromstaf en in zijn rechterhand een hart. De tekst aan weerszijden van de figuur luidt: "S[igillum] co[n]ventus fr[atru]m ordi[ni]s s[an]c[t]e crucis" (rechts) en "domus nove lucis i[n] Apel" (links).

Tenslotte dient nog de bibliotheek genoemd te worden, waar in 1614 "eenige olde monnike boeken" werden gevonden, al of niet door de Kruisbroeders zelf (over)geschreven.

66

HET KLOOSTER TER APEL

GERAADPLEEGDE WERKEN

A. Bronnen GAGr Ter ApeJ; vermeld als TA

GAGr hs in folio 161 GAGr hs in folio 282-1, II GAGr Losse Kloosterstukken: vermeld als L.K1. RAGr Huisarchief Farmsum RAGr HJK (Hoge Justitie Kamer) RAGr AHS (Armhuissittend) RAGr HGG (Heilige Geest Gasthuis) RAGr Statenarchieven GA Zwolle AAZ; vemeld als GAZw

Acta der Provinciate en particuliere synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620. deel VIII (Drente). onder redactie van J. Reitsma en S.D. van Veen. Groningen, 1898.

Definities van de generate kapittets van de orde van het Heitig Kruis, 1410-1786. onder redactie van A. van de Pasch. Brussel, 1969.

Drentse recbtsbronnen, Witiekeuren, Supplement op de ordelen van de Etstoel, Goorspraken, Indices, onder redactie van J. Heringa; F. Keverling Buisman; D.T. Koen en P. Brood. Zutphen, 1981.

Goorspraken van Drenthe, 1598-1602. onder redactie van GJ. ter Kuile. Den Haag, 1943.

Ordelen van den Etstoel van Drenthe, 1518-1604. onder redactie van J.G.C. Joosting. Den Haag, 1893.

Ostfriesisches Urkundenbuch. onder redactie van E. Friedlander. deel II (1471-1500) Emden, 1881.

Register van het archiefvan Groningen. samengesteld door H.O. Feith. 9 delen, Groningen, 1853-1877. vermeld als R.F.

Rheine a.d. Ems. Chroniken und Augenzeugenberichte 1430-1950. onder redactie van H. Biild. Rheine, 1977.

Russelius, H. Chronicon cruciferorum sive synopsis memorabilium sacri et canonici ordinis Sanctae crucis. Diest, 1964. Facsimile van druk Keulen, 1635.

De tekst van de constitutes der Kruisheren van 1248. onder redactie van A. van de Pasch. Brus sel, 1952.

HET KLOOSTER TER APEL

67

B. Literatuur

Backmund, N. Monasticon praemonstratenze. 3 delen, Straubing, 1949-1956.

Bieleman, J. "De landbouw in de periode 1600-1850" in: Geschiedenis van Drenthe, 327-372. Blecourt, A.S de Oldambt en Ommelanden. Rechtshistorische opstellen met biilagen. Assen 1935.

Blok, PJ. "Groningcn in den opstand tegen Philips II" in: Blok, P.J.; Feith, J.A.; Gratama,

S.; ReitsmaJ.; Rhijn, C.H. van; Rutgers, C.P.L.; Veen, S.D. en Winkel, J. te Gedenkboek der Reductie van Groningen in 1594. Groningen, 1894. 1-27.

Bosch, P. van den "De priori) Sint Helena te Scharmer, 1489-1596" in: Clairlieu 33(1975) 3-29.

Bosch, P. van den Studien over de observantie der Kruisbroeders in de vijftiende eeuw Rheine 1977. 3-205.

Broek, M. ten "Klooster Ter Apel" in: Kloosters in Groningen, s.a., s.l. (exemplaar in Rijksarchief Groningen).

Broek, M. ten "Sicko tho Ozingeweer" in: Groninger Volksalmanak (1934) 1-86.

Clairlieu. Tijdschrift gewijdaan de geschiedenis der Kruisheren. Diest, 1943 tot heden. Cock, J.K. de "De Middeleeuwen" in: Historie van Groningen, 593-612.

Deursen, A. Th. van "De I6e eeuw 1522-1603" in: Geschiedenis van Drenthe, 241-296.

Dijk, E. van "Hoofdelingen, leenmannen en drosten in Westerwolde" in: Renaud, J.G.N. en Dijk, E. van Het huis te Wedde. Groningen, 1959. 51-94.

Eerelman Het oude klooster Ter Apel. s.a., s.l.

Feith, H.O. "Het klooster Ter Apel" in: Groninger Volksalmanak (1842) 136-151. Feith, J.A. "Wandelingen door het oude Groningen. 1. De refugia of kloosterhuizen" in: Gro ninger Volksalmanak (1890) 98-122.

Formsma, WJ. "De landsheerlijke periode" in: Historie van Groningen, 173-207.

Formsma, WJ. "De nieuwe geschiedenis, staatkundig beschouwd" in: Geschiedenis van Overijsel. onder redactie van B.H. Slicher van Bath e.a. 119-135.

Formsma, WJ. "De middeleeuwse vrijheid" in: Historie van Groningen, 77-107.

Fruin, R. Overzicht der staatsinstellingen van het landschap Westerwolde tot op zijne vereeniging met de XVII Nederlanden. Leiden, 1886.

Geschiedenis van Drenthe. onder redactie van J. Heringa; D.P. Blok; M.G. Buist en H.T. Waterbolk. Meppel, Amsterdam, 1985.

68

HET KLOOSTER TER APEL

Gosses, I.H. De organisatie van bestuur en rechtspraak in de landschap Drente. Groningen, Batavia, 1941.

Gottschalk, M.K.E. Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland. 11(1400-1600) Assen, 1971.

Haass, R. Die Kreuzherren in den Rheinlanden. Bonn, 1932.

Hartgerink-Koomans, M. Het geslacht Ewsum. Groningen, 1938.

Hasselt, H.P.A. van Geschiedenis van het klooster der Kruisheren te Maastricht. Maastricht, 1903.

Heringa, J. De buurschap en haarmarke. Assen, 1982.

Hermans, C.R. Annales canonicorum regularium S. Augustini Ordinis S. Crucis. 3 delen. Den Bosch. 1858

Historie van Groningen. Stad en Land, onder redactie van W.J. Formsma; M.G. Buist; W.H.R.

Koops; A.T. Schuitema Meijer; E.H. Waterbolk en S. Broekema. Groningen, 19812

Jansen, H.P.H. "Kerkgeschiedenis" in: Historie van Groningen, 147-170.

Jansen, H.P.H. "Sociaal-economische geschiedenis" in: Historie van Groningen, 123-147 Keverling Buisman, F. De Etstoel en zijn Ordelboeken in de Vijftiende Eeuw. Zutphen, 1986.

Meihuizen, L.S. "Sociaal-economische geschiedenis van Groningerland" in: Historie van Gro ningen, 293-330.

Nanninga Uitterdijk, J. "Dr. Johan de Mepsche, eene bijdrage tot de kennis der geschiede nis van Groningen en Ommelanden onder Spaansche heerschappij" in: Bijdragen tot de Geschiedenis en Oudheidkunde, inzonderheid van de provincie Groningen. 9 (1872) 81-160.

Nolet, W. en Boeren, P.C. Kerkelijke instellingen in de Middeleeuwen. Amsterdam, 1951.

Overdiep, G. De Groningse schansenkrijg. De strategic van graafWillem Lodewijk. Drente als strijdtoneel. 1589-1594. Groningen, 1970.

Pasch, A. van de "Sermo capitularis van Everardus ab Orsoy 1461" in: Clairlieu (1973) 55-111. Peters, C.H. "Het klooster Ter Apel" in: Nieuwe Drentse Volksalmanak (1897) 114-193. Post, R.R. Kerkelijke verhoudingen in Nederland voor de Reformatie van c.1500 tot c.1580. Utrecht, Antwerpen, 1954.

Ramaekers, A. "De privileges der Kruisherenorde vanaf haar ontstaan tot aan het concilie van Trente" in: Clairlieu 1(1943) 9-82.

Reyntjes, G.M. Groningen en de Ommelanden van 1580 tot 1594. Groningen, 1914.

HET KLOOSTER TER APEL

69

Rogier, LJ. Geschiedenis van het katholicisme in Noord-Nederland in de Zestiende en Zeventiende Eeuw, 3 delen. Amsterdam, 1945-1947.

Schuitema Meijer, A.T. Het klooster Ter Ape/. Groningen, 1966.

Siemens, B.W. Historische atlas van de provincie Groningen, Den Haag, 1962. Siemens, B. W. Toelichting behorende bij de Historische Atlas van de provincie Groningen. Groningen, 1962.

Sitter, A.], de en Modderman, T. Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden; eerste deel, vervattende eenen aanvang der Beschryving van Stad en Lande; - tweede deel, vervattend het vervolg der Beschryving van Stad en Lande. Amsterdam, Leiden, Dor drecht, Harlingen, 1793, 1794.

Slichter van Bath, B.H. "Duizend jaar landbouw in de Nederlanden in vogelvlucht (800 tot 1800)" in: Landbouwgeschiedenis. uitgaande van het Koninklijk Genootschap voor Landbouwwetenschap en het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. Den Haag, I960. 21-95.

Spandaw, H.A. "Verhandeling over de herkomst en den ouderdom der houten brug, liggende in de moerassen tusschen Drenthe en Westerwoide" in: Verhandelingen der tweede

klasse van het Koninklijk-Nederlandsche lnstituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten te Amsterdam 2(1821) 1-54.

Verhoeff, J.M. De oude Nederlandse maten en gewichten. Amsterdam, 1982 Vries, J. de Woordenboek der Noord- en Zuidnederlandse plaatsnamen. Utrecht, Antwerpen, 1962.

Weiss, H.U. Die Kreuzherren in Westfalen. Diest, 1963.

Winter, PJ. van Westerwoide Generaliteitsland. Assen, 1948.

Witkamp, P.H. Aardrijkskundig Woordenboek van Nederland. Tiel, 1877.

Wumkes, D.A. SibrandusLeo's abtenlevens der Friesche kloosters Mariengaarden Lidlum. Gro ningen, 1929.

Ypey, A. "Nader onderzoek betreffende de Brug of het Houten voetpad op de Grenzen van Drenthe en Westerwoide" in: Verhandelingen der tweede klasse van het Koninklijk-

Nederlandsche lnstituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone kunsten te

Amsterdam 2(1821) 55-106.

HET KLOOSTER TER APEL

70

BIJIAGE 1: CONVENTUALEN (OVERLEDENEN EN OVERGEPLAATSTEN)

Deze lijst bevat namen van kloosterlingen van Ter Apel, die zijn overleden of overgeplaatst.

De gegevens komen alle uit de Definities der Generate Kapittels van de Orde van het H. Kruis 1410-1786, samengesteld door A. van de Pasch. Ook zijn hierin opgenomen degenen die vanuit een ander Kruisherenklooster naar Ter Apel werden overgeplaatst. Het klooster vanwaar zij kwamen staat tussen haakjes achter hun naam. De verschillende funkties zijn afgekort tot: P (prior), S (subprior), Proc (procurator) en Sen (senior). Overige aanduidingen, zoals "sartor" (reparateur of tuinman) en "sutor" (schoenmaker), zijn ook overgenomen uit de tekst van de De finities. + betekent overleden, (D) staat voor donaat.

1473 Gherhardus Harlem + Ludolphus +

1474 Henricus Covordie naar Sneek. Johannes Delft (Schiedam) naar Ter Apel. 1475 Johannes Groningen naar Hoey.

1512 Otto Zwollis naar Glindfeld. 1513 Johannes Ledis + Johannes Groningen +

1514 Bruno Northornensis + Gerhardus Kalker + 1515 Wilhelmus +

Hermannus Gudynck (D)

1516Johannes +

naar Woudrichtem

1517Huburtus(S) +

Hinricus + 1476 Hermannus (D) naar Keulen.

Bernardus Lencherinck + Bernardus Bece +

1479 Gerhardus + 1480 Wolkerus ("subdiaconus") +

1518 Jacobus (P) +

1481 Conradus Hoxarie (Falkenhagen) naar

1520 Johannes ("sartor") +

Ter Apel.

1485 Egelbertus Embrice naar Emmerich. 1487 Henricus de Monte (P) +

1489 Arnoldus Husden + 1490 Arnoldus Husdem + (zelfde ?) 1494 Gerhardus Renis + 1495 Symon + Hermanus +

1496 Johannes Bregenbe +

1519 Everhardus Zvollis + Johannes + 1523 Johannes Knoist (Honscheid) blijft in Ter Apel.

1524 Michael Covordi naar Honscheid. Johannes Samst (Honscheid) naar Ter Apel. Michael + Johannes Lorn (D) +

Johannes Hanekesbecke (D) +

1497 Johannes Woesem (D) +

1526 Johannes Deest (Proc) +

1501 Bernhardus de Otmarsen (Sneek)

1527 Michael Covordie terug naar Ter Apel.

naar Ter Apel.

1528 Jacobus Gelrie (Sneek) naar Ter Apel.

Henricus ("sartor") +

1529 Henricus de Monte (S) +

Johannes +

1530 Anthonius (S) +

1502johannesMollen(of Mellen) + 1504 Henricus ("sutor") +

1506 Gerardus de Duren + Bernardus de Langen +

Gherardus Taber +

Gerhardus de Duren + (zelfde ?) 1507 Johannes Enckhusen + Egbertus de Daventria +

1508 Johannes Huddinck + Johannes Lenfrinck +

Johannes ("sartor") +

Gerhardus Bocoldie +

1531 Bernardus + 1532 Johannes Wischel (of Wissel) (Sen) + Lambertus Heckman (of Hetman) (D) + Johannes Montis (D) + Kopps de Lagerke (of Lingerynk) (D) +

1533 Lubbertus Trajectensis naar Hoorn als subprior

1510 Johannes Moravi +

Everhardus (S) +

1511JohannesdeElberge (Proc) +

Wesselus Montis +

HET KLOOSTER TER APEL

1535 Theodericus Hardenberch (P) + 1537 Florencius Novimagii naar Goes. 1538 Johannes Wick (Sen) + Lubbertus (''portarius ") + 1539 Florencius naar Nieuwwerf als prior. 1541 Johannes Aquis +

Ludolphus (D ?) + 1541 Johannes Wenen (Sen) + 1542 Johannes + Hermannus +

1544 Michael Cofordie (S) + Johannes Oldenzel (Sen) + Arnoldus (D) +

1546 Sanderus ("coquus") + 1551 Hermanus (Sen) +

1560 Jacobus Hoesden (S) +

1561 Anthonius Huyensis naar Ter Apel. Bernardus (Sen) +

Arnoldus ("sartor") (D) + Bernardus Guys (D) +

1563 Henricus Nigre paludis naar Ter Apel. Egbertus (D) + 1565 Gerhardus Hasselt (P) +

Gwilhelmus de Novo castro + Gerhardus de Werden (D) +

1570 Ludowicum Coloniensem naar Ter Apel als subprior. Petrus Creveldie naar Ter Apel.

Goswinus (S) +

Gerardus ("cellarius") (Sen) +

Hermannus (D) +

1572Walterus(D) +

Lambertus (D) +

1576 Hermannus Hardenberch +

1552 Cornells Namurcensis naar Ter Apel. Bernardus Northorn naar Scharmer als ' 'magister juvenum''.

1553 Gwilhelmus Bummel naar Marienfrede. Wernerus (D) +

1554 Meynardus ("jubilarius presbyteri") + Henricus de Mersem (of Virsen) (D) + 1557 Johannes (D) + Hermannus (D) + Bernardus (D) +

1559 Nicolaus Hornensis naar Ter Apel. Johannes de Bueren (D) +

71

1578Walterus(D) + 1583 Gerardus Hardenberch (Proc) + Hermannus Buren (D) +

Johannes Valten (D) + Gerardus Lengerick (D) + Johannes Coesveldie (D) +

1591 Wilhelmus Groningensis (D) + Henricus Elborg (D) + Johannes Funck (D) + Johannes Meer (D) +

HET KLOOSTER TER APEL

72

BIJLAGEII: GRONDBEZIT

De gebruikte afkortingen: k= koop, s= schenking, e= erfenis, v= verkoop, 1= landwissel,

waarbij het klooster land krijgt, II = landwissel, waarbij het klooster land geeft.

WESTERWOLDE

oorkonde

jaar

TA I 32 R 15

1466

k

s

+

e

v

I II

ligging

Onstwedde

omvang

Wiltingerf

tegenpartij

tegenprestatie

Jacob Wilting (Onstwedde)

TA I 1 R 61

TA I 35 R 109

bij het klooster

1484

1498

buren Laude

overeenkomst grondscheiding

tangen)

1477

Bellingwolde

-f

?

(Laude, Hane-

8 ha.

Edzart Bolens

48 R.gl.

en zijn vrouw

Aeleke

(Bellingwolde) TAI 1 R 111

Bellingwolde

1499 -.

4,8 ha.

Ebele Sippens

35 R.gl.

en zijn vrouw

Naneke

(Midwolda) TA I 36 R 138

1508

4,8 ha.

i

Ubbo, Wabbeke 85 Ph. gl. en en Heerke Tam- lx per jaar

mens ('in de

gebed

Beerde') TA I 1 R 147

1510

Bellingwolde

h

0,8 ha.

TgabbeHabbens

?

en zijn vrouw Rycme

(Bellingwolde)

TA I 1 R 148

TA I 48 R 155

1510

h



1512

+

Bellingwolde

2 ha.

kerkvoogden

Blijham

2 ha.

Bellingwolde

Vlagtwedde

hof (e.a.

Heye Wen-

levensonder-

bezittingen

synghe/Scho-

houd

?

maker en zijn vrouw Geseke TA I 36 R 158

1512

-t-

'Inden Ham'

'tuyer peerde

Wabbeke

recht van

offt ruenen

Tammens

terugkoop voor

grosynghe ee- ('inde Beerde') der weeyde' TA I 1 R 164

1513

Blijham

7 ha.

Walderck Wabbekens en zijn vrouw Eyse (Winschoten)

40 hrn. gl.

HET KLOOSTER TER APEL

oorkonde

jaar

k s

TA I 36 R 165

1514

+

v I

ligging

II

'in den Ham'

omvang

8 ha.

73

tegenpartij

Beneke Johans

tegenprestatie

;>

en zijn vrouw

Ocke [Winschoten)

TA I 37 R 182

1517

Winschoten

+

buis/hof/

Eteynsike

evensonder-

beerd: 'boven

Ffrederyk

loud

4 akker, bene- (Winschoten)

den 6 akker

2,6 ha. Blijham

TA I 37 R 186

1520

Winschoten

+

2 ha.

'brede landes'

Hemmo Dokens recht van

0,8 ha.

(Winschoten)

terugkoop:

20Ph.gl. + 1 Ph.gl. rente; huurrecht:

1 Ph.gl. per jaar. TA I 1 R 192

TA I 36 R 201

1526

Winschoten

+

Houwonge ham

1535

0,8 ha. en

Roleff Huinghe

'brede' land

(drost oldambt)

8 ha.

Haicko Tiabbens

toegewezen na

(Bellingwolde)

rechterl.

(?)

TA I 35 R 202

1536

Bellingwolde

+

uitspr.

4,8 ha.

+

TA I 35 R 214

1540

+

Engelo Koelers

en zijn vrouw

(?)

Elteko

?

8 ha.

Bellingwolde/

4,8 ha.

Johan Kops

30 Ph.gl.

voogden van de

?

Blijham +

TA I 1 R 230

1545

+

Roswinkel

0,4 ha.

Bellingwolde

3,5 ha.

kinderen van wijlen Johan Symens

(Vlagtwedde)

TA I 1 R 231

1546

+

Bellingwolde

2,4 ha.

erfgenamen

p

Memme Vierdes

TA I 35 R 232

1546

+

Bellingwolde

TA I 34 R 237

1548

+

Blijham

8 ha.

Albert Gerdes

'gaerren

Luwert Sebens

landes'

?

1000 goudgl. terugkoop

idem, huurrecht:

5 goud gl.

74

HET KLOOSTER TER APEL

oorkonde

jaar

TA I 34 R 239

1549 +

k s e v I II

ligging

Blijham

omvang

4 ha.

tegenpartij

tegenprestatie

Eppo Sipkens

100 R.gl.

(Blijham)

terugkoop

idem

TA I 35 R 243

1550

Bellingwolde

+

?

Weduwe

50 R.gl.

Mubben Edzarts terugkoopen kinderen recht TA I 38 R 246

TA I 34 R 250

TAI 38 R 251

1551

1553

1558

Winschoten

7 ha.

+

Den Ham

12,8 ha.

Blijham

4 ha.

+

Winschoten

5,6 ha.

Winschoten

1,6 ha.

+

+

+

Tyddo Popynck

Eppo Sibekens

kerkvoogden Winschoten

TA I 1 R 252

1558

Winschoten

+

'een Pekell

Nomno Lupkens

deel offte

(Winschoten)

p

schaer wrydt landes' TA I 38 R 253

1560

+

Winschoten

'eende landes' Nomno Lupkens

(Winschoten) TA I 1 R 260

1564

+

Bellingwolde

6,5 ha.

Johan Elgers-

Blijham

1 kamp land

vrouw

hoerne en zijn +

Swaentken

TA I 33 R 262

1566

+

+

TA I 35 R 270

1575

+

'Heersmee*

stuk hooiland

Gerdt in

(Onstwedde?)

van 2 'mollen

den Kampe

breet'

(Onstwedde)

Botsynck

stuk woest

kampe (?)

veld

Bellingwolde

1 stuk land

Harmen Gerts

en zijn vrouw Wendele; Gerolt Harmens soene en zijn

vrouw Jicke +

Bellingwolde

2 ha.

(Vriescheloo)

■>

HET KLOOSTER TER APEL

oorkonde

ligging

jaar

omvang

75

tegenpartij

tegenprestatie

OMMELANDEN

TA I 2 R 13

1465

Loppersum

Jacob Wilting

Garrelsweer AHS 131

1477

Noorddijk?

helf van:

Ghelmer

8,8 ha., 11

Hopper als

Arn.gl. + 20

roeden,1/10

executeur tes-

Arn.gl. voor

'rode', 'vie-

tamentair

de armen

jaarlijks 70

rendiel'

TA I 45 R 69

1488

Woltersum

46,2 ha.

Johan Renghers van ten Post en

zijn vrouw Neze van Lare ?

TA I 1 R 85

1493

Drewert

2600 vennen

Johan Renghers

6,6 ha.

van ten Post en

zijn vrouw Neze van Laer ?

TA I 44 R 106

1495

Drywart

jaarlijkse rente 300 land

Hinrick Vryen

? ('in memorie houden')

TAI 1 R 115

1499

Harkstede

ong. 32 ha.

Symon Iacobz

aflosbaar

(Woltersum)

binnen 5 jaar: 50 R.gl.

TA I 44 R 126

1503

Stedum

erf, waaronder Doede Rytsens 17,8 ha.

en zijn vrouw Aybeke

TA I 1 R 129

1504

Stedum

0,5 ha.

Johan ten Punte en zijn vrouw Meweke

TA I 1 R 130

1504

Stedum

4 ha.

Willem Wolters tho Lellens en zijn vrouw Etke

TA I 45 R 134

1506

Woltersum

900 land

Wittewierum

400 land

Haveck Lovens, zijn vrouw Teteke, zijn broer Wolter

TA I 1 R 140

1508

Stedum

2100 land

Jacob Hylle-

brandes TA I 1 R 141

1509

Aynghehoerne

(bij Slochter Ee)

16 ha.

Detmar

Renghers van ten Post

HET KLOOSTER TER APEL

76

oorkonde

jaar

TA I 1 R 153

1511

k s

I II

ligging Stedum

omvang

0,7 ha.

tegenpartij

tegenprestatie

Snelle Dodens, Hynryck Evers en zijn vrouw

Hylle

TA I 1 R 159

1512

TA I 43 R 167

1515

Stedum

400 land

Dodo Eytsens

Aynghehoerne

8 ha.

Detmar

(bij Slochter Ee)

Renghers van ten Post

TA I 44 R 168

1515

Stedum

500 land

Albert Johansoen en zijn vrouw Aybe (Leermens)

TA I 1 R 170

1515

Ten Post

6 ha.

Klooster Essen

TA I 1 R 172

1516

Garnwerd

44,8 ha.

Reyner Fripema

225 R.gl. (?)

(Hummers) TA I 1 R 173

1516

Den Ham

2 ' breden

Johan Prenger

zaligheid

landes'

en zijn vrouw

hunner zielen

Wybbo

en die van

(Bellingwolde)

hun ouders en kinderen

TA I 44 R 180

1517

Stedum

200 land

Peter Folkers (Stedum)

TA I 1 R 181

1517

Zuidwolde

6,8 ha.

gebr. Jarges (Groningen?)

TA I 1 R 183

1518

Noordwolde

8 ha. + huis

gebr. Ewens

met toebehoren

TA I 44 R 184

1519

Stedum

200 land

Claes Abberts en zijn vrouw Vrouke (Stedum)

TA I 46 R 199

TA I 42 R 221

1531

1542

Zuidwolde

Garrelsweer

6,1 ha.

0,21 ha.

Wolter

toegewezen na

Schoenenborch

rechterl. uitspr

Johan tho Lei-

lens en zijn vrouw Elliteyn

TA I 41 R 245

1551

Loppersum

'Pennynkvene'

Eelewerd

0,4 ha.

pastoor en kerk-

voogden then Damme

HET KLOOSTER TER APEL

oorkonde

jaar

TA I 41 R 247

1552

TA I 1 R 254

1560

ligging

omvang

77

tegenpartij

Garnwerd

ong. 6 ha.

Garnwerd

ong. 6 ha.

Eelwerd

0,4 ha.

kerkvoogden

Opwierde

0,4 ha.

ten Dam

bij de A-poort

1,8 ha.

Johan Thedema

tegenprestatie

Gheert Jansen

GRONINGEN

TA I 1 R 163

1513

en zijn vrouw Reneka

DRENTHE

TA I 25 R 22

1471

mark Weerdinge deel van de mark

buren

Weerdinge

(overeenkomst) l.Arn.gl.

per jaar

TA I 1 R 25

1472

es Emmen

2 stukken

Roloff Hubbe-

linck TA I 1 R 42

1478

Odoorn

Wordinghe-erf Johan en Hinrick Quantes/ Wenekinck

20 mud rogge

per jaar; aflosbaar:

400 Arn.gl.

TA I 1 R 63

1486

mark en es Barge 1,5 ha.

Hinrick Eppingh jaarlijks 1 mud rogge

TA I 1 R 68

TA I 9 R 92

1488

1491

Zuid barge

Emmen

Wrensingerf

Willem Wren-

incl. waar

singh

Olde-en Nye

Johan Rengers

1 brasp.

Rosinghe-erf

per jaar + 0,5

incl.vol waar

schat rogge

(o.a. 14,6 ha.)

voor

kerk Emmen TA I 10 R 101

1494

Zuidbarge

Knechter-

Hinrick Eppingh 1 schat rogge

inghe-erf,

en Hinrick

incl. waar

Stuven

+ 2 kannen

scholt rogge voor vicarie

Gasselte TA I 1 R 116

TAI 13 R 119

1500

15..

tussen Barge en

1 stuk hooi-

Geert en Hinric

Schoonebeek

land

Stuven

1 stuk hooi-

Reyner Lepell

mark Emmen

land

HET KLOOSTER TER APEL

78

oorkonde

jaar

TA I 1 R 127

1504

v I II

ligging

Barge

omvang

tegenpartij

1 stuk hooi-

Roloff, Johan en

land

Hinric Westen-

tegenprestatie

brynck TA I 1 R 128

1504

Zuidbarge

0,5 ha.

Roloff en Johan Knechterycnk

TA I 20 R 135

1507

Emmen

Gibbekinge-

G... Batty...

erf, incl. waar TA I 1 R 136

1507

Coevorden

weduwe en

gebeden

dochter Neze ten Perboem

TA I 17 R 137

1508

Emmen

Grevynghe-

Peter Kopes

o.a. 1 pond

erf, incl.

was voor Kerk

'voller halver

Emmen.

waer'

TA I 22 R 139

1508

Roswinkel

Willem Claes-

gebeden

soen (Roswinkel TA I 16 R 146

1510

Emmen

0,1 ha.

Johan Meyerincl:k ? (Westenesch)

TA I 1 R 149

1510

Westenesch +

erf, incl. waar

Barge

Tye Brynkynck, Tye Suerynck (ELP) en

RoleffBettynck (Emmen)

TA I 1 R 150

1510

Emmen

0,2 ha.

Willem Soberynck (Westenesch)

TA I 12 R 156

TA I 1 R 160

1512

1513

Emmen

Emmen

1/4 vanUin-

Willem.o Nyen-

gheserf: 0,6

hues en zijn

ha., 2 stuk

vrouw Hylle

land

(Valthe)

0,3 ha.

Tymen Smeynck Johan Altynck en zijn vrouw

TA I 1 R 162

1513

mark Barge

1 stuk hooi

Gherd Stuve en

land

zijn vrouw Ghysele

TA I 1 R 166

1515

Emmen

deel van 2

Reyner Lubers

stukken hooi-

(Westenesch)

land

HET KLOOSTER TER APEL

oorkonde

jaar

k s e v I II

TA I 1 R 169

1515

+

ligging mark Barge

omvang

79

tegenpartij

Rabberynckeri Johan Rabber-

tegenprestatie

o.a. 3,5 mud

ynck (Zuid-

rogge per jaar,

barge)

aflosbaar: 70 Arn.gl.

TA I 28 R 176

1516

+

Barge

Olde Huysincl erf

RoloffOlde

p

Huysinge

(Zuidbarge) TA I 1 R 177

1516

+

Roswinkel

deel land

Johan Zanders

p

(Roswinkel) TA I 1 R 178

1516

+

Roswinkel

deel mark

Henrick Zanders

p

(Roswinkel)

TA I 26 R 188

1520

+

Zuid barge

Bleerdynckerf erf, incl. waar

Gheze en

oa. 3 mud

Lamme Bler-

rogge per jaar

dynck

voor pastoor

Emmen

TA I 1 R 190

1525

Roswinkel

+

1 stuk hooi-

Johan Wilmes

p

Johan Klumper

verpacht voor

land TA I 22 R 220

1542

Roswinkel

Ensynckerf

340 Emd.gl.

TA I 8 R 225

1544

+

Barge Erm

1 stuk hooi-

Johan Selbach

land

en zijn vrouw

1 stuk hooi-

Griete (Emmen)

?

land TA I 22 R 226

TA I 22 R 227

1544

1544

+

Roswinkel

+

Roswinkel?

'ordiken'

Swer Ellinck

land

(Roswinkel)

'ordiken'

Herman Bo-

land

lyken (Roswinkel)

TA I 1 R 228

1544

Emmen

ong. 0,8 ha.

fohan van Selsach en zijn vrouw Grete immen

+

TA I 14 R 235

1547

mark Barge

1/4 waar

mark Emmen

1/4 waar

es Emmen

4 stukken

juren Emmen

jouwland

en Westenesch

mark Emmen

1/4 waar wordt heel waar

+

TA I 6 R 238

1548

+

immen

es Barge

camp land

stuk lijnland

Wolter en Johan Syckynck

?

p

HET KLOOSTER TER APEL

80

oorkonde

jaar

TA I 15 R 257

1561

v I II

ligging

omvang

mark Emmen en 2 stukken Barge

hooiland

tegenpartij

tegenprestatie

Johan ten Oever en 21jn vrouw Anna

TA I 25 R 263

1566

mark Weerdinge

1/4 waar

fam. Battijnck (Weerdinge)

TA I 24 R 272

TA I 23 R 273

1585

1588

mark Valthe

1/2 waar

Seleyt Synger

'Synges holt'

1/2 waar

en zoon Roloff

mark Erm

1,3 ha.

Roloff en Johan Eppinge en gezinnen

TAI21 R274

1588

mark Erm

5 'veerndell' dagwerk (?)

Henrick io ten Camp en zijn vrouw Lamma

TA I 7 R 275

TAI21 R276

1588

1589

mark Barge

mark Erm

1,3 ha. hooi

Johan en Arent

land

Schutten

0,7 ha.

Kunst van Selbach en zijn vrouw Eerntien (Sleen)

DUITSLAND

A: OOSTFRIESLAND

TA I 1 R 66

1487

Larrelt

ong. 6,5 + ha. kerkvoogden

Larrelt

7 R,gl. 'myn vierdehalf

R.gl. TA I 1 R 80

TA I 1 R 81

1489

Hamhusum

1489

Hamhusum

ong. 3 ha.

Elborch Ockena

30 missen,

7 R.gl. ong. 5,5 ha.

Eggo ter Borch

70 R.gl. en

(Luttike

recht van

Borsum)

terugkoop binnen 5 jr.

tegen 70 R.gl.

TA I 1 R I

1491

Rysum

ong. 12 ha.

Hero Boukena (Loppersum)

TA I 1 R 107

1496

Pewsum

ong. 7,5 ha.

Hetert Dyckena

(Pilsum)

266 R.gl.

HET KLOOSTER TER APEL

oorkonde

jaar

TA I 1 R 124

1511

k s

I II

omvang

Rysum

ong. 1 ha.

81

tegenparaj

tegenprestatie

Mammo Ockena 7 Ph.gl.

(ong. 7ha.

had TA al)

TA I 1 R 131

ong. 6,5 ha.

1505

erfgenamen

toegewezen na

heer Frederik

rechterl. uitspr.

B: EEMSLAND

TA I 1 R 14

TA I 1 R 40

1466

1477

vlakbij TA

1489

verdrag m.b.t. het gebruik

buurschap

verpacht voor

Oldenschap

40 jaar

mark Oldenharen

TA I 1 R 77

buren Over- en

Nederlangen

Meppen

deel mark

6 stukken

Gherardus Wenneker

(vicaris Osnabr.)

TA I 1 R 95

TA I 1 R 154

1492

1512

Wylholt

Stennebelde

6 schepel

Kosse en

'sates'

Wendele tho

lige rente en

Wylholte en kinderen

pacht.

22 'scepels

voor achterstal-

Hermen Butch

saet', land van (Walchum) 5 'molen breet'

TA I 39 R 139

1516

Hede

1 stuk land

Ghezeke de Veersche en kinderen (Rede)

TA I 1 R 204

1537

Dorpen

stuk roggeland Johan Scharde

40 Emd.gl.

en zijn vrouw Gebbeke

TA I 39 R 209

1539

mark Over- en

deel mark

Nederlangen

buren Over- en Nederlangen

tesamen:

200 g.gl.

(TA I 51 R 218, 1542)

TA I 39 R 210

1539

mark Olden-

deel mark

haren

TA I 39 R 219

1542

Barnflair

buren Olden-

zie boven

haren

stuk land

buren Olden-

200 g.gl. vol-

haren

gensTAI 51 R 222, 1542

HET KLOOSTER TER APEL

82

oorkonde

jaar

ligging

k s e v

omvang

tegenpamj

tegenprestatie

OVERIGE

TA I 1 R 133

Hardenberg

1506

Heetbercherf

Henrick Kampherbeke en zijn vrouw Mylle

BIJLAGE 3 : RENTES

Gebmikte afkortingen: k= koop, s= schenking, e= erfenis, v= verkoop, m.r. = mud rogge, A= aflossing

oorkonde

jaar

TA I 1 R 21

1470

k s e v

rente

1 m.r.

tegenprestatie

huis/hof/gaard

A: 17 Arn.gl.

1473

2 m.r.

2 stukken land

Roloff Smyt (Emmen)

Emmen

TA I 1 R 29

tegenpartij

A: 36 Arn.gl.

Willem Weste-

brinck, vrouw Alyt,

Noord barge

zoon Gherdt (Noordbarge) TA I 1 R 30

1 stuk land

1473

A: 18 Arn.gl.

TA I 47 R 39

1476

1 g.gl-

Willem Weyking

(Weerdinge)

Weerdinge huis/bezit

30 missen per jr.

Nomno Folperti

Winschoten

voor hemzelf en

(Winschoten)

zijn ouders TAI47R41

1478

3 R.gl.

Hermannuserf

A: 50 R.gl.

Engel Hermannus

en toebehoren

then Loe en zijn

Loe

vrouw Mabbeke

(Westerwolde) TA I 1 R 42

1478

20 m.r.

Wordinghe-erf

A: 400 Arn.gl.

Johan en Hinrick

Quantes of Wene-

Odoorn

kinck (Odoorn)

TA I 1 R 43

TA I 1 R 44

1478

1479

6 R.gl.

3 m.r.

Edersinckerf en

A: 100 R.gl.

Hermannus her

toebehoren

Coerds en zijn

Jipsinghuizen

vrouw Lamme

2 akkers Barge

A: 52 Arn.gl.

Helpert Westebrinck

TA I 1 R 46

1480

3 R.gl.

Husingherf e.a.

A: 60 R.gl.

Gherdt Husingh en

zijn vrouw Ghese

bezittingen

Jipsinghuizen

TA I 1 R 51

1481

2 m.r.

Bolckenerf Roswinkel

A: 12 R.gl.

Albert Johan

Gherdszoon (Roswinkel)

HET KLOOSTER TER APEL

oorkonde

jaar

TA I 9 R 53

1482

83

tegenpartij

tegenprestatie

9 m.r.

Olde Rosinge-erf

Johannes, Hinrick

Emmen

en Hinrick Eppingh (Erm)

TA I 1 R 54

1482

1 akker Zuid-Barge A: 20 Arn.gl.

Gherd Wrensch, zijn vrouw Lamme,

zoon Willem (Zuidbarge)

TA I 1 R 55

1482

0,5 m.r.

Tammingengoed Exloo

gebed voor hem en Willem Dillingh zijn vrouw; rente

(Exloo)

gaat na zijn dood

TA I 1 R 58

1484

4 Arn.gl. huis der Poerten

A: 80 Arn.gl.

Johan ten Walle en

zijn vrouw Daye

en toebehoren

Rolde

TA I 9 R 59

1484

15 m.r.

Olde- en Nye Ro-

A: 300 Arn.gl.

Johan Renghers van

singhe-erf e.a.

ten Post en zijn

bezittingen Emmen

vrouw Neze van Laer

TA I 27 R 62

1486

4 m.r.

TA I 45 R 69

1488

48 R.gl.

Willem 80 grazen Wolter-

in mil voor land

Johan Rhengers van

sum, 22 deimten

ten Post en zijn

Ritzerdyck

vrouw Neze van Lare

TA I 1 R 73

TA I 1 R 74

TA I 1 R 85

1488

1488

10 m.r.

1 g.gl-

Meyeringherf en

A: (na 30 jaar)

gebroeders Meye-

toebehoren Neder-

ringh, hun moeder

Langen

en zuster

'eygen kampe'

1493

prijs: 20 R.gl.

Sanders Wobbeken

A: 20 R.gl.

(Meppen)

land bij Drewert

Johan Renghers van

ten Post en zijn vrouw Neze van Laer

TA I 9 R 91

TA I 9 R 92

1490

1491

3 schat

Roessinge-erf

rogge

Emmen

achterstallige rogge Johan Visscher

0,5 schat

Olde- en Nye

verbonden aan dit

rogge

Rosinghe-erf

erf

vicarie Emmen

Emmen

TA I 1 R 95

1492

1,5 m.r.

Wyholterf Lathen

Kosse en Wendele Wylholte (Lathen)

HET KLOOSTER TER APEL

84

oorkonde

jaar

TA I 10 R 101

1494

TA I 1 R 103

k

tegenprestatie

1 sche-

Knechteringhe-erf

verbonden aan dit

pel r.

Zuidbarge

erf

land Wittewierum

kwijtgescholden

1491

tegenparaj

vicarie Gasselte

Egbert en Johan

Rengers van den Poste en kinderen

TA I 1 R 105

1495

6 molt r.

goederen Meppen

Hinrick Blancke e.a.

TA I 1 R 108

1498

3 R.gl.

hofstede Emden

A: 50 R.gl.

Lambert van Iingen (Emden)

TAI 1 R 110

1499

2 R.gl.

11 akkers Belling-

A: 35 R.gl.

Edzardt Sbolens en

wolde, Sensenerf

zijn vrouw Aleke

Blijham met toe-

(Bellingwolde)

behoren

TAI9R 114

TAI 1 R 117

1499

1500

10 m.r.

12 m.r.

Nye Rosinghe-erf

A: 100 Davidsgl.

Emraen

en 5 ellen Leids

zijn vrouw Kathe-

laken

rine Knigghe

helft Heetbarcherf Hardenberg

Jacob ter Hoer en

kinderen 'offte Jonfferen' van Diffelen

1 m.r.

idem

klooster Sibkeloo

1 m.r.

andere helft Heet

klooster Sibkeloo

barcherf Har denberg TA I 1 R 118

TA I 1 R 123

1500

1503

1 Arn.gl. huis Oosterstraat

1 m.r.

verbonden aan dit

Groningen

huis

Wemeringherf

dagelijks gebed

Odoorn/Exloo

Willem Tamminge en zijn vrouw Lamme

TA I 1 R 152

1511

3 m.r.

Ensyngegoed

A: 2,5 m.r.

Hermen Huysinge

en zijn vrouw Gebbe (Groningen)

TAI48R 155

levensonderhoud

1512

Heye Wensynghe/

Schomaker en zijn vrouw Geseke TA I 1 R 161

1513

1 (?)m.r.

Nyenhuysinckerf

Roleff Nyenhuy-

Zuidbarge

sinck of Battynck (Zuidbarge)

TA I 1 R 169

1515

3,5 m.r.

Rabberynckerf

A: 70 Arn. gl.

Barge

TAI 1 R 171

1516

1 m.r.

erf Roswinkel

Johan Sickynck (Zuidbarge)

gebeden, bijschrij-

Grete Scroers

ving in gebeden-

(Roswinkel)

boek

HET KLOOSTER TER APEL

oorkonde

jaar

TA I 28 R 175

1516

TA I 28 R 176

TA I 26 R 188

TA I 26 R 189

1516

1520

1520

Ult

rente

8 m.r.

0,5 m.r.

3 m.r.

4,5 m.r.

tegenprestatie

85

tegenpartij

Huysinghe-erf

afgelost voor 200

Lambert Huyslinck

Zuid barge

Am. gl.

Emmen

vicarie Gasselte

Huysinghe-erf

verbonden aan dit

Zuidbarge

erf

Bleerdynckerf

verbonden aan dit

Zuidbarge

erf

Bleerdycnkerf

pastoor Emmen

klooster Assen

Zuidbarge TA I 1 R 200

1533

5 Emd.

?

gl-

A: (na minimaal

Wylke Memmens

10 jaar) 80 Emd.gl. then Hoerne en zijn vrouw Anne

TA I 47 R 240

1550

3 R.gl.

erf?

A: 50 R.gl.

Hero Ouwensoen

TA I 47 R 244

1551

40 R.gl.

erf Blijham e.a.

A: 800 R.gl. in

Ocko Lippens en

bezittingen

3 termijnen

zijn vrouw Anna

TA I 47 R 249

1553

3 R.gl.

erf en land Belling- A: 50 R.gl.

Alerdt Ffebens en

wolde e.a. bezit

zijn vrouw Ocke

tingen

TA I 47 R 241

1557

3 R.gl.

alle bezittingen

A: 50 R.gl.

Ulperdt Luppens en zijn vrouw

Tyade

TAI51 + R

1587

6daler

alle bezittingen

272+ + +

A: 100 daler

Roleff Kremer en

(1614 afgelost)

zijn vrouw Stine (Emmen)

TAI 51 + R

1588

30 daler

land Bellingwolde

A: 500 daler

Roleff Gertt Eltkens en zijn

e.a. bezittingen

272+ + +

vrouw Johanna (Blijham)

TAI 51+ R

TAI51+R

1588

1588

7 daler

14 Emd.

alle goederen, m.n. A: 63 Ricksdaller

Gerth Gosevorth

Clumpkerserf

en zijn vrouw Elske

Roswinkel

(Haren, Did.)

alle goederen

prijs: 200 Emd.gl.

A: 200 Emd.gl.

272+ + + + -

(1610 afgelost)

TAI 51+ R-

TAI 51+ R 277 +

1590

1593

7 daler

42 daler

alle goederen, m.n. A: 80 Holl.daler

Gertt Gosevorth en

Klumpkerserf

zijn vrouw Elske

Roswinkel

(Haren, Did.)

alle goederen, m.n. A: 600 daler

Johan Kremer en

erf Winschoten en

zijn vrouw Gertyen

land Risum (O.Fr.l.)

(1614 afgelost)

(Reden, Did.)

86

HET KLOOSTER TER APEL

CORPUSLAND

(uit: Siemens, Atlas, kaart 18, fragment)

HET KLOOSTER TER APEL

87

GRONDBEZIT TUSSEN AE EN MUSSEL AE

«-

e^SE

(uit: RAGR Farmsum, inv. 47, fragment. 17c eeuw?)

88

HET KLOOSTER TER APEL

GRENS WESTERWOLDE—EEMSLAND

1•

~f

hi

'«■**•'•■—'

i. >*/

-^

v?

\\

x\ ^•r

V-.

(uit: RAGr Farmsum, inv. 47, fragment: getekend in 1615 door landmeter J. Sems)

HET KLOOSTER TER APEL

89

ZUSAMMENFASSUNG

Im Sudosten der Provinz Groningen/Niederlande steht das Kreuzherrenkloster Ter Apel unweit der deutschen Grenze. Was wir jetzt noch davon bewundern konnen, ist nicht der vollstandige urspriingliche Bau. Der westliche Kreuzgang und" ein Teil des Obergeschosses, wo die

Kreuzherren ihre Zellen hatten, sind abgerissen.

Frau Nicole Vermeulen behandelt die Geschichte des Klosters von der Griindung 1465 bis zum Jahr 1595. Im letztgenannten Jahr nahm die Tatigkeit der Kreuzherren in Ter Apel ein

Ende.

In ihrem Aufsatz bleibt das Gebaude selbst aufler Betracht. Den Schwerpunkt bilden die Bewohner des Klosters, die etwa 130 Jahre dort gelebt haben. Wer waren sie, mit wem hatten sie in ihrem Alltag zu tun, wie verdienten sie ihren Lebensunterhalt, welche Giiter gehorten dem Kloster?

Die Antwort auf diese Fragen konnte teilweise aus gut dreihundert uns erhaltenen Urkunden und Briefen ermittelt werden, die vom Klosterarchiv noch ubrig sind. Eine weitere Quelle fur die Namen der Konventualen waren die Definities der Generate Kapittels 1410-1786, herausgegeben von Dr. A. van de Pasch, Briissel 1969.

Die Geschichte des Klosters nahm ihren Anfang im Jahr 1464, als Pastor Jakob Wiltingh von Garrelsweer dem Generalprior der Kreuzherren Peregrinus von Kampen sein Gut "Apel" schenkte. Das Generalkapitel beauftragte 1465 den Bentlager Prior, einige Mitbriider seines Konventes fur diese Neugriindung zur Verfugung zu stellen. Wahrend der 130 Jahre seines Bestehens als Kloster hat es in Ter Apel nur sieben Prioren gegeben. Das Erfreuliche daran ist, dafi diese Prioren ihr Amt lange Zeit versehen haben, was fur die Bestandigkeit und die Kontinuitat im Kloster unbedingt vorteilhaft gewesen ist. Als einmal die Klostergemeinschaft grofi

genug war - die Zahl der Mitbriider schwankte um die zwanzig - hatte das Kloster auch im

Rahmen des Ordens seine Bedeutung. So wurden mehrmals Konventualen von Ter Apel zu hoheren Amtern anderswo im Orden berufen; auch wurden die Prioren von Ter Apel des 6fteren zum Visitator emannt. Diese setzte eine gute Regelobservanz voraus und hatte offensicht-

lich auch seine Ausstrahlungskraft auf Jiingere. Um 1560 begannen fur Ter Apel schwierige Zeiten. Mehr und mehr wurde das Kloster zu einem Auffanglager fur Fluchtlinge und Obdachlose. Wahrend andere Kloster in den "Om-

.nelanden" samt ihren Besitztumern 1595 konfisziert wurden, beliefi man Prior Emmen als Verwalter der Klostergiiter in Ter Apel. Er war zusammen mit den letzten Mitbriidern zur Reformierten Kirche iibergetreten, stellte 1601 den Antrag, heiraten zu durfen und hatte dann nach 1604 das Amt eines reformierten Pastors in Ter Apel inne. Er starb 1614 und wurde in der K losterkirche begraben. Heute noch befindet sich dort sein Grabstein. Prau Vermeulen untersucht dann nacheinander des Verhaltnis der Kreuzherren zur weltliclttn und geistlichen Obrigkeit und die Einnahmen und Ausgaben des Klosters samt dessen

B isitztiimern.

Ger. Q. REIJNERS o.s.c.

SUMMARY

In the south of the dutch province Groningen, nearby the border with Western Germany, is the former crosier convent Ter Apel. As we may admire it nowadays it is only part of the ori ginal buildings. One wins is missing and also the stock where the crosiers had their cells dis

appeared.

This article bring;s us the story of the convent from the foundation in 1465 till the year 1595. In this year officially the crosier foundation comes to an end. The splendid building as that is taken out of consideration here.

The article tells about the inhabitants, the crosiers themselves, who lived there fast one and a half century. Who were they? What were their relations? What were they doing to earn their

living? What were their possessions? What were they doing there?

90

HET KLOOSTER TER APEL

The answer to all these questions is to be found in more than 300 acts and letters, brought to gether in the KLOOSTERARCHIEF TER APEL. Next to that there is a rich source as to the na mes of the crosiers in the DEFINITIES DER GENERALE KAPITTELS VAN 1410 TOT 1786 (by Dr. A. Van de Pasch. Brussel, 1969).

The story starts with the year 1464 when father Jacob Wiltingh of Garrelsweer presented his

'Guet Apell' to the master general of the Order, Peregrinus van Kampen. The general chapter of 1465 summoned the prior of Bentlage to send some confreres to this new foundation. During the 130 years of the existence there were seven priors. It is typical most of them were in this function for a long period. It must have been a good thing for the stability of the con vent. Once things are arranged after the beginning period, the Ter Apel community has a good press in the whole Order. The average number of crosiers is about twenty. More than once members of this community are elected to higher functions. This is without doubt a testimony of a good spirit there. The priors of Ter Apel are regularly the visitators and as to new mem bers there is sufficient power of attraction. About 1560 difficulties arise. More and more the

convent is occupied by troups and refugees and other victims of the perpetual wars. Whereas other convents in the so-called Ommelanden with all their possessions are confiscated in 1595, prior Emmen is maintained as administrator. Together with the last crossiers he passed to the new religion. In 1601 he demanded license to marry. In 1604 we find him as a protestant pastor, in combination with the function of manager of the hospital Ter Apel. He died on July 2 1614 en was buried in the churh of the convent. There his tombstone is still left. Successively the author examines the relations of the crosiers as to the civil and spiritual autho rities, the receipts and expenditure of the convent and finally their possessions. D. SNIJDERS o.s.c.

RESUME

Dans le Sud de la Province de Groningue, pas loin de la frontiere allemande, on peut voir en core l'ancien couvent des Croisiers a Ter Apel. Le couvent tel qu'il est la maintenant n'est qu'une partie de l'ensemble imposant d'autrefois. II manque e.a. une aile du cloitre et un etage superieur ou se trouvaient autrefois les cel lules des religieux.

Le texte nous expose l'histoire du couvent des sa fondation en 1465 jusqu'a 1595, l'annee ou le couvent perdit officiellement sa fonction pour les Croisiers.

Les batiments n'entrent pas en consideration dans cet article. L'auteur s'est arrete surtout aux habitants, les Croisiers eux-memes, qui ont vecu a Ter Apel pendant quelque 130 annees. Qui etaient-ils? Que faisaient-ils pour subsister? Quelles etaient leurs relations? Quelles etaient les proprietes de la communaute? Les reponses a ces questions, l'auteur a essaye de les trouver dans les quelque 300 actes, lettres et documents qui forment les "Archives du Couvent Ter Apel". Une source tres riche pour les noms des religieux se trouve dans les "Definities der Generale Kapittels van 1410 tot 1786" par Dr. A. van de Pasch, Bruxelles, 1969-

L'histoire du couvent debute au fond en 1464 quand le Cure J. Wiltingh de Garrelsweer fait

don de sa propriete "Guet Apell" au General des Croisiers Peregrinus van Kampen. Le cha-

pitre general de 1465 sollicite le Prieur de Bentlage de choisir quelques confreres pour la nouvelle fondation.

Pendant les 130 annees de son existence Ter Apel a connu sept Prieurs. La plupart de ces Prieurs sont restes en fonction pendant de longues annees, ce qui favorisait une certaine stabilite dans la vie religieuse. La communaute de Ter Apel a eu une bonne reputation dans l'en semble des couvents et souvent des confreres de Ter Apel furent elus pour des fonctions superieures temporaires dans d'autres couvents. Les Prieurs de Ter Apel furent regulierement appeles a la fonction de Visiteur canonique. En ce qui concerne les entrees de novices on voit que la force attractive de Ter Apel est remarquable.

HET KLOOSTER TER APEL

91

Vers 1560-1570 commencent les annees difficiles pour Ter Apel. De plus en plus le couvent

souffre de l'affluence de refugies et de sans-logis. L'influence de la Reforme se fait sentir dans la discipline religieuse.

En 1595 les couvents de tous les environs voient leurs possessions confisquees. Seul le prieur Emmen peut fester en fonction comme administrateur des biens de Ter Apel. Tout s'explique quand on voit que bientot il va adopter la nouvelle religion avec les deux ou trois derniers con

freres. En 1601 il demande l'autorisation de pouvoir se marier. Apres 1604 il devient Pasteur de l'Eglise Reformee et il peut rester Administrateur de la Maison Hospice de Ter Apel. II meurt le 2 juillet 1614 et est enterre dans l'eglise du couvent ou Ton peut voir encore sa

pierre tombale.

L'auteur examine successivement les relations des Croisiers avec les autorites civiles et religieuses, les revenus et les depenses du couvent et finalement leurs possessions. C. BRASSEUR o.s.c

LE PRIEURE DE L'HOPITAL DE ST.-GEORGES DE TREDIAS

The monastery of St.-Georges in Brittany is one of the lesser known Crosier houses. Though at least some, and perhaps all, of the

monastery buildings remain, there are few documents extant. The monastery has not attracted the attention of historians1. Despite this, its history holds several important clues to the early life of the Canons Regular of the Order of the Holy Cross. Until now there has been confusion about both the location of the priory and the date of its foundation. Cottineau said that it was in the diocese and arrondissement of St. Malo in the commune of St.Pere in the Departement of Ille-et-Vilaine2. Van de Pasch also put it in Ille-et-Vilaine and gave the date of foundation as 1366 \ Al

bert Durand gave the date 1346 and identified the location as SaintGeorges de Saint-Pere in the Departement of C6tes-du-Nord, arron

dissement of Dinan and Diocese of St.-Malo4. Lecestre indicated the Departement of Ille-et-Vilaine, the arrondissement of St.-Malo,

commune of Saint-Pere5. Some eighteenth century documents give the diocese as Rennes6.

I began my search in the commune of Saint-Pere and found no physical evidence or documents which could reveal any information about a monastery of any sort over having existed in the area. 1 Abbe A. Durand, the historian of the Crosier houses of Caen and St. Ursin planned to

write a history of St. Georges but evidently did not do so.

2 L.H. Cottineau, Repertoire topo-bibliograpbique des abbayes et prieures (Macon, 1935),

,JLA* V!^e Pasch' ed" Deftnities der generate kapittels van de Orde van het H. Kruis,

1410-1786 (Brussels, 1969), p. 94.

4 A. Durand, "Le prieure de Saint Ursin," C/air/ieu, XXII (1964), 7. 5 L. Lecestre, Abbayes, prieures et convents d'hommes en France en 1768 (Paris, 1902), 6 Archives Nationales (Paris) (hereafter AN), 1 AP 62, p. 166.

94

LE PRIEURE DE L'HOPITAL DE ST.-GEORGES DE TREDIAS

Local savants agreed. I then went to the Archives Departementales des Cotes-du-Nord'in St.-Brieuc.

At that time, 1986, the archives were still in their cramped old lo cation and the G and H series of documents (clergy and regular clergy) were essentially uncatalogued. I tried all the standard geograp

hical guides, local histories and listings of religious houses. I found notice of a religious house of St. Georges in Pleubihan and Canons of the Holy Cross at Lamballe7. With this information I tried fishing in the H series. There was one

thick bundle of documents for a religious house with the name St.Georges, but it turned out to be the royal abbey of St.-Georges at Rennes with a priory of St.-Georges at Pleubihan. Both of the esta blishments, however, were convents for women. Then I looked at the thin folder that the archivist later told me she had put into the document box when bringing me the material on

the abbey, "because it had the same name." I had found the records of the Crosier priory of St.-Georges - all five documents! The priory of the Hospital of St.-Georges of Tredias is in the Departement of C6tes-du-Nord, the arrondissement of Dinan, the can ton of Broons and the commune of Tredias. It is now in the diocese of St.-Brieuc, but before the French Revolution it was in the now

suppressed diocese of St.-Malo. The monastery is located just west of the village of Tredias, approximately 5 km northeast of Broons, 20 km southwest of Dinan and 22 km southeast of Lamballe. After having identified the nature of the documents, I had a pho tocopy made of the one that seemed most important. There was one

other that would have been useful, but it seemed too fragile and too faded.

I returned to reread the fragile document in the summer of 1988. The archives is now in a new, well appointed building. However, the old garde de salle who seemed to know where everything was in the uncatalogued archives had retired. She will be missed. There is now an inventaire for the H series with an entry for the Crosier priory of St.-Georges. The collection now has a call number (H 431) and the order of the documents has been rearranged, but the

7 C J. Pepin de Bourges, Circonscriptions administratives, judiciaires et religieuses de la Bretagne (Rennes, 1844).

LE PRIEURE DE L'HOPITAL DE ST.-GEORGES DE TREDIAS

95

material available in 1986 is still there. The inventaire, however, is wrong in giving the date 1594 for a document from 1504 recording a bequest to the priory. It is also in error in saying that there are some ten documents in the St-Georges collection. There are still only five

documents. It is fortunate that this is so. In looking for material for another project I was informed that the move has resulted in some missing documents. With the all knowing guardian of the documents in retirement the mistakes will be rectified only if a reader reports fin ding misfiled documents.

The former monastery of St.-Georges is located on the west bank of a stream, the Rosette, on the road leading into Tredias from the

west (D 39) just after road begins in a junction with the Tremeur Megrit road (D 19). The buildings are within sight of the village. The

location fits the description in the documents "au bout de la chau-

see de Tredias."8.

The property is now owned by a M. Buard. Some of the buildings are used as a gite rurale - a guest house (as are the former French Cro sier monasteries of St.-Ursin between Couptrain and Lignieres-laDoucelle (Mayenne) and Le Verger in Seiches (Maine-et-Loire). To the top of each of the two gate posts of the priory of St.Georges has been attached a primitive carved figure. These might be medieval representations of the founders. The monastery itself consisted of several buildings. Next to the stream is a one and a half story L shaped building. The short end is on the stream and may have been built at a different time. This might have been the chapel. The long end of the buildings runs west away from the stream. Lintels over a door and a window in this part of the building carry the dates 1582 and 1583 respectively. Further west is a two story building running parallel to the short leg of the L shaped building. This structure was evidently built in two stages, with the part nearest the road serving as a barn or storehouse. Between these two buildings is a one story farm building. Behind the two story building is a barn which has the date 1707 carved over one

of its windows. All of these buildings are constructed of field stone.

What now remains of the priory's records in the Archives Departementales des Cotes-du-Nord are a damaged mid fourteenth cen-

8 AN H 431, no. 3.

96

LE PRIEURE DE L'HOPITAL DE ST.-GEORGES DE TREDIAS

tury account of the foundation (no. 5), a copy of several fourteenth century documents, dated 1666, concerning the foundation (no. 4), a copy of these documents, dated 1772 with added material about eigtheenth century problems (no 3), and two sixteenth century do cuments (dated 1504 and 1566) concerning financial matters (nos. 1 and 2). In the Archives Nationales in Paris there is information in 1

AP 62, LL 1482, and G9 14, nos. 79 - 82. The most important of the latter three is the collection in 1 AP 62. They are part of the papers of Lomenie de Brienne, Archbishop of Toulouse, who was in charge of the investigation of religious orders in the 1760s. Among the do cuments are copies of some of those already jrientioned, along with an account of matters as of 1766, provided by Pierre Louis Wastremez, the last prior of St.-Georges. The most important information in these documents for the history of the Canons Regular of the Order of the Holy Cross are 1) the name given to the Crosiers, 2) references to their life style found in the accounts of the founding, and 3) indications of the early organi zation of the Order in France9. The house was established in mid August 1346 (Friday after the Feast of the Assumption) for four "frates Sanctae Crucis," brothers

of the Holy Cross, not canons regular. The house was founded by Chevalier Geffroy Levoyer and his wife Johanne Rouxel (Rousel), "in honor of the Blessed Virgin and her blessed son our Lord and Mon sieur Saint Jacques for the salvation of their souls" 10. The most carefully stipulated of the duties of the brothers of the Holy Cross set out in the foundation document was saying three mas ses each day for the two benefactors, one of which was to be a high mass. One mass was to be in honor of the Blessed Virgin, one was to be a Mass of the Holy Spirit and the other a Requiem Mass. The document states that if the brothers were away from the house they should carry out these duties wherever they were. What is important in this stipulation is the reason that the benefac tors thought the brothers might be away from their monastery - for business or "pour faire leur quete" - to go begging.

9 Archives Departementales des C6tes-du-Nord (hereafter AD CdN) H 431, nos. 3-5. 10 AD CdN H 431, no. 3. In A.N. 1 AP 62, p. 223 the two founders are mistakenly iden tified as Duke and Duchess of Brittany.

Gate post at the entrance to the priory. The L shaped building is to the right, the two story building to the left.

L shaped building on the west bank of the Rosette with the gate in the foreground.

Window lintel of L shaped building with date 1583.

The two story building, with the south end of the L shaped building in the foreground.

LE PRIEURE DE L'HOPITAL DE ST.-GEORGES DE TREDIAS

97

The Crosiers of St.-Georges in the mid fourteenth century, were called brothers, not canons and lived like mendicants. This confirms evidence found in the records of the Crosiers of Paris and England11.

In addition, the house that the Levoyers had built for the Crosiers, was to serve as a hospital, or more accurately a hospice, for the poor

of the area and those passing through. This raises another question. Is this an indication of the preservation of an earlier life style? Could the fact that the Crosiers took charge of a hospice be combined with the bits of evidence from England and the earliest days of the order to suggest a way of life that is hinted at in some of the legends of the Order of the Holy Cross - that of hospitalers or carers for travellers to the Holy Land?12.

The Crosiers who founded St.-Georges came from the monastery of St.-Ursin which in turn had been founded in 1302 by Crosiers from the house at Caen which began before 129013. The early bro thers of the Holy Cross in St. Ursin set the months of September and October aside for a begging tour and were referred to in 1302 as "les pauvres freres mendiants de l'Ordre de Saincte-Croix." 14. They also were given charge of a residence for lepers. There is no way of knowing for certain the way life of the early Crosiers of St.-Georges. The care of the poor was given only a quick treatment in the foundation documents and there is no indication that the poor were actually cared for in the monastery. The construc

tion could indicate that one building, that closest to the river, was the hospice while the two story building to the west was for the brothers of the Holy Cross. The only duty to the poor set out in the documents was to distri bute 13 mines (1 mine = 78 litres) of rye to the poor each year. The founders took the task seriously, however. Each new prior was re-

11 J.M. Hayden, "The Crosiers in England and France" Clairlieu, XXII (1964), 91-100.

J.M. Hayden, "From Inspiration to Mediocrity: The Early Modern Crosiers of Paris," Clairlieu,

XLV (1987), 31-32. J.M. Hayden, "The Crutched Friars," Clairlieu, XLVII (1989), 147-175. 12 H. van Rooijen, De oorsprong van de Orde der Kruisbroeders ofKruisheren (Lichtland - Diest, 1961).

13 Durand, "St. Ursin," pp. 22-24. A. Durand, "Le prieure Sainte-Croix de Caen," Clairlieu, XXV, 1967, pp. 1-10. 14 Durand, "St. Ursin," p. 26.

98

LE PRIEURE DE L'HOPITAL DE ST.-GEORGES DE TREDIAS

quired to swear "on the Body of Christ" that he would distribute with his own hands to the poor the rye that had been set aside for them13.

Not much is known about the life at the monastery until near the end of its days. The only source for most of the period is the records of the annual General Chapter which has eighteen entries for St.Georges in the fifteenth century, nineteen for the sixteenth century and one for the seventeenth16.

The first Crosier connected with St.-Georges mentioned in the Ge neral Chapter records was frere Pierre Renouel who was sent to the

monastery of Toulouse in 1451 and to that of Varennes in 1464. In 1466 he was ordered to remain in Varennes. Finally in 1470 he was

given permission to return to St.-Georges. The reason for his long exile is made clear in the last entry "and in case he falls back into his old ways he will go back to Varennes." The reform movement within the Order of the Holly Cross began at the monastery of Huy in 1410. In France it was led by the mo nastery of Caen. The reform may have come to St.-Georges as early as 1451. In that year a second brother, Etienne Metze, was also exi led, to the monastery of Waten in northern France. There were two instances in the fifteenth century (1460,1465) of conventuals of Caen being stationed at St.-Georges. The information in the chapter records points to the possibility that the houses of Caen, St.-Ursin, St.-Georges, Le Verger and Buzangais, along with the houses in what is now northern France, were closely tied to the reform movement in the Low Countries, while the hou ses of Paris and Toulouse tended to go their own ways. The fact that the latter two monasteries were the first in France and were founded well before the others raises important questions about the early history of the order. After the 152O's, however, the Paris house, with the support of the

Parlement of Paris, was successful in extending its control over all the houses then in France. That excluded houses such as Carignan, Lan-

noy and Waten, then in the Spanish Netherlands.

15 AD CdN H 431, nos. 3-5. In the eighteenth century the last prior still took this duty se riously even though a predecessor had lost the income connected with the duty. AN 1 AP 62, pp. 223-24.

16 See the Appendix for details of individual Crosiers mentioned in what follows.

LE PRIEURE DE L'HOPITAL DE ST.-GEORGES DE TREDIAS

99

Most references in the General Chapter records, except for death no tices, from the late fifteenth century through the sixteenth century concerned transfers - six into St.-Georges, three out. In one other case (in 1497) a conventual of Caen who had fled to St.-Georges was or dered home. The three transfers out of St.-Georges came in 1504, 1512 and 1529. The last was definitely a case of discipline. Curiously, the person involved, Brother Peter, was sent to the house of Goes in

Zeeland.

The few scraps of information available for the seventeenth century tell almost nothing about life at St.-Georges. In 1666 the descendants of the founders of the monastery were asking for proof of what they were required to provide. In 1698 the parishioners of Tremuer, in which parish the monastery was situated, were involved in a mone tary dispute with the prior of St.-Georges17. The eighteenth century was not a good time for the Crosiers of St.Georges. In 1702 they had to receive Pierre-Charles Got de la Roziere of the Caen house who had already served one term in a monastic prison in 1699. He was at St.-Georges until 1704 when he was again sentenced to prison. It is not known how long this term lasted, but he was at St.-Georges in 1721.

The prior in 1755, Jean Nicolas de Poney, created a messy situa tion that lasted for the rest of the history of the monastery18. On May 29, 1755 de Poney sold for five thousand livres the monastery's

feudal right to thirty mines of wheat each year. The sum received was used to buy an annuity (rente constituee) that paid 250 livres each year. The sale brought a protest from royal authorities because the king's domain was involved and the right was inalienable - the result of the donation of the founders to support prayers that were to be said for ever.

De Poney tried to pass of the deal as a simple transaction concer ned with property that the monastery had acquired on the market. When questioned, he claimed that he had no documents concerning the right that predated 1751. It was discovered in 1772 that several crucial documents were missing from the house's archives. Those in-

17 AD Cdn H 431, no. 4; AN 1 AP 62, p. 235. is Durand, "Caen," p. 119, mistakenly calls him De Poucy.

BAIE

BAIE DE SAINT'BRIEUC

DU MONT SAINT MICHEL

LE MONT ST MICHEL

Lamballe DINAN

Broons

St Meen

RENNES

Location of le prieure de l'Hopital de St.-Georges de Tredias.

LE PRIEURE DE L'HOPITAL DE ST.-GEORGES DE TREDIAS

101

volved in De Poney's transaction were accused of having stolen the documents in question19. The matter was never solved because in the meantime the Commis sion of Regulars, established by the royal government, had been in vestigating religious houses in France. Its head, Archbishop Brienne, had decided that it was not only the Crosiers of St.-Georges who were in need of reform. He described the whole order in France as a ca daver which could not be brought back to life20. This story has been told elsewhere21. The last prior of St.-Georges was Pierre Louis Wastremez. In 1766 he told his story to the Com mission, complete with a complaint about the loss of the feudal right to thirty mines of wheat. At this point there were evidently three re ligious connected with the monastery, though the prior may have been the only religious living there. The sources do not agree. The monastery had a meager income of about 1000 livres, barely enough for one person. One quarter of the income came from the de Poney annuity, one half from a tenant farmer who lived in the courtyard of the monastery - probably the buildings closest to the river. The an nual income provided formerly for the poor and the responsibility of

taking care of them was now in the hands of the Archbishop of Rennes22.

Wastremez does not seem to have put up a fight against the Com mission, unlike some of his confreres in other parts of France who fought over various property rights. The last record of a Crosier living at St.-Georges is found in a document dated December 177723. By signing that document, Wastremez, "the only living professed mem ber and resident in the house," accepted the suppression of the pri ory and its cession to the college of Dinan in return for a pension. Whatever the fate of Wastremez in the years after 1777 and wha tever uses the priory buildings were put to during the French Revo lution and in the following two hundred years, today the buildings are at least partially fulfilling their original purpose. Though they 19 AD CdN, no. 3, fols. 2R - 6V. 20 P. Chevallier, Lomenie de Brienne et I'ordre monastique (Paris, 1959-60), I, 93; II, 142.

21 Hayden, "From Inspiration to Mediocrity," Clairlieu XLV, (1987), 42-49, J-M. Hayden, 'The French crosiers in the seventeenth and eighteenth centuries', Clairlieu, XXVII (1969),

3-45. 22 AN 1 AP 62, pp. 223-24. Wastremez complained in 1772 that the 30 mines of wheat was worth much more than 250 livres a year. AD CdN 431, no. 4. 23 AN G9 14, no. 79.

102

LE PRIEURE DE L'HOPITAL DE ST.-GEORGES DE TREDIAS

are no langer a hospice for the poor, they serve as a guest house for tourists. Then there is the evidence in the documents about the mendicant

way of life of the fourteenth century Crosiers of western France and a hint of an earlier hospitaler tradition. These are topics that must be pursued further in the records of the other French Crosier mo nasteries.

J. Michael Hayden

Professor of History University of Saskatchewan

APPENDIX

1451

FrPetrus Renouel conventus sancti Georgii prope Trediar, episcopatus Macloviensis [St. Malo], stabit in conventu nostro Tholoso [Toulouse] usque ad revocationem capituli generalis. (cf. 1464, 66, 70).

1451

Fr Stephanus Metze conventus sancti Georgii stabit in conventu de Vatenis [Waten, Dep. du Nord] usque ad revocationem capituli nostri generalis.

1459

Hoc anno obierunt... unus alius in Britannia [Brittany] presbyter et duo participantes ut fratres.

1460

Fr Lucas Mareschot conventus Cadomensis [Caen] stabit in conventu sancti Georgii prope Trediar ad revocationem.

1464

Diffinimus et ordinamus, quod conventus Sti Ursini [St. Ursin], Sti Geor gii prope Trediar, Warenes [Varennes Dep. d'Allier] et Busancium [Buzan-

c,ais, Dep. d'lndre] singulis annis ad capitulum generale veniant vel prior Cadomensi in subsidium expensarum contribuant quantum ipse causas et sta-

tum eorum capitulo generale exponat, sub poena privationis suffragiorum

fratribus defiinctis et statutis debitorum et amissionis ordinis privilegiorum; quern priorem Cadomensem eorum visitatorem constituimus juxta commissionem nostram dudum sibi per nos traditam. 1464

Fr Petrus presbyter conventus Sti Georgii prope Trediar stabit in conventu

Varenensi ad dictamen prioris Cadomensis. (cf. 1451, 66, 70).

LE PRIEURE DE L'HOPITAL DE ST.-GEORGES DE TREDIAS

1465

103

Fr. Johannes Ponvel conventus Cadomensis presbyter stabit in Britania usque ad revocationem capituli generalis.

1466

Fr. Petrus Renouel stabit in conventu de Varennis. (cf. 1451, 1464, 1470)

1466

Tornacium [Tournai] autem et per Franciam [France], Normanniam [Nor mandy] et Britanniam visitabit frater Henricus de Wesalia [1473 - Henricum Leodiensem]

1468

Hoc anno obierunt... Wilhelmus de Britania...

1470

Fr Petrus Renouin, qui pro nunc est in Varennis, habeat licenciam revertendi ad conventum suum prope Tredyar St Georgii et in casu quo recidivaret re-

dibit ad Varennes. (cf. 1451, 64, 66). 1481

Hoc anno obierunt... fr. Wilhelmus presbyter conventus S. Georgii in Bri tania.

1490

FrJohannes Herdis conventus Sti Ursini stabit in nostro conventu S. Gregorii in Britania usque ad revocationem capituli generalis.

1491

Visitabunt prior Cadomensis cum socio sibi congruo per Franciam, una cum Tornaco et Alneto [Lannoy, Dep. du Nord], qui et levabit contributiones anni preteriti taxatas sub poena privationis prioratuum omnium ibi constitutorum tarn in Francia quam in Brittania.

1492

Fr Franciscus Tornacensis stabit in Britania in Sancto Georgio per annum.

1496

Fr Walandrus Farnaci Alnetenis stabit in sancti Georgio usque as revocacionem reverendi patris generalis.

1497

FrJacobus Cadomensis qui aufugit ad conventum sancti Georgii redibit ad conventum Cadomensum sub pena gravioris culpe; prior Cadomensis providebit conventuit sancti Georgii de alio fratre.

1499

FrJohannes Benescalli manebit in conventu sancti Georgii.

1501

FrJohannes Scenescalli conventus nostri Calniacensis [Chauny, Dep. d'Aisne] stabit in conventu nostro sancti Georgii ut supprior. (Fr Jacobus Senescalli Calniacensis died 1507.)

1502

FrJohannes Hantuo stabit in conventu sancti Georgii.

1502

Hoc anno obierunt... fr Oliverius conventus sancti Georgii...

1504

fr Bartholomeus conventus sancti Georgii stabit in conventu nostro Cadomensi usque ad revocationem reverendi patris nostri generalis...

1507

Obierunt hoc anno ... fr Oliverius Sancti Georgii ...

104

1512

LE PRIEURE DE L'HOPITAL DE ST.-GEORGES DE TREDIAS

Bertrandum Tome conventus sancti Georgii conventui Tornacensi incorporamus.

1522

Obierunt hoc anno... frJohannes Goegun prior sancti Georgii in Britannia...

1527

Obierunt hoc anno... fr Bartholemeus conversus Sti Georgii...

1529

Fr Petrus conventus sancti Georgii stabit in conventu Goessensi [Goes in Zeeland] ad discendam disciplinam...

1532

Obierunt hoc anno frJohannes novicius sancti Georgii...

1533

Obierunt hoc anno... ^rJohannes Oyrdin [Oudyn] quondam prior sancti Ge orgii...

1536

Obierunt hoc anno... fr Adam de Tornaco bacalarius sacre theologie et quon dam prior conventus sancti Georgii in Brittannia...

1545

Obierunt hoc anno... venerabilis pater fr Nicolaus Galeson prior sancti Ge orgii...

1560

Obierunt hoc anno... venerabilis pater fr Petrus Multor [Mulco, Moni] prior S. Georgii...

1560

Obierunt hoc anno... fr Franciscus Herpensis [Linpen] presbyter Viridarii [Le Verger, Dep. de Maine-et-Loire] quondam prior sancti Georgii...

1569

Obierunt in novissimo capitulo nostro generali... fr Stephanus Moretz [Mereff] presbyter S. Georgii in Britannia...

1575

Obierunt a novissimo capitulo nostro generali celebrate.. fr Wilhelmus Guerius presbyter S. Georgii...

1583 1591

FrJohannes Masson donatus Viridarii stabit in conventu S. Georgii. Obierunt ab ultima nostro capitulo generali... pater Petrus B... churt sacerdos conventus sancti Georgii in Brittannia et quondam prior...

1652

Nomina defunctorum:... R.P. Nicolaus Furet, Cadomensis, Prior S. Gregorii in Brittannia...

1666

(before this date) Louis de Valesse prior of St.-Georges (AN 1 AP 62, pp. 231-34).

1666

Guillaume des llles (Isles) of Caen house, prior of St.-Georges (AD CdN H 431, no. 4.)

1698

FrFrangoisLe Cinetier, prior of St. G. (AN 1 AP 62, p. 235.)

LE PRIEURE DE L'HOPITAL DE ST.-GEORGES DE TREDIAS

1702

105

Pierre-Charles Got de la Roziere of Caen house at St.- Georges at least in 1703-04 and 1721. Sent to a monastic prison in 1699 and 1704 (AN LL 1482, pp. 32-33)

1756

Jean Nicolas de Poney (Durand mistakenly uses Poucey) of Caen house is prior of St.-Georges; still is in 1758. (AD CdN H 431, no. 3.)

1766

Pierre Louis Wastremez [Wastrenier] prior, also 1769, 1772 (AN 1 AP 62, pp. 22-24; AD CdN H 431, no. 3.)

1777

Wastremez prior and only living professed member and resident of the

house. Accepts pension. (AN G9 14, nos. 15, 79.) (Except where note all information in the Appendix is from A. Van de Pasch (ed.),

Definities der Generale Kapittels... 1410-1786 [Brussels, 1969].)

SAMENVATTING

In dit artikel krijgen we kostbare informatie over de Kruisheren-priorij van Saint- Georgeslez-Tredias in het Franse Bretagne. Tot heden wist men niet precies waar het klooster zou gestaan hebben en ook over de stich-

tingsdatum was onzekerheid. In 1986 en 1988 kwam de auteur door een gelukkige samenloop van omstandigheden op het

juiste spoor en ontdekte dat de originele gebouwen uit de begintijd er nog gedeeltelijk staan... (zie bijgevoegd foto-materiaal). Een vijftal teruggevonden archiefbundels, nu bewaard in de Archives Departementales des C6tes-du-Nord te St.-Brieuc en drie bundels in de Archives Nationales te Parijs bevatten interessante informatie... over de begintijd van St.-Georges. Een drietal voorlopige condusies omtrent die begintijd leren ons:

1) dat zij niet Reguliere Kanunniken worden genoemd in de Stichtingsakte, maar "Fratres Sanctae Crucis" ...

2) dat een van hun inkomstenbronnen "het inzamelen van aalmoezen" is, zoals de Mendikanten ...

3) dat een gedeelte van hun klooster is ingericht voor de opvang van armen of passerende reizigers of zieken.

Verdere studie van mogelijk andere bronnen is nodig, vooral omdat over de verdere evolutie van St.-Georges tot nog toe niet zoveel bekend is.

De auteur voegt ook een lijst van bewoners bij die vooral geput is uit de Definities... (zie

nota 3)

C. BRASSEUR o.s.c

106

LE PRIEURE DE L'HOPITAL DE ST.-GEORGES DE TREDIAS

ZUSAMMENFASSUNG

In diesem Aufsatz gibt Prof. J.M. Hayden wichtige Informationen iiber das Kreuzherrenkloster Saint-Georges-lez-Tredias in der franzosischen Bretagne (1346-1777). Bislang wufiten wir nicht genau, wo dieses Kloster gelegen war und war das Grundungsdatum ebensowenig bekannt. Bei Untersuchungen in den Jahren 1986 und 1988 kam Prof. Hay den durch ein gliickliches Zusammentreffen von Umstanden auf die richtige Spur und entdeckte, dafl die urspriinglichen Gebaude noch teilweise stehen (vgl. das beigefiigte Bildmaterial). Fiinf wiedergefiindene Archivmappen, jetzt in den "Archives Departementales des Cotesdu-Nord" in St. Brieuc verwahrt und drei Archivmappen in den "Archives Nationales" zu Pa ris enthalten interessante Informationen iiber die Griindungszeit des Klosters. Anhand dieser Dokumentation konnte - vorlaufig - festgestellt werden: 1) 2)

3)

In der Griindungsurkunde wird der Name fratres sanctae Crucis (Kreuzbriider) gebraucht, nicht canonici regulares (Regularkanoniker). Eine der Einnahmequellen war: das Sammeln von Spenden, wie bei den Mendikanten iiblich. Ein Teil des Klosters war als Aufenthalts- und Pflegeraum fur Arme, Kranke und Reisende eingerichtet.

Es bedarf noch weiterer Untersuchungen eventuell noch vorhandener anderer Quellen, zumal iiber die Weiterentwicklung von Saint Georges bislang sehr wenig bekannt ist. Der Verfasser fugt eine Liste mit Namen von Konventualen hinzu, vor allem aus Angaben der "Deflnities" (vgl Anm. 3) aufgestellt.

Ger. Q. REIJNERS o.s.c.

RESUME

Dans cet article on trouve de precieuses informations sur le Prieure des Croisiers a SaintGeorges-lez-Tredias en Bretagne (1346-1777). Jusqu'a nos jours on ne savait pas exactement ou Ton devait situer ce Prieure et la date de fondation n'etait pas certaine non plus. En 1986 et 1988 par un heureux concours de circonstances l'auteur a ete mis sur la bonne voie et a meme decouvert que les constructions originales du debut existent encore pour une bonne partie. Quelques liasses de vieux documents dans les Archives Departementales des C6tes-du-Nord et dans les Archives Nationales a Paris lui permettent certaines constatations prudentes sur le style de vie de ces Croisiers dans la periode du debut.

1) 2) 3)

Dans les lettres de fondation on ne parle pas de Chanoines Reguliers mais de Freres de la Sainte Croix, "Fratres Sanctae Crucis". Parfois ces Freres sont absents de leur couvent "pour faire leur quete", une activite qui fait penser aux "Ordres Mendiants". Une partie du couvent est amenagee a recevoir des voyageurs, des malades ou des pauvres.

Nous voici en presence de trois indications qui invitent a faire des rapprochements avec d'autres couvents de Croisiers a cette epoque. L'auteur ajoute une liste d'habitants de Saint-Georges puisee surtout dans les "Deflnities..." (voir note 3).

C. BRASSEUR o.s.c.

WEIHBISCHOF JOANNES WILHELM d'ALHAUS

O.S.C 1759-1794

Vikar Bernhard Boneker, seit 1682 Verwalter des neuen Hospitals

zum Heiligen Geist in Rheine (Westfalen), hat es nicht ahnen konnen, dafi die kleine Kapelle Beatae Mariae Virginis, die er im Jahre 1685 zusammen mit dem Hospital (Marienstift) an der Herrenschreiberstrafie neu errichtete und die erstaunlicherweise heute noch steht

und im Volksmund nach ihm ,,Bonekerskirche" genannt wird, 100 Jahre spater der Ort vieler bischoflicher Weihehandlungen werden sollte.

Aus Anlafi des 200. Jahrestages der Priesterweihe von Bernhard Overberg, dem westfalischen Reformpadagogen, am 20.12.1779 durch WeihbischofJoannes Wilhelm d'Alhaus in der Bonekerskirche zu Rheine wies Stadtarchivar Dr. H. Biild bereits 1979 darauf hin, dafi diese Priesterweihe in Rheine kein Einzelfall gewesen ist. Bei ei-

ner Untersuchung des vor einiger Zeit in der Schlofibibliothek DrosteVischering zu Vorhelm wieder aufgefundenen Weiheprotokolls vom Weihbischof d'Alhaus fiir die Jahre 1782-1794 ergab sich die erstaunliche Tatsache, dafi d'Alhaus von 1761-1794 in grofiem Mafie in

Rheine seine bischoflichen Funktionen ausgeiibt hat.

DAS HEIMATKLOSTER DES WEIHBISCHOFS

Weihbischof d'Alhaus war der 34. Prior des Kreuzherrenklosters Bentlage vor den Toren der Stadt Rheine. Diese klosterliche Niederlassung ist fur das geistige und religiose Leben von Rheine und Umgebung von grofiem Einflufi gewesen. Auch in vielfach anderer Weise hat

108

WEIHBISCHOFJOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

diese Klostergriindung sich fur die Stadt bis auf den heutigen Tag bedeutsam ausgewirkt. Bevor wir uns der Person des Weihbischofs zuwenden, wollen wir

in einem Uberblick die Geschichte des Klosters darstellen. Die Anregung, die in Bentlage seit dem 11. Jh. bestehende Gertrudenkapelle vom Orden zu ubernehmen und dort einen Konvent

zu errichten, ging von dem Kreuzbruder Wilhelmus de Werdena aus dem Kloster Beyenburg aus, der von der landschaftlichen Schonheit beeindruckt, sich dafur einsetzte, die Kreuzbruder dorthin zu fuhren1. Die Absicht des damaligen Rektors der Gertrudenkapelle, Ludolfus Fabri, seinen Dienst dort aufzugeben, und annehmbare wirtschaftliche Voraussetzungen, waren seinem Plan giinstig. Sein Vor-

schlag wurde vom Generalkapitel nach Priifung in die Tat umgesetzt. Am 2. Marz 1437 iibergab der Miinsteraner Bischof Heinrich von

Moers dem Orden vom Heiligen Kreuz die Getrudenkapelle und gestattete ihm, dort ein Kloster einzurichten. Wilhelmus von Werdena und seine Freunde sandten auf Kosten des kunftigen Konvents einen berittenen Boten zur romischen Kurie, mit der Bitte um papstliche Bestatigung. Bereits am 24. April stellte Eugen IV. die gewiinschte Urkunde aus. Das Original dieser Griindungsurkunde ist im Staatsarchiv Munster noch vorhanden2. Im gleichen Jahr sandte das Generalkapitel des Ordens aus dem Kolner Kloster drei Mitbriider zur Griindung der neuen Niederlassung an die Ems.

Der Prior des Kolner Konventes, Johannes ter Borch, iibernahm, nachdem er sein Amt in Koln niedergelegt hatte, die Leitung der neuen Pflanzstatte. Prior Johannes stammte von dem Hofe ter Borch in Nottuln (Westfalen). Durch seine Lebensweise hatte er sich das Vertrauen seiner Mitbriider erworben. Dieser vielfach bewahrte Westfale war besonders geeignet, das neue Kloster zu einer Pflegestatte des religiosen Lebens, beeinflufit vom Geist der ,,Devotio moderna'* zu machen. Diese neue geistliche Bewegung, die derzeit von den Nieder-

landen auf Deutschland iibergriff, suchte eine innige Gottverbundenheit durch die Betrachtung des Lebens, vor allem des Leidens Jesu.

Durch Nachstenliebe und Bufie sollte die Christusnachfolge im

1 P. Grofifeld, Beitrage zur Geschichte der Pfarrei und Stadt Rheine. Nebst einem Chronikon Bentlacense und Urkunden. Munster 1875, S. 38. 2 Groflveld, a.a.O. S. 81, 39 und 83.

WEIHBISCHOFJOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

109

Alltag erstrebt werden. Dabei wurde das Gedankengut der grofien Mystiker ausgewertet und fruchtbar gemacht. Von diesem Geiste erfiillt stiefien mehrere Jugendliche aus Deventer, Miinster und Meppen zu den ,,K6lner" Kreuzbriider an der Ems. Aber auch Kleriker. So glaubte Johannes de Holsten, Kirchherr zu Bevergern, in Bentlage zu finden, was er suchte. 1440 verzichtete er auf das Pfarramt und zog mit seinem auf sieben Karren verladenen Hausrat zu der noch sehr armen Niederlassung und bot sich, eine brennende Kerze in der Hand, als ,,donatus", d.h. als Bruder ohne die drei iiblichen Ordensgeliibde, aber zur Teilnahme am vollen klosterlichen Leben be-

reit, dem Kloster an. Johannes de Holsten gelang es nach und nach, mehrere Diozesanpriester zum Eintritt zu bewegen. So berichtet uns die zuverlassige Chronik des Klosters Bentlage, die uns erhalten ist3. Zu den Schiilern aus dem Kreis der Devotio moderna gehorte Eberhard Kerskorff, uns besser bekannt als Everardus von Orsoy (am Niederrhein). Er trat 1450 in Bentlage ein, wurde 1457 Prior und bekleidete dieses Amt bis 1483. In diesem Jahr wurde er zum Generalprior des Ordens gewahlt. Auch sein Nachfolger als Prior von Bent lage, Johannes Busche (1483-1501), stammte aus der Schule der Fraterherren. Unter diesen beiden Prioren wurde Bentlage eines der vitalsten Ordenshauser. Der Konvent erhielt vom Generalkapitel den

Auftrag, die Kloster von Ter Apel (1465) und Scharmer (1489) zu griinden und entsandte Mitbriider nach Hoorn, Sneek und Franeker. Bentlage hat so einen beachtenswerten Beitrag zur Forderung des gesamten Ordens geleistet4. Das Kloster stand in regem Kontakt mit den genannten Niederlassungen in den nordlichen Niederlanden und mit den Hausern Osterberg, Falkenhagen und Marienfrede in Deutschland. Zudem wurden Konventualen von Bentlage in mehrere andere Kloster im Rheinland, den siidlichen Niederlanden und Eng land versetzt oder dorthin als Prior berufen. Durch vielfache Bande war das Kloster Bentlage im 15. und 16. Jh. mit dem weiten Ordensbereich verkniipft5. Die neue Klosterkirche mit neun Altaren wurde 1484 geweiht. Im Jahr 1490 zahlte der Konvent 52 Mitglieder, un ter ihnen 24 Ordenspriester und Kleriker.

3 im Staatarchiv Munster: Depositum Rheina-Wolbeck, Bentlager Urkunden. Teilweise gedruckt bei Groflveld a.a.O. S.43 4 H.U. Weifi, Die Kreuzherren in Westfalen, Diest 1963, S.135 ff. 5 Weifi, a.a.O. S. I4o

110

WEIHBISCHOF JOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

In den Wirren der Reformation sind uns aus Bentlage zwei Falle bekannt von Patres, die das Kloster verliefien. In der Nachreformationszeit haben die Kreuzbriider Entscheidendes zur Befestigung und Erneuerung des katholischen Glaubens beigetragen, z.B. in Nordhorn, Bentheim und Neuenhaus6. Auch eine Bischofsweihe fand in Bentlage statt. Unter dem Einflufi des hi. Petrus Canisius, der wegen der Durchfiihrung der Trienter Konzilsbeschliisse vom 15. bis 30. Dezember 1565 in Bistum Osnabriick als Sendbote des Papstes weilte, liefi sich der FiirstbischofJohann IV von Hoya und Stolzenau im Kloster Bentlage zum Priester und Bischof weihen. Am 4. Oktober 1567 empfing er dort durch den Weihbischof Kriedt von Miinster die Priesterweihe und tags darauf die Bischofsweihe unter Mitwirkung der Abte von Iburg, Liesborn und Abdinghof7. Im gleichen Jahr wurde er auch Bischof von Miinster. Das Kloster Bentlage erfreute sich offenbar des Vertrauens der bischoflichen Behorden8. Die Mitteilungen iiber die Beziehungen des Bentlager Konventes zu seinem fiirstlichen Landesherrn in Miinster bestatigen den Eindruck, dafi die Kreuzherren in Bentlage am katholischen Glauben festgehalten haben9.

Interessant is weiter ein Gutachten vom 11. Oktober 1635, an dem

sich Prior Christian, gebiirtig aus Emsbiiren, beteiligte und das sich fur die Griindung eines Franziskanerklosters und eines damit verbundenen Gymnasiums in Rheine aussprach. Kloster und Schule sind fur das katholische Leben in Rheine sehr bedeutsam geworden10. Auch spaterhin hielten Kreuzherren und Franziskaner untereinander gute Beziehungen aufrechtn.

Um 1650 erwarben sich die Konventualen von Bentlage grofie Verdienste um die Erhaltung des katholischen Glaubens in der Umgebung. So unterstiitzten sie die Seelorge in der Grafschaft: Lingen, wo die Katholiken sehr stark vom Landesherrn bedrangt wurden. Der Bentlager Ordenspriester Becker hat 1659-1660 dreizehn Monate dort als Seelsorger gewirkt. Auch in der Grafschaft Bentheim iibten die Kreuzherren wahrend der katholischen Reform die Seelsorge aus12. 6 Weifi, a.a.O.S. 156.

7 A. Schroer, Die Kirche in Westfalen im Zeichen der Erneuerung (1555 - 1648) Munster 1985 Bd.I, S.282. 8 Weifi, a.a.O. S. 39 9 Weifi, a.a.O. S. 145 10 J. Tonsmeyer, Schulgeschichte von Stadt und Amt Rheine. Rheine, 1973, S.30 11 Weifi, a.a.O. S. 153 u. 156 12 L. Schriewer, Geschichte das Kreises Lingen, 1905, Bd.II. S. 285

WEIHBISCHOFJOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

111

Ein interessantes Begebnis aus jenen Tagen ist folgendes: Zur Zeit des Bischofs Bernhard von Galen nahmen mehrere Kreuzherren am 10. Marz 1659 an der Wiederaufnahme des von der reformierten Landesherren, den Oraniern, verbotenen katholischen Gottesdienstes in Plantliinne (Niedergrafschaft Lingen) teil. Die Mefifeiern fanden fortan an dem anderen Ufer des Grenzflusses in einer jetzt noch stehenden Fachwerkkirche, dem "Kerkhus", auf dem Gutshof des Kolonen Butmeyer in Moorlage auf munsterschem Gebiet statt13. Uber die Pfarrkirche zu Salzbergen erhielt das Bentlager Kloster 1684 das Patronatsrecht. Die Patres ubernahmen dort an jedem Sonn- und Feiertag zwei Gottesdienste 14.

Auch die Wiederherstellung des Altares in der Altenrheiner Kapelle wurde von den Kreuzherren veranlafit. Die lateinische Inschrift, die der Altar aufweist, lautet iibersetzt: "Zu Ehren des allerheiligsten Kreuzes Jesu Christi, zu Ehren seiner Mutter, der Jungfrau Maria, die mit ihm gelitten hat, als er am Kreuz hing, sowie zu Ehren des hi. Lambertus. Die Bentlager Kreuzherren sorgten im Jahre des Herrn 1639 fur die Wiederherstellung dieses Altares" 15. Ebenso scheint die uber 300 Jahre bestehende Altenrheiner Prozession zu der Telgter Muttergottes von Bentlages aus betreut worden zu sein.

Sehr glucklich waren die Bewohner Bentlages dariiber, dafi sie ihre Kinder zum Kreuzherrenkloster in den Schulunterricht schicken konnten, den die Patres unentgeltlich erteilten. Besonders gepflegt wurde auch der Kirchengesang, was der feierlichen Gestaltung des Gottesdienstes in der Klosterkirche zugute kam. Die Knaben der Bauernschaft wurden zu Ministranten ausgebildet16. Auch auf sozialem Gebiet hat das Kloster sich Verdienste erworben. Es unterhielt ein ,,armelude Hues bei der Porten", ein Altenheim und auch ein ,,Zeykenhus" fur Kranke. An der Klosterpforte wurden taglich Arme gespeistI7. Dafur waren dort eigens steinerne Banke aufgestellt, die heute noch erhalten sind.

B H 15 16 17

eigener Bericht des Verf. Weifi, a.a.O. S.158 R. Breuing, Barocke Wegebilder und Kapellen im Kreis Steinfurt, 1985, S. 520 Tonsmeyer, a.a.O. S.237 WeifJ, a.a.O. S. 284

112

WEIHBISCHOF JOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

Aber selbst in einer Zeit des allgemeinen Niedergangs (18. Jh.) war der Sinn fur ein geistliches Leben im Kloster Bentlage unter den eifrigen Prioren Joannes Wilhelm d'Alhaus (1756-1762), dem spateren

Weihbischof, und Josephus Henricus Buchholtz (1772-1799) nicht erloschen. Josephus Buchholz war von 1763-1768 Sekretar des Weihbischofs. Bei der letzten Ordensvisitation am 13. Juli 1789 wurde er vom Ordensgeneral Jacques Dubois besonders gelobt, weil er seiner Pflicht zu voller Zufriedenheit nachgekommen sei18. Sein Nachfolger Georg Overmann aus Rheine war der letzte Prior von Bentlage. Im Jahr 1803 wurde das Kloster aufgelost und ging in

den Besitz des belgischen Herzogs von Looz-Corswarem iiber. Prior Overmann hat bis zu seinem Tod am 21. Januar 1818, 66 Jahre alt, die Bentlager Vikarie an der St. Dionysiuskirche zu Rheine innegehabt19.

Die Klosterkirche wurde 1828 nach zweimaligem Brand abgerissen. West-, Nord- und Ostfliigel des nach dem Brand von 1647 erneuerten Klosters sind erhalten. Im Jahr 1978 kaufte die Stadt Rheine das Kloster mit den umliegenden Waldungen. Sie bemiiht sich die Klostergebaude zu renovieren.

In seinem Buch ,,Die Kreuzherren in Westfalen" macht H.U. Weifi mit Recht darauf aufmerksam, dafi Anton Fiihrer in ,,Geschichte der Stadt Rheine" die Zeugnisse iiber die geistliche Tatigkeit der Kreuzherren iibersehen hat und so zu einem Fehlurteil iiber den Einflufi des Bentlager Klosters auf das religiose und geistige Le ben gekommen is20.

WEIHBISCHOF (1759-1794)

In diesem Kloster Bentlage war Joannes Wilhelm d'Alhaus Prior (1756-1762), als er zum Weihbischof berufen wurde. Gebiirtig

stammte er aus Beyenburg, wo sich eine alte Niederlassung der Kreuzherren befand (gegriindet 1298) und noch befindet. Seine Eltern waren Joh. Wilh. Aalhausen, Kammerer und Vicedroste, und Adriana

is Weifi, a.a.O. S. 164 19 Rheine, GESTERN, HEUTE, MORGEN, Heft 1/85 S.30 20 Weifi, a.a.O S.158

WEIHBISCHOF JOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

113

Christina Hertzig21. Geboren wurde er am 10.8.1716 auf dem Familienbesitz Ahlhausen, einem der zahlreichen Hammerwerke des Ennepetals. Das Geburtshaus steht heute noch. Im Jahr 1735 legte d'Alhaus in Bentlage die Profefi ab. Der Generalmagister der Kreuzherren, Joannes Reynders, erteilte ihm, durch ein Privileg vom Papst dazu bevollmachtigt, im Kloster Bentlage die Tonsur und die vier niederen Weihen. Zum Subdiakon wurde er geweiht von Ferdinand Oesterhoff, Zisterzienserabt von Marienfeld und Weihbischof von Miinster am 21. September 1737 in der St. Nikolauskirche zu Miinster. Die Weihe zum Diakon erfolgte am Quatembersamstag, dem 20. September 1738, und die Priesterweihe am 19. September 1739. Beide Weihen erteilte Weihbischof Ferdinand ebenfalls in der St. Nikolauskirche auf dem Domplatz zu Miinster22. Im Kloster Bentlage iibernahm d'Alhaus spater das Amt des Prokurators. Dort wurde er 1756 zum Prior gewahlt23. Am 4. Februar 1759 war seine Bischofsweihe24.

Die Weihbischofe haben sich in den schweren und bedrangnisvollen Zeiten nach der Reformation oft als wahre und unerschiitterliche Saulen der Kirche Jesu Christi erwiesen. Viele Jahrhunderte sind sie die Manner gewesen, die die Priesterweihe und das Sakrament der Firmung spendeten. Aber fur gewohnlich wird nur iiber das gesprochen, was in den Augen der Welt grofi ist und hervortritt. Die Fiirstbischofe als Landesherren — eine nicht gute Entwicklung im germanischen Raum — iiberliefien den Weihbischofen und den Generalvikaren die kirchlichen Dienste. Von dem beriihmten Kurfursten Cle mens August von Bayern, Erzbischof von Koln, Bischof von Miinster, Osnabriick, Hildesheim und Paderborn, den der Preufienkoning Frie-

drich II spottisch "Herrn von Fiinfkirchen" nannte, heifit es, Bauen sei seine Leidenschaft gewesen. Die Briihler Schlosser Augustusburg und Falkenlust, das kurfiirstliche Schlofi und das Poppelsdorfer Schlofi in Bonn, das Jagdschlofi Clemenswerth in Emsland und der Max-Clemens-Kanal erinnern an den Bauherrn. Allerdings auch die Clemenskirche, das Clemenshospital (das erste grofie Krankenhaus im

21 22 23 24

nach der Taufiirkunde Weiheurkunde Weifi, a.a.O. S. 241 Weiheurkunde

114

WEIHBISCHOF JOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

heutigen Sinne) und der Krankenpflegeorden der Barmherzigen Briider in Miinster. Als Kolner Kurfurst war er einer derjenigen, die den Kaiser wahlen durften.

In der Kirchengeschichte dagegen wird das Leben und Wirken der Weihbischofe fast durchweg mit Stillschweigen iibergangen. Das ist auch das Schicksal von Weihbishof d'Alhaus gewesen. Sein Leben und Wirken ist im Bewufitsein der Nachwelt nicht lebendig geblieben,iiberstrahlt gleichsam von der weltlichen Pracht der hochadeligen Fiirstbischofe jener Zeit. Selbst in der zweibandigen Geschichte des Bistums Miinster von Borsting-Schroer wird er nur mit wenigen Zeilen und zum Teil unrichtigen Angaben dargestellt23. Auch An ton Fiihrer erwahnt ihn nur kurz26. Ebenso ist Franz Kolck die Gestalt des Weihbischofs entgangen, obwohl sein Wirken ihm viel Stoff fiir seine zahlreichen Erzahlungen aus der Geschichte der Stadt Rheine geboten hatte27.

Fiirstbischof Clemens August (1723-1761) war es, der den Prior Jo annes Wilhelm d'Alhaus zum Weihbischof von Miinster ausersehen hat.

Es war eine wohliiberlegte Entscheidung, denn Kurfurst und Erz-

bischof Clemens August kannten den Bentlager Prior schon seit vielen Jahren. Oft hatte er schon die Gastfreundschaft des Klosters in Anspruch genommen. Im Jahre 1743 namlich griindete er die ,,Miinsterische Salinensozietat", die in Bentlage durch den furstbischoflichen Oberbaudirektor Johann Konrad Schlaun (1694-1773) ein Gradierwerk mit einem Salzsiedehaus errichten und einen neuen Salzschacht abteufen liefi. Das Kreuzherrenkloster erhielt dafiir jahrlich 600 Taler und 14 Tonnen Salz. Der Landesherr iiberzeugte sich durch Besuche in Bentlage selbst von der Entwicklung seines Unternehmens. Es gab im Kloster ein eigenes Fiirstenzimmer mit zwei Betten, 24 Stiihlen usw. und Gastezimmer. Auch auf den Reisen zu seinem geliebten Schlofi Clemenswerth in Hiimmling — wo er iibri-

25 Borsting-Schroer, Handbuch des Bistums Munster, Munster, 1946, Bd.II. S. 125

26 A. Fiihrer, Geschichte der Stadt Rheine, 2. Auflage Rheine 1974 S.284

27 Rheine im Wandel der Zeit. Franz Kolck erzahlt. 2. Auflage, Herausgegeben van Dr. H. Biild, 1963. Die im Literaturverzeichnis bei Weifi u.a. angegebenen Aufsatze von Fr. Kolck, Das Kreuzherrenkloster bei Rheine, in "Katholische Wacht", Rheine/Vienerius, 1925, 1. Jahr-

gang, Nr. 1-3, sind allerdings nicht mehr auffindbar.

WEIHBISCHOF JOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

115

gens bei den dort tatigen Kapuzinern wohnte - wird er ganz sicher in Bentlage Station gemacht haben28. Der Erzbischof hatte darum oft die Gelegenheit, sich von den

Qualitaten des Priors zu iiberzeugen, den er als seinen Weihbischof vorschlug. Wie sich spater herausstellte, hatte er mit seinem neuen Weihbischof in den schwierigen Zeiten eine gute Wahl getroffen. Nach dem Tode des Weihbischofes Franz Bernhardin Verbeck aus

dem Minoritenkloster in Minister, gestorben 1756 in Kleve, schlug der Erzbischof Clemens August mit Schreiben vom 28. Februar 1758

aus Bonn Joannes Wilhelm d'Alhaus zum neuen Weihbischof fur das Bistum Miinster vor. Am 23. Marz 1758 legte Prior d'Alhaus in Bonn

vor dem Nuntius Niccolo Oddi das feierliche Glaubensbekenntnis ab. Die Ernennung zum Weihbischof erfolgte durch Papst Clemens XIII im geheimen Konsistorium im Quirinal zu Rom. Der Text der Ernennungsurkunde lautet iibersetzt29:

,,Auf Vorschlag des Hochwiirdigsten Herrn Kardinal Alexander Albano providiert das Geheime Konsistorium vom 11. September und 2. Oktober 1758 den Kolner Priester Wilhelm Alhaus, Profefi des Ordens vom Heiligen Kreuz, ... mit der im Besitz der Unglaubigen befindlichen Kirche von Arath und ernennt ihn zum Bischof und Seelenhirten.

Es erteilt ihm den Auftrag, in der Kirche und im Bistum Miinster als Suffragan die bischoflichen Amtshandlungen zu verrichten, weist ihm aus dem Bistumsvermogen 300 Golddukaten und aus dem Tafelgut des Bischofs jene Einkiinfte an, die ihm nach dem Dekret der Konzilskongregation zustehen.

Das Konsistorium dispensiert ihn von dem fehlenden (Doktor-)

Grad und entbindet ihn von der Verpflichtung, die Kirche von Arath zu besuchen und dort personlich zu residieren, solange sich diese im

Besitz der Unglaubigen beflndet."

Um die Bischofsweihe zu empfangen, reiste J.W. d'Alhaus am 2. Fe bruar 1759 nach Paderborn. Im Kollegium der Jesuiten nahm er Wohnung und empfing in der schonen Jesuitenkirche dort am 28 J. Tonsmeyer, Das Landesfurstentum Rheina/Wolbeck, Rheine, 1962, S.74 und 128 29 Aus den Akten des geheimen Konsistoriums vom 11. September und 2. Oktober 1758. Die Kopien vom Informationspro2efi und der Ernennung wurden mir freundlicherweise von

Herrn Professor Karl Hengst, Paderborn, aus Rom besorgt.

116

WEIHBISCHOFJOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

4. Februar 1759 durch den Weihbischof von Paderborn und apostolischen Vikar der nordischen Missionen Franz Joseph Graf von Gon dola die Bischofsweihe unter Assistenz der Abte des Benediktinerklosters Abdinghof und des Zisterzienserklosters Hardehausen. ,,Viele Wiirdentrager geistlichen unde weltlichen Standes, Stiftsherren, Adelige, hohe Militarpersonen, unter denen namentlich auch der Erbprinz von Braunschweig sich befand, wohnten der heiligen Handlung bei" 30.

Es ist anzunehmen, dafi der Weihbischof sein bischofliches Amt zunachst in der Bischofsstadt Munster ausiibte. Der Anfang seines Wirkens fiel in die bose Zeit des Siebenjahrigen Krieges (1756-1763), den Friedrich II von Preufien fuhrte, nachdem er bereits 1740 im ersten Jahr seiner Regierung Schlesien iiberfallen und den Osterreichern geraubt hatte. Auch die Stadt Rheine hatte in diesen Kriegsjahren

viel Schlimmes zu erleiden. Fur das Leben des Weihbischofs sollte dieser Krieg von entscheidender Bedeutung werden. Denn im Jahre 1761 starb der Kurfurst Clemens August von Bay-

ern, Erzbischof von Koln und Bischof von Munster. Die Stadt Munster war zu dieser Zeit von den Preufien und ihren Verbiindeten besetzt. Der Tod des Bischofs schien dem Preufienkoning der geeignete Augenblick zu sein, die Bistiimer Munster, Osnabriick und Hildesheim zu sakularisieren und fur Preufien und seine Verbiindeten zu annektieren. Am 30. Marz zelebrierte Weihbischof d'Alhaus im Dom zu Munster das Requiem fur den verstorbenen Erzbischof. Der Domdechant hatte schon den 7. April 1761 zum Tag fur die Wahl des neuen Bischofs festgesetzt. Auch der kaiserliche Wahlkommissar Baron von Reisach fand sich bereits auf der Reise von Den Haag nach Munster. Da legte die Heeresleitung auf Befehl des im Landerraub erfahrenen Preufienkonigs wider Erwarten ein Veto gegen die Bischofswahl ein31. Der Stadtkommandant verbot auf hoheren Befehl alle Wahlvorbereitun-

gen. Dem Weihbischof d'Alhaus befahl er: ,,Sich nach seinem Cloester Bentlage zu verfugen, wan er sich nicht der Gefahr ausstellen wollte,

auf eine ihm vielleicht unangenehme Arth dahin ge-

bracht zu werden". Den Domkapitularen wurde verboten, die Stadt

30 J.C. Moller, Geschichte der Weihbischofe von Osnabriick, Lingen, 1887, S. 202 31 Miinstersche Chronik (1761) zitiert bei Huppertz, Munster im Siebenjahrigen Krieg, S.275

WEIHBISCHOF JOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

117

Miinster zu verlassen, damit sie nicht etwa an einem anderen Ort die

Bischofswahl vollziehen konnten. Das Domkapitel fuhlte sich in seinem wichtigsten Recht behindert und machte die grofiten Anstrengungen, die Freiheit der Bischofswahl zu erlangen. Auf seinen Protest erhielt es aber nur die Antwort, der Koning von Preufien habe noch keine naheren Anweisungen gegeben. Tatsachlich war es Friedrich II von Preufien, der die Wahl auf jeden Fall verhindern wollte, um bei den bevorstehenden Friedensverhandlungen die Aufhebung des Hochstiftes Miinster als selbstandigen Staat zu erreichen und mit den angrenzenden Bistumern Osnabriick und Hildesheim fur Preufien und seine Verbiindeten in Besitz zu bekommen32. Entsetzliches hatte das Hochstift Miinster in diesem Krieg gelitten und die furchtbaren Kriegslasten hatten eine grofie Abneigung ge gen Preufien bei der Bevolkerung entfacht. Allenthalben hatte inzwischen die Erbitterung iiber die Verhinderung der Bischofswahl hohere Grade angenommen. Aber schliefilich konnte Friedrich II seine Plane doch nicht durchsetzen, da der Konig von England Georg III und ,,besonders die Herren General-Staaten der vereinigten Niederlande" zum Verdrufi des Preufienkonings sich gegen das Wahlverbot eines neuen Bischofs gewandt hatten33. Gegen Ende des Jahres 1762 er-

folgte dann die Wahl eines neuen Bischofs und Landesfiirsten. Gewahlt wurde am 17. September 1762 der Erzbischof von Koln, Maxi milian Friedrich Graf von Konigsegg-Rothenfels34. Am 3. Septem ber 1764 ernannte der neue Erzbischof, der ebenfalls die geistliche Bischofsgewalt in Bistum Osnabriick innehatte, J.W. d'Alhaus zum Weihbischof von Osnabriick35. Die weltliche Regierung des Bistums Osnabriick iibte fur seinen unmiindigen Sohn der englische Konig aus36.

Unter diesen schwierigen Umstanden hatte Weihbischof d'Alhaus

seinen Wohnsitz in Rheine genommen.

Es ist allerdings zu verwundern, dafi er auch nach der Wahl des neuen Bischofs und dem Abzug der Preufien und ihrer Verbiindeten von Miinster weiterin in Rheine wohnen blieb. Auch unter dem

32 Huppertz, a.a.O. S.276 33 Huppertz, a.a.O. S.374 34 Borsting-Schroer, a.a.O. S.I 10

35 A. Tibus, Geschichtliche Nachrichten iiber die Weihbischofe von Miinster 1862 S 238 36 A. Tibus, a.a.O. S.238

118

WEIHBISCHOF JOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

nachsten Bischof von Miinster und Erzbischof von Koln, Max Franz von Osterreich (1784-1801), dem jiingsten Sohn Maria Theresias, behielt er weiter in Rheine seinen Wohnsitz. Vielleicht war die zusatzliche Ernennung zum Weihbischof fiir die Diozese Osnabriick der Anlafi dazu. Auch die Nahe zu seinem Kloster oder zur ,,Hollandischen Mission'* konnte ihn dazu bewogen haben. Ebenso mag ihn die gute Erfahrung mit seiner kleinen ,,Bischofskirche" in Rheine, wo er ungehindert zu jeder Zeit wirken konnte, dazu veranlafit haben.

Sein Amt als Prior hat er am 16. April 1762 niedergelegt. Zu sei nem Lebensunterhalt erhielt er vom Kloster jahrlich 150 Reichstaler37.

Der Wohnsitz des Weihbischofs wird im Hausbesitzerverzeichnis der Stadt Rheine vom Jahre 1785 angegeben unter ,,Nr. 190 de Ahlhausen, Weybischof'. Es lag an der unteren Emsstrafie, heute Nr. 30-32. Nach Dr. Franz Darpe, Oberlehrer in Rheine, mietete er am

24. Marz 1784 fiir sechs Taler jahrlich einen Teil des Butengrabens auf Lebenszeit als Garten38.

Sekretar des Weihbischofs war von 1763-1768 Josephus Buchholtz.

Sein Name ist in der Kleruskartei des Bistums Miinster nicht verzeichnet. Er ist darum mit Sicherheit identisch mit dem Bentlager Kreuzherrn Josephus Henricus Buchholtz, der am 10. Juli 1772 zum 36.

Prior des Kreuzherrenklosters Bentlage gewahlt wurde. Prior Buch holtz stammte aus Haseliinne. Er wurde dort 1737 als zweites Kind des Arztes Franciscus Caspar Buchholtz und seiner Ehefrau Carolina Gertrud Riccius geboren39. Josephus Buchholtz legte am 29. August 1757 in Bentlage die Profefi ab. Er scheint das besondere Vertrauen des Priors und spateren Weihbischofs besessen zu haben. Seine Wahl zum Prior 1772 is wohl auf Vorschlag von J.W. d'Alhaus erfolgt, der aber selbst schriftlich auf die Ausiibung des ihm zustehenden Wahlrechtes verzichtete40. Im Orden erreichte Buchholtz einiges Ansehen. Auf dem Generalkapitel des Jahres 1786 erscheint er als einer

der beiden Generalvikare. Ihm ist es auch gelungen, den Bentlager

37J.C. Moller, a.a.O. S.202 38J.C. Moller, a.a.O. S. 203 39 Weifi, a.a.O. S.242 40 Weifi, a.a.O. S. 163

WEIHBISCHOFJOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

119

Konvent zu neuer Bliite zu bringen. Bis zu seinem Tode am 4. Juli 1799 verwaltete er das Amt des Priors41.

Von ihm stammen die ersten Angaben iiber die Spendung der Weihesakramente durch Weihbischof d'Alhaus. Fur die Zeit vom 18. Marz 1763 bis zum 6. Marz 1768 gibt er folgende Zahlen an: Erteilung der Tonsur 71; Erteilung der Tonsur und der vier niederen Weihen 317; Erteilung der Subdiakonatsweihe 313, Erteilung der Diakonatsweihe 314; Erteilung der Priesterweihe 309. In diesen Jahren insgesamt 1324 Weihehandlungen42.

Ein von seinem spateren Sekretar Bernhard Ludwig Leusing verfafites ausfiihrliches Weiheprotokoll wurde erst vor einiger Zeit in der Schlofibibliothek Droste-Vischering zu Vorhelm wieder aufgefunden. Es enthalt die vom Weihbischof d'Alhaus in den Jahren 1782-1794 vollzogenen Weihen. Angegeben sind die Namen der Weihekandi daten, ihr Herkunftsort, der Weihetitel, der Tag un der Ort der Weihehandlung. Es stellt also ein fur die geistig-religiose Geschichte der Hochstifte Miinster und Osnabriick bedeutsames Dokument dar. Nach seinem sorgfaltig gefiihrten Weiheprotokoll sind die Subdiakons-, Diakons- und Priesterweihen fast alle in dem Sacellum Beatae Mariae Virginis, der ,,B6nekerskirche" in Rheine erteilt worden; einige Male auch im Minoritenkloster zu Miinster und in Osnabriick; die Tonsur und die niederen Weihen des ofteren in seiner Hauskapelle43.

Im Status Ecclesiarum von 1772, dem Verzeichnis der Priester der Diozese Miinster, gibt es viele Priester, die angeben, in den Jahren 1759 bis 1770 die hi. Weihen empfangen zu haben. Es ist anzunehmen, dafi die jahrliche Zahl der Weihekandidaten in den 34 Jahren seines bischoflichen Wirkens ungefahr gleich geblieben ist, wie in den Jahren 1782 bis 1794. Bei einer Hochrechnung fur die Jahre 1759 bis 1794 kommt man dann iiber 6000 Weihehandlungen, davon sind iiber 1400 Priesterweihen, die durch Weihbischof d'Alhaus gespendet wurden. Unter den Kandidaten fur die Priesterweihe 1793 war Caspar Max Droste zu Vischering, der 1795 Weihbischof und 1825 Bischof von Miinster wurde.

41 Weifi, a.a.O. S. 164 42 A. Tibus, a.a.O S. 239

43 in den Weiheprotokollen verzeichnet

120

WEIHBISCHOF JOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

Zumeist wurden die Weihen in kleineren Gruppen an aufeinan-

derfolgenden Tageh in der ,,B6nekerskirche" gespendet. Die Kandidaten mufiten deshalb in Rheine Wohnung nehmen. Gewifi haben die Burger von Rheine sich in den langen Jahren darauf eingestellt, fiir die Unterkunft der Weihekandidaten zu sorgen. Auch die Kloster der Franziskaner und Kreuzherren werden sich wohl besonders um die Unterbringung ihrer Ordensbriider und anderer bemiiht haben. Aus dem Kloster Bentlage wurden in diesen zwolf Jahren vier Kreuzherren zu Priestern geweiht. Fiir die ,,Missio Batava" weihte d'Alhaus zwolf Priester44. Selbstverstandlich hat Weihbischof d'Alhaus von Rheine aus an vielen Orten das Sakrament der Firmung gespendet. Pfarrer Johann Caspar Moller berichtet, dafi er 1764 in Meppen und Haselunne gefirmt habe. Anfang Oktober 1772 nahm er an der Feier des tausendjahrigen Domjubilaums in Osnabrikk teil. Die ganze Oktav hindurch firmte er dort etwa 8000 Firmlinge. Ebenso spendete er im Jahre 1781 das Sakrament der Firmung in Osnabriick45.

In Voltlage, der Heimat des beriihmten Reformpadagogen Bernhard Overberg, weihte d'Alhaus 1766 die neue Kirche und spendete 980 Firmlingen das Sakrament der Firmung46. Bernhard Overberg besuchte spater das Gymnasium der Franziskaner in Rheine und ist deshalb dem Weihbischof sicher oft begegnet. Am 20. Dezember 1779 wurde er von ihm in der ,,B6nekerskirche" zum Priester ge weiht47.

Das Wirken des Weihbischofs d'Alhaus mufi man im Zusammenhang mit seiner Zeit sehen. Die Welt war damals in einem unvorstellbaren Wandel begriffen. Die Zeichen der Zeit standen auf Sturm. Eigentlich war auch in Deutschland eine Revolution fallig wie in Frankreich 1789. Aber vielleicht waren die Deutschen ein wenig duldsamer als die Franzosen oder sie waren ein bifichen weniger schlecht regiert. Nichts, was uns heute im kirchlichen Raum beunruhigt, gibt es, was nicht auch damals - 1759 bis 1794 - schon dagewesen ware, vielleicht aber damals in bedeutend gefahrlicherer Weise.

44 Weiheprotokoll

45J.C. Moller, a.a.O S.2O3 46 Pfarrarchiv Voltlage 47 Weiheurkunde



J£ .• Mi

4

tih* tn. »>•' »>

Ernennungsurkunde

Die ,,Bonckerskirche" in Rhcine (Westfalen)

Kreuzhetrenkloster-Schlofi Bcntlage

(Ikarus-Luftbild Rheinc 1986)

WEIHBISCHOF JOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

121

Die gefahrlichste innerkirchliche Irrelehre jener Zeit, der Jansenismus, breitete sich aus. Diese Irrlehre hatte den Schein defer Religiositat fur sich. Sie erklarte die Masse der Menschen fur verdammt. Nur die Auserwahlten wiirden gerettet. Von einem Angehorigen dieser Irrlehre erscheint 1763 unter dem Pseudonym Febronius ein Buch, das den Papst bekampft und ihm seine Lehrautoritat abspricht, weil er den Jansenismus verurteilte. Im Jahr 1773 wird unseliger- und unbegreiflicher Weise der Jesuitenorden auf Drangen vieler weltlicher Machthaber durch den Papst aufgehoben.

Machtige deutsche Bischofe, die damals auch noch weltliche Fiirsten waren, vorab der Kolner Erzbischof Maximilian Franz und die

Bischofe von Mainz, Trier und Salzburg treffen sich in Bad Ems. Es kommt 1786 zur sog. ,,Emser Punktation". Die Bischofe wenden sich darin gegen den Primat des Papstes und betonen ihre Eigenherrlichkeit.

Dann vollzieht sich 1789 das Ereignis, das fiir Europa und die ganze Welt von einscheidender Bedeutung sein sollte: die Franzosische Revolution. Die Konigshofe in Frankreich, Spanien und Portugal sinken dahin, mit ihnen der Glaube an ein Konigtum von Gottes Gnaden. Die regierenden Bischofe haben jetzt andere Sorgen, als sich gegen den Papst zu wenden. Die franzosischen Revolutionare besetzen das linke Rheinufer. Der Kurfurst Maximilian Franz von Koln mufi fliehen und kehrt nie wieder zuriick. Auch in Rheine und Umgebung sind damals 54 franzosische Priester, deren Namen noch bekannt sind, aufgenommen worden, weil sie von den Revolutionaren in Frankreich vertrieben wurden. Im Kreuzherrenkloster Bentlage sind auch einige von ihnen untergebracht48.

Auch in Rom ziehen die Revolutionstruppen ein. Der achtzigjahrige Papst Pius VI wird gefangengenommen und stirbt in der Verbannung. WeihbischofJoannes d'Alhaus starb am 24. Mai 1794, nachdem er noch zwei Tage vor seinem Tod vier Diakonen das Sakrament der Priesterweihe in der ,,B6nekerskirche" gespendet hatte.

48 Liste des Ecclesiastiques fran^ais, qui ont regu l'hospitalite dans les Villes et Pays de

Miinster pendant les annees 1794 et 1795. Manuskript im Staatsarchiv Miinster M 195.

122

WEIHBISCHOF JOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

Er konnte nicht ahnen, daft nach den folgenden turbulenten Jahrzehnten zu Anfang des 19. Jhs. ein Friihling christlichen Lebens ausbrechen wiirde. Die Bischofe werden jetzt nicht mehr Fursten, sondern Bischofe sein, die an erster Stelle die Seelsorge an den ihnen anvertrauten Diozesanen sehen. Manner, wie Bischof Sailer von Regens-

burg und sein Schiiler Melchior Diepenbrock, Fiirstbischof von Breslau, Theologieprofessoren, wie Johann Baptist Hirscher, werden

wohltuenden Einflufi in der Kirche Deutschlands bekommen. Wenn menschliches Wissen und Konnen keinen Ausweg aus Leid, Not und Drangsal mehr sehen, dann offnet der Herr den Weg zur Rettung in seiner Weise und zu seiner Zeit, an die kein Mensch gedacht hat. Ein apostolischer Wegbereiter dieser neuen Bliite der Kirche im 19. Jh. als einer ecclesia semper reformanda scheint mir auch der Weihbischof Joannes Wilhelm d'Alhaus zu sein.

Wilhelm TRAPPE Pfr.

SAMENVATTING

Prior Johannes Wilhelm d'ALHAUS was op het ogenblik van 2ijn wijding-tot-Bisschop de 34-ste Prior van het Kruisherenklooster van Bentlage. Klooster Bentlage (nabij Rheine) werd gesticht in 1437 vanuit Keulen. Vanuit Bendage werd Ter Apel gesticht in 1465 en later ook Scharmer in 1489. Regelmatig werden confraters vanuit Bentlage uitgezonden naar andere kloosters voor hogere functies, onder andere naar Hoorn, Sneek, Franeker, de Zuidelijke Nederlanden, Rijnland en zelfs Engeland. In 1490 leefde in Bentlage een communiteit van 52 mensen. Meer dan 360 jaren bestond klooster Bentlage. De auteur schetst de weldoende invloed op stad en omgeving zowel op geestelijk, kultureel en onderwijsniveau, als in de zorg voor armen en zieken. J.W. d'Alhaus werd geboren in 1716, trad in bij de Kruisheren van Bentlage waar hij in 1735 professie deed. Hij werd er later Prior gekozen in 1756. Keurvorst Clemens August von Bayern, Aartsbisschop van Keulen, logeerde van tijd tot tijd bij de Kruisheren van Bentlage en kende hem zodoende persoonlijk. In 1758 vroeg hij hem om wijbisschop te worden van Miinster... en later ook van Osnabriick. De Bisschopswijding had plaats in Paderborn bij de Paters Jezuieten op 4 febr. 1759- D'Alhaus ging wonen in Rheine, op de grens van de bisdommen Miinster en Osnabriick. Volgens meerdere aangehaalde bronnen zou d'Alhaus in de loop van zijn 35 jaren activiteit meer dan 6000 wijdingen hebben verricht, waarvan meer dan 1400 Priesterwijdingen.

WEIHBISCHOF JOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

123

Het artikel weidt nog uit over de diverse secretarissen van de Wijbisschop, over beroemd geworden wijdelingen, over gevluchte priesters en kloosterlingen uit Frankrijk, over het toedienen van het Vormsel.

D'AIhaus stierf op 24 mei 1794, nadat hij twee dagen van te voren nog vier priesters had

gewijd.

Zie ook Dr. H.U. WEISS, Die Kreuzherren in Westfalen, in Clairlieu 1962-63, p. 161,

241-242 e.a.

C. BRASSEUR o.s.c.

SUMMARY

Up to the date he was consecrated as a bishop Joannes Wilhelm d'ALHAUS was the 34 th

prior of the crosier community of Bentlage.

This convent near Rheine was founded in 1437 out of Cologne. On their turn the crosiers of Bentlage were the founders of Ter Apel in 1465 and later on Scharmer in 1489. As another matter of fact more than once confreres of Bentlage were sent to other convents for higher func tions, e.g. to Hoorn, Sneek, Franeker, the Southern Netherlands, the Rhineland and even England.

In 1490 there was in Bentlage a community of 52 people. The convent persisted for more than 360 years. The author describes the good influence they spread on town and the surroun dings on spiritual, cultural and teaching way, as well as their care for poor and sick. J.W. d'Alhaus was born in 1716, entered the Order in Bentlage, where he was professed in 1735. He was elected prior in 1756. The prince-elect Clemens August von Bayern, archbishop

of Cologne was lodging now and then at the crosiers of Bentlage and so he was a personal friend. In 1758 he proposed him to become auxiliary bishop of Munster... and later on also of Osnabruck. His consecration took place at Paderborn with the Jesuits on february 4 1759. d'Alhaus took his seat in Rheine, on the border of the dioceses Munster and Osnabruck. According to a series of mentioned sources d'Alhaus should, during the 35 years of his ac tivities, have performed more than 6000 ordinations, included more than 1400 ordinations to

the priesthood.

The article is giving moreover information about the secretaries of the bishop, about famous priests he had ordained, about refugees (priests and monks) of France and about administe ring confirmation.

D'Alhaus died may 24 1794, two days after he had once more ordained four priests. See moreover Dr. H.U. WEISS, Die Kreuzherren in Westfalen, in Clairlieu 1962-63, p. 161, 241-242 a.o.

D. SNIJDERS o.s.c.

RESUME

Au moment de sa consecration comme Eveque Coadjuteur en 1759J.W. d'Alhaus etait le

34-me Prieur des Croisiers de Bentlage. Le couvent de Bentlage fut fonde en 1437 par la communaute de Cologne. C'est de Bentlage que sont partis plus tard les fondateurs de Ter Apel en 1465 et de Scharmer en 1489. Tout le long de leur histoire de nombreux Croisiers de Bentlage ont ete elus a des fonctions superieures

124

WEIHBISCHOF JOANNES WILHELM d'ALHAUS O.S.C. 1759-1794

dans d'autres couvents, e.a. Hoorn, Sneek, Franeker, les Pays-Bas du Sud, en Rhenanie et meme en Angleterre. La communaute de Bentlage comptait 52 membres en 1490. Le couvent a existe pendant

quelque 360 annees. L'auteur evoque l'influence bienfaisante des Croisiers sur la ville et la re gion dans le domaine spirituel et culturel, dans l'enseignement et par leur hospitalite envers les pauvres, les malades et les gens de passage. J.W. d'Alhaus naquit en 1716, il entra chez les Croisiers de Bentlage ou il fit profession en 1735. Plus tard il fiit elu Prieur du couvent en 1756. Le Prince Electeur Clemens August von Bayern, Archeveque de Cologne, logeait de temps en temps chez les Croisiers de Bendage et ainsi il connaissait personnellement le Prieur. En 1758 il le sollicita de devenir Eveque Coadjuteur a Miinster et plus tard aussi a Osnabriick. La con secration du nouvel Eveque eut lieu a Paderborn dans l'eglise des Peres Jesuites le 4 fevr. 1759. D'Alhaus allait prendre domicile a Rheine (tout pres de Bentlage) sur la frontiere des dioce ses de Minister et d'Osnabriick. D'apres les multiples sources d'Alhaus a fait plus de 6.000 ordinations pendant les 35 an nees de ses activites episcopates, dont quelque 1400 ordinations sacerdotales. Le texte nous renseigne aussi sur plusieurs de ses secretaires, sur quelques ordinants devenus celebres, sur des pretres et des religieux refugies de France, etc. D'Alhaus est mort le 24 mai 1794 ... deux jours apres avoir ordonne encore 4 pretres. (A voir aussi: Dr. H.U. WEISS, Die Kreuzherren in Westfalen, dans Clairlieu 1962-63, p.161, 241-242, e.a.)

C. BRASSEUR o.s.c.

IN MEMORIAM GERARD VAN HOORN (1919-1990)

Op 2 jan. van dit jaar overleed te Oef-

felt nabij Sint-Agatha onze medewerker Kruisheer Gerard Van Hoorn, Oud-Prior van Sint-Agatha. Op 1 maart 1965 werd

hij lid van Clairlieu. In jg. 1971 publiceerde hij de Index op de ,Jnventaris van het archief van Sint-Agatha 1371-1887" door dhr. H. Douma (390 p.) (Index: 92 p.). In de loop derjaren verschenen van hem in de Kroniek van Clairlieu een 25-tal korte berichten. Hij werd geboren te Boxtel op 5 aug, 1919, werd geprofest op 28 aug. 1939, Priester gewijd op 28 juli 1946. Hij stu-

deerde na zijn priesterwijding enige tijd te Leuven en te Rome, o.a. aan het Vaticaans Instituut voor Kerkelijk Archiefen Bibliotheekwe-

zen. Hij was jarenlang Archivaris en Bibliothecaris te Sint-Agatha en was ook Voorzitter van de Historische Kring in Cuyk en omgeving. Hij overleed vrijplots op 2 jan. 1990 en werd begraven te SintAgatha op 6 jan. 1990. Prior L. Sips sprak bij de uitvaart het vol-

gende in Memoriam uit.

Beste zusters, broers, neven en nichten van pater Van Hoorn, vrienden en kennissen, beste confraters. Eigenlijk waren onze wen-

sen voor het nieuwe jaar 1990 nauwelijks op onze lippen bestorven

of voor confrater Gerard van Hoorn ging de wens abrupt over in de realiteit van het zalig voor altijd rusten bij zijn hemelse Vader. Treden in het leven van een ander voor een In Memoriam is een mooie taak om de positieve aspecten van een persoon te belichten,

126

IN MEMORIAM GERARD VAN HOORN

maar vervult je toch ook van een huiver. Je hebt te maken met een

mens, uniek in zijn wezen, en die wil je in zijn eigen karakteristiek,

zijn eigenheid, niet te kort doen. Confrater Gerardus Hendrikus was

mij vanzelfsprekend bekend als lid van onze ordesgemeenschap in Nederland, maar slechts vagelijk. Deze kennis heeft zich verdiept in de laatste maanden, toen ik in mei hier in St.Agatha kwam. Gerard had toen zijn beste jaren achter de rug, sprak met uiterst zachte stem en kwam maar zelden uit zijn cocon, kwam zelden over de brug met

zijn eigen roerselen, met wat hem zelf inwendig bezig hield. Toch bekende hij me in een gesprek onder vier ogen, dat hij bij zijn confraters wat inactief overkwam, wat hem enorm speet, ,,maar

prior, ik kan ook niet anders, hoe graag ik het ook zou willen. Al jarenlang loopt mijn lichaam in een trage pas, geremd word ik door het zwakke lijf. Laat me maar gaan in mijn eigen tempo en dat

tempo heeft nu eenmaal niet de vaart, de dynamiek van onze snelle maatschappij, waar geldt dat tijd geld is. Ik heb mijn eigen tijd en daarmee mijn eigen pasmunt." Dit is de weerslag van een vrij recent onderhoud.

Gerard heeft zich altijd ingespannen om te doen wat van hem ge-

vraagd werd, was goed, hartelijk en zeer meelevend voor zijn medebroeders, die hij in zijn auto graag bracht, waar ze heen wilden. En

ik weet dat de confraters van St.-Agatha hem hiervoor altijd dankbaar zullen blijven.

Gerard was een gezelligheidsmens. Hij moest een vriendenkring om zich heen hebben, maakte graag een praatje , of om te buurten,

zoals ze hier zeggen, en heeft menig kaartje gelegd. In de vele jaren die hij hier in ons dorp doorbracht, heeft: hij ken

nis gemaakt met heel veel mensen. Ik denk dan met name aan Beers en later aan Oeffelt, waar hij jarenlang een vaste assistent was en waar hij ook plotseling overleed bij een onschuldig spelletje schaak. Hij was een vraagbaak voor jong en oud als het over historische onderwerpen ging en over genealogie in deze regio. Menige scriptie van middelbare scholieren werd ondersteund door de eruditie van pater

Van Hoorn. Zijn kennis werd gewaardeerd en zo was hij voorzitter van de historische kring in Cuyk en omgeving.

Nog niet zo heel lang geleden mocht ik op een afstandje waarnemen, hoe hij enkele belangstellenden onze oude boekenschat toonde. Als in een sacrale liturgische handeling werd dan de kluis geopend

IN MEMORIAM GERARD VAN HOORN

127

en toegang gegeven tot het heilige der heiligen, de oude gradualia,

vooral die van Johannes van Deventer, toegang tot de handschriften en incunabelen of wiegedrukken. Hij leidde de mensen in in de techniek van de oude hand-geschreven werken, waarvan bepaalde gebruiken overgenomen werden in de eerste drukwerken, hoewel dat langs een heel ander procede verliep. Als Gerard daar stond te doceren, een fraai handgeschreven bijbeltje liefdevol strelend, dan vlamde vakliefde in hem op en sprongen de vonken van zijn kennis over op zijn

toehoorders.

Dat waren zijn beste ogenblikken. En ik mag bekennen: we zullen zijn deskundigheid missen. Een deskundigheid die hij ook ten dienste stelde van het Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen.

Als je zijn kamer betrad, stormde er een chaos als van voor de eerste scheppingsdagen op je af, voor ons rommel en rimram, maar Gerard pikte er precies uit, wat waardevol was en juist dat werd keuriS opgeborgen en gerangschikt. In 1988, het jubeljaar van zijn kloosterleven, stort Gerard in. Zijn lichaam kan niet meer, zijn hart stuwt niet voldoende en enkele organen werken slechts minimaal. We mogen wel zeggen, dat hij toen voor de dood is weggehaald. Hij herstelde heel langzaam, kon wat door de tuin wandelen en durfde na verloop van tijd het stuur van zijn auto weer te hanteren, zij het dat zijn actieradius rondom St.Agatha lag. Als een tere vlinder fladderde hij rond, soms hoger, als het goed ging, soms lager in mineur. Op de dag van zijn overlijden waren we samen op een verjaardag. Op de terugweg vroeg ik: ,,Gerard, hoe gaat het er mee?" ,,Oh, zei hij, dezer dagen moet ik op controle en hoop ik dat ze me wat peppillen geven, maar ik voel me als een flakkerend oliepitje." Ik heb

daar verder geen aandacht meer aan besteed, totdat 's avonds de

jobstijging kwam.

Gerard, met respect en eerbied denken we aan je terug. In jouw omstandigheden van een lichaam dat niet mee wil, heb je met je talenten gewoekerd. Dan zal de hemelse Vater, waar je een erfgenaam van bent - we hebben het vermeld in de begroeting - je dat met rente vergoeden. Gerard, geniet van je eeuwige rust en misschien van je ontmoeting met Johannes van Deventer. Amen. REDACTIE

KRONIEK

JAARVERGADERING CLAIRLIEU 1990 Op woensdag 18 april te Maaseik.

Aanwezig'. Cl. Brasseur, voorzitter van de kring en de leden: K. Cools, J. Corstjens, H. Douma, G. Reijners, W. Slangen, D. Snijders en P. Winkelmolen. Als gast woonde J. Remmerswaal, generaal-assistent te Rome en lid van de Historische Commissie de vergadering bij. Verontschuldigd hadden zich de leden: R. Janssen en A. Zwart. De voorzitter herdacht allereerst Pater Gerard van Hoorn, die sinds 1965 lid van onze kring geweest is en begin Januari 1990 plotseling gestorven is. Na zijn priesterwijding had hij een opleiding als bibliothecaris in Leuven en Rome genoten. Daarna volgde zijn benoeming tot bibliothecaris en archivaris van het klooster St. Agatha. In deze hoedanigheid verzorgde hij de alphabetische index op de inventaris van het kloosterarchief van St. Agatha, dat door de heer H. Douma beschreven en uitgegeven was in Clairlieu, jaargang 1970-1971. Hij was ook jarenlang de voorzitter van de historische kring te Cuyk.

Het verslag van de jaarvergadering 1989 werd goedgekeurd. Vervolgens lichtte de penningmeester, P. Winkelmolen, het financiele verslag van het boekjaar 1989 toe. De rekening van de uitgave van Clairlieu, de voornaamste uitgavenpost, werd eerst in 1990 aangeboden en komt dus eerst in het volgende finan ciele overzicht. De voorzitter dankte hem voor zijn goed beheer.

Het mandaat van R. Janssen als lid van de redactie van Clairlieu werd met drie jaar verlengd.

Inhoud Clairlieu 1990: De jaargang 1990 zal een lijvig artikel van mevrouw N. Vermeulen over het Kruisherenklooster van ter Apel bevatten, een artikel van emeritus-pastoor W. Trappe over Joannes d'Alhaus, prior van Bentlage en wijbisschop van Munster en Osnabriick alsmede een artikel van prof. J.M. Hayden over het Kruisherenklooster Saint-Georges in Bretagne.

Inhoud Clairlieu 1991: voor deze jaargang mogen wij rekenen op een bijdrage van Dr. H.U. Weift over een lijst met boeken van het klooster Bentlage voor de

130

KRONIEK

veiling van de boeken na de opheffing van het klooster, eventueel een tweede bijdrage over de bibliotheek van het klooster Glindfeld. Jo Corstjens zegde een bijdrage toe over Anthonius Schenck van Nijdeggen, Kruisheer van Venlo. Mogelijk wordt ook nog een scriptie over de kloostergoederen van St. Agatha opgenomen.

Publicaties van en over Kruisheren. De voorzitter deelde mede dat jaargang

1989 van Clairlieu, een uitgave van 200 bladzijden, tevens bedoeld was als een hommage aan Dr. A. Ramaekers, de eerste en langjarige hoofdredacteur van het

tijdschrift Clairlieu. In 1990 zal ook een brochure verschijnen om onze in 1964-1965 vermoorde confraters te herdenken. Ook ,,Kruis en Wereld" zal een z.g. ,,Buta-nummer" aan hen wijden.

Verder hoopt de kring zijn plan de in Cruciferana (nova series) nrs. 25-28 be-

gonnen bibliographie voort te zetten over de jaren 1979-1989 en dit jaar te kunnen verwerkelijken. Al veel bibliographische gegevens zijn verzameld. De kring hoopt dat het generalaat der Orde te Rome de uitgave zal verzorgen.

Tentoonstellingen: In het Schlofi te Wickrath (Monchengladbach) wordt van 6-20 Mei een tentoonstelling over de Kruisheren gehouden naar aanleiding van het feit dat de Kruisheren 500 jaar geleden in Wickrath een klooster gesticht hebben (zie ook Kroniek). Ook in ter Apel wordt van 30 Mei tot en met 21 October een tentoonstelling

gehouden over de bouwgeschiedenis van het klooster ter Apel en het leven van de Kruisheren (zie ook Kroniek).

Klooster Maastricht'. De stichting ,,La Providence" wil het klooster van de stad Maastricht overnemen en heeft contact gezocht met de moderne religieuze congregatie ,,Freres de St. Jean". Met de steun van het Rijk en het Bisdom en met giften van particulieren wil de stichting de restaurering van het klooster (geraamde kosten 6 Miljoen gld) bekostigen.

Archief Clairlieu: P. Winkelmolen is doende het archief van de stichting Clair lieu en de daarin gedeponeerde dossiers te ordenen en te beschrijven. Hij zal ook de voorzitter van Clairlieu en het historisch Instituut te Bonn een inventa-

rislijst ter beschikking stellen.

Naar aanleiding hiervan spraken meerdere leden hun bezorgdheid uit over het toekomstige lot van onze kloosterarchieven, waardevolle handschriften, boeken

en pretiosa, dit gezien in het licht van de snelle afname van het ledenbestand

KRONIEK

131

in vele van onze Europese kloosters. In Nederland bestaat sinds kort een stichting ,,Kloosterarchieven'\ waarbij ook de Kruisheren aangesloten zijn. Tevens is er een overleg begonnen tussen de bibliothecarissen van St. Agatha, Uden en Amersfoort. Ook kan men gebruik maken van de diensten van het documentatiecentrum in Nijmegen. De Belgische provincie der Orde kent een bibliotheekcommissie. Bovendien wordt in Maaseik in de nieuwbouw ruimte voor archieven ingericht.

Daarom dringt de kring er bij de Historische Commissie op aan, de bezorgdheid van de leden van Clairlieu voor het behoud van archivalia, handschriften, waardevolle boeken en pretiosa, bijzonder bij opheffing van huizen, in een motie tot uitdrukking te brengen. Reeds in 1987 had de Historische Commissie zich op grond van een gehouden enquete daarover tot het Bestuur van de Orde gewend. Zij wil echter het provinciaal kapittel in Belgie (1990) en het Generaal Kapittel 1991 om duidelijke richtlijnen in deze verzoeken.

Statutenwijzigingen-. De voorgestelde wijzigingen in de statuten van de histo rische kring ,,Clairlieu" werden alle door de ledenvergadering goedgekeurd. De tekst van de gewijzigde statuten zal aan de Magister Generaal ter goedkeuring worden voorgelegd en dan de leden worden toegestuurd. De volgende jaarvergadering werd vastgesteld op woensdag 3 April 1991, te beginnen om 14.30 uur, wederom in Maaseik.

Gerard REIJNERS o.s.c.

K. ELM (Hrsg), Reformbemuhungen und Observanzbestrebungen im spdtmittelalterlichen Ordenswesen (Berliner Historische Studien Bd 14; Ordensstudien VI), IX + 614 Seiten + Personen- und Ortsnamenregister, Berlin 1989.

Ein Arbeitskreis fur vergleichende Ordensforschung hat sich unter Leitung von Prof. Kaspar Elm von der Freien Universitat in Berlin/West mehrere Jahre intensiv mit den Ordensreformen im Spatmittelalter befafit. Zudem wurden in diesem Zusammenhang drei Kolloquien in Berlin veranstaltet, und zwar in den Jahren 1978, 1979 und 1981. Die auf diesen Tagungen gehaltenen Referate behandelten: im Jahr 1978 Reformbestrebungen bei Mendikanten, Ritter- und Hospitalorden, 1979 bei Monchs- und Kanonikerorden, im Jahr 1981 das Verhaltnis der Papste, Konzilien und Theologen einerseits und der Reichs- Landesoder stadtischen Obrigkeit andererseits zu diesen Ordensreformen. Dabei lag die Absicht vor, diese Beitrage in einer Weise zu veroffentlichen, ,,die es erlauben sollte, diese Reformen als Gesamtphanomen zu begreifen" (Vorwort).

132

KRONIEK

Auf der Tagung von 1979 hat unser leider verstorbener Pater Piet van den Bosch iiber die Kreuzherrenreform im 15. Jh. referiert. Da er sowie einige andere Referenten das Erscheinen dieses Sammelbandes (1989) nicht mehr erlebt hat, wurde dieses Werk pietatsvoll ihrem Andenken gewidmet. In einem einleitenden Artikel (S. 3-19) gibt Prof. Elm einen Uberblick iiber die Reform- und Observanzbestrebungen im Spatmittelalter. Lange Zeit, so

K.E., hat man diese Periode in der Studie der Spiritualitat nicht gebuhrend gewiirdigt. Erst seit einigen Jahrzehnten wird sie als bedeutende Entwicklung eingeschatzt. Aufierdem hat man zuviel die Reformen in den einzelnen Orden, zu wenig aber den Zusammenhang beachtet.

Mit seiner Einleitung will Prof. Elm einen knappen Hinweis auf das Ausmafi der Reform- und Observanzbewegungen geben, auf ihre Trager sowie ihre historische Bedeutung. Bei der Reihenfolge der nachstehenden Aufsatze hat er die klassische Aufteilung in monastische, kanonikale und mendikantische Or den (zusatzlich Hospital- und Ritterorden) beibehalten. Schliefilich betont er, dafi diese Reformen grofie Divergenzen in der Zielsetzung aufweisen: Von Straffung der Organisation einerseits (bei den Ritterorden) bis zur Erneuerung der urspriinglichen Ideale (bei den Bettelorden). Obwohl

die Reformen im allgemeinen eine Riickkehr zur anfanglichen Observanz bezweckten, sollte man nicht vergessen, dafi die Religiositat des Spatmittelalters nicht mehr identisch sei mit der des Friih- oder Hochmittelalters. Von den 29 nachfolgenden Aufsatzen mochte ich lediglich die drei Beitrage iiber die Kanonikerorden besprechen.

L. MILIS, Reformatory Attempts within the Ordo canonicus in the Late Middle Ages (S. 61-69)

Professor Ludo Milis (Gent) beschrankt sich in diesem Aufsatz auf einige allgemeine Bemerkungen, die die Orden von Premontre, Arrouaise und St. Viktor sowie die Kreuzbruder betreffen. Die drei erstgenannten Orden fanden im 12. Jh. eine rasche Verbreitung. Als Griinde fur einen gewissen Niedergang im 14. Jh. kommen aufier den allgemein kirchlichen, politischen und gesellschaftlichen Ursachen besonders die Abwesenheit auf den jahrlichen Generalkapiteln, das schwindende Gemeinschaftsleben und das Nachlassen der Klosterdisziplin in Betracht. Die Orden von St. Viktor und Arrouaise habe es nicht mehr geschafft, diese Mifistande griindlich zu beseitigen, den Pramonstratensern und den Kreuzbriidern ist dies wohl gelungen. Den Kreuzbriidern spendet er ein grofies Lob, da sie schon 1410 aus innerer Kraft heraus zu einer radikalen Erneu erung gefunden haben (S. 69).

W. KOHL, Die Windesheimer Kongregation (S. 83-106)

Die wichtigsten Gedanken von Professor Kohl (Miinster) in bezug auf Re form bestrebungen mochte ich wie folgt zusammenfassen:

KRONIEK

133

Der Windesheimer Kongregation ging kein Verfall in der eigenen Ordensgemeinschaft voraus, sondern sie war eine Neugriindung, erwachsen aus Impulsen der niederlandischen Frommigkeitsbewegung der Devotio moderna. Der Urheber dieser aus der Laienwelt kommenden Erneuerungsbewegung war Geert Groote aus Deventer (1340-1384). Er selbst griindete eine erste Gemeinschaft von Frauen (Schwestern vom Gemeinen Leben), sein Schiiler Florens Radewijns die erste Mannergemeinschaft (Briider vom Gemeinen Leben). Es waren reli giose Gemeinschaften in der Welt, ohne Gelubde oder Klausur. Ihre grofte Ausstrahlung ist lediglich aus ihrer frommen Lebensweise 2u erklaren, die im Gegensatz zur lassigen Praxis in vielen Kldstern stand. Ihr einfaches, schlichtes Leben, ihr Einsatz fur die Armen sowie fur die religiose Bil-

dung der Jugend beeindruckten ihre Umwelt. Ihre Spiritualitat war sehr pragmatisch, genahrt durch Lektiire der HI. Schrift, durch Betrachtung und Gebet, getragen durch ihr Gemeinschaftsleben. Aus dieser Bewegung ist die Windesheimer Kongregation als Orden in kirchenrechtlichem Sinne hervorgegangen (1387). Dadurch erhielt die Devotio moderna einen klosterlichen Stiitzpunkt. Mit der Ubernahme der Augustinerregel und mit Konstitutionen beeinflufit vom Augustinerstift Groenendael bei Brussel und von der Kartause Monnikhuizen bei Arnheim, schlojS sie sich den Augustiner-Chorherren an. Bald wurde von Windesheim aus in den Niederlanden und in Westfalen (u.a. Frenswegen), spater in ganz Deutschland, neue Niederlassungen gegriindet. Andere Augustiner-Chorherrenstifte traten der Windesheimer Kongregation bei. Fur die Reformen in den AugustinerChorherrenstiften bildete die Konstitution ,,Ad decorem" von Benedikt XII (1339) die Grundlage. Die Windesheimer (u.a. Johannes Busch) haben sich im 15. Jh. fur diese Reformen kraftig eingesetzt. Dieser Aufschwung der Windes heimer endete jedoch im 16. Jh., auch infolge der Reformation und der daraus folgenden Aufhebung des Mutterhauses wie anderer Kloster in den nordlichen Niederlanden und in den evangelisch gewordenen Territorien Deutschlands. P. VAN DEN BOSCH, Die Kreuzherrenreform des 15. Jhs. Urheber, Zielsetzung und Verlauf, S. 71-82

Dieser Beitrag ist die Niederschrift des Referats auf der Tagung fur Ordensgeschichtler, 1979 in Berlin gehalten. Im Ganzen ist es eine knappe Zusammenfassung der Doktorarbeit des Referenten: ,,Studien over de observantie der Kruisbroeders in de vijftiende eeuw", Diest 1968 (= Clairlieu 1968). Beim Vergleich beider Texte is mir folgendes aufgefallen:

Seine Untersuchungen von Handschriften und Buchern aus den Bibliotheken der Kreuzbriiderkloster hat Piet van den Bosch seit 1968 intensiv weitergefiihrtl. Dabei richtete sich sein Augenmerk vor allem auf die Quellen unserer i Vgl. P. van den BOSCH, De bibliotheken van de Kruisherenkloosters in de Nederlanden voor 1550, in ,,Studies over het boekenbezit en het boekengebruik in de Nederlanden voor 1600, Brussel 1974, 563-636, bes. 616-617.

134

KRONIEK

Spiritualitat. In seinern Referat hat er besonders die Bedeutung von Hugo von

St. Viktor hervorgehoben (S. 78-79)2. Auch die Passionsfrommigkeit der Kreuzbriider bekommt einen starkeren Akzent (S. 81-82) als in seiner Disser tation

Mit dem Verfasser bin ich einverstanden, dafi die Ordensreform von 1410 und ihre Durchfuhrung vor allem aus der inneren Kraft des Ordens selbst hervorging. Zugegeben, daft es schon im 14. Jh. im Ordenswesen mehrere Reformbestrebun-

gen gegeben hat, frage ich mich doch, ob P.v.d.B. in seinem Referat (S. 80-81) den Einflufi der Devotio moderna auf unseren Orden nicht als zu gering einschatzt. Eine so weit um sich greifende Erneuerungsbewegung wie die Devotio moderna in den Niederlanden, Westfalen und den Rheinlanden hat meines Erachtens nicht vor den Pforten der Kreuzbriiderkloster halt gemacht. Es ist iibrigens bekannt, dafi viele ehemalige Schuler der Fraterherren bei den Kreuzbriidern (u.a. in Huy und Bentlage) eingetreten sind. Das Jahr 1410 war erst der Anfang der Ordensreform. Wahrscheinlich waren auf dem Generalkapitel 1410 nur die Prioren von acht Klostern anwesend (S. 77). Die Durchfiihrung dieser Reform, die vor allem in den Niederlanden und den Rheinlanden Erfolgt hatte, dauerte bis Mitte des 15. Jhs. Mit Recht schreibt Pater P. van den Bosch: ,,Diese schnelle Verbreitung ist teil-

weise auf die Reformwilligkeit der Kreuzbriider selbst, teilweise auf das energi-

sche Vorgehen des Generalkapitels und seiner Visitatoren zuriickzufiihren" (S. 77). Diese Reformwilligkeit der Kreuzbriider ist, meine ich, auch dem religios giinstigen Klima zu verdanken, das die Devotio moderna am Ende des 14. Jhs. und in der ersten Halfte des 15. Jhs. in den Niederlanden geschaffen hat. Aufierdem sind uns die guten Beziehungen bekannt zwischen den Devoten und den Kreuzbriidern u.a. in der Person des Generalpriors Helmicus Amoris van Zutphen (1415-1433) und in Koln und Osterberg. Dieser Einflufi wird iiberdies bestatigt durch Werke der Devoten (u.a. Geert Groote, Gerhard Zerbolt von Zutphen und Thomas von Kempen) in vielen Bibliotheken der Kreuzbriider kloster4. Das ganze Referat von Pater van den Bosch zeugt vom grofien Sachverstandnis eines Mannes, der diese Materie beherrschte. Um so mehr bedauere ich es, dafi wir ihn vermissen miissen.

Bei der Lektiire dieses Sammelbandes ist mir klar geworden, wie umfangreich und vielseitig dieses Problem der Ordensreformen sei, Vollstandigkeit war unmoglich. So kann ich es verstehen, dafi u.a. Beitrage iiber Reformbemiihungen in anderen Kreuzherrenorden und bei den Pramonstratensern fehlen.

2 Vgl. DERS., Hugo van St. Victor in de bibliotheken van de Kruisberen, in Clairlieu 1979, 105-108.

3 Vgl. DERS. Einfiihrung in die Passionsliteratur in den mittelalterlichen Kreuzherrenbibli-

otbeken, in Clairlieu 1980, 13-37. 4 Vgl. DERS, Thomas van Kempen en de Kruisheren, in Archiefvoor de Geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland13, 1971, 277-307, bes. 279-288.

KRONIEK

135

Das Ziel des Berliner Arbeitskreises: auf die Bedeutung und die Vielfalt der

Reformbestrebungen im spatmittelalterlichen Ordenswesen als Gesamtphanomen hinzuweisen, scheint mir durch die Ausgabe dieses Sammelbandes jedenfalls erreicht. Dr. Ger.Q. REIJNERS o.s.c.

NIEDERRHEIN - WESTFALEN K. ELM, Mittelalterliches Ordensleben in Westfalen und am Niederrhein. Bonifatius-Verlag Paderborn 1989, 258 S. Preis DM 54,-

Unter diesem Titel hat Professor Kaspar Elm (Berlin) zwolf Aufsatze gesammelt, die er schon vorher gesondert in Sammelbanden oder in Zeitschriften veroffentlicht hatte, Er hat sie in diesem Band in drei Gruppen aufgeteilt: I. Pramonstratenser, Zisterzienser und Wilhelmiten (S. 7-129) II. Bettelorden (S. 130-213) III. Devotio moderna und Kreuzherren (S. 214-255)

Abschliefiend folgt noch eine Liste mit seinen weiteren Veroffentlichungen, die das mittelalterliche Ordensleben in Westfalen und am Niederrhein betreffen. Den ersten Aufsatz in diesem Sammelband: Norbert von Xanten. Bedeutung, Personlichkeit, Nachleben habe ich schon erwahnt in meiner Besprechung von: Norbert von Xanten. Adliger, Ordensstifter, Kirchenftirst m Clairlieu 1989, S. 191ff. Hier mochte ich mich auf die dritte Gruppe: ,,Devotio moderna und Kreuz herren" beschranken.

Der erste Aufsatz dieser Gruppe: Die Bruderschaft vom gemeinsamen Leben. Eine geistliche Lebensform zwischen Kloster und Welt, Mittelalter undNeuzeit stammt aus dem Jahr 1985. Er wurde anlaftlich der sechsten Jahrhundertfeier des Todestages von Geert Grote (1984), dem Vater der Devotio moderna, verfafit. Diese in klarem Stil geschriebene Arbeit behandelt vor allem ,,die Lebens form, genauer die Rechtsfigur der Bruderschaft vom gemeinsamen Leben" (S. 216).

Das Neue an dieser Bruderschaft war, daft ihre Mitglieder zwar in Gemeinschaft lebten, aber nicht in einem Orden in kirchenrechtlichem Sinn. Sie fuhrten ein Leben in der Welt (in der Stadt) ohne Geliibde, ohne verpflichtende Regel und Konstitutionen, ohne einheitliches Ordensgewand. Sie lebten in Giitergemeinschaft und in Selbstbescheidung und hielten sich freiwillig an eine Hausordnung. Im Gegensatz zu den Mendikanten verdienten sie durch ihre Arbeit ihren Lebensunterhalt. All dies mutet sehr ,,modern" an und gilt auch heute noch als eine alternative Lebensweise von Christen in der Welt. Daft die ,,Devoten'' wegen dieser Lebensweise von einem Teil der Hierarchie und des Or-

136

KRONIEK

densklerus argwohnend beobachtet wurden, spricht fur sich. Aber dieser Tatsache verdanken wir mehrere Abhandlungen von Devoten selbst iiber ihre Lebensform, u.a. von Gerhard Zerbolt von Zutphen, Johannes Busch und Gabriel Biel. Glucklicherweise fanden sie auch einflufireiche Sympathisanten wie Pierre d'Ailly, Jean Gerson und Nikolaus Kues. Zum besseren Verstandnis der Lebensweise der Devoten wirkt dieser Aufsatz sehr klarend.

Der zweite Artikel: Die Devotio moderna im Weserraum befafit sich kurz (S. 231-235) mit der schnellen Ausbreitung der Briider vom gemeinsamen Leben in der ersten Halfte des 15. Jhs. in Westfalen: Munster, Osnabriick (Osterberg!), Herford und Hildesheim. Auf die ,,Fraterherren" folgten die WindesheimerChorherren mit Niederlassungen in Boddeken, Dalheim, Mollenbeck und Blomberg. Die Windesheimer haben auch die Reform der Benediktiner von Bursfeld mitbeeinflufit und im allgemeinen wesentlich zur neuen Bliite des Klosterlebens im Weserraum beigetragen.

Der dritte Aufsatz tragt als Titel: Entstehung und Reform des belgischniederl'dndischen Kreuzherrenordens. Ein Literaturbericht. Er wurde 1971 in der ,,Zeitschrift fur Kirchengeschichte" (S. 292-313) publiziert. In diesem Literaturbericht beriihrt Prof. Elm praktisch alle Probleme, vor denen sich unsere Ordensgeschichte heute gestellt sieht. Als ,,Aufhanger" benutzt er die Doktoratsthesis von Pater P. van den Bosch: Studien over de observantie van de Kruisbroeders in de vijftiende eeuw. Der leider verstorbene Pater van den Bosch hatte selbst darauf schon reagiert in Clairlieu 1973, S. 116-119. Auf seine Reaktion mochte ich hier nicht mehr zuruckkommen. Was den Einflufi der Devotio moderna auf die Kreuzherren betrifft und umgekehrt, neige ich jedoch mehr zu der Meinung von Prof. Elm hin. Die Ordensreform von 1410 ist nicht isoliert von anderen Reformbestrebungen im 14. und 15. Jh. zu sehen. Fur die Niederlande und den Niederrhein bedeutet dies, daft die Ordensreform in diesem Raum auch von der gleichzeitigen Erneuerungsbewegung, die als Devotio moderna in die Geschichte eingegangen ist, beeinflufit ist. Als eines der noch ungelosten Probleme nennt K.E. ,,Die Zuordnung der belgisch-niederlandischen Kreuzherren zu den iibrigen nichtritterlichen Kreuzherrenorden" (S. 254). Uber dieses Thema sollte Prof. Elm selbst auf dem ,,Congres on Medieval Studies" in Kalamazoo (U.S.A.) 1987 referieren. Leider ist dieses Referat damals ausgefallen. Die Redaktion von Clairlieu wiirde sich sehr freuen, wenn er bereit ware, den Text dieses Referates jetzt noch in der Zeitschrift ,,Clairlieu" zu veroffentlichen.

Dr.Ger. Q. REIJNERS o.s.c.

KRONIEK

137

SCHALKWIJK, HJ. van, Kruisen. Een studie over het gebruik van kruistekens in de ontwikkeling van het godsdienstig en maatschappelijk leven. Gooi & Sticht Hilversum 1989, 362 biz.

Onder deze titel schreef H. van Schalkwijk, directeur van de stichting Teleac te Hilversum, een breedopgezette studie, waarop hij in 1989 aan de Rijksuniversiteit te Utrecht promoveerde. Na een inleidend hoofdstuk over de leer der tekens (semiologie) en de toepassing daarvan (semiotiek) volgt een beschouwing over de morphologie (vormleer) van het kruis-teken. Vervolgens wordt het voorkomen van het kruis-teken in de verschillende culturen beschreven, ten dele chronologisch, overwegend echter thematisch. De behandeling spitst zich dan toe op het godsdienstige, en in het bijzonder op het christelijk gebruik. Na de Reformatie bepaalt de schrijver zich meer en meer tot Nederland en daarbij vooral tot de Protestantse Kerken. Hij besluit zijn onderzoek met een beschouwing over het hedendaags ge bruik van kruissymbolen.

Mij interesseerden vooral het vierde en vijfde hoofdstuk. In hoofdstuk 4 beschrijft de auteur het ontstaan en de ontwikkeling van de vroeg-christelijke kruissymboliek. In de eerste eeuwen van onze jaartelling waren dat vooral ,,verdekte" of ,,verhulde" kruissymbolen (bijv. het anker of de antieke gebedshouding), eerst later werden door Christenen kruisen ,,onverhuld" afgebeeld. In dit hoofdstuk mis ik een ruimere bespreking van Kruistypologie in het Oude Testament, zoals deze door Kerkvaders vanaf Justinus en Tertullianus geduid is. Ook is het gebruik van het kruis als liturgisch gebaar en in de volksvroomheid der Christenen ouder (reeds bij Tertullianus, Hyppolytus en in de Apokriefe Handelingen der Apostelen) als v. Sch. aangeeft. Het vijfde hoofdstuk handelt over de ontwikkelingen in de Middeleeuwen. Het verwondert mij dat de schrijver de Crux gloriae, zoals wij deze kennen uit de absis-mozaieken van S. Pudentiana in Rome en S. Apollinaris in Classe te Ravenna, niet vermeldt. Verder lijkt het mij niet afdoende bewezen, dat de graphische afbeelding van het kruis zich uit het Christus-monogram ontwikkeld heeft, zoals de schrijver beweert (biz. 124-125). Dat voor de Reformatie ,,in elke kerk een kruisweg aangebracht was" (biz. 159) is historisch onjuist. Ook v. Sch. betreurt ten diepste dat de beeldenstorm in het kader van de grote hervormingsbeweging in de zestiende eeuw onhersteibaar verlies aan het Nederlandse kunstbezit heeft aangebracht. Met instemming citeert hij (biz. 189) de Rijksbouwmeester C.H. Peters, die in 1901 schreef: ,,Het Protestantisme heeft in hoge mate ten schade gewerkt voor de kunstzin en de kunstontwikkeling van ons volk." De schrijver begroet het dan ook dat de gevoeligheid voor religieuze symboliek en dus ook voor de afbeelding van het kruis in het Nederlandse Protestantisme groeiende is. Al met al is in dit boek een massa aan materiaal verzameld; bij het lezen werkt dat hier en daar zelfs ietwat verwarrend. Aan een strengere selectie uit deze

138

KRONIEK

overvloed verbonden met meer plaatsruimte voor exegetische en kunsthistorische beschouwingen zou ik de voorkeur gegeven hebben. Dr. Ger. Q. REIJNERS o.s.c.

AACHEN. JOANNE NOPPIO SS. ix. Aacher Kronick (Keulen, 1632) vindplaats: Wenen Nationalbibliothek Nr. 40.C.5 ,, ... Dero Herren Creutzbriider Kirch und Kloster belangend haben das Kloster

gebawet jetzige Herren Creutzbriider die Kirch aber so damaln genant Capella S. Juliani Martyris ist jetzigen Herrn Creutzbriideren gegeben im Jahr unsers Heyls 1353 von den Junckern von Bongardt als welche solcher Kirchen Collationem und Jus Patronatas gehabt. Nachdem nun aber zu unseren Zeiten das

Kloster widerumb bawfallig worden hat jetziger Herr Prior R.D. Joannes Soye

dasselb auch zu restauriren angefangen und zimblich weit albereits aufigefurt und neben dem auch die new Mauren umb die gantze umbtgelegene Wisen und Garten gezogen. Gott gebe beyden jetzt gesagten Bawen ein gliickseligen Vortgang ..."

Jo CORSTJENS

BEYENBURG. Zweites Treffen von ,,Ordensgeschichtlern" in Deutschland Beim ersten gelungenen Treffen in Bonn 1988, zu dem Personen mit Wohnsitz in Deutschland eingeladen waren, die sich mit der Tat fur unsere Ordensgeschichte interessieren, wurde der Wunsch geaufiert, im nachsten Jahr wieder zusammenzukommen, am liebsten in einem traditionsreichen Kreuzherrenkloster.

So traf sich eine Gruppe von 22 Personen - unter ihnen der Provinzial Nico van Rijn und der Gastgeber Pater Gerard Vos - am 7. Oktober 1989 in Beyenburg, dem altesten Kreuzherrenkloster in Deutschland (gegriindet 1298). In einem Kurzreferat gab Bruder Dirk Wasserfuhr, selbst aus Beyenburg stammend, einen klaren Einblick in die Geschichte des Klosters. Er wiirzte seinen Vortrag mit mehreren Anekdoten und Geschichten, die noch immer im Volk kursieren. Anschliefiend folgte eine rege Diskussion und ein Austausch von Informati-

onen, die wahrend des Mittagessens in Kleingruppen fortgesetzt wurden. Am Nachmittag fiihrte Pater Vos seine Gaste durch die schone Kirche und das Kloster/Pfarrzentrum, wo im Kreuzgang eine standige Austellung von wertvollen Exponaten aus dem alten Kloster zu bewundern ist. Duch das personli-

che Engagement von Pater G. Vos sind seit 1963 in der Kirche, im Kloster und Innenhof viele Restaurations- und Renovierungsarbeiten ausgefuhrt.

KRONIEK

139

Beim anschlieflenden Kaffeetrinken folgte eine sehr positive Auswertung des Tages. Pater Provinzial sprach ein anerkennendes Schlufiwort. Ihm selbst gebiihrt Dank fiir seine moralische und finanzielle Unterstiitzung. Im Oktober 1990 hofft sich der Kreis zum dritten Male zu treffen. Ger. Q. REIJNERS o.s.c.

BENTLAGE U. Kiewisch, Eentlage. Beobachtungen zur baugeschichtlichen Entwicklung, in Rheine, Gestern-Heute-Morgen 1/85, S. 6-31. In der Zeitschrift RHEINE, Gestern-Heute-Morgen verdffentlichte Frau Uwe Kiewisch das Ergebnis ihrer grundlichen Untersuchung der Baugeschichte von Kloster Bentlage anhand der Daten aus der Bentlager Klosterchronik, die uns erhalten ist, und anhand von Beobachtungen am vorhandenen Baubestand. Im Anschlufi an die kurze Besprechung von dem leider verstorbenen Pater Dr. A. Ramaekers in Clairlieu 1989, S. 194-195, mochte ich hier im einzelnen auf die Baugeschichte des Klosters eingehen. Nach der Klosterchronik wurde zunachst von 1463-1466 der Ostfliigel an der Emsseite des Gelandes gebaut. Der Bau war zweigeschossig. Im Erdgeschofi befanden sich die Sakristei, der Kapitelsaal und der Kreuzgang, im Obergeschofl das Dormitorium (Schlafsaal). Anschliefiend entstand auf der Siidseite von 1468-1484 die spatgotische, einschiffige Klosterkirche. Am 29. September 1484 wurde sie geweiht. Um 1500 wurde eine Trennungswand (Lettner) zwischen Chorraum und Kirchenschiff eingebaut, geschmikkt mit Apostelskulpturen, die uns grofienteils erhalten sind. Die Kirche wurde leider nach zweimaligen Brand 1828 abgerissen. Danach folgte von 1499-1503 der Bau des unterkellerten Nordflugels. Er um-

fafite: die Priorskammer, das Kalefaktorium (geheizter Aufenthaltsraum), das Refektorium (Speisesaal), die Kikhe und den Kreuzgang. Im Obergeschoft befanden sich die Zellen der Kreuzbriider.

Frau Kiewisch meint, dafl im Kreuzgang an der Innenhofseite, dem Eingang des Refektoriums gegeniiber, noch Spuren eines Brunnenhauses (lavatorium) vorhanden sind.

Im Jahr 1511 kam es an der Westseite des Nordflugels zum Anbau einer neuen Kikhe mit geraumigem Speicher.

Mit dem Bau des Westfliigels hat man anscheinend erst in der ersten Halfte des 17.Jhs. angefangen. Leider brannte fast das ganze Gebaude im 30-jahrigen Krieg (1647) nieder. Nach dem Westfalischen Frieden (1648) fing man aber unter der Leitung des tiichtigen Baumeisters Albertus de Tirano aus dem Kreuzherrenkloster Marien-

frede schnell mit dem Wiederaufbau (1649-1657) an. Der Westflugel wurde nun bis zur Kirche verlangert. In diesem Fliigel befinden sich noch aufier dem Kreuzgang: eine profilierte Haupttiir mit schonem, holzernem Treppenhaus,

140

KRONIEK

die friihere Bibliothek oder neuer Kapitelsaal und weitere representative Raum-

lichkeiten und Gastezimmer. In mehreren Raumen des Westfliigels wurden dekorative Kamine eingebaut und Rokoko-Stuckdecken angebracht. Nach der Auflosung des Klosters (1802) hat die herzogliche Familie von Looz-Corswarem vor allem diesen Westfliigel bewohnt. Die Stadt Rheine kaufte 1978 Landereien und Kloster. Seit einigen Jahren bemiiht sich ein privater Forderverein ,,Kloster-Schlofi-Bentlage" darum, die schlimmsten baulichen Schaden zu beheben.

Der Aufsatz von Frau Ute Kiewisch ist sachlich, methodisch und mit grofier Genauigkeit geschrieben. Die Daten aus der Klosterchronik, chronologisch geordnet, gehen immer der Besprechung der einzelnen Fliigel des Klosters voran. Zeichnungen, Fotos und Grundrisse illustrieren den Text. Dafi die Kreuzbriider zu den Bettelorden gerechnet werden (S. 6) ist ein Irrtum, der sowohl im Mittelalter wie auch in der Neuzeit vielen unterlaufen ist. Frau Kiewisch konnte nicht wissen, dafi im Jahr 1989 Prof. H. Pfeiffer und Ing. Ch. Ellermann im Auftrag der Stadt Rheine und des Landes NordrheinWestfalen ein Gutachten iiber den heutigen Zustand des Klosterbaus und iiber eine eventuelle Instandsetzung und Benutzung erstellt haben1. Aus diesem Bericht mochte ich nur den ersten Satz anfiihren, der auf ahnliche Weise wie der Titel des Gutachtens von grofier Achtung vor der geschichtlichen Bedeutung des Klosters Bentlage zeugt: ,,Das Kloster Bentlage, das jahrhundertelang kultureller und geistiger Mittelpunkt der gesamten Region war, sollte so schnell wie moglich der Bevolkerung wieder zuganglich gemacht und zum kulturellen und geistigen Zentrum der Region ausgebaut werden" (S. 25). Dr. Ger. Q. REIJNERS o.s.c.

BENTLAGE Alfons KRAFELD, Die Geschichte der Saline Bentlage, in RHEINE, Gestern-Heute-Morgen 1/85, S. 32-49. In der gleichen Nummer der Zeitschrift ,,Rheine" finden wir noch einen interessanten Aufsatz, und zwar iiber die Geschichte der Saline (Salzwerk) Bentlage. Als die Kreuzbriider sich 1437 in Bentlage niederliefien, kam die Gertrudiskapelle mit all ihren Landereien in den Besitz der Klostergemeinschaft. Mit dem Erwerb des bischoflichen Hofes ,,Niederbentlage", der im Besitz der Bentlager Salzkoten war, ging das Eigentum - die Salzwiese, das Salzhaus und die Siedehutten - an das Kloster iiber. Die Kreuzbriider waren aber lediglich an einer Deckung ihres Eigenbedarfs an Salz interessiert, ohne auf eine gewerbsmafiige Nutzung Wert zu legen.

i H. Pfeiffer - Ch. Ellermann, Ein Kunst und Kulturdenkmal ersten Ranges. Kloster-

Schlofi Bentlage: Vor Verfall sichern und vielfaltig nutzen, in Rheine, Gestern-Heute-Morgen 1/89, S. 25-41

KRONIEK

141

Dies anderte sich aber schlagartig, als Alexander von Vehlen c. 1600 mit der Erlaubnis der Kreuzbriider und der Genehmigung des Hochstifts Miinster auf der Salzwiese des Klosters ans Werk ging. Er entdeckte dort ,,durch Gottes gna-

digen Segen" nutzbare Salzwerke, die in den sechs Brunnen eine betrachtliche

Menge an Sole (kochsalzhaltigem Wasser) lieferten. Im Jahr 1611 begann er mit einem Salzbetrieb, dem er den vielsagenden Namen ,,Gottesgabe" beilegte. Mit den Kreuzbriidern wurde ein Vertrag abgeschlossen, der den Gebriidern von Vehlen gegen eine jahrliche Pacht von 13 Talern, die Lieferung von 14 Tonnen Salz und eine Weide fur sechs Ochsen als Ersatz fur die Salzwiese die Ausbeutung der Salzquellen uberliefi (vgl. Chron. Bent. I, s. 17). Im Laufe der Zeit wurde dieses Salzwerk um neue Schachte, ein Gradierwerk und ein Salzsiedehaus erweitert. Ein Verbindungskanal mit der Ems (der Salinekanal), der 1745-1746 gegraben wurde, sollte durch seine Wasserkraft des salzhaltige Wasser hochpumpen.

Um 1890 konnte ein Badehaus fiir Kur- und Heilbader errichtet und c. 1900 ein Kurhaus gebaut werden. Dieses Kurhaus wurde 1917 an die Barmherzigen Schwestern von Miinster verkauft, die es als Exerzitienhaus ,,Gertrudenstift" einrichteten. Spater kam noch ein Kinderheim dazu, das jedoch seit 1970 als Fachschule fiir Sozialpadagogik verwendet wird. Die Salzgewinnung wurde 1922 eingestellt. Das Salzsiedehaus ist jetzt ein Museum. Das Gradierwerk steht noch da als ein historisches Denkmal; es wurde 1970 teilweise restauriert und renoviert.

Dieser Aufsatz von Alf. Krafeld ist klar und ubersichtlich geschrieben. Selbstverstandlich werden viele technische Termini verwendet, die fur ,,Laien" nicht ohne weiteres verstandlich sind. Fiir uns ist interessant, daft das Kloster Bentlage bei diesem Unternehmen seine - sei es bescheidene - Rolle gespielt hat. Dr. Ger. Q. REIJNERS o.s.c.

BENTLAGE

Kreuzherren besuchen Rheine und Bentlage

Am Montag, dem 12. Juni 1989, besuchten 12 Kreuzherren, die in Deutschland tatig sind, das Kloster Bentlage und die Saline ,,Gottesgabe". Zuvor wurden sie vom stellvertretenden Burgermeister von Rheine Helmut Kurzinsky und dem Stadtdirektor Klemens Ricken in der Gildenhalle des Falkenhofmuseums empfangen. Danach besuchten sie unter Leitung von Pfarrer Meiners die Dionysiuskirche und folgte eine Wanderung durch die Altstadt. Am Nachmittag wurden sie von Herrn Alfons Krafeld (Bauamt Rheine) durch das Kloster Bentlage und die noch bestehenden Gebaude der Saline ,,Gottesgabe" gefuhrt.

Der Stadt Rheine, dem Forderverein ,,Kloster-Schloft Bentlage" und Herrn Hans-Dieter Stockmann sei an dieser Stelle herzlich gedankt. Dr. Ger. Q. REIJNERS o.s.c.

142

KRONIEK

BONDO — BUTA. Vijfentwintig jaar geleden richtten rebellerende Simba's

een bloedbad aan in het bisdom Bondo. Onder de talrijke slachtoffers bevonden zich ook Kruisherenmissionnarissen. Zopas verscheen een gedenkboek: BUTA 1965 — KRUISHEREN, Opglabeek, mei 1990, 60 p. De redactie van deze rijk geillustreerde, pieteitsvolle brochure werd toevertrouwd aan een aantal Kruisheren uit Nederland en Belgie.

L. Graus, mag. gen. osc. bericht op p. 2: ,,Wij zijn nu vijfentwintig jaar verder en herdenken, plechtiger dan andere jaren, het feit dat zovelen van het bis dom Bondo werden vermoord. Wij doen het met pieteit en eerbied voor de beslissing van de missionarissen te blijven bij hun volk en met dankbaarheid en

fierheid over de manier waarop de vermoorde Zairezen getuigd hebben van hun geloof en hun trouw. Hun stemmen mogen niet verstommen. Hun daden moe ten blijven getuigen en hun namen moeten geschreven blijven in Gods hand maar ook in de hand van de volgende generatie. Hun verhaal moet verder ver-

teld worden opdat zulke bladzijde nooit meer zal geschreven worden. (...) Moge zij bijdragen tot een beter kennen, verstaan en verwerken van wat nu vijf entwintig jaar geleden is gebeurd."

Deze brochure benadert eerst het kenaspect: de feiten. Vervolgens zoeken de samenstellers naar de motieven van de missionarissen om op hun post te blij ven en naar de motieven van de Simba's. Tenslotte wijzen de samenstellers erop dat, niettegenstaande nog steeds niet verwerkt verlies, de Kruisheren naar Zaire

zijn teruggekeerd... De brochure bevat bovendien in korte lijnen de hele geschiedenis van de Orde van het H. Kruis. Persoonlijk vinden wij deze geschiedenis minder geslaagd... De samenstellers motiveren deze korte historiek als

volgt: ,,Als je achteraf meerdere eeuwen kunt overzien, voel je steeds beter aan, wat in het leven van die Orde als wezenlijk werd gezien en wat als situatiegebonden... en wat aan gemeenschapszin, collegialiteit en subsidiariteit is doorgegeven tot op onze dagen toe." (p. 58).

Vinculum, dl.8, nr.3, mei 1990, pp.39-67, bevat een lang artikel van kruisheer Gerard Kester, dat hij schreef tijdens zijn gevangenschap. Het werd in Buta teruggevonden. Kester werd op 30 mei 1965 vermoord en het manuscript werd beeindigd op 22 april 1965. Ver van zijn eigen werkterrein heeft Gerard Kester afstand genomen van het missioneringswerk in Bondo en ei zijn gedachten over laten gaan. Hij maakte bedenkingen bij het verleden opdat de toekomst er van zou leren. Het is goed dat dit manuscript bewaard wordt en in beperkte kring wordt bekend gemaakt. Er zijn immers zoveel lacunes in onze kennis, zoveel

onbeantwoorde vragen, zoveel onbegrepen gebeurtenissen en feiten... Ook in KRUIS EN WERELDJG. 69, nr. 3, juni 1990 wordt aandacht geschonken aan de gebeurtenissen van vijfentwintig jaar geleden: Toon Thijs o.s.c. in-

terviewt J. Kuypers o.s.c. naar aanleiding van ,,25 jaar herdenking van onze ver moorde missionarissen te Hasselt" (pp. 8-11); Peter Snijkers o.s.c. reflecteert over zijn vermoorde heerom Rik Snijkers o.s.c. (pp. 14-15) en Mark Van Ey-

KRONIEK

143

gen schrijfit over zijn heeroom Fons Kuypers o.s.c. die eveneens in Buta de mar-

teldood stierf; uit ,,Kerk en Leven" nr.37, 28 September 1989 werd een artikel overgenomen van Jos Beel ,,25 jaar geleden. Opgejaagd door de wind" (pp. 18-20), met daarin een korte historiek van Buta 1965.

Vermelden we tenslotte een artikel van D. SNIJDERS o.s.c. en Mia VANDESANDE in de MAASEIKENAAR, jg. 21, 1990; nr. 2, pp. 46-60, met als titel: Maaseiker missionarissen in het bisdom Bondo (Uele-Zaire).

R. JANSSEN o.s.c.

BRUGGEN. Als nr. 18 van ,,Baarlose Sprokkelingen" verscheen in 1989 bij de Stichting Historische Werkgroep ,,de Borcht" in Baarlo het boek ,,Er was eens... Stockmanshof" (108 bladz.) van de hand van mevr. N. MuldersThijssen. Stockmanshof is een hoeve te Baarlo die bijna 500 jaar bestaan heeft en een goede honderd jaar geleden werd afgebroken. In 1466 vinden we een fa milie Van der Stock als eigenaar van deze hoeve. In de loop der eeuwen is de hoeve in handen geweest van diverse families. Rond 1700 is de familie Renteler in het bezit van de hoeve. In 1704 overleed Johannes Renteler. Bij zijn overlijden was nog een van zijn vier zoons in leven, Johan Gabriel Renteler, die Kruisheer was in Briiggen. De executeur-testamentair, Johannes van Grevenbroeck, Het zich de hoeve behanden en verpandde deze aan de Kruisheren van Briiggen. In 1711 kwam de prior van Briiggen persoonlijk naar Baarlo om zichzelf aan de hoeve te laten behanden. De Kruisheren lieten de hoeve, die zeer vervallen was, restaureren voor een bedrag van 460 rijksdaalders. Mevrouw. N. Mulders-Thijsen heeft met veel zorg de familiegeschiedenis van de verschillende bezitters van de hoeve uitgezocht en is daarin zeer goed geslaagd. Bij haar naspeuringen vond zij in het Rijksarchief Limburg te Maastricht onder nr. 214 van de inventaris van het Huis Scheres de volledige bouwrekening van het herstel van de hoeve door de Kruisheren tussen 1 maart 1722 en 12 oktober 1723. Het boek bevat de transcriptie van deze interessante bouwrekening. Zowel Mevr. Mulders als de uitgever van ,,Er was eens... Stock

manshof" verdienen alle lof.

P. WINKELMOLEN o.s.c.

144

KRONIEK

BRUGGEN J. HEINRICHS (Hrsg), Heimat im Seengebiet der Schwalm. Betfrag zum Verstandnis der Heimat, ihrer Geschichte, ihrer Bedeutung, ihrerAufgabe. 205 S. Born 1985.

Josef Heinrichs, Pfarrer am St. Peter in Born, hat dieses Buch herausgegeben mit dem Zweck: ,,Die Iiebe zur christlichen Heimat zu fordern." Das Werk enthalt die Geschichte der altehrwiirdigen Pfarrkirche St. Peter zu Born, eingebettet in die kirchliche und politische Geschichte Westeuropas. Diese Zeitgeschichte bildet den historischen Rahmen. Sie wird durch viele Bilder, Karten und Tabellen illustriert. Auch die Landschaft mit ihrer Vogelwelt wird in diesem Buch beriicksichtigt. Da Born als Lehnsgut zur Benediktinerabtei St. Pantaleon in Koln gehdrte,

wird auch die Geschichte dieser Abtei ausfuhrlich behandelt. In den uns erhaltenen Dokumenten wird 1304 erstmals ein Pfarrer namentlich genannt. Der Indexpastorum, der heute noch im Pfarrarchiv bewahrt wird, fangt an mit Pfarrer Heinrich Schlecht (1421-1474). Dieser Index gibt die Namen der Borner Pfarrer mit je einer kurzen Notiz iiber ihre Tatigkeit. Er wurde vom Kreuzherrn Adam Laden 1696 verfaftt und spater erganzt. Fur die Geschichte des Kreuzherrenordens ist das Buch von Pfarrer Heinrichs insofern wichtig, weil es die Namen (samt Informationen) von zwanzig Kreuzherren enthalt, die von 1487 bis 1841 als Pfarrer in Born tatig gewesen sind. Diese Pfarrei wurde namlich 1487 dem neugegriindeten Kreuzherrenkloster in Briiggen (conventus pontis caeli) inkorporiert. Der Text der papstlichen Bulle, aufgenommen in ein Schreiben des Lutticher Bischofs Johannes von Hoerne (1490), wird noch im Pfarrarchiv zu Born aufbewahrt und ist im Buch auf Seite 97 teilweise abgedruckt. Die Lehnabhangigkeit zu St. Pantaleon in Koln blieb allerdings bestehen. Bei der Verteilung der Einnahmen der Pfarrei St. Peter erhielt die Abtei Vierfunftel des Zehnten. Aber der Prior des Briiggener Klosters hatte fortan das Recht, nach Riicksprache mit seinem Konventskapitel die Pfarrstelle Born zu besetzen (Patronatsrecht). Manchmal nahm der Prior personlich dieses Amt wahr, oft jedoch wurde ein anderer Kreuzherr ernannt. Im Index pastorum, von dem mehrere Ausziige ins Buch aufgenommen sind, werden die folgenden Namen aufgefuhrt:

Wolterus de Gravia:

Henricus Ridden

1487-1490 1490-1505

Adolf Bretten:

1505-1527

Peter Kreuzberg: Adam Brants:

1527-1579 1579-1621

Jacobus Roggen:

1621-1624

Henricus Stramperts:

1624-1628

Wilhelmus Griiter:

1628-1635

KRONIEK

145

Johannes Linden:

1635-1654

Gerhardus Bidders: Johannes Beeck: Adam Laden: Udalricus Oellers: Gerhardus Moers: Lambertus van Beek: Reynerus Nelissen: Antonius Hermes: Johannes Matthaus Jorissen: Johannes Augustinus Francken: Johannes Olligschlager:

1654-1672

1673-1693 1693-1701 1701-1711 1711-1720

1720-1735 1735-1758 1758-1772

1772-1790 1790-1812

1812-1841

Nach der Auflosung des Briiggener Klosters (1802) wurde die Klosterkirche im Jahr 1804 zur Pfarrkirche (St. Nikolaus) von Bruggen. Der letzte Prior, Johannes Boetzkes, wurde der erste Pastor.

Im Jahr 1812 waren aus dem Briiggener Konvent noch folgende Priester in

der Seelsorge tatig:

Johannes Boetzkes: Kaplan in Elmpt Johannes Esser: Pfarrer in Niederempt bei Koln Johannes Augustinus Francken: Pastor in Born Leonard Gotzen: Pastor in Dilkrath

Johannes Balthasar Remmerth: Pastor in Swalmen Johannes Heinrich Vassen: Pastor in Merzenich Johannes Olligschlager: Vikar in Born

Mit grojSer Anerkennung spricht der Verfasser iiber die Kreuzherren, die in

Born und Umgebung seelsorglich tatig waren. Was er aber iiber die Griindung und den Charakter des Ordens schreibt, ist

leider mangelhaft. Wenn er den einleitenden Teil der Studie von Robert Haafi, Die Kreuzherren in den Rheinlanden, Bonn 1932, benutzt hatte, waren ihm manche Fehler nicht unterlaufen.

Fur seine Arbeit konnte der Verfasser sich weitgehend stiitzen auf die Werke von:

J. DEILMANN, Geschichte des Amtes Bruggen, 2 Bde, Siichtelen 1927-1930 B. ROTTGEN, Bruggen und Born im Schwalmtal, Kempen (Rh) 1934 L. PETERS (Red.), Bruggen, Bracht, Born. Aufsatze zur Landschaft, Geschichte und Gegenwart (Schriftenreihe des Kreises Viersen 30. Band), Kempen (Rh) 1979.

146

KRONIEK

Es ist das Verdienst von Pfarrer Heinrichs, die Geschichte der Pfarrkirche St. Pe ter zu Born auf eine gemeinverstandliche Weise und in einer breiten historischen Perspektive dargestellt zu haben. Dr. Ger. Q. REIJNERS o.s.c.

KEULEN. Joachim VENNEBUSCH. Die theologischen Handschriften des Stadtarchivs Koln. Teil 5: Handschriften des Bestandes W* und Fragmente (Mitteilungen aus dem Stadtarchiv von Koln. Sonderreihe: Die Handschriften des Archivs, Heft V). Koln-Wien: In Komm. bei Bohlau-Verlag, XIII, 197 S. Met dit deel beeindigt Joachim Vennebusch zijn voortreffelijke beschrijving van de Latijnse theologische handschriften in het Historisch Archief van de stad Keulen. Achter de behandeling van fonds W* en van de handschriftfragmenten staan op pp. 137-140 aanvullingen en correcties op de vorige vier delen. Daarna volgen de gebruikelijke registers.

Voor de Kruisheren zijn in dit deel speciaal van belang de beschrijving van

handschrift W* 44 (in verband met het Kruisherenhandschrift HAStK, GB 4/21) en van de handschriftenfragmenten B3, C4, C 13, C 57, C 66, C 81 en C 107 (afkomstig uit Kruisherenhandschriften). Nu komt de veel kleinere groep Latijnse homiletische en hagiograflsche hand schriften aan de beurt. Wij wensen de deskundige bewerker een grote volhar-

ding en evenveel succes toe als bij zijn voorafgaande publicaties. Zie ook Clairlieu 1980, pp. 119-120 voor deel I; 1981, pp. 120-121 voor deel II; 1987, pp. 101-102 voor deel III; 1988, pp. 119-121 voor deel IV. Th. VAN DEN ELSEN o.s.c.

KEULEN. Een van de opmerkelijkste leden van het Keulse Kruisherenklooster

is zonder twijfel Theodoor Deghens geweest. Hij was er prior sinds 1669, twee jaar later provinciaal van de Rijnprovincie en op een bepaald moment zelfs een ernstig kandidaat voor het generaalschap van de orde (zie de kapittelbesluiten

van het kruisherenklooster te Keulen in Clairlieu, XIII, 1975, p. 31-49). Als doctor in de theologie was hij tevens professor geworden aan de universiteit van Keulen en waarschijnlijk is het in die hoedanigheid dat hij ook tot boekkeurder voor het Keulse bisdom was aangesteld. Hij bleek overigens over goede relaties met de nuntius in Keulen te beschikken die hem opdracht gaf om in 1675 de kapel in Thorn in te zegenen die de kannunikes Clara Elisabeth von Manderscheidt-Blankenheim daar naar het voorbeeld van het legendarisch huisje van Nazareth in Loreto had laten bouwen (W. SANGERS en R. JANS-

SEN, Thorn, het witte stadje, 1982, p. 37). Verdoken in een klein (in 12°) maar corpulent boekje (de inleidende en afsluitende bladzijden en het register niet meegerekend telt het 732 pagina's),

KRONIEK

147

komt de naam van de F.eulse kruisheer voor op de 22ste niet genummerde bladzijde waarin hij als boekencensor zijn goedkeuring verleent aan het werkje van Dorotheus MISKENNICK. Het oprechte Roomsch Catholyck Mondtstopperken. De titelpagina van het boekje vertoont geen jaartal maar uit de datering van twee goedkeuringen (de andere censuur is van de Antwerpse kanunnik Antonius Hoefslagh) moet dit wel 1682 geweest zijn. Het boekje werd in Antwerpen gedrukt voor de Amsterdamse boekhandelaar Frederik van Metelen. Het is een van de vele bijna pamfletachtige geschriften die in de I6de en 17de eeuw de markt overspoelden en waarin voor- en tegenstanders van de oude of de nieuwe leer elkaar met vaak goedkope en soms grove argumenten om de oren sloegen en waarbij dan het ene woord een wederwoord uitlokte zodat er hele ,,kettingen" van polemische geschriften ontstonden die de drukpersen danig in beweging hidden.

Helaas is veel van deze literatuur uit de kloosterbibliotheken verdwenen, maar boekjes als dit 'Mondstopperke' geven ons een goed beeld van het soort

discussies die er tijdens de Contrareformatie in overstelpende mate gevoerd werden. Ook de titel is niet erg origineel, want reeds in 1651 was er een ,,Mondstopper" verschenen van C. Vermeulen,.een missionaris uit Stompwijk dat veel succes had gekend (L.F. ROGIER, Geschiedenis van het katholicisme in Noord-Nederland in de zestiende en zeventiende eeuw, Amsterdam-Brussel, 1964, p. 1043).

De schrijver begint met alle aanhangers van de nieuwe leer een zalige bekering tot het katholiek geloof toe te wensen en behandelt achtereenvolgens de geloofsverschillen, de kentekenen van de ware kerk, de eucharistie, de opvolging van de apostelen, de concilies en de leraren en martelaren uit de kerkgeschiedenis. Dit alles wordt opgesmukt met belerende anecdoten en een register in ,,rijmveersen".

Dat prior Deghens in Keulen zijn fiat voor het drukken moest geven hoeft geen verwondering te wekken. In die jaren was het katholieke Keulen immers een gastvrij toevluchtsoord voor veel noordnederlandse katholieken die de geloofsverdrukking in eigen land waren ontweken. Het speciaal voor de Nederlanders opgerichte college Alticollense had veel priesters opgeleid die later in de Hollandse Zending werden tewerk gesteld. Mogelijk behoorde de schrijver tot deze kringen. Hij heeft het boekje blijkens de waarschuwing op de laatste blad zijde schijnbaar nogal haastig moeten samenstellen want hij belooft de lezer (een zachte aansporing tot een ruime verspreiding?) een tweede druk met ,,schoon papier", met een nieuwe letter, met een betere indeling en met meer duidelijke bijbelverwijzingen. Of prior Deghens de tweede druk nog heeft mogen meemaken is mij niet bekend, maar over de eerste druk is hij in ieder geval volgens zijn gedrukte goed keuring heel tevreden:

,,Het oprecbt Roomsch Catholijck Mondt-stopperken gemaeokt up vele voortreffelijcke Roomsche Catholijcke Boecken, door den

148

KRONIEK

yveraer d'Heer Dorotheus Miskennick, doet in haer dwalingen de monden der Nieugesinden stoppen, ende haer aenwijsen het alleen Zalighmakende Roomsch Catholijck Ge/oof, van Roomen verkondight door de geheele werelt, sonder dewelcke het onmogelijck is Godt te behagen. THEODORUS DEGHENS, Provinciael over de Conventen der Cruysheeren aen de Neder-Rhijnstroom, Prior ende Keurder der Boecken tot Keulen, Anno 1682. den 14. Sept. op onsen hoogen Feestdagh van Cruysverheffinge. "

F. MARCUS Diest

LUIK. In ,,La libre Belgique" van 9 dec. 1989 kondigt de gemeente Chaudfontaine aan dat ze wil overgaan tot het klasseren-als-monument van bepaalde gedeelten van een vroegere Kruisheren-boerderij... gelegen op het grondgebied

van Embourg aan de Voie de I'Ardenne 56-58. Men wil laten klasseren: 1. het geheel van de gevels en de dakconstructies van deze in carre gebouwde hoeve 2. een zaal op gelijkvloers met gewelfde plafonds en een schoorsteen uit de 17e eeuw 3. een monumentale schoorsteen uit de I6e eeuw waarop wapenschilden van de Kruisheren en van de Prinsbisschop van Luik, Georges d'Autriche 4. een Empire-salon met marmeren schoorsteen en plafond in stuc-versiering. In Clairlieu 1949, pp. 21-22, nota 40 vernemen we dat deze hoeve heeft toebehoord aan de Kruisheren van Luik. Ze werd gekonfiskeerd en publiek verkocht in 1797.

C. BRASSEUR o.s.c.

MAASEIK. In 1989 verscheen ,,Het Oude Nest 1989. nieuws van het geslacht Sangers". De redactie berustte bij Gerda Sangers en Nicia van Essen. De bladzijden 38 t/m 73 besteden aandacht aan de in 1987 overleden kruisheer Willem Sangers. Aan bod komen de reacties in de pers bij het overlijden van Wil-

lem Sangers, de tekst van de uitvaartdienst en tenslotte enkele herdenkingsplechtigheden, waaronder het postume ereburgerschap van Maaseik.

Ook het Limburgs Schutterstijdschrift\ nr. 5, dec 1989 besteedde grote aandacht aan Pater Sangers. Een kleurfoto van Pater Sangers siert zelfs de voorpagina... R. JANSSEN o.s.c.

MAASTRICHT. De laatste vijf jaar, 1985-1990, is de Kruisherenkerk van Maastricht in gebruik geweest als hulpkerk van de Sint Servaas tijdens de restau ratie van deze baseliek. In het klooster, jarenlang in gebruik geweest als

Rijkslandbouwproefstation, is thans huisvesting voor de Kunstakademie. Sinds enige tijd is er sprake van een grondige restauratie van de kloostergebouwen. In het klooster zal dan gevestigd worden de ,,Congregation Saint-Jean". Deze

Congregatie werd gesticht in 1975. Daarnaast zal een gedeelte van het klooster gebruikt worden door de R.K. Stichting ,,La Providence". Deze stichting is een

KRONIEK

149

met als doelstelling te voorzien in de opvang van de evenmens met problemen van diverse aard. Uiteraard zijn met de restauratie financien gemoeid. Mocht men voor het einde van dit jaar de financien met steun van het Rijk en het bisdom Roermond niet rond krijgen, dan zal de gemeente Maastricht de kloostergebouwen reserveren voor de huisvesting van internationale instituten. P. WINKELMOLEN o.s.c.

SNEEK. In het ,,Sneeker Nieuwsblad" van 12 april 1990 verscheen een bijdrage onder de titel ,,De Sneker Kruisheren werden in menig testament begiftigd". Het is van de hand van medewerker H. Halbertsma uit Amersfoort. De auteur citeert overvloedig uit archiefmateriaal tussen de jaren 1476 en 1508: testamenten waarin de Kruisheren bedacht worden met legaten ... schuldbekentenissen van geld opgenomen bij de Kruisheren ... schenkingen die varieren van landerijen tot geldbedragen en tonnen bier ... erflaters die hun begrafenis tijdig regelen ... koopakten waarin de Kruisheren als aangrenzende eigenaars genoemd worden ... enz. De auteur vermeldt dat de Sneker Kruisheren nogal vermogend waren, maar dat de tastbare herinneringen aan het verblijf der Kruisheren in Sneek bijzonder schaars geworden zijn. Een stadsplannetje spreekt van de Kruizebroederstraat. C. BRASSEUR o.s.c.

TER APEL. Sinds enige tijd heeft het voormalige kruisherenklooster van Ter Apel een nieuwe functie. Het is museum voor religieuze geschiedenis en kerkelijke kunst, een bestemming die zeker bij het gebouw past. Dit is de bestemming die de Stichting Museumklooster in de komende jaren aan het klooster wil geven en als zodanig bekendheid geven door het gehele land. In 1465 begon de bouw van het klooster door enkele kruisheren uit het nabijgelegen klooster Bentlage. Met de komst van de reformatie in Groningen in 1594 verloor het kloostergebouw zijn oorspronkelijke bestemming. De dominee en de schoolmeester gingen er wonen. Ook werd er een garnizoen en een school in gevestigd. Later kreeg een deel van de kerk een bestemming als timmermanswerkplaats. Hoewel delen van het klooster, zoals de westvleugel, gesloopt zijn vanwege de gebrekkige staat van onderhoud, is door de verschillende functies, die het klooster in de loop der jaren kreeg, het grootste gedeelte van het klooster bewaard gebleven. Vooral de prachtige monnikenkerk heeft nog veel van de oude luister bewaard. In de periode 1930-1933 hebben de stad Groningen (toen eigenaresse van het gebouw) en de Rijksmonumentenzorg het klooster grondig gerestaureerd. Op 30 mei 1990 werd door dhr. Beukema, gedeputeerde van de provincie Groningen en R. Vaanhold, provinciaal van de kruisheren de opening verricht van de eerste tentoonstelling ,,Monnikenwerk, Klooster Ter Apel". Met

150

KRONIEK

de bezegeling van een oorkonde werd een nieuw tijdperk voor dit enigste plattelandsklooster in Nederland ingeluid. Wij wensen het bestuur van de nieuwe Stichting veel succes met hun enthousiaste plannen. P. WINKELMOLEN o.s.c.

TER APEL. In het dagblad Trouw van 19 juli 1989 schrijft ADA VAN DEIJK een klein artikel over Sedilia lust voor het oog, kwelling voor het vlees. Het woord sedilia verwijst naar de (stenen) zetels in het priesterkoor voor de priester en zijn twee assistenten tijdens de misviering. In Nederland kunnen slechts op drie plaatsen deze sedilia bewonderd worden: in de Plechelmusbasiliek te Oldenzaal, in de Bovenkerk te Kampen en in de kerk van het voormalig Kruisherenklooster in Ter Apel. In Ter Apel zijn de sedilia uitgevoerd in Baumberger zandsteen. Zij dateren uit het eerste kwart van de zestiende eeuw. Oorspronkelijk waren ze rijk met acht beeldjes versierd. Thans zijn nog overgebleven in de boogvelden de voorstellingen van Maria Boodschap, de geboorte van Christus en de aanbidding van de Wijzen. In de uitvoering van de sedilia van Ter Apel komt een zekere rijkdom naar voren in tegenstelling met die van Oldenzaal en Kampen. Toen de Reformatie in ons land uitbrak heeft men in de meeste kerken de sedilia opgeruimd, als de katholieke kerken in handen van de Protestanten kwamen. P. WINKELMOLEN o.s.c.

UDEN. Ad Otten, Congregatio Municipii Gemertianii-Anno 1728 (Gemerts Heem, jg. 31, 1989), p. 101: Godefridus Wagemans werd gedoopt te Gemert op 4 januari 1705 als zoon van Hendricus Wagemans en Maria N. Als negentienjarige komt hij naar Leuven in 1724, waar hij op 17-11-1726 promoveert tot Artes-licentiaat als 122ste van de 135 kandidaten. Bij de oprichting van Con gregatio Municipii Gemertianii (studentenvereniging van Gemert te Leuven) in 1728, waarvan hij een periode schatbewaarder en daarna deken is, is hij nog geen geestelijke. In 1735 staat hij in ieder geval als priester te Gemert te boek, terwijl het congregatieboek van hem vermeldt: later kruisheer van Uden. Een broer van hem studeerde eveneens te Leuven. Jo CORSTJENS

VENLO. M. EVERTS — P.A.M. GEURTS, School tussen staden klooster. Het Latijns onderwijs in Venlo tussen 1610 en 1632. in: Venlo's Mozai'ek. Hoofdstukken uit zeven eeuwen stadsgeschiedenis. Werken uitgegeven door Iimburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap Gevestigd te Maastricht, nr. 12, Maastricht, 1990, pp. 143 - 166.

KRONIEK

151

In de I6de en 17de eeuw waren de kerkelijke en stedelijke overheden zich bewust van de voordelen die zij haalden uit goed Latijns onderwijs. Venlo vormde

daarop geen uitzondering. Van 1579-1586 Staats, was de stad tussen 1586 en 1632 weer in Spaanse handen overgegaan. In deze handelsstad aan de Maas,

waar veel vreemdelingen in- en uitgingen was het gevaar voor ,,ketterse infectie" zeer groot. Daarom drong de kerk er sterk op aan dat de stad het onder wijs zodanig organiseerde dat de katholieke religie er door werd versterkt. De Venlose magistraat wilde aan dit streven zijn medewerking verlenen, maar on-

derstreepte dat het onderwijs het monopolie van de stad was! In 1611 besliste de magistraat tot de bouw van een geheel nieuwe school, annex rectorswoning. De verwachte grote vlucht van het Latijns onderwijs in Venlo bleef evenwel uit. De rector bleek meer autoritair dan een autoriteit. Na de mislukking van dit stedelijk initiatief stemde de stad in 1619 erin toe, hierin geadviseerd door Erycius Puteanus, om het Latijnse onderwijs over te dragen aan de Kruisheren, die sinds 1399 in Venlo een klooster bezaten.

Everts en Geurts behandelen achtereenvolgens de voorgeschiedenis van de Ven lose Latijnse School, de moeilijkheden die de stad ondervond in de periode 1610-1619, de wijze waarop en de redenen waarom de Venlose Kruisheren, in samenwerking met Puteanus, rond 1620 een nieuwe Latijnse school oprichtten en tenslotte de organisatie en de situatie van de Kruisherenschool. Puteanus was sinds 1606 hoogleraar in Leuven en waarschijnlijk familie van Godfried van Iith, die sinds 1614 prior was van de Kruisheren van Venlo. In 1611 namen de Jezuieten in Roermond het Latijns onderwijs over en toen de stedelijke initiatieven in Venlo dreigden te mislukken, maakten zij hun opwachting om ook in Venlo het Latijns onderwijs te verzorgen. Dat dit onderwijs uiteindelijk aan de Kruisheren werd toevertrouwd was in niet geringe mate te dan-

ken aan de bemoeiingen van Puteanus.

In de beginperiode viel het aantal leerlingen dat de Latijnse school bezocht te-

gen. Kennelijk werden aanvankelijk alleen leerlingen opgenomen die reeds kon-

den lezen en schrijven. Die vaardigheden konden zij zich eigen maken in de oude stadsschool, die nu uitsluitend nog door ,,Duitse" leerlingen zou worden bezocht. De meester van deze stadsschool ontving weldra het oude rectorssalaris en bracht de leerlingen ook de eerste beginselen van het Latijn bij. Dit leidde tot conflicten met de Kruisheren. Voorlopig bleven die onbeslecht omdat de stadsmagistraat niet geneigd bleek de Kruisheren het monopolie op het onder wijs te verlenen. In 1632 werd Venlo overigens ingenomen door Frederik Hendrik: De stadsschool kreeg een protestants meester en vanaf 1634 werden ook de betalingen aan de Kruisheren gestaakt, zodat zij hun onderwijs moesten op-

geven. Niet voor lang echter: in 1637 kwam Venlo weer in Spaanse handen en

vanaf dat jaar bezaten de Kruisheren het monopolie van het Latijnse onderwijs. Anders lag het met het ,,Duits" onderwijs!

152

KRONIEK

De bijdrage van Everts en Geurts over de beginjaren van de Latijnse School van de Kruisheren in Venlo is zeer verhelderend en een boeiende aanvulling op hetgeen reeds elders werd gepubliceerd, o.a. door L. HEERE, Het Kruisherenkloosterte Venlo 1399-1642, in: PSHAL, jg. 92-93, 1956-1957, pp. 225-368; IDEM, Het Kruisherenklooster te Venlo 1643-1836, in: PSHAL, jg. 94-95, 1958-1959, pp. 209-300.

R. JANSSEN o.s.c.

WICKRATH. Op het Generaal Kapittel te Hoei van 10 tot 12 mei 1490 werd de stichting van Wickrath goedgekeurd en werd een schenking aanvaard die uitging van Ridder Heinrich von Hompesch, Heer van Wickrath. Er was dus dit jaar reden om de 500ste verjaardag te gedenken. De Heren Kurt Jacobi en Mar tin Otten van de plaatselijke Heimatverein namen met enkele medewerkers het initiatief tot een tentoonstelling. In het paviljoen van de Heimat- und Verkehrsverein im Wickrather Schloft werden van 6 tot 20 mei 1990 een aantal documenten en foto's bijeengebracht die herinnerden aan het vroegere Kruisheren klooster.

Bij de stichting in 1491 kregen de Kruisheren ook de parochiekerk toegewezen, zodat de Prior telkens pastoor van de parochie werd. In de I6e en 17e eeuw was er een Latijnse school die in de streek een gunstige reputatie genoot. De kloostergebouwen werden opgetrokken rond een vierkante binnenkoer. Noordelijk daarvan stond de kerk (begonnen in 1200-1205) terwijl in zuidelijke richting een imposante zijvleugel kwam voor boerderij en andere werkzaamheden. Bij het bombardement van 26 febr. 1945 werd het hele complex zwaar getroffen. Van kerk en klooster bleef nagenoeg niets meer overeind. Een moderne kerk kwam later in de plaats. Van de oude gebouwen rest enkel nog een mooi

poortgebouw met aanbouw (nu pastorie) en de imposante vleugel van de vroe gere boerderij waarin nu administratieve diensten zijn ondergebracht. Zesentwintig Prioren volgden elkaar op in de 311 jaren dat klooster Wickrath bestond (1491-1802). De stichtingsoorkonde is tot heden gaaf bewaard gebleven. Verschillende prioren hebben bijzondere zorg besteed aan het uitbouwen van de kloosterbibliotheek en het bewaren van de archiefstukken: Prior Matthias van Bree (1540-1556), Prior Johann von Bongart (1559-1570), Prior Thomas

Buchlerus (1627-1636), Prior Matthias Neesen (1691-1720). Bij decreet van Na poleon op 9 juni 1802 werd het klooster opgeheven. De gebouwen werden grotendeels verkocht. Bij de parochiekerk bleef een gedeelte van het klooster als pastorie bestemd. Wat restte van archief en bibliotheek kwam aan de parochie. Meerdere inventarissen, in de loop der jaren opgemaakt, tonen aan dat de bi bliotheek zeer waardevol mag genoemd worden. Pastoor Franz Rixen had de gelukkige idee om in 1942 een gedeelte hiervan te laten overbrengen naar een veilige schuilkelder in Odenkirchen. Hierdoor werd dit gedeelte van archief en bi bliotheek gered toen in 1945 kerk en klooster gebombardeerd werden. Praktisch

Wickrath nu: het mooie poortgebouw

Wickrath nu: de vroegere boerderij (foto Otten)

154

KRONIEK

de hele inboedel ging verloren. Wat er nu nog rest van archief en bibliotheek

heeft een veilig onderkomen gevonden in de stedeiijke archieven van Monchengladbach waartoe Wickrath nu behoort: alle oorkonden, in totaal 24, plus

23 handschriften en 473 Aktenbanden der Pfarre alsmede een 400 bewaard gebleven boeken van de vroegere Kruisherenbibliotheek. Een reeks geschilderde portretten van Prioren ging verloren in de gebombar-

deerde pastorie. Maar gans toevallig werden foto's van deze portretten teruggevonden bij een 81-jarige dame uit Wickrath. Haar overleden man had voor de oorlog in de pastorie die foto's gemaakt. Deze en nog vele andere details mochten we putten uit een begeleidende brochure van 16 p. waarin de inrichters van de tentoonstelling een beknopt geschiedkundig overzicht bieden. Kruisheer H.

van Hasselt, directeur van het College te Maaseik, schreef in 1906 een studie

over Wickrath in ,,Geschiedkundige Bladen, pp. 17-37 en 358-383." C. BRASSEUR o.s.c.

WICKRATH. Am Welttag der Geistlichen Berufe wurde in Wickrath vom

Heimat- und Verkehrs-Verein eine Auststellung eroffhet, die bis zum 20. Mai von solch einem Beruf berichtet. Gemeint ist die Ausstellung ,,500 Jahre Kreuzherrenkloster" in Wickrath. Seit einem halbenjahr trugen Ehrenvorsit-

zender Kurt Jacobi und Martin Otten Mosaiksteinchen fur diese Ausstellung zusammen.

Am Eroffhungstag konnte Vorsitzender Ernst Heinen, der einen kurzen geschichtlichen Riickblick iiber die segensreiche Tatigkeit der Kreuzherren in Wic krath gab, neben Pfarrer Wolfgang Kirsten von St. Antonius, Wickrath, und Pfarrer Gerhard Jansen von Herz Jesu, Wickrathhahn, auch echte Kreuzherren begriiften. Aus Bonn-Beuel waren angereist der Leiter des Historischen Institute der Kreuzherren, P. Dr. Gerhard Q. Reijners und Provinzial P. Nico van Rijn. Vom Kreuzherrenkloster Maaseik kamen die Patres Brasseur und Wieers. Wei-

tere Ehrengaste waren u.a. auch der im Bistum Aachen fur die Inventarisierung des beweglichen Kunstgutes zustandige Dr. Ernst Coester sowie Hugo Aretz, Verfasser des Buches ,,Die Kreuzherren von Hohenbusch".

Die Ausstellung berichtet anschaulich und in chronologischer Folge iiber die Entstehung des Klosters, zeigt in grofiformatigen Fotos die Portrats von fiinf Pri oren, Aufien- und Innenaufnahmen des Klosters und der im Jahre 1945 durch Bomben zerstorten Pfarrkirche. Zu sehen sind auch alte Fotos des Voigtshofes und des Priorhofes; letzterer diente den Prioren als Urlaubsort. Eine Karte zeigte die heutigen Standorte von Kreuzherrenklostern in Europa, Afrika, Nordamerika, Lateinamerika und Asien. Tafeln informieren iiber die Ordensregeln und iiber die Ordenskleidung. Dazu hatten die Patres aus Bonn-Beuel Originalsoutane und Skapulier mitgebracht. Vom Hauptstaatsarchiv Diisseldorf ist die Urkunde iiber die Aufhebung des Klosters im Jahre 1802 durch die franzosische Verwaltung zu sehen. Stadtarchiv

KRONIEK

155

direktor Dr. Wolfgang Lohr stellte fur die Ausstellung zur Verfiigung: Urkunde von Kaiser Leopold I. vom 4. Marz 1677, daft er das Kloster unter seinen Schutz stellt; Urkunde von Papst Alexander VI. vom 26. August 1492, der die Inbesitznahme der Pfarrkirche durch die Kreuzherren bestatigt; die Stiftungsurkunde von Heinrich von Hompesch und seiner Gemahlin vom 22Januar 1491; ein Rentbuch von 1490, in dem die Stiftung dem Orden zugesagt wurde, sowie liturgische Bucher und Gebets- und Andachtsbucher aus der ehemaligen

Klosterbibliothek. Ebenfalls aus dem Stadarchiv stammt das Siegel des Ehepaa-

res Hompesch aus dem 15 Jahrhundert, das bis zur Auflosung des Klosters zugleich Siegel der Kreuzherren war. Die im Stadarchiv vorhandenen Unterlagen sind Eigentum der Pfarre St. Antonius, Wickrath. Martin Otten

DRUKN.V. VONKSTEEN MARKTPLEIN 8920

33

LANGEMARK

,,C LAIR LIEU"

■I, /'
"/s/jl'/'f

I i'.'W//'///?/



a tr op angeveer 100 biz.

■■. ■ ..■-..■■■■

'nedai tie C.M.-F, Bi



t

Pelserstfi ■

B

,;o,vo Maaseik i

fiisimth

,•>(>/■ Helgi.3


Kntisheretikloos ter >at 33

- voor Nei/i-r/am/ :

K(>

An

'•>•■. i-i-4)

NJ.J. l-'HKMHl'UiN, lU[l.sfc
'...., Ufa) .

II .

'■■■■'■

D

!

U40

diri ■

'





G.O. Rffljh ! />

P. U

fjpO Bon

Vt&LEN, Daam ¥m

Nl A'. JANSSI'N. !', ■

B



3000 La:

C. BMSSEUR, Pehcni.r.

B

■■ 10,

Ameafopft

568Q Haaseik

i i

)

1),



Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.