Cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit van de historische binnenstad


1 Cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit van de historische binnenstad Het geheugen van een straat als i n s p i r a t i e b r o n Wim Hupperetz Inl...
Author:  Ludo van Veen

0 downloads 1 Views 5MB Size

Recommend Documents


Jaarverslag Monumenten. Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Cultuurhistorie
1 Jaarverslag 2011 erfgoed en ruimtelijke kwaliteit Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Cultuurhistorie Voorwoord De invoering van de Wabo voorziet in ...

Deelrapport landschap, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit Zuidasdok
1 Deelrapport landschap, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit Zuidasdok Milieueffectrapport bijlage 13 Maart 20152 DEELRAPPORT LANDSCHAP, CULTUURH...

Toelichting. Landschappelijke inpasbaarheid en ruimtelijke kwaliteit Cultuurhistorie en Monumenten
1 Plasmansweg 22 Inhoudsopgave Toelichting 5 Hoofdstuk 1 Inleiding 7 Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 9 Hoofdstuk 3 Ruimtelijke onderbouwing Beleidskaders...

Toelichting. Landschappelijke inpasbaarheid en ruimtelijke kwaliteit Cultuurhistorie en Monumenten
1 Bussinksweg 2a2 Inhoudsopgave Toelichting 5 Hoofdstuk 1 Inleiding 7 Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 9 Hoofdstuk 3 Ruimtelijke onderbouwing Beleidskader...

Toelichting. Landschappelijke inpasbaarheid en ruimtelijke kwaliteit Cultuurhistorie en Monumenten
1 Biesterveldsweg 12 Inhoudsopgave Toelichting 3 Hoofdstuk 1 Inleiding 4 Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 7 Hoofdstuk 3 Ruimtelijke onderbouwing Beleidska...

Leidraad Landschap en Cultuurhistorie ONTWIKKELEN MET RUIMTELIJKE KWALITEIT
1 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie ONTWIKKELEN MET RUIMTELIJKE KWALITEIT2 3 4 5 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie ONTWIKKELEN MET RUIMTELIJKE...

Evaluatie en prioriteiten Cultuurhistorie. Eenheid Ruimtelijke Leefomgeving
1 Evaluatie en prioriteiten Cultuurhistorie Eenheid Ruimtelijke Leefomgeving2 Aanleiding Motie Een goed advies is het halve werk Toezegging portefeuil...

Wijkbeschrijving Historische Binnenstad
1 Wijkbeschrijving Historische Binnenstad Inhoud 1 Inleiding Inleiding op de bijlage 3 2 Het Eiland van Dordrecht De ontwikkeling van het eiland 6 Lee...

Criteria gebiedstype Historische Binnenstad
1 Criteria gebiedstype Historische Binnenstad Inhoud 3 Basiscriteria Basiscriteria 3 5 Gebiedsgerichte criteria Inleiding gebiedsgerichte welstandscri...

Toelichting bestemmingsplan Historische Binnenstad
1 Toelichting bestemmingsplan Historische Binnenstad gemeente: Dordrecht fase: vastgesteld bestemmingsplan datum: februari2 Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 ...



Cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit van de historische binnenstad Het geheugen van een straat

a l s

i n s p i r a t i e b r o n

Wim Hupperetz

Inleiding Culturele planologie was tot voor kort een term die gebruikt werd als aanduiding van een relatief nieuw beleidsterrein, de integrale visie op (de aanpak van) een gebies- of stadsdeel dat sinds de N o t a B e l v e d è r e in z w a n g raakte. Sinds de N o t a Ruimte (2006) is deze term geschrapt in het beleidsidioom en v e r v a n g e n d o o r de term 'ruimtelijke k w a l i t e i t ' . De termen culturele planologie en nu dus ruimtelijke kwaliteit worden g e z i e n als het w o n d e r m i d d e l dat vanuit de ' B e l v e d è r e g e d a c h t e ' sinds 1999 naar voren wordt geschoven.' Maar is er wel een praktisch werkbaar kader, dat zicht biedt op een integrale visie? Het vereist m e e r dan alleen een g e z a m e n l i j k d e v i e s ( b e h o u d door o n t w i k k e l i n g ) en ook meer dan gezamenlijke projecten. Het vereist in d e eerste plaats dat de werelden van de cultuurhistorie en de plannenmakers en ontwerpers o p een eenduidige wijze met elkaar c o m m u n i c e r e n . Al eerder is aangegeven dat het begrip cultuurhistorie een vrij vaag en weerloos begrip is als het niet wordt geproblematiseerd. Cultuurhistorie is dus niet een o p s o m m i n g maar moet gebaseerd zijn o p een beredeneerde en te controleren ordening. Het subtiele onderscheid tussen cultuurhistorie en cultuurgeschiedenis zit dan ook vooral in het feit dat cultuurgeschiedenis een discipline is die de wordingsgeschiedenis van een fysieke ruimte en zijn samenleving analyseert en vergelijkt terwijl cultuurhistorie gegroeide en gelaagde situaties o p een toegepaste wijze beschrijft, ordent, vertelt en verbeeldt. Cultuurhistorie wordt met name gekoppeld aan de ruimtelijke c o m p o n e n t en manifesteert zich vooral binnen het d o m e i n van c u l t u u r b e h o u d en c u l t u u r s p r e i d i n g en daarbij w o r d t steeds vaker verwezen naar het erfgoedregime.In dit artikel wordt gewezen o p een ordeningsprincipe dat gebruikt kan worden door om cultuurhistorie beter werkbaar over het voetlicht te krijgen. Het is geen nieuw principe maar de manier waarop het wordt toegepast kan wel vernieuwend werken. In het kort komt het neer op het operationaliseren van de drie tijdsniveau's van F. Braudel. Hiermee kan de rijkdom aan cultuurhistorische data o p vrij eenvoudige wijze worden geordend en ontsloten voor de ontwerper of de planoloog. In mijn waarneming schort het op dit punt vaak aan contact en begrip en kunnen dit soort handreikingen behulpzaam zijn. De integrale b e n a d e r i n g die vanuit de B e l v e d è r e - g e d a c h t e 2

,

PAGINA'S

43-51

wordt voorgestaan, vergt heel wat van d e betrokkenen zoals architecten, s t e d e n b o u w k u n d i g e n en van de (bouw)historici en a r c h e o l o g e n , en zeker in s a m e n h a n g en ook onderling. Vooreerst wil ik kort ingaan o p de mogelijkheden en o n m o g e lijkheden die de huidige vaktradities van archeologen, bouvvhistorici. historici, s t e d e n b o u w k u n d i g e n , architecten en planologen met zich mee brengen als het gaat om culturele planologie en ruimtelijke kwaliteit. Ik zal mijn b e v i n d i n g e n bespreken tegen de achtergrond van een multidisciplinaire o n d e r z o e k naar de achthonderdjarige geschiedenis van één straat in de historische binnenstad van Breda. 4

Historische onderzoekstradities Het ' g e h e u g e n van een straat' is een metafoor die ik gebruik voor datgene dat is opgeslagen in archieven, in de b o d e m , in huizen en bij mensen dat te maken heeft met menselijke handelingen in een bepaalde straat, in dit geval de Visserstraat te Breda (afb. 1). Globaal gesproken hebben we het dan over de sociaal-culturele o n t w i k k e l i n g e n zoals bijvoorbeeld het feit dat de straat in de periode 1350 - 1590 tot de rijkste straten van Breda behoorde of dat de straat na 1960 tot het uitgaanskwartier van Breda ging behoren. Aan de andere kant spreken we over ruimtelijk-fysiek ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld de verstening van de huizen in de late middeleeuwen, de verdichting van de bebouwing vanaf de zeventiende e e u w of de privatiseringstendensen die leidden tot extra voordeuren voor de b o v e n w o n i n g e n . ?

D e z e t w e e d e l i n g , sociaal-cultureel en ruimtelijk-fysiek, is niet toevallig gekozen maar hangt samen met twee belangrijke onderzoekstradities die zich bezighouden met historische b i n n e n s t e d e n . Dat zijn enerzijds de g r o e p van historici en kunsthistorici die, v o o r n a m e l i j k op basis van g e s c h r e v e n bronnen vooral oog hebben voor sociaal-culturele o n t w i k k e lingen. Anderzijds gaat het om een groep van archeologen, bouwhistorici en historisch geografen die veel meer vanuit de ruimtelijk-fysieke overblijfselen hun verhaal destilleren, of iets daar tussenin (afb. 2). Deze t w e e onderzoekstradities raken binnen het domein van de historische binnensteden niet echt met elkaar in gesprek. Toch is vooral in de vroegmoderne tijd en later de meerwaarde van een gecombineerde aanpak groot. Historici gebruiken

BULLETIN KNOB 2008-2

44

NIET BEWAARD

GEHEUGENVERLIES

GEEN INTERPRETATIE

Afb. I. Schematische voorstelling van geheugenverlies), historisch besef en herinnering. Uitgangspunt zijn de handelingen van de mens. Gebeurtenissen kunnen worden opgeslagen en voorwerpen kunnen worden bewaard al dan niet secundair. Dit zijn de bronnen van het nog aanwezige geheugen en die kunnen worden geraadpleegd en geïnterpreteerd om te komen tot een herinnering. De waardering van die herinnering heeft te maken met het historisch besef

w e l i s w a a r a r c h e o l o g i s c h e g e g e v e n s m a a r doen dit vaak o p een basaal niveau zonder echter de meerwaarde van dit soort g e g e v e n s te k u n n e n b e o o r d e l e n of te beseffen. A n d e r s o m hanteren archeologen nog te weinig historische kaders o m te komen tot syntheses of missen ze de mogelijkheden en vaardigheden tot het c o m b i n e r e n van historische g e g e v e n s met hun archeologische dataset of rapportage. In mijn eigen onderzoek h e b ik die combinatie proberen te leggen o m te zien wat de m e e r w a a r d e van een dergelijke benadering kan zijn. Het is daarbij wrang o m vast te stellen dat de academische vaktradities voor dergelijke onderzoeksbenaderingen nauwelijks een werkbaar podium bieden. Echt multidisciplinaire onderzoek met betrekking tot historische binnensteden is dan o o k nog s c h a a r s . E r is dan o o k grote behoefte aan opleidingen die er voor zorgen dan dit begrip cultuurhistorie ook daadwerkelijk inhoud krijgt en toegepast w o r d t . Het relatief nieuwe beleidsterrein ruimtelijke kwali6

teit zou daar sterk mee geholpen zijn; enkele aanbevelingen volgen aan het einde van dit artikel. De historische binnenstad als w e r k g e b i e d van de stedenbouwkundige Alsof het probleem van de twee gescheiden onderzoekstradities nog niet genoeg is. dient gewezen te worden op een tweede probleem als het gaat o m het geheugen van een straat. Dat heeft alles te maken met de interpretatie, vertaling en toepasbaarheid van de beschikbare kennis over historische binnensteden. Iedereen kent de lokale archieftijgers, gedreven historici en plaatselijke archeologen die als wandelende encyclopedieën van hun stad of dorp te boek staan. Daarmee in contrast staan de plannenmakers die snel en efficiënt te werk moeten gaan en zich niet laten belemmeren door cultuur of wat dan ook. Is die cultuurhistorische analyse ook toepasbaar te maken en te vertalen naar de wereld van ontwerpers en beleidsmakers? Er is

Aft). 2. Archeologisch onderzoek Cultureel Erfgoed Breda)

in de Visserstraat

waarbij de verkaveling

sprake van een lang/aam kleiner wordende kloof, tussen aan de ene kant de groep van historische onderzoekers en aan de andere kant de plannenmakers en stedenbouwkundigen. De onderzoekers van historische binnensteden zoals stadshistorici. stadsarcheologen. bouwhistorici beschrijven en analyseren vanuit hun vaktraditie en historisch perspectief. Men neigt er toe de geschiedenis van de laatste decennia te negeren of te vermijden. O p die manier staat veel onderzoek los van de actualiteit. Met name etnologen bieden interpretatiekaders en denkrichtingen om ook de contemporaine geschiedenis in het onderzoek te betrekken. Dit gemis zorgt ervoor dat er nog te weinig sprake is van toegepast historisch onderzoek. D a a r m e e z e g g e n d dat er maar weinig ( a c a d e m i s c h e ) onderzoekers in slagen om hun cultuurhistorische analyses te vertalen naar beleidsaanbevelingen of naar de praktijk van de ontwerpers en de plannenmakers. Hierover zouden historici, archeologen en bouwhistorici zich wat meer zorgen mogen maken. De maatschappelijke relevantie van hun werk staat of valt o p termijn immers met de toepasbaarheid en vertaling van hun onderzoeksgegevens. Plannenmakers en de beleidsmakers kijken vooruit naar de toekomst en de onderzoekers kijken vooral terug en lijken

uit de 12de eeuw werd vastgesteld

en ophogingen

uit later tijd (foto:

Bureau

soms nauwelijks in de gaten te hebben waar de stedenbouwk u n d i g e n , de s t a d s v e r n i e u w e r s , de architecten - allemaal mensen met een t o e k o m s t g e r i c h t e beroepspraktijk - mee bezig zijn. Hoewel niet iedereen over een kam valt te scheren, geldt dat helaas ook voor veel plannenmakers: zij zien historici als vakidioten, zich verliezend in details met verhalen doorspekt met ondoorgrondelijk jargon. In het kader van de Belvedère-gedachte 'behoud door ontwikkeling' is c o m m u n i catie, of nog beter: de discussie tussen deze twee groepen noodzakelijk. Dit vergt openheid, nieuwsgierigheid, interesse en kennis voor eikaars werkwijze, inzichten en tradities.

Stenen en mensen Keren we terug naar de historische binnenstad en kijken we naar de stedenbouwkundige dan valt op de stad meestal wordt gedefinieerd vanuit de openbare ruimte. De stedenbouwkundige structuur van een historische binnenstad kenmerkt zich door straten en pleinen, ruimtes die als het ware de verschillende bouwblokken afbakenen. Wat er binnen, tussen of onder die bouwblokken gebeurt onttrekt zich voor een belangrijk deel aan de waarneming, terwijl hier wel eeuwen lang het organisme van de

BULLETIN KNOB 2008-2

46

stad is gegroeid. De gevels tonen in veel gevallen niet meer en niet minder de modegevoeligheid in de loop der eeuwen en de laatste honderd jaar tonen ze vooral het bevriezende monumentenbeleid. M o n u m e n t e n z o r g en stedenbouw hebben nauwelijks oog voor wat men het sociaal-historisch perspectief van de bewoner kan noemen. Het lijkt wel of het in de monumentenzorg en in de stedenbouw niet over bewoners mag gaan. In diverse meer beschouwende studies over stedenbouw en m o n u m e n t e n z o r g ontbreekt het sociaal-culturele perspectief van de b e w o n e r vrijwel g e h e e l . En dat terwijl uit het debacle van de stadsver­ n i e u w i n g in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste e e u w is g e b l e k e n h o e fnuikend dit gebrek aan sociaal per­ spectief is geweest. Een positieve uitzondering is het weinig geciteerde overzichtswerk van D o e v e n d a n s en Stolzenburg. Stad en samenleving. Vanuit de stedenbouw en architectuur kijkt men ondanks alle goede aanzetten en positieve bedoelingen van het Belvederegedachtengoed toch vaak niet dieper dan de g e b o u w d e schil. Als er een stadsdeel gesloopt is. ontstaat de neiging o m te d e n k e n dat het g e h e u g e n d a a r m e e ook verloren is: tahula rasa. Dat geheugen is echter meer dan de g e b o u w d e o m g e ­ v i n g ; het o m v a t , zoals al e e r d e r is o m s c h r e v e n , ook een geheel van gebeurtenissen die hun neerslag hebben gevonden in geschreven bronnen, in de grond bewaard bleef, in kaarten en in een orale traditie voortbestaan. 7

8

9

Keren w e terug naar de opgave van stedenbouwkundigen. Zij bedenken en ontwikkelen een visie o p ruimtelijke structuren, onder andere voor historische binnensteden. Zij hebben al dan niet een gevoeligheid voor traditie en de plek waar men mee aan de slag gaat. De stedenbouwkundigen snakken vaak naar bronnen, als inspiratie voor hun nieuwe plannen. Vanuit de stedenbouw zelf en vanuit aangrenzende disciplines zoals his­ t o r i s c h e geografie en d e m o n u m e n t e n z o r g worden s t e e d s meer pogingen gedaan om de c o m p l e x e historische steden­ bouwkundige ontwikkeling zichtbaar te maken en een serieus onderdeel te laten zijn van het ontwerpproces in de ruimtelij­ ke o r d e n i n g . Aan de a n d e r e kant is er l a n g z a m e r h a n d een situatie ont­ staan waarin architecten en s t e d e n b o u w k u n d i g e zich kunnen b e r o e p e n op o n w e t e n d h e i d : alles is toch gesloopt, alles is toch w e g , fuck the context, zoals R e m K o o l h a a s eerder riep. Zijn grootschalige projecten in China, en met n a m e in Bei­ jing w a a r c o m p l e t e stadsdelen ter grootte van de stad Den Haag w o r d e n g e s l o o p t , zijn daar een e x t r e e m v o o r b e e l d van. K o o l h a a s wordt niet v o o r niets al "de Leni Riefenstahl van de L a g e L a n d e n ' g e n o e m d . " Dat dit soort r i g o u r e u z e ingrepen gebeuren met beperkte afwegingen, geeft aan dat men alleen vooruitkijkt en geen s a m e n h a n g meer ziet tussen het g e h e u g e n van een plek en de daaraan g e k o p p e l d e herin­ nering. Men creëert dan een herinnering vanuit een eigen, veelal gefantaseerde, context en noemt dat dan historische inspiratie. Dat leidt onherroepelijk tot een al dan niet gewil­ de breuk met het v e r l e d e n , die kan leiden tot a n o m a l i e ë n , tot k e u z e s d i e de traditie o n t k e n t en tot k e u z e s die niet b e d a c h t zijn vanuit een s t r u c t u u r m a a r vanuit een e v e n e ­ ment. Dit heeft maar al te vaak tot gevolg dat men doet aan

ruimtelijk c o n s u m i s m e en dat leidt w e e r tot g r o o t s c h a l i g ­ heid die haaks staat op de fijnmazige structuur van een his­ torische binnenstad.

Bouwblokken Binnen monumentenzorg wordt de complexiteit en de fijnma­ zigheid van de historische binnensteden pas een echt aan­ dachtsgebied ten tijde van de stadsvernieuwing aan het einde van de jaren zestig. In de praktijk betekende dit dat er vooral gedacht werd in beschermde stads- en dorpsgezichten. Vanaf 1961 was er de mogelijkheid om deze aan te wijzen. Pas na de reorganisatie van de Rijksdienst in 1972 ontstond er een afdeling S t e d e n b o u w en werd er in districten gewerkt aan p l a n v o r m i n g terwijl de aanwijzing het werk bleef van de Kunsthistorische afdeling. In die periode wordt een deel van de Bredase binnenstad a a n g e w e z e n als b e s c h e r m d stadsge12

10

Ajb. 3. Tekening en luchtfoto van de historische binnenstad van Breda met herkenbaar de bouwblokken en de grootschalige bebouwing, zoals de parkeergarage aan de Tolburgstraat. de Barones en de Nieuwe Veste (bibliotheek). Itekeninv, Cartografisch Bureau Map. Bert Stamkot)

B U L L E T I N KNOB 2008-2

47

zicht. De term gezicht geeft echter al aan dat het nog steeds een beleid is dat berust op de buitenkant van de gebouwen terwijl de interne bouwkundige en stedenbouwkundige structuur van een bouwblok pas later werden beschreven (afb. 3). Het is dan ook opmerkelijk dat de term ' b o u w b l o k ' in twee belangrijke s t e d e n b o u w k u n d i g e publicaties, vanuit het perspectief van de s t e d e n b o u w k u n d e en m o n u m e n t e n z o r g niet wordt g e b r u i k t . " Van Voorden spreekt over aaneengesloten bouwwerken en gemeenschappelijke gevelrooilijnen - duidelijker kan niet worden geïllustreerd dat men het b o u w b l o k alleen vanaf de buitenkant wenst te definiëren. De stedenbouwkundige Heeling hanteert de term eiland als alternatief, maar ook dit wijst weer o p een omschrijving van buitenaf. D e laatste d e c e n n i a is er wel b e d u i d e n d meer o o g voor ( b o u w ) h i s t o r i e van b o u w b l o k k e n maar dat heeft nog niet geleid tot nieuwe impulsen o p s t e d e n b o u w k u n d i g g e b i e d . ' Overigens is er binnen de M o n u m e n t e n w e t van 1988 wel de mogelijkheid om s t e d e n b o u w k u n d i g e structuren te bescher14

5

men. Het bestemmingsplan komt echter voort uit de Wet op de Ruimtelijke Ordening en vanuit die invalshoek wordt - en dat is ook wel begrijpelijk - weinig aandacht besteed aan de sociaal-culturele aspecten van de openbare ruimte. Een integrale benadering is lastig, omdat het ruimtelijke ordeningsbeleid berust bij het ministerie van V R O M en het cultuurhistorische kwaliteitsbeleid valt onder het ministerie van O C W . 1 6

Wooncultuur, verkaveling, bouwblok en casco D e cultuurhistorische analyse van de Visserstraat in Breda maakt duidelijk dat de woonfunctie, de verkaveling, de casc o ' s van de huizen en het fenomeen bouwblok de belangrijkste stedenbouwkundige constanten zijn (afb. 4). Al die e e u w e n w o n e n hier m e n s e n , w o r d e n er huizen gebouwd, ingericht en bewoond. De wooncultuur en de identiteit van deze straat zijn dan ook gefundeerd op dit elementaire gegeven. De vormgeving van de huizen in de Vissers-

Afb. 4. De Visserstraat in vier ontwikkelingsfasen: 4.1. De ontginningsfase in de periode 1175-1250. 4.2. De verkaveling na de aanleg van de straat in 1330 4.3. De percellering rond 1435 met een ruilverkaveling aan de latere Havermarkt. 4.4. De straat kort na de stadsbrand van 1490 als de Havermarkt is aangelegd. De namen van de huizen aan de Vismarkt dateren van rond 1520-1530. (tekeningen Cartografisch Bureau Map. Bert Stamkot)

BULLETIN KNOB 2008-2

4*

traat werd bepaald door de technische mogelijkheden en dooide beschikbaarheid van bepaalde bouwmaterialen. Het gevaar van de stadsbranden en de toename van productie van bakstenen veranderde de bouwkundige opzet en daarmee ook het bouwbedrijf in de veertiende en vijftiende eeuw, zeker na de stadsbranden van 1490 en 1534. In de twintigste eeuw veranderde het bouwbedrijf n o g m a a l s rigoureus en kregen we te maken met een overgang van een baksteenbouwtraditie naar een n i e u w e bouwtraditie, die g e k e n m e r k t wordt door harde b o u w m a t e r i a l e n zoals beton, staal, a l u m i n i u m en kunststof kozijnen. Materiaal wordt goedkoper ten opzichte van arbeid

en dit heeft tot gevolg dat er ook eerder voor wordt gekozen o m te slopen. Het verandert ook de b o u w v o l u m e s en dus ook de interne structuur van een huis en dat heeft weer invloed o p de wooncultuur.

Structuur Er is veel veranderd sinds de aanleg van de Visserstraat rond 1315, maar de verkaveling die destijds werd uitgezet en de huizen die hier in de periode 1450-1850 werden g e b o u w d , zijn nog altijd de basis voor de ruimtelijke hoofdstructuur van de Visserstraat. In plaats van huizen kan beter worden gesproken van casco's (afb. 5). omdat het interieur en de voorgevel van de huizen het aanzicht van de huizen - onder invloed van mode veranderen. Die veranderingen kunnen zonder al te veel problemen worden doorgevoerd binnen de hoofdopzet van het huis: het casco, de zij- en achtergevels, kelders, balklagen en kappen bleven eeuwen lang uitgangspunt voor telkens nieuwe architectonische plannen en afwerkingen. Het bouwblok is een belangrijk organiserend stedenbouwkundig principe van de laatmiddeleeuwse stad en symboliseert ook de kerntegenstelling openbaar en privé, buiten en binnen. Z e k e r sinds de zestiende eeuw maar waarschijnlijk al vroeger, zijn de b o u w b l o k k e n r o n d en aan de Visserstraat gesloten gevelvvanden en o m m u u r d e erven met afsluitbare poorten die toegang bieden tot de grote kavels en hoven in het binnenterrein. Het is belangrijk om vast te stellen dat de moderne stedenbouw de ontmanteling van het bouwblok tot gevolg heeft, met als doel om los te komen van het gesloten stadsbeeld. De bouwblokken rondom de Visserstraat hebben drie belangrijke ruimtelijke k e n m e r k e n . In de eerste plaats refereren de grenzen van de verschillende kavels nog in hoofdlijnen aan een verkaveling uit de twaalfde e e u w , nog voordat d e straat was aangelegd. In de t w e e d e plaats is met de aanleg van de straten, d e s t a d s m u u r en de H a v e r m a r k t de grens van d e b o u w b l o k k e n bepaald. Als d e r d e e l e m e n t kunnen de c a s c o ' s van de huizen w o r d e n g e n o e m d die - voor zover nog a a n w e z i g - de o r g a n i s c h e g e g r o e i d e stad weerspiegelt. D e z e m a r k e r i n g s p u n t e n bestaan op hoofdlijnen nog steeds. Die drie structuren visualiseren de continuïteit van deze plek en dienen dan ook in s t e d e n b o u w k u n d i g opzicht als een d u u r z a m e herinnering te worden gebruikt en g e w a a r deerd.

Historisch besef

Afb. 5. Het casco van het huis Visserstraat 31 te Breda. Zijaanzichten van de zuidgevel (boven) en de noordgevel (onder) met in grijs aangegeven het muurwerk dat dateert van voor de stadsbrand van 1490. De br-codes geven de balken aan die dendrochronologisch zijn onderzocht (tekening auteur)

Waarderen en beschermen moet niet bevriezen of terugrestaureren betekenen - elke poging daartoe gaat in tegen de straat of historische binnenstad als dynamisch cultuurverschijnsel. Maar wat en hoe dan wél te waarderen? Uitgangspunt bij de analyse die ik gemaakt h e b . is een driedeling die h e r k e n b a a r is tussen a l l e d a a g s e g e b e u r t e n i s s e n , conjuncturele o n t w i k k e l i n g e n en structurele aspecten zoals omschreven door B r a u d e l . H i e r m e e krijgt men vat op een verschillende w a a r d e r i n g o m d a t aan deze drie tijdsniveaus 17

B U L L E T I N KNOB 2008-2

49

STRUCTUREEL

• verkaveling

• bouwwijze

• bewakingscamera's

• bouwblok

• straatmeubilair



• casco

• interieur

• reclame-uitingen

• dakenpatroon

• voorgevel

• nieuw format café

i i i t g a a n s / w i n k e l p i i b l i e k

• kelders

woonfunctie

horecabestemming

BESTEMMINGSPLAN

WELSTAND

MONUMENTENWET

STADSVERNIEUWING

bewoner

MAATSCHAPPELIJKE

Afb. 6. Schema met structurele, conjuncturele en evenementiè'le aspecten, zoals die te onderscheiden zijn in de achthonderdjarige van de Visserstraat. Verder zijn ook enkele beleidsmatige instrumenten genoemd die gekoppeld kunnen worden aan de verschillende

ook verschillende vormen van historisch besef worden g e k o p peld (afb. 6). Het hanteren van verschillende tijdlagen is iets wat elke historicus per definitie doet, ook al is hij zich er niet altijd van bewust. O p het moment dat bronnen worden geraadpleegd of geordend, ontstaat geschiedschrijving en krijgen de bronnen en interpretaties een plek binnen het n i e u w g e s c h r e v e n g e s c h i e d v e r h a a l . Aan de ene kant is er de tijdlaag van de objectieve chronologie en feiten - dat gebeurde toen op die plek - die aan de andere kant een plaats krijgen binnen een nieuwe rangschikking van feiten. En dat laatste leidt tot de vorming van een eigen en subjectieve tijdlaag met een eigen betekenis. Aan het evenementiële is dikwijls een onbewuste directe historische herinnering gekoppeld die als krachtig en individueel wordt gewaardeerd. Conjuncturele ontwikkelingen willen we in perspectief plaatsen en het historisch besef dat daar aan gekoppeld is werkt sterk ordenend en relativerend en leidt tot een zekere mate van identiteitsbesef bij groepen. De structurele aspecten hebben een d u u r z a a m en collectief karakter als het om historisch besef gaat - men duidt dit vaak aan als o n v e r v r e e m d b a a r cultuurgoed o m het belang aan te geven. 18

DYNAMIEK

bewoningsgeschiedenis aspecten

Traditie en vernieuwing Hoe gaan wij met het verleden o m ? Cruciale tegenstelling is natuurlijk die tussen traditie en vernieuwing. Traditie is mind e r d o m i n a n t dan honderd j a a r g e l e d e n , v e r n i e u w i n g lijkt belangrijker te worden en sneller te gaan. Kortom, het verleden verliest terrein als vanzelfsprekend precedent, en respect voor dat verleden is dan ook niet meer automatisch aanwez i g . Vernieuwing na de oorlogsvervvoestingen in de Tweede W e r e l d o o r l o g en d a a r o p v o l g e n d e s a n e r i n g e n in het d e r d e kwart van de twintigste eeuw zijn het gevolg van de "vooruitgangsgedachte*, de redelijk dramatische demografische voorspellingen en het modernisme onder Amerikaanse invloed. In de stedenbouwkunde is dat conflict tussen traditie en vernieuwing hét thema sinds het begin van de twintigste eeuw. Belangrijke vragen die daarbij telkens terugkomen, hebben te maken met functies (waar wélke voorzieningen?) én ruimtegebruik (waar liggen de grenzen van het ruimtelijk consumisme?). Kernvraag is, of een nieuw gebouw of de nieuwe functie het waard is om bepaalde cultuurhistorische waarden o p te geven. Het gaat daarbij o m de waardering van het b e s t a a n d e ten o p z i c h t e van het n i e u w e . Bij die v e r n i e u w i n g wordt sterk geredeneerd vanuit een vooruitgangsgeloof en daarbij hoort 19

BULLETIN KNOB 2008-2

50

20

o o k een tendens tot intensivering van r u i m t e g e b r u i k . R u i m te in een stad is per definitie schaars en dat leidt bij stedenb o u w k u n d i g e n automatisch tot intensiveringbeleid, alsof er angst voor de leegte is. De hang naar traditie binnen de architectuur en stedenbouwkundige is ontstaan in de negentiende eeuw. Figuren als Pierre C u y p e r s en Victor de S t u e r s w e r d e n gevoed d o o r de R o m a n t i e k en gaven er een nationale b e t e k e n i s en inhoud aan. De Stuers w a s in staat om een nationaal m o n u m e n t e n b e leid op poten te zetten. H e t w a s een reactie op de stormachtige opkomst van de moderne industriële samenleving waarin men van alles in rap tempo zag verdwijnen. Het credo was veelal 'redden wat er nog te redden valt'. In architectonisch opzicht leidde dit tot de zogenoemde neostijlen, waar de hang naar traditie duidelijk spreekt. Het is in feite een historische architectuur die de fascinatie voor de geschiedenis sterk verbeeldde en de band met het verleden wilde versterken. Maar het b e p a a l d e ook de g e b o o r t e van de m o n u m e n t e n z o r g in Nederland. Het is een romantische ideologie die tot doel heeft o m het verleden weer te laten herleven, zij het met anachron i s t i s c h e m i d d e l e n . D e m o n u m e n t e n z o r g speelt in veel opzichten nog steeds in o p die traditie en dat is ook begrijpelijk. Behoud gaat voor vernieuwing was nog decennialang het devies na de invoering van de m o n u m e n t e n w e t van 1961. Dat ontwikkeling als paradigma lastig is voor m o n u m e n t e n z o r g wordt duidelijk uit een citaat van C e e s Peeters uit 1 9 7 8 : "Restaureren betekent altijd veranderen en is d u s zeker niet het eerste oogmerk van de monumentenzorg die uit is o p het behoud van historische w a a r d e n " . 21

22

Z o close als de architecten Cuypers en consorten waren met de negentiende-eeuwse m o n u m e n t e n z o r g e r s . zo afstandelijk werd hun relatie in de loop van de twintigste eeuw. Er k w a m een sterke reactie op die 'traditionele' architectuur en ontstaat er een beweging van modernistische architecten die zich sterk afzet tegen de n e g e n t i e n d e - e e u w s e traditie. Architecten als Berlage en De Bazel zitten daartussenin. Vanuit de gedachte dat de toekomst mooier is dan datgene wat de geschiedenis aanreikt, streeft men naar vernieuwing, hetgeen uiteindelijk gestalte kreeg in de Nieuwe Zakelijkheid. Neostijlen worden door deze modernistische stroming afgedaan als anachronistische kitsch en als oubollig neergezet. M a a r uiteindelijk jagen veel modernistische architecten en stedenbouwkundigen ook een droombeeld (van een rationele orde) na. Overigens wordt die rationele orde nu net zo ter discussie gesteld als de hang naar traditie van de negentiende-eeuwse v o o r g a n g e r s .

dat a r c h e o l o g i s c h e sporen - die meestal vernietigd worden v a n w e g e een nieuw b o u w p l a n - dat heel concreet kunnen aantonen, terwijl historische bronnen er ook zijn. maar al te vaak onzichtbaar blijven. De meerwaarde van multidisciplinair onderzoek naar een historische binnenstad is vooral gelegen in een koppeling tussen o n d e r z o e k van enerzijds het ruimtelijk-fysiek a s p e c t e n anderzijds het sociaal-culturele aspect. Door hier ook een langetermijnperspectief aan te koppelen, ontstaat er ook meer inzicht in de gelaagdheid en de verschillende snelheden waarmee processen plaatsvinden. Verder dient ook de stap tussen onderzoek en ontwerp meer aandacht te krijgendDe belangrijkste aanbevelingen zijn dan ook relatief eenvoudig en slaan op twee dingen. In de eerste plaats gaat het om professionals, d u s zowel uit de wereld van cultuurhistorie als uit de ruimtelijke ordening, die de discussie over traditie en vernieuwing in een historische binnenstad willen aangaan. Daarbij is het cruciaal dat zowel het ruimtelijk-fysieke aspect als het sociaal-cultureel aspect m e e w e e g t en c o m b i n e e r beide aspecten zoveel mogelijk, want ze kunnen niet zonder elkaar. Uiteraard vergt dit veel van onderzoekers, van ontwerpers en met name in de bestaande opleidingen moet hier meer aandacht voor komen. In de tweede plaats moet die discussie ook wel een formele context krijgen. Naar mijn mening kan dit het beste door in het b e s t e m m i n g s p l a n een cultuurhistorische paragraaf op te nemen waarmee cultuurhistorisch onderzoek - in ieder geval in beschermde stads- en dorpsgezichten - kan worden afgedwongen als bouw- of sloopvergunningen gaan spelen. Naar analogie van de archeologiewetgeving dient dit multidisciplinaire onderzoek ook een wettelijke basis te krijgen.

Noten 1

F. van der Ploeg. 'Culturele planologie'. Stedebouw

2

Ruimtelijke

A. Schuurman. 'Venei. muze. vertel. Geschiedenis, ruimte en cultureel erfgoed' in M.A.W. Gerding (red.). Belvedère en de geschiedenis van de groene ruimte.

Historiae

Agriculturae

33 Groningen/

Wageningen 2003. 9-48. W. Frijhoff. Dynamisch 4

erfgoed. Amsterdam 2007. 34.

De tekst is in aangepaste vorm uitgesproken tijdens een studiedag van de KNOB in de Grote Kerk te Breda op 29 januari 2005. Deze

23

bijdrage is grotendeels gebaseerd op hoofdstuk 7 van mijn dissertatie W. Hupperetz. Het geheugen

van een straat. Achthonderd

jaar

wonen in de Visserstraat te Breda. Utrecht 2004. Met dank aan D. J.

Aanbeveling Tellen we de eerdergenoemde leemtes en tekorten bij elkaar op. dan is er vanuit twee kanten te weinig oog voor het geheel van objecten en gebeurtenissen van de handelende mens op het niveau van de historische binnenstad. Ook al is een huis. een straat of een bouwblok gesloopt en al zijn de bewoners verhuisd of overleden, dan is er nog altijd een geheugen dat de basis kan zijn voor een herinnering die verbonden is met deze plek, met die bouwlocatie. Het vreemde doet zich voor

&

Ordening 4 (\999) 3.

de Vries voor zijn redactionele commentaar en H.L. Janssen voor eerdere discussies en stimulansen. 5

Het geheugen van een stad is door Frijhoff al eens treffend gedefinieerd als het resultaat van een complexe wisselwerking torische, functies praktijken

materiële

structuur

naar binnen

en infrastructuur

en naar buiten

tussen de his-

van de stad,

en de veelheid

aan

van haar inwoners, mei inbegrip van hun fysieke

haar sociale

omgang

met de stad en de zin die ze eraan geven: W. Frijhoff.. ' D e stad en haar geheugen', in: Sj. Cusveller (red.). Stad! De stad en haar iden-

B U L L E T I N KNOB 2008-2

6

5•

titeit, Hoogezand 1994. 29-58, 44.

lingen betreffende

Het gaat dan met name om Erfgoedstudies aan verschillende hoge-

46. 18

scholen en universiteiten en voor onderzoek zijn alle ogen gericht

toch enkelvoudige tijd'. Tijdschrift

versiteit Amsterdam, dat het Erfgoed van 'Cultural Landscape and

517-535.526-527. 19

Zie de studies van L.A. de Klerk, Op zoek naar de ideale

stad,

Deventer 1980; F.W, van Voorden. Schakels

Een

in stedebouw.

jc

:

"

: i

omgeving.

opmerkingen

Amster-

W. Denslagen, 'Overleefde schoonheid. Vijftig jaren restaureren en

historisch-geografisch

Noord- en Midden

Jaarboek

Rijks-

Monumen-

-

;

W. Denslagen. Romantisch

modernisme.

Nostalgie

in de

monumen-

tenzorg. Amsterdam 2004. 177. (Groningen Intreerede,

van Peel en Maas. Een toe-

onderzoek

Limburg.

in het

streekplangebied

Maaslandse Monografieën groot for-

maat 9. Leeuwarden 1999. speciaal 495 e.v en P. van Dun. 'Vijftig jaar stedenbouwkundige monumentenzorg' in: P. Don e.a. (red.) In dienst

1947-1997.

24

Op dit terrein heeft het Projectbureau Belvedère, mede door de aanstelling van de Belvedère-hoogleraren, een belangrijke rol gespeeld

risch-geograaf J. Renes. Landschappen

van het erfgoed. Jaarboek

Monumentenzorg

1997. Zwolle

1997.167-193. Benaming die architectuurcriticus Bernard Hulsman (NRC) gaf in 2004. P. van Dun. 'Vijftig jaar stedenbouwkundige monumentenzorg' in: P. Don e.a. (red.) In dienst van het erfgoed. Jaarboek

Monumenten-

zorg 1997. Zwolle 1997. 167-193. 174. F.W. van Voorden. Schakels in stedebouw.

Een model voor analyse

van de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteiten van ^ - e e u w s e stadsuitbreidingen op grond van een onderzoek in Gelderse steden. Zutphen 1983 en P. van Dun. 'Vijftig jaar stedenbouwkundige monumentenzorg" in: P. Don e.a. (red.) In dienst van het Jaarboek Monumentenzorg

erfgoed.

1997. Zwolle 1997. 167-193.

J. Heeling. H. Meyer en J. Westrik. Het ontwerp van de

stadsplatte-

grond. De kern van de stedebouw in het perspectief van de eenentwintigste eeuw. Deel 1. Amsterdam 2002, 75-77. Zie de publicaties van A.C.F. Koch. Het Bergkwartier Huizenboek

van een middeleeuwse

stadswijk

te

Deventer.

tot 1600.

Zutphen

1988 en meer recent het onderzoek dat in Utrecht door BBA is uitgevoerd naar het Driftcluster: Cultuurhistorische ges Utrecht, rapporten juni 2003. Driftcluster, Pieter 200, Grachtencluster

Effect

Rapporta-

Complex achter Sint

en A. van Drunen,

's-Heriogenbosch

van siraet tot stroom. Zwolle 2006. P. van Dun. 'Vijftig jaar stedenbouwkundige monumentenzorg' in: P. Don e.a. (red.) In dienst van hel erfgoed. Jaarboek

Monumenten-

zorg 1997. Zwolle 1997. 167-193. 170 en 191-192. '"'

22

Utrecht 1974.

Zie: de oratie van de stedebouwkundige H. Bekkering.

gepast

''

monumen-

tenzorg. Zwolle 1997,194-215. 195

anti-kunstzinnige

nardo Secchi's plan voor Siena'. Archis 12 (1989). 15-21. de histo-

5

in de

J. Perry. Ons fatsoen als natie. Viclor de Stuers 1843-1916.

Amsterdam 2004.

Delft 1999 en E. Taverne. 'Sleutelen aan een draaiende motor. Ber-

!

Nostalgie

dam 2004.

Nostal-

2000).

12

modernisme.

dienst voor de Monumentenzorg

modernisme.

K. Doevendans. en R. Stolzenburg. Stad en samenleving

11

W. Denslagen. Romantisch

verbouwen' in: P. Don e.a. (red.). In dienst van het erfgoed.

over de gebouwde

10

dus wij bestaan. Over jubilea, monumenten

Amsterdam 2002: W. Denslagen. Romantisch S.M. Pruys, De paradijsbouwers,

u

116 (2003)

debouw in het perspectief van de eenentwintigste eeuw. Deel 1, gie in de monumentenzorg. x

De kern van de ste-

J. Perry. Wij herdenken

voor Geschiedenis

tenzorg. Amsterdam 2004. speciaal: 145. 151 en 153.

zoek in Gelderse steden. Zutphen 1983: J. Heeling. H. Meyer en J. Westrik. Het ontwerp van de stadsplattegrond.

111 (1996) 30-

en de collectieve herinnering. Nijmegen 1999. 111.

model voor analyse van de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteiten van 19 -eeuvvse stadsuitbreidingen op grond van een onder-

der Nederlanden

H. Jansen. 'Braudels drie tijdlagen en de paradox van de dubbele en

op het nieuw opgerichte erfgoedinstituut CLUE van de Vrije UniUrban Environment' als aandachtsgebied heeft. 7

de Geschiedenis

F. Braudel, Geschiedschrijving.

Baarn 1979. 45-84; voor deze drie-

deling in de vormen van historisch besef, zie E. Jonker. 'De betrekkelijkheid van het moderne historisch besef'. Bijdragen

en

medede-

en die zou ook na 2009 voortgezet moeten worden.

Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.