De berekende samenleving : over wiskundige modellen en besluitvorming


1 De berekende samenleving : over wiskundige modellen en besluitvorming Citation for published version (APA): Albers, G., Bij, van der, J. D., Rijk, K...

0 downloads 1 Views 7MB Size

Recommend Documents


Wiskundige modellen voor waterbewegingen en sedimentbewegingen in de waterwegen en in de kustzone
1 departement Mobiliteit en Openbare Werken Wiskundige modellen voor waterbewegingen en sedimentbewegingen in de waterwegen en in de kustzone OPEN OFF...

Populisme en de zorg over de samenleving
1 Populisme en de zorg over de samenleving Mark Elchardus & Bram Spruyt Terwijl populisme druk bestudeerd wordt op het niveau van de retoriek van ...

Over de multiculturele samenleving
1 Over de multiculturele samenleving Etienne Vermeersch Humanist U stelt mij voor als 'humanist', maar ik sta enigszins aarzelend tegenover die benami...

Bezorgdheid over de samenleving
1 Bezorgdheid over de samenleving ProDemos Dr. Eefje Steenvoorden Erasmus Universiteit Rotterdam2 Negatieve stemming Gebruikte termen in het publieke ...

FILOSOFEN OVER MANAGEMENT, INFORMATIE EN DE SAMENLEVING
1 Mariëlle Roozemond Voor iedereen die zich voorgenomen heeft om in het nieuwe jaar eens wat anders tegen de dingen aan te kijken, aandacht voor ...

Orgaan van de. Nederlandse Vereniging. van Wiskundeleraren. Foucault en. bolmeetkunde (2) Wiskundige modellen. voor epidemieën
1 Orgaan van de Nederlandse Vereniging van Wiskundeleraren V a k b l a d v o o r d e w i s k u n d e l e r a a r jaargang oktober 10 1 a Foucault en b...

Computationele psychiatrie: een toekomst voor wiskundige modellen in de classificatie en behandeling van psychopathologie?
1 Artikel Computationele psychiatrie: een toekomst voor wiskundige modellen in de classificatie en behandeling van psychopathologie? Zsuzsika Sjoerds ...

DE WISKUNDIGE ECONOMIE IN TILBURG EN NEDERLAND EN DE WISKUNDIGE ECONOMIE VAN PIETER H.M. RUYS
1 DE WISKUNDIGE ECONOMIE IN TILBURG EN NEDERLAND EN DE WISKUNDIGE ECONOMIE VAN PIETER H.M. RUYS Claus Weddepohl Universiteit van Amsterdam 1 Tilburg, ...

Besluitvorming over de aanleg en wijziging van hoofdinfrastructuur
1 Besluitvorming over de aanleg en wijziging van hoofdinfrastructuur Een artikelsgewijs commentaar op de Tracéwet en de projectprocedure op gro...

Over natuurkunde en de respons van de samenleving
1 Over natuurkunde en de respons van de samenleving Rede uitgesproken door Prof.dr. F.A. Berends bij zijn afscheid als hoogleraar Theoretische Natuurk...


De berekende samenleving : over wiskundige modellen en besluitvorming Citation for published version (APA): Albers, G., Bij, van der, J. D., Rijk, K., & Weeder, P. (1984). De berekende samenleving : over wiskundige modellen en besluitvorming. Eindhoven: Studium Generale TH Eindhoven.

Document status and date: Gepubliceerd: 01/01/1984 Document Version: Uitgevers PDF, ook bekend als Version of Record Please check the document version of this publication: • A submitted manuscript is the version of the article upon submission and before peer-review. There can be important differences between the submitted version and the official published version of record. People interested in the research are advised to contact the author for the final version of the publication, or visit the DOI to the publisher's website. • The final author version and the galley proof are versions of the publication after peer review. • The final published version features the final layout of the paper including the volume, issue and page numbers. Link to publication

General rights Copyright and moral rights for the publications made accessible in the public portal are retained by the authors and/or other copyright owners and it is a condition of accessing publications that users recognise and abide by the legal requirements associated with these rights. • Users may download and print one copy of any publication from the public portal for the purpose of private study or research. • You may not further distribute the material or use it for any profit-making activity or commercial gain • You may freely distribute the URL identifying the publication in the public portal. If the publication is distributed under the terms of Article 25fa of the Dutch Copyright Act, indicated by the “Taverne” license above, please follow below link for the End User Agreement: www.tue.nl/taverne Take down policy If you believe that this document breaches copyright please contact us at: [email protected] providing details and we will investigate your claim.

Download date: 11. Mar. 2019

UA3 0

8

.A. I

1...:-

,.. t\

DE BEREKENDE SAMENLEVING

Tekstenbund eI behorende bIJ.. de Studium Generale cyclus over

.ng Wiskundige modellen en beslu"•tvorm1

egingen voorspe\ling. sturinQ. beheersinQ modellenmakerii modelmatig systeem denken structuur systeembe eemanalyse modelgebruik sociaal systeem simulatie idealisaties besluitvOrmingsprocessen scenario's econo wiskundig instrumentarium modellering van personeelsbewegingen voorspe\ling, sturing, beheersing modelle embenadering operations research relatie omgevinQ systeemanalyse modelgebruik sociaal systeem simulatie i nomisch model programmeerbaarheid informatiserinQ wiskundig instrumentarium modellering van persone odellenmakerii modelmatig systeem denken structuur systeembenaderinQ operations research relatie omg

maart/april1984 f 2,50

DE BEREKENDE SAMENLEVING

OVER WISKUNDIGE MODELLEN EN BESLUITVORMING

een maatschappelijk model •

Uitgave: Studium Generale TH Eindhoven 1984 Postbus 513 5600 MB Eindhoven tel. 040 - 472070/472071 Samenstelling: Werkgroep Modellen en Besluitvorming Gerard Albers, Hans v,d, Bij, Kees Rijk en Pieter Weeder Lay-out: Eerk Hofmeester, Kees Rijk

DE BEREKENDE SAMENLEVING

over wis kundige model len en bes luitvorming

In de natuur- en technische, in de economie, bedrijfskunde, planologie en psychologie, overal worden tegenwoordig wiskundige modellen gebruikt of wordt er verwachtingsvol over gesproken. Wiskundige modellen zijn modellen van iets, ze structureren, vereenvoudigen en verhelderen een aspect van iets anders: van de werkelijkheid of van iets dat bedacht is, een theorie. Modellen beschrijven niet alleen, ze worden ook gebruikt om te voorspellen. Bij ingewikkelde besluitvormingsprocessen in de politiek, de economie of in bedrijven worden modellen met die bedoeling te hulp geroepen. "Wanneer we uitgaan van die en die situatie en dit of dat zouden doen, wat gebeurt er dan als de overige condities ondertussen niet veranderen?" Dat soort vragen; van het wat-als type. Modellenbouw ten behoeve van besluitvormingsprocessen is een betrekkelijk nieuw fenomeen. We zijn inmiddels verlost van de pretentie dat rekenmodellen beslissingen kunnen vervangen. Juist daarom en vanwege het toenemende gebruik van modellen is de vraag zo aktueel wat de modellenmakerij wel kan bijdragen. Studium Generale wijdt er een cyclus aan.

PROGRAMMA

i

van lez

yclus

Prof.ir. 0. Rademaker woensdag 21 maart 11 45 uur, Senaatszaal

ii

model len

Prof.dr, A.H.J.J. Kapteyn woensdag 28 maart 11.45 uur, Senaatszaal

iii

Prof.dr. J. Wessels

het wetenwoensdag 7 april 11.45 uur, Senaatszaal

iv

Drs. R. de Man woensdag 11 april 11.45 uur, Senaatszaal

v

Prof.dr.ir. J.H. Galjaard

Mensen als risico-factoren woensdag 18 april 11,45 uur, Senaatszaal

INHOUD blz. I.

Modelgebruik

Modell en De rol van modellen II.

Macro-economische Modellen en Politiek

Is het gebruik van economische modellen

4 6

16 20 22

bij de beleidsvoorbereiding zinvol, III.

Planningmodellen in het wetenschappelijk bedrijf

De ontwikkeling van een instrumentarium voor

53 55

personeelsplanning in bet wetenschappelijk onderwijs IV.

Modellen, Scenario's en het Politieke

68

Energiemodellen en het beleidsproces

10

Toepassing van operations research in

82

ontwikkelingslanden

v.

Mensen als risico-factoren

Arbeidsorganisatie, Robotica en

90 92

Informatisering

3

I

MODELGEBRU IK

Het toenemend gebruik van modellen bij besluitvormingsprocessen maakt de vraag aktueel welke funktie deze wiskundige modellen daarbij precies vervullen. Een model is niet zondermeer een weer• gave van de werkelijkheid, maar veeleer een afspraak om in bepaalde, wiskundiqe termen een situatie te beschouwen, in de verwachtinq meer inzicht in de oplossinq van een probleem te krijqen. Wiskundiqe modellen komen daarom niet zomaar uit de (mathematische) hemel vallen, maar worden opqesteld met duidelijke bedoeli111gen . De bedoelinqen zijn lang niet altijd als expliciete vooronderstellinqen in

een

model teruq te vinden en de vraaq naar de qeldiqheid

van

zo'n model gaat dan ook veel verder dan de wiskundiqe oorrectheid ervan. Als alq~e inleiding op de vraaqstukken rond de toepassinq van wiskundi9e modellen is een deel van een hoofdstuk uit het boek van 1

1

tcramer en Smit Systeemdenken ope:;enoiilen . Bovendien is uit historische overweqinqen een artikel uit 1945 van Norbert Wiener, 4e vader van de cybernetica en Rosenblueth opqenomen. Dit artikel heeft ons nu niet veel nieuws meer te melden, maar toen betekende het een doorbraak naar het inzicht dat wiskundige modellen algemeen toepasbaar zijn. Bet is opvallend dat in dit invloedrijke artikel een directe koppeling wordt gelegd tussen (wiskundiqe) modellen en "de wetenschappelijke methode". Wetenschappe-lijke vooruitgang zou bestaan uit bet expliciet maken van wiskundige modellen. Bet hoogst haalbare voor de empirische wetenachapper is 0111 "symbolen en gebeurtenissen vrijelijk te verwisselen". In onze tijd hebben we er inmiddels voor leren waken model en werkelijkheid door elkaar te halen. Kramer en Smit laten zien dat men in ook in de systeemleer op dit punt aanzienlijk qenuanceerder is gaan denken.

4

MODEL LEN

N.J. T. A. Kramer

J. de Smit

Hoofds tuk uit II Systeemdenken 3e druk, 1982.

II,

Stenfert Kroese,

Leiden/Antwerpen,

DE ROL VAN MODELLEN

A. Ros enblueth N. Wiener

Artikel uit 1945, bewerkt als inleiding voor een serie in het weekblad lntermediair ( 19691.

5

HOOFDSTUK V

5.1.

MOD ELLEN

INLEIDING

Zoals reeds in de in Ieiding ( 1.1.) is gesteld, bcstaat er tegenwoordig vee I interesse voor het toepassen van ecn systecmbenadering op hct oplosscn van maatschappelijke. politicke en omgevingsproblemen. Teneindc deze 'largescale', gccomplicccrde interacticve systemen tc beschrijven, maakt de systcembenadcring gebruik van modcllcn. Men hanteert voor de beschrijving van dezc cnmplcxe systcmen symholischc voorstcllingcn zodanig dat conclusics met hctrckking tot de cfTcctcn van altcrnatievc systeemconfiguratics gcmakkelijk en vlug kunnen worden getrokken. Hct proces van hct construercn, hct makcn van modcllcn zclf. word! ook steeds hctcr hegrcpcn als cen directc uitbreiding van de wetenschappelijke methode (Mihram. 1972). Het hceft lang geduurd voordat het model een volwaardige plaats binnen de wctenschap kreeg. Lange tijd had hct gebruik van mode lien in de wetenschap cen welhaast banale klank. Pas na de rormalisering van het begrip model en door invocring van het begrip isomorfie raakte het model ingeburgerd in de wetenschappelijke methode. Sindsdien heert het modelbcgrip door zijn vele functics de wetcnschap nuttigc diensten bewczen (Bertels, 1972). De eerstc hclangrijke rol speckle (en speclt nog steeds) het model in de fysica. Zondcr gebruik van modellen zou de verklaring van magnetische en elektrischc verschijnsclen ( 19e eeuw) veel minder gemakkelijk zijn geweest. De hefaamde ether is een voorheeld van ccn aanschouwclijk fysisch model. wa:mioor vcrschijnsclcn rondom hct Iicht door:lichtig wcrden. Dit model wcrd cchtcr achtcrhaald door de ontwikkcling van de leer van hct clektromagnctismc door Maxwell. llct cmpirisch model (de ether als voortplantingsmcdium van elcktromagnctischc golvcn) wcrd vcrvangcn door ecn formccl model (de wettcn van Maxwell). llct aanschouwelijke was vervangen door ahstractie. Dit laatste werd nog eens extra benadrukt door Poincare, die bewees dat hct bestaan van een mechanisch model voor een fysisch proces het hestaan van een oneindig aantal van zulke modcllcn met zich mcchrcngt. I ticrmcc drong tevens het he grip door dat het model moet worden gezien als iets k unstmatigs. geconstrueerd door de onderzoeker, in plaats van iets gegcven door de natuur. Het model wordt steeds meer operationeel opgevat. Het is slechts interessant voor zover het doelmatig is (Bertels en Nauta. 1969). Door het expliciet hanteren van modellen in de wetcnschap kon ook het systccmdenken met zijn integrale benadering van complcxe problcmcn tot ontwikkcling komcn. Juist doordat met modcllcn dczc problcmcn in hun algemeenheid beter kondcn worden aangcpakt. In algemene zin geeft een model een vereenvoudiging van de werkelijkheid. De wcrkclijkheid is in haar cnmplexitcit nict tc ovcrzicn, dan wd cr trcdcn factorcn or die voor ceo hcpaalde prohlecmsituatic ni(~l relevant zijn. I let model is dan gebaseerd or een aspectsystecm van hct systcem. Ook kunnen in ecn model eigenschappen worden toegcvoegd die in de werkelijkheid niet voorkomcn.

6

In het werken met modellcn dicnt deze vertckcning van de wcrkclijkhcid vccl aandacht te verkrijgen. In 't Veld (1981) spreekt in dit verband van de kwalitcit v;m hct model al~ de mate waarin hct model vohlocl vonr hct dod. Juist in situatics waarin modcllcn worden gcmaakl die voor vnSl:hillcndc doclen bruikbaar zijn. is voorzichtigheid gebodcn. Dit gcldt ook voor situaties waarbij de beschrijving van de werkclijkhcid door andercn dan de modclbouwcrs wnrdt gclcvcrd.

5.2.

MODI:LREGRIJ>

Wat vcrstaan wij nu onder cen model; onder hct hantcrcn van modcllcn? De essentic van hct hanteren van modellen ligt hicrin. dat men van ccn tc ondcrzoeken systeem een materiele dan wei formele voorstelling maakt die cenvoudiger te bestuderen is dan het systeem zelf. Oeze voorstelling wordt dan als een model van het systeem gebruikt Het ligt hierbij voor de hand dat het model informatie over het systeem dient te bevatten. Oit impliceert dat er sprake moet zijn van een zekere overcenkomst tussen model en systeem. Apostel ( 1960) stclt dat modellcn ge'introducccrd zijn in de f'unctic van rclatic tussen thcoric en thcoric. experiment en theorie. experiment en experiment en

tussen gedachtenstructuren en de gebruikers van dcze structuren. In aJIC · --- ·-----· gcvallen is dit gebeurd om nieuwe resultaten te produceren of om resultaten met behulp van eerdcr bekcnde uitkomsten tc verificrcn or om verbanden aan te tonen. Voorts worden modellen gebruikt in allerlei praktische situaties. A Is we in de werkelijkheid will en ingrijpen teneinde deze te wijzigen. gebruiken we vaak modellcn, zowel om dena te streven situatie in weer te geven als om de effectcn van ons ingrijpcn op de werkelijkhcid tc voorspellcn. fndien wij nu proberen uit het bovcnstaandc algemenc kenmerken te distilleren met betrekking tot het modelbegrip. kan dit wellicht op die wijze in zijn algemeenhcid worden gedcfinicerd. Bij het gebruik van modcllcn is altijd sprakc van minimaal twec systemcn: het te ondcrzoeken systeem Sen het model M daarvan. In principe zijn deze twee systcmen Men S onafhankelijk van elkaar. Onafhankelijk in kenthcorctische zin, d.w.z. wat men wcct uit M is gccn informatic die men via een achterdeur vanS mag hchhen verkregen. Oit houdt in dat M en S zowel direct als indirect niet met elkaar in interactie mogen staan. M is meervertrouwd danS. Er is iemand (ofiets) dieM gebruikt als model van S om daarmec informatie tc krijgcn overS. Samcnvoeging va:-~ dczc elcmenten gccft de volgendc de!initic van een model (Bertels en Nauta. 1969): 'A Is een systeem M. dat onafhankelijk is van een systeem S, gebruikt wordt om informatic te verkrijgen over dat systeem S, dan zeggen wij dat M een model is van S'.

53.

JSOMORFTF FN HOMOMORFTF

Om op een adequate wijze informalic te kr~jgen over het minder bekende systeem S moet het model M aan bepaalde voorwaarden voldoen. Oeze kunnen worden samengcvat met: M moet in structuur overcenkomen met S. In het algemeen wil dat zeggen dat hct model isomorf (Gr: gelijk van vorm) moet zijn met hct systeem. Aangezien wij door hct model informatie willen vcrkrijgen over het originele systecm en doordat dit wordt bewerkstelligd door het model isomorfte maken met het systeem, zegt men wei dat isomorfie de kern is van het modelbegrip.

7

Twcc isomorfc systcmcn hchhcn dus ccn ovcrccnkomstige structuur. Dit wil zeggen dat hct aantal rclatics en de wijzc waarop deze zijn gearrangeerd dczclfde zijn (De Lceuw, 1974). Hct patroon der rclatics moct gelijk zijn. Uezc overeenkomst kunnen wij formaliseren m.b.v. het begrip afbeclding uit de wiskunde. l:cn afhcclding is cen bepaaldc functie die hct cnc systccm ovcrvoert in het andere. Een voorbeeld kan wellicht cen en andcr vcrduidclijkcn (fig. 44). Systeem 1

Systeem 2

isomorfe transformatie

A

B

J

'

Q

c

D

r n m

l l b c d 1 2 3

'''

en

a

b

c d

' ' c'

A B

I

0

2

3

I

'm

n

Flguur 44. lsomorfc afhcclding van sy,tccm l op syslccm 2 en omgckccrd.

Bij deze afbeelding gaan de entitciten en relaties van systeem I over in die van 2. Omgekeerd is deze transformatie ook mogelijk, waarbij steeds de structuur ongcwijzigd biUft. De afbeclding is ccn-ccnduidig, want bij clkc entitcit van systcem I homt ecn entiteit van systccm 2. terwijl ook de rel<~lies ovcrccnkomstig worden gctransformecrd (relatie I tussen A en B wortlt dus afgcbecld or relatie I tusscn a en h). Er is sprake van een transformatie, die zowcl symmctrisch als binai r is (Bertels en Nauta, 1969). Dit houdt in dat de transl()rmatic zowel heen als terug mogelijk is en bij dcze transformatie tel kens twee elementen betrokken zijn. We kunnen isomorlie nu op de volgcnde wij1c derinicrcn: 'twee systemen zijn isomorf als cr een-ccnduidige albeelding bestaat die het cne systeem in het andere ovcrvoert met behoud van de relatics·. Hct begrip homomorfie Ia at zich gemakkclijk verduidcl~jken ats wij beginnen met de stclling dat isomorfie kan worden gezien als cen bijzonder geval van homomortic. Homomortie is ecn gencralisatie van isomorfic. Rij homomorfic is sprake van een cen-mecrduidige afbeelding oftransl"ormatic en hij isomorfic van ccn-ccnduidige transformatie (fig. 45).

8

Systf.'em 1

Systeem 2

-----1.... homomorfe transformatie

A B C D I I I ~

a

b

c c

n m I I

4 4

Fig11ur 45. llon111nwrfc afhcclding van systccm I op syslccm 2.

De homomorfc afbeelding gaat in ecn richting. Afbeelding van systeem I op systeem 2 is ccnduidig. Omgekeerd rijzen er problcmcn omdat men o.a. niet wcet waarop c moe! worden afgebecld: op C of op D'? De homomorfe afbeelding is dus ccn-meerduidig. Zij is wei hi nair maar niet symmctrisch. llicrbij merken wij op dal ingeval van twee homomorlc systemen ccn aantal rclatics word! wcggelatcn. Er vindt een simplificatie plaats. Aangezicn wij juist modellcn gcbruikcn die bij voorkcur cenvoudigcr tc hantcrcn moeten zijn dan de te onderzocken systcmen. zullen we in het algemeen modellen gchruikcn die homomorr zijn mel het heschouwde systecm. In het spraakgehruik word! echtcr toch (len onrechte) hct begrip isomorfie gehanteerd. Std. er is ccn systcem waarvan de ondcooeker slechts een aspectsysteem kent. llij prohecrt van dit aspectsystecm cen isomorf model tc maken. Aangezien echter he! aspectsystcem op zich een homomorf model is t.o. v. het systcem. is hct door de onderzocker geproduceerde model homomorft.a.v. het te onderzockcn systecm. Ecn hekend voorhccld van isomorfc (homomorfe) systcmcn is het zgn. clektriseh-mechanisch analogon (Ashby. 1956). Hct mechanisch systeem (fig. 46) bestaat uit cen 0p cen as hcvestigde draaihare massa. waarop ccn wrijvingskracht kan worden uitgeoefend. vcrbonden met een andere as door een veer. Men draait de as zonder de massa m nu een beetje. waarna men deze as loslaat. Omdat als gevolg van deze handeling de veer enigszins be last is. zal de as zonder de massa m beginncn te draaien. De veer geeft dczc draaiing door aan de as met de massa m. die evcnccns gaat draaien. De draaiing van de massa mom de ene as als gevolg van de draaiing van de andere as kan worden beschreven door een 2e orde differentiaalvergelijking van de vorm:

cPr a---'--2 dx

d1· . + h tb; -- + cv = /(x) · ·

waarbij a. hen c worden bepaald door resp. de massa van het lichaam m. de wrijvingskracht Fop de massa en de vcerconstante k van de veer. Het elektrische systecm (fig. 47) bestaat uit een spoel, een condensator en ecn weerstand in serie geschakcld. Het blijkt nu dat de variatics van de stroomsterkte door deze schakeling na een initicle vcrstoring door cen spanningsbron, met dezelfde soort 2c ordediffcrentiaalvcrgeiijking als het mcchanische

9

systccm, kunnen worden bcschreven. a, hen c worden dan bepaald door rcsp. de induetiewaarde L van de spoel, de weerstandswaarde Rende capaciteitswaarde C van de eondensator. A Is wij de waarden van de parameters van het mechanische systeem: m, Fen k kiezen in ovcrccnstcmming met die van hct elektrische systeem: L. R en C dan blijkt dat de varia tics in de beweging van de massa overeenkomen met de variaties in de stroomsterkte in de schakeling.

Figuur 46. Mechanisch sy~teem.

Figuur 47. Elektrisch systeem.

Er is hier sprake van 3 isomorfe (homomorfe) systemen: het meehanische systeem, het elektrischc systeem en hct formcle systecm (de differentiaalvergclijking), die wcgens de isomorlie aile als model van clkaar kunnen worden opgevat. Dit kan grote voordelen biedcn. Is bijv. een mechanisch systeem nicl geschikt voor een bepaald onderzoek, dan kan men het formele systeem of het elektrische systeem gebruiken om dit aspect te onderzoeken. Omgekeerd is dit natuurlijk ook mogclijk. Op deze manicr kan men de gemakkclijkste oplos· singsmanier voor een problccm kiezen. Uit de discussic over de black box (zie 3.3.1.) is al naar voren gekomen dat verschillcndc structuren van een systeem in principe hetzclfde gcdrag ten gevolge kunncn hcbbcn. ( Hct principe van de onbepaaldheid van de structuur.} Dit implicccrt dat in ccn dcrgelijk gcval het gedrag van dcze systemen wei ecnduidig op elkaar kan worden afgebeeld, echter de structuur nict. In dcrgelijke gevallen kunncn we spreken van gedragsisomorfie. Een voorbeeld van bantering van dit begrip wordt gevonden bij het maken van prognoses. A Is ten behoeve van het voorspellen van bijv. studentenaantallen een kwantitatief model wordt gemaakt, kan naar twee soorten van validering worden gestreefd; inhoudel~jke validcring gebaseerd op structurele isomorfie tussen model en werkelijkheid en functionele validering gebaseerd op een isomorfie van gedrag.

5.4.

MODELCONSTRUCTIE

Het proccs van de modelconstructie wordt samengevat in de modelcyclus (Hanken en Reuver, 1976). De mode\cyclus visualiscert de drie fasen van de modclconstructic: abstractie, dcductie en realisatie. Tijdens de abstractiefase selccteert men signilicante rclaties. Na constructie van het model volgt een analyse van het model die leidt tot bepaaldc conclusies; dit noemen wij deduetie. Daarna is het nodig deze conclusies te vertalcn in toetsbare uitspraken omtrent het originele systeem; dit heel realisatie. Realisatie bestaat uit twee dclcn: validatie en implementatie. Bij de validatte loelscn wij de cnndusics uil de dcductie op hun validitcit en onderzockcn daarmcc or het model validc (gcldig) is. lndien dit hct gcval is, kunncn wij de conclusics uit het model implcmenlcrcn (implcmcntatic). Als de resultaten van de validatic nicl aan de gestclde criteria hij de toctsing voldoen, kunnen wij de modelcyclus weer opnieuw starten. Hicrbij is het nuttig gebruik te maken van de informatie verkregen uit de eerste modelcyclus.

10

Met behulp van het volgendc voorbccld zal hct proces van de modelconstructie (het doorlopen van de modclcyclus) worden gc'!1lustreerd. (Zie Kramer. 19X 1.) Stcl dat men wordt ~cconf'rontcerd mel ccn voorr;ladprohk-cm in ccn organisatic { N.B. Dikwijls is op voorhand nil'l duidclijk wal nu prccies het karakter van het problecm is. Een diagnose moet dat dan uitwijzen.)

model deductie, simulatie

theorie

--+~~~~~~~~----.~~~~~~~-{- --------

. c

I

concreet systeem

empirie

·------

Figuur 4R. Oc modclcydus.

Het gaat erom de kosten van het houden van voorraad zo laag mogelijk tc houden. terwijl een goed serviceniveau gcgarandeerd kan worden. Uit de literatuur (voorkennis) is bekend, dat voor het problecm twee kostensoortcn van belang zijn: produktiekosten veroorzaakt door omstcllingcn en voorraadkosten voor het op voorraad houden van goederen (rente, afschrijving, 'handling', enz. ). Hct gaat er nu om cen zodanigc sericgrootte voor produktic te bepalen, dat enerzijds niet voor een lange tijd alles op voorraad ligt (hoge voorraadkostcn ), noch dat continu voor klcinc series moet worden omgcstcld (hogc omstclkosten ). De totalc kostcn (C 101 ) volgcn uil de zogenaamdc rormule van Camp:

C,ot

Q =

:f · I +

D

Q ·F

Hierin is:

Q: de vast tc std!cn scricgrootlc; /: de voorraadknstcn per stuk; [): de variahdc vraag; F: de omstclkostcn .

. Op zich is dczc formulc van Camp vcrdcr ecn form eel systccm waarvnor ccn optimum kan worden hcpaald. Dit trcedt orals:

de dQ

0. Dan geldt: Q.pr =

fiDF J2of"! ,fl.-en c.P,

We hcbhcn nu achtcrecnvolgens de fasc doorloren waarin de significante groothcdcn (C,,,, Q. I. IJ. en zijn I!CSC]cctccrd en in verhand in ccn mndcl hijccn zijn gcbracht ( formulc van Camp). Door me ten kan voor dit specifieke gcval de waardc van /, f) en F worden bcpaald. Vcrvolgcns is het model gcanalysecrd (deductie) waarhU volgens de rcgels van de differcnliaalrckcning de abstracte waardcn van de optima zijn hepaald ( Q""' en C ,,,). De concrete waarden vnor dit geval worden gevondcn door de uil de mctingcn afgelcidc waardcn van /), F. en I in tc vullen.

n

11

Fr rcstcn nu nog stappen van validatie en implcmentatic. De validatic. toctsing op gcldighcid van hct model, kan gcsehicdcn or grond van historischc cijfcrs. Vcrvolgcns kan hct rcsultaat van hct modclvormingsproccs worden gc'implcmcntcerd. Oat betekent, dat men de bestclscrie van hct magazijn aan de produktie bcpaalt op de berekendc waarde van Q,rn· Op grond van de rcsultatcn van de modelcyclus wordt dan gcricht ingegrepen in de wcrkelijkhcid. Na vcrloop V
5.5.

MOOELINDELINGEN

In hct kort geven we een aantal modclindelingen. Dit illustrcert de verschillcndc vcrschijningsvormcn van modellen. Modclindclingcn tre!Tcn we in verschillcndc vormen aan. van zccr ruwe twccdclingcn tot zcer verfijnde schema's. Rosenblueth en Wiener ( 1945) waren onder de eersten die opmerkten dat zowel een weergave op schaal als een mathematische wet tot de modellen behoorden. Hun eerste tweedeling van modellen bcstond uit: I. 'Material models', transformaties van originele fysische objecten. de weergave van ecn complex systecm door een andcr fysisch systccm. waarvan wordt aangenomcn dat het eenvoudiger is dan, maar wei gelijkend op het originele systecm. 2. 'formal models', symhnlische uitsprakcn in logische termen over ecn geidealiseerde. relatief eenvoudige situatie, waarbij de uitspraken de structurele eigenschappen voorstellen van het originelc feitelijke systeem. Mihram (1972) heeft op de volgende manier geprobcerd cen indeling van mode lien te geven. Deze indeling is gehaseerd op de systcmen waarvan modellen moeten worden gemaakt. Hij maakt eerst een onderschcid tussen statische en dynamische systemen. Vervolgens declt h~i dezc twee catcgorieen op in deterministische en stochastischc systemen. De mod ellen vcrdeclt hij in 'material' en 'symbolic' modellen, die weer worden onderverdeeld in 'replication', 'quasi-replica' en 'analogue'. Zettcn wij dczc indding nit in matrixvnrm. mel aan de zijkant de onderverdcling van de systemen en aan de bovcnkant die van de modellen, dan ontstaat een schema van ecn modeltypologic.

12

Deze indeling gaat o.i. uit van het soort systcem waarvoor hct model wordt gehanteerd. Wij kunnen echter bij een model ook nog een ondcrscheid makcn naar methode of werkprincipe van het model en naar functie van het model. Bertels en Nauta ( 1969) geven naar onze mening een vollediger overzicht van modelindelingen. Deze is gebaseerd op:

I. Voor welk soort systeem wordt het model gehanteerd; voor concrete, conceptuele of formcle systcmcn? ·2. Wat is de methode of het wcrkprincipe van hct model? De bclangrijkstc modelsoorten zijn dan: schaalmodcllcn, analogicmodcllcn, idcaalmodcllcn, structurclc modellen, mathematischc modcllcn en ahstracte modcllcn. 3. Een indeling naar de functie van het modeL waarbij een zcstal hoofdfuncties wordt onderscheiden: - denkmodellen met een exploratieve en heuristische functie. - dcnkmodellen met een descriptieve en reductieve functie, - denkmodellen met verklarende functie, operationele modcllen met ecn hanteerhaar makcndc functic, - operationele modellen met een formaliserende functie, overbruggingsmodellen, die de concrete toepassing mogelijk maken van het in abstracte theorieen vastgelcgde formele denken. Om de mogelijkheden en toepassing van het modelbegrip te Iaten zien, willen wij hicr op de eerstgcnoemde indcling van Rertels en Nauta wat verder ingaan. Systemcn zijn tc vcrdclcn in drie soortcn, te wctcn: concrete, conccptucle en formele systemen. Hierb~j verwijst het adjectief naar de volgende noties:

concreet

___,

::aak

conceptueel

______.

hef,;rip

formeel

--+

ahstracte naam

Een model is ecn systeem dat een zekere overeen komst vertoont met een ander systeem. We kunnen modellen indelen in: concrete of empirischc modellen; conceptuele modellen, nader te splitsen in theoretische en realisatiemodellen (cen splitsing die overeenkomt met de splitsing van wetenschap in empirische en formele wetenschap); formcle modellen.

t•mpirisch modi'!

conct'plrleel modt•l

fimncel modl'l

concrete systemen

schaalmodel van een vliegtuig voor windtunnelprocven

interactienetwerk dat communicatie tusscn afdelingen representeert

geformaliseerd model van, biJvoorbeeld. de beweging van een auto

conccptuele srstemen

piramide van Gizeh als rcalisatie van de piramide uit de stereometric

!low-chart van het logisch ontwcrp v;m ecn informatiesysteem

theorie van de differen-

fi~rmele

Iiniaal als model van de theorie der reelc geta lien

schakelschema van de logische ANDfunctie

analytische meetkunde, waardoor algebra en meetkunde in elkaar kunnen worden overgevoerd

ti<~alvergelijkingen

·--. -----

systemen

--·~·~-

---- -------------·- --·--------Figuur 49. Modelindeling met voorbeelden.

13

Concrete ( ofempirische) mode/len Er zijn empirische mode lien denkbaar van zowel concrete als conceptuele en formele systcmen. Bijv.: I. Een empirisch model van een concreet systcem is bijv. ecn planetarium als model van hct zonnestclsel. 2. Een cmpirisch model van een conceptueel systeem (we zouden dit een toepassing kunnen noemen) is bijv. de piramide van Gizeh als toepassing van de stereometrische figuur, die 'piramide' heet. 3. Een em pi risch model van een formeel systeem (we zouden dit cen toegepast realisatiemodel kunnen noemen) is hijv. de liniaal als toegepast realisatiemodel van de geformaliseerde theorie der reele getallen.

Conceptuele model/en Conceptuele modellen zijn wellicht de meest voorkomende modellen; immcrs, het zijn systcmen waarmee wij de empirischc werkelijkhcid probcrcn tc omschrijven of beschrijven. Voorbeelden van conceptuelc systcmen zijn: getallen-systemen, lijn- en punten-systemen, netwerken, figurcn. patronen, tckeningen, hct periodiek systcem der elementen, etc. AI deze conceptuclc systemen kunnen natuurlijk als conceptuele modellen worden gehanteerd. I. Een conceptueel model van een empirisch systeem. Dit is bijv. een technische tekening van ecn bestaand huis zoals die tot stand is gekomen na opmeting. 2. Een conceptueel model van cen conceptucel systecm: cen architect hecft een bepaald beeld van een huis dat hij wil gaan ontwerpen. Dit beeld kunnen wij zien als een conceptueel systeem. Van dit conceptuecl systeem zal de architect een conceptueel model in de vorm van een technische tekening Iaten maken. Een volgende stap zal natuurlijk zijn om met behulp van dit conceptuelc model (de technischc tckening) hct concrete huis tc rcaliscrcn. 3. Ecn conceptucd model van ccn formecl systcem. A Is formelc systemcn zien wij bijv. de abstracte taalvorm waarin ecn tc omlcrzockcn conceptuccl systeem op formele wijze door symholen wordt weergegevcn. Verdere voorbccldcn van formclc systcmcn: de taalsystcmcn dcr mathcmatischc logica en de meest bekende: de geaxiomatiseerde systemen der wiskunde, voor zover geen gebruik wordt gemaakt van de betekenis der formules. Zo client bijv. A groter dan B (met een pijl naar rechts) te worden gclezen als: tussen A en B bestaat een zckere orde-relatie. Zo kunnen wij het schakelschema van een A nd-schakeling in een pneumatische computer zien als een conceptucel model van de logische formule (A + B).

-·--

A

Iucht

---a

""-.

: >" /

A+ B__...lucht

I

Figuur 50. Schakclschcma And-schakeling in ccn pncumatische computer.

14

Formele mndellen In het voorgaande is reeds gcpoogd te verduidelijken wat onder formcle systcmcn dicnt le worden vcrslaan. Op zich kan iedcr formccl systecm uls formecl model worden gchantccrd. Zo kunncn we dus wcderom ondcrscheidcn: formele model len van achtereenvolgens empirische, conceptuele en formete systemen.

I. Een formed model van ecn cmpirisch systecm. Normalitcr zullen wij conceptuele modellen maken van empirische systcmen. Van deze conceptuele modcllen (die op zich dan weer modellcn van conccptuele systemen zijn) kunncn we weer formcle modellcn maken. Deze formele modellen zijn or zich dan weer modcllcn van hct cmpirischc systt·em. maar Ievens modellcn van de conccptuelc systcmcn. Een voorhccld: wij k unncn hepaaldc cigcnschappen van een automobiel (heweging) heschrijven door cen lineaire differcntiaalvergelijking. Dit kan worden opgevat als een conceptueelmodcl van deze automobicl. Wij kunnen van dcze differentiaalvcrgelijking weer een formeel model maken door de verschillende coefficicnten te vervangen door betekcnisloze letters. Dit laatste kan dan worden opgevat als een formecl model van het concrete systeem: de beweging van de :mtomohiel. Fen twcedc voorhecld is: ecn onge'interprcteerd mathcmatisch model van cen cconomisch proces, etc. 2. Een formeel model van een conceptueel systeem. In het voorgaande onder I is hicrvan reeds een voorbccld gcgevcn. 3. Een formeel model van cen formeel systeem. Hiervoor kunnen wij terecht bij de analytische meetkunde. die duidelijk laat zien dat de algebra ecn vertaling is van de meetkunde en omgekeerd. Wij kunnen dus de algebra gebruiken als formeel model van het formele systeem 'meetkunde' en omgekeerd.

5.6.

WERKELIJKHEID EN MODEL

Om het nut van een modelindeling, van het construeren van modellen te begrijpen, moeten we ingaan op de verhouding tussen model en werkelijkheid. Be\angrijk is hierbij de rol van model! en bij het vergaren van kennis over de complexe werkelijkheid. Het is ondertussen een wetenschappelijk geaccepteerd feit dat we de kennis over de werkelijkheid verwerven door hetconstrueren en gebruiken van modellen. De werkelijkheid kennen we dus eigenlijk niet, aileen mode\len van de werkelijkheid. De vraag die derhalve centraal staat, is hoe we kennis over de werkelijkheid vergaren (Churchman, 1971 ). Het uitgangspunt bij kennisverwerving is altijd een impliciet of expliciet, bewust of onbewust, gedetailleerd of globaal beeld van datgene in de werkelijkheid waarvan we iets willen weten. Deze mede op onze normen en waarden berustende basiskennis geeft ons een eerste indicatie waarop we moeten !etten, wat relevant of belangrijk is. Het kennisverwervingsproces komt nu tot stand door iteratief de modelcyclus te doorlopen. Daardoor wordt zowel onze basiskennis uitgebreid als een specifiek model geconstrueerd van de situatie die we onderzoeken. De modelcyclus gecft aan welke activiteiten in het proces van construeren en gebruiken van modellen en dus in het vergaren van kennis te onderscheiden zijn. Modelindelingen geven inzicht in de verscheidenheid van vormen waarin we onze kennis kunnen vastleggen of verwerven. Het drukt ons op het feit dat niet aileen ingewikkelde theorieen het produkt van het menselijk kennisverwervingsproces zijn, maar ook simpele, alledaagse gebruiksvoorwerpen.

15

Model beg rip in de wetenschap Hlermee starten we mel een nleuwe serle, waarln we bljdragen van verschlllende auteurs zullen plaatsen over lunette en belekenls van model en mod~lbegrlp In wetenschap en technlek. Hlerblj zal de aandachl over het algemeen nlet ullgaan naar de va~lechnlsche en speclalisllsche problemen en melhoden, waarblj hel modelbegrlp een rol topeell, maar naar de "'!olhod~loglsche en wljsgerlge achlergronden en probleemetelllngen. Ala eersle lntroduclle hlurloe leek one onderstaande bojdrage blj ullstek geschikl. Hel Is een vertallng van he I toonaa ngevende artlkel, dal Rosenblueth en Wiener In 1945 over dlt onderwerp publlceerden In hel lljdschrilt "Philosophy of Science' (Vol. XII, pp. 316-321). Terwllle van de duldeiiJkheld en overzlchlelljkheld Ia helarllkel hler en danr enlgulna bewerkt.

De rol van modellen Bij wetensehappclij.k ondcrzock gaat hct uiteindclijk om het verwervcn van inzicht in, en behcersing over, een deel van het universum. Dit houdt een dualistischc instelling in van de kant van de we1·enschapshf;'Oefenaars. En indet'Claad gaat de wetenschap van dit dualistische uitgangspunt uit, en behoort zij dat ook te doen. Maar al gc>dragen de wetensdwpsmt>nsen zicb 'twet:'slacbtig', dan is dit dualisme toeb opet·ationl>el en houdt dit gcdrag niet noodzakelijkenvijs een strikt dualistiscbe metafysica in. Geen ondet'deel van het univcrsum is zo (-{"11\'0Udig dat hct zondet· abstractic kan wot'den bcgrepcn en beheet·st. Abstraetie komt neer op het vervangcn van bet betreffcnde dee! van hct universum door t('n model van ovet·cc.enkomstige, maar ccnvoudiger stmctuur. Modellcn zijn dus t>en fundamentele nood:taak van de wetenschappelijke werkw~i:t.e; dat geldt zowl.'l voot· formele of tbooretische, a!s voor matel'ii..'le modellen. In dit artikel gaat bet om een analyse van de bmikbaarbeid en de beperkingen van de ve1·schillende vormen van wetenschappelijke modellen. Vaak is een onderzoeker zich van zijn methodologische werkwijze niet bewust; en dat is ook niet nodig. Belangrijke wetenschappelijke bijdragen, vooral die van experimentele aard, kunnen ook worden geleve1·d zonder dat de experimentator zich realiseert dat aile goede experimenten goede abstracties zijn. zijn. ~en experiment Is een vraagstelling. Een nauwkeurig antwoord wordt zelden verkregen wanneer de vraagstelling niet nauwkeurig il;, On~oinnige antwoorden - dat wil zeggen: ongerijmde, tegenstrijdige of irrelevante experimentele resultaten - wijzen gewoonlijk op een onzinnige vraagstelling. Niet alle wetenschappelijke vraagstcllingen Iuten directe experimenten toe. Er is een herarchie van vraagstelling1;11, w;1arvan de nive<.~us worden bcpauld door de
hoort de vr<~ag wat een bepaald geneesmiddel, bijv. cebadine, bewerkt ten aan~oien van een bepaalde manifestatie van een zenuwimpuls, tot een betrekkelijk 'laag' niveau in de hlerarchie van fysiologische vraagstellingen, omdat het hier gaat om een eng begrensd verschijnsel. Een experimentator lwn die vraag nauwkeurig formuleren en beantwoorden, met op zijn best een vage, intultieve waardering van de 'hogere', meer algcmene en abstractie lmplicaties, zoals de werking vnn alle farmaca, bellorcnde tot ecn bepaalde chemische groep, op de zenuwactiviteit. In het algemeen Iaten de zeer abstracte en algemene vraagstellingen van 'hoog' hierarchisch nlveau, geen onmiddellijke experimenten toe. Ze dienen te worden opgesplitst in meer specifieke termen, die zich onmiddellijk in experimentele termen Iaten vertalen. Bij het formuleren van een experiment ter verificatie van een algemene uitspraak, of omgekeerd: bij het lormuleren van een theorie op grond van experimentele gegevens, zijn dus twee kwalitatiet verschillende operaties betrokken. De ene bestaat uit het opklimmen ot neerdalen langs de abstractieMChaal; de und~re vt~rciol de wrtaling van de ubstractie In een experiment, of vice versa. De goede experimentator heeft een meer dan gewone vaardlgheid In de luatste procedure; hij Is bij machte symbolen en gebeurtenissen vrijelijk te verwisselen. De theoreticus heeft op zijn beurt vooral te doen met de eerste soort opt>raties, die op de verschilIende niveaus binnen het rijk d1!r abstraclles. Het zou erop kunnen lijken dat de meest praktlsch& manier om een probleem wetenschappelijk tc benadercn zou liggen in hct furmuleren van de meest algemene vraag· stelling of vraagstellingen, om die vragen vervolgens onder te verdelen in minder abstracte zimll'n, totdat het niveJu vtm de onmiddclijk verifiee1·bare abstracties van de eerste orrle is bt~reikt. DP.7-P methode i" slechts bij uitzondering toepasbaar, omdat zeer abstracte vraagstellingen pas kunnen worden geformuleerd nadat eerst gegevens :djn verg<.wrd, t'n de onmiddl'IIIJlte betekPnih van die gegevens is doorzien. De problcmen wordl•n dan ook gewoonlijk van de anden• kant af benaderd, in de richting die van het feiteli.ike n;~;u· het abstracte wijst. Een intul-

16

tief gevoel voor wat uiteiridell,fk- i.le- behingrijke algemene vraagstelling zal blijken te zijn, biedt een uitgangspunt voor het kiezen van een puar significunte expel'imenten uil het oneindige ralisuties ueinvlo<>de>n dus van lwt begin af de selectie der gegevens. De gegevens leiden dan tot nauwkeuriger generalhwties, die op gPen cljferstaatje te produceren. hun beurt verdere ('Xperimentt·n suggereren; vooruilgang wordl geboekl door opl'l'llvolgende overgangen van gegevens nuur abstracties en omgekeerd.

Materiele en theoretische modellen Na deze algemene opmerkingen gaun we over tot de analyse van de verschillende wetenschappelijke modellen. We maakten al een onderscheid tussen materiiHe en formele of theoretische modellen. Een materieel model is de weergave van een complex systeem door een systeem dat wordt veronder· steld eenvoudiger te zijn en waarvan tevens wordt verondersteld dat het een aantal eigenschappen heeft, overeenkomend met de eigenschappen die In het oorspronkelijke complexe systeem ter bestudering zijn uitgekozen. Een formeel model Is een in logische termen gestelde symbollsche weergave van een ge1dealiseerde, betrekkelijk eenvoudige situatie, die met het oorspronkelijke feitelijke systecm de structurele eigenschappen gcmeen heeft. MutPrli'le modellen kunnen in de volgende gevallen dicnsten bewijzen:

a Zij 1-:ur.ncn de ondel'zoeker l:clpcn cer. vcrschijnsel op een gebied waarop hij minder vertrouwd is, te vet·vangen door een verschijnsel op een gebied wuat·op hij meer thuis is. Zulke modellen kunnen dus grote didactische voordelen hebben. De geschiedenis van de techniek illustreert dit. In de 18e en l!.le eeuw overheerste de Newtonse dynamica de natuurkunde in die mute, dat elektrische prob{emen vuak via mech:mische mode lien , wei:!ien l>enaderd. Na het werk van Faraday en Wlaxwell en met de opkomst van de grote elektrische industt'ieen, overtrol de groei van de kennis der elektriciteit die van de mechanlca verre. En in deze eeuw zijn elektrische modellen gebezigd om mechanische problemen tot oplossing te brengen. b Een matel'ieel model kan de onderzoeker in staat stellen proeven te doen onder gunstiger omstandigheden dan het oorspronkelijke systeem gewoonlifk biedt. Deze 'vertaling' gaat er van uit dat et· redelijke gronden bestaun om een overeenkomst tussen beide situaties a an te nemen; zij veronderstelt met andere woorden de aanwezigheid van een adequaat formeel model, met een struduur ovenct!nkomstig uan die van de beide materiiHe systemen_ Het formele model hoeft niet tot op de bodcm te zijn doorzit•n; het m<~teriiiJe model vult in w'n geval het formele model aan. Soms is de relatte tussen het mnterii:He model en het oorspronkelijke systeem niet veel anders dan een

verschil in schaaf, tijdehjk of ruimtelijk. Als voorbeeld van een ruimlelijk schaalverschil herinneren wij enwn dat experimenten met granaten niet behoeven te worden uitgevoerd met grote, dure en moeilijk hnnteerbare katiTH·t·,;, m;1;1r nwt goedlwpe en mill<~ lwlijl; hanLcerlwre kalilwrs. Een under voorbecld is het gebruik van klelne dieren ln plaats van grote bij biologische experimenten; elke fysioloog werkt liever met een dol· fijn dle modellen dus belangrijke diensten kunnen hE•wijt.en, moet erop worden gewezen d;1t niet aile muteriele modellen bruikbaar zijn. Waarschijnlijk zijn de criteria a en b die we zojubt bespr<:k<·n niet aileen voldocnde, maar ook noodzakelijke voorw;wrden voor een bruikbanlijlte kenmerkcn van het betrokken probleem_ Zoals Faraday en Herz reeds inz;lgen, had men voor de kennis van de elektriciteit h!>hoefte uan een solide veldtneone, me Vl"lJ was van de operttiiont:d gesproken zinloze requisieten van ingewik~ kelde materiHe analogieen. Als verder voorbeeld van een kcnnelijk onbruikbare analogie noemen we Lillie's salpeterzuur-ijzer draadmoclel voor zenuwvezels. Hoewel ze in de meeste Jeerboc:>ken een voorname plaats innemen, is ijzerdraad, gedompeld in salpe. terzuur niet eenvoudiger om mee te experimenteren dan de zenuwvezels zelf, terwijl men bij de formulering van de betrok:ken problemen niet op een bizondere mathematische moeilijkheid stuit. De verschijnselen

17

van passie.ve metalen kennen we niet beter tlan die van zenuwvezels en er komt natuurkundig gesproken evenveel giswerk blj kijken. Ware het niet dat de analogie verznoedelijk slechts zeer globaal is, zou van dit gezichtspunt uit het bruikbare model het zenuwaxon zijn, in plaats van het ijzenlraad.

omdat het proces te vergelijken is met de onderverdeling van een oorspronkelijke en· kelvoudige black box In een aantal gesloten compartimenten. Vele van deze kleinere compartimenten kunnen opzettelijk d!cht worden gelaten, omdat ze aileen functioneel, en niet structurecl, van belang worden geacht.

Theoretische modellen en theorlevormlng

In een willekeurig stadium van een wetenschappelijk onderzoek kan het formele model er dus uitzien als een heterogene verzameling elementen, waarvan sommige tot in details (dat wil zeggen naar hun specifieke structuur) zijn behandeld, en andere alleen wat betr~?ft hun globale gedrag (dat wil zeggen naar hun algemene functie). Zo kunnen bij het onderzoek naar het Zf'nuwstel:::el de synapsen in vele gevallen gcwoon worden beschouwd als gebieden waar impulsen wor. den ''f'rtrangd, zonder dat m~>n zich nfvnwgt hoe dat gebeurt en zonder zlch te hekommeren om andere eig~?nschappen van synapsen, zoals het feit dat het gebieden zijn waar verstE>rking en verzwakking voor-

Bij wijze van inleiding tot de analyse van

theoretische modellen, is hier een uiteenzetting op zijn pla1.ts van een 'gesloten black box'~probleem tegenover een 'open black box'-probleem. In de· wetenschap doen zlch llt-pn IE'Idt tot allengs mrer complf'xe thf'orrtisdlf> mooE'llen; en dnarmt'e tot €!'0 hii;rar!'hlP In deze modf'llen, vnn hetrekke· lijk ef'nvourlige, hoogst abslrncte, tot meer complex(', meer concrPte theoretische structuren. Bij het opstellen van een eenvoudlg model

van een gesloten black box gaat men ervan uit dat el.'n aantal variahelen slechts losj~?s VPrhonrkn zijn m~>t rl!' nndf're vnrinhf'l~>n van hct !':ystl"f'm. Het sucCNl van de eerste f!XprrlmPntrn hangt at van de g£>1dlghcld van die vcronclerstl:'lling. Wunneer de elknar opvolgende modcll!'n steeds V('rfijnder worden, kan het aantal gesloten dcel-gebleden toenemen; en dat gebeurt gewoonlijk ook,

kom~n.

Een moo! voorbeeld van de toenl.'mende concretisering van een theoretisch model door de successievelijke invoerin~ vnn nieuwe varlabelen Ievert de ontwikkeling van de geluidf;theorie. Dez~ begon, wiskundig gezi!'n, als een systeem van lineaire partiele differE>ntiaalvergelijkingen in een homogeen continu medium. Dit e<>nvoudlge model was en is nog altijd - bruikhaar voor de wf'ergav!' en de voorspclling van de overbrenging van geluid van matlge lntensiteit. Voor geluid van grate intensiteit liet de theorie verstek gaan. Zij werd vervangen door nletlineaire differentiaalvergeli,ikingen, gebaseerd op de hydro-dynamica en de thermodynamlca. Bij de bestudering van compressiegolven besefte men dat de afmetingen van de gebieden met verhoogde druk (compressie) van de orde van grootte zijn van de gemiddelde vrije weglengte van een deeltje in een gas. Elke bevredig~?nde theorie op dit gebied dient rf'kening te houden met de molekulaire aard van bet gas. Bij wijze van eerste benadering kan men uitgaan van 'ideani gns': dat wil zeggen, men gaat uit van een ideaalmodel van het gas, door aan te n<"men dat er geen (Newtonse-) mmtrekklngskrachten zijn tussen de dE>eltjes van het gas. De volgendf', nauwkeuriger theorie, die nog nlet ontwikkcld is, houdt rekening met de krachten tussf'n de deeltjes; en PE'n nog verder ontwikkf'lrle theorif' zal zich dcze krachten Iaten ufspelen in de quantum·mech;mischE' ruimte en nif't in de klassit•ke ruimt.e (vnn Newton).

Toepasslng en materleel model Tot dusver hebben we ons hoofdzakelijk be· zlggehouden met de ontwikkeling van theoretische modellen ter verklat·ing van waargenomen feiten; nnders gl.'zegd, met het zoekf'n naar ahstrod.e mod<'llf'n m~>t. een sl.ructuur die overeenkomt met ti" !'ltructuur· van een g~?geven waarneming. De wetenschnp houdt zich ook bezig met het omgekeerde

18

proces, namelijk het inpassen van een abstracte structuur in een concrete groothE>id van overeenkomstige structuur, gewoonlijk een apparaat of een machine met een omschreven doel. De traditionele benadering van dergelijke apparaten is empirisch en grotendeels toevallig; er is echter een wetPnschappelijke benadering mogelijk, die zijn geldigheid reeds he!:'ft bewezen. Volgens dPr:e werkwij7.e wordt het apparaat eerst ontworpen volgens het gezichtspunt van de gesloten black box, dat waar mogelijk wordt vPrkregen door een theorC't:isch minimalisati!'proces, vank van statistische aard. Bijvnorhf'Pld: wnnm•er men een geluidsfilter zo,.lIke karakterlsiick wllen er tul van manieren zijn om het juiste filter te construeren. De vereisten daartoe zijn van het openblack box-type, maar de elementen die blj de constructie worden gebruikt kunncn wor• df'n behandeld op een gesloten-black box-ba· sis. Andere ovPrwegingen, niet noodznkelij· kerwijs relevant voor het probleem als zoda· nig, 7.ullen de keuze bepalen.

Ht>tzelfde geldt voor de theoretisehe model• ll'n. Het ideale formele model zou er een 7.ijn dat het hele heelal bestreek, er in com• plexiteit mee overeenkwam en er een een· eenduidige correspondentie mee had. Ie.mand die in staat zou zijn een dergelijk model in zijn totaliteit te doorzien, zou het mo• rlPl overhodig achten. omdat hij in dnt geval ook het hel'lal r:elf in zijn totaliteit zou kun· nen doorzien. Hij zou beschikken over de dE'rde kategorie van kenn!s, als be:;chreven door Spinoza. Dit ideale theoretische model k:m "lnmogelijk worden bereikt. Partii:He moctellen, hoe onvolmaakt ?.e ook mogrn zijn, zijn <1.-. Pnige middelen die de weten~<"hap ontwikkelt om lwt universum te hegrijpen. Dcze uitspraak hrmdt gecn defaitisme in; wei de erkr>nning dat het voornaamste werktuig d<:'r W<'ten· schap de menselijke geest is, en
Grenzen van het model en het mensellfk den ken WP twhhen lat<>n 7.icn dat wetenschappPlijke kf'nnis bestaat uit een opeenvolging van abstracte modellen, bij voorkeur van formele, nu en dan ook van materH!le aard. We gaan nu de consequenties onderzoeken van een tot het uiterste doorgevoerde modelaanpassing. Kijken we eerst naar de materiCle modellen. fn het begin zijn dat ruwc ben;:Hieringcn, surrogaten voor de werkelijk bestudeerde feitf'n. Stet nu, we laten het mot model zou dan g-Plt'ideli.ik ldentlek worden aan het oor· spronkelijke systeem. Om het eens kn1s uit. tc drukken: het beste materiCle model voor een kat is een andere kat, of bij voorkeu1' dezelfde kat. Met andere woorden, zou een

materieel model volledig al'!n zijn doel beantwoorden, dan zou cle oorspronkelijke situ· alif' in nlle voiiC'digh<'id doorgnmd ;t.Un en zou het model ovPrhodig zijn. Lewis Curroll heeft dat eens uitgedrukt in el'n episode van zijn Sulvie and Bru11o, .oen hij liet zien dat de enige volstrekt bevredlgcnde landkaart op schaal, dat land zelf is.

19

li

MAKRO- EKONOMISCHE MODELLEN

De toepassing van mod 11 n in de macro-economi

lcidt tot d

vraag

welke invloed de modelmatige benadering van de economie op de economische politiek heeft. Verschillende opvattingen in sociaaleconomische conflicten worden nogal eens vertaald in een macroeconomisch rekenmodel, meestal dat van het Centraal Planbureau, Regering, politieke partijen en de vakbeweging bestrijden elkaar met uitkomsten van econom trische modellen: alternatieven die niet gemakkelijk kunnen worden uitgerekend, worden minder serieus in de diskuss~e

betrokken. Op deze manier lijkt de politieke speelruimte

voor een aanzienlijk deel ingeperkt tot de disciplinaire grenzen di econometristen opleggen. De modellenmakerij gaat dan overheersen over de vrijheid van

pol~tiek

handelen.

20

IS HET GEBRUIK VAN EKONOMISCHE MODELLEN BIJ DE BELEIDSVORMING ZINVOL ?

W. Driehuis

Verschenen in het derde jaarboek van de Studiekring Post-Keynesiaanse Ekonomie,

Samsom,

Alphen a/d Rijn, 1983 •

/ ,'\_ .. --

,.

1~

21

Is bet gebruik van economische

modellen bij de beleidsvoorbereiding zinvol? W_ DRlEHUIS

.1. InZeiding In dit betoog staat de vraag centraal, welke betekenis aan macro-econonische modellen toekomt bij de voorbereiding van de economische politiek (1). Sornrnigen zijn van mening dat deze modellen erg belangrijk en nuttig zijn bij het uitstippelen van het economisch beleid. Zij geloven dat een economisch systeem op tamelijk eenduidige wijze te modelleren is. Ondanks het feit dat modellen vereenvoudigde voorstellingen zijn van de werkelijkheid heeft hun gebruik het voordeel van analytische strakheid en systematiek. Hun inbreng kan hij de beleidsvoorbereiding niet worden gemist, zo is de opvatting, anders vervallen we in onnodig subjectivisme. Tegenstanders en sceptici zijn er ook. Modellen zijn naar hun aard niet in staat om de complexe werkelijkheid op een zodanige wijze uit te beelden dat het economisch beleid er wat aan heeft. Werken met modellen is in deze gedachtengang je overgeven aan een schijnwereld, ~aarin de computer-print het wenselijke beleid dicteert. Het argument van subjectiviteit zou niet opgaan, omdat modeluitkomsten in de praktijk van de economische politiek niet zonder meer als maatgevend worden gehanteerd. De modellendiscussie, op deze wijze gevoerd, is weinig doelrnat oudat voor- en tegenstanders zich onvoldoende rekenschap gev~n van de aard van hun onderwerp. Het streven, enige systernatiek in deze discussie aan te brengen is het doel van dit betoog. Daartoe worden in paragraaf 2 eerst enige algemene opmerkingen over economische modellen gec.~akt. Vervolgens wordt in paragraaf 3 aangegeven op welke momenten in het proces van beleidsvoorbereiding en beleidsvorming deze modellen hun nut kunnen bewijzen. Omdat het gebruik van economische modellen ten behoeve van de economische politick in ons land sterk verbonden is met het Centraal Planbureau komen de taken en werkwijze van dit bureau in par. 4 aan de orde. De laatste paragraaf bevat enige conclusies en verwijzingen naar nieuwe ontwikkelingen.

1. :;. Aar•d en betekmds van model len 5!J;; teem thror>ie We kunncn zcggcn dat de wereld cen groat systcem is waarin allerlci elemcnten (individuen, groepen, overhcden, flora, fauna, klimaat enz.) in o~derlinge rclatie mpt elkaar staan. Dit wereldsysteem is opgebouwd uit een groot aanta1 subsystemen: het fysiek subsysteem, het ecologisch subsysteem, het taalkundig subsysteem, het eC'onomisch suhsystcem, het juridisch subsystcem, het socio]ogisch subsysteem, bet psychologisch s1ilisysteem, het pol iticologisch suhsysteE>m, en7.., en7.. Ons interessccrt hier vooral het economisch subsystecm dal in navolp,ing van I.. Robbins kan worden gedefinieerd als het p;cheel v:1n relaties dat onder invloed staat van de uuhaarste. Het gaat h ierh ij dus 11 its 1 u i tend om el'n hepaa I d f.1cC' t van he t mPn se1 ijk h,,nd<>ll'n, nl. voorzovl'r dar sam«·nhangl nwt dP

22 - - ··----- - - - -

spanning tussen een veelheid aan behoeften enerzijds en de beperktheid van alternatief aanwendbare behoeftebevredigingsmiddelen anderzijds. Het is zinvol onderscheid te maken tussen twee soorten systPmPn: P•";:ze il!tnfr'mrn, d.w.?.. d<' al dnn niPt zintuir,£'lijk waarneemhare realiteit en de ver£'<'nvoudigde voorstellingen daarvan, de replica. Deze replica zijn weer te verdelen in concrete r>eplica zoals een maquette van een stad op schaal, en abntr•acte r>Ppl1:ca. Deze 1aatste noemen we ook wel model, waarvoor Hanken de volgende definitie formuleerde: "A model may be defined as an abstract system which corresponds to a real system together with certain rules of correspondence stating relationships between the attributes of the real system and those of the abstract system" (2). Opmerkelijk in deze definitie is dat ook de wederzijdse transformatie tussen reeel en abstract systeem als essentieel onderdeel van het model wordt gezien. F.conomen doen hier niet zo erg veel aan, is mijn indruk. De realiteit is zo complex dat een model zelden alle facetten daarvan zal willen afbeelden. Daarom client steeds vooraf te worden bepaald, met welk doel de vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid wordt gemaakt. Afbeeldingen van de werkelijkheid door middel van een model zijn dus vrijwel altijd incompleet en partieel, omdat alleen datgene wordt afgebeeld dat relevant is in het kader van een bepaalde probleemstelling. De constructie van een model vereist een aantal methodologische stappen die in de systeemanalyse worden aangeduid met de termen abntr>actie, analyse en realitJatie (3). Alvorens deze stappen te behandelen is het zinvol eerst iets te zeggen over de methode van een empirische wetenschap als de economie. De zver>klJijze van een empir>ische wetem;chap Mensen hebben ideologieen. Een ideologie is een samenhangend geheel van voorstellingen en beginselen, met behulp waarvan een persoon of groepering zijn positie en zijn beleid bepaalt en rechtvaardigt. "Ideologies are not simply lies", zegt Schumpeter, "they are truthful statements about what man thinks he sees" (4). Ideologie kan leiden tot metafysica, het doen van niettoetsbare beweringen. Het recht op het geloof in bepaalde voorstellingen en beginselen kan niemand worden ontzegd, maar is een ondoelmatig uitgangspunt in de wetenschap. In een empirische wetenschap als de economie worden toetsbare beweringen gevraagd die zich moeten lenen voor weerlegging. Hoe komen we tot die toetsbare beweringen? Eerst wordt een grondtheorie geconstrueerd. Dit model is meestal rijkelijk algemeen en vaag. Er ligt wwk ecn bepaa 1de maal:HI"happij7J1:nlr: aan ten gronds lag. Niemand formuleert zo maar een theorie. Men kan zijn inspiratie vinden in een wetenschappelijk of politiek debat, maar ook in feitelijke maatschappelijke ontwikkelingen en vraagstukken. Er is een beinvloeding van buitenaf. Het is niet onbegrijpelijk dat in de jaren zestig de wetenschappelijke aandacht voor vraagstukken als groei en inflatie groter was dan voor werkloosheid. Wetenschappelijk onderzoek vertrekt verder zelden van een nulpunt, maar gaat uit van, respectievelijk bouwt voort op, reeds aanwezige onderzoekresultaten. "(. •. ) '11lis vision is ideological almost by definition" zegt Schumpeter (5). Daar hoeft op zichzclf geen bezwaar tegen te bestaan als het wetenschappelijk onderzoek zelf maar volgens "de spelregels" wordt uitgevoerd (6). Dat betekent

23

dat de theoretische vormgeving van "de vision" gevolgd dient te worden door een toetsingsfase waarin de theorie met de feiten wordt gc>confronte!'rd. ln de praktijk is het dan nodig een grordtheoric, die veelal op een statische evenwichtssituatie betrekking heeft, te vertalen in een np::cij1:eke theor1:e, d. w. z. een spec if iek c>conomisch model, waarin de grondtheorie is voorzien van een tijdruimtelijke restrictie, de variabelen en rclaties geoperationaliseerd zijn, eventueel een vermeerdering van de grondtheorie heeft plaatsgevonden met relaties en variabelen die zelf daarin niet zijn beschreven en waarin met het bestaan van onevenwichtigheden en economische dynarniek is rekening gehouden. In de economie blijkt het niet mogelijk te zijn grond-theorieen te falsifieren omdat zij niet in een, maar in meerdere specifieke theorieen kunnen worden vertaald. Evenzo, kunnen meerdere grondtheorieen door een specifieke theorie worden weergegeven (7). Deze omstandigheden hebben geleid tot de constatering dat in de economie geen bewij7.en over de juistheid van grondtheorieen te leveren zijn en dat de superioriteit van een specifieke theorie niet of nauwelijks adequaat is vast te stellen. Theorieen zullen dan om andere redenen worden aanvaard dan op grond van hun toetsingsresultaten, bijv. op grond van hun plaucibiliteit in de ogen van de onderzoeker of op grand van hun inpasbaarheid in een vision. Welke visions zijn er zoal te onderscheiden? Elders h~:>b ik betoogd dat het globaal beschouwd mogel ijk is onderscheid te maken tussen een viertal scholen in de economie (8). Door dit te doen gaan allerlei nuances verloren en wordt de mening van individuele onderzoekers vaak tekort gedaan. Tach lijkt een globale classificatie zinvol om te proberen enige lijn te brengen in de visions die aan economische modellen ten grondslag liggen. Daarom volgen hierna enige fundamentele uitgangspunten van de Monetaristische School, de Neo-klassiek-Keynesiaanse School, de Post-Keynesiaanse en de (Neo)Marxistische School.

Vie1' scholen De fundamentele uitgangspunten van de Monetaristische School zijn: (9) 1. Zander erratisch gedrag van de overheid, die dan weer de afzet stimuleert,dan weer afremt, en de daarmee samenhangende schommelinp,en in het overheidstekort en de financiering daarvan, zou de marktsector stabie1 zijn, wanneer hij aan zichzelf zou worden overgelaten. 2. Zelfs al zou door schommelingen in de afzet de marktscctor op kortc termijn niet stabicl zijn dan is stabiliteit te bereiken indien hct prijsmechanisme ongestoord zijn werk kan doen. 3. Zelfs al zou de marktsector niet stabiel zijn en al zou het prijsmechanisme op korte termijn niet ongestoord werken, omdat er bijv. onvoldoende benedenwaartse prijs(loon)flexibiliteit optreedt, dan nog is hct beter niet in het economisch proces in te grijpen. Bet overheidsbeleid is weinig doelmatig en er is veel tijd mee gemoeid voordat het enig effect soorteert. Overheidsmaatregelen komen vaak te laat en zijn veelal van een verkeerde orde van grootte, zodat zij een bron van instabiliteit vormen.

24

4. Er ZlJn altijd wel voldoende bestedingsneigingen in de economie, omdat de behoeften oneindig zijn. Fluctuaties in de afzet worden daarom vooral bepaald door de omvang van monetaire middelen. Te veel geld hetekent te veel vraag en inflatie; te weinig geld het tegendeel. Bij de transmissie van monetaire impulsen naar de reele sfeer speelt de rentevoet een ondergeschikte rol. 5. Er is geen twijfel aan dat een onbelemmerd marktmechanisme zijn evenwichtsherstellende invloed zal uitoefenen. Het is ondenkbaar dat schokken waaraan de economie is blootgesteld uitsluitend of voornamelijk zouden inwerken op reele grootheden en lonen en prijzen onaangetast zou laten. 6. Stabilisatie van de economie komt neer op stabilisatie van de monetaire impulsen, op een geringe omvang van de collectieve sector, op een ongestoorde werking van het marktmechanisme ook t.o.v. het buitenland (flexibele wisselkoersen) en op vrl]e onderhandelingen tussen partijen in het sociaal-economisch proces. De uitgangspunten van de Neo-klassieke-Keynesiaanse School zijn als volgt samen te vatten: (10)

1. De marktsector van moderne industriele economieen brengt een niet onbelangrijke mate van instabiliteit teweeg. Deze instabiliteit vloeit vooral voort uit verschuivingen in de bestedingsneigingen van de gezins- en bedrijfshuishoudingen. Met name het tempo van kapitaalvorming wordt bepaald door zich steeds wijzigende winst- en afzetverwachtingen. 2. In moderne industriele samenlevingen reageren lonen en prijzen zeer traag op aanbodoverschotten. Zij zijn op korte termijn niet erg flexibcl in benedenwaartse richting. Produktie en werkgelegenheid vertonen een snellere reactie en passen zich gemakkelijker benedenwaarts aan.

J. De optredende schommelingen in de economische bedrijvigheid die voortvloeien uit ontwikkelingen in de marktsector dienen gecompenseerd te worden door budgettair beleid van de overheid. Op de korte termijn zijn de bestedingen weinig gevoelig voor monetaire impulsen. Op de lange termijn dient een lage rentevoet te worden nagestreefd. 4. Naast budgettair en monetair beleid is inkomensbeleid (incl. prijsbeleid) noodzakelijk om de economie naar het evenwichtig groeipad terug te brengen. 5. Op de korte termijn spelen substitutie-effecten een relatief ondergeschikte rol; op de lange termijn treden zij wel op en des te sterker naarmate het inkomens- en prijsbeleid effectiever is.

25

De Post-Kcynesiaanse School ( 11) heeft de volgende uitgangspunten: (12) 1. Het marktmechanisme werkt zeer onvolmaakt en wordt sterk beinvloed door machtsverhoudingen en specifieke institutionele omstandigheden. Substitutieprocessen zijn op de korte, noch op de lange termijn realistisch. Er kan zelfs reswitching van produktietechnieken plaatsvinden. 2. Hoewel individuele ondernemers min of meer rationeel kunnen handelen, zal het macro resultaat bij uitzondering een even~ichtig beeld geven. Industriele samenlevingen genereren zelf werkloosheid en overcapaciteit vanwege het ontbreken van een efficient werkend marktmechanisme. 3. De categoriale inkomensverdeling speelt een belangrijke rol in de economie en heeft via de differentiele spaarquoten van loon- en winstinkomens een invloed op het groeitempo. 4. Animal spirits, het geheel van verwachtingen m.b.t. economische, sociale en politieke factoren, zijn sterk bepalend voor de investeringsbeslissingen. Bij een gegeven winstvoet kunnen meerdere groeivoeten van de kapitaalgoederenvoorraad tot stand komen. 5. De variabiliteit van de bedrijfsinvesteringen en de daarmee samenhangende instabiliteit van de marktsector vereisen dat de overheid een sterke regulerende invloed op het investeringsproces uitoefent. De (Neo}-Marx1~St?:.';che School wordt door de volgende uitgangspunten gekenmerkt: (13) 1. De innerlijke instabiliteit van het systeem van de ondernemingsgewijze produktie wordt benadrukt. Deze instabiliteit vloeit voort uit het winststreven van de ondernemers en het daarmee samenhangende investeringsgedrag, dat sectorale disproportionaliteiten tussen vraag en aanbod veroorzaakt. 2. Weliswaar is de overheid kortstondig in staat door middel van budgettair beleid deze discrepanties enigszins te temperen, op de lange termijn zal de ondernemingsgewijze produktie worden getroffen door in ernst en omvang toenemende crises die mede veroorzaakt worden door de voortgaande technologische ontwikkeling die vooral arbeidsbesparend is. Het gevolg is winstvoetdaling, dan wel onderconsumptie. 3. Maatregelen op het gebied van lonen en prijzen zijn relatief inefficient, omdat vooral de produktieverhoudingen, alsmede aard en tempo van het accumulatieproces, bepalend zijn voor de afloop van het economisch proces. Het bestaande produktiesysteem client daarom vervangen te worden. Dit kan alleen in een klasseloze maatschappij en dus in een andcr politick systeem.

4. Zowel budgettair, monetair als inkomensbeleid houden in essentie het produktiesysteern en de produktieverhoudingen in stand, d.w.z. de ongelijke rnachts- en inkornensverhoudingen tussen degenen die wel en degenen die geen zeggenschap hebben over de produktierniddelen. Hoewel er bij het bovenstaande ongetwijfeld kritische kanttekeninr,en te rnaken zijn, is hopelijk voldoende duidelijk geworden dater niet onbeduidende verschillen in "startpositie" bestaan tussen wetenschappelijke onderzoekers. Deze verschillen rnanifesteren zich vooral in de eerder genoemde abstractiefase van de rnodelconstructie. Ook op de analyse- en de realisatiefase hehben zij hun invloed.

De abstraatiefase In deze fase worden relevante delen van het reele systeem getransforrneerd in een abstract systeern. Dit abstracte systeem bevat een aantal relaties en variabelen die het reele systeern beschrijven. In dit verband worden de volgende begrippen onderscheiden. Een systeem kent veelal: 1 • ,:n(langsvar1:abe len:

onafhankelijke variabelen in het systeern waarop door de beslissers van het systeern geen invloed kan worden uitgeoefend. 2. regel- of besUsrn:ngHvarlabelrm:

onafhankelijke variabelen, die binnen zekere grenzen beheersbaar zijn door de beslissers van het systeern. '3. toe stands- of geheugensvariabelen:

afhankelijke of onafhankelijke variabelen waarin de voor het probleem relevante informatie uit het verleden is opReslagen. (Tn ecn specifi~k model kornen deze variabelen voor in de vorm van vert.raagde ingangs-, rer,el- of uitgangsvariabelen). 4. uitgangsoariabe'len:

afhankelijke variabelen waarin de probleernstelling tot uiting komt. 5. hu lpmr1:andrm:

afhankelijke variabelen die niet essentieel zijn voor de probleernstelling. 6. parameters:

alle variabelen die niet tot de categorieen 1 t/m 5 behoren. Met behulp van deze begrippen is het mogelijk onderstaande classificaties te ontwikkelen: A. M.b. t. sysf:Pmen:

a. open - gesloten systernen: Z.lJn er al dan niet ingangsvariabelen gespecificeerd. b. regelbare - niet-regelbare systemen: zijn er al dan niet regel- of beslisvariabelen gespecificeerd.

27

c. geheugen - geheuge.nloze systemen: ZlJn er al dan niet toestands- of geheugenvariabelen gespecificeerd. c!. dynamische - statische systemen: is al dan niet de

tijd als afzonderlijke variabele opgenomen. e. tijdscontinue - tijdsdiscontinue systemen: is er al dan niet sprake van gescheiden tijdsintervallen. f. tijdsgebonden- niet-tijdsgebonden systemen: is er a] dan niet sprake van een tijdsbeperking m.b.t. de relevantie van het systeem.

M.b. t. VaY'iabelen en par>ameters: a. zie het hiervoor genoemde systeemtheoretische onderscheid m.b.t. variabelen.

[?,

b. deterministische - stochastische variabelen: is er

al dan niet sprake van een waarschijnlijkheidsverde 1 ing. c. tijdsvariante tijdsinvariante parameters: zlJn parameters constant of is variatie in de tijd toegelaten.

C. M.b. t. vel'gelijkingert: a. gedragsvm'geli.fkingen, die de hypothesen rn.b.t. bepaalde aspecten van het gedrag van een of meerdere subjecten beschrijven (bijv. consurnptie, investeringen, loonvorming, prijszetting enz.) b. dej'initie-ver•gelijk1:ngen, die de definitorische relat.ies tussen twee of meer variabelen vastleggen (bijv. het verband tussen het volume, de prijs en de waarde van een variabele). c. technische vergeUjkingen, die technische relaties, bijv. in bet produktieproces, representeren (bijv. produktiefunctie). d. institutionele ver·gelijkingen, die vorm geven aan bepaalde instituties (bijv. belastingvergelijkingen). e. evenwichtsvoonwaarden, die de condities aangeven waaronder een bepaald systeem in evenwicht is.

D. M.b.t. de modellen: a. analytische modellen, die beogen de sarnenhangen in het economisch proces te analyseren; analytische modellen kunnen worden onderverdeeld in descr-iptieve en na'f'rrntieve ( optirrnUser-,ings-) model len. b. l),,m•:;pcll?:ngsmode/l,;n, die beogcn voorspellingen te gevcn van de uitgangsvariabelen. c. gemengde analytische/voorspellingsmodellen, die zowel analytische als voorspellende waarde hebben.

28

·-------

In de abstractiefase vraagt een aantal keuzeproblemen om een beslissing. In ieder van de vier scholen zal de oplossing van de volgende problemen weer anders ZlJn. Belangrijke keuzeproblemen zijn: - wat is het doel dat met het model wordt nagestreefd; zijn dat analytische of voorspellingsdoeleinden, of een combinatie van beide? - welke uitgangsvariabelen kunnen, resp. zullen, in het model worden gespecificeerd? - welke regelvariabelen kunnen, resp. zullen, in het model worden opgenomen? - welke ingangs- en toestandsvariabelen kunnen, resp. zullen, in het model worden gespecificeerd? - op welk aggregatieniveau worden de relaties gespecificeerd? - welke causaliteiten tussen afhankelijke variabelen onderling en tussen afhankelijke en onafhankelijke variabelen zullen worden gespecificeerd? - in welke mathematische vorm zullen de relaties tussen de variabelen worden gegoten?

De anaZysefase en de reaZisa'tiefase In de anaZysefase vindt de empirische vormgeving van het model plaats. Problemen daarbij zijn: - over welke periode zullen de parameters worden geschat? - welke schattingsmethode zal daarbij worden gebruikt? - stemmen de empirische resultaten overeen met de hypothesen die over het concrete systeem zijn opgesteld? - welke criteria dienen, resp. kunnen daarbij (te) worden aangelegd? - hoe gedraagt het model zich buiten de schattingsperiode? - zelfs al zijn de individueZe modelrelaties op theoretische en statistische gronden acceptabel, is dan ook de beschrijving die het model geeft van het werkelijke systeem (waarbij dus alle relevante interdependenties een rol spelen) voor de onderzoeker aanvaardbaar en bruikbaar? In verband met dit laatste probleem zullen met het model sirnulaties (of varianten) worden gemaakt om vast te stellen wat de invloed is van bepaalde wijzigingcn in exogene variabelen op endogene variabelen op de korte, c.q. de lange termijn. Pas na een bevredigende analysefase waarbij de onderzoeker voldoende inzicht heeft verkregen in de eigenschappen van het model, zal het model worden gebruikt ten behoeve van de doeleinden waarvoor het is ontworpen. Dit is de reaZisatiefase. Ik ga er in het volgende van uit dat de doelstellingen van het model zowel liggen in de sfeer van het voorspellen van de toekomstige economische ontwikkeling als in het verrichten van economische analyses door middel van simulaties (varianten, spoorboekjes). Daarmee betreden we het terrein van de economische politick dat hier ruim zal worden opgcvnt. Dat wil zeggen dat het niet aileen het overheidsgedrag omvat, maar mede in beschouwing zal nemen dat er ook andere groepen zijn, zoals politici, vakbonden, werkgevers, belangengroeperingen e.d., die aan het proces van beleidsvorming en beleidsvoorbereiding direct of indire.ct deelnemen.

29

Dr1:e facetten vrm een ecmzomise!h sys teem Aan een economisch systeem zijn drie facetten te onderscheiden, nl. de economische structuur, het economisch proces en de economische orde. De economische stroctuur heeft betrekking op de voorraadgrootheden van een volkshuishouding. De economische structuur betreft dus de toestand van een economisch systeem op een bepaald moment. Belangrijke kenmerken van de economische structuur zijn: de geografische ligging van een land, het klimaat, de mate van grondstofrijkdom of -armoede, de communicatiekanalen, de bevolkingsdichtheid, de openheid van een economie, omvang en kwaliteit van de kapitaalgoederenvoorraad, omvang en kwaliteit van de beroepsbevolking, de infrastructuur, de omvang en kwaliteit van de ondernemerscapaciteit, de stand van de techniek e.d. Kenmerkend is dat bepaalde aspecten van de economische structuur zich slechts geleidelijk wijzigen en andere aspecten helemaal niet. De economische structuur komt o.a. tot uitdrukking in het produktiepatroon zowel van de marktals van de collectieve sector en het consumptiepatroon van een land. Het economisch pr>oces heeft betrekking op het gebruik van de economische structuur gedurende een bepaalde periode. Het gaat om het proces van vorming, besteding en verdeling van het nationaal inkomen en daarbij behorende verschijnselen als inflatie, werkloosheid, betalin~sbalansoverschotten en -tckorten e.d. De eaonomisahe orde heeft betrekking op de wijze waarop het economisch proces is georganiseerd. Wie beslist over wat en op welke wijze worden de individuele beslissingen gecoordineerd? De realiteit is wat dit betreft een wisselend mengsel van vier coordinatiemechanismen,die in theorie kunnen worden onderscheiden, namelijk het marktmechanisme, het democratisch mechanisme, het bureaucratisch mechanisme en het prijsmanipulerend mechanisme (14). Het hoeft geen toelichting dat economische structuur, economisch proces en economische orde nauw met elkaar verweven zijn en in onderlinge wisselwerking een dynamisch geheel vormen. De drie genoemde facetten van een economisch systeem hebben elk hun pendant in de economische politiek. Daar worden doelstellingen, middelen en data onderscheiden. Eerder kwamen we deze begrippen tegen in de systeemtheorie onder de benamingen: uitgangsvariabel en, beslis-· en regelvariabelen en ingangsvariabelen. Wat de beslis- en regelvariabelen in de economie betreft wordt veelal de indeling van Tinbergen gehanteerd m.b.t. de middelen van economische politiek (15). Middelen van economische politiek die primair beogen het eaonomisch proces te beinvloeden, worden kwantit~tieve middelen of instrumenten genoemd. Het budgettaire beleid, het monetaire beleid en het inkomensbcleid, waarbinnen weer tal van deelvormen zijn te onderscheiden, behoren hier toe. Middelen van economische politiek die primair beogen de economische stroatuur te beinvloeden, worden ki.XI?.itatieve middclen genoemd. Dit betekent uiteraard niet dat er geen kwantitatieve aspecten aan zitten. Bij kwalitatieve middelen valt bijvoorbeeld te denken aan sectorstructuurbeleid, innovatiebeleid, arbeidsmarktbeleid, energiebeleid, regionaal beleid, beleid gericht op beinvloeding van de kwaliteit en de omvang van de beroepsbevolking, beleid gericht op de ruimtelijke ordening en de handelspolitiek. 30

- - -Middelen --

van economische politiek die vooral beogen de economische orde te beinvloeden worden hePVOPrrdngen genoemd. Het gaat hierbij om maatregelen die de coordinatie van economische beslissingen beinvloeden, in die zin dat bepaalde coordinatiemechanismen vervangen worden door andere coordinatiemechanismen. Het invoeren van een sociaal ver~eringsstelsel betekent bijvoorhc<' 1d da t vrijwill ip;c indi vi due 1e verzekeringen worden vervangen door verplichte collectieve verzekeringen. Het marktmechanisme is dus vervangen door het bureaucratisch mechanisme. Vergelijkbare effecten zijn waarneembaar bij een nationalis~tie, het instellen van ondernemingsraden, het invoeren van vermogensaanwasdeling of beleggingsvoorschriften. Tot slot iets over de ingangsvariabelen in de economie, de data. Beleidsvoerders nemen beslissingen over het gebruik van bepaalde middelen altijd binnen bepaalde gegeven omstandigheden of data. Op korte termijn zijn er meer data dan op lange termijn. Zo vormen de economi;-[sche- structuur en de econo~ische orde op kor6:! te_r_m-~.....J.,...n--min of meer een gegeven. De beleidsvoerder richt zich dan vooral op de beinvloeding van het economisch proces. Op lange termijn kan de beleidsvoerder proberen ook de economische structuur en de economische orde te wijzigen. Wat op korte termijn een datum is voor de economische politiek hoeft dat op lange termijn niet meer te zijn. Naast data die zich in beginsel lenen voor b~invloe­ ding door de beleidsvoerder, de interne data, zijn er ook extePne data. Deze zijn niet of nauwelijks door de beleidsvoerder in een land te sturen. Voor Nederland als kleine open economie speelt dat heel sterk. Op het economische proces buiten ons land hebben wij geen invloed. De omvang van de wereldhandel, de koers van andere valuta en de prijzen die andere ]anden voor hun goederen en diensten vragen, zijn voor Nederland een gegeven. Wij hebben evenmin invloed op de buiten ons land bestaande economische structuur en economische orde. Wei kunnen we proberen omstandigheden in het buitenland te beinvloeden, bijvoorbeeld via het politieke proces, maar willen die pogingen effect hebben, dan zullen zij veelal samen met de andere landen moeten worden ondernomen, bijvoorbeeld in EG-verband.

1.3. Fasen in de beleidsvoorbereiding Om een goed inzicht te krijgen in de plaats die economische modellen innemen bij de beleidsvoorbereiding, worden hierna tien fasen onderscheiden en besproken. Deze fasen zijn:

A. B. C. D. E•. F. G. H. I. J.

analyseren van de problemen verzamelen van informatie voeren van overleg ontwikkelen van een visie uitstippelen van een strategic onderkennen van randvoorwaarden ontwerpen van de financiering nemen van een beslissing organiseren van de uitvoering analyseren van de gevolgen

Alvorcns dcze fascn te bchandelcn wijs ik cr op dat ze in een concrete situatie niet allemaal en ook niet in deze volgorde hoeven voor te komen.

31

A. Analyseren van de problemen Economische problemen kunnen worden onderkend aan de hand van kwalitatieve en kwantitatieve informatie die over economische variabelen beschikbaar is. Wanneer deze informatie gedurende een kortere of langere periode een afwijking laat zien tussen hetgeen men wenst, hoopt of verwacht en de realiteit, dan is er een prohleem. F.r zijn dus prohlemen omdat bepaalde doelstel1 ingen van economische politiek niet in een m
32

Zo z er in de sfeer van de doelstellingen vnn economische politiek meer verschillen tussen de vier scholen aan te wijzen. In het vervolg van dit betoog zal dat nog blijken. Nu kan alvast gewezen worden op het verschil in aandacht voor het inflatieverschijnsel, het vraagstuk van een rechtvaardige inkomensverde] ing en de economische groei. (17) Dat een land zich niet pcr~~ncnt een betalingstekor.t of -overschot kan ver.oorloven is veel minder een punt van discussie, evenmin als het streven naar volledige werkgelegenheid (hetgeen iets anders is dan volwaardige werkgelegenheid). Overigens is het natuurlijk zo dat het voor het feitelijke economische beleid niet zo zeer van belang is wat economische scholen van doelstellingen van economische politiek vinden, ~1ar welke doelstellingen politic{ eeht willen bereiken. In de politiek moet worden bepaald welk werkloosheids- en inflatiepercentage toelaatbaar worden geacht en welke groei de collectieve welvaart zou moeten vertonen. Hierbij valt het op dat er in de politieke sfeer zo weinig oog bestaat voor het schaarstebegrip. Van conflicterende doelstellingen,in de zin van de onmogelijkheid alle doelstellingen tegelijkertijd te kunnen realiseren, lijkt men soms nooit gehoord te hebben. In plaats van het absurde verwijt aan economen geen oplossing voor-de bestaande crisis te hebben (elke school heeft zijn eigen soort oplossing), zouden politici eens beter naar de economen moeten luisteren die op de onverenigbaarheid van doelstellingen wijzen, en die zijn er in elke school! Een keuze voor een bepaalde doelstelling betekent nu eenmaal dat van de gelijkwaardige realisatie van een ander doel moet worden afgezien. Voorts dient, als het over het onderkennen van problemcn gaat, enige aandacht te '"orden besteed aan de interpreta~ie van het cijfermateriaal. Het is bepaald niet eenvoudig uit regelmatig ter beschikking komend cijfermateriaal ee·,1duidige conclusi•?s te trekker.. Het CBS p'.lb 1 iceert b ijvoorbecld in december een indexcij fer van de produktie van de industrie van 97, terwijl dit cijfer in november daaraanvoorafgaand nog 100 bedroeg. Is deze daling met 3% nu een reden om wijziging aan te brengen in het tot dan toe gevoerde beleid. bijvoorbeeld door de bestedingen extra te gaan stimuleren? Het antwoord is niet noodzakelijk ja. In de eerste plaats moet worden nagegaan of de produktiedaling niet aan het seizo~n te wijten is. Tn de tweedc p1aats moet worden onderzocht of er niet bijzondere invloeden werkzaam zijn geweest. Maar als op grond hiervan geen wijziging in de opinie over de procluktiedaling ontstaat zal men nog niet zo maar beleids~~tig willen reageren. Soms uit principe niet, omdat overheidsinterventie als ongewenst wordt ervaren (Monetaristen), maar meestal niet omdat meer informatie in beschouwing moet worden genomen. Zal de daling zich voortzetten; in welke conjunctuurfase bevindt de economic zich? Mede met het oog hierop werd indertijd op het CPB het kwartaalmodel ontwikkeld dat o.a. zou kunnen helpen. (onvolledige) kwartaalinformatie op zijn consistentie en samenhang te beoordelen. (18) De kunst van de conjunctuuranalyse moet hier mede uitkomst bieden en proberen rust in de interpretatie van het cijfermateriaal te brengen.

33

Het is overigens zo dat cijfermatige informatie lang niet altijd neutraal wordt gebruikt. Werkgevers vinden stijgende lonen een probleem, terwijl werknemers al gauw over stijgende prijzen hun misnoegen uiten. Om maar te zwijgen van de Nederlandsche Bank die bij de minste of geringste betalingsbalansbeweging de waarschuwende vinger opheft. Voorts is in dit verband de meting van economische verschijnselen een punt. Klant wijst er in dit verband op dat cijfers nog geen feiten zijn. "In de afgelopen tien jaren was het jaarlijkse saldo van de niet-monetaire sectoren op de Nederlandse betalingsbalans op kasbasis systematisch - namelijk gemiddeld dertig procent - lager dan volgens de (vermoedelijk op dit punt nauwkeuriger) monetaire analyse van de Nederlandsche Bank. Het lagere cijfer pleegt te worden gebruikt om het land bij tijd en wijle de schrik op het lijf te jagen en het hogere om op rustige wijze de geldschepping te beoordelen". (19) Tot slot is de situatie van belang waarin er op een bepaald moment wellicht nog geen sprake is van een probleem, maar dat voorspellingen aanduiden dat er een komt. We komen hiermee op het terrein van de toekomstgerichte informatie. De mensheid heeft altijd al willen weten wat de toekomst brengen zal. Daarom is voorspellen zo oud als de mensheid zelve. Om ook hier enige systematiek te krijgen is het zinvol om een onderscheid te maken in causale en niet-causale voorspelmethoden. De causale methode baseert zich op de gelijktijdige en volgtijdelijke samenhangen die er tussen de elementen van het economisch systeem bestaan, zoals weergegeven in een specifiek model van dat systeem. De niet-causale methode daarentegen beschouwt een of meerdere elementen van het economisch systeem op zichzelf, zonder daarbij expliciet de causale samenhangen met andere elementen uit dat systeem te betrekken. De niet-causale methode wordt tcchnisch gezien op verschillende manieren toegepast. We kennen: - de naieve methode, waartoe moeten worden gerekend het "Fingerspitzengefiihl", met de hand getrokken trends, "no change" en "equal rate of change" voorspellingen; - de tijdreeksmethode, waarbij op grond van de statistische eigenschappen van een tijdreeks in het verleden een formeel voorspellingsschema wordt geconstrueerd (bijv. de Box-Jenkins methode); - de opiniemethode, waarbij voorspellingen van bepaalde economische variabelen zijn gebaseerd op meningen van consumenten en/of producenten (enquetes van CBS en EEG, Kamers van Koophandel e.d.; Delphimethode); - de conjunctuurindex methode, waarbij de waarde van een gewogen of ongewogen gemiddelde van een aantal kwantitatieve en/of kwalitatieve conjunctuurindicatoren, die vooruitlopen op de "gemiddelde" economische ontwikkeling, als voorspelling wordt opgevat (leading indicators en conjunctuur barometers van de grote banken). Tegen de niet-causale voorspelmethoden kan als bezwaar worden <'!angcvoerd dat ze veelal niet expliciet op een economische theorie gebaseerd zijn. (20) Maar als men de toekomstige ontwikkeling niet wil begrijpen, maar alleen kennen, is dit bezwaar niet onoverkomelijk. In paragraaf 4. kom ik hier terug.

34

_____

,_

Een causale methode heeft als voordeeTdat men de toekomstige ontwikkeling in ieder geval kan begrijpen. Of de voorspellingen daardoor heter worden is niet op voorhand zeker. Er zijn onderzoekingen die de causale rnethoden wat dit betreft achter stellen bij sornrnige niet-causale methoden. De laatstgenoernde methoden kunnen echter geen adequate diensten bewijzen als het om beleids- of andere sirnulaties gaat. Als men met een methode zowel voorspellen als analyseren wil, een vanuit methodologisch gezichtspunt dwingende eis, dan verdient de causale methode de voorkeur, met als consequentie dat veel cijfers, bewerkingen en onderzoek vereist zijn.

B. Verzamelen van informatie Niet aileen bij de analyse van problemen bestaat er behoefte aan informatie, ook over de mogelijkheden om problemen op te lessen is informatie nodig. In ons land wordt deze inforrnatie vooral verschaft door het Centraal Planbureau en het Sociaal Cultureel Planbureau. Deze inforrnatie is niet altijd openbaar, maar het parlement kan daar in ieder geval altijd om vragen. Mijns inziens heeft het parlement dit in de afgelopen jaren te weinig gedaan. Dit is af te leiden uit de stereotiepe vragen die karnerleden telkenmale rnenen te moeten stellen over CEP, MEV e.d. Deze blijven veelal aan de oppervlakte en worden daarom ook veelal oppervlakkig beantwoord. (Iedere vraag krijgt het antwoord die het verdient.) Men zou wensen dat het parlement, zoals bijvoorbeeld in de Verenigde Staten zich eens wat rneer verdiepte in de rnogelijkheden om rneer informatie te verkrijgen en deze mogelijkheden ook toe te passen. Er zijn in ons land pogingen geweest en die werden als vervelend ervaren. Het is nog maar vijf jaar geleden, d~t er in politieke en ambtelijke kring bijkans schande van werd gesproken dat de PvdA-fractie aan de Minister van Econornische Zaken vroeg, het CPB ook eens spoorboekjes betreffende extra overheidsbestedingen te laten maken waarin van de afwenteling van extra coll~ctieve lastenstijp,inp, in de lonen werd afp,ezien. (21) Met de komst van de WRR is overigens de ongevraagde informatieverschaffing toegenomen. Zo publiceerde dit adviesorgaan een aantal geruchtmakende rapporten en bijbehorende detailstudies die zittende regeringen niet altijd welgevallig waren. Ook is in de loop van de jaren zeventig de betekenis van gespecialiseerde onderzoekinstituten in de informatieverschaffing toegenomen. (22) Het zou te ver voeren hier gedetailleerd op in te gaan. In ieder geval is het niet ongewoon meer dat daarbij ook geschatte economische modellen worden gebruikt, iets dat in het verleden vooral aan het CPB was voorbehouden. (23) Zo bezien is deze monopoliepositie dus wat aangetast, alhoewel daarover niet al te optimistisch moet worden gedacht orndat de informatie die ongevraagd van buiten het overheidsapparaat wordt verschaft nu eenmaal niet hetzelfde aureool heeft als de CPB-informatie. Verder zijn deze instituties in het nadeel omdat ze niet over dezelfde statistische en andere basisinformatie kunnen beschikken als het CPB. Ook worden ze nogal eens tegengewerkt omdat de (vermoede) onderzoekresultaten de beleidsambtenaren niet altijd welgevallig zijn. (24)

35

In ons land heeft de verschaffing van informatie over de effeeten van de verschillende vormen van economisch beleid vooral de vorm gehad van kwantitatieve informatie in de vorm van modelsimulaties, ook wel varianten of spoorboekjes genoemd, die door het CPB Werden verschaft. Over de mogelijkheden met betrekking tot het voeren van bepaalde vormen van economisch beleid wordt door het CPB - soms gevraagd, soms ongevraagd - ook wel het een en ander gezegd. In haar publicaties gebeurt dat veelal in genuanceerde bewoordingen. Binnenskamers, bijvoorbeeld in CEC en REA, klinkt het oordeel vaak veel duidelijker, zoals een adviseur betaamt. In paragraaf '* kom ik hicrop terug. Modelsimulaties zijn volstrekt gedetermineerd in die zin dat ze uitsluitend de relatie tussen de wijziging van een exogene variabele en alle endogene variabelen weergeven binnen de modellering van het betreffende economisch systeem. Dat betekent dus dat alle in paragraaf 2.3. genoemde keuzen die in de analytische fase tegen de achtergrond van de Vision zijn gemaakt, van invloed zijn op het simulatieresultaat. Nie~1nd hoeft zich over spoorboekjes te verbazen. Hun conditionele karakter is duidelijk en hun beperkingen dus ook. Degene die dit soort computerresultaten tot beleid wil verheffen neemt heel wat analytische stappen en veronderstellingen voor zijn rekening. Hij kiest ook duidelijk voor een Vision, voor een bepaalde beschrijving van het economisch systeem, die ook voor de toekomst geacht wordt te gelden. Minstens zo belangrijk is overigens datgene dat niet in het gehanteerde model is gespecificeerd. In de modellen die bij de beleidsvoorbereiding in ons land worden gebruikt zien we bijvoorbeeld voornamelijk aspecten van het economisch proces uitgebeeld. Kenmerken van de economische structuur en de wisselwerking tussen proces en structuur zijn amper vertegenwoordigd. Een bestaand model draagt verder heel duidelijk de sporen van de gemiddelde economische orde in het verleden, hetgeen de toepassingsmogelijkheden in geval van hervormingen sterk reduceert. C. VoePen van ovePZeg Als de benodigde informatie beschikbaar is vindt er op allerlei niveaus overleg en discussie plaats teneinde de informatie te beoordelen. Wat is ze waard? Zijn er alternatieven? Moet er nog meer informatie komen? Een probleem is dat soms niet iedereen over even gedetailleerde informatie beschikt. Ambtenaren zijn uitstekend op de hoogte, maar bepaalde belangengroeperingen zijn niet steeds in dezelfde mate ge1nformeerd. Daar komt bij dat niet iedereen de vaak spccialistischc informatie kan begrijpen. In navolging van De Beus (25) onderscheid ik vijf niveaus van overleg en advies, die overigens niet altijd allemaal in actie hoeven te komen. De f'WI'ste advieskring wordt gevormd door de hoge ambtenaren (sccretaris-gC'nenwl, directeur-generaal e.d.) en politieke adviseurs. De lr11eedc kring wordl gevormd door functionarissen van bepaalde overheidsorganen, zoals CPB, RPD, WRR, CEC e.d. De derdr: kring wordt gevormd door verplichte en onverplichte adviescolleges, zoals de SER, de onderwijsraad, e.d.

36

De viePde kring wordt gevormd door de leiders van alterlei belangengroepen. De v 1:jfde kring omvat leiders en kaderleden van politieke partijen, onafhankelijk deskundige individuen e.d. Interessant is de vraag wat deze consultatie en advisering voor het beleid betekent. Onze kennis hierover is beperkt, met uitzondering van de derde kring, omdat daar van openbaarheid sprake is. Er zijn wel alterlei theorieen over de rol en betekenis van adviesorganen, maar die zijn voor Nederland veelal niet getoetst. Belangrijk is het punt of deskundigheid gewicht in de schaal legt of dat vooral de politieke, ideologische advisering het beleid beinvloedt.

D. Ontwikkelen van een visie Onder meer op basis van de verkregen informatie en de uitkomsten van het overleg wordt een visie ontwikkeld. Het is van belang onderscheid te maken tussen een eaonomisahe en een politieke visie. De economische visie heeft betrekking op de mate waarin bepaalde middelen van economische politiek kunnen bijdragen tot de oplossing van economische problemen. Hierover kunnen economen zich uitspreken. De politieke visie is vereist om de doelstellingen van economische politiek vast te kunnen stellen en om in geval van conflicterende doelstellingen prioriteiten te bepalen. Een politieke visie is gebaseerd op een ideologie die de basis is voor verkiezingsprogramma's van politieke partijen. Maar omdat politici hun invloed ontlenen aan het aantal op hen uitgebrachte stemmen, zullen ze in hun verkiezingsprogramma's een economisch beleid voorstellen dat weliswaar binnen hun ideologie past, maar dat hen ook zoveel mogelijk stemmen oplevert, of zo weinig mogelijk stemmen kost. Politici beslissen dus in eerste instantie op basis van politieke overwegingen en niet vanuit economische overwegingen. Dit wordt door economen nogal rampzalig gevonden, zeker als het feitelijke beleid gebaseerd wordt op allerlei politieke compromissen. Korte termijn beleid met het oog op het behalen van korte termijn successen wint het dan ook vaak van beleid op tangere termijn. Dit laatste is voor politici niet erg attractief, want de noodzaak daartoe, zeker als de economische structuur in het geding is, is moeilijker aan te tonen en de resultaten ervan zijn niet snel zichtbaar. IJ.:~:Ned_~~~hebben we zo'n_·----~··-···-·· situatie, zodat na 1975 in feite aileen de Nederlandsche Bank op een duidelijke en voorspelbare manier beleid voert op basis van artikel 9 van de Bankwet. Een belangrijk gegeven dat tot nadenken van economen en politici moet stemmen, omdat daardoor niet de werkloosheidsbestrijding, maar de strijd tegen de inflatie de eerste prioriteit in de economische politiek heeft gekregen. F:. lHtsUppelen van de strutegie

Hoe kan het voorgestane economisch beleid worden verwezenlijkt? Hoe kan het beleid het beste worden 'verkocht'? Op welke manier kan daarvoor steun bij de kiezers worden verkregen? Dit zijn vragen die moeten worden beantwoord als het gaat om het uitstippelen van een strategie. Daarnaast spelen tactische kwesties. Wie wordt het eerst op de hoogte gesteld van het beleid en hoe? Hoe kunnen politieke tegenstanders worden afgetroefd? 37

Het CPB speelt, soms ongewild, nogal eens een rol in deze gang van zaken. De legitimatie van een bepaald beleid wordt nogal eens verdedigd met de zinsnede: het CPB heeft het toch ook gezegd, of: de spoorboekjes van het CPB tonen aan dat ..• Dit bureau wordt op deze manier in een vervelende positie gemanoeuvreerd, want als het misbruik van het CPB-keurmerk eenrnaal is geschied, zal het CPB zich hier niet makkelijk publiekelijk van distantieren. Mij zijn althans daarvan geen opmerkelijke voorbeelden bekend.

F. Onderkennen van randvoorwaarden In de economische politick gaat het steeds om het doen van keuzen met betrekking tot de aanwending van schaarse, alternatief aanwendbare middelen. Het inzetten van bepaalde middelen om een bepaald doel te bereiken gaat ten koste van een ander doel. De vraag is of dat economisch en/of politiek aanvaardbaar is. Moet het voorgenomen beleid worden aangevuld om die nevengevolgen te vermijden? Het gaat hierbij om randvoorwaarden of grenzen. De randvoorwaarden kunnen binnen zekere marges vrij worden Rekozen. Ze zijn in zekere zin ook subjectief. Wat voor de een een grens is die niet mag worden overschreden, is voor de ander nog aanvaardbaar. Jarenlang is er een economische politiek gevoerd waarbij het ~ilieu, de de energie en andere grondstoffen geen randvoorwaarden vormden. Thans is het relatieve financieringstekort een belangrijke randvoorwaarde. Ook economische modellen spelen in dit verband een rol. Wat in het ene model als randvoorwaarde naar voren komt hoeft dat in een ander model niet te doen. Ieder model, zo men wil iedere school, bouwt als het ware zijn eigen randvoorwaarden in. Op deze manier kan gemakkelijk een analytische verstarring ontstaan die de oplossing van problemen frustreert.

G. On twer-pen van d(' financier-ing Wanneer wordt beslist over een bepaalde economische politiek, moet tevens worden vastgesteld hoe deze zal worden gefinancierd. Verschillende vragen komen dan naar voren. Ontstaat er door deze beleidsvoornemens een extra tekort op de overheidsrekening? Zo ja, hoe zal dat worden gefinancierd? Door de verhoging van welke belastingen, door extra te lenen op de kapitaalmarkt of door monetaire fina~ciering? Of is het mogelijk en wenselijk de loonstijging te matigen, zodat de overheid zelf ook minder hoeft te betalen aan haar ambtenaren? Het financieringstekort van de overheid zal in dat geval niet toenemen. Erg belangrijk is de vraag: wat hebben de verschillende financieringsvormen op hun beurt voor gevolgen voor de economie? Economische modellen kunnen een antwoord geven op deze vragen onder alle restricties die ik daarbij eerder aangaf.

H. Nemen van de beslissing Uiteindelijk neemt de regering een beslissing en legt die voor aan het parlement. Het gaat altijd om een politieke beslissing, waarvan de economische basis soms wankel is. Vooral tegen de tijd van de verkiezingen willen kabinetten wel eens besluiten nemen waarvan op korte termijn vooral de baten zichtbaar zijn, en waarvan pas op lange termijn de kosten moeten worden gedragen. Een probleem ontstaat ook wanneer de uitgaven worden vastgesteld in het kader van het democratisch mechanisme (de parlementaire democratic), terwijl bij de toedeling van de kosten het marktmechanisme een grote rol speelt (vrije loononderhandelingen). Het resultaat is dan een 'economie van de onbetaalde rekening'.

38

I. Organiseren van de uitvoering Als het economisch beleid eenn~al is geformuleerd en goedgekeurd, moet het worden uitgevoerd. Daarvoor worden regels ontworpen in de vorm van wetten, Algemene Maatregelen van Bestuur en Koninklijke Besluiten. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid van het ontduiken of ontlopen van de regels. We zien bijvoorbeeld dat ho~ere bclastingen en premies worden afgewenteld. Bedrijven die hogere premies voor de sociale verzekering moeten betalen, passen bijvoorbeeld hun prijzen aan en laten de consument ervoor opdraaien. Werknemers die meer sociale verzekeringspremies moeten betalen, bedingen bijvoorbeeld een hoger loon en laten dus de werkgevers (de bedrijven en de overheid) daarvoor opdraaien. In dit verband wordt betoogd dat er in onze maatschappij wel degelijk de bereidheid bestaat om meer belastingen en premies te betalen voor meer collectieve voorzieningen. Maar dan moet het betalen van de collectieve rekening anders worden georganiseerd. (26) Over de collectieve voorzieningen wordt namelijk in het parlement beslist. Daar werkt het democratisch mechanisme. Maar in de markteconomie wordt vrij over het loon overlegd en komen de prijzen vrij in particuliere bedrijven tot stand. Het is dan zeer goed mogelijk dat er op deze manier lonen en prijzen worden vastgesteld die de afwenteling van collectieve lasten (belastingen en premies) bevatten. J. Analyseren van de gevolgen Wat zijn de gevolgen van het gevoerde economisch beleid? Is het beleid effectief geweest en is er derhalve het gestelde doel bereikt? Dit is een bijzonder moeilijke vraag, want op welke termijn meten we die effectiviteit: bijvoorbeeld na een jaar of na vijf jaren? Bovendien kan er in de tussentijd heel wat in een economie zijn gebeurd, zodat niet is voldaan aan de ceteris-paribus-conditie die is vereist om een zuiver beeld te krijgen van de effectiviteit van het economisch beleid. Achteraf kan wel worden getracht de invloed van de gewijzigde omstandigheden zo goed mogelijk buiten beschouwing te laten, maar hele~~al zuiver krijgen we het beeld nooit. Economische modellen kunnen in ieder geval behulpzaam zijn het verleden te analyseren, zij het steeds onder allerlei, soms vergaande veronderstellingen. ---·--·-----

1. 4. De taken en uJerkwi,j ze van he t CPB De Wet op het Centrual Economisch Plan Het CPB, dat ressorteert onder de Minister van Economische Zaken, fungeert als een van de belangrijke adviesorganen van de regering in economische vraagstukken, Deze functiE.' knn worden terugp,evonden in de Wet op de voorhereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan uit 1947. Daarin staat (artikel 3) dat het CPB "tot taak heeft het verrichten van alle werkzaamheden met betrekking tot het voorbereiden van een Centraal Economisch Plan, dat op geregelde tijden ten behoeve van de coordinatie van het regeringsbeleid op economisch, sociaal en financieel gebied door de Regeering wordt vastgesteld, alsmede het uitbrengen van adviezen over algemeene vragen, welke zich ten aanzien van de verwezenlijking van het plan kunnen voordoen."

39

In hetzelfde artikel wordt het Centraal Economisch Plan "een evenwicbtig samenstel van scbattingen en richtUjnen met betrekking tot de Nederlandsche Volkshuisbouding genoemd. Verder wordt gesteld dat dit plan onder meer verzarnelingen van cijfers bevat "betrekking bebbende op de toekomstige grootte van de voortbrenging in den ruimsten zin, op de toekornstige boogte en ontwikkeling van bet prijsniveau, van het nationaal inkornen en zijn cornponenten, op de besteding van dat inkornen en op alle verdere grootheden, die voor een goede coordinatie van het economisah, sociaal en financ1:eel bele1:d van be lang zijn".

Informatieverschaffing Het CPB verscbaft dus inforrnatie ten behoeve van de coordinatie van bet economisch beleid, het voorspelt de economische ontwikkeling en adviseert. Wie een indruk wil hebben van de inforrnatieverschaffende taak neme kennis van de jaarlijkse en incidentele CPB publicaties, de occasional papers, monografieen en overdrukkenserie. Hij client te bedenken dat dit slecbts de top van een ijsberg is, omdat over veel inforrnatieverschaffende werkzaamheden die ten behoeve van Ministeries, Parlement, maatschappelijke organisaties, SER, WRR, andere officiele cornmissies en internationale organisaties wordt verricht, niet altijd wordt gepubliceerd. Gezien de boge kwaliteit en de ornvang van de inforrnatieverschaffing bebben wij met het CPB een voortreffelijk instituut, waarop we trots kunnen zijn.

CPB-modellen Alvorens de voorspel- en analysetaak van het CPB te bebandelen, eerst enige opmerkingen over de door bet CPB in de loop der tijd gebruikte modellen. Om praktische redenen sluit ik daarbij de modellen uit die t.b.v. specifieke doeleinden werden vervaardigd. Het gaat hier bijvoorbeeld om het zeehavenrnodel, het energiernodel, het migratiemodel, het integraal model en het regionaal model. Ik beperk rnij dus tot de rnacro-econornische modellen: jaarrnodel, kwartaalrnodel en Vintaf. Hoewel er veel interessants over deze rnodellen zou zijn op te merken, is ter wille van de ornvang van dit referaat een beperking op zijn plaats. Daarom een kort overzicht van de wijze waarop het CPB naar rnijn mening de problernen in de abstractiefase (zie paragraaf 2.4.) heeft opgelost. De doelstelling van de genoernde modellen is steeds tweeerlei geweest, nl. zowel het voorspellen als het analyseren van de econornische ontwikkeling in ons land. "This leads to the requirement of analytical reliability in addition to the requirement of forecasting accuracy" in de woorden van Verdoorn. (27) De CPB rnodellen zijn in terrnen van de systeerntheorie: open, regelbaar, voorzien van een geheugen, dynarnisch, tijdscontinu en tijdsgebonden; de variabelen zijn stochastisch en de parameters tijdsinvariant. Als uitgangsvariabelen kennen de modellen vier bekende grootheden in de economiscbe politiek: inflatie, werkloosheid (werkgelegenheid), saldo betalingsbalans op lopende rckening en groei van de produktie van bedrijven. Verder is er een groot aantal hulpvariabelen in de vorm van variabelen die diverse bE.>stedingen, diverse prijzen, de loonvoet, rnonetaire grootheden e.d. bescbrijven.

40

In de ~len-zljn steeds regel variabelen opgenomen. Deze varieren van model tot model, maar omvatten steeds de autonome bestedingen (reele consumptie en investeringen van de overheid en investeringen in woningen), de werkgelegenheid bij de overheid, het volume van de sociale verzekeringsuitgaven, de arbeids (c.q. machine) tijd, de wisselkoers, de autonome belastingontvangsten, de autonome prijscomponenten en de discontovoet. Belangrijke ingangsvariabelen zijn natuurlijk het volume van de wereldhandel, het invoerprijspeil en de uitvoerprijs van concurrenten. De bedoelde modellen zijn macro-modellen met dien ver-----"""""" ____"_"____ ___ __ _ stande dat de bestedingen en de prijzen op een gedesaggregeerd niveau zijn gespecificcerd. De modelvergelijkingen zijn in het jaarmodel overwegend in relatieve veranderingen weergegeven. In het kwartaalmodel en bet Vintafmodel overbeersen de niveauvergelijkingen (aldan niet in logaritmen geschreven). Bij de vraag welke causaliteiten in de modellen zijn gespecificeerd komt onmiddellijk de vraag naar voren welke vision aan de CPB modellen ten grondslag ligt. Als zodanig is daar door het CPB geen verantwoording over afgelegd. We moeten dus zelf proberen vast te stellen hoe de vork in de steel zit. M.b.t. bet jaarmodel meen ik te mogen concluderen (28) dat: a) de macro-economische relaties veelal worden gepostuleerd zonder ze aannemelijk te maken in termen van micro-economisch gedrag; b) er sprake is van een dynamisch onevenwichtigheidsmodel; c) bet marktmechanisme zo gespecificeerd is dat het partieel en traag werkzaam is; d) investeringen geen capaciteitseffect hebben, zodat er sprake is van een vraagmodel; e) er vnn een winsttheorie vnn de invcatcringen sprnke is en nict van cen accelerator- of rentetheorie; f) de categoriale inkomensverdeling de particuliere consumptie en de bedrijfsinvesteringen beinvloedt; g) aan de invloed van monetaire variabelen weinig of geen betekenis toekomt en de wisselkoers exogeen is; h) er sprake is van complementariteit van de produktiefactoren; i) de technische ontwikkeling arbeidsvermeerderend, autonoom en disembodied is; j) vooral het economisch proces wordt gemodelleerd en aan de economische structuur en institutionele factoren weinig aandacht wordt besteed; k) van Okuns Law wordt uitgegaan, d.w.z. van een verband tussen de onderbezetting van arbeid en van kapitaal, zodat er in feite sprake is van een situatie van arbeidsschaarste; 1) er in de marktsector sprake is van de afwenteling van collectieve lasten.

___

"

"

In het kwartaalmodel zijn de meeste van de genoemde kenmerken ook aanwezig. In dat model is echter wel substitutie tussen arbeid en kapitaal mogelijk, spelen de accelerator en de kapitaalkosten naast de winsten een rol in de

41

investeringsvergelijking en is de rentevoet een endogene variabele. In het Vintafmodel gaat d) niet meer op vanwege het opnemen van een aanbodblok, zodat de investeringen ook een capaciteitseffect vertonen en is i) niet meer ten volle van toepassi.ng, omdat de technische ontwikkeling embodied is verondersteld. Een belangrijk kenmerk van Vintaf is dat k) wordt losgelaten: volledige bezetting van de produktiecapaciteit betekent niet automatisch volledige werkgelegenheid. Structurele werkloosheid vanwege een te hoge reele loonvoet behoort dan tot de mogelijkheden. Op grond van het bovenstaande moeten de CPB modellen misschien eerder Post-Keynesiaans dan Neo-Klassiek-Keynesiaans worden genoemd, alhoewel we ze op grond van de gevolgde werkwijze van het CPB ook als ealeatisahe modellen zouden kunnen betitelen. (29) In een discussie die in 1977 en 1978 over het Vintafmodel werd gevoerd, is door Van Schaik vastgesteld dat het typeren van een model nog iets anders is dan het gebruiken van een model. Zo kan men bijvoorbeeld van mening zijn dat het Vintafmodel Post-Keynesiaans aandoet, maar vooral NeoKlassiek-Keynesiaans wordt gebruikt. (30) Er kan in ieder geval met zekerheid worden vastgesteld dat aan monetaire variabelcn en wisselkoers in de CPB modellen geen grote betekenis toekomt. Dit wordt vanzelfsprekend door Monetaristen betreurd en ook Neo-KlassiekKeynesianen vinden dit wat teleurstellend. Post-Keynesianen en Neo-Marxisten zouden gaarne meer machtsinvloeden op het economisch proces gemodelleerd willen zien, meer aandacht willen besteden aan sectorale ontwikkelingen en in sterkere mate de economische structuur in aanmerking willen nemen. De laatstgenoemde richtingen hebben, in tegenstelling tot de Monetaristen, behoefte aan een uitgebreide modellering van het allocatiemechanisme om beter te kunnen analyseren waar de door hen noodzakelijk geachte overheidsinterventie het beste kan plaatsvinden. In de meer normatieve gedachtengang van de Monetaristen, namelijk als het marktmechanisme goed kan werken dan ontstaat er volledige werkgelegenheid en volledige bezetting, is modellering van het allocatiemechanisme onnodig en zijn "grote" modellen uit den boze. (31) Sinds 1977 is er een levendige discussie over het Vintafmodel ontstaan. Er is geen aanleiding deze discussie hier weer te geven. Wie geinteresseerd is raadplege de literatuur daarover. (32) Blijkens uitlatingen van het CPB wordt het Vintafmodel binnenkort vervangen door een nieuw model, Freia geheten. Een dagblad meldt hier het volgende over. (33) "Volgens Van den Beld is Vintaf geen slecht model, maar de omstandigheden zijn sinds de introductie gewijzigd, waardoor ook aan een aanpassing van het model niet kon worden ontkomen. Vooral de onvoorspelbaarheid en de invloed van de fluctuerende wisselkoersen zorgen voor veel problemen en tasten de waarde van de uitkomsten aan. In het nieuwe model wordt nu een nieuw blok ingevoerd met ruim honderd vergelijkingen op monetair gebied - waarbij ook de internationale renteontwikkeling een belangrijke rol speelt - en we hopen dan ook tot een aanzienlijke verbetering te kunnen komen. Ret Vintafmodel heeft nu wel definitief afgedaan. Een andere belangrijke aanpassing is de investeringsvergelijking, waarbij in de toekomst uitgegaan wordt van de Pendementsverwaahtingen. Tot nu toe gold in het model de winstposi tie a] s helnnp,rijkste verklnrPmle vnriahPle."

42

Voor'spe llen --~ -----------De CPB modellen - jaarmodel, kwartaalmodel en Vintafmodel - zijn alle van het gemengde type, d.w.z. gemaakt om zowel te voorspellen als te analyseren. Dat houdt automatisch in dat ze niet optimaal zijn m.b.t. een van beide aspecten. Wat het voor'spellen van het CPB betreft worden regelmatig kritische geluiden vernomen. Deze hebben zowel betrekking op de kwaliteit van de voorspellingen als zodanig, als op de daarbij gevolgde methodiek. Wat de voorspellingen zelf betreft is het dienstig de cijfers voor zich te laten spreken. Gepubliceerde voorspellingen van het CPB m.b.t. allerlei economische variabelen kunnen vergeleken worden met de realisatie van deze variabelen. Deze vergelijking is herhaalde malen in en buiten het CPB gemaakt. Het laatst gehouden systematische onderzoek naar de voorspelkwaliteit van het CPB dateert voorzover mij bekend uit 1978 en had betrekking op de voorspellingen van het CPB gedurende de jaren 1953-1975,(34) gesplitst naar drie deelperioden, nl. 1953-1962, 1963-1970 en 1970-1975. Deze deelperioden werden onderscheiden met het oog op wijzigingen in de economische structuur, de gevoerde economische politick en het gebruikte macro-economische model. Het ging overigens om de in de Centraal Economische Plannen gepubliceerde voorspellingen en niet om de modelvoorspellingen als zodanig. Zoals bekend zijn de voorspellingen in het CEP niet de pure modeluitkomsten ---voor -d-e endogene variabelen. Deze worde~-;-na-beoordeeld te zijn op hun plausibiliteit en na eventueel rekening te hebben gehouden met de tekortkomingen van de modelvergelijkingen, gecombineerd met a1 dan niet gekwantificeerde, niet-modelmatige informatie. Een onderzoek naar de kwaliteit van de CPB voorspellingen is dus een onderzoek naar de bekwaamheden van de aldaar werkende voorspellers, die o.a. van een of meerdere econometrische modellen gebruik maken. Ret genoemde onderzoek uit 1978 c.s. leerde o.a. dat: - de toekomst van de Nederlandse economie door het CPB niet perfect wordt voorspeld; - de kwaliteit van de voorspellingen sedert de tweede helft van de jaren zeventig geen verbetering meer laat zien; - de groep externe variabelen, zoals wereldhandel, invoerprijspeil en concurrerend uitvoerprijspeil relatief de gerin~ste voorspelfouten laten zien; - binnen de groep doelstellingen van economische politiek de inflatie het best, en het saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans het slechts wordt voorzien; - de investeringen van bedrijven een zeer moeilijk te voorspellen grootheid zijn; - de middelen van economische politiek, in de vorm van de autonome bestedingen en de liquiditeitsquote, een zeer onbevredigende voorspelkwaliteit vertonen. Zoals gezegd is op de voorspelmethodiek van het CPB herhaalde malen kritiek geweest. Deze was van verschillende aard. Zo is bijvoorbeeld van de zijde van de vakbeweging wel gesuggereerd dat het CPB de loonsomstijging per werknemer systematisch zou onderschatten. Oak in linkse politieke kringen worden de CPB voorspellingen met argwaan bekeken. Dit is kritiek in de sfeer van "het complot", nl. van CPB, werkgevers en rechtse politici tegen de werknemers.

43

Het eerder genoemde systematische onderzoek naar de voors~elcapaciteiten.van het CPB bevestigt zo'n complottheorie n~et. Overschatt1ngen en onderschattingen van de variabelen WlRSe~en elkaar af, omslagpunten worden vaak bevredigend voorz1en en de loonvoet en het inflatietempo behoren tot de best voorspelde grootheden. Natuurlijk zijn de voorspelproblemen in de loop van de jaren zeventig toegenomen vanwege de wisselkoersproblematiek, de twee oliecrises de . wem1g standvast1ge economische politiek (35) en de toegenomen instabiliteit in het investeringsgedrag van bedrijven.

.

Kritiek kwam ook van de zijde der econometristen. Dat was aanleiding om GRECON te construeren en daar elk jaar voorspellingen mee te maken en die te publiceren. (36) In feite gaat het hierbij om kritiek op de voorspelkwaliteit van de CPB modellen. Toch wijken de GRECON resultaten niet schokkend af van die van het CPB, zodat onduidelijk is wat met GRECON is aangetoond. De wat zwakke economisch-analytische inhoud van dat model maakt het vooralsnog minder geschikt om er varianten mee te berekenen, En dat is toch ook wat het CPB naast het voorspellen steeds beoogt. De pnar MonctnriRten die Ncdcr.lnnd kent, hchhcn ook nogal eens de staf gebroken over de voorspellingen van het CPB. Zo claimt Bomhoff (1979) dat de monetaristische modellen de inflatie in Nederland aehteraf beter voorspellen dan die van het CPB. Eerder verklaarden Korteweg en Bomhoff dat ze dat ook vooraf beter konden, maar na een artikel over deze materie werd, althans wat dit betreft, niet rneer van hen vernornen. Stil zaten ze echter niet. Bomhoff bond de strijd aan tegen, wat hij noemt de grote modellen. "Hoe nuttig econometrische modellen ook kunnen zijn voor het achteraf in kaart brengen van de economische ontwikkeling en voor het toetsen van economisch-theoretische hypotheses, als het gaat om het voorspellen op wat langere termijn, of om het berekenen van de gevolgen van koerswijzigingen in de economische politiek, dan is de waarde van de bestaande grote econometrische modellen nul komma nul. In navolging van de Amerika:mse R.ntione>le-Verwachtingcn School hebben mijn collega Pieter Korteweg en ik zelf dit punt herhaaldelijk benadrukt voor de Nederlandse economie." (37) Hij voegt hier aan toe dat de neo-klassiek geinspireerde kleine modellen "de historische ontwikkeling voor inflatie en economische groei zeker zo goed traceren" als de grote Keynesiaans geinspireerde modellen van het CPB. (Verder acht hij deze modellen inconsistent en verkeerd gespecificeerd, zie hierna). Bomhoff zegt hier dus met zoveel woorden: omdat kleine modellen het verleden van de Nederlandse economie zeker zo goed genereren als grotere modellen is de waarde van grote modellen nul komma nul bij het voorspellen en het analyseren van de Nederlandse economie. Dit is een merkwaardige en weinig overtuigende manier van redeneren orndat "deze conclusie" dan per dcfinitie ook voor de kleine modellen zou moeten gelden. Als ze namelijk ongeveer even goPd ?.ijn, dan zijn ?.e ook even slecht. Overigcns is het onjuist om de voorspelmogelijkheden van modellen af te meten aan hun vermogen om het ver[eden te genereren. Bomhoff zou tegenover zich~elf en de lezer best wat duidelijker kunnen zijn in de trant van: "ik heb als monetarist en als bewonderaar van het vrije behoefte aan model het ~·---~-~~-----------

44

all ocatiemechanTsme uitgebre s beschreven. Verder heb ik eigenlijk ook gecn behoefte aan gedetailleerde voorSflt>ll inp,Pn, w:mt rrl n hPt marktm<'chani sme p,oed werkt en de geldgroei door de monetaire autoriteiten goed beheerst wordt, dan is er geen econornische politiek nodig. Dus ten behoeve daarvan hoef ik ook de toekomst niet te kennen." Dit is tenminste een duidelijk standpunt dat, wat mij betreft, meer respect afdwingt dan de verhullende betoogtrant die nu wordt gehanteerd.

Analynerrn Nadat lange tijd de analytische werkzaamheden van het CPB in de vorm van het verschaffen van informatie over alternatieve beleidsvormen (spoorboekjes) als vanzelfsprekend waren aanvaard, ontstond daarover in de jaren zeventig een discussie. Aanleiding daartoe waren een CED rapport en een CEC nota uit 1977, waarin spoorboekjes werden gepresenteerd die gemaakt waren met een Vintaf II, een model dat toen nieuw was. Naast irnrnanente kritiek op dat model zelf, ging het in de discussie over het analytisch gebruik van modellen bij de beleidsvoorbereiding. Er werd geconstateerd dat de problemen waar de Nederlandse econornie rnee worstelde voor een belangrijk deel waren terug te voeren op tekortkorningen in onze economische structuup en onze economische orde. Daarom werd het ongewenst geacht dat de belcidsvoorbereiding in belangrijke mate steun~op de mechanische toepassing van een model dat, naar de mening van de critici, op gebrekkige wijze het eaonomisch pPoces weergaf. Het gebruik van Vintaf II in 1977 bij het aantreden van een nieuw kabinet zou overijld hebben plaatsgevonden. (Vergelijk in dit verband de plotselinge introductie van berekeningen met het dan nog niet gepubliceerde model Freia tijdens de kabinetsformatie in oktober 1982). Er werd een open en brede discussie over de vraagstukken van econornische politiek bepleit, zodanig dat uiteenlopende concept1es zoals die in de vier eerder genoemde scholen bestaan, tot zijn recht zouden kunnen komen. In een sarnenleving die zich baseert op samenwerking en overleg werd een ruime informatievoorziening over de economisch-politieke mogelijkheden essentieel geacht. Daartoe zouden zowel met een bepaald model verschillende alternatieve beleidsprograrnma's kunnen worden onderbouwd, als rneerdere rnodellen, waaronder sectorale, kunnen worden ontwikkeld. Verder werd gepleit voor een ruimere inforrnatieverschaffing ten behoeve van het econornisch beleid in die zin dat meer gedetailleerde, directe waarneming van economische sleutelvariabelen gewenst was, ter aanvulling op de traditionele economische macro-econornische tijdreeksen. Tevens werd gewezen op de beperkte mogelijkheden van de omkeePbaaPheid der economische ontwikkeling. Spoorboekjes zijn geen onweerlegbare feiten, maar zijn de neerslag van een specifieke stiZePing van de gemiddeZde economische ontwikkeling die zich in het VePleden bij een bepaaZde organisatie van het economisch systeem heeft voorgcdaan. Hieruit kunnen zeker niet zonder meer beleidsrecepten voor de toekomst v·orden afgelezen. De beleidsvoerders werd, al met al, vooringenomenheid verweten in de zin van "conventionalist behaviour". Culbertson zegt daarover: (38) "It is clear that economic policy actions generally are not available for unlimited use without side effects, nor fully able to achieve all of their goals. Yet the side effects or costs and opportunity costs of any such policy actions commonly are not considered systematically. In practice, certain

45

conventional or habitual policy instruments are treated as if they were a free good, while alternative policy actions commonly are not considered at all. The approach is conventionalist, rather than analytical. Such an approach leads to failure to define optimal policies, leading to errors of the kind that it is the role of theory to prevent." Het kostte de wetenschappelijke wereld, de beleidsvoerders en het CPB duidelijk veel moeite om met het bovenstaande volledig mee te gaan. Er is heel wat over gediscussieerd en geschreven. Van Monetaristische zijde werd op een volledige verwerping van de CPB modellen aangedrongen, iets wat de critici uit 1977 bepaald niet hadden bepleit. Bomhoff beriep zich daarbij op de bevindingen van de Amerikaanse Rationele Verwachtingen School: (39) "De economisch-historische capaciteiten van de modellen van bet Planbureau kunnen dus niet gelden als grond voor vertrouwen in de toekomst-scenario's die met zo'n model worden vervaardigd; de enige andere basis voor vertrouwen die ik kan zien is de claim dat het model op een solide en consistente theoretische fundering berust, maar wat dat betreft zijn de kleine, neo-klassieke, op rationele verwachtingen gebaseerde modellen op systeem-theoretische gronden in bet voordeel hoven de ad-hoc samengeknutselde grote modellen met hun honderden onder ling inconsistente vergelijkingen." Wat deze inconsistenties precies zijn, wordt ons onthouden. Bomhoff gaat verder: (40) "Naast deze algemene scepsis over de theoretische fundamenten van de bestaande grote econometrische modellen, is er nog een extra reden om te twijfelen dat zulke modellen iets kunnen zeggen over nieuwe maatregelen in de economische politiek. De kritiek oorspronkelijk ontwikkeld door Robert Lucas - komt er in essentie op neer dat een traditioneel econometrisch model aileen iets kan zeggen over de toekomst zolang noch consumenten noch investeerders noch exporteurs andere gedragslijnen gaan volgen dan in het verleden. Praktisch alle niet-triviale veranderingen in de economische politiek moeten echter impliceren dat consumenten, investeerders etc. zo intelligent mogelijk hun gedrag aanpassen. Wanneer het gedrag inderdaad verandert, bijvoorbeeld omdat de koerswijziging in de economische politiek tot meer of minder optimisme over de toekomst aanleiding geeft, vervalt tevens de mogelijkheid om met een econometrisch model dat nog het oude gedrag representeert iets van waarde te zeggen over de nieuwe situatie. Graag verwijs ik naar de boeken van Lucas, Lucas en Sargent, Sargent, Fisher en Barro." OVer de fundamentele kritiek die op de Rationale Verwachtingen School is geuit en over de specifieke veronderstellingen die aan zijn denken ten grondslag ligt wordt verder gezwegen. De problematiek van ons land is Bomhoff immers geheel duidelijk, daar heeft hij het CPB niet voor nodig:

46

de collectieve sector is te groot, de marktsector te klein, de lonen zijn te hoog en de winsten te laag. De oplossing van al deze problemen is voor hem ook duidelijk: bezuiniRen op de collectieve uit~aven. "Grote rekenmodellen zijn waardeloos bij hct cvalueren van serieuze ombuigingen. Waar het hier om gaat is dat er weliswaar een groot econometrisch model wordt gehanteerd om de uitgangspunten van de deskundigen bij het Planbureau te vertalen in exact aandoende projecties voor de economische toekomst, maar dat de geloofwaardigheid van die projecties met geen jota toene~mt omdat de computer tachtig onsamenhangende vergelijkingen in tachtig onbekenden heeft opgelost." Wederom valt hier de zwakke, niet wetenschappelijke w~Jze van redeneren op. (41) Er zou van alles en nog wat zijn aangetoond en bewezen. Waar het in feite om gaat, dat is dat het marktmechanisme in de werkelijkheid niet perfect functioneert. Het voert te ver hier een gedetailleerde uiteenzetting over te geven, maar men denke onder andere aan de invloed van economische machtsposities, de rol van vertragingen, onvolledige informatie, ongelijke interpretatie van informatie, het ontbreken van vrije toetreding op markten, dumping, heffingen en subsidies in het kader van de E.E.G. en institutioneel bepaalde prijs- en loonvorming. (42) Monetaristen geloven dat als deze belemmeringen worden opgeheven er volledige werkgelegenheid zal ontstaan en een ongestoorde economische groei. Modellen zijn dan niet nodig om de wereld te begrijpen en te beinvloeden. Er wordt, geheel volgens d.e Neo-Klassieke traditie, normatief geredeneerd. Monetaristen moeten deze mooie wereld bepleiten als ze daar zin in hebben, maar dat heeft op zichzelf niets te maken met "grote CPB modellen". De kruistocht tegen deze modellen kan de wereld niet veranderen. Daarom doen Bomhoffs verhalen aan een gevecht tegen windmolens denken. Het gebr>uik van modellen Naar aanleiding van de discussie over de vooringenomenheid van beleidsvoerders en CPB kan nog het volgende gezegd worden. Misschien lag wat dit betreft het accent van de discussie in 1977 in zoverre verkeerd dat er te weinig oog bestond voor de adviseurstaak van het CPB. De twee onder-directeuren van dit bureau, Den Hartog en Weitenberg, zeiden in 1978 al een brede technische verbetering van de verschillende beleidsmogelijkheden niet zinvol te vinden "tenzij bet uitdrukkelijk erom gaat de deelnemers betrokken bij het economisch !even, te WlJZen op hun onjuist of onwenselijk gedrag ('moral persuasion')". (43) Dit veronderstelt dus een idee over juist en wenselijk gedrag en dus een duidelijke visie op het economisch systeem en de kwalen waaraan dat systeem leidt. Hier wordt dus met zoveel woorden gezegd: het CPB heeft een bepaalde kijk op het economisch proces, modelleert deze zo goed mogelijk en houdt zich verder niet op met alternatieve visies op het economisch beleid. Deze zienswijze sluit goed aan bij de recente beschouwing van Schultze over de taak van een overheidsadviseur. Hij zegt: (44) "An economist who is still so uncertain about how the world works that he cannot choose among widely differing points of view ought not te be an economic adviser ( ••. ). Moreover, the economist, from whatever

47

school, is likely to have a coherent view of how the world operates ( .•• )" ( ..• ) the economic adviser should vigorously participate in the whole gamut of policy debate, but should never lose sight of the prime reason for being there - to give professional economic advice, not watered down in advance by his own political judgement." In dezelfde trant heeft ook Van de Beld zich uitgelaten. Zijn interessante opmerkingen worden hier vanwege hun grote betekenis uitvoerig geciteerd.(45) "Het CPB is dan geneigd de cijfers te laten spreken en te laten zien langs we.lke weg verbetering mogelijk is, waaruit advisering volgt. We nemen nu aan dat de 'policy maker' overtuigd raakt van de redelijkheid van de argumentatie en de lijnen van het advies volgt. Dan kan worden gezegd dat er invloed van het CPB is uitgegaan op de besluitvorming. Deze invloed is des te groter ingeval de 'policy maker' aanvankelijk een andere opvatting had over het te voeren beleid. De invloed is gering, zo niet nihil, indien hij eerder tot dezelfde conclusie was gekomen. In dit laatste geval is er slechts parallelliteit van opvatting, hetgeen nog eens doet uitkomen dat elke conclusie uit het verleden omtrent de feitelijke invloed van het CPB met de nodige relativering client te worden bezien. Het essentiele element in dit voorbeeld is dat de 'policy maker' overtuigd is geraakt van de redelijkheid van de argumentatie. Dan heeft het bureau geen macht, maar invloed op de besluitvorming. In de praktijk zal dit er veelal op neerkomen dat de uitkomsten van het model dat het CPB hanteert, als leidraad worden aanvaard. Het model moet dan wel, zoals eerder werd opgemerkt, begrijpelijk zijn en doorzichtig. Is het een 'black box', met mysterieuze uitkomsten, dan is redelijke argumentatie niet mogelijk. Niettemin blijft de vraag of dit niet een naieve voorstelling van zaken is, en of in het adviseringsproces niet machtselementen liggen verscholen. Het CPB opereert immers vanuit zijn bestaande kennis omtrent de werking van de economie. Die kennis is betrekkelijk: modellen worden - zoals eerder werd geconstateerd - aangepast. Maar dit gebeurt geleidelijk, en het is zeker zo dat zij op dit punt (van kennis) ten tijde van de advisering niet worden aangepast. De 'policy maker' kan daarin een machtselement zien, heeft tevens onvoldoende mogelijkheden tot tegenspel, ook al kan hij de argumentatie van het CPB begrijpen. Dan is er dus sprake van een zekere asymmetrie: wat het CPB als zijn normale taak beschouwt, informatieverstrekking op basis van bestaande kennis, kan anderzijds als macht worden ervaren. Het spreekt vanzelf dat het CPB niet zegt dat een of meer samenhangen ook anders kunnen zijn. Dan wordt teruggekeerd naar de 'praateconomie' - die Goudriaan zo verachtte - terwijl de vermijding daarvan juist een essentieel element van de werkwijze van het bureau is. Hetgeen niet wegneemt dat over de inhoud van modellen voortdurend verder moet worden 'gepraat', intern en extern. Toch, zo moet worden opgemerkt, gaf het gehanteerde voorbeeld nog een te simplistische voorstclling van zaken. Want er werd gezegd dat het CPB kan laten zien onder welke voorwaarden het beter zou kunnen gaan met de economie. Wat 'beter gaan' inhoudt, staat echter niet zonder meer vast. Dit is afhankelijk van de mate waarin aan beleidsdoelstellingen

48

wordt tegemoet gekomen. Deze kunnen - zeker op onderdelen- van kabinet tot kabinet nog aanzienlijk varieren. Hier liggen politieke voorkeuren die buiten het gezichtsveld van het CPB vallen. Het bureau moet dus in het kader van de bestaande beleidsvoorkeurf'n rapporteren. Daaruit kan blijken dat atm alle doelstell ingen langs verschillende wegen kan worden voldaan. Daaruit kan ook blijken dat op sommige punten siechts gedeeltelijke realisering mogelijk is, waaruit beleidsombuiging kan resulteren. Een derde casuspositie is, dat realisering van zoveel mogelijk doeleinden slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan worden geeffectueerd. Gedoeld wordt in dit laatste geval op omstandigheden die een verandering in instituties impliceren of, sterker gezegd, een verandering in het bestaande systeem van economische ordening. Dan is er, toch, aanleiding tot aanpassing van het model, dat immers - zo wordt wel gezegd - historisch armoedig is, uitgaat van ongewijzigde institutionele omstandigheden. Loonstijgingen - om een voorbeeld te noemen - of onderdelen daarvan kunnen via een nieuw instrumentarium een meer exogeen dan endogeen karakter krijgen. Het CPB kan daarover zijn twijfels bebben - wegens de invloed van de markteconomie - maar kan het evenmin ontkennen. De modelaanpassing geschiedt dan niet op basis van verworven nieuwe inzichten in de samenhangen maar op grond van institutionele veranderingen waarvan de gevolgen in bet model worden ingevoerd, betgeen uit een oogpunt van kwantificering niet altijd even gemakkelijk is. Met of zonder veranderingen als biervoor bedoeld, altijd resulteren er verscbillende mogelijkheden voor de beleidsvaststelling, waarbij de 'policy maker' degene is die kiest. Nogmaals blijkt hieruit dat het CPB in dit opzicht geen macht heeft, en het is evenzeer duidelijk dat ook zijn invloed niet anders dan beperkt kan zijn. Anderzijds blijft het waar dat de 'policy maker' - althans bij raadpleging van het CPB - in zijn beleidskeuze wordt begrensd. Daarin kunnen, zoals is gezegd, elementen liggen verscholen die als macht worden ervaren. Daaraan kan worden ontkomen door het bureau niet te raadplegen. Het bureau kan het echter niet anders zien dan dat juist in de afbakening die aan de beleidskeuzen wordt opgelegd, de normale uitoefening van zijn taak tot uitdrukking komt, 11 In het licht van het vorenstaande is het interessant om te vernemen dat "Medewerkers van het CPB regelmatig onder druk worden gezet of cijfermateriaal en analyses te veranderen zonder dat daarvoor zakelijke of wetenschappelijke argumenten worden aangedragen." (46) Enkele malen per jaar zou er sprake zijn van geslaagde beinvloeding, maar een algemeen en systematisch streven tot beinvloeding zou niet plaatsvinden. Deze laatste conclusie waag ik ecbter te betwijfelen. In par. 4. hebben we gezien dat bet CPB twee belangrijke groepen beleidsvariabelen, de autonome bestedingen en de liquiditeitsquote, systematisah verkeerd schat. Hoewel zich hier meerdere potentiele verklaringen aandienen, lijkt mij een belangrijke rol te spelen dat de achtereenvolgen-

49

de regeringen de volumegroei van de autonome bestedingen steeds hebben overschat. Omdat het CPB onderdeel van het overheidsapparaat is, kan het bureau blijkbaar toch niets anders doen dan overheidsvoornemens op dit punt overnemen, ook al heeft het CPB zelf een andere mening. Evenzo lijkt het erop alsof het CPB tegenover de Nederlandse Bank geen zelfstandige houdinr; kan of I.Yil aannemen. Er is sprake van systernatische fouten als het gaat om de raming van de liquiditeitsquote in een volgend jaar. Zelden ziet men dat de CPB (De Nederlandsche Bank?) voorspelling op dit punt meer dan een half procent punt naar boven of beneden afwijkt van hetgeen als laatste realisatiecijfer voor de liquiditeitsquote wordt gezien.

1.5. Enige conclusies In ons land spelen rnacro-economische modellen een rol in de economische poJitiek. Aan de hand van ti0n fasen die in de beleidsvoorbereiding kunnen worden onderscheiden heb ik duidelijk proberen te maken dat deze modellen een zinvol analytisch hulpmiddel kunnen zijn. Ons land behoort zeker tot de landen waarin bet gebruik van economise he modellen (. •. )"is integrated in the decision-making progress itself in the relevant ministries or divisions of government". (4 7) Na een aanduiding te hebben gegeven van methodologische vraagstukken die zich bij het maken en toepassen van modellen voordoen, vond er een glohale typering p1nnts van de macro mocle11en vnn het CPB die zo'n hclanp,rijke plaats innemen in de beleidsvoorbereiding hier te lande. Belangrijk is daarbij dat het CPR zich veel moeite getroost het allocatiemechanisme te modelleren in een economisch systeem waarin zowel vraag- en aanbodfactoren zijn opgenomen, en waarin vooral het economisch proces is weergegeven. Dit laatste is verklaarbaar gezien de beperkte aandacht die er in het economisch beleid bestaat voor de economische structuur en de economische orde als mogelijke oorzaken van economische problemen. CPB modellen vertonen een duidelijke signatuur, evenals de daarrnee samenhangende advisering over het economisch beleid. Dit is ook wat van een adviseur verwacht mag worden, maar het neemt niet weg dat er ook andere visies op de werking van het economisch systeem mogelijk zijn. Deze komen in de officiele beleidsvoorbereiding niet tot zijn recht. In tegenstelling tot de Monetaristen die het liefst het gebruik van de CPB modellen ten behoeve van voorspelling en analyse van de Nederlandse economie beeindigd willen zien, ben ik van mening dat de werking van ons soort economisch systeem, met zijn imperfect marktmechanisme, vraagt om een inzicht in de allocatieve details daarvan. Het ligt dan voor de hand dit inzicht ook te hanteren bij het voorspellen van de toekomstige ontwikkeling. Maar nadrukkelijk met de aantekening dat causale voorspellingen verbeteren als ze worden gocornbineerd met niet-causale methoden, Met Samuelson moeten we concludl•r<:•n dat voorspellen niet aileen Pen wPtPnschap is (zoals de Honctaristcn ons willen doen geloven), maar bovenal cen kunst. (48) Welke tekortkomingen onze voorspellingen ook vertoncn, het alternatief van nietvoorspellen is weinig aantrekkelijk in een maatschappij die vanwege de innerl ijke instabi 1 iteit van de m;:trkt-

_______ ______ ..,

S<'ctor 7.0 onvolm:1:1kt .,

funrtionf'f'rt.

50

Omdat~het nie-t-gewenst s dat de economische politiek uitsluitend op het kompas van een model en een voorspellend instituut vaart, dienen er mijns inziens meer onderzoekmogelijkheden en dus financiele middelen te komen voor universitaire en andere instituten. Gezien de druk die ook binnen het overheidsapparaat op het CPB wordt uitgeoefend, is het gewenst dit bureau wat dit betreft meer te beschermen, door het een grotere mate van onafhankelijkheid te verschaffen en het bijvoorbeeld rcchtstreeks onder de supervisie van het Parlement te p l.::w t sen • Uit dit referaat is hopelijk duidelijk geworden dat er nog het een en ander aan onze macro-economische modellen te verbeteren is. (49) Zo valt te denken aan meer sectorale disaggregatie, een grotere aandacht voor de invloed van onevenwichtigheden en verwachtingen, een uitgebreider monetair blok, het opnemen van wisselkoersdeterminanten en het beter specificeren van de inkomensverdeling. Verder kan melding worden gemaakt van het streven om het overheidsgedrag te endogeniseren door rekening te houden met politieke en machtsinvloeden in de maatschappij. (50) Er is nog een lange, maar interessante weg te gaan.

LiteP'1hV
v.d. Beld, C.A. (1979), "Het Centraal Planbureau: ZlJn invlned, zijn macht en zijn onmacht" in W.M. v.d. r:oorhPTP.h r>.rt. • Ot'rr Uu .. 1Jt t"f1 Wr•l r"n 1u'l h•rrr;ntrd~v·lt (,',•l•rln~~-~/ 1 l.t•ir1Pn blr.. t,q-16. de Bcus, J. (19RO), Econnmi;•tohr! formatifl voo1' politici: een

Driehuis, w. en A. v.d. Zw~tn (1978), De Voorhe1'ili..-n. 1

e
llomhoff, ~: ..!. ( 1979), lnflat.ion, thl' Quani"Uy 1'heoMJ and

Rational P.xpe!'t.aHonB, Nijmegen. Bomhoff, E.J. (1982), De kunst van het bezuinigen, Rotterdam.

CED (1981), Economische groei

1:>1

de ja»en tachtig, Den Haag.

Cnl ir, K. (19112), "Econom<'trie bouwt niet mcer d~tn luchtkestelen", NRC, 7-1-1982.

Driehuis, w. (1980), On Dutch Fconomic Potktor~, niet gepuhl ireerde pap"r voor een conferentie over F.mployment Policy and Employment Theory, Groningen. v11n f)uur .. n, C. en K. Kamp (1982), "Pianburt'RU klaar met nieuw rekenmodel", F.conomiscl, Dagblad, 28 juli, P• 1. Eichner A.S. en J.A. Kregel (1975), "An Euay of PostKeynesi;n Theory: A new Paradigm in Economics", Journal of r~·onamh• LitemturP., Vol. XIII, pp. 1293-1314.

Elte, H.C., R.F. Hochheimer, W, Kuiper en C.L. Worms (1'l7R), "fl~ kwnl iteit van de voorspellinp;t'n van h<'t !:rntraal Planbureau", E:SB, 1978, pp. 873-879.

Cral!lf'r, .J.S. (1982), "Bij beleidsvoorbereiding kan de Econometrist niet worden gemist", NRC, 20-1-1982.

van Eyk, C.J. (1q79), "Ontwikkelin11en in dt' voorbecr<>idinll van de Nederland"'' <>conomische politiek", MaandRchr-ifl, F:<"rmnnr(r>, blz. 50S-526.

Culbertson, J.M. (1971), Maa»o ecnnomic Theory and Stabilization Policy, Ljubljana.

Graafsma, c. ( 1982), "Centraal Planbureau wordt gemanipuleerd", De Volkskmnt, 14 juli, p. 2 •

.v.d. Doe!, J., c. de Galan en J. Tinbergen (1976), "Pleidooi voor een geleide loonpolitiek (I) en (II)", PSFI, ·pp. 264-268 en 828-831. v.d. Doel, J.,

w.

Driehuis, B. de Gaay Fortman, H. Thoma~

f'O C. flr .lnnp,h (1Clfl7), t:~·nnn.,,;,.

in

,,.t'r·J.·~·tt,l~·llrf,f.

tt .. c~l 11.

Oe Maatschappij, Groningen. Driehuis,

w.

(1972), FZuet1
Pul.l employment Paonomy, Rotterdam. 8

Driehu is, w. ( 1977 ) , "Enige Opmerkingen over het Karak ter van de Macro F.conomische The.orie e.n haar 'Betekenis voor de Economische Politick", in W. Driehuis (red.) Fcnn~iaehe Theo»ie en Economiech~ PoZitiek in !>1::f'l'Jlftn1.;', Leide:n. nri<-huiA, w. ( 1977b) t HMArro-economische voorspel t in~rn at. nchtergrond van bedrijf.sprogno"""", In l'l'r'!I"O"""• i.Pndenz
Hanken, A.F.G. (1974), "General Systems Theory, An OVerview", Mr>thodoi.Of!Y and S!'ienrJe, VoL 7, nr. 3, pp. 97108. Hm'~""•

A.r.C., (1Q76), Tn1ri,lf~i1 f1•l d•• ·"!lnfl'r>mlrorr, l.rl

den. Howard, M. en J. King ( 1975), ThP T'oUti,.al F:connmy of

Mar>x, New York. Johansen T•• (1982), P.r!onoTTif'tr1:a Morlr/.n and F:crmomi<' P/ann-itlff: 'rt'•·rrdrt at1d Prol•it•mt~. Pnprt vnor 1lr ronf('"rt"tlt ir ter gelegenhcid van het 25-jarig jubileum van het Econometrisch Instituut, Rotterdam. Klant, .T • .J. ( 19 78) , Spe l1'P(Jf' lR t>ooro eaonol1!<'n, I.e iden. Klnnt, J . .J. (1982), "Onn<'tuwkcurig ma~tr h~t('r''• t~ puhli<"cren in MAB.

51

De Kle;.k, .R.A. (~982), "Over Stromingen in het Economisch Denk<'n , tn M. Smt en H. Verbrup,gen, F.r>onomt'n over' rT'i~~rn,

AmstPrdnm.

Kooyman, M.A. e.a. (1979), "Het Grecon-Model 77-A voor de Nedf'rlnndftf' F:conomie", fSB. blz. 309-311. MalinvRud, E. (19RI), "Econometrics FacE'd with the N!'eds rtf Mn('ro E(•nnondr· Poli('v". F'f•r,n•'mt•ft•t',~.1 Xl.rX, l'P•

t1f1 1-

137S.

Mayer, Th. (1975), "The Structure of Monetarism", in Kredir. und Kapitd, Heft 263.

Pen, J. (1981), "On F.decticism,,.or We are (~lmost) all Neo-Classical-Neo-Keynesians now , Dr: Economt.Bt, Vol. 12<), pp. 127-150. Samuelson, P.A. (1974), "Lessons from the current Economic Ex pans ion'', Amer>ie'an Rcon.omir! Ret1iPtJ LX tV, pp. 75-77. v. Sch:dk, A.B.T.M. (1978), "Neo-Keynesiaans en Neo-Klassiek'\ in W. nriehuis en A. v.d. Zwnn (red.). DP Vnorbrtvn>ling van het et?onomisch beleid kr?:t-isch bezien, Leiden. Schultze, C. (1'lB2), "Th" Rol~ ~nd ~esponsihiliti•s of the Economist in Governmentn" Amer-1:ean F:~onomt:c He view. ·May, pp. 62-66. Schumpeter, J.A. {1949), "Science and Ideolop,y", American ['.'.~on.omJ~(' Re1;1:r•M,

M:trch.

5chumpcter, J.A. (1954), History of Eocmomic Analysis, London.

15. Tinbergen (1956). 16. Zie CED (1981). 17. Zic ook

o.,

1<1rrk (1?82).

18. Zie Driehuis (1972).

19. Zie Klant (1982). 20 .. Voor cen uitvot>rir,er uitel"n7.C'ttinp. ovt"r de he7.WArC'n i:egen niet-causale voorspelmethoden zie Driehuis (1977b).

21. Voor bijzonderheden r.ie Driehuis en Vander Zwan ( 1978). 22. In dit verhand moet ook de stroom onderzoekresultat~n worden genoemd die onder leiding van Fase op de Nederlnndsche Bank tot stand kwam. 23; Zo ontwikkPide de SF.O, Stichting voor F.conomisch Onderzoek der Univcrsiteit van Amsterdam, in de afgelopen jaren een viertal sectoralc modellen; SECMON-A, dat r.ijn diensten heweest t.b.v. het WRR rapport: Verm:r>>/'Jt.f'l ( 1982), Sf.CMON-6, dat t.t(>rd p,.Phntikt t.h.v. h(1t WRR-rapport: f'7,u71:t ,,, Tr'r'/.·1'!'!0:1 !loft 1/1· .'Vr•,!,Tfrlndnt· lnthnrfJ•i;• (1980), SECMON-C, dat diende om berekeningen te maken ten b~hoeve van het CF.-~cenario, in h!!t kndcr van df" P,MD en SHF.T.TEX. waarmee voorspellin~en werden gemaakt ten behoeve van h<>t Elll-rarport over de economise he voorui tzichten voor zes Europese landen, 1982-1987.

25. !l<' Bru• (19AO). Tinberr,en, J. (1956), E:aonomia Poiicy, Princif'tPR an1 Design, Amntl"rdnm. Tobin, J. (1977), "How Dead ia Keynes?", E:aonomio ln({ll'il"y, 0<-toher, pp. 459-468. Verdoorn, P. J. ( 196 7), "The Short-Term Mod•l of the C<'ntra l Plnnning Bureau and its Forecastinp; 1'~rfo"""'n~e ( 19531963)", in ron.gtl"twtion and proatieaZ applicatir>n of macro-

i'C'Onomic models for purpos11s of eoonomic planning (programlfrinq) and poUcy rmking, United Nations, Geneve. v. \linden, F. ( 1'l81), On thP Tntl?mr>l.h"' I>~Jh,>Prn !>latl" and lT1:1}(lte Sfl'c-tor, diss. Leiden.

2fi. v.d. Doel e.a. (1976), 27. Verdoorn (1967). 28. Zie voor ern uitgcbreld.,re uit<'enzettinR Drlehula (1980). 29. I' en ( 1961) za l danrover, denk ik, een and<>re men in~>. hebben.

30. v. Schaik ( 1978). 11. nomhnrr ( 1<17'1).

32. Zie Driehuis en Van der Zwan (1978). 33. Van nuuren en v.d. Kamp (1982). L

1n tlit

t·rff'rnfll wnrtit dtt tf'rm mnr·ro .... ~ronnm{;tdtf' morl,.l

len ruim opgcvnt, in diE' zin dnt in bt.•glnscl ook St't''""' torale model len dnaronder begrepen zijn. Verder wordt ~esprok~n over economische en niet over economctrisch~ modellen. Niet alle modellen die bij de beleidsvoorhercidinR en beleidsdigcussie• worden gebruil
"V•.

Zir 1-:1 t .. "·"· ( 19711).

35. Van Eyk ( 1979) wij st op dit laatRte punt. 36. Kooyman c.s. (1979). J7. Romhof[ (1q82), p. 5.

38. Culbertson (1971), btz. 381.

2. l!nnkrn (1971.).

39. Bomhoff (1982), p. 5.

3. Hanken (1976).

40. Bomhoff (1982), blz. 6.

4. Schumpeter (1954), P· 349.

41. Tt>rdjde zij opgemerkt, dater bij een vertraging va•l de economische groei altijd over bezuinigingen gepraat 1..1! worden. Grote mod•tlen ht>hben hier nietR mer te

5~

Schumpeter (11'149), P· 42.

m
fl. Kl.•nt ( 1'l7B).

"2. Zic ook

r.r.n

(1981).

7. Klnnf ( 1'1 78). nrielmh ( 1'177n).

43. Den Hartog en Weitenberg in (1978), p. 113.

H. !lrl<>lmlo ( 1'177n).

44. Schultze (1982), p. 64-65.

9. Zie voor meer details bijvoorbeeld Mayer (1975). 4S. v.d. Beld (1979), p. 65 e.v.

10. Zie bijvoorbeeld ook Tobin (1978).

46. Graafs:oa (1982).

11. u..

?.f~H • Jnf\titutionl"le School (de hijvoorbeeld 01' 1<1 erkl (1982) is hier m<>de ond<"r he~rf'pen _

fl.

z it•

F ktmrr r•n gt.. r U i lP<'OZ('tt iny,. llH}(

Krt•J~(·l

( 1'1 /',) VO()T

13. Zie hijvoorheeld ook !lownrd

""

,..,n

uitvof>ri-

Kinr, ( 1975).

14. Zit' v.d. On£'1 c.n. (1q82) vonr me('T b i j ?ondf'rht:>ciPn.

47. Johansen (1982), p. 1. ~8.

Saruelson in ~!.1Y
p. 77.

49. Hierbij is oak de econometrie in het geding. Zie Calje (1982), Cramer (1982),

~linvaud

(1981).

50. Zie bijvoorbeeld Van Winden (1981).

52

DE ONTWIKKELING VAN EEN INSTRUMENTARIUM VOOR

PERSONEELSPLANN lNG IN HET WETENSCHAPPELIJK ONDERW IJS

J. H. G. Klabbers

J. A. E. E. v. Nun en P. G. M. de Rooij

J. Wessels

Gedeelte van rapport, vakgroep Operations Research , Afdeling Wis kunde, THEindhoven.

54

OF ONTWIKKELING VAN EfN INSTRUMENTARIUM VOOR

PERSONEELSPLANNING IN HET WETENSCHAPPELIJK ONDERWIJS

Ten Geleide

Oe ont:wikkelingen binneu het hoget· onderwijs gaan reinen mt!t t>roblcn•en gcpaar\J; Jaarunder

'""'"'t

l>p

ccu danl;;JI

tcr~~

hct l>dcid en l>da:~:r

van personeel nict de minste plaats in. Teneinde een onderzoek in te stellt!n naar <.It! werkiug van t>ersoJhHdssystemen. in het hogt::r onderwijs en et!n inslrumculuritun rc outwcrpeu ten behoeve van bel.:idsoutwikkeling op di

1

terrcin, ili de projectgrocp

personeelsplanning boger onderwijli in ht!t leveu geruepen (afgekort: p.p.p.). lle projectgroep dient, zo luidt de opur
en uitgeteste modellcn '" outwt!rpcn lllt!L bd•ulp waarv<~u Lc-

leidsn.atige sturing van t•ersoncclssysl€ru
lende nivo's binuen hel huger ondcrwijs. '!'evens zal de l>rojectgr·o.,p dicnen aan tc geven wclkc .Je mogelijkheden voor onLwikk•duc

in~trumcnt~rimn

to.;p~ssin!S

van hcL

zijn; 1.wis van""" .Hmtal proef-

el
O. UII.EliJING.

ll•

1

\·Jt'l,·n·;d,;tpJH'I i ik ondrorwij~ ht•f'fl dt* af_gplnpf'n twintig jaar grote vern.n-

"' rtnl~i'lt nnofprgaml. Tot"ll in dr! i;lnt·irlcn

ntll'"""t(lf1

j;lrPn 7.P~tig studcntrrHHtntallen in snel tempo

flf' unlvr>r~;il_eiteu C'O hogpsr-hnif'tl nllt" ?.f:'ilen hijzetten om

deze toestroom te kunnen o1•vangen. Kleine insti tuten met een kleine statbezetting groeiden uit tot middelgcot" organisaties. ~:en staf van 100 o( meer wetenschappelijke medewerkers per instituut of sul>faculteit wcrd e ... n normaal verschijnsel. Tijdcns dcze snelle groei in stu.!cntenaantal1un die

zich in de zeventig"r jarcu vourlzetle, kc11dc uok de markt voor wct.:nschappelijke medewerkers een snell.: groei. l'as-afgestuJcerdcn kondcn gcuwkkelijk een aantrekkelijke Laan vin.Jeu iu hcl welcuscl&at>Jll!lijk onderwijs.

Door ingebouwde au tomatisn~t:n zag h•H loopbaanperspcc Li "f

!!I:

rOotik I cud g

uit.

55

Ten gevolge van de snelle groei en de
schaalveq~ro­

ting van de universi.teiten en bugesdmlen, wat betreft ouderwijs en onder-

zock, bleek in toenemende mate dat doelmatig en etfi.:ienl beheren van de middelen grute urganisatori:;chc probleuten upleverde. Zulang de l'iuandele mi<.ldelen in ruiuw mate
problem"n minder in het oo1;. Sinds de financicle ruintLe Jie J., in~tclling"u van het Jainistt:rie van 08\1 kregen krapt>er wcnl en de Lenu 'lu:zuiuJgen' hel

bcleid in st.n-ke mate bcpaalt, komen vee! tol dan tu" versluierdc

p1ubl.:u~om

die de organiMatie van de insLellingen betreffen in alle duid,;lljkheid te VOcze problemen hadden en hebben personeelsbeleid

i.11

srerke maLe betrckkiug up

en -beheer.

!Jour deze untwikkelingen dju in de afg
het punt iugevuerd te worden. llet aanstellingsbeleid is sterk gewijzigd en hel luupLaanbclcid

V
werkers hceft een aantal kleine ingrepen gekend. NaasL het carriercbcgiusel begint he t foruta ti ebeginse I een steeds be langri jker., ru I lt! spe I en.

lli t~::t.1ll van het <'.1rri(>rpheginse1 hetekent dal men loopbaanontwikkelingen v'"' in
in vaste diPn!=lt ~n ui tstroom ttfs nitgang~punt neemt, De &om van

''''Z•' inrliviriuPI<' ontwikkelingen leidt tot ontwikkelingen i.n de samenstel1 illf( v:m hPl. l.nt:tlp p<'rsonePl~h<'stnnd van jaar tot jaar. l)oor van "onge~,Jj j;igd

IPPph~.1nhrfpjt!" uit

"''"'"r"" """

t~ ~attn, dan w<'l dit

hij te sturen, kunnen

r,ewPo.-t(' ontwikkeling tot stand latf'n komen.

~''""'''"'-men h<·l

fn•·mllti<'beginsel hantP!'rt gnat m!'n niet uit van de indi-

vir
"I' h<'l.

w ••Hio·i(;nt mnp,elijk rr<~liscr<'n vnn de :tis wcnselijk gedefinieerde

JH'r~:one''

Is fonnnf. i P.

In"" praktijk ~al II<'Pial """ m<>ngvorm

vtlll

b<>idl' heginselen bestaan; de ont-

th>irl in de nfg<>lopen jar<'n wijst nadrukkelijk in de richting

v''"

lwl fnnn:ll iehesdusl'l. Vuortgaan ''P d<>ze wt>g kan iogrijpend<' gevolgen

II" inv .... ,;,.,, va11 tiP

w,.t TwN•··Insenstructnur in sept<'mber 1982 is een ander

vnnrl)('t' 1(1 V:lll 1:'('11 n~nrg:misnt i()~ Samen mf't d<' VPN:tf"hte terug]oor in stu-

dr'nf••nanntntlt•n

7.:1)

dP tiruk om •=·xtra te hPztdoi~cn op de personele midde-

56

f,·ttitwwi j?.iOJt ~:lrodtt~ kunn•·n tnr,on!'nlf.•n. Af~tol(ln v:tn nnderwi.intak£tn, door'"'' ,.yf'IH'n v:tn tliPn~dPil Pn hPl n:tntrekken van nh"HW(' tnken zon1s hijvoorl;p,.

lrl dt·•·l t i jdo•HIPrwi

i:•

f'n po!~l:warl(•misdt onrlt:'rwi js zijn in
'··'·'' "•'It!'! I t... r "'"'"rwi i~ d,. instelling<>n fl''I'I":!J
Wat het on
tenden~

zidrt!Jaar weteuschappe-

lijk speurwerk beter beheersbaar te maken. Ue UUOZ-uota van 1979 lweft iu 1981 geleid tot een overheveling van de geldmiddel
Pert~oneelskosten

oiOvatten ongevcer 3/4 van lu;t lu;ger onJerwijs-l>udgel. Jn

het kader van bezuinigcu vormen de

per~oneel~kusten

Jaarom een bclangri jkc

factor. ilet ligt dus voor de hand dat deze pust extra

aand~
krijgt en

dat gezocht wordt naar midd
nu

toe

wonh beltdd gckcu-

lllerkl door korte t.:nnijn maatrugelen om Je ulomcntane dwk enigszins te verlichten.

Voorbeelden van ( :J hoc) uta;Hre!J
beperking van het aantal doorstt·umers terwijl men Jeze "I' Iangen' tenui ju zou wiUen sparen, wijzigingcn in taakstclling van ll•cdl.!werl
omlerwij~

en mindcr ullllcrzo<.'k, wij,dging in Je verhuuJing

kroondocenten: w.p. en Jc verhouJing huoglecam; A: hoogl.:.t·,iar II, de. Gedwongen ontslag als vulgende st«p in de untwikkcliugen (r<-'Ol"!llllli:;dlic) probeert men zoveel mogelijk door n;rLuudijk vcrluop en uv.:rvla,Hsiui\ lc vermi.jden.

lk~l n•rr e.n hehcer van instelllngen voor wetenschappelijk onderwijs zi.jn

nn•IPr de?.<• omst.1ndigheden el"n uiterAt moelijke zaak. De organisatie-

•:lnrcluur

j , c·ompiPx

en weinlg door:dchtig; veelal 11terk gedecentrali-

'"'''rommllnicatiestructurt>n zijn lang en als gevotg daar-

"'"' h>r.l ric hesluitvorming meer tijd d;~n de verandenmde omstandigheden

57

C•·hn•kkigc communieatir tussen centraal- en midden-niveau belelllllert een

!:"''"" phoming en implementatie. !let centraal niveau wekt sterk de ln""'k ""~ir, lf' •ijn met 'blind vnren', omdat men niet op de hoogte is van "" "r<·dfit•kp ~itn.1ti<' (l-igen V<'rantwoordelijkheid) van het midden- en

lo,,d,;niv"''"· Teg<'li jk<>rtijdwordt h<'t gNiwongen door het ministerie maat-

t•·,:•' lt~tt nit

Hn>l<·r

df'7.<'

tr::• vof'rf'n wa:1rvnn

~'mstan
hrt de langPr~ tPrmijn konse-kwenties nlet

is e<'n goed ovenrp in?.icht in

d,· •;itoati•.· waarin """ instellinr, thans verke<>rt, :
"r" hPhnrf tP wnnh JtPVO(•ld n.r1n hct VPrkrijgen vnn inzicht in de mo-

•:•' I i jldtt•dt•n rn onm<>!\<'1 i jkh<'n om voorg!'nomen he teid op de kortere en Lint:"t'f• tl'rmi jn tP n~:tlisf?fPtL Ht't grot~ be)nnR v.1n f>en betrouwhaar adlltinf~•trat.it··- Pn infnrm:tti<'sy<;f('<'m ten hehoPv~ v:tn b('!;tunr en beheer wordl

"""' """"·hillPnd!' inste!Linr,Pn onderk<'nd. lle?.t' hPst<'den dan ook veel aand'H ht :tan dr- ontwild
Vnnrnlsnog ?.ijn deze r,ericht op een kwantiricering

'""' •I•· !.1K<'Il m<•l helr<•kkinr, tot fionnd(:n en studentenregistrati<•.

Men begint echter ool< te beseffen dat er een grote behoefte is aan gerichte actuele informatie en progno~es op verschillcntl" belt!itlsniv.,.m•~ m.b .l. personele middelen; daarbij is de taakOIIlvang van een eeniH.dtl (vakgroep, studierichting, subfacu I tei t) en de pert> on" le be:uH tl ng die uaarvoor beschikbaar is een punt van grote aandacht. Door de geringe flexibilitt!it van de peraoneelsfon11alit!, in rtdatie tot de snelheid waarmee d., minister veranderingen wenst dour tt: vut!r«n wat het onderwijs als het

onder~ot!k

bctreft, vonllt

~owel

penwneel~planning

en

personeelsbeleid ecn belangrijke slcutel tot uitvoecing van het lwlt:id dat de ovetht!id voor het huger onuerwijs nuslreeft.

Ue autonomie van de instellingen ten aanzien van hun taken t!n de bt!VO<'gdheden van de minister met bctrt!kking tot de toewijzing v.1n middelen, ruakcu ecn voorzichtig manoeuvreren gcboden in een situatit! van krapper wonlt!ude middelen. lla
veranderingen iu dt.! lucwi jLing vun

midd~l~u,

de omvang en

samenstelling van het kroondocent.,nbestantl en Jl is tussun de veslllurlijkc niveau's binnen instellinge1\ overleg noodzakclijk om re kot""" tut Ianger<' tenuiju plrtOUCR, gcbasccr,J Op lH.!l(OUWbare infunnatit.~ OVer lf~ lmi
t·ucttt'HU..J CU

••ogelijke en/of wenselijke ouLwikkclingen naar de tueku1ust, wil t.l" kwaliteit van On
m<~gclijk

gewai!dwrgt.l bl ijv<•n.

58

llierbij spcl~geli jkhedcn en Jus ten aanzien van planneu vour de kortere en Ianger;, tcru.i jn.

Vnn1 elk<' vorm van l.•nv,E>re t~>rmijnplanning tt"n aanziE>n van omvang en rerR
·:l111ctum· van hpt

'''"k"m't i!:l' npbonw

is hE't nodig te weten wat voor de

v~n de formati<' d<' invloed van RUtonome ontwikkelin-

Hi"' lo<' rfient m<'n ov!'r de nodig~? hulpmidd!'len te kunnen beschikken.

In hr>t knr Villi h<'l. projf>ct ppp zullen hulpmiddPien wordl'n ontwikkeld vnnr ht't ni.l.vocren v:m C'!'n drictal tAken: laak I: I•• l.Hl'tl

~i!'n

hoi' tn!'komAtige omvang en Rtructnur van het perso-

ll<'<'lr.ht'st;HHI nfh:111gen v:m de bf.'staande •ituatie, welke mogelijkh!'
kie7.<'n hl'l<'id, rn in;dcht te geven in de gevolgen vnn de ver-

"'hi 11<•1\rlP 'l.tak

l:

t0

hPieid~lll

lat<'ll %i<:'n nf, <:'ll

ternntievrn. ja: hot:', uit

7.0

besli~singen

in de verschil-

l<•tt
"'" d·· loolpmitltl"l"" rJi,. in tank l

l.1.d: O: hPt

VPnr~prt l(~n v:tn -elf'

!'II

2 hPsrhrrv"n ?.ijn mogelijk te mnkl.'n

tuckom-st ige omv.1ng ~n f;tructuut" van het

Met behulp hiervan kan men, uitg,aande van de actuelc

l.ttl~etting,

l.t~reke-

nen wat de gevolgen zijn van voorlzetling van hct huidige loopbaau- "" rekruteringsbeleid voor het toekomstige personeelsbesland. Maar ook zou men de toekomsrige bezetting kunneu voocspellen l.tij eeu loi.'::.: geven beleidsalternatief waarin, b.v. uitgi!illlde van de huidige bezetting, voorspeld wordt hoe deze zich ontwikkelt indien de rekrutecing gehalve.,rd wordt en bevorderingen worden slopget.et.

59

Ten aanzien van de samenlwng tussen dez" hulpouiJdel
taak I hoofdzakelijk 1110gelijkhedcu om op ccuvuudige cu snelle wijze !oct belehl te variiicl!n "" di! uffe~.:ten "'"' zulk" variaties te Vl!rgelijktm en tt!

evalucrcn .. Ut!t

nee!

aangewez~n

planning~ystecm

otidtlel tdertoc is etn zogcnaa1ud conversatio-

dat hilt '""ll"lijk maakt om- gezetcn achter eeu cum-

putcrtcrntinal - via ct:n vraag- t!n autwourdspcl met de compulec Uc

cffcct~n

van vers..:hi llcndc b;.Jeidsvariauteu op de ontwikkeliul! ll! simulcreu en hclder geprescntccnl tc krijucn. Voor ecn JoHgclijk., exen:i tie bcloo.,ft de gobruikcr nict zelf

tt!

kunnen t•cognmuncn.!t\: hel vraag- uu antwoon.tspcJ

met de CuUIJ>uter hceft !outer een inhoudelijk karakter.

Hcl beste hulpmiddel voor raak 2 is de ;wgcheljes) ""rlegenwoorJigen I.!Cil beJhlald besll•urs-

orgaan met eigcn informaticmog..,lijkht!dcn, eigcu doclstellingen en cell eigen

bl!slis~in)!sgebied.

Ovk hi"r wvrJt de untwikkcling gcoimulccrd,

maar het gt!l>eslis~ingen

vun de bestissi.ngen vau de versd.i llew.le »
Om aan do:' spelsimulatie vol1ll tE' geven iA dus, naast dE' hulpmiddelen voor laak 0, ''"" "1'7."!. nodip, om de besluitvorming van dl! verschillende orga'"'" "~" ••lk;}Jen. l>aarnaast zijn vele technische hulpmiddelen v.. rdst nm "" informatiestroom van en naar de reke11111achine te regelen en ''" hPslnrinp, van dit proces !.'l'nvoudig te houden. t:lke speler of groep van

''l'"'"r"

?at in princi1•e heschikken over een computerterminal via welke op

,,.,,,.-lp,PI i jkP wijze :tls hij het planningsysteem met de computer geconverHf'l'nl wordt.

lll't ui t.·i ndd i jk<> i nstrument:tdum wordt dus gevormd door de hulpmiddelen V•~<•r d<• 1.1k<'n I en 7.. lli j he ide soorten hulpmiddell'n wordt de toekom,;tig<'

ontwikkeling g
d.od>l '"'"'''Nl aan do:- hcsluitvorming met betrekking tot de personeelsplan11in11• in ltd hij7.Pnr voor dP hesluitvonning op ml.'er d:tn i!l1n niveau •

.,,, :dot zi

i

opr,<'nwrkt dat lmlpmiddelen die dt!?.e taken kunnen vervullen

oio·t all<•o·n hnoikhaar zijn bij de heslissingsvoorhcreiding, maar tevens ,.,,,.,, o:d>roikt kumwn wonirn hij nlll'rlc.i soorten trainingsactiviteiten,

In de verkorte veraie van dit rapport wordt alleen ingegaan op taak 0.

60

2. I'«)DELLEII.lNG VAN DB PERSONEEI.S8EWEt.l1NGt:N

(TMK 0).

Om een planningsysteem en een spelsilllUlatio,; te kunneu ontwerptm, is et:r~t een model nodig van de personeelsbewegingen bij et:n gegeven beleid. Eeu gedeelte van de ontwikkelingen in een person
ligt het met andere llntwikke ling en, :toa h bevorderi ngt!hulp van veel d
te pakken:

modellerin~ met

een klein aantal grote grucpenper:;onecl g"eft goede

vourspelbaarheid, maa•· Ievert een beeld dat uiteraard weinig ge.Jifferentieerd is, - modellering met vee I klt!ine ~roepen personeel geeft meer gedetail l
f:trulteit P:oarn;t.Ht ~ijn ook gegPvens v11n belang met betrekking tot de functh/ '"·'~ dit> v .. rvuld wordt (ondeNijs/onderzoek/beheer).

61

C•·hrnik '""' al dell'.e niteria tegelijkertijd zal tot zeer kleine groepen v:~11

I'" r~onrn ,.• q. P,Pfo!.Pvens leiden, zodat steeds een keuze gedaan moet

'"'"tlrn.

RnllJ~. rangauci;;nniteit E>n leeftijd zullen hijanalyse llltijd wel

""'''"1'<·h•n: ll'eftijd in het hij:r.onder voor de voor!lltelling van peltllio,,.,- i ~~~~en, VIIT e .d., T!lng en rangandcnni teit voor bevordedngen, maar ""~ •It· nv!'rigP geno<>mrl<' t'rtterin -en eventueel nog andere - kunnen van h<'l.lll!~ zi jn. J·:rrst

wllen we "'' kort ingnan op de aard van de personeels-

lww<·g i "!\<'" in IH•t mod<> I en dna rna komen wE> terug op de betekenis van de v<·r~doi

In

ll<:'nde cri tPria voor de categorie-indeling.

,.,.r.;,,.

instanti<:' 1.1!1 h•n wr rrtsone<'lshewegingen over perioden van een

i-•-1r h,.k i jken. In prind pE• k11n ook met grotE>re of kleinere perioden geIJ•·rkt wonl<'n. AI~

."-lo""""

"""'''ll

W<'

<'en h!:'panlde perRoneelsgroep (categorie) in ogen-

"I' hi_jvonrhe!'lrl dt> peildntnm I jnnuari van een bepaald jaar,

•L11• hPhlu·n '" le lr>d!'n van diE' categotie een aantal van dezelfde kenmer-

h·n. V••rw;t.-ht tnng l"dol<•r wnrd1·n dat dnt ov!'r e!'n _j.~ar niet meer volledig '"'' ~~('""' :wl 1eijn: cf.'n !'nkeling heeft ontslag genomen, enigen hebben l'"""''ti<• g<'tn:Mkt E>n e••n enkeli.ng hecft !:'en extra periodiek geltregen. Voor

"''" lwpaa ltl<• '"''-"~l"ri" edttt'r

.,j

jn <'r hepaalde overgangen die meer waar-

schijnlijk zijn dan andere. Zo pleegt personeel in schaal 112.1 geen promotie te malten, maar vanuit schaal 112.9 is dit

~eer

gebruikelijk.

Promotie zal dan echter nooit naar 148.2 plaauvinden, terwijl

ct!ll

overgang naar schaal IJO.J heel goed mogelijk is. Per categorie kan dus opgegeven worden naar welke categorieen personeelsleden na (!i!n jaar overgegaan zuuden kunnen zijn. Ook kunnen de kansen op d• verschillende mogelijke o~ergangen nader gespecificeerd worden. Oeze kansen weerspiegelen enerzijds het bcleid en ander:djds de autonome bewegingen: = als in scha.al 112 uitsluitund t•romotie wordt gemaakt vanuit 112.9,

maar dit dan ook geldt voor ieder die in 112,9 komt, dan weerspiegelt dat een beleid m
en de rest vanuit 112.7 enz., dan weerspiegell daL een beleid waarbij de doorstn.IODISnelheiJ door beoordel ing won.lt beinvloed. "' als van de 61-jarigen 10% via de VUT uiltr.,.,dt, dan weerspiegelt dat een auton0111" bewegiug, al k;m deze bewcging door beleid natuurtijk beinvloed word~n. ~·

dat van de 47- jnrigen 100% 48 wordL, weers!•iegell een tlutouOII!c beweging die moeilijk te beinvlot!den is.

62

Zo'n percentage van 10% van o.le 6)-jarigen o.lic van de VUT-regcling gcbruik maakt, is uiteraard van jaar tot jaar aan toevallige flucLuaLie" onderhcvig, desalniettcmin zullen we voor o.lc voorspellingen uitgaan van van te voren gegeven percentages. llie percentages mugen best van jaar tot jaar versehillen, maar dat wcerspie(:elt dan "'"' trendmaLigt: of beleidsmatige wijziging, lerwijl o.lc tocvalsfluctuades vel)iaarlnn~d worden. Dit verwaarlozen van toevalsfluctuaties is door de wer-

king vnn de wet van ae grote aantallen gevaarlijker voor kleine dan \'~tnr

grntc groepen.

Op de pr!'ct<'ze wijze van rekenen voor het maken van de voorspellingen '"" ''I' de hetrouwbAarheid van de resultaten zal hier niet verder inge-

loo rclatief kleine orgnnisaties kan het aantal personen in een bepaal"" cat('gorie min
weginr,en 1111'1..

lleze tPgenstelling kan opgeheven worden door in het mc:>del

k leiol<' rategoriecn te werken, eri ze voor het bestuderen van de

"·:;niL•Ien van berPkeningen tot groterP groepen te bundelen. Een voor1..-dd .,;

t

(.i'n vnn "" uPPIActiviteitE'n van hE't project kan dit i Llustreren:

··" i •; in t.~IH' I I
'"'I'''"'"'

VIlli

he t we tenschappe 1ijk

<'<'n fnnJiteit heschreven indien het promotiebeleid gehand-

lt.o·ol
it 1<'k


•) ,.;,. hi.,rvoor: C . .l. V(•rhoeven, l.nstruments for corporate manpower planning. Nijhoff, Boston 1982.

c .. l.

VC'rhof'V('fl, .1.

w.. ssels,

.1. Wijngaard, Computer-

·1ir1Pd design of manpower policies. Manpower planning r<'port I(> (Narch 1979), Eindhoven.

63

BEZETTING PER RANG IN VOORSPELPERIODE.

RANG

-----,------WIIMW Ill.. A li! •• ll 1'01'AAL ----~···---·--t---

JAAR

WASS

WMW'f

WMWV

WMWI

1981

11

5

10

38

WHA 7

26

32

138

-----1982

II

2

8

34

8

34

1

24

128

1983

7

I

6

30

9

)5

5

20

ll:l

1984

5

0

5

26

10

37

5

18

106

1985

3

0

4

23

10

l7

5

18

100

92

1986

I

0

3

19

II

38

4

16

1987

0

0

2

16

II

39

4

14

so

1988

0

0

I

14

10

39

4

14

82

1989

0

0

I

12

II

)8

4

n

79

1990

0

0

u

10

II

'l7

4

12

71,

1991

0

0

0

]1 II 4 II 8 71 -·-·· - - - ------·-Tabel 1: Prognose van de bezetting per rang van het w"tenschappelijk persoueel -··

in een faculteit bij ongewijzigd beleio.l "" zonder r~
RANG

JAAk

WASS

WMWT

WMWV

WMWI

1981

O.S2

0.23

0.48

2.40

··-

WIIA

WIIMW

Ill .. A

111 .. 8

'J'01'AAL

0.52

2.69

o.n

3.29

10.116

-

······~----------

1982

0,46

0.09

0.40

2. 17

0.59

2.83

0. 71

3.08

10.33

1983

0.31

0.03

0.)1

1.93

0.65

2.911

0.50

2.51

9.22

1984

0.21

0.01

0.24

1.69

0. 71

3.10

0.49

2.U

8. 79

1985

0.12

0.00

0.19

I

.47

0.76

3.12

0.48

2.27

8.42

1986

0.04

0.00

0.15

1.26

0.80

}. 21

0.47

1.99

7.9i.

1987

0.01

0.00

0.10

1.06

0.83

3.28

0.46

I ,83

7.58

1988

0.00

0.00

0.07

0.89

o. 79

Ln

0.45

1.79

7. 32

1989

0.00

0.00

0.04

0. 75

0.80

3.21

0.45

I. 74

7.00

1990

0.00

0.02

0.64

0.81

3 .ll

0.44

1.60

6. 71

1991

0.00

o.oo o.oo

0.01

0.53

0,80

3.20

0.43

I .45

6.42

Tabel 2: Prognose van de salarislast bij
-----

I<<.• 7.if'n dat dit extt~;>me en ire;;le alternatief, dat bij toepassing "'W<'twijr<'l•l tot gevolf\

7.0!1

hehben dat het takenpakket op het gebied

v;m """" rzo<'k "" otl!l<•rwi j11 vo II edig afgebouwd ~ou moe ten worden, na 5 i
( l'lllft) sl
64

l!t
~·''

"'''"""'"rkers en ns~i.•t~ntc>n nllstrl'ven, dan :r.ou deze verbouding in 1986

'"' "" i k t """""" worden. llet nanta l hoogleraren zou dan moe ten terug I open v.m 1'1 "~"r

:n.

Ook hf't hoofdlll<'dE'werker!lbestand moet inkrimpen tot 23,

t•·rwijl "" lng!'re rangen mog<'n groeien v11n 73 tot 92. Oe bijbehorende

"""'s1wllingen en de nntwikkeling van de !!alarisl.ast is gegeven in tabel I "" '•· In lnhel '\ stMtt de b!'nodigde r<>krutering aangegeven.

·-··

--~---·---'Iii\

NG

-·-----.IAAH

Wi\SS

II

WMWT

5

WNWV 10

WMWI 38

Willi

SU Ill

WIIWI'I

6118 2

32

32

·---

7

'.1

IlL .II

""' 8

SUB 3

TOTIIIIL

7

26

3J

138

IZR

-'i

12

17

8

6fI

JO

JO

8

24

32

(,

18

31

9

7

28

28

6

20

26

131

10

/0

Jl)

9

R2

27

27

7

18

25

134

u

1'1

%

10

R

'•

25

25

7

18

25

I 34

:>2

H

10

9I

23

23

7

16

2J

137

20

37

II

92

2)

23

9

14

23

138

2J

9

I~

23

138

23

10

13

23

138

I'll! l

I'IH'l

" !6

R

l'lt\H

II

ll

lfl

JR

II

92

2)

1'1:\'1

17

l)

l'i

39

12

92

23

I'Jit(l

lA

'l

12

92

23

23

II

12

23

1)8

If!

I()

"'

)9

'1'1

12

92

2J

2)

12

11

2)

138

I I

·--·

I:~J,..J

·1:

l'r.,);nn~"

v.1n "" h<'zetting p<'r r:mg Vlln het wetensdtllppelijk personeel

in''"" l;wnlt!'it hi.i geli jkblijvemle tot,.,•lrormllt:ie en zodanige recrul,.rin,•, da!. zn :;nrl tnntwlijk """ 1,: I: I vr-rhonding voor de subtotl'llt>n

hf•rPikt wnrdt,

SALARISKOSTEN IN MU.JOENEN GULOENS.

1981

ss

WMWT

WI'IWV

WMWI

SUB I

WIIMW

SUB 2

IIL.A

Ht.B

0,52

0.23

0.48

2.40 0.52 4.15

2.69

2,69

0.73

3.29

4 3

WHA

1982

0.15

0.21

0.58

2.37 0.)7 3.88

2.58

:.1.58

0.78

3.08

1981

0.24

0.27

0.8'i

2.35 0.63 4.32

2.46

2.46

0.62

2.51

2.34 0.68 4.60 2.34 0.73 4.75

2.35

2.35

0.68

2.33

2.18

2.18

0.73

2.27

1984

0.34

0.30

0.94

1985

0.44

0. 31

0.93

1986

0.52

0.31

1.05

2.36 0.78 5.02

2.08

2.08

0. 78

1.99

1987

0.55

0,36

0.96

2.40 0.83 ').08

2.07

2.07

0.91

1.83

1988

0,59

0.35

0.87

2.43 0.82 5.06

2.04

2.04

0.95

I. 79

1989

0.61

0.37

0.73

2.47 0.86 5.05

1,99

1.9!1

1.06

I. 74

2

1990

0.62

0.40

0.71

2.49 0.89 5.11

1.99

1.99

1.10

1.60

2

1991

0.63

O.'il

0.64

2.51 0,93 5. 12

1.99

1.99

1.22

1.45

2

3

'fabe l 4: Prugnose van de salariskosten blj de bezettingspcognose van Labod 'I uitgaande van de huidige salarisbedragl!u.

65

----RECRU'I'E IH N-G

---

.. r--

WASS

JAAR

wt-IWT

UU(vasL)

·-·-- 1-··

UIW ··-

l'OTAAI.

Ill.

1--·

1982

3

3

4

()

u

10

1983

4

3

8

0

0

15

1984

4

l

5

I)

0

12

1985

5

l

3

()

0

II

1986

6

3

6

IS

1987

5

4

2

I3

1988

6

J

2

12

1989

6

4

I

1990

6

4

J

1991

6

4

r---.--

14

14

0

14

2

.... Tabel 5: lle rccrutering behuren<.le l>i j <.le prugnose ui L.

flp

L

Lal>el J.

dr;lslis<:he inkrimpiug van het hoger gekwalificeerde personeel met lO!

wu tnt gt>volg kunnen hebben dat de benodigde capaciteit om de jongere

"'"""'"'"rkers en assi~tenten te begeleiden bij onderwijs en onderzoek niet ;~:mwr>zi g

is. Ook de r:arriere perspectieven van het wetenschappelijlte per-

"""""' :djn in dit alh•rnatief nagenoeg tot nul gereduceerd. Bij dit all<•m:.tif'f, wanr het ;:wnt.1l arbeidsplaatllen kon~tant is gehouden, zien we •1.11. oml;mks de drAlltisrh<'! verRrhuivingE>n binn~n het personeelsbestand

slechts een bE'perking van de saladslast met 9% optreedt.

loch

liPid<· Pxtr•'me vnorbeelden zijn voor praktische toepassing waarschijnlijk

"""""va.1rdbaar. 7.c P,"'ven echter een eerste indruk hoe men met behulp van d1.• h11lpmiddrl<'n voor t:~:1k 0 imdcht kan kdjgen in enkele van de gevol-

lui

'"'

toe is in vdj <~l!!emene termen RE>I!proken over de categorie-indeling.

lv<> mll•·n nu it•ts met'r over dit onderwPrp in detail treden. Categorieen van p<·rsonf'<' I wordcn gpvormd door die personeels led en die beraalde ken,,..,-~.,,. IH'UWn

f:"m""" uoor- ttt~

hehlwn. l~r zijn 2 soortPn argumenten om een kenmerk op te rnte~oriP-ind~ling:

I. hP! ~"""'"rk i~ ""'rh•h<'p.1ll'n
l.t·t•lt i jd is vonr '-'" t><•rson.,t~lsbewegingen hoofdzakelijlt van belanP, voor de

66

Rangancii!nniteit h

heel belangrijk als indicator voor bevorderingen,

maar dit gegeven is meestal niet erg belangrijk ow tot!koU>stige nmgaucienniteiten te berekeneu.

Als basis voor de categorie-induling zullen steeds genon1en worden: rang,

raugancienniteit en leeftijd. Leeftijd wordt uitsluitend gebruikt om de uitstroom (pensionering, VUT e.d.) te bepalen. Kevordcringen worden op rang en ranganciiinniteit gebaseerd. Dit basismodel kan uitgebreid worden door bijvoorbeeld bevorderingen ook op leeftijd te baseren of door er andere kenmerken aan toe te voegen. Dit soort uitbreidingen maakt de omvang van de categorieiin kleiner (dus de voorspelliugeu onbetrouwbaarder) en de hoeveelheid benodigde infomalie voor de voorspellingen groter, men zal bier dus voorzichtig mee 010eten zijn. llij de toevoeging van kenmerken lllaken we onderscheid tussen 3 soorten: I. ke!IIIerken die medebepal
dus voor de voorspellingen en ook >:elf kunnen veranderen (veranderlijke kenmerken, bijvoorbeeld: rang, leeftijd);

2. kerunerken die medebepalend zijn voor mogelijke loopbuanpatronen en dus voor de voorspellingen en zelf

verunderen

(va~te

kenmerken,

bijvoorbee ld: genotctl acad<.'Dlische ople iding); l. kerunerk..,n die ni..,t mcdebepal..,nd zijn voor dt!

voor~J>
ook niut veranderen (dummy kemnerken, bijv.:><>rbeeiJ:

"n z.df

ge~lad•t,

in~tel­

ling waar men werkt). Een kenmcrk als geslacht kan als du1mny kenmerk oplreden (als we gcinteresseerd 1-ijn in de ontwikkeling van de man/vrouw-verdeling), maar ook als vast kenmerk (als de mate van verloup afhankelijk ;:ou :djn van het rc•slachl) <'n

miss<"hr;;;;-~;-;;ft-;:.~g ~Is verat~dertijk kenmPrk (als geslachts-

vo·r:md<>ring m!'Pr aan de orde zou komen). •)

nv .. r d•• tf'chnisdtt> ui tvoering van de voorspellingen zullen we hier kort "; jn.

In d<:

l>nsis~egevensbestanden

zal met een vrij groot aantal ken-

"''' rkPn n•kening ~tehnudt>n worden. Voor concrete berekeningen kunnen dan

<'P!llltntdiger model len g<'lllaakt worden. Rehalve personeelsaantallen kunnen •wk nllerlei argeleide grootheden zonh de ontwil
lt•n in dr hesd10uwin11, hetrokken worden. Voor dit Alles en voor het over;~i··htel

Vo.,r

i jk l'resf!nter<>n van de resul taten is veel programmatuur nodig.

n.1dE>re b('s<:hri.jving hiervan zij v<'rWe7.<'1l nai'lr de betreffende

proi<-ctrwtitiPs
67

:nr

Mod

I

MODELLEN, SCENARIO S EN HET POUT IEKE SPEL

llen worden op ste d meer plaatsen bij politiek

minqsproc ss

betr kk n. D navolgende art

lijk op het gebied van energiebeleid en d

besluitvor-

1 n g ven resp ctiev to pass1ng in ontwikke-

linqslanden kritische beschouwinqen over de rol die mod llen .in besluitvormingsprocessen spelen.



--...... .....

'J Mull ..

CHAILIIIIOIIT..._

-::::.. DMitiMII , 1, DillY liLLY 177-1 t'

, ....

ELl_.. MOHVAUCIIO!o

OIUIDI.I1UI C

.. ,.,..,.,



c... .....

... .... Llll•.,.,... ......

II &Ill

•••

........... ..,._ ...::.:?..: .. i ..... A C M a Allllllllll

~···

,·'~·~

II. .IU MlfU MODIVAD

• .,.. ...........Itt'

...

••• ... n •••

• a... .. .... • c... ., .. ~ ec:-~~g~n

.....

• c.- j11111attu•••••

1111:1

.........

Ll;lt ...... 11 Jill,........

........" ....

- _, IA TIA . . _...

,

"r'

IGITIIDAMII --OPL INSf.CCMI'IUIK

I

_........... 117,A'...

...... ....

• ... II • ,. IMia R I II t1 Llll r .,.,...

..,.

• M

Wlllll MODIVAICICHDCIL Dr

ENERG IEMODELLEN EN HET BELEIDSPROCES

R. de Man uit: Simulatie en Sociale systemen, een uitgave van Systemica, tijdschrift van de Systeemgroep Nederland

TOEPASSING VAN OPERATIONS RESEARCH IN ONTW IKKELINGSLANDEN

C. Schweigman Gedeelte van rede, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in het operationele onderzoek van de Rijks univers iteit te Groningen op 31 maart 1981.

69

ENERGIEMODELLEN EN HET BELEIDSPROCES

R. de Man

1. Inleiding

Op het gebied van het energiebeleid zijn erg veel modellen ontwikkeld, die onder de brede noemer van simulatiemodellen kunnen worden geplaatst. De ontwikkeling van de vroege jaren zeventig tot heden is dater aanvankelij~. grote en gecompliceerde systeemmodellen werden gebouwd maar dater vervolgens een overgang te zien is geweest naar relatief simpele scenariotechnieken (De Man, 1979, resp. 1978, 1981a, 1982a). De energie-modellen in de vroege jaren zeventig werden met veel pretenties gepresenteerd. De geschiedenis heeft geleerd dat deze pretenties in menig opzicht overdreven waren. De modellen hebben niet die rationaliserende werking in het beleid gehad die men ervan verwachtte (Koreisha &Stobaugh, 1979). Ruwweg kan men hiervoor twee typen oorzaken onderscheiden: a) de nog slecht ontwikkelde state of the art, theoretische en methodologische tekortkomingen van energiemodellen, b) het feit dat men het gebruik van modellen als te onproblematisch had voorgesteld. In dit artikel wil ik mij tot (b), de bruikbaarheidsvraag, beperken. In dit verband zal ik dus niet ingaan op de typen simulatie- en andere systeemmodellen die er voor energiebeleid zijn ontwikkeld. Door de nadruk op het probleem van de bruikbaarheid van modellen en niet op de modellen zelf valt deze bijdrage enigszins uit de toon in deze bundel. Ik zal hier geen systeemanalyse geven van het energievraagstuk. Mijn analyse beweegt zich, wat modieus uitgedrukt, op een meta-niveau: het gaat hier orn een analyse van het gebruik van systeem-analyses in besluitvo~ing. Ik zal - voorzover de ruimte dat toelaat - een aantal al9emene opmerkingen maken over het gebruik van systeemmodellen in (politieke) besluitvorming, dan zal ik een korte beschrijving geven van de toepassing van energiescenario's in het Nederlandse energiebeleid.

2. Rationaliteit Modellen (het woord 'model' wordt hier gebruikt als verzamelnaam voor systeemanalytische modeltechnieken) worden ontwikkeld met de pretentie dat zij bijdragen aan rationalisering van besluitvorming door het aandragen van informatie in een op de besluitvormingssituatie toegesneden vorm. Vaak lijken modelbouwers impliciet van de hypothese uit te gaan dat

70

het probleem van de kwaliteit van de besluitvorming uitsluitend terug te voeren is tot een probleem van de kwaliteit van de informatie. In zo'n visie wordt verbetering van besluitvorming qelijk gesteld aan verbetering van informatie. Zo'n verbeter1ng zou dan in kunnen houden dat men be~ staande, op gewoonte, common-sense en traditie gebaseerde, vormen van informatieverzameling vervangt door meer qeformaliseerde, geavanceerde eventueel geautomatiseerde vormen van informatieverzameling en verwerking, bijvoorbeeld in de vorm van systeemanalytische modeltechnieken. Deze visie is echter te beperkt. De kwaliteit van informatie is maar een aspekt van besluitvorming. In dit verband is het verhelderend drie typen van rationaliteit te onderscheiden (in navolging van Kickert, 1979 en DeLeeuw, 1981): inhoudelijke, procedurele en structurele rationaliteit. Bij inhoudelijke rationaliteit beschouwt men de doelmatigheid van de inhoud van een beslissing. Het tijdsaspekt is hier verwaarloosd. Beschouwt men ook de opeenvolging van beslissingen in de tijd dan kan men zich afvragen in hoeverre de gekozen tijdsvolgorde doelmatig is. Dit is een vraag naar de procedurele rationaliteit van besluitvorming. Besluitvormingsprocedures leggen voor een deel mogelijke uitkomsten van besluitvorming vast en de gekozen procedure kan meer of minder rationeel zijn. Strukturele rationaliteit is nog een stap verder. Men vraagt zich af 'welke participanten op welke momenten welke taken in het besluitvormingsproces zullen (moeten) vervullen' (DeLeeuw, 1982, p. 186).

De redenering die verbeterfng van -besluitvorming-uitsfuitendbeschouwt als verbetering van informatie concentreert zich eenzijdig op inhoudelijke rationaliteit. Het heeft echter geen zin om inhoudelijke rationaliteit te optimaliseren als aan voorwaarden van procedurele en strukturele rationaliteit niet of slecht voldaan is. Met andere woorden: wanneer de organisatie van de besluitvorming niet in orde is. heeft het weinig zin eenzijdig te werken aan verbetering van informatie in die besluitvorming. In vele gevallen waar men roept om meer informatie, betere of andere informatie, zal een verbetering van besluitvormingsstruktuur of besluitvormingsprocedures het juiste antwoord zijn. Oat wil echter niet zeggen, dat als deze strukturen lijke kwaliteit zijn, het gebruik van informatie in blematisch is geworden. Ik zal dit verder uitwerken probleem van technisch-wetenschappelijke informatie modeltechnieken) in besluitvorming.

en procedures van redebesluitvorming onpro~ aan de hand van het (zeals de genoemde

3. De functie van modellen in besluitvorming laat ik beginnen met de stelling dat het gebruik van wetenschappelijke informatie in besluitvorming in de regel problematisch is. Ik zal deze stelling in het nu volgende proberen te onderbouwen. Ik ga hier uit van de situatie dat wetenschappelijke onderzoekers wordt gevraagd door middel van het ontwikkelen van een systeemanalytisch model (bijvoorbeeld een systeemdynamische simulatie) hun bijdrage te leveren aan verbetering van de besluitvorming. Wij kunnen hier denken aan de ontwikkeling van energiemodellen ten behoeve van het energiebeleid of bijvoorbeeld aan simulatie-

71

modellen ten behoeve van het onderwijsbeleid, zoals elders in deze bundel ter sprake komen. Ik beperk mij hier tot besluitvormingssituaties waarin besluiten genomen moeten worden die ver verwijderd zijn van de dagelijkse bureaucratische routine. In zulke situaties is de onzekerheid voor de betrokkenen groot, consensus over probleemoplossingen meestal verre van aan~ wezig, sterker nog, over de aard van het probleem dat opqelost moet worden is in de regel zelfs verwarring. In principe kan men zo'n besluitvormingsproces beschrijven als een proces van geleidelijke selectie: van de aanvankelijk aanwezige probleemdefinities en probleemoplossingen blijft er tenslotte een definitie en een oplossing over. Jets dergelijks kan men zeggen van de bij het besluitvormingsproces betrokken participanten. In het besluitvormingsproces vindt meestal een selectie plaats van mogelijke participanten in de besluitvorming. (Dit is uiteraard een sterk gestyleerde voorste11ing van zaken. In
72

4. Conflicten tussen modelbouw en besluitvorming De betrokkenen in een besluitvormingsproces kunnen, zoals gezegd, de selectieve eigenschappen van modellen vaak goed gebruiken ter realisering van hun eigen doelstellingen. Daarmee is echter niet gezegd dater een harmonieuze samenwerking te verwachten is tussen de wereld der modelbouwers en die der (politieke) besluitvorming. Het is genoegzaam bekend dat zo'n harmonie ver tezoeken is. Systeemanalytici spreken, in hun jargon, vaak van problemen op het 'interface' tussen modellen en besluitvormers, en zijn geneigd van gebrek aan communicatie te spreken. We hebben hier echter niet in de eerste plaats met een communicatieprobleem te maken, maar veeleer met een conflict dat inherent is aan de fundamentele spanning tussen regels waarop wetenschappelijk denken (hier: modelbouw) en regels waarop politieke besluitvorming gebaseerd is. In Tabel l is deze spanning aan de hand van aantal topics weergegeven. Tabel 1: De spanning tusaen mode'LboUbJ en beteidaproaes

~

modelbouw

beleidsproces

geldigheid van kennis

methode, wetenschappelijke integriteit

nadruk op autoriteit

consensus-mechanisme

consensus op conceptueel niveau, methoden

pragmatische consensus: op basis van conclusies eerder dan methoden

expl icietheid

expliciete definities, vaagheid vaak geprefereerd methoden

toegankelijkheid data, publicatievrijheid

geen beperkingen

grote beperkingen

selectie en integratie van informatie

wetenschappelijke methode is altijd selectief, selectieregels in overeenstemming met rnethodologie

politieke processen zijn altijd selectief. geleidelijke selectie van doelen en info gestuurd door politieke krachten

·-··--

-

Tabel 1 is een ideaaltypische weergave van de spanningen tussen wetenschappelijke regels die ten grondslag liggen aan modelbouw en politieke regels die in het beleidsproces een rol spelen. In deze zuivere vorm zal men de daarin opgenomen kenmerken niet tegenkornen. Deze tabel doet misschien te weinig recht aan de politieke rationaliteit die men ook in het wetenschappelijke proces zieten ontkent de invloed van de wetenschappelijke rationaliteit in het beleidsproces. Het zij beklemtoond dat de tabel uitgaat van de spanning tussen twee ideaaltypen die nooit volledig in de werkelijkheid zijn terug te vinden. Deze ideaaltypen hebben hier een analytische functie. De spanningen tussen modelbouw en beleid kunnen ermee beschreven worden.

73

Een paar opmerkingen kunnen de tabel verduidelijken. Een belangrijke spanning kan optreden tussen de wijze waarop men tot consensus geraakt. In het wetenschappelijke proces van modelbouw zal consensus optreden op basis van algemeen geaccepteerde concepten en wetenschappelijke methoden. Hier zal de aandacht, meer dan op de resultaten van het onderzoek als zodanig, gericht zijn op de manier waarop men deze resultaten verkrijgt. Voldoet het model aan eisen van toetsbaarheid, zijn de data op een acceptabele manier verzameld e.d.? Het politieke proces van beleidsvorming aan de andere kant zal veeleer op te vatten zijn als een onderhandeling over u1tkomsten. Als uitgangspunt voor een energiebeleid zal men bijvoorbeeld een uitspraak moeten doen over de ontwikkeling van de energievraag. Nu is het mogelijk dat een ieder op een andere manier toch dezelfde energievraag kan motiveren. Hier kan modelbouw roet in het eten gooien. Door een wetenschappelijke benadering van het probleem kan al gauw blijken hoe oneens men het eigenlijk is. De bereikte politieke (pragmatische} consensus wordt dan ondergraven door het blootleggen van verschillen in uitgangspunten {zie ook Greenberger et al., 1976). Het inschakelen van modelbouwers kan een pol i tiek conflict dus versterken en zelfs een reeds tot stand gekomen consensus ondermijnen. Dit hangt ook samen met de eis van explicitering in wetenschappelijk onderzoek. Terwijl voor het verloop van een politiek onderhandelingsproces het in stand houden van een grote mate van onbepaaldheid (vaagheid, ambigu1teit} doelmatig kan zijn, eist de wetenschappelijke methode een scherpe omschrijving van het probleem en een exacte definitie van variabelen en verbanden. De modelbouwer kan hierdoor het politieke proces verstoren. Een belangrijk punt dat nadere aandacht verdient is de selectiviteit van modelbouw en de selectiemechanismen waaruit het beleidsproces bestaat. Het lijkt zinvol om de selectiviteit van modelbouw nog eens te benadrukken omdat vaak de indruk van het tegendeel wordt gewekt. Modelbouw kan men opvatten als een reeks modelleringsbeslissingen. Deze beslissingen betreffen onder meer normatieve keuzen ten aanzien van de probleemdefinitie, het veld van verschijnselen waarop het model betrekking heeft en de aspekten die in ogenschouw worden genomen. Elk model impliceert een specifieke bril waarmee de werkelijkheid wordt waargenornen. Het gezichtsveld kan smaller of breder zijn: een monodisciplinaire benadering is van nature smaller dan een benadering waarin meerdere disciplines met e·lkaar verbonden zijn. Maar ook multidisciplinaire modellen, eventueel in de vorm van uitgebreide systeemanalyses, zijn selectief, al was het alleen maar omdat men modelleringsbeslissingen heeft moeten nemen over de samenhang en de relevantie van de betrokken aspekten. Wanneer men de vorming van een beleidsproces opvat als een geleidelijk besluitvormingsproces, dan kan men dit besluitvormingsproces vervolgens beschrijven in termen van een selectieproces: mogelijke participanten, mogelijke problemen en oplossingen worden geleidelijk teruggebracht totdat een beperkt aantal participanten een eenduidige beslissing neemt over de aard van het probleem en de te kiezen oplossing. Het besluitvormingsproces dient opgevat te worden als een politiek proces (zie bijv. Crozier, 1977}. Verschillende participanten hebben verschillende voorkeuren en belangen die gekoppeld zijn aan verschillende oplossingen maar vooral ook aan verschillende probleemdefinities. In het politieke spel is invloed op

74

probleemdefinities van cruciaal belang. Hier spelen modellen hun belangrijkste politieke rol. Omdat modellen expliciet of impliciet al een selectie van mogelijke probleemdefinities inhouden is de plaats van het modelleringsproces in de besluitvorming (in termen van autoriteit en macht) en de mate waarin betrokkenen hun invloed kunnen uitoefenen op alle modelleringsbeslissingen van het grootste belang.

5. Pseudo-wetenschappelijke strategieen Wanneer besluitvorming afhankelijk wordt gesteld van de uitkomsten van modelberekeningen, dan bestaat de kans dat de probleemoplossende functie van modellen grotendeels op de achtergrond verdwijnt en dat het gebruik van modellen (d.w.z. alle fasen die er in modelbouw te onderkennen zijn) voor de betrokkenen slechts een van de middelen wordt om politieke doelen te verwezenlijken. De vermenging van wetenschap en politiek die hier plaatsvindt kan leiden tot een weinig doorzichtige rol van modellen in de besluitvorming. Men kan zeggen dat onder dergelijke omstandigheden de 'wetenschappelijkheid' van het opstellen en gebruik van modellen zich hoofdzakelijk beperkt tot de vorm waarin men over bepaalde zaken praat, tot de taal waarin problemen omschreven worden. Het grote voordeel van zo'n taal is de indirektheid waarmee bepaalde zaken gezegd kunnen worden, en de hoge mate van exclusiviteit, waardoor men de besluitvorming kan beperken tot een kleine kring van ingewijden, terwijl men zich bovendien camoufleert door te wijzen op objektiviteit en onpartijdigheid van de wetenschappelijke methode. In Tabel 2 zijn een paar voorbee1den gegeven. Tabel 2: VoorbeeZden van pseudo-wetenschappelijke argumenten in aatorstPategie~n

actorstrategie

pseudo-wetenschappelijk argument

1) stel de besluitvorming uit

WlJ

2) haal meer actoren de beleids-

behandel meer aspekten van het probleem, vergroot de modellen, verzame1 meer data, met het doel de statistische onzekerheid van modeluitkomsten te verkleinen

arena binnen, d.w.z. vergroot de politieke onzekerheid

3) probeer verschillende actoren

op een lijn te krijgen

hebben meer gegevens nodig, een beter uitgewerkte probleemstelling, zodat de kwaliteit van het onderzoek verbeterd kan worden

deel-modellen van een beleidsveld moeten gefntegreerd worden om meer

75

inzicht te krijgen of: benadruk de behoefte aan vergelijkbaarheid 4) wijk niet te sterk af van de dominante probleemdefinitie

gebruik een goed getest model

5) besteed

niet te veel aandacht aan het met conflicten beladen hier en nu

lange - en zeer lange - termijnsaspecten moeten in het model opgenomen worden om redenen van volledigheid en nauwkeurigheid of: het probleem kan slechts op wereldniveau geanalyseerd worden

6) wij willen meer werk voor onze

desaggregeer het model in een groot aantal sectoren, zodat een meer gedetailleerd inzicht in het probleem verkregen kan worden.

onderzoeksorganisatie

Bovenstaande tabel spreekt voor zichzelf: modellen worden gebruikt met een bepaalde politieke bedoeling. Een aantal voorbeelden van zulke bedoelingen zijn onder het kopje 'actorstrategie' weergegeven. Het gebruik van modellen is een van de instrumenten die in zo'n strategie gebruikt kunnen wor~ den. Argumenten krijgen dan de vorm van een wetenschappelijke uitspraak (een pseudo-wetenschappelijk argument). Vaak zal men bijvoorbeeld de wetenschappelijke kwaliteit van een model benadrukken, die bijvoorbeeld blijkt uit jarenlange ervaring ermee (Tabel 2, punt 4), terwijl het er uitsluitend om te doen is de besluitvorming te beperken tot de probleemdefinitie die in het model ligt besloten.

6. Energiemodellen in het beleidsproces Ik zal nu in het kort iets zeggen over de energiebeleid in Nederland. Ik zal mij in interactie tussen een politiek proces van gaande ook selectie. focusing genoemd) en modellen.

functie van modellen in het de eerste plaats richten op de 'agendabuilding' (in het voorhet opstellen van energie-

76

BAS ISKEUZEN

ontwikkeling van energieintensieve

nee onveranderd?

nee nucleaire optie?

Figuur 1: Het Nede'!'landse eneZ'(Jiebeleid: basis-keuzen Toelichting bij Figuur 1: 1. de energievraag: veel van de verwachte groei van de energievraag zal veroorzaakt worden door de uitbreiding van een klein aantal basis~ industrieen (Molag et al., 1979). Zal Nederland in staat zijn andere typen industrieP.n te ontwikkelen zodat de rnerg1e~inten5iteit van de economie zal dalen? Of: welke waarschijnlijkheid hebben de tot voor kort nog geldende voorspellingen over de industrie in het licht van de huidige economische teruggang? 2. vraag naar elektriciteit: zal het aandeel van elektriciteit in de to~ tale energievraag blijven stijgen of zal er een beleid zijn om dit aandeel terug te dringen, zodat elektriciteit gereserveerd wordt voor uitsluitend toepassingen waar een energiebron van hoge kwaliteifvereTstE: .. Welke rol krijgen warmte-krachtkoppeling, gedecentraliseerde opwekkingssystemen, 'total-energy' en stadsverwarming? 3. keuzen van brandstof: welke primaire energiebron is het meest geschikt voor elektriciteitopwekking? Als de vragen 1 en 2 niet gesteld zijn neemt deze vraag de vorm van een dilemma aan: geen van beide mogelijkheden (steenkool of uranium) lijkt aantrekkelijk uit het oogpunt van milieu en veiligheid. Lange tijd heeft men beleidskeuzen voor zich uit kunnen schuiven (o.a. door de beschikbaarheid van eigen aardgas) maar het is nu tijd voor strategische keuzen. Er is echter grote onenigheid over welke keuzen wenselijk en reeel zijn.

77

7. Energiescenario's

De landelijke stuurgroep energieonderzoek (LSEO) formuleerde in 1975 twee scenario's waarin een energievraag in het jaar 2000 werd aangenomen van resp. 80 en 160 mtoe (= miljoen ton olie equivalent). Een derde, onofficieel, scenario werd kort daarop door Potma gepubliceerd. Hij beargumenteerde dat het mogelijk zou zijn een energievraag te realiseren van slechts 40 mtoe, door toepassingen van de juiste besparingsmaatregelen. Dit 'vergeten' scenario vond brede ondersteuning in de wereld van milieugroepen, vakbonden en enkele economen (Potma, 1979). Men heeft geprobeerd financiele ondersteuning te krijgen van de overheid voor verdere onderbouwing van dit scenario. Het Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiene zou zeker meegewerkt hebben, ware het niet dat men zich daarmee een onverkwikkelijke competentiestrijd met het Ministerie van Economische Zaken (EZ) op de hals had gehaald. De onderhandelingen van Potma met de overheid liepen dan ook op niets uit. De omstandigheden hebben zich sindsrlien wel enigszins gewijzigd. Na de energlenotn van 1974 was er geen enkel definitief besluit genomen op het gebied van kernenergie en vanuit verschillende partijen werden pogingen ondernomen om de besluitvorming weer op gang te krijgen. De verlamming van de parlementaire besluitvorming en de groeiend~ legitimatieproblemen ten opzichte van de burger en lagere bestuursniveaus waren aanleiding tot het organiseren van een Maatschappelijke Discussie over het energiebeleid (Abma, 1981; De Man, 198lb}. Oeze discussie zou bestaan uit een informatiefase en een discussiefase. Op het moment dat dit qeschreven wordt (jan. '83) nadert de informatiefase haar vo ltooi i ng met een bi nn7n'k~rt te pub 1i ceren 'tussenraprort' . Deze 'Brede Maatschappel\jke Discussie' over energie blies het vergeten scenario nieuw leven in. Wat via de ambtelijke weg niet lukte, werd mogelijk door de parlementaire politiek. Het was oorspronkelijk de bedoeling dat deze discussie van start zou gaan op basis van de officiele overheidsnota en de daarin voorkomende berekeningen. Oat vond men in vele groeperingen een te smalle basis. Ook in de Kamer werd het verlangen tot verbreding geuit: een motie werd aangenomen waarin gevraagd werd om alternatieve scenario's naast de officiele scenario's van het Ministerie van Economische Zaken, die door het CPB berekend waren (Kamerstukken 15 100 nrs. 22 t/m 40, beraadslaging 27/03/80). De Algemene Energie Raad (AER) adviseerde vervolgens om een laag-energie-scenario te baseren op het bestaande Potma-voorstel. Overigens gebeurde dit alles met grote tegenzin van de Minister van EZ. Met name was deze Minister sterk gekant tegen het idee dat hiermee het Centraal Plan Bureau gepasseerd zou worden. Oat is niet gebeurd, onder meer op basis van het argument van vergelijkbaarheid van scenario's. Op korte termijn zou een vergelijkbaarheid slechts gerealiseerd kunnen worden door beide scenario's op de CPB-modellen te baseren. Oaarmee werd het lage energie-scenario grotendeels gereduceerd tot het invullen van alternatieve parameters in bestaande modellen. Een opmerkelijk feit hierbij was dat de struktuur van deze modellen geheim bleef, ook voor degenen die de parameters moesten leveren. Welke· parameters wel en niet veranderd mochten worden in de modelberekeningen was vastgelegd in een advies van de Algemene Energieraad (AER) (Advies AER 18/06/80 'Energiescenario's).

78

Uit de voorlopige rapportering van de CE-studie (dit is het lage energie scenario) kan men opmaken dat de invulling van belangrijke parameters niet alleen de uitkomst was van wetenschappelijke analyse maar evenzeer van politieke onderhandelingsprocessen. Besparingsmogelijkheden en de kosten daarvan werden in overleg en onder begeleiding van een wetenschappelijke begeleidingscommissie als compromis tussen de inzichten CE en EZ vastgesteld (Becht & Potma, 1981). Het resultaat van de koppeling van het lage-energiescenario aan de CPBmodellen had als resultaat dat er een grote verschuivin~ optrad in de aard van het lage energie-scenario. Het oorspronkelijke 'vergeten' scenario ging uit van een technologisch model gekoppeld aan politieke prioriteiten. Wat nu ontwikkeld wordt staat veel dichter bij de gangbare econometrische model len. Het verschil tussen econometrische modellen en zulke technologische modellen is een uiting van een wezenlijke kloof tussen het gangbare beleid aan de ene kant en de milieubeweging aan de andere kant. Een belangrijk verschil tussen de twee benaderingen is de termijn waarop men nog geldige uitspraken kan doen. Econometrisch geschatte vergelijkingen zijn bepaald op basis van statistische gegevens en houden daardoor een of andere vorm van extrapolatie van het verleden in. De voorspellende waarde is slechts gegarandeerd wanneer zich in de context van de beschreven ontwikkelingen geen al te grote veranderingen voordoen. Zo'n verandering kan bijvoorbeeld de omkering van een trend zijn: de vraag-elasticiteitsvergelijkingen die geschat zijn oo basis van een dalend energieprijsverloop zijn niet toepasbaar voor de schatting van de effekten van prijsverhogingen. Economctrische modellen zijn vooral geschikt om uitspraken te doen op korte termijn bij een niet te sterk veranderende context. Nu gaat het bij energiebeleid juist ook om problemen op de wat langere termijn en om de effekten van grote verstoringen van de context, hetzij grote ingrepen door het beleid zelf, hetzij grote verstoringen van buitenaf zoals aanvoerbeperkingen of -onderbrekingen. D.e berekeningen die vanuit de milieubeweging gepresenteerd zijn hebben zich daarom ook nooit zoteer met toekomstvoorspelling, op basis van bijv. econometrische modellen, bezig gehouden maar veel meer met het ontwerpen van technisch mogelijke en maatschappelijk wenselijke energiesystemen, waarbij economische overwegingen niet die allesbepalende rol kregen toebedeeld als in gangbare modellen. Want dure energiesystemen kunnen maatschappelijk te verkiezen zijn boven goedkope en bovendien is de economie van energiesystemen ook weer voor een groot deel afhankelijk van politieke beslissingen. Dit type berekeningen, zoals ontwikkeld door Lovins (1979) en Potma (1979; zie ook Becht & Potma, 1981), richt zich in de eerste plaats op het ontwerp van energiesystemen die sterk verschillen van de bestaande, zowel op technisch als op organisationeel en politiek gebied. De oplossingen voor het energieprobleem die op basis van dergelijke berekeningen worden beargumenteerd wijken nogal sterk af van het bestaande en stuiten alleen daarom al op sterke weerstanden in politiek en beleid (men denke bijv. aan de weerstanden waarop een vergaand energiebesparingsbeleid in de gebouwde

79

omgeving stuit; De Man, 1982b; De Man &VanRossum, 1982). Kort samengevat: zulke modellen richten zich op een langere termijn, de reikwijdte van beleidsopties is groter dan bij de gangbare econometrische modellen maar zij roepen daardoor veel meer implementatieproblemen op. In feite staan de twee modeltypen voor de twee maatschappelijke 'paradigma's' (Bons, 1982) die er in het geding zijn: 'the paradigm of growth and distribution', d.w.z. het traditionele economische paradigma, en daartegenover het 'paradigm of ecologism'. rn wezen zijn deze paradigma's onverenigbaar omdat zij de werkelijkheid in geheel verschillende termen beschouwen. Het is daarom des te interessanter om te zien hoe het oorspronkelijke 'vergeten scenario', dat de denkbeelden van de milieubeweging goed weergaf, gekoppeld wordt aan het traditionele economische denken waarop de modellen van het Centraal Planbureau gebaseerd zijn. De milieubeweging dreigt hiermee de eigen invalshoek voor een belangrijk deel kwijt te raken en men kan zich afvragen tot op welk punt de achterban in dit spel mee wil spelen. De geschiedenis rond het lage energiescenario is een goed voorbeeld van model-gebruik dat verstrikt is geraakt in een politieke agenda-strijd. Kennis is hoofdzakelijk een machtsfactor. De autoriteit van de kennisproducent is belangrijker dan de kwaliteit van de kennis. Wetenschappelijk jargon wordt de geheimtaal van het politieke spel (zie ook De Man, 1~82). Ik heb dit voorbeeld gegeven om te laten zien hoe twijfelachtig, en in feite zinloos, het gebruik van - op zichzelf goedbedoeld - modelonderzoek kan zijn in een proces van overheidsbeleid.

8. Besluit Ik zou willen besluiten met een viertal aandachtspunten voor modelonderzoek ten behoeve van overheidsbeleid. 1. voordat men besluit tot het opzetten van modellen t.b.v. overheidsbeleid, dient men een gedegen studie te maken van de besluitvormingssituatie en zich af te vragen of de besluitvorming wel in de eerste plaats gebaat is bij het verbeteren van de inhoudelljke rationaliteit. 2. wetenschappelijke kennis (bijv. modelonderzoek) houdt vrijwel altijd een bedreiging in van bestaande standpunten. Modelonderzoek zal daarom in de regel leiden tot moeilijkere besluitvorming. 3. in het politieke spel rond het gebruik van wetenschappelijke informatie (bijv. modelonderzoek) wordt informatie die bedoeld is om problemen op te lossen niet zelden gebruikt om problemen te scheppen of te vergroten. 4. de pretentie van systeemanalytische modellen (zoals de in deze bundel behandelde simulatiemodellen) is het verbeteren van beleid. Het zou zinvol zijn het werkelijke gebruik van deze rnodellen in de praktijk empirisch te onderzoeken. Daarbij moet men een gepaste afstand in acht nemen tot de belangen van modelbouwers en beleidsmakers.

80

literatuur Abma, E., Jaegers, H.P.M., &Kempen, G.J. van. Kernenergie als maatschappelijke splijtstof, een analyse van een protestbeweging. In Esler, P., & Leeuw, F. L. F.ncl"aie aln maatcchtippr'lli.i'k pl"obleem. As sen: Van Gorcum, 1981.

Becht, H.Y., &Potma, T.G. Het CE-saenario, een reaZistisah alternatief. Delft: Centrum voor Energiebesparing, 1981. Bons, C.P. Left and right in a melting pot? Leiden: Sociologisch Instituut, 1982. Crozier, M., &Friedberg, E. L'aateuP et le systeme. Paris: Editions du SeuiJ , 1977. Daly, H. E. Energy demand forecasting: prediction or planning? AIP Journal, January 1976. Greenberger, M., et al. Modeln 1:n the polic-y proaess. New York: Russel Sage Foundation, 1976. Kickert, W. 0Pganization of decision making, a systems theoretical approach. Amsterdam/New York: Elsevier, 1979. Koreisha, S., &Stobaugh, R. Limits to models. Appendix to: Stobaugh, R., &Yergin, D. EnePgy FUture. New York: 1979. Leeuw, A.C.J. de. Systeemleer en organisatieontwerp. In Hanken, A.F.G., & Oud, J.H.L. (red.). Ondememing en overheid in FJyHtr!emdynmm:nah perspectief. Den Haag: Academic Service, 1982, p. 59~90. Leeuw, A.C.J. de. OrganinatimJ, managf!mC'nt, rma7,ynf', ont1,1~erp f'n t!rJrandt?Y'1:ng. Assen: Van Gorcum, 1982. Lovins, A.B. Soft enePgy paths - toward a durable peaae. New York: Harper, 1979. Man, R. de. ComputermodeZten en energiebeleid. Afstudeerscriptie. Groningen: 1977. Man, R. de. Modelstudies en energiebeleid. Intermediair, 04-08-1978. Man, R. de. Toekomstonderzoek en energie - van voorspellen naar kiezen. In Doorn, J.W.M. van, &Vught, F.A. van (red.). NedePland op zoek naaY' zijn toekomst. Utrecht: Het Spectrum, 198la. Man, R. de. Energie en informatie. Intermediair, 22-05-198lb. Man, R. de. Energy Models and the policy process - the Dutch scenario game. PoZiticotogenetmaal. Helvoirt, 1982a. Man, R. de. Energie-effiaienay en effectioiteit van besluitvorming. leiden: Werkgroep Energie~ en Milieuonderzoek, 1982b. & Rossum, J.A. van. Eerste In"ter;:£;;,-;;pp~rt vdn-h~t onderzoek"~ naar institutionele barrieres voor de realisering van energie-

Man, R de,

effiai~nte

woningen in de sector van de sociale woningbouw. Leiden: Werkgroep Energie- en Milieuonderzoek, 1982c. March, J. G. , & 01 sen, J.P. Ambiguity and Cho1:f'c> in o1'gani:::at£onr.. Bergen: Universit~tsforlaget, 1976. Molag, M., et al. Energie en industriele produktie. ESB, 64, 1979, p. 39. Potma, T. G. /lei verge ten :mrmario - mindero enr!P(Jie, tach welvaarot. Amster~ dam: Meulenhoff, 1979.

81

Toepassing van operations research in omwikkelingslanden Mijnheer de Rector Magnifieul; zeer gewaardeerde toehaorders.

Operations rea'earch ortderzoekers pretencleren simla jaren dat bun vugebied een ~ereedschap biedt om komplexe ,ekonomische vraagstukken in een onderlinge samenbang te bestud.aren. Welnu, veel problemen in ontwikkeli111slartden, zoala bijvoorbeeld onvoldaertde voedselproduktie, onz•kere voedselvoorziening, scOO!IImelende inkomsten ten gevolge van Uulttuerertd• werehl:lllarktprij$en, Jeb,rekkiae infras,trnktuur en gebrl!kki&e planning, zijn zulke vraag,stuldtim en een groot gedeelte van tle wereldbevollting gaat eronder &•bultt. Het is daarom g,erechtvaar4igd 0111 de vraq, die al 111eer den eens aan de orda gesteld is, namelijk of operations research aen bijdraae kan leveren aan de oplossing van dNe probleaten,opni- onder de aandacht te brengen. Ik 11111 dat vandaag doen. Voordat ik op deze vraag inga, zal ik eerat een korte historische scbeta geven v.an het vaktebied operations reuarch, zoals zieb dat in de westerse landen ontwikkeld beeft,~n zal ik een pogina doen om toe te lichten wat onder operations research verstaan wordt.

Historische schets van operations research 1\t zal beginnen met een vluchtige schets van de historhche ontwiltkeling van

operations research. Daarbij beperk ik me tot de ontwikkeling in bet westen en wijs erop, dat daardoor de schets eenzijdig is. Bijvoorbeeld wordt aan bet gebruik van operations research hij ekonoalische plannilll in centraal geleide ekonomieiin, zoals in Rusland 1), geen recht gedaan. De historische schets hoeft slecht-s kort te zijn, omdat de gescbiedenis zelf slecbts kort is, maar ook omdat hierover al vaak geschreven is 2). Sommige ortderwerpen uit de operations research zijn van vrij oude datum zoals bijvoorbeeld rond 1825 de wiskundige theorieiin van Gauss over stelael• lineaire vergelijkiagen, de tbeorie van Farkas en Minkowsky over lineaire oagelijkheden rond de laatste eeuwwissel ing, de berekeningen van wachttijden in het telefoonverkeer in Kopenhagen door Erlang in bet begin van deze eeuw, de tegel vaa Camp uit 1922 011 4e optimale bestelgrootte te bepalen, en de wisku&Biae aodellen voor de oraanisatie en planning van produlttie door de russiacbe wiskundige Kantorovich in de jaren voor de tweede wereldoorlog. Als vak&e•ied echter ontstond operations reaaarcb in de tweeds wereldoorlog. Vanaf dat moment aijn croepen onderzoekers met deaelfde achtergrond en belangatelling zich systeaatisch aet bet vakgebied beai& pan l:iouden. J>e a.- operatioflil research, een hooast onaeluk.kiae na11.111 v..... e bet nietszeggende karakter ervan, it zowel in bet engelse ala neder-

110dae taalsebied hardnekkia ingeburgerd. De nasa verraadt zijn ooraprong uit

aen mllitaire oaaevina. In Enaeland ward aan het begin van de tweede wereldocn"loa au ayatt~~Utisehe bestuderina van militaire operaties bij de J.oyal Air r~ree

opauet ortder de ftAII.III "operatiorut.l research". Daarna heeft in de VereStaten van Aaerika, vooral bij de lucbtaacbt, de syatematis~he planniag oa tij4ia te 'VOorzien i• de behoefte aan vliea- en grondperscneel alaaede

nil'a

aan onderdelen, 'onderhoudsachema'e e.d. een enorme stiaulans ceceven aen de ontwikkeling van operations research. boot' bet Ministetie van Defenaie werden reaearch-opdrachtan aegeven aan arote wetenschappelijke instituten zoala de Rand Corporation. wear operation• research veel aandacht gekreaen heeft. en ook kwa• op dlt terrain een nauwe aamenwerkin1 tussen Ministerie van Defensie

82

......

.,_~----

en amerikaanae universiteiten tot stand. Daarnaast kreeg de industrie, en met name de grote industrie, belangstelling voor operations research; eerst vooral in Engeland, later, na enige aarzeling, ook in de Verenigde Staten. De ontwikkeling van operations research is parallel gegaan aan de snelle ontwikkeling van de computer, Op dit ogenblik hebben alle grate industrieen operations retearch onderzoekers in dienst, terwijl het vakgebied in nagenoeg alle sektoren van het maatschappelijk leven toegepast wordt: de bosbouw, landbouw en veeteelt, mijnindustrie, transportplanning, wegen- en konstruktiebouw, ziekenhuilplanning enzovoort.

Wat is operations research? Aan operations research zijn vele karakteristieke eigenschappen toegedicht. Over aomaige bestaat redelijke overeenstemming, andere geven aanleiding tot . onenigheid en spraakverwarring. Eerst zal ik iets zeggen over enige kenmerken van operations research, waar.wel overeenstemming over bestaat. Operations r11earcb wordt vooral toegepast om praktische, technische, ekonomische en ,-•ttcbappelijke problemen te helpen oplossen. Daarbij wordt een wiskundig mo

    83

    rekentechnieken in de operations research. De nadruk op optimalisering heeft ook nadelige gevolgen gehad. Er werden ptetenties gewekt, die niet waar gemaakt konden worden. Maximale winst en optimale opbrengsten waren begrippen die het vooral in een industriele omgeving goed deden. Als je je waar zo pretentieus op de markt brengt, kunnen de resultaten alleen maar tegen vallen. Er is, vooral van de kant van bet bedrijfsleven, een golf van kritiek op oparationa reaearch loaaetomen, niet aileen ten gevolge van de nadruk op optilllaliteit, uar oolt vanwege de obaessie voor wiskundige technieken en de arote afatand tussen theorie en praktijk. Ret gaat te ver 001 hierover uit te _,.iden. Ik verwijs de gelnteresseerde lezer liever naar Ackoff (1979) en Ponat.tn (1979), die op deze kritiek uitvoerig ingaan. Graaa wil ik de

    ~ndacht

    vestigen op enkele visies op operations research,

    die veel verder gaan dan wat hiervoor over operations research gezegd is. Er zijn veel pogingen gedaan om operations reaearch te definieren. Toen de engelae'Operational Research Society een omschrijving van bet valtgebied in de statuten moest opnemen, waren er liefst 39 omschrijvingen in omloop. Deze engelse Society heeft uiteindelijlt de volgende omschrijving gekozen 3 ): "Operational r .. earch is the application of the methods of science to complex problems arbin& 'in the direction and management of large systems of men, machines, material&, and money in industry, business, government and defence. The diatinctive approach is to develop a scientific model of the system, incorporatini measurements of factors as chance and risk, with which to predict and compare the outcomes of alternative decisions, strategies, or controls. The purpose is to help management dete~ine its policy and actions scientifically". Ackoff en Saaieni 4) kwamen tot deze omschrijving: "Operations research can be considered as being the application of scientific method by interdisciplinary teams to problems involving the control of organized (manmachine) systems so as to provide solutions which best serve the purposes of th41 organization u a whole". Peze omschrijvingen, en voor zover mij bekend alle andere die er in omloop zijn, hebben de eigenschap, dat een buitenstaander er niet veel wijzer van wordt. Toch zijn deze omschrijvingen hier opgenomen om te laten zien, hoe omvangrijlt bet terrain is, dat tot operations research gereltend wordt. In beida omschrijvingen komt bet woord systemen voor. Bebalve operations research zijn er nog wel een half dozijn andere disciplines, die het begrip aysteem hoog in bet vaandel hebben staan. Ik noem, bijvoorbeeld, algemene aysteemtheorie·, systems analysis, system dynamics en industrial engineering. In een zich voortdurend verder specialiserende wereld ontspringen zulke loten als vanzelf vanuit verschillende vakdisciplines, zoals meet- en regelt~chniek,

    bedrijfsekonomie, wiskunde e.a. Pe loten hebben veel gemeen, alleen

    al, bijvoorbeeld, dat hun ontwikkeling in symbiose met de ontwiklteling van de computer plaats vond. Ik ga op de verschillen en overeenkomsten hier niet in, maar volsta met op te merken, dat de overlap met operations research groot is. Onlangs 5) heeft Van Beek aan de lange lijst van definities de volgende toegevoegd: "Operationele research Ievert gereedschap waarmee een beslisser in staat is de kwaliteit van zijn beslissingen te verbeteren door analyse van de omgeving waarvoor de beslissing relevant is". Deze omschrijving is z6 algemeen gesteld, dat er veal meer onder valt dan aileen operations research. Tenslotte moet iedereen en iedere instantie in het dagelijkse leven hondetden beslissingen nemen, waar de omgeving invloed op heeft. En er zijn heel veel "gereedschappen" om die beslissing~n beter te doen nemen, zoals bijvoorbeeld "alles eens netjes op een rijtje te zetten", door discussies in groepsverband, door

    o4

    inspraakorganen, door het inschakelen van deskundigen enzovoort.

    Toch is Van

    Beek's vage omschrijving zo gek nog niet, het is niet zo pretentieus, met anJere middelen kun je misschien inderdaad hetzelfde doel

    bereiken~

    Ik wil me niet san nog een nieuwe omschrijving wagen. Oat lijkt me niet nodig, maar wel wil ik tot slot van deze inleiding een kanttekening zetten bij het begrip interdisciplinaire aanpak, dat door veel operations research onderzoekers zo graag als visitekaartje gebruikt wordt. Het begrip interdisciplinaire aanpak moet zorgvuldig gehanteerd worden. Wanneer een groep mensen samen een wiskundig model opzetten om bijvoorbeeld de luchtverontreiniging in het Rijnmondgebied te bestuderen en een chemicus draagt gegevens over de soort vervuiling aan, de fysicus over de windsnelheid, de ekonoom over de kosten van maatregelen om de vervuiling tegen te gaan, de medicus over de gevaren voor de gezondheid, dan mag men dat terecht een multidisciplinaire studie noemen. Doordat een wiskundig model wordt opgezet, moeten de verschillende onderzoekers om de tafel gaan zitten en de problemen gezamenlijk bespreken. Men zou daar de konklusie uit kunnen trekken, dat zulke wiskundige modelbouw een interdisciplinair karakter heeft. Ik geloof dat deze konklusie niet gerechtvaardigd is. Een interdisciplinaire studie rnoet in mijn opvatting aan meer voorwaarden voldoen. In de eerste plaats moet naast de technisch-ekonomische ook de sociaal-politieke dimensie in de studie tot haar recht kornen. In de tweede plaats moet er sprake zijn van een gerneenschappelijke aanpak. Dat wil zeggen, dat de onderzoekers uit de diverse disciplines niet uitsluitend informatie verschaffen aan de modelbouwers, maar dat de opzet en de uitvoering van de studie door nauwe samenwerking tot stand komt. Voor een gemeenschappelijke aanpak rnoeten de onderzoekers elkaars ta~l leren verstaan en over de grenzen van hun vakgebied been kijken. Dit is niet eenvoudig. Of dit lukt is niet bet gevolg van operations research en wiskundige modelbouw. Sterker nog, wiskundige rnodellen dwingen al heel erg in een bepaalde richting en dit kan een interdisciplinaire aanpak zelfs in de weg staan. De meeste belangrijke problemen in de samenleving zijn niet alleen technisch of ekonomisch van aard, maar hebben ook een sociale of politieke dimensie. Operations research zal bij zulke problemen slechts een bescheiden rol kunnen apelen. Het ia een van de disciplines, die een steentje bij kunnen dragen. Dat ik aan operations research een bescheiden rol toeken, wil niet zeggen dat die rol onbelangrijk is. Integendeel. Door de wiskundige modelbouw komt men tot een grondige analyse van problemen. Er wordt inzicht verkregen welke faktoren belangrijk zijn en welke niet, en welke informatie nog ontbreekt. Orndat ik bij de wiakundige modelbouw nagenoeg ieder element baseer op een aanname of een vereenvoudiging word ik me acherp bewust op welke veronderstellingen ik mijn uitspraken baseer. Door berekeningen uit te voeren met bet model kan worden nagegaan of bepaalde wensen en verlangens met elkaar in strijd zijn. ledereen, die operations research in de praktijk heeft toegepast, weet dat dat een proces van vallen en opstaan is. In het begin ziet men dingen over bet hoofd, pas langzamerhand worden de problemen duidelijk. Dit bewustwordingsproces is· volgens mij bet belangrijkste aspekt van operations research. Het kan een nuttige bijdrage zijn om rnoeilijke problernen in een onderlinge samenhang te onderzoeken. Na deze inleiding kom ik op bet eigenlijke onderwerp: toepassing van operations research in ontwikkelingslanden.

    85

    Operations research en problemen in ontwikkelingslanden

    In 1957, toen in de westerse wereld de toepassing van operations research nog nauwelijks de kinderschoenen ontgroeid was, hield Ackoff, als president van de Operations Research Society of Ar.1erics, al een pleidooi voor toepassing van operations research in ontwikkelingslanden. Zijn aspiraties waren hoog, zoals blljkt uit het volgende dtaat 6 ): "I feel strongly that we should try to apply operations research in planning the development of underdeveloped nations. It aaea. to me that there is hardly anything operations research as a profession ~ould

    do which would contribute more to the possibility of international peace

    and JH'o•perity". Uet theatrale taalgebruik van Ackoff is in meer dan een opzicht karakt.eristiek. Het getuigt van een naief geloof in bet heil en de zegeningen van operations research en, algemener, in de onbegrensde mogelijkheden voor technologiscbe oplossingen van belangrijke wereldproblemen. Dit geloof sloot nauw aan bij de algemene ontwikkelingstheorieen rond de

    ~estiger

    jaren,

    waarin betoogd werd, dat de westerse samenleving model staat voor de ontwikkelingslanden en dat ontwikkeling hetzelfde is als modernisering. De ideeen van Rostow dat de ontwikkelingslanden op. den duur alle zullen overgaan in consumptiemaatschappijen met een boogwaardige technologie zoals het westen, hebben grate invloed gehad. Overdracbt van kapitaal en technologie zou dit moderniseringsproces versnellen. Operations research, dat een typisch tecbnologiscb produkt van bet westen is, zou een belangrijke rol kunnen spelen in dit moderniseringsproces en bet is dan ook niet zo verwonderlijk dat b.v. Ackoff in bet eerder aangehaalde citaat zo'n belangrijke rol aan operations research toekent. De ontwikkelingsplanning, waar in Nederland ook de naam ontwikkelingsprogrammering voor gebruikt wordt, beeft een groeiende belangstelling gekend, niet in het minst door de impuls die de ekonometrist Tinbergen eraan beeft gegeven. Hierbij wordt vooral ten behoeve van nationale

    ekono~ische

    planning in ont-

    wikkelingslanden veelvuldig gebruik gemaakt van wiskundige modellen. Dit onderzoek wordt merendeels verricbt in de kantoren van de grote internationale organisaties, zoals de Wereldbank, en ook in stafafdelingen van ministeries in sommige ontwikkelingslanden zelf. Wiskundige modellen ala hulpmiddel bij de voorbereiding van meerjarenplannen worden al geruime tijd toegepast in, bijvoorbeeld, India, Egypte, Indonesie, veel zuid-amerikaanse landen en verscheidene andere ontwikkelingslanden 7). Onder auspicien van de Wereldbank zijn in samenwerking met nationale regeringen van ontwikkelingslanden verschillende zeer omvangrijke studies opgezet waarbij wiskundige modellen een belangrijke rol speelden, b.v. de integrale studies over water- en elektriciteitsvoorziening in West- Pakistan als voorbereiding voor de vijf-jaren plannen van de 8 pakistaanse regering ); de studies door Wereldbank en mexicaanse regering over planning van de landbouwsektor in Mexico 9 ) en de ekonometrische modellen om de relaties tussen ekonomische groei, inkomensverdeling en werkgelegenheid in Indonesie te bestuderenlO). llehalve bij vraagstukken van nationale planning wordt operations research ten behoeve van ontwikkelingslanden nogal eens

    to~gepast

    bij andere groot-

    scbalige projekten, zoals aanleg van havens, transportplanning, busvervoer in grote steden en vooral ook op het gebied van waterbeheersing en waterreservoirs. Van zulke studies onttrekken vele zich aan de publieke waarneming, om-

    86

    dat zij uitgevoerd worden door ingenieurs-bureau's en adviesbureau's, waarvan de rapporten niet openbaar zijn. Op net gebied van waterreservoirs, bijvoorbeeld, heeft ieder ingenieurs-bureau dat gespecialiseerd is op net gebied van bet ontwerpen van dammen, een staf van systeem-analisten en computerdeskundigen in dienat, die de meest geavanceerde berekeningen uitvoeren om de maximale elektriciteits-opwekking, de hoogte van de dam, irrigatie potentieel en optimale regeling van de waterdoorlaat te bepalen. Operations research berekeningen apelen hierbij een belangrijke rol. De ontwikkelingslanden bebben lang niet altijd voldoende deskundigen om zulke studies op hun merites of zwakheden te kunnen beoordelen. Soma moeten buitenlandse deskundigen ingehuurd worden om de rapporten van andere buitenlandse deskundigen te bestuderen. Tijdens een seminar voor stafleden en technici van het Ministerie van Verkeer en Wateretaat in Tanzania, waar ik uitgenodigd was om een lezin6 te houden over wiskundige modellen in de weg- en waterbouwkunde, was deze ervaring aanleiding tot een apontane, soma emotionele, diskussie hoe ontwikkelingslanden in zulke situaties met huid en haar overgeleverd worden aan financiers en deskundigen uit de donorlanden. De diskussie toonde aan, hoeveel waarheid er schuilt in 11 de opmerking van Dos Santos ), dat de snelle ontwikkeling van wetenschap en technologie in het westen de belangrijkste vorm van "dominantie" over de ontwikkelingslanden is. In de diskussie tijdens bet seminar werd een pleidooi gehouden voor meer en betere technische opleidingen als een van de voorwaarden voor selfreliance. Nooit hoorde ik spontaner pleiten voor universitair en boger beroepaonderwijs in ontwikkelingslanden naast andere meer elementaire vormen van onderwijs. Samenvattend zou ik willen stellen, dat operations research ten behoeve van ontwikkelingslanden vooral toegepast wordt bij grootschalige projekten en onderzoeken, die vaak uitgevoerd worden op initiatief van instanties met hoofdkantoren in de westerse Ianden, in samenwerking met overheidsinstanties in de ontwikkelingslanden. lk moet hier aan toevoegen, dat er meer dan eens 12 ) kritische kanttekeningen gemaakt zijn bij bet gebruik van wiskundige modellen bij vraagstukken van nationale planning. Argumenten werden aangevoerd, dat de uiteindelijke nationale plannen vooral afhangen van politieke besluitvorming en politieke machtsetrijd, waarmee in de modellen nauwelijks rekening kan worden gehouden, dat een goede planning in ontwikkelingslanden vooral afhangt van goede administra, __ ti~V:~ __!!at_emen en aanwezigheid ·van geschoold kader en niet van de aanwezigheid

    van komplexe modellen die bijna niemand kan begrijpen, dat meestal te weinig gegevens bekend zijn om betrouwbare modellen op te zetten en vele andere argumenten. Ik ben bet in grate lijnen met deze kritiek eens. lk wil er nog een punt van kritiek aan toevoegen, dat in kringen van beoefenaars van operations research en wiskundige economie niet vaak gehoord wordt. Dit argument hangt samen met de meer recente onderontwikkelingstheorieen, waar de neokolonialistische afhankelijkheidsrelatie tussen de rijke en de arme landen als oorzaak wordt gezien van de

    onderon~ikketing

    van de derde wereld. Door veel aanhan-

    gers van onderontwikkelingstheorieen worden planningsmodellen en andere ekonometrische modellen gezien als machtsmiddel in handen van de rijke dominerende landen. Dit geldt te meer, omdat in de ontwikkelingslanden de deskundigheid om dergelijke modellen te kunnen opzetten en beoordelen dikwijls nog ontbreekt. Het feit dat veel ekonometrische modellen voor ontwikkelingslanden geinitieerd of gefinancierd worden door b.v. de Wereldbank maakt de aanhangers van onderontwikkelingsthcorieen aileen maar meer argwanend. Ik deel deze argwaan. Bovendien vrees ik, dat door deze eenzijdige benaderinp, veel belangrijke problemen in ontwikkelingslanden, met name van de masse's van de bevolking, te weinig aandacht krijgen.

    87

    Voetnoten I, Over bet gebruik van wiskunde bij ekonomische planning in Rusland, heeft

    o.a. Zauberman (1975, 1976) geschreven. 2. Zie bijvoorbeeld Dantzig (1963), hoofdstuk 2; Lootsma (1975), Van Seek (1978), Fortuin en Van Seek (1980). 3. Aangehaald in Duckworth (1977), blz. 1. 4. Zie Ackoff, Sasieni (1968), blz. 6. 5. Zie Fortuin en Van Seek (1980), Van Seek (1978). 6. Zie Ackoff (1957), blz. 458. 7. Een overzicht van verschillende voorbeelden van operations research-modellen bij planning in ontwikkelingslanden wordt gegeven in Vidal (1973), hoofdstuk 4. Zie ook bet artikel over operations research en ontwikkelingsplanning van Cornelisse (1980). 8. Zie Lieftinck (1980). 9. Zie Manne (!973). 10. Zie Gupta (1977). II. Zie DosSantos (1968), aangehaald in Sagasti (1973), blz. 51. 12. Hitch heeft ernstige kritiek geleverd op Ackoff's nadruk op toepassing van operations research bij problemen van nationale planning van ontwikkelingslanden, zie Hitch (1957) en Ackoff's repliek op deze kritiek, Ackoff (!958). Chi-Yuen Wu heeft, op grond van zijn ervaring als director of the United Nationa Public Administration Division, een uitvoerige opsomming gegeven van allerlei problemen, die bij het gebruik van operations research bij ontwikkelingsplanning optreden, zie Wu (1970). Sagaati plaatste een serie kritische kanttekeningen bij bet gebruik van operations research in Peru, zie Sagasti {1972). Vidal drukt zich bijzonder kritisch uit over deskundigheid van operations res,arch specialisten, wanneer hij als samenvattende konklusie van zijn onderzoek over de rol van operations research in ontwikkelingslanden schrijftl" •.• those experts will as a rule overemphasize technical and economic aspects and those attitudes will contribute to social irresponsibility and political na'iveness", zie Vidal (1973), blz. 157.

    Literatuur Ackoff, R.L., (1957), "Operations Research and National Planning", Operations Research, 5, 457-468. Ackoff, R.L., (1958), "On Hitch's Dissent on "Operations Research and National Planning" ", Operations Research, 6, 121-124. Ac,koff, R.L., Sasi~ni, M.~~ •• (!968}, "Fundamentals of Operations Research", Wiley. Ackoff, R.L., (1979), "The Future of Operational Research is Past", J. Opl. Res. Soc., Vol. 30, 2, 93-104. Beek, P. van (1978), "Operationele Research: Begin van bet einde of ••• einde van bet begin", Inaugurale rede Landbouw Hogeschool Wageningen. Corneliue, P .A., (1980), "De praktijk van Operations Research; Operations Research en Ontwikkelingsplanning", Intermediair, 16e jaargang, no. 47, blz. 39 e.v. Dantzig, G.B., (1963), "Linear Programming and Extensions", Princeton University Press. Doe Santos, T., (1968), "El Neuvo Caracter de la Dependencia", La Neuva Dependencia {Lima: tfoncloa Csmpondonico Editores}. Duckworth, E.W., Gear, E.A., Lockett, A.G., (1977), "A guide to Operational Research", Jrd ed., Chapmann & Hall. Fortuin, L., Van Seek, P., (1980), "De praktijk van de Operations Research/!; Operations Research in de industrie", Intermediair, no. 39, 26 sept. 1980. Goudriaan, J., Van Laar, H. H., ( 1978), "Calculation of daily totals of the gross co assimilation of leaf canopies", Neth.J .Agr.Sc., 26, p. 373-382. 2

    88

    Gupta, Syamaprasad (1977). "A model for Income Distribution, Employment, and Growth; A Case Study of Indonesia", Worldbank Staff Occasional Paper no. 24, John Hopkins Press. Hitch, C., (1957), "Operations Research and National Planning -A dissent", Operations Research, 5, 718-723. Lieftinck, P., Sandove, A., Creyke, T., (1968), "Water and Power Resources of West Pakistan - A Study in Sector Planning", \lorld Bank Study Group, 3 Volumes, John Hopkins Press. Lootsma, F.A., (1975), "Afdalen in de arena", Inaugurate rede, TH Delft, Delftse Universitaire Press. Manne, L.M., Goreux, A.S., ( 1973), "Multi-level planning: case studies in Mexico", North-Holland, Amsterdam/London. Myrdal, G., (1972), "The Challenge of llorld Poverty; A World Anti-Poverty Program in .Outline", Vintage Books. Papousek, D.A., (1980), "Sociale en Culturele Aspecten van Modernisering", Leergang Ontwikkelingsproblematiek, Rijksuniversiteit Groningen. Ponstein, J., (1979), "OR in de jaren zeventig", voordracht tijdens de viering van het IQ-jarig bestaan van de Interfakulteit Ekonometrie van de Rijkauniversiteit te Groningen op 28 september 1979. Sagasti, F., (1972), "Management Science in an Underdeveloped country: The Case of Operations Research in Peru", Management Science, vol. 19, 2, 121-!3!.

    Sagasti, F., (J 973), "Underdevelopment, Science and Technology: The point of view of the Underdeveloped countries", Science Studies, 3, 47-59. Schweigman, C., (! 979), "Doing Mathematics in a Developing Country; Linear programming and applications in Tanzania", Tanzania Publishing House. Schweigman, C., (1979), "Tanzania stelt wiskunde in dienst van de dorpsontwikkeling; Operational Research kleinschalig toegepast", Overzicht Internationale Universitaire Samenwerking, jaargang IX, no. 3, blz. 3-7. Tinbergen, J., (1964), "Possibilities for Application of Operational Research to Probler.ls of Development", Management Science, Vol. 10, 2, 193-197. Vidal, R. V.V., {! 973), "The Role of Operations Research in Underdeveloped Countries; An Appraisal", Institute of Mathematical Statistics and Operations Research; Technical University of Denmark, Lyngby, Denmark. De Wit, C.T., (1965), "Photosynthesis of leaf canopies", Agr. "!es. Rep., no. 663, Pudoc, Wageningen. De Wit, C.T., VanLaar, I!.H., Van Keulen, 11., (1979), "Physiological Potential of Crop Production", in: Plant Breeding Perspectives (eds. Sneep, J., Hendriksen, A.J.T.), Pudoc, Wageningen. Wu, Chi-Yuen, (1970), "Operations Research for Developing Countries: The Potential of and the ~roblems relating to the use of Operations Research in the planning and Managing of Development", International Review of Administration Sciences, 2, 99-108. Zauberman, A., (1976), ":-iathematical Theory in Soviet Planning", Oxford University Press. Zauberman, A., (1975), "ttather.~atical Revolution in Soviet Economics", Oxford University Press.

    89

    ME EN ALS RISlCO- FAKTOREN In J¥)(1ellen ~· betxekldnq hebben op menselij k handelen worden ~

    zekedlecsen in lllfi'.RMlijlt qedraq 6f buiten beschouwinq 9el.aten 6f C)U~~ tb,\ ri*icafac::toren . Schiet bet 9ebrUik van .xtellen

    bij' bealUl~sen bier z • n doel niet voorb1j? Le14t eeft

    IIOdel.Mtic.Je benadez"i119 '9'an allerlei complexe menaelljke akt.ivitei-

    tea nie't

    tot. bet verc!wtjnen

    van alles wat llell&elijk ia illt. aulke

    beachouw,t.nqen?

    Ket aavolga04e .rtikel qeeft meer een introductie op de 4entwij•e

    van de laa.tate. epzeker 1n de cyclus dan op deze vraagatelling De voor«kacbt vu pz:of. Galjaar
    prabl-.tiek J"bnlt 8:M581len en besluitvorminq gaan.

    90

    ARBEIDSORGANISATIE, ROBOTICA, EN INFORMATISERING over de tirannie van de mono-rationele denkwijze

    l H. Galjaard uit : Ekonomisch- Statistische Berichten 21/28- 12- 1983.

    91

    Arbeidsorganisatie, robotica en informatisering Over de tirannie van de mono-rationele denkwijze DR. IR. J. H. GAUAARD*

    De arbeidsorganisatie zoals die in de industriele revolutie is ontstaan, heeft een ontwikkeling Iaten zien van steeds verdergaande beheersing van de menselijke activiteiten binnen het produktieproces. Het begin daarvan was het bijeenbrengen van arbeiders in fabrieken. Het recentste gevolg is de automatisering en robotisering, die de mens weer uit de fabriek verdrijven. In deze visie op de ontwikkeling van de arbeidsorganisatie, die in dit artikel wordt uiteengezet, loopt een rechte lijn van Smiths arbeidsdeling via het Taylorisme naar de robotica. De auteur ziet de informatisering als de algemeen-maatschappelijke pendant van de wetenschappelijke bedrijfsvoering, waarbij ook het menselijk handelen buiten het produktieproces beheersbaar en programmeerbaar wordt gemaakt. Het einde van de vrijheid van het individu kan daardoor dichterbij liggen dan velen nu denken. 1. Inleiding Zo'n twechondcrd jaar gdeden kwam ccn proces op gang waarbij mensen door middel van dwang en overreding bijeengebracht wcrden in ,,fabrieken". Daar werd hen gaandeweg geleerd hoe zij zich als arbcider hadden te gedragen. Dit alles gebcurde overeenkomstig geheel nieuwe ideeen, die stapsgewijs werden uitgewerkt tot principes van arbcidsorganisatie. Thans zijn we er getuige van dat overeenkomstig diezelfde principes mensen de ,fabrieken" 1) worden uitgedreven, terwijl hun plaatsen aan ,robots" worden toegewezen. Daarom rijst het vermoeden dat de principes van arbeidsorganisatie weinig met menselijke arbcid te maken hebben. Dit vermoeden wordt bcvcstigd wanneer de ontwikkeling van deze principes in bcschouwing wordt genomen. De principes van arbeidsorganisatie die dominant geworden zijn, blijken vooral principes van gedragsbcheersing te zijn, dat wil zeggen principes die ook aan robotica ten grondslag liggen. Echter. indien de principes van arbcidsorganisatie principes van gedragsbcheersing zijn, is hun werking niet bepcrkt tot ,fabrieken". Een nieuwe mogelijkheid dringt zich op: nadat mensen geleerd is hoe zij zich hebbcn te gedragen in het ,produktiesysteem", zal hen nu geleerd worden hoe zij zich hebben te gedragen in een , technologische maatschappif'. De tekenen van deze ontwikkeling worden zichtbaar in het verschijnsel ;,informatisering". Het jaartall9841ijkt een goede aanleiding om hierbij stil te staan.

    2. Principes van arbeidsorganisatie

    lndustriiile arbeidsverdeling Het bijeenbrengen van mensen in fabrieken (einde 18e/bcgin 19e eeuw) wordt gezien als het belangrijkste aspect van wat later de eerste industriele revolutie is genoemd. Doel van deze concentratie op de werkplek was een betere beheersing van de kwalitatieve en kwantitariew rcsultaten van arbeid van mensen. Bet was de bckcndc cconoom Adam Smith ( 1723-1790) die aan bet begin van die pcriode een dcr belangrijkste bouwstenen leverde van cen managementtheoric die het mogelijk zou maken de gcdragingen van produktiewerkers vrijwel volledig onder controle te krij-

    gen en daardoor hun produktiviteit tot ongekende hoogte op te voeren. Deze bouwstecn is het principc van industriele arbeidsverdeling. De werking van dit principe werd door Adam Smith als volgt verklaard: ,De grate toename in de hoeveelheid werk die als gevolg van de verdeling van arbcid hetzelfde aantal mensen kan verrichten, is te dank en aan drie verschillende oonaken: in de eerste plaats aan de tocnemende vaardigheid van elke afzonderlijke arbcider; in de tweede plaats aan de besparing van tijd die doorgaans verloren gaat met het overschakelen van het ene karwei op bet andere; en ten slotte aan de uitvinding van een groat aantal hulpmiddelen die het werk vergemakkelijken en bckorten en man in staat stellen het werk te doen van velen". De redenering lijkt overtuigend en Smith illustreert haar met praktische voorbcelden. Maar de toepassing ervan vraagt tijd. En oak de theorie-ontwikkeling met bctrekking tot deze nieuwe produktiewijze gaat langzaam, al is de basis reeds duidelijk gelegd. Het duurt zelfs tot omstreeks bet midden van de 19eeeuw voordat Charles Babbage (1792-1871) komt met een verdere verklaring vooren legitimering van - het principe van industriele arbcidsverdeling. Hij breidt de argumentatie van Adam Smith als volgt uit: "" .. dat de fabriekseigenaar, door bet werk dat moet worden uitgevoerd te verdelen in verschillende taken, die elk verschillende graden van vakmanschap of lichaamskracht vergen, juist die preciese hoeveelheid van elk kan kopen die nodig is voor elke afzonderlijke taak; terwijl, indien het gehele werk door een arbeider gedaan zou moeten worden, die persoon voldoende vakmanschap zou moeten hebben om de moeilijkste - en voldoende lichaarnskracht om de zwaarste bewerking te kunnen verrichten van de bewerkingen waarin het ambacht is verdeeld". De uitspraken van Smith en Babbage Iaten zien dat arbcid van mensen subject wordt van een theorie die bcrust op een uiterst simpele ,spel-definitie". Wat telt is de hoogste opbrengst bij de laagste kosten. Ter wille daarvan wordt ,werken" gereduceerd tot fragmenten van bewerkingen. Het bcgrip ,werken" ondergaat door

    een

    ·-----·--------• Verbomkn aan de Intcruniversitairc lnterfacultcit Bctlrijfskunde tc Delft. 1) Het wordt aan de lezer overgelaten t~m waar nodig bet beg rip ~fabri~k '' uit te brciden tot "plaatsen waar mensen m georgamseerd verband arbe1d verrichten".

    92

    easy head movements 6o•m(JII

    ~i ~

    ;

    1:

    50%1de

    ~-~:Z_ s_ !~

    I

    !(;'

    -compressed •eoi hf to.ht ~0,%

    deze benadering een fundamentele verandering. Mensen verkopen niet Ianger de resultaten van hun werk, zij verkopen hun werkkracht. Dat wii zeggen, zij verkopen hun vermogen om werk te verrichten gedurende een bepaalde tijd. De wijze waarop van hun werkkracht gebruik wordt gemaakt, de wijze waarop hun werkkracht in werk wordt omgezet, is niet Ianger hun zaak, maar die van de fabriekseigenaar en later die van de professionele manager. Voor de omzetting van werkkracht in werk wordt bet theoretische principe van industriete arbeidsverdeling bepalend. Mensen worden daardoor met betrekking tot hun werk verwisselbaar en programmeerbaar. Babbage was overigens zijn tijd vcr vooruit. Hij zag helder in dat de voordelen van industriele arbeidsverdeling niet beperkt waren tot de fabrieksvloer en deed de uitspraak dat , verde ling van arbeid met hetzelfde succes kan worden toegepast op rowel hoofd- als handwerk en dat dit in beide gevallen tot dezelfde tijdbesparing leidt". Babbage heeft daarin volkomen gelijk gekregen. De theorie van industriele arbeidsverdeling is algemeen toepasbaar gebleken en heeft vrijwel geen enkele soort arbeid ongemoeid gelaten.

    Wetenschappelijke bedrijfsvoering Van hen die de Iijn die door Adam Smith en Charles Babbage was uitgezet hebben doorgetrokken, is vooral Fredrick Taylor bekend geworden. Taylor (1856-1915) nam de principes van industriele arbeidsverdeling op in een vee! meer omvattende managementtheorie, waaraan hij de naam ,scientific management" gaf, een term die vertaald is met ,wetenschappelijke bedrijfsvoering". Met zijn ,scientific management" paste Taylor ,de wetenschappelijke methode" toe op het probleem van bebeersing van arbeidersgedrag in complexe organisaties. Taylor gedroeg zich met betrekking tot dat probleem als een gedrevene, zoals blijkt uit devolgende uitspraak: , Werkers die aileen geeontroleerd worden door middel van algemene opdrachten en disciplinaire maatregelen worden niet adequaat gecontroleerd, omdat ze hun greep op bet arbeidsproces behouden. Zo lang zij hun werk zelfbeheren, zullen zij pogingen om hun arbeidskracht volledig te Iaten benutten dwarsbomen. Om deze toestand te veranderen moet de controle over bet arbeidsproces overgaan in ban den van bet management, niet alleen in formele zin, maar in de zin van controle en dictaat van elke stap van bet proces, de manier van uitvoering inbegrepen. Om dit te bereiken is geen inspanning te groot, geen moeite overdreven, omdat de resultaten ruimschoots zullen opwegen tegen deze veeleisende en kostbare ondememing." Het ging Taylor dus om bet zo mogelijk volledig beheersen van bet gedrag van arbeiders, ter wille van de boogst denkbare ,produktiviteit". Het principe van industriele arbeidsverdeling bood hem daartoe de potentiele mogelijkheid, maar hij zag dat bij verder zou

    moctcn gaan. Hct bchecr van hun werk zou volledig aan arbeidcrs muctcn worden ontnomcn, opdat hun arbeidskracbt volledig ter bescbikking zou komen van management en volledig benut zou kunnen worden voor door management gestelde doelcn. Taylor vatte zijn principes van scientific management a is volgt samen: 1. management dient de last op zicb te nemen aile traditionele kennis te vergaren die in bet verleden in hct bezit was van de werker, en vervolgcns deze kennis te classificeren, tc tabellariseren en tc reduceren tot regels, wetten en formulcs; 2. elk denkbaar hersenwerk moet van de werkvloer worden verwijderd en worden samengebracbt in planning- en layout-afdelingen; 3. het werk van elke arbeider moet minstcns ceo dag tevoren door het management worden gepland, en elke man ontvangt in de meeste gevallen complete geschreven instructies die in detail de taak besehrijven die hij dient te verrichten en de middelen die hij client te gebruiken; die taakbeschrijving speeificeert niet aileen wat gedaan moet worden, maar ook hoe bet gedaan moet worden en binnen welke tijd. Het eerste principe is bet principe van scheiding tussen de werker en zijn vaardigheden; ze worden hem afgepakt. Het tweooe principe is het principe van scheiding tussen denken en doen. Men heeft dit ook wei bet principe van scheiding tussen hoofdwerk en handwerk genoemd, maar dat is minder juist. Want ook hoofdwerk kan onderworpen worden aan bet principe van scbeiding tussen denken en doen, zoals bij voorbeeld blijkt uit toepassing van de principes van scientific management op administratieve beroepen en op het ontwerpen. Nadat volgens het eerste principe kennis van bet arbeidsproces is vergaard en verder wordt ontwikkeld en gestandaardiseerd, wordt deze kennis volgens bet tweede principe geconcentreerd in de domeinen van management. De werker hecft tot deze kennis geen toegang. Ze is hem afgenomen, met zijn afgedwongen hulp (door middel van ,arbeid-studie") verder ontwikkekl en gefragmentariseerd en buiten zijn ervaringswereld geplaatst, waardoor ze uit zijn geheugen is verdwenen. Nu treedt het derde principe in werking: het principe van bet gebruik van het monopolie over deze gefragmentariseerde kennis ten einde elke stap van bet arbeidsproces en de wijze van uitvoering te kunnen controleren. Taylors goede bedoelingen hoeven bij dit alles niet in twijfel te worden getrokken. Hij was er van overtuigd, evenals velen van zijn volgelingen, dat de voordelen van zijn wetenschappelijke bedrijfsvoering ook aan de arbeiders ten goede zouden komen. Dat hij die arbeiders daarbij degradeerde tot schakels in een produktiesysteem, achtte hij kennelijk een noodzakelijk offer voor een goede zaak. Taylor vatte zijn theorie kemachtig samen in de volgende basisstelling: , There is a best way in doing everything and that best way can always be formulated into certain rules; you can get your knowledge away from the old chaotic rule-of-thumb knowledge into organized knowledge".

    Methodenstudie en normstelling Taylor legde met zijn wetenschappelijke bedrijfsvoering de bssis voor een sedertdien voortdurend proees van methodenstudie en normstelling voor menselijke arbeid. Bedaux, een volgeling van Taylor, ontwikkelde in dit verband bet begrip ,arbeidseenheid". Ecn arbeidseenheid is volgens Bedaux een hoeveelheid arbeid, die: a. een normale man; b. onder normale omstandigheden; c. volgens de optimale methode; d. in normaal tempo werkend; e. met normale inspanning; f. in 1 minuut kan verrichten. Door middel van Bedaux' theorie kan met behulp van een proefpersoon per karwei de zogenaamde arbeidswaarde in honderdsten van arbeidseenheden worden vastgesteld. Het is echter een tijdrovende en daardoor kostbare aangelegenheid, en daarom aileen economiseh verantwoord bij zich herbal end werk, dat wil zeggen bij grote series en massafabricage. Gilbreth, eveneens een volgeling van Taylor, had voor dit pro-

    93

    bleem echter reeds een oplossing gevonden. Hij zag de mogelijkheid om eens en voor altijd aile elementaire bewegingselementen te meten en vast te leggen om met behulp daarvan aile eventueel voorkomende bewegingen synthetisch te kunnen samenstellen en van tijdnormen te kunnen voorzien. Gilbreth onderzocht en classificeerde aile elcmentaire bewegingen van het menselijk liehaam. Hij beschouwde zeals bouwstenen van elk soort werk en maakte zijn naam onsterfelijk door deze bouwstenen,Therbligs" te noemen, het anagram van zijn eigen naam. Deze bouwstenen werden geconstrueerd door middel van duizenden filmopnamen. Hij ontwikkelde zogenaamde ,Therblig-charts". Door middel hiervan werd aan elke basisbeweging een naam en een tijdnorm in tienduizendsten van een minuut verbonden. Elk van deze bewegingen werd in machinetermen besehreven. Buigen werd bij voorbeeld: ,een rompbeweging met de heupen als schamieren". Deze basisbewegingen werden onderverdeeld in gedetailleerde bewegingstypen. De beweging ,grijpen" (,grasp") werd bij voorbeeld onderverdeeld in: G 1: ,contact grasp"; G2: ,pinch grasp"; G3: ,wrap grasp"; G4: ,regrasp''. De therblig ,transport empty" werd onderverdeeld naar afstanden; de therblig ,transport loaded" naar afstanden en het gewicht van de last. Het pakken van een velletje papier houdt bij voorbeeld in: ,transport empty", ,pinch grasp", ,,transport loaded", elk voorzien van een standaardtijd in tienduizendsten van een minuut. Op basis van het werk van Gilbreth zijn verscbillende systemen ontwikkeld die bekend zijn geworden onder de verzamelnaam PTS (,pre-determined time systems"). Ze zijn meer of minder gedetailleerd uitgewerkt, athankelijk van bet doe! en worden toegepast voor werkzaamheden die lange tijd ontoegankelijk leken voor ,wetenschappelijke bedrijfsvoering". Een tamelijk recente poging om deze lijn door te trekken is van Clay, die in 1974 in bet tijdschrift Workstudyeen artikel deed verschijnen met als titcl ,A classification and terminology of mental work". Clay ondcrscbeidt hierin in de eerste plaats ecn hierarchic van fysickc arbeid: taak, bewerking, bewcrkingsclement, therblig. De ecrste drie, zo constateert hij, zijn algemene concepten, die ook op men tale arbeid van tocpassing zijn. De therblig is eehterspecifiek voor fysiekc arbeid. Hct plaatjc zou compleet zijn (zegt Clay), als naast de therblig voor fysieke arbeid de ,yale" voor mentale arbeid zou worden ingevoerd. Hij classificeert vervolgens zijn yalcs in ,input-yalcs'', ,output-yalcs" en ,processing-yates" en geeft aan hoe deze elk kunnen worden onderverdeeld in ,men tale bewerkingen ". Hij definieert ,zien" als de passieve ontvangst van zicbtbare signalen en ,kijken" als de actieve ontvangst van zichtbare signalen. Op vergelijkbare wijze definieert bij ,horen" als de passieve ontvangst van geluidssignalen en ,luisteren" als de actieve ontvangst van geluidssignalen. V oor de aandachtige lezer zal bet niet moeilijk zijn om nude overslap te maken naar titel en inhoud van de volgendc parag:raaf.

    3. Robotica

    In de inleiding werd het vermoeden uitgesproken dat de principes van arbeidsorganisatie weinig met menselijke arbeid tc maken zouden bebben. Na het voorgaande is dit vermoeden bevestigd. De principes van arbeidsorganisatie blijkcn vooral principes van gedragsbebcersing te zijn, dat wil zeggen principes die ook aan robotica ten grondslag liggen. Ze rcconstrucren mensen tot ,kunstmen~en··, hi.t wie ,huigcn" ~cdt'finieerd wonlt als ,~o•cn rnmpllcweging met de hcupcn als scharnicren" en ,zicn" lx•boort tc worden omschrcvcn als ,de passicve ontvangst van zichtbare signalen '', tcrwijl ook ,denken" aan regels is onderworpen (zie onder Wetenschappelijke bedrijfsvoering). Robotica, de leer aangaande de kunstmens, is een Jeer die niet in de eerste plaats over apparaten blijkt te gaan, maar over mensen van vices en bloed. Zij waren en zijn bet studiemateriaal dat moet belpen bij de constructie van .,de ideale werker". Die mag van vices en hlncd of van mctaal \"11 k•m~tstof;ijn, hnnfdmak is dat :cijn gnlrngingcu b.;·IH:n\bi.tat I.IIH, dal koru~lrg

    Wlltt"ggt~ll

    dat hiJ

    hun·ttnu(~Cff t>\:Cif'C'II

    voorhedadlle .:onstrm:ti.:s. Dit: constrw.:ties h..:trelfen, zo·

    als we bcbben gezien, zowel fysieke als mentale handelingen. Beheersbaarheid is het hoofdprincipevan arbeidsorganisatie, ondanks de bezwaren die er tegen zijn gerezen. Pogingen in theorie en praktijk om alternatieven voor Taylors wetenschappelijke bedrijfsvoering te ontwikkelen hebben niet kunnen verhinderen dat het denkmodel dat dit type bedrijfsvoering beeft voortgebracht, dominant is gebleven. Het is dit denkmodel dat leiddc tot het bijeenbrengen van mensen in fabric ken. Het is ditzelfde denkmodel dat hen er thans uitdrijft, want machines zijn nu eenmaal beter beheersbaar dan mensen. Het misvcrstand dat dit proces zijn ,natuurlijke grens" vindt in werkzaambeden die niet kunnen worden geroutiniseerd, is begrijpelijk en daardoor ook hardnekkig. Want de gedachte dat ten slotte ,alles" routiniseerbaar zou blijken te zijn, is weinig aantrekkelijk. Toch zal duidelijk zijn dat er geen grenzen zijn aan bet programmeerbaar maken van denken en handelen van mensen indien men uitgaat van Taylors stelling: ,Er is een goede methode voor alleswat gedaan moet worden en die methode kan altijd in regels worden vastgelegd ". Vanzelfsprekend gaat het toepassen van deze reconstructieregel gepaard met fundamenteel kwaliteitsverlies, dat tot uitdrukking komt in het woord ,dehumanisering". Maar de regel werkt uit een oogpunt van beheersing uitstekend en is dan ook bet leidend principe van organisatieteehnologische ontwikkeling. Een enkel voorbeeld tot besluit van deze paragraaf. Tijdcns de Hitachi Technology Exhibition 1980 in Tokio kondigt genoemd bedrijf trots aan dat het doende is met ,developing an industrial robot that can judge and decide". Zij Iaten een werkend model zien van drie assemblagerobots, waarvan de eerste v66rmontagehandelingen verricht en daarbij een ,leercurve" vertoont, terwijl de twee andere ingewikkelde gecoordineerde handelingen uitvoe· ren. In de verklarende brochure staat de juichkreet ,Towards the unmanned factory". Ter vermijding van misverstand: bet gaat hlerbij niet om massafabricage, maar om een fabricagetype met een grote mate van produktvarieteit. Voor wie enigszins bekend is met dit fabricagetype zal duidelijk zijn dat bier sprake is van robotisering van ,creatieve arbeid" door middel van een op routinisering gerieht reconstructieproces, dat ontleend is aan bovenstaande &telling van Taylor.

    4. lnformatisering

    In het voorgaande is aangetoond dat principes van arbeidsorganisatie weinig met menselijke arbeid van doen hebben, maar veeI met hct verlangen systemen te construeren die bebeersbaar, dat wil zeggen programmeerbaar zijn. Die ontwikkeling is begonnen in ,de produktie". Vooral Taylor zag duidelijk in dat de basisvoorwaarde voor beheersing gelegen was in ,het classificeren, tabellariseren en reduceren van kennis tot regels, wetten en formules" (zie onder Wctenscbappelijke bedrijfsvoering). Hij heeft zich hiermee persoonlijk intensief beziggebouden, met name in de metaalindustrie, en leverde daarmee een fikse bijdrage aan een proces dat later informati· sering zou worden genoemd. Informatisering is een continu proces van ,verwetenschappelijking'' van het denken en handelen van mensen dat zijn oorsprong beeft in een eenzijdige wetenscbappelijke benadering van de werkelijkheid. Binnen deze benadering kan de werke\ijkheid slechts worden begrepen in termen van logica en feiten. Hierdoor vindt op vanzelfsprekende wijze een reconstructieproces plaats dat voortdurend nieuwe logische feiten in de plaats stelt van wat binnen dit denken als ,wanordclijk" wordt besehouwd. Taylors uitspraak dat ,you can get your knowledge away from the old chaotic rule-oHhumh knowledge into organized knowledge'' is van dit dcnken n'n tn.:ffcndc illustratic. Het is echter niet beperkt tot bet terrein waarTaylor zich mee bezigbield, want bet proees van verwetenschappelijking noudt niet op bij ,de werkplek", maar dringt door in aile boekjes en gaatjes van een verwetenschappelijkte technologische samenleving. De essen tie van dit proces is dat informatie inzake bet handelen van mensen word verzameld, geclassificeerd en getabellariseerd en gereduccerd wordt tot regels, wetten en formules. Opgeslagen in artificiele systemen, zoals computers, wordt dezc informatie vervolgens l!~·hruikt nm hff handdPn vnn mfnscn tp IHtfn h<:aniW
    zed knowlcdg;:".

    94

    Informatisering ontwikkelt zich op deze wijze tot een maatschappelijk verschijnsel, tot een vorm van ,sociale technologic". T reffend komt dit tot uitdrukking in een bekende reclameslogan van een !everancier van computersystemen: ,wij verandercn de manier waarop de wereld denkt". Dit veranderingsproces wordt inmiddcls begeleid door de bliepen piepgeluidjcs van de huiscomputer, die in velc huishoudens zijn entree heeft gemaakt. In de toekomst lijkt een huis zonder huiscomputcr even onwaarschijnlijk als thans een huis zonder tclcvisietocstel. Samen met de telefoon zullen deze apparaten ontwikkeld worden tot een ,onmisbaar" communicatiemiddel en gekoppeld worden aan een reusachtig informatiesysteem, waarvan bij voorbeeld het automatische betalingscircuit en de personenregistratie dee! uitmaken. Er ontstaat ,een samenleving, waarin het individu zich zondcr een prive-computersysteem, dat aangesloten is op dit immense nctwerk, niet mecr zal kunnen handhaven en ten gronde gaat" (Nico Baaijens, Het denkende ding). De huidige ,privacy" zal spoedig achterhaald zijn. In dit verband past de volgcnde uitspraak van prof. dr. C. Brevoord in De Groene Amsterdammervan 16 november 1983: ,Privacy is niet absoluut, net zo min als vrijheid. Gcgevcns uit de persoonlijke levenssfcer komcn lang niet altijd voor absolute bcscherming in aanmcrking. Privacy is bovendien een relaticf begrip, wat vandaag wei voor bescherming in aanmerking komt, komt dat morgen wellicht niet meer~. Tegen deze achtergrond krijgt de waarschuwing van de psycholoog Paulus Morss ink, die al tien jaar automatiseringsprocessen begeleidt bij grotere bedrijven, extra relief (Hervormd Nederland, l

    december 1983 ): ,Jc manier van Ieven, je vrije tijd, je werk worden straks geautomatiseerd. Ze worden uiteraard met elkaar verbonden en juist die verbinding tussen a! je levensgebieden is zo gevaarlijk. Als je belastingcomputer afweet vanje ver:Zekeringscomputer, kunnen die voor een bepaald dee! van je bestaan een beslissing over jou nemen. Dat is helemaal niet zo futuristisch, want je ziet I t't nu al grocien: al die gegcvens over jou worden aan elkaar verbonaro:.l. En daar komt nog maar een mogelijkc beslissing uit: ik kan aileen dat doen, iets anders kan niet. De computer zegt het. Er bestaat dan geen vrije wil meer", In 1577 schreef Etienne de Ia Boetie in zijn bock De vrijwii/ige slavernij: ,Op dit moment zou ik aileen willcn begrijpen hoe bet mogclijk is, en hoe het kan gebeuren, dat znveel mensen, zoveel dorpen, zoveel steden, zoveel volken soms een tiran verdragen die geen andere macht heeft dan die zij hem zelf geven, die hen aileen kan schaden voor zover ze het zelf willen toestaan, die hun niet bet minste kwaad zou kunnen doen als ze het niet liever zouden verduren dan hem te weerstaan", Meer dan 400 jaar geleden gesebreven, heb· ben deze woorden niets van hun actualiteit verloren en luiden ze an no 1984 als volgt: ,Hoe is het mogelijk, dat mensen zich vrijwillig onderwerpen aan de modeme vorm van tirannie die informatisering genoemd is?" We Iaten opnieuw Boetie aan het woord: ,Toch is bet zelfs niet nodig om strijd te leveren met die ene tiran en ook niet om zich tegen hem te verzetten: hij wordt immers vanzelf verslagen als bet land niet Ianger toestemt in de eigcn slavemij. Men hoeft hem niets af te nemen, aileen maar hem niets meer te geven"

    95

Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.