DE VERLOEDERING VAN HET LANDSCHAP


1 2 anarchistisch tijdschrift Dertigste jaargang, nr. 138/139, zomer De AS verschijnt in vier afleveringen per jaar en is een uitgave van Stichting De...
Author:  Sterre de Winter

0 downloads 4 Views 8MB Size

Recommend Documents


DE UITVINDING VAN HET LANDSCHAP
1 2 3 Bozar DE UITVINDING VAN HET LANDSCHAP EEN VERHALEND ONDERZOEK4 Te lang werd het landschap gezien als het voorbeeld van landelijke harmonie in te...

HET LANDSCHAP VAN DE ZANDGEBIEDEN
1 HET LANDSCHAP VAN DE ZANDGEBIEDEN,3a '--

De broeikasgasbalans van het landschap
1 De broeikasgasbalans van het landschap Broeikasgasbalans Bottom-up benadering Top-down benadering NIR Verificatie Dual constraint methode voor verif...

Het landschap van de Zwinstreek
1 Het landschap van de Zwinstreek M. Strobbe Na het verhaal over de historiek van de Zwinstreek in het vorige nummer, komt het natuurwetenschappelijk ...

De biografie van het landschap
1 VRIJE UNIVERSITEIT De biografie van het landschap DRIE ESSAYS OVER LANDSCHAP, GESCHIEDENIS EN ERFGOED ACADEMISCH PROEFSCHRIFT ter verkrijging van de...

De taal van het landschap
1 De taal van het landschap een nieuw narratief voor de zuidoever architecten2 Maakbare Natuur - Collage HDK architecten Electriclawnmowingiron - Paul...

De ontwikkeling van het landschap
1 Vorming Smeltwatergeulen Doorschemeren Prehistorische Cainozoic Research, Special Issue, Number 1, March 2003 De ontwikkeling van het landschap ten ...

Verloedering van tuinen
1 Verloedering van tuinen Hierbij meegenomen de omzetting van zelfstandige woonruimte in kamerverhuur Discussiestuk voor de Nijmeegse Gemeenteraad2 1....

Vloeiend landschap Over de toekomst van het Friese landschap
1 Vloeiend landschap Over de toekomst van het Friese landschap 12 23 Over de toekomst van het Friese landschap vloeiend landschap 3 peter de ruyter bo...

Het vergeten landschap De waarde van het landschap van de ruilverkaveling
1 111 5 Het vergeten landschap De waarde van het landschap van de ruilverkaveling Simon van den Bergh Inleiding Een groot gedeelte van het Nederlandse...


anarchistisch tijdschrift Dertigste jaargang, nr. 138/139, zomer 2002. De AS verschijnt in vier afleveringen per jaar en is een uitgave van Stichting De AS, Moerkapelle. ISSN-nummer 0920-3257. Bestelling: door storting op postgiro 4460315 van de AS te Moerkapelle. Jaarabonnement: 18 euro; buiten Nederland 21 euro. Druk: BGS, Schiedam. Zetwerk: Stichting Rode Emma, Amsterdam. Adreswijzigingen: bij voorkeur per briefkaart, of per giro (verbeter het adres op de kaart) graag met vermelding van de postcode. Reklamering: met vermelding van de laatste betaaldatum, als aangegeven in uw giroadministratie. Nieuwe abonnementen: gaan in met het eerste nummer van de jaargang, tenzij anders aangegeven bij bestelling. Zonder opzegging worden abonnementen verlengd. Adres: postbus 43,2750 AA Moerkapelle. Redactie: André Bons, Marius de Geus, Jaap van der Laan, Wim de Lobel, Hans Ramaer. Redactieraad: Arie Hazekamp, Thom Holterman, Rudolf de Jong, Freek Kallenberg, Judith Metz, Bas Moreel, André de Raaij, Siebe Thissen, Rymke Wiersma, Hanneke Willemse. Verder werkten mee: Bob Bladc, Karin van Haasteren (illustraties), Marcel ten Hooven, Roger Jacobs, P'tje Lanser, Ton Lemaire, Martina de Moor, Herman Noordegraaf, Sies van Raaij.

Publicatie van een bijdrage impliceert niet dat daarin of daardoor redactionele standpunten worden weergegeven. E-mail: [email protected] Internethttp: / / www .geocities.com/ deasnl

DE VERLOEDERING VAN HET LANDSCHAP Marius de Geus In dit alweer Negende Jaarboek Anarchisme van De AS staat het onderwerp ruimte en landschap centraal. In Nederland (misar ook elders in Europa) lijkt zich een toenemende strijd om de ruimte te ontwikkelen. Zo startten Natuur en Milieu, NOVIB, en Milieudefensie in de aanloop van de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen onder het motto 'Bescherm de Groene Grens' een intensieve politieke actie om burgers, maatschappelijke organisaties en politieke partijen wakker te schudden. Er zijn tal van redenen om aan het on- de ruimtelijke inrichting van Nederderwerp ruimte en landschap aandacht land. Bedrijven en burgers hebben ieder te besteden. De doorgaande groei van hun eigen ruimtewensen die steeds vade economie en vooral de (auto)mobili- ker ten koste gaan van de natuur en het teit heeft vergaande consequenties voor landelijk groen. Negende Jaarboek Anarchisme/De AS

1381139

Nederland ontwikkelt zich consequent in de richting van één uitgestrekt randstedelijk gebied of volgebouwde metropool, met alle gevolgen van dien voor de ruimtebeleving van het individu en de beschikbaarheid van natuurlijke gebieden. De vraag rijst hoe houdbaar en aantrekkelijk een volkomen verstedelijkt Nederland in de toekomst zal blijken te zijn. Wie wil daar nog wonen en zijn of haar kinderen zien opgroeien? Een belangrijke politieke en sociale kwestie is in dit verband wie de meeste invloed heeft op het ruimtelijke ordeningsbeleid in ons land. Heeft de gewone burger nog wel iets in te brengen over de ruimtelijke inrichting of heeft de landelijke industrie- en transportsector het hier geheel voor het zeggen? Of zijn het wellicht de multinationale ondernemingen die - gedreven door het proces van globalisering en universeel winststreven - hun wil op ruimtelijk en landschappelijk gebied weten op te leggen aan de nationale besluitvormers?: Nederland heeft een distributietaak in het internationale handelsverkeer en dient voor alles te zorgen voor een optimale vervoersinfrastructuur; de rest is bijzaak, landschappelijk schoon wordt in dit denken onbelangrijk geacht. Vanuit libertair perspectief is de strijd om de ruimte van essentieel belang. Er dreigt in de westerse wereld een ontwikkeling waarbij steeds meer een 'privatisering van de openbare ruimte' plaatsvindt. In de Verenigde Staten bestaan er al vele afgeschermde woongebieden voor de rijke elite. Ook in Nederland ziet men de trend dat individuen of particuliere instellingen de voormalige publieke ruimtes in bezit proberen nemen. Men plaatst schuttingen en hekken om het eigen domein en verkrijgt op deze wijze de beheersing 2

over stukken grond en ruimten die voorheen aan de gemeenschap toebehoorden. Of het nu gaat om voorheen gemeentelijke groenstroken die worden 'uitbesteed' aan particuliere bedrijven (zoals in mijn woonplaats Rijswijk, waar de gemeente een zeer groot groengebied heeft overgedaan aan een 'besloten' golfclub) of om algemene gemeenschapsvoorzieningen die worden geprivatiseerd, het effect is hetzelfde. De publieke zeggenschap gaat verloren en commerciële motieven gaan een steeds dominantere rol spelen. Ook natuurorganisaties zijn geneigd om grote stukken grond op te kopen en te omheinen, waarna deze gebieden nog slechts zeer beperkt toegankelijk zijn. We kunnen ook wijzen op het algemene verdwijnen van stukken 'niemandsland' in het strikt gereguleerde Nederland: inmiddels is elk stukje van ons land zo ongeveer gecultiveerd en in bezit genomen. Er bestaan nog nauweli cs 'gemene' (gemeenschappelijke) gronden (commons) in de geïndustrialiseerde westerse wereld. Dit heeft onder meer grote gevolgen gehad voor het vrijheidsgevoel van de individuele burgers. Waar deze vroeger op veel plaatsen mochten gaan en staan waar zij wilden, zijn de burgers nu gebonden aan vele (eigendoms-)wetten die hun 'ruimte' en bewegingsvrijheid beperken. Deze privatisering van de openbare ruimte is ook af te leiden uit de begrenzingen van het algemene 'recht op overpad' voor wandelaars in landelijke gebieden. De particuliere eigenaren van grond mogen de ruimte voor anderen in toenemende mate inperken. Moeten wij accepteren dat huizen, autowegen, bedrijfs- en recreatieterreinen

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

meer en meer de groene ruimte opslokken en in beslag nemen? Valt te verdedigen dat de uitgestrektheid en weidsheid van het landschap worden opgeofferd aan de belangen van de autogebruiker, de woonconsument en de machtige industrie- en transportsector? Hoe kunnen we omgaan met de nieuwe lelijkheid van de grootschalige woonwijken, de kantoorparken, bedrijvenparken, de mega-winkelcentra en multifunctionele recreatiegelegenheden? Zijn er alternatieve (lees: betere) oplossingen voor het vervullen van al die vaak conflicterende ruimtelijke wensen? En wat is de toekomst van ons traditionele cultuurlandschap? Dit is het soort vragen waar de auteurs van dit nummer zich in grote lijnen op gericht hebben. Ton Lemaire besteedt in zijn bijdrage in het bijzonder aandacht aan de filosofische achtergronden van landschap en ruimte. Hij toont aan dat de geschiedenis een duidelijke landschappelijke dimensie heeft en dat er tegenwoordig sprake is van een desintegratie van de band tussen mensen en landschap. Het klassieke cultuurlandschap wordt volgens hem steeds meer gemangeld "tussen enerzijds de grootschalige ingrepen van landinrichting en landschapsbouw en anderzijds natuurontwikkeling." Marcel ten Hooven heeft duidelijk aangegeven kritisch te staan ten opzichte van het anarchisme. Zijn artikel over het verdwijnen van de stilte in het landschap is niettemin gekozen omdat het

niet alleen verhelderend is maar ook goed aansluit bij de analyses van Lemaire. Ten Hooven betreurt de teloorgang van de stilte in ons land en bekritiseert de toenemende mobiliteit en de autocultuur die landschap en natuur in sterke mate bedreigen. Vervolgens doet Freek Kallenberg verslag van een individuele zoektocht voorbij de Groene Grens. Hij inventariseert het actuele debat over ruimtelijke ordening en planologie en analyseert nieuwe ontwikkelingen in zowel Nederland als de Verenigde Staten op deze terreinen. In mijn bijdrage aan dit nummer probeer ik inzicht te geven in de maatschappelijke krachten die hebben geleid tot de huidige aantasting van het landschap en de vrije, open ruimte in ons land. Daarna wordt een persoonlijk 'landschap van de verbeelding' geschetst: een ruimtelijke utopie van Nederland in het jaar 2050. De Gentse onderzoekster Martina de Moor concentreert zich in haar artikel op het gebruik, beheer en verdwijnen van gemene gronden in België. Zij geeft een historisch georiënteerde analyse van wat er in haar land is gebeurd met de gemeenschappelijke weidegronden en zij onderzoekt in het bijzonder de rol van de overheid in dit verband. Haar beschrijving is exemplarisch voor wat ook in Nederland en andere westerse landen is geschied met de ontginningen en privatisering van 'publieke' gemene gronden.

DOMELA NIEUWENHUIS-LEZING Op 23 november 2002 organiseert het Ferdinand Domela Nieuwenhuis-fonds de vierde Domela Nieuwenhuis-lezing in het FDN-museum te Heerenveen. Spreker is dominee Hans Visser uit Rotterdam ('Anarchisme als inspiratiebron voor mijn leven en werk in Rotterdam'). Aanvang 14.30 uur. Vanaf 13.00 uur verzorgt Bert Altena een rondleiding door het museum aan de Winkelerstraat 11. Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

DE STILTE WORDT EENZAAM IN HET LANDSCHAP* Marcel ten Hooven De uitdrukking 'eenzame stilte' heeft in het tijdperk van de massamobiliteit een nieuwe betekenis gekregen. Vroeger, vóór de samenleving zich massaal in beweging zette, kwam de stilte tot haar recht dankzij de eenzaamheid. Nu is de stilte zelf eenzaam geworden, omringd door bedrijvigheid en beweging alom. Dit gedachtespinsel kwam bij mij op tijdens een fietstocht waarop ilc de vogelplas Starrevaart passeerde. Het onderstaande stuk had ik inmiddels voltooid. Op zoek naar een bondige samenvatting schoot de uitdrukking 'eenzame stilte' me te binnen. De toenemende eenzaamheid van de stilte in het landschap is de rode draad van het onderstaande verhaal. Het informatiebord dat de provincie met een afgelegen natuurgebied waar Zuid-Holland heeft geplaatst bij de vo- stilte heerst, heeft een vervreemdend efgelplas Stárrevaart nodigt de passant in fect op de lezer, die zich op steenworp lokkende bewoordingen uit het gebied afstand bevindt van een van de drukste te bezoeken: "In het riet om de plas snelwegen in het land, de A4 tussen broeden zeldzame water- en moerasvo- Amsterdam en Den Haag. Daar staat gels en in de herfst en de winter verblij- dat bord, op de hoek van de Kniplaan ven er op de plas duizenden trekvogels. en deze vierbaanssnelweg. De provincie Zuid-Holland vindt dat De vogelplas Starrevaart, luttele jaren zoveel mogelijk mensen daar in alle sei- oud, is het product van een politiek zoenen van moeten kunnen genieten. compromis. Een zandwinbedrijf mocht de naastgelegen polder ontgraven in Daarom bent u van harte welkom." Het bord vermeldt dat de bezoeker vo- ruil voor aanleg van dit 'natuurgebied'. gels als Roerdomp, Bruine Kiekendief, Met dat misplaatste bord en die vogelWaterral en Baardmannetje kan zien en plas die thuishoort in een weids, ongehoren. Een vogelkijkhut staat langs de stoord landschap maar niet hier, afgerand van de plas, voor wie op zijn ge- zoomd door het permanente geraas van mak de vogels wil bespieden. De pro- een eindeloze stroom auto's, is dit een vincie besluit haar wervende tekst met wezenloze plek. De provinciale overheid heeft hier illusiepolitiek met het het verzoek de rust niet te verstoren. Met het geluid van voortrazend snel- landschap bedreven. Dat bedrog is voor verkeer in de oren komt dat verzoek iedereen zichtbaar en hoorbaar. zonderling over, net zo mal als de uit- Nederland heeft er opnieuw een oneernodiging te genieten van de vogelgelui- lijke plek bijgekregen. Eerlijke plekken den. Het bord dat associaties oproept zijn er niet meer zoveel. Rotterdam is * Dit artikel is onder dezelfde titel eerder gepubliceerd in de lezenswaardige bundel van Ton Lemair enefan Kolen (red.) Landschap in Meervoud. Perspectieven op het Nederlandse Landschap in de 20 121 eeuw, Uitgeverij Jan van Arkel, Utrecht 1999. Wij danken zowel auteur als uitgever voor hun toestemming tot publicatie in dit nummer/jaarboek. De auteur is politiek redacteur van Trouw. Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

eerlijk, Schiphol is eerlijk en de Waddenzee is eerlijk, misschien een deel van het platteland en de Veluwe. Ik vind deze plek exemplarisch voor een landinrichting waarbij natuur is gedegradeerd tot decorstuk van een autosnelweg, een ornament in een urbane omgeving. Ook het verschijnsel dat hier het lawaai van de autosnelweg wordt genegeerd als probleem, is naar mijn idee typerend voor de wijze waarop wij onze leefomgeving benaderen. We hebben ons neergelegd bij de teloorgang van de stilte in de Randstad en de meeste delen van het land. In toenemende mate leven we met het geluid van auto's op de achtergrond. Stilte wordt een herinnering van de oudere generaties. De vader van de publicist Geert Mak herinnerde zich van de reis die hij in 1912 maakte op het schip van oom Jacob, van Schiedam naar Zaandam en terug, de geluiden van het gekabbel van het water tegen de boeg, het geruis van maaiende boeren en soms de heldere klank van een hamer op een zeis. Mak zelf deed deze reis in september 1997 over. Pas halverwege, in de Zaan, na Zuid-Holland doorkruist te hebben, hoorde hij geen auto's meer: "Voor het eerst tijdens deze tocht was het werkelijk stil, was het gebrom verdwenen, was er alleen het ruisen van het riet, zoals toen, toen mijn vader de maaiers hoorde."1 De aanwezigheid alom van lawaai in de Randstad is een van de gewaarwordingen die Mak van z'n reis zijn bijgebleven. "Het dreunt en bromt overal!"2 Zelfs in een belommerde, landelijke polder boven Schiedam hoorde hij een continu gezoem van banden en 's nachts, afgemeerd in de Kaag, noteerde hij: "Overal was er het gemis van die ketting van auto's die de Randstad

schijnt aan te drijven, dag en nacht."3 Hij signaleerde een opvallende wisseling van de leefsferen van stad en platteland. Vanouds hoort stilte bij het platteland en herrie bij de stad, als centrum van menselijke activiteit. Mak daarentegen trof nu op onverwachte plekjes midden in sommige steden, midden op de dag de stilste plekken aan, in contrast met de voortdurende geluidshinder op het platteland. Hij wijt deze wisseling aan de verandering die Nederland onder invloed van de dynamisering van het leven sinds de Tweede Wereldoorlog heeft doorgemaakt. Mensen bewegen zich met toenemende snelheid van de ene ervaring naar de andere. "Nederlanders wonen niet meer, ze bewegen. We hebben hier al de grootste dichtheid van auto's van de wereld, maar we blijven er, files of niet, maar mee doorrijden." Het vluchtige wonen is volgens hem een effect van de onpersoonlijke buitenwijken. Dat brengt hein tot de formulering van de wet van Gouda: "Hoe eenvormige" en anoniemer de omliggende woongebieden, met des te meer kracht wordt het oude centrum in stand gehouden en voorzien van pittoreske, originele en gewoon-menselijke elementen. Zo creëert elke agglomeratie zijn eigen Disneyland."4 OVERLAST

De rechtsfilosofe Dorien Pesse,rs constateerde in een column dat er nog nauwelijks een culturele of sociale theorie over geluid bestaat. Dat vindt zij verbazingwekkend in het licht van de groeiende overlast van geluid. "Het gehoor is een hypergevoelig zintuig. Wat door het oor naar binnen komt beïnvloedt ons hele wezen. "5 Die wetenschap is de drijfveer van de

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

stichting Bestrijding Akoestische Milieuvervuiling, één van de spaarzame tegenkrachten die tot dusver tegen de geluidsoverlast zijn gemobiliseerd. Haar aanhangers voelen zich gijzelaars van de overal aanwezige achtergrondmuziek, in de winkel, op straat en op het werk. "We willen liever niet doodgaan om een minuut stilte te krijgen", luidt haar slogan.6 Gevoelsmatig weten we dat geluid van grote invloed is op onze waarneming. Muziek kan een banaal beeld indrukwekkend of ontroerend maken. Een mooi voorbeeld vind ik de scène in de film '2001, A space odyssey', van Stanley Kubrick, waarin een ruimteschip op de klanken van een wals van Johann Strauss richting Jupiter drijft. Deze scène is dankzij Kubricks ingeving verheven van een doorsnee-beeld uit een science-fictionfilm tot een poëtisch filmmoment. Kakofonie daarentegen, geluid dat we niet kunnen plaatsen, kan desoriëntatie en angst veroorzaken. Ik citeer Pessers: 'Kakofonie brengt een heftige en lege prikkeling van het zenuwstelsel teweeg. Als er geen bescherming bestaat tegen deze overprikkeling, ontstaan er gevoelens van onlust en onmacht die zich uiten in agressie en onverschilligheid voor de omgeving."7 De toenemende akoestische vervuiling, vooral door het verkeer, brengt met zich mee dat steeds meer mensen onbeschut zijn tegen die overprikkeling. Overmatige geluidsbelasting kan mensen ziek maken. Rond de Londense luchthaven Heathrow neemt het aantal mensen in psychiatrische ziekenhuizen met de groei van het evenredig toe 8 luchtverkeer. Journalisten van het Franse opinieblad Le Nouvel Observateur achterhaalden dat in Frankrijk geluids6

overlast op het werk verantwoordelijk is voor elf procent van de bedrijfsongevallen, vijftien procent van het ziekt& verzuim en twintig procent van de opnames in psychiatrische ziekenhuizen.9 Volgens dit blad is niet de vervuiling, de onveiligheid of het geweld op straat voor de Parijzenaars het grootste probleem, maar het lawaai dat op elke plaats in de stad, op elk tijdstip, elke willekeurige vorm kan aannemen. Een motorrijder met sportuitlaat die om drie uur 's nachts rijdt van Oost- naar WestParijs, kan in z'n eentje een kwart miljoen mensen wekken. Sommige appartementen aan de Square de la Porte de Vanves gaan 24 uur per dag gebukt onder een geluidsbelasting van tachtig decibel, ondanks de dubbele akoestische bescherming in huis en de geluidsschermen langs de snelweg. Ik heb lang gepiekerd waarom het lawaai van de snelweg in een stad zo moeilijk te verdragen is, ondanks de gewenning aan de prominente plaats die de auto in de moderne maatschappij inneemt. Geluid hoort immers bij de stad. Het kan fungeren als middel om plekken te identificeren. Het station klinkt anders dan de winkelstraat, de markt anders dan de school, het café anders dan het stadsplantsoen. De Franse musicus Louis Dandrel heeft zich, na zijn afscheid als dirigent van het orkest France-Musique, toegelegd op de studie van de functie die geluid in de stad heeft. Bij wijze van proef heeft hij met de ogen dicht de reis met metrolijn 9 afgelegd, om te ontdekken dat elke plek waar de metro stopte zijn eigen 'akoestische handtekening' draagtio Stedelingen raken door stilte zelfs in verwarring, meent de filosoof Günther Anders. Volgens hem zijn zij aangehaakt aan een 'akoestische leiband' en

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS138/139

raken zij bij verbreking van die band in paniek. Ze worden met zichzelf geconfronteerd als het stil is. Termen als 'dodelijke stilte' en 'oorverdovende stilte' ervaren zij als treffend. In zijn boek De grenzeloze stad vertelt Willem Koerse het verhaal van een bergwandeling die Anders met een paar Amerikaanse kennissen maakte: "In het dal waaruit zij vertrokken, schalde uit luidsprekers muziek, maar bij het spiraalsgewijs omhooggaan kwamen ze een paar keer volledig buiten het bereik van de geluidsbron. Anders merkte dat zijn medewandelaars zich op de momenten dat de lijn was verbroken, hoogst onbehaaglijk voelden, "in a sort of social stratosphere." Pas na de volgende bocht kwam de muziek weer door en herademden zijn kennissen.ii Waarom ervaren we het geluid van de snelweg in de stad dan toch als overlast? Ik zoek één van de oorzaken in de monotonie en de oneindigheid van dit geluid. Burengerucht, de herrie van een café dat uitgaat, het lawaai van een open-luchtfestival zijn vormen van geluidshinder die horen bij het stadsleven. Het zijn bovendien geluiden waarvan van te voren vaststaat dat ze eindig zijn. De overlast is tijdelijk en daarmee dragelijk. Het kenmerk van het lawaai van de snelweg is daarentegen dat het er altijd zal zijn. Het is geluid zonder begin en zonder eind. Iemand die gebukt gaat onder de geluidsoverlast van een snelweg zal zich in dat lot moeten schikken. Verzet heeft geen zin. Het lawaai van de snelweg is in een stad bovendien een vervreemdende ervaring, hoe gewoon de auto inmiddels ook is geworden. Een stad is een plaats om te vertoeven, een auto een middel om zo snel mogelijk een plek te passeren. Het geluid van een voortrazende

auto is wezensvreemd aan de verblijfsfunctie van een stad. Om een vergelijkbare reden is de passage van Hoogmade, na een fietstocht over de Ruigekade in de polders achter Leiderdorp, voor mij telkens een onaangename gewaarwording. Het pad voert daar pal langs en over de A4. Ik ervaar die omgeving als unheimisch, ofschoon elk gevaar afwezig is. Dat gevoel is volgens mij toe te schrijven aan de tegenstrijdigheid van de rust die fietsen oplevert met de onrust die snelverkeer zaait. VOORUITGANG

De teloorgang van de stilte in het landschap is niet verrassend in een samenleving die aan beweging een hoge waarde toekent. Beweging in de westerse samenleving is synoniem met dynamiek, dynamiek is onontbeerlijk voor de vooruitgang. Stilte, het ontbreken van beweging, wekt de associatie met een gebrek aan dynamiek. Stilstand heet dan ook achteruitgang. Omwonenden van de Franse helikopterhaven d'Issyles-Moulineaux die zich hebben verenigd in een actiecomité tegen het lawaai, ontvingen van een piloot de volgende brief: "U wilt het helikopterverkeer beperken omdat het teveel lawaai geeft? Stap dan ook van uw Mobylette af, beperk de treinen die door uw stad rijden, de brandweer- en politiesirene, de claxon van auto's, stop het werk in uw straat en het autoverkeer. Stop de twintigste eeuw!"12 Het vooruitgangsdenken is te herleiden tot de lineaire levensvisie waarvan de westerse cultuur is doortrokken. We komen ter wereld met de opdracht haar straks beter achter te laten. Nico ter Linden, oud-predikant van de Amsterdamse Westerkerk, ziet de mensheid in beweging komen ten tijde van aartsvader

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

k en aankomst", verwoordt Abram, aan wie God het inzicht schonk van vertreof Hans Achterhuis de visie filoso de dat het leven geen eeuwige kringloop is Virilio, een Franse architect van opgaan, blinken en verzinken, geen van Paul lopende terreinen de histouiteen eindeloze cirkelgang, maar een rechte die op groei van snelheid en beweging rische lijn omhoog. Het verhaal van God die is Het verschil tussen vroeAbram op reis stuurt is in het joodse ge- onderzoekt ns Virilio dat mensen volge is nu loof symbolisch voor de idee dat de ger en etenen van een stad inzitteningez van ming mens een herkomst en een bestem een voertuig geworden. Steeds heeft "God en zijn heilige engelen in de den van zal nodig zijn voor een beruimte meer hoge hemel houden andermaal hun die veelvuldig onderweg is en adem in, want daar beneden breekt een volkinrg dan ooit woont. Als voorbeeld mens met het cyclische denken van eeu- mindehij het vliegveld van Dallas aan. voert wen. Nu vangt de geschiedenis aan", als het hele bebouwde schrijft Ter Linden over het moment dat Dat is even groot Parijs. van Abram vertrekt uit Haran en zijn land, gebied familie en huis achterlaat.13 HAUPTSACH, RAUS UND WEG! De seculiere, prozaïscher versie van de de mobiliteit werkt een geschiedenis is dat in de overgang van De expanderen schilligheid jegens de onver ende toenem tijd, rne mode de pre-moderne naar de Iemand die zich hand. de in ving het idee veld wint dat het menselijk be- omge weinig boodaans doorg heeft atst verpla staan een lineair en geen cyclisch karakhij rijdt. In angs waarl weg de aan schap in id snelhe heeft ook ter heeft. Hoe dan rsiteit van unive de van zoek onder een de moderne samenleving een hoge stagaven de uzes erske vervo naar Essen revoriële tus gekregen, sinds de indust niet zozij dat aan emers deeln lutie van tijd een economische factor jongere hun bestemming, als wel in de in zeer maatvan betekenis maakte De westerse behagen schepten. Het schappij beleeft sedertdien een perma- verplaatsing zelf l van vrijheid: "Wogevoe een hun gaf nente versnelling van het leven. ist eher neben16sachlich Het effect van de exponentieel groeien- hin man fahrt und weg!" Het verde mobiliteit in de moderne samenle- hauptsach, raus rijk families hun Frank in dat gaat haal ving is dat de betrokkenheid van mendoorbrengen, auto de in tie vakan hele Het mt sen bij hun leefomgeving afnee de snelweg langs aire verplaatsen verdringt het verblijven. zich van de ene begevend. s rplaat pleiste e ander de naar Het verschijnsel dat een huis generatie anders niets ze zien lang d maan Een e, famili één na generatie het bezit is van ouAutor de van d werel wier herinneringen dan ook onlosma- dan de eigen te.17 is , kelijk met dit huis verknoopt raken e socioloog Peter Peters een fenomeen uit vervlogen tijden. Ge- De Maastrichts ns waarin beweging tende de rijft besch middeld schijnt een huis tegenwoordig eid tegenover de loosh achte tot leidt te ners bewo e nieuw iedere zeven jaar s waarin de proce een als ving, krijgen. Verhuizingen vinden ook over omge uit de fysieaakt losgem heeft zich weg .14 steeds grotere afstanden plaats enlang eeuw hij n waari "De plaats van uitverkiezing uit het ver- ke geografie begin het "Tot est. gewe is kerd leden, de eigen plek die bij iemand veran aart landk een e toond eeuw deze van plaats de hoorde, is vervangen door Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

vooral wat mensen niet wisten over een gebied, zoals mysterieuze steden, rivieren en bergruggen. Door de auto veranderden landkaarten in wegenkaarten, een middel om plaatsen te passeren. We kijken erop om te zien wat we kunnen vermijden, niet wat er valt te ontdekken."18 Het landschap aan weerszijden van wegen is geen omgeving om te vertoeven, als wel om te passeren. Geen passant ervaart het gebrek aan stilte hier als een probleem. Ook de vormgeving van deze plekken is afgestemd op passage, niet op verblijf, dus op tijdelijkheid, niet op permanentie. Dat verklaart wellicht de onbestendige, oppervlakkige architectuur van weidewinkels, wegrestaurants en meubelboulevards langs snelwegen. Uit de aard van hun functie zijn dat geen plekken waaraan mensen zich zullen binden. De architectuur is daarom niet van belang. Deze winkels zijn juist gebaat bij een zo snel mogelijke passage, niet bij een verblijf. Hoe meer passanten, hoe hoger de omzet. Klanten die blijven hangen leveren minder profijt op. McDonald's heeft zijn hele bedrijfsvoering op deze economische notie afgestemd. Ooit is uitgerekend dat het doosje om een McDonald's hamburger gemiddeld korter dan één minuut als verpakking fungeert.19 De Franse antropoloog Marc Augé schetst het postmoderne landschap als een anonieme ruimte waarin de toekomstige gebruiksmogelijkheid van meer waarde is dan de historische dimensie, de economie een zwaarder gewicht heeft dan de natuur en beweeglijkheid een hogere waardering krijgt dan plaatsgebondenheid.2 Geert Mak trok op zijn boottocht door de Randstad langs een lint van deze wezenloze plekken, plaatsen die veeleer

op de kortste verbinding met de snelweg dan op verblijf zijn ingericht. Maakte elke stad met haar eigen identiteit vroeger deel uit van een ordening binnen een weids platteland, nu constateerde Mak dat in plaats van dat klassieke en vruchtbare spanningsveld tussen stad en platteland een vage tussenvorm is ontstaan. Hij typeert ze als stenen vlekken die met het klassieke dorpsleven noch met de stad iets van doen hebben. "Het gevolg is een landschap zoals in de Haarlemmermeer, met akkers, sloten en boerderijen, maar ook overal in het land clusters van bedrijven, viaducten, flarden van dorpen en woonwijken." 21 De inrichtingsplannen voor de Haarlemmermeer, met in plaats van het huidige akkerland nieuwe snelwegen, verkeerspleinen met wegen kris kras over elkaar heen, her en der woonwijken, landschapsparken en bedrijfsterreinen, openen het perspectief op een urban wasteland zoals rond Los Angeles, een verwezen gebied zonder centrum dat steeds verder over het land uitdijt. Met de toeneming van de snelheid van verplaatsing zal de onverschilligheid jegens de omgeving eveneens groeien, met een verder verlies van stilte als gevolg. Ik zie hier een vicieuze cirkel. Een hogere snelheid belemmert de passant in een aandachtige waarneming van het landschap dat aan hem voorbij vliegt. Daarmee wordt deze omgeving voor hem van minder belang, hetgeen weer een reden kan zijn de snelheid verder op te voeren. Het landschap verliest uiteindelijk, tot het uiterste doorgeredeneerd, zijn relevantie voor wie het doorkruist. Het tracé van de hoge-snelheidstrein in noord-Frankrijk bevestigt mij in dit idee. Vroeger was de treinreis naar Pa-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

rijs een romantisch avontuur, met de aankomst op Gare du Nord als hoogtepunt van een tocht door het landschap ten noorden van de Franse hoofdstad. Vertraging was gebruikelijk op deze lijn. Dat gaf niet. Ik zie nog voor me hoe ik met mijn vrienden Har en Louis, op een hete dag, met de armen geleund op het opengeschoven raampje in de gang langs de coupés, langzaam door het land rijd. De momenten die ik me herinner van deze reis zijn verbonden met plaatsen, zoals een stoffig station, een dal, een heuvel, een weids uitzicht. Zulke gedachteassociaties worden de reiziger op het nieuwe tracé van de hogesnelheidstrein in noord-Frankrijk onmogelijk gemaakt. Dat tracé is omgeven door een hoge aarden wal, afgezet met stalen hekken. Het landschap heeft hier inderdaad zijn relevantie voor de reiziger verloren. De toenemende snelheid verandert het reizen wezenlijk van karakter. Het avontuur en de romantiek zijn het reizen ontnomen. Reizen wordt verplaatsen, het liefst met zo min mogelijk oponthoud bij grenzen. De passage van een grens was voorheen een spannende gebeurtenis die de nieuwsgierigheid naar het land aan de andere kant prikkelde en de overgang naar dat land, met een andere cultuur, zeden en gebruiken markeerde. De grens is nu een belemmering van de snelheid, die in het kader van de Europese eenwording, krachtens het Schengen-akkoord, zo snel mogelijk dient te verdwijnen. Ook de vervoerswijze wordt met de vermenigvuldiging van de snelwegen, de aanleg van het hoge-snelheidsnet en de onstuimige groei van het Europese vliegverkeer steeds meer afgestemd op verplaatsen in plaats van reizen. De zegswijze 'Wie veel reist heeft veel 10

te verhalen' verliest daarmee aan betekenis. In de tijd van Gustave Flaubert (1821-1880) kon een reis van Parijs naar Rouaan nog een heel boek opleveren, zegt de schrijver zelf. Hij klaagde in 1847, kort na de aanleg van de eerste spoorwegen in Frankrijk, dat de snelheid van het 'ijzeren beest' hem beperkte in zijn waarneming "Wanneer je vroeger reisde van de ene plaats naar de andere, in een rijtuig dan wel per schip, had je de tijd om iets te zien en avonturen te beleven."22 De ongekende mogelijkheden om snel te reizen hebben mensen en culturen dichterbij elkaar gebracht. Tegelijkertijd heeft dat toegenomen contact een nivellerend effect op die culturen gehad. De verschillen zijn kleiner geworden. Dat heeft zijn schaduwzijden. We moeten avontuurlijke bestemmingen en wezenlijk andere culturen steeds verder weg zoeken, op andere continenten. Matt Dings deed 140 jaar later Flauberts reis van 1847 over. Kenschetste zijn voorganger een Bretons stadje nog als 'één van de aangenaamste gelukzaligheden', Dings noteerde over hetzelfde plaatsje: "Anderhalf straatje lieten ze staan voor de toeristen, voor de rest zou hier een Modern Stadje verschijnen. Tegenwoordig ronkt er een grote weg dwars door het plaatsje en ziet het eruit als overal. Op veel plekken langs deze kust is Bretagne snel aan het verdwijnen. Comfort van de alomtegenwoordige onbestemde soort komt ervoor terug. Dorpen vernieuwen hun kernen en dijen eindeloos uit in een vloed van landhuisjes. Rond grotere plaatsen slibt de commercie aan met haar doffe weilandwinkels."23 Willem Koerse heeft dezelfde ervaring in Frankrijk: "De enkeling die nog te voet of per fiets door het land trekt,

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

moet constateren dat het eigene snel Ofschoon het officiële beleidsdoel in het aan het verdwijnen is, steeds meer dor- derde Nationaal Milieubeleidsplan luidt pen op elkaar gaan lijken, dorpsherber- dat Nederland in 2010 stiller moet zijn gen gesloten zijn, kleine winkels niet dan thans y , bestaat in de politiek tegemeer bestaan, dorpsp lijkertijd brede overeenstemming over 024 leinen of leeg of parkeerplaats zijn. de noodzaak de dynamiek beweging De versnelling van de verplaatsing le- in Nederland te vergroten,enmet megavert een paradox op die tot nadenken investeringen in infrastructuur als stemt. Dankzij de moderne vervoers- gen, hoge-snelheidsspoorlijnen, de weTweemogelijkheden is onze actieradius gro- de Maasvlakte en mogelijk een nieuwe ter dan ooit en kunnen we in één va- luchthaven. kantie meer steden, dorpen en streken Het valt op dat de overheid als combezoeken dan onze voorouders in hun pensatie voor het verlies aan landsc hap hele leven. De paradox is dat tegelijker- dat het gevolg zal zijn van deze projectijd voor de moderne toerist geldt dat ten, steevast de ontwikkeling van nieuhoe méér hij kan bezoeken, hoe minder we 'natuur' aankondigt. De toenm hij ziet. Het besef dat dankzij auto, trein minister van milieubeheer, de alige en vliegtuig zoveel valt te bezichtigen democrate De Boer, verded sociaaligde in 1997 geeft de reiziger haast. Hij spoedt zich de komst van een e Maasvlakte van kathedraal naar museum en ver- met een verwijzingTweed naar 'nieuwe nader. Koerse vraagt zich dan ook af of de tuur' die naast dit immende se bedrijf sterritmeversnelling van ons leven opper- rein zal worden aangelegd. vlakkigheid creëert. 25 Hij moet denken heid volgt bij de besluitvormDe overaan een beschrijving van de kathedraal grote infrastructurele project ing over van Chartres door de schrijver Witold patroon. Zij legitimeert meten een vast Gombrowicz, volgens wie het interieur van natuurontwikkeling het beleid ingrepen in van dit godshuis pas na maanden in- het landschap die ten koste tensieve studie te doorgronden is. Het natuurwaarden als stilte. Tegengaan van gros van de toeristen zal daarom de tergrond heeft Lemaire gelijk die achdiepere betekenis ontgaan van wat zij het begrip 'natuurontwikkelials hij in ng' het in de kathedraal zien.26 vertrouwde idioom herkent van een Een tweede paradox is eveneens terug maatschappij die wordt gemot 28iveerd te voeren op de toegenomen snelheid door beweging en voorui tgang. van verplaatsing. Dankzij die snelheid Het is dan ook niet verras send dat kunnen we grotere afstanden overbrug- vooral representanten van gen, wat tegelijkertijd het argument op- wegingen die zijn doortro politieke belevert voorzieningen als ziekenhuizen, vooruitgangsdenken, zoalskken van het scholen, winkels op grotere afstanden sociaal-democraten, de meestliberalen en van elkaar te bouwen. Kortom, vervoer ken pleitbezorgers van de uitgesprodat wordt aangeprezen omdat het be- nieuwe 'natuur' zijn. Onder aanleg van een kabinet stemmingen dichter bij elkaar brengt, van deze signat uur won het idee van heeft juist het effect dat deze doelen van natuurontwikkeling aan popularielkaar verwijderd raken. Verkeer gene- teit. Lemaire: "Wat sterk is er prettiger voor reert verkeer, met als gevolg dat de stil- een maatschappij die van maakbaarte verder in het gedrang komt. heid en beheersbaarheid haar leidende Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

11

met een computergestuurde auto, om te kijken of nieuwe technologie de auto ook door de volgende eeuw heen kan helpen. Dat typeert de benadering van de overheid. Daaraan ontbreekt een visie op een cultuur waarin de auto een minder dominante rol speelt. De grootste bron van lawaai in het landschap gaat, als het aan Rijkswaterstaat ligt, nog een mooie toekomst tegemoet, in weerwil van voorspellingen van Aurelio Peccei, de oprichter van de Club van Rome, die al in 1972 de auto tot een relict uit het verleden verklaarde, een technisch anachronisme dat de omgeving waarin wij leven onveilig en onleefbaar maakt. Rijkswaterstaat is nog altijd in de greep van de idee-fixe van de filebestrijding. Deze is terug te voeren op het romantische beeld van de vrije automobilist, wiens onbelemmerde doorgang overal waar hij gaat verzekerd moet zijn. Een visie op de file als vrijwillig aanvaarde wachttijd zou een bevrijdende uitwerking hebben. Zo'n visie vereist een omslag in het denken over de auto. Tot dusver benaderen politieke partijen de auto louter technocratisch, als een vervoermiddel, zonder oog te hebben voor het culturele fenomeen dat de auto vormt. Bij uitstek is de auto het symbool van een westerse culturele waarde als individuele vrijheid. Daarmee beïnvloedt de auto ons denken en doen. Ik citeer Hans Achterhuis: "De auto is een cultureel fenomeen waarin onze wensen en verlangens worden weersp3 3iegeld en onze waarden gekleurd. ' Citroën prees één van haar modellen31aan als AUTO 'een symfonie van de vrijheid'. De auhet is verbonden met de fantasie van de in to e enteerd experim t Rijkswaterstaa voorjaar van 1998 op een ongebruikt reiziger die, onafhankelijk van alles en stuk snelweg nabij Alphen aan den Rijn iedereen, naar de toevallige plek rijdt

ideeën heeft gemaakt dan te ontdekken dat ook de natuur te ontwikkelen en dus te maken is? In plaats van voortdurend de klaagzang te moeten aanhoren over een natuur die bedreigd wordt door een gulzige en grove samenleving, kan ze nu zelf natuurgebieden voortbrengen en laten ontstaan." Volgens hem heeft vernietiging van natuur met ontwikkeling van natuur gemeen dat het landschap zijn geschiedenis wordt ontnomen. Dat is een ingrijpend gevolg van de grootschalige degradatie van de leefomgeving. Met de verdwijning van de sporen die het verleden heeft nagelaten verliest het landschap ijkpunten voor de herinnering van mensen. Dat kan de achteloosheid jegens de omgeving verder vergroten, met als gevolg het ontstaan van nieuwe wezenloze plekken waarin passage belangrijker is dan verblijf. Het is overigens de vraag of ontwikkelde natuur nog natuur mag heten. Van oorsprong onderscheidt natuurgrond zich juist door het ontbreken van menselijk ingrijpen van cultuurgrond. Ik citeer Koos van Zomeren: "De Nederlandse natuur is in korte tijd veranderd in het tegendeel van wat zij altijd geweest is, van een herinnering aan menselijk onvermogen in een staaltje menselijk kunnen." In één zin vatte hij deze omkering wonderschoon samen: "Vroeger slingerde een riviertje omdat dat riomdat het waterviertje dat wou, nu 29 schap dat wil: Natuur behoort tegenwoordig tot onze ordening, meent hij: "Natuur wordt feestelijk geopend, of verplaatst als ze in de weg zit."

12

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

waarheen de weg hem voert, slechts een stofwolk achterlatend. Het is volgens de autoreclames de hoogste wens van de automobilist alleen op de wereld te zijn. Een werkelijk effectief beleid ter ontmoediging van het autogebruik vereist dat de politieke partijen zich verdiepen in de culturele waarden waarmee de auto wordt vereenzelvigd, zoals het ideaal van onafhankelijkheid. Dat ideaal is volgens Wolfgang Sachs, een Duitse filosoof die zich verdiept in de denkwereld achter de techniek, een algemene trend in technische ontwerpen. "In de constructie van veel moderne gebruiksvoorwerpen is de culturele waarde dat niets uitgaat boven de keuzevrijheid van het individu als het ware ingebakken", zo verwoordt Peter Peters die ideeën van Sachs. "Op tal van terreinen tekent zich een verschuiving van collectieve systemen naar apparaten voor individueel gebruik af. De overgang van de trein als massavervoermiddel naar de auto is misschien het spectaculairste voorbeeld, maar ook de verschuiving van kerkklok naar polshorloge, bioscoop naar televisie, wasserette naar wasmachine en mainframe naar personal computer past in deze trend."32 De auto springt eruit als toonbeeld van deze tendens. In een samenleving die een hoge status toekent aan het individu dat autonoom zijn eigen weg zoekt, verbeeldt de auto dynamiek, daadkracht, elan en het vermogen tot snel beslissen. Dat zijn eigenschappen die een ongebonden levensstijl veronderstellen. Zij spreken daarom zonder twijfel tot de verbeelding van wie zich in zijn dagelijks bestaan opgesloten voelt, hetgeen een verklaring temeer is voor de populariteit van de auto. "Wie auto

rijdt, voelt hoe zijn kleine ik een groter zelf wordt en dat maakt hem ervan bewust dat hij tot meer is voorbestemd dan het half dierlijke bestaan van de voetganger, meent de filosoof Peter Sloterdijk. De snelheid van de auto is de essentie van zijn probleem. Hoe sneller een auto rijdt, hoe meer ruimte hij vergt, hoe meer hij vervuilt, hoe meer hij de veiligheid in gevaar brengt en hoe meer hij de stilte in het landschap verstoort. De paradox is dat de snelheid van de auto ook de grootste belemmering voor de oplossing van het probleem vormt. In de moderne samenleving heeft snelheid een hoge status. Snelheid is kracht, traagheid zwakte. Een druk bestaan levert meer aanzien op dan een ontspannen leven. In het bedrijfsleven kan de manager die snel beslist en om de vijf jaar de overstap naar een nieuwe baan maakt, in toenemende mate op waardering rekenen, ten koste van collega's die levenservaring, contemplatie en vakmatige kwaliteiten voorop stellen. Snelheid is een voorwaarde voor economische groei. Hoe sneller een economie schaarse grondstoffen en energiebronnen consumeert, hoe sneller zij groeit. Een verkeersbeleid dat snelheid terugdringt ten gunste van maatschappelijke ontspanning vereist dus een omwenteling in een cultuur die zich onder invloed van het vooruitgangsdenken heeft gevormd. Dat is wellicht de belangrijkste verklaring voor de onaantastbare positie die de auto bekleedt. VRIJHEID

In dat licht kan het verhelderend zijn de vrijheid die de auto daadwerkelijk biedt nader te beschouwen. De grootste vrijheid van de automobilist in Nederland is zich te voegen naar de dagelijkse rou-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

13

tine in de eindeloze stroom lotgenoten op de vierbaansweg. Als geen ander vervoermiddel heeft dit symbool van individuele vrijheid de autonomie van het individu ingeperkt. De auto legt als een kolonisator beslag op schaarse ruimte, bedreigt de veiligheid en dringt met zijn stank en lawaai binnen in het privé-terrein van mensen. Hij ontneemt de kinderen speelruimte en bewegingsvrijheid, dringt fietsers van de straat en maakt van de wegen in de stad levensgevaarlijke barrières voor oudere voetgangers. De leeftijd waarop kinderen alleen naar school mogen fietsen, zonder begeleiding van een volwassene, loopt op, onder meer doordat ouders hun kinderen met de auto naar school brengen en de omgeving onveilig maken. Op 7 juni 1996 bereikte de beknotting van de vrijheid door het vrijelijk gebruik van de auto een summum. De radio maande geen inspanning in de buitenlucht te verrichten, zoals fietsen,

onder meer omdat het intensieve autoverkeer de zomersmog had opgevoerd tot een niveau dat de gezondheid bedreigde. De files naar de kust waren op dezelfde dag zo lang dat sommigen zonder het strand te hebben gezien aan het eind van de dag huiswaarts moesten keren. Een beleid ter ontmoediging van de auto kan wervingskracht opbouwen door de autocultuur af te meten aan haar eigen doel van individuele vrijheid. In een samenleving die zich minder afhankelijk heeft gemaakt van de auto is de vrijheid eerlijker verdeeld. Daar komt bij dat in zo'n maatschappij de leefbaarheid in steden en dorpen groter is, meer ruimte bestaat en minder stress, vervuiling, verspilling, onveiligheid én lawaai in het landschap. En wellicht nemen we dan weer de tijd om te reizen. Ik vind zo'n sfeer van vertraging een aangenaam perspectief. Kan ik die vogels op de vogelplas Starrevaart eens horen.

NOTEN (1) G. Mak, 1998: Het ontsnapte land, Atlas, Amsterdam, p. 9 en 35. — (2) Trouw, 5 maart 1998. — (3) Mak, a.w., p. 14 en 25. — (4) idem, p. 48. — (5) De Volkskrant, 30 december 1997. — (6) idem, 15 september 1997. — (7) idem, 30 december 1997. — (8) idem, 15 september 1997. — (9) Le Nouvel Observateur, 11 december 1997. — (10) Le Nouvel Observateur. — (11) W. Koerse, 1997: De grenzeloze stad, Thoth, Bussum, p. 143. — (12) Le Nouvel Obseruateur. — (13) N. ter Linden, 1996: Het verhaal gaat..., Balans, p. 51. — (14) Zie ook: Koerse, a.w., p. 23. — (15) H. Achterhuis, 1995: 'Op zoek naar ruimte en tijd'; in: Verkeerschaos en vervoershonger, SMO, Den Haag, pp. 65-73. — (16) Koerse, a.w., p. 106. — (17) Le Monde, augustus 1995. —(18) P. Peters, 1995: 'Leve de auto'; in: Ontstolen welvaart, kroniek van duurzaam Nederland, Mets, Amsterdam, pp. 36-59. — (19) Peters, a.w., p. 50. — (20) Marc Augé, 1992: Non-Lieux. — (21) Mak, a.w., p. 28, 29. — (22) Gustave Flaubert, 1987: Langs velden en oevers. Geciteerd in: Koerse, a.w., p. 107. —(23) Koerse, a.w., p. 110. — (24) idem, p. 111. — (25) idem, p. 122. — (26) idem, p. 122. — (27) Nationaal Milieubeleidsplan III. — (28) Lernaire, 1996: Verloren landschap, De Gids, p. 121 — (29) NRC Handelsblad, 12 april 1997. — (30) Hans Achterhuis, Natuur tussen mythe en techniek, Ambo, Baarn, p. 80. — (31) Zie: Peters, a.w., p. 47. —(32) Zie: Peters, a.w., p. 53.

14

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

LANDSCHAP, RUIMTE EN CRISIS Ton Lemaire* Een wandeling op het platteland en in de natuur is ook een onderdompeling in het landschap. Toch mogen we land en natuur niet vereenzelvigen met landschap, hoewel het verschil subtiel is. Landschap is, goed beschouwd, nooit land of natuur zonder meer, maar een deel van het aardoppervlak dat door ons als een zekere eenheid wordt gezien en beleefd. Natuur en omgeving oefenen een werking uit op de zintuigen, maar 'landschap' houdt een bepaalde ordening en afgrenzing in tot een betekenisvolle eenheid. Ergens drukt de Amerikaanse wijsgeer Ralph Waldo Ernerson (1803-1882) het als volgt pregnant uit: "Het bekoorlijke landschap dat ik vanochtend zag, bestaat ongetwijfeld uit ongeveer twintig tot dertig boerderijen. Miller bezit dit veld, Locke dat ginds en Manning het bos erachter. Maar geen van hen is eigenaar van het landschap. De horizon heeft de eigenschap die niemand heeft behalve diegene die alle delen kan integreren, in casu de dichter." 1 Landschap dankt zijn bestaan aan een bepaalde houding en perceptie van de toeschouwer, het is niet iets wat er gewoon is als iets objectiefs en gegevens. Zelfs in een geografische en geologische zin is landschap niet alleen maar een stuk natuur of aarde, want ook dan zijn er de geograaf of geoloog die van aarde en natuur delen afgrenzen en structureren. Maar omdat men op de duur deze 'stichtingsdaad' van het landschap vergeet, kan de schijn ontstaan dat 'landschap' er in deze zin altijd al geweest is. Des te duidelijker nog is de ervaring van de schoonheid van de wereld als landschap afhankelijk van de waarne-

ming van een subject dat daarvoor oog heeft. Niet elke toeschouwer is even gevoelig voor landschappelijk schoon en bovendien blijkt er ook een historische en culturele factor in het geding te zijn. Landschappen komen dus tot stand in en dankzij de ontmoeting tussen mensen en aarde of de natuur. Omdat het proces waarin landschappen ontstaan grotendeels onbewust verloopt en deze constituering gemakkelijk wordt vergeten, lijken landschappen buiten ons te bestaan terwijl ze minstens ten dele ons eigen product zijn, iets wat uiteraard ook in materiële zin voor het cultuurlandschap geldt. De Engelse historicus Simon Schama formuleert het in zijn Landschap en herinnering als volgt: "Voordat landschap ooit een ontspanning voor de zintuigen kan zijn, is het een werk van de geest. Het decor is evenzeer opgebouwd uit lagen geheugen als uit lagen rots."2 Landschap is dus de vrucht van de wederzijdse doordringing van mens en aarde. De manier waarop we een landschap beleven, uit zich in een stemming of gestemdheid. Het hangt van onze

* Ton Lemaire is antropoloog en filosoof, en publiceerde een groot aantal boeken, onder andere Filosofie van het Landschap (1970), Binnenwegen (1988) en Wandelenderwijs (1997). Deze passages zijn met toestemming van Ton Lemaire en diens uitgever ontleend aan zijn recent verschenen boek Met Open Zinnen; Natuur, Landschap, Aarde; Ambo, Amsterdam 2002; pp. 39-43 en pp. 51-55. Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

15

stemming af of we een landschap ervaren als somber of vrolijk, als harmonisch, intiem of desolaat. Projecteren we dan eenvoudig ons gemoed op de omgeving? Maar het land geeft zelf ook alle aanleiding tot verschillende stemmingen en gevoelens door zijn vormen en kleuren, door het weer, door de invloed van de seizoenen en van de tijden van de dag. Natuur en omgeving maken indruk op ons en die indrukken verstaan we spontaan als uitdrukking van de kwaliteit van het geheel dat er zich erin manifesteert, want ons gemoed resoneert mee met de buitenwereld. Er bestaat kennelijk een elementaire overeenstemming tussen ons en de wereld buiten ons. In de stemming vindt zowel een vermenselijking van het landschap plaats als ook een 'verlandschappelijking' van ons gemoed. Natuur- en landschapselementen zijn dragers van stemmingen en gevoelens en deze laatste hebben hun aanhechtingspunten in de buitenwereld. Stemming is ik- en wereldgevoel tegelijkertijd. Ze drukt bij uitstek de correspondentie uit van mens en omgeving en ook trouwens van lichaam en ziel of gemoed. Het meest volledig en intensief is het landschap misschien aanwezig voor de wandelaar. Een wandeling is een lijfelijk-zintuigelijke onderdompeling in de vormen, beelden, geluiden en geuren van het land. Ik geniet het meest van een landschap wanneer al mijn zinnen open en alert zijn. Op zo'n moment verliest de gebruikelijke tegenstelling tussen geest en zinnen, en tussen lichaam en geest veel van haar scherpte. De zintuigen zijn bezield en de ziel is zintuiglijk geworden, want ons bewustzijn is primair een zintuiglijk bewustzijn en wordt pas met enige moeite, door af16

stand nemen, een reflecterend bewustzijn. Het geluk van het wandelen bestaat juist in deze onderdompeling met ziel en zinnen in het landschap. Ik heb dan het gevoel dat het landschap me opneemt en tevens dat ik het landschap in me heb opgenomen en tot deel van mezelf gemaakt. Een gedicht van Ida Gerhardt waarin ze een wandeling met een vriendin weergeeft op een gelukkige dag begint en eindigt als volgt: 'Het landschap had ons opgenomen, de dag heeft helder ons behoord; de open hemel, 't gas, de bomen, een levend water — en volkomen de vreugd van woord en wederwoord. Het landschap staat in mij geschreven, gras, water, bloemen, ieder ding, ook wij, in aandacht weggegeven, en over al dit bezige leven, het licht in hoge koepeling.'3 De vervlechting van ons leven met de buitenwereld manifesteert zich bij uitstek in de betekenis die landschappen voor ons kunnen krijgen. Wanneer we terugdenken aan bepaalde gebeurtenissen in ons leven, rijzen vaak tegelijk ook de landschappen op met hun kleuren en geuren en hun atmosferen waar zich die gebeurtenissen hebben voorge. daan. Dat geldt vooral voor de jeugd, omdat dat de tijd is waarin je tegelijk met jezelf ook de buitenwereld ontdekt. Daarom kunnen de landschappen van onze jeugd ons een leven lang begeleiden en een ondefinieerbaar heimwee oproepen als we ze terugzien of in herinnering roepen. De ruimte waarin we langere tijd leven, wordt een bezielde ruimte, plekken erin krijgen een bijzondere betekenis doordat we ons eraan hechten en ze op den duur een deel van

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

onszelf zijn geworden; als ze veranderen, wordt er tegelijk iets in onszelf geraakt. Wat mezelf aangaat, weet ik dat bepaalde landschappen een beslissende rol in mijn leven hebben gespeeld en dat het waarschijnlijk anders zou zijn verlopen zonder hen. Mijn bestaan is sterk met die plekken en plaatsen, met die uitzichten en horizonten verbonden en ik weet dat ik er steeds naar zal terugkeren zolang dat mogelijk is. Omdat ik in mijn jeugd op de zandgronden van Zuid-Nederland heb gewoond, is mijn landschappelijk bewustzijn door die omgeving bepaald. Ik hou van een landschap met een afwisseling van velden, weilanden en bossen, met af en toe wat water en een niet al te verre einder. Hoe mooi ik de zee en de kust ook vind, ik zou er toch nooit willen wonen; alleen al de eeuwige wind zou me onrustig maken. Iemand die is opgegroeid in het noorden van Nederland zal meestal terugverlangen naar de weidsheid van dat landschap met de grootse luchten en verre horizonten, terwijl iemand wiens jeugd zich in de bergen heeft afgespeeld, moeilijk zou kunnen wennen in het vlakke en lage land van Nederland. Maar ook het collectieve geheugen van mensen heeft een landschappelijke dimensie en is aanleiding tot landschappelijke herinneringen. Zo zijn veel gebouwen en monumenten in een specifiek landschap ingebed en spelen als zodanig een rol in ons collectieve geheugen. We kennen de Egyptische piramides zoals ze oprijzen in de schaduwloze woestijn en de Griekse tempelruïnes in het dorre, rotsige en kruidige, mediterrane landschap. We herinneren ons Stonehenge in het open landschap van Wiltshire in zuid-Engeland en de

series menhirs en dolmens in het ruige en oude landschap van Bretagne. De kathedraal van Chartres doemt al van verre op uit de eindeloze graanvelden van het vlakke Beauce. Montségur, de laatste Katharen-burcht, hoort in het berglandschap van de Pyreneeën, zoals de Hohe Wartburg in het Thüringer Wald en de abdij van Cluny in het heuvelachtige Bourgondië. Kastelen, kloosters, kerken en kathedralen: zij alle zijn in de loop van de tijd in het landschap opgenomen of hebben het landschap in zich opgenomen en kunnen onmogelijk herinnerd worden buiten dit landschappelijke kader. Dan zijn er nog de wat ik zou willen noemen 'tragische' landschappen, zoals de ruïnes van Pompeji aan de voet van de Vesuvius, de slagvelden en militaire kerkhoven in de vlakten van noordFrankrijk en de concentratiekampen in Rusland, Polen en Duitsland. Vooral het silhouet van de barakken van Auschwitz, het prikkeldraad en de wachttorens in een kaal landschap waar het altijd winter lijkt te zijn, staat in ons geheugen gegrift als een getuige van de tragische twintigste eeuw in Europa. Zo heeft de geschiedenis onvermijdelijk een landschappelijke dimensie en zijn landschappen in onze geschiedenis ingelijfd, zodat ze ongemerkt en subtiel deel zijn gaan uitmaken van ons collectieve erfgoed. Landschappen begeleiden nu eenmaal ons leven, zowel dat van het individu als van de natie en van de mensheid als geheel. In de twintigste eeuw, vooral na de laatste oorlog, is het landschap in het geïndustrialiseerde Westen in relatief korte tijd sterk veranderd. De snelle ontwikkeling en groei van de technischindustriële maatschappij hebben met

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

17

zich meegebracht dat steden en dorpen zich hebben uitgebreid, overal industrieterreinen en -complexen zijn aangelegd, wegen zijn verveelvoudigd, campings en bungalowparken in het buitengebied als paddestoelen uit de grond zijn geschoten en vooral uiteraard de landbouw op moderne leest is geschoeid, zodat het oude cultuurlandschap in veel gebieden bijna onherkenbaar is getransformeerd. Dit alles heeft geleid tot een ecologische en esthetische verarming van de meeste landschappen, een verlies van diversiteit door uniformering en bijgevolg een verlies van oriëntatiepunten voor de bewoners. De moderne techniek en de wereldmarkt hebben mensen steeds meer losgemaakt van hun plaatsgebondenheid. Positief gezien betekent dat dat ze bevrijd zijn van lokale en regionale bindingen, negatief gezien dat ze gedesoriënteerd zijn in een instabiele en onverschillige leefomgeving. Ik noemde dat al 'delokalisering': een desintegratie van de band tussen mensen en het landschap waarin ze wonen en ik suggereerde dat dat proces zich wellicht weerspiegelde in het nagenoeg verdwijnen van het landschap in de moderne schilderkunst en literatuur (misschien ook de film).4 De laatste tijd lijken zich meer en meer mensen bewust te worden van wat er verloren is gegaan in het landschap door toedoen van de rigoureuze modernisering. Er verschijnen opvallend veel publicaties over het landschap (in Nederland), en dat kan alleen maar betekenen dat het landschap - dus onze verhouding tot het landschap - problematisch is geworden en in een crisis verkeert, een crisis die deel uitmaakt van de (identiteits)crisis van de moderne mens. 18

Alles wat er in de maatschappij gebeurt, wat er met de mens gebeurt, vindt vroeg of laat zijn neerslag in het landschap, wordt zichtbaar in zijn structuur, in zijn vormen en kleuren. Het landschap is zodoende het opengeslagen boek van onze cultuur en geschiedenis, althans voor degenen die het kunnen lezen. In het landschap worden we voortdurend met ons zelf geconfronteerd, want voor een groot deel is landschap een sedimentatie van onze geschiedenis. Er bestaat een permanente interactie tussen mens en omgeving, in die zin dat mensen hun omgeving beïnvloeden en vormgeven inspelend op wat de omgeving mogelijk maakt - maar zelf ook weer door die, al veranderende, omgeving worden beïnvloed. Na de laatste wereldoorlog heeft de transformatie van een agrarisch-ambachtelijke in een geavanceerd-industriële maatschappij versneld doorgezet. Daardoor is het traditionele cultuurlandschap, neerslag van het eerste type maatschappij, meer en meer veranderd in een modem, industrieel landschap. Als er al een crisis van het landschap zou bestaan, dan is die het gevolg van het hoge tempo van veranderingen en van het onvermogen van veel mensen om zich even snel aan het zich nu vormende landschap aan te passen. Niet zozeer dat dit nieuwe landschap van menselijke makelei is, veroorzaakt aanpassingsproblemen, maar de grootschaligheid, grofheid en het tempo waarmee het vorm krijgt. Ook het modeme landschap is een cultuurlandschap, maar het soort cultuur waarvan het de uitdrukking is, is wel grondig veranderd. De grote vraag lijkt me te zijn, in welke mate we in staat en

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

bereid zijn om ons aan te passen aan dit nieuwe, industriële landschap dat zich overal aan het doorzetten is. Is de mens nagenoeg onbeperkt aanpasbaar, kan hij zich steeds weer aanpassen aan de omstandigheden die hij zelf creëert? Hoeveel beton en asfalt, hoeveel lawaai, vervuiling en mobiliteit kunnen we verdragen? Zullen we ons ooit echt thuis kunnen voelen in een 'technotoop' met een hoge graad van delokalisering zoals die van ons wordt gevraagd door een marktgerichte samenleving die meer en meer door het proces van globalisering wordt gestuurd? Het is bekend dat overal in Nederland en vooral in de Randstad de druk op het buitengebied toeneemt ten gevolge van bevolkingsgroei, toename van welvaart en de ermee verbonden mobiliteit. Het landschap is onvermijdelijk inzet geworden van een veelheid van maatschappelijke krachten, tendensen en belangen. Het moet een grote verscheidenheid van deels tegengestelde strijdige belangen en functies dienen: mensen moeten er kunnen leven, wonen en recreëren, er lopen wegen en autobanen doorheen, er zijn industrieterreinen, landbouw en veeteelt leggen er beslag op en tenslotte zijn er ook natuurgebieden. Terwijl in vroegere eeuwen de meeste functies met elkaar vervlochten waren, treedt nu steeds meer een verzelfstandiging van functies op en daardoor een segmentering van de ruimte. Natuurgebieden bestaan naast intensief geëxploiteerde landbouwgebieden, recreatiegebieden zijn eveneens verzelfstandigd en ondergebracht in aparte domeinen, evenals industriegebieden en woonkernen. Het hele landschap is door en door gepland, geordend en toegesneden op de behoeften van de (post)moderne samenleving.

Ook aan de behoefte aan een zekere dosis 'wilde natuur' wordt tegemoetgekomen, eventueel door het creëren van 'nieuwe natuur' en nieuwe 'wildernissen'. Ook dit kan worden geleverd en een orgaan als de Landinrichting, dat tot voor kort het landschap op de schop nam om het aan te passen aan de vereisten van de industriële landbouw, is bereid waterlopen die ze had gekanaliseerd weer te laten meanderen wanneer de tijdgeest daarom vraagt. Alles kan en er is geld genoeg. De idee van de maakbaarheid is nooit zo sterk geweest als nu, zelfs natuur en wildernis worden verondersteld maakbaar te zijn, de ultieme triomf van een technisch-industriële maatschappij. Wat het meest door deze ideologie wordt bedreigd, is het klassieke cultuurlandschap. Dit wordt gemangeld tussen enerzijds de grootschalige ingrepen van landinrichting en landschapsbouw en anderzijds de natuurontwikkeling. 5 De cultuurlandschappen, neerslag van eeuwen omgang van mensen met het land, zijn meestal minder beschermd dan de meeste natuurgebieden sinds de idee van landschapsparken een zachte dood is gestorven. Hier heeft de modernisering, aangedreven door het streven naar rendement en vooruitgang, genadeloos huisgehouden. Er heeft daardoor een nivellering plaatsgevonden van de verschillen tussen regionale landschappen en als gevolg daarvan een ecologische verarming en tevens een onthistorisering. Want wat door de moderne ingrepen voor een groot deel is verdwenen of vervormd, dat zijn tekens en kenmerken van het landschap die deel uitmaakten van de 'lagen geheugen' waarover Simon Schama sprak, die dienden

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

19

als anker- en oriëntatiepunten voor de zo onherkenbaar dat ik ze liever verbewoners. Een rijk en betekenisvol mijd om niet opnieuw het verdriet te landschap met een eigen 'ziel' is zo ge- voelen dat ik voelde toen ik zag hoe er transformeerd in een zielloze, lege en een autobaan doorheen werd gelegd, of uniforme ruimte waaraan mensen zich een grindafgraving plaatsvond of een moeilijk kunnen hechten of waarin ze industrieterrein werd gepland. Elke moeilijk kunnen wortelen. Maar dat keer als zo'n dierbare plek werd verwordt ook niet meer verwacht in een minkt, werd een stukje van mijn jeugd samenleving waarin iemand zelden me afgenomen omdat mijn ziel was verlanger dan zeven jaar in hetzelfde huis groeid met de ziel van het landschap. woont en al helemaal niet sterft in het Vergeten we daarbij niet hoezeer ook de wegen zijn veranderd in de afgelohuis waarin hij of zij geboren is. Voor deze teloorgang van bezielde pen eeuw. Niet alleen zijn er autobanen plekken is tot voor kort bijzonder wei- bijgekomen die dwars door het landnig aandacht geweest. Terwijl men wel schap breken, maar bestaande wegen bereid is om de ecologische verarming zijn verbreed en veel kleine wegen en te meten en onder ogen te zien en ook weggetjes zijn verhard; bovendien zijn de mate van geluidshinder in ieder ge- ze allemaal veel drukker geworden. val een erkend probleem wordt geacht, Een gedicht verwoordt dat op de volheeft bijna niemand oog voor het psy- gende manier: chisch leed dat mensen kunnen lijden door ingrijpende veranderingen in hun 'Dear old road, no wonder surely, omgeving. Het is immers niet te meten That I love thee like a friend! en te kwantificeren en bijgevolg bestaat And I grieve to think how surely het gewoon niet in de ideologie en eufo- Al thy loveliness will end. rie waardoor de jaren zestig en nu weer het poldermodel werden en worden be- For thy simple charm is passing, heerst. And the turmoil of the street Wat mezelf betreft: veel landschappen Soon will mar thy sylvan silence waaraan ik me in mijn jeugd had ge- With the tramp of careless feet.' hecht, zijn sindsdien veranderd, soms An old bush road6 NOTEN (1) R.W. Emerson, Nature, Harmondsworth 1999, p. 5. — (2) S. Schama, Landschap en herinnering, Amsterdam/Antwerpen (=Landscape and Memory, 1995), p. 17. — (3) Ida Gerhardt, het gedicht 'Wandeling in Vlaanderen', uit Kosmos 1940. — (4) Ton Lemaire verwijst hier naar eerdere passages in het boek 'Met Open Zinnen', waaruit dit artikel afkomstig is. — (5) Zie W. van Toorn, Leesbaar Landschap, Amsterdam 1998, p. 77. — (6) Gedicht van J. Carmichael; geciteerd in J. Linschoten, Die Strasse und die unendliche Ferne - 1: Die Strasse als Ausdruck transzendierender Zielsetzung, in 'Situation', Beitrage zur phânomenologischen Psychologie und Psychopathologie, Utrecht/ Antwerpen, pp. 253-265.

20

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

NEDERLAND IN 2050 Pleidooi voor een 'onthaasr landschap Marius de Geus Het Nederlandse landschap is de laatste decennia sterk aan verandering onderhevig geweest. Wie schilderijen of foto's van vroegere Hollandse landschappen bekijkt, valt eigenlijk van de ene in de andere verbazing. Onder meer de kwaliteit van de open ruimte is de laatste jaren in hoge mate aangetast en tevens is veel traditioneel landschappelijk schoon verloren gegaan. Ons land dreigt steeds meer één uitgestrekte metropool te worden, zonder veel grote aaneengesloten natuurgebieden, zonder wildernissen en aantrekkelijk en rustgevend groen. Welke concrete maatschappelijke krachten hebben in grote lijnen tot deze ingrijpende veranderingen geleid? Welke maatschappelijke actoren zijn er betrokken bij de steeds heftiger en harder wordende strijd om de ruimte in ons land? En wat zou mijn persoonlijke utopie voor de ruimtelijke inrichting van Nederland in het jaar 2050 zijn? Hoe onderscheidt mijn eigen 'landschap van de verbeelding' zich van de in veel opzichten ontluisterende hedendaagse werkelijkheid? Wie de verschillende nota's van de Ne- sonen en goederen gestimuleerd. Er is derlandse regering bestudeert, zoals nog steeds sprake van een spectaculaire Nederland 2030 - Discussienota en uiter- groei van individuele mobiliteit. Eén op aard de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, de twee Nederlanders is tegenwoordig zal snel ontdekken dat de strijd om de in het bezit van een auto en het aantal ruimtelijke indeling van ons land v66r autokilometers per jaar neemt nog altijd alles te maken heeft met de overheer- toe. Om woon-werkverkeer en ook resende nationale doelstelling van door- creatieve verplaatsingen te faciliteren gaande welvaartstoename en economi- worden in versneld tempo nieuwe wesche groei. De overheid heeft zich de gen aangelegd en oude wegen vertaak gesteld om de economische ont- breed. Het nieuwe kabinet van CDA, wikkeling te bevorderen en heeft vanuit LPF en VVD heeft dan ook in het redien hoofde ruim baan gegeven aan de geerakkoord aangekondigd de komenopkomst van bedrijventerreinen, ha- de periode veel snelwegen uit te willen venterreinen en kantoorlocaties. In het breiden en te verbreden. Te verwachten 'Nationale Milieubeleidsplan 4' wordt valt dat hierdoor de congestieproblein theorie het bereiken van een even- men op de autowegen niet worden opwicht tussen economische groei en een gelost en de vervuiling en geluidshinecologisch duurzame ontwikkeling be- der alleen maar verder zullen gaan toepleit, maar in de praktijk van alledag nemen. wordt consequent een zo hoog mogelij- Bij de beleidsmakers is het ideaal van ke economische groei nagestreefd. 'Nederland Distributieland' nog altijd Samenhangend met deze continue eco- overheersend. Ons land kent een intennomische ontwikkeling wordt het mo- sieve groei van het goederenvervoer en gelijk maken van de mobiliteit van per- wegtransport, hetgeen heeft geleid tot Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

21

de ontwikkeling en aanleg van nieuwe infrastructuur in de vorm van wegen en spoorlijnen. Aangezien ook het aantal vliegtuigpassagiers en vliegbewegingen op Schiphol gestaag blijft groeien (met bijna tien procent per jaar!), neemt het directe en indirecte ruimtebeslag van deze luchthaven in de toekomst alleen nog maar toe. De overheid wenst dat Schiphol zich verder kan ontwikkelen tot een heuse 'mainport' en accepteert zonder veel problemen de toenemende ruimtedruk die hier het gevolg van is. Bovendien bestaat er ook een grote ruimteclaim door de groeiende vraag naar individuele woningen. Door de toenemende individualisering en tal van te verwachten demografische ontwikkelingen zijn tot het jaar 2030 in aanvulling op het reeds bestaande Vinex-beleid naar schatting meer dan één miljoen nieuwe woningen nodig? Door de welvaartsontwikkeling willen mensen ook woningen met grotere kamers en tuinen. Vooral in het westen van Nederland is een grote behoefte aan ruimere woningen, die gezien de daar al bestaande woningdichtheid moeilijk vervuld zal kunnen worden. Dit leidt tot extra ruimteclaims voor de woningbouw rond stedelijke gebieden en in de nu nog relatief groene landelijke gebieden. Een vaak over het hoofd geziene ontwikkeling is dat de zogenaamde 'preten pleziersector' zorgt voor een toenemende ruimtebehoefte en de inrichting van ons land ingrijpend heeft veranderd. In NRC Handelsblad heeft Tracy Metz deze ontwikkeling helder beschreven. Zij stelt dat de hedonistische cultuur van beleving van pret en plezier steeds meer het structurerende principe achter de inrichting van Nederland is geworden. Traditionele binnensteden 22

zijn geleidelijk veranderd in winkel- en flaneergebieden, die louter zijn gericht op ontspanning, recreatie en consumptie. Het zelfde geldt feitelijk voor talloze stadsranden en buitengebieden: "Langs de stadsranden ontstaan verzamelingen grote pretdozen: kinderparadijzen door speeltuinen') in loodsen op bedrijventerreinen, megabioscopen, multifunctionele sportcomplexen en grote winkelcentra zoals Alexandriurn I, II en III, bij elkaar een winkeloppervlak van twintig voetbalvelden groot aan de noord-oostrand van Rotterdam. En op het platteland verschuift de economische basis van productie van melk en aardappelen naar consumptie van rurale belevenissen. In de wei staan steeds minder koeien en steeds meer paarden, hèt symbool van het platteland als lifestyle. "2 Het zijn niet alleen de vaak wanstaltige villawijken, bedrijvenlocaties en kantoorkolossen die de randen van de steden bederven, maar tegenwoordig ook de vele recreatieve voorzieningen: kartbanen, fitnesscentra, skibanen en sporthallen. De modeme mens wil uitgaan, recreëren, zich vermaken in de vrije tijd en dat ziet men terug in het landschap en de fysieke infrastructuur. Wij kermen allemaal de brede strook van Ikea-, Gamma- en McDonald's-vestigingen aan de randen van de grote steden. Deze gelijkvormige stadsranden zullen naar Frans voorbeeld binnenkort worden uitgebreid met mega-supermarkten van onder andere Albert Heyn en de Konmar, waar de burgers hun consumptieve behoeften 'onbeperkt' kunnen uitleven. Tracy Metz merkt terecht op dat door de uitbreidende pret- en pleziersector niet alleen het aanzien van de omgeving verandert, maar ook het karakter.

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

Particuliere ondernemingen vergroten hun greep op de ruimte: "Steeds meer plekken vallen onder privaat beheer en toezicht en worden ingericht en uitgebaat met een winstmotief. (...) Onze omgeving wordt dan ook steeds minder openbaar."3 Er bestaat onmiskenbaar een algemene tendens in Nederland dat particulieren hun woongebieden gaan afschermen van de buitenwereld en zelf zorgen voor de beveiliging van huis en haard. Zoals bekend is dit al veel langer het geval in de Verenigde Staten, waar hele villawijken zijn omrasterd met metershoge hekken en waar de slagbomen worden bewaakt door particuliere beveiligingsorganisaties. Hetzelfde geldt in feite voor grote vakantie- en recreatieparken die ook zorgen voor een verdere 'privatisering van de openbare ruimte'. Overigens moet opgemerkt worden dat vele natuurgebieden eveneens in toenemende mate worden omheind en onder toezicht worden gesteld van particuliere beveiligingsinstellingen, waardoor tevens de natuurlijke leefomgeving steeds minder een openbaar karakter krijgt. LANDBOUW Naast de Nederlandse overheid en de industrie- en transportsector die voortgaande economische groei wensen, de individuele burgers die ongelimiteerde mobiliteit en steeds ruimere woningen wensen, de pret- en pleziersector die wil uitbreiden om de winst te verhogen, zijn er ook nog de landbouwers en veehouders die zich duchtig hebben gemengd in de strijd om de ruimte en de inrichting van ons cultuurlandschap. In een eerder artikel over 'Landbouw, landschap en prikkeldraad' heb ik gewezen op het feit dat akkerbouwers en veehouders in de afgelopen eeuw heb-

ben gezorgd voor een fundamentele en desastreuze verandering van ons landschap.4 Rond 1900 kregen steeds meer boeren belangstelling voor het aanleggen van prikkeldraadafsdleidingen op hun landerijen, omdat dit naar verhouding goedkoop was en minder onderhoud vergde dan traditionele afscheidingen als houtwallen en gevlochten heggen. Daar komt bij dat na de Eerste Wereldoorlog (rond 1920) in ons land de zogenaamde 'ruilverkavelingen' op gang kwamen. Als gevolg hiervan werden vele waterlopen gekanaliseerd, oude landschapselementen als poelen, geriefbosjes, heggen, hagen en houtwallen gesloopt en kon het prikkeldraad in Nederland beginnen aan een onstuitbare opmars. Door de toenemende schaalvergroting in de landbouw in de periode na 1950 veranderde het landschap in nog sterkere mate en werden nog meer prikkeldraadversperringen en stalen hekken geplaatst. Sindsdien is het traditionele Nederlandse cultuurlandschap met zijn meanderende beken, kronkelige sloten, heuveltjes, bosschages, rijke plantengroei en 'natuurlijke' afscheidingen door de harde vereisten van de kapitalistische economie (rationele bedrijfsvoering, streven naar winstmaximalisatie, de noodzaak tot schaalvergroting om te overleven) voor een groot deel verdwenen. Het landschap werd nadien welbewust gepland en omgevormd, vaak aan de hand van rechtlijnige patronen die met name vanuit een vliegtuig het idee geven dat Nederland inderdaad bestaat uit vierkante vormen en weinig anders is dan een aangeharkte tuin. Door deze ontwikkelingen werden vaak eeuwenoude ecologische kringlo-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

23

pen verstoord en kwam het behoud van biodiversiteit meer en meer in het gedrang. Daarnaast werden grote natuurgebieden opgeofferd aan de zich in die periode steeds meer uitbreidende landbouwsector. Ook in onze tijd worden natuurgebieden en landschappen met grote schoonheid en esthetische waarde in principe met een zakelijk oog bekeken. De leidende gedachte is: hoe kan men de grond zo productief mogelijk gebruiken en zo rationeel mogelijk inzetten om de winst te kunnen maximaliseren? De vrijheid om te gaan en te staan waar men wil is door al deze veranderingen vergaand beperkt. Door de vele harde afscheidingen worden interessante delen van ons land onbereikbaar of hoogstens heel beperkt toegankelijk gemaakt. Hoe vaak ziet men niet bij de ingang van een aantrekkelijk uitziend bos- of duingebied een bord met de volgende aankondiging: 'Alleen toegankelijk voor leden en kaarthouders'. Spontane ontdekkingsreizen worden op deze manier een onmogelijkheid. De burger wordt geacht om braaf en vooral gehoorzaam achter het prikkeldraad te blijven. In het algemeen gesproken komt de hedendaagse transformatie van het Nederlandse landschap in het bijzonder tot uitdrukking in de afname van variatie van stadsgezichten en landschappen, het te lor gaan van de uitgestrektheid van het landschap, de telkens groeiende 'versnippering' van de beschikbare ruimte en de onophoudelijke toename van cultuurelementen als woonwijken, snelwegen, bruggen, kantoor-, bedrijfs- en recreatieterreinen. Door de verstedelijking en groei van economische activiteiten is de verscheidenheid aan vergezichten en natuur

24

sterk verminderd. Eenvormige VINEX buitenwijken (met name in de Randstad, bijvoorbeeld Ypenburg bij Den Haag, Leidscheveen, etc.) en smoezelige, anoniem-grijze bedrijvengebieden zijn het landschapsbeeld steeds meer gaan overheersen. Deze ontwikkeling heeft grote invloed gehad op het ruimtegevoel van de burger die, als gevolg van bijna niet te ontwijken horizonvervuiling, veel minder dan vroeger de 'weidsheid' van het landschap kan ervaren. De massale uitbreiding van infrastructurele werken heeft er verder voor gezorgd dat omgeving en landschap hun 'natuurlijke' karakter hebben verloren en in het algemeen 'kunstmatiger' van aard zijn geworden. De bouw van een groot aantal nieuwe wegen en spoorlijnen heeft er ook toe geleid dat het landschap vaker ruw wordt doorsneden en hele natuurgebieden versnipperd zijn geraakt. Hierdoor zijn de leefgebieden van dieren veelal sterk verkleind en kunnen zij zich steeds moeilijker over grote afstanden verplaatsen. Deze versnippering van het Nederlandse landschap heeft ertoe geleid dat veel planten- en diersoorten dreigen uit te sterven. Uit onderzoek is gebleken dat voor het behoud van biodiversiteit de doorsnijding van natuurgebieden desastreus is. Het onderling verbinden van leefgebieden is van essentieel belang om onder meer vruchtbaarheidsproblemen voor locale dierpopulaties te voorkomen: anders komt het voortbestaan van bij voorbeeld boomkikkers, boommarters en waterspitsmuizen in

gevaar (zie ook verderop in dit artikel). Op dit moment is de overheid bezig met de uitvoering van een grootschalig programma voor investeringen in infrastructurele werken voor 2010 (de zoge-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

naamde 'Agenda 2000 plus' en het 'Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport' (MIT)). Men kan zich echter afvragen of voldoende wordt beseft wat de gevolgen zullen zijn voor natuur en landschap van onder andere de Betuwelijn die momenteel wordt aangelegd, een mogelijk tweede Schiphol gelegen voor de kust van IJmuiden, een Tweede Maasvlakte bij Europoort en nieuwe, bredere autowegen in het randstedelijk gebied. Het valt niet te ontkennen dat in ons land louter op basis van economische argumenten een verdere uniformering, vervlakking, versnippering en aantasting van de kwaliteit van de ruimte plaatsvindt. De ecologische en esthetische kwaliteiten van het landschap zijn in toenemende mate ondergeschikt geraakt aan financiële argumenten in een tijdperk van verzakelijking en groeiende internationale handel en onderlinge concurrentie. Naar mijn mening is het echter de hoogste tijd voor een herwaardering van de kwaliteit van natuur, landschap en ruimtelijk vergezicht in Nederland. UTOPISCH LANDSCHAP In eerdere publicaties heb ik beargumenteerd dat utopische denkers als Henry Thoreau (1817-1862), William Morris (1834-18%), Aldous Huxley (1894-1963) en Murray Bookchin (1921) in de praktijk een scherp oog hadden voor de consequenties van versnippering van het landschap en toenemende verstedelijking. 5 Volgens hen raakt de woon- en leefomgeving van de individuele burgers op den duur verstoken van de natuur en worden landschappen en ecosystemen ernstig beschadigd. Tevens wijzen zij erop dat intimiteit en overzichtelijkheid verloren gaan en on-

persoonlijke verhoudingen en kunstmatige materialen zullen gaan overheersen. Het is kortom volgens hen de vraag hoe 'leefbaar' op den duur de volkomen versnipperde en verstedelijkte omgeving voor de mens zal blijken te zijn. Deze utopische denkers besteden in hun werk veel aandacht aan de landschapsinrichting van hun utopieën en het doelbewust op zo natuurlijk mogelijke wijze vormgeven van de woon- en leefomgeving van de mens door (bijvoorbeeld) consequent laagbouw toe te passen, te kiezen voor een grote verscheidenheid aan bouwstijlen, de straten te voorzien van veel groen, de huizen te bouwen van natuurlijke materialen en te voorzien van royale, weelderige tuinen. In plaats van voorrang te geven aan industrialisering en toenemende verstedelijkte bebouwing, trachten zij hun utopia's te veraangenamen door enerzijds fraaie tuinlandschappen en kleinschalige tuinsteden aan te leggen, en anderzijds ongerepte stukken natuur op tal van plekken te handhaven. Met name de kunstzinnig begaafde William Morris legt overtuigend de klemtoon op de eis dat een toekomstige ecologisch verantwoorde en duurzame maatschappij ook in esthetisch opzicht een genoegen zal moeten zijn dan wel moet beantwoorden aan de menselijke behoefte tot het beleven van 'schoonheid'. Laat ik in de lijn van hun gedachten deze bijdrage afronden met een korte persoonlijke schets van een wenselijk ruimtelijk toekomstbeeld van Nederland: een utopisch beeld van 2050.6 Ik stel mij een Nederland voor waarin de menselijke maat, verscheidenheid van architectuur en duurzaam gebruik van natuur en. landschap centraal staan, en niet economische of financiële waar-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

25

den. Grootschalige bouwkundige ingre- men die gebieden verbinden zijn gepen in het landschap worden in begin- ruisloos en relatief langzaam. Magsel vermeden en afgewezen. Indien be- neettreinen en —trams zweven stil en paalde aanpassingen van de ruimte elegant door de groene tuinsteden en uiteindelijk toch niet te vermijden zijn, het uitgestrekte platteland, zonder dan worden zij niet alleen onderwor- mens en natuur te verstoren. Haast en pen aan een uitgebreide 'milieu-effect- nodeloze snelheid hebben in dit verstilrapportage' maar ook aan een verplich- de, 'onthaaste landschap' plaatsgete en vèrstrekkende 'landschapseffect- maakt voor tragere mobiliteit. De menrapportage'. sen hebben weer tijd om van de Het inzicht is meer en meer doorge- landelijke gebieden en de natuur te gedrongen dat in het verleden de spiritu- nieten. Om die reden worden lange ele kant van zowel 'ruimte' als 'land- tunnels en de in onze tijd frequent schap' onvoldoende zijn ingezien. In voorkomende hoge geluidsschermen 2050 wordt de wisselwerking tussen de die de mensen het zicht op natuur en natuur en het innerlijk van de Neder- landschap ontnemen voortaan conselandse burgers echter wel terdege be- quent vermeden. seft. In de praktijk van alledag kan een Het aantal ongerepte natuurgebieden is organisch en natuurlijk vormgegeven tussen 2002 en 2050 sterk toegenomen, leef wereld naar mijn overtuiging leiden als oases die ruimte bieden voor wildtot meer evenwichtige, rustige gevoe- heid, woestheid en biodiversiteit. Ruilens en ook tot het genieten van estheti- me en robuuste verbindingszones tussche ervaringen. sen natuurgebieden fungeren als de De steden zijn veel kleinschaliger ge- noodzakelijke 'stepping-stones' voor dieworden en hebben maximaal ongeveer ren om zich van de ene naar de andere honderdduizend inwoners. Zij bieden plek te kunnen bewegen en elders in een tuinstadachtige, overzichtelijke leef- contact te kunnen komen met soortgeomgeving met zeer uitgebreide groen- noten. Naast deze brede corridors zijn voorzieningen en zijn zorgvuldig geïn- er echter ook vele fijn vertakte verbintegreerd in het afwisselende park- dingen gecreëerd, zoals sloten, poelen, landschap. De krachtigste Nederlandse bosschages en een netwerk van houtvergezichten, te weten het polderland- wallen, hagen en vlechtheggen. In de schap, het rivierenlandschap en het toekomst vormen deze kleinschalige duin- en zeelandschap zijn na het jaar verbindingen een karakteristieke eigen2010 door de Verenigde Naties be- schap van het Nederlandse platteland. schermd verklaard. Dit gebeurde we- In andere woorden, zij vormen - net als gens hun onvervangbare intrinsieke in vroegere tijden - de fijn vertakte waarde en het toen ingevoerde 'burger- structuur die het fijngevoelige geheel recht' op het ervaren van de weidsheid van het Nederlandse landschap bijeen en uitgestrektheid van het landschap. kan houden. Deze verbindingen vorBebouwing en infrastructuur zijn in men ook de onmisbare schuilplaatsen 2050 consequent afgestemd op de men- voor allerlei kleinere en grotere dieren, selijke maat. Bruggen, fly-overs, wegen zoals vlinders, vogels, boomkikkers, en woonwijken zijn zorgvuldig inge- veldmuisjes, wilde hamsters, marters, past in de natuur en de vervoerssyste- bunzings en dassen. 26

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

In dit ideale of utopische Nederlandse landschap zijn de momenteel in ons land alom aanwezige gestandaardiseerde houten, ijzeren en betonnen schuttingen vervangen door aangenaam ogende struiken, boomafscheidingen en hagen die de schoonheid van het landschap aanmerkelijk vergroten. In deze nieuwe situatie dragen 'natuurlijke' afscheidingen als houtwallen, vlechtheggen en hagen bij aan het seizoensgebonden en kleurrijke karakter van het landschap. Zo heeft het cultuurlandschap met heggen, hagen en houtwallen tenminste op al die plaatsen waar deze al sinds vele eeuwen te vinden waren (dus voor alle duidelijkheid: niet in de westelijk gelegen polders, maar wel in de oostelijke en zuidelijke gebieden van het land, zoals in Twente, Brabant en Limburg) zich geleidelijk weer weten te herstellen van alle eerdere aanvallen op haar schoonheid. Al met al is dit 'Nederland van de Toekomst' van een grotendeels geasfalteerd, versnipperd en vervlakt cultuurgebied getransformeerd in een contrastrijke natuurlijke leefomgeving waarin een harmonieuze kwaliteit van de ruimte opvalt

Het perspectief van rationele ordening, efficiency en beheersing van de natuur is in het jaar 2050 vervangen door een perspectief van spontaniteit, ruimte voor het natuurlijke en hechte verbondenheid met de leefomgeving. De mens is niet langer een snelle bezoeker van louter geurbaniseerde, rechtlijnige en planmatige gebieden, maar is weer als een 'wandelaar' uit vroegere tijden: een persoon die heel bewust en rustig de tijd neemt om de omgeving op zich in te laten werken, die geniet van de natuur en het landschap, en al nadenkend en mediterend ervaart zelf een onlosmakelijk deel van die natuur te zijn.7 Tot in de essentie teruggebracht betekent mijn utopische landschap in het jaar 2050 dat het wandelaarsperspectief heeft zegegevierd over het technocratische perspectief van de economistisch denkende projectontwikkelaars, beleidsambtenaren en politici. Hoogstens rest nog één vraag waar ik in dit artikel helaas het antwoord op schuldig moet blijven: Wie heeft de durf en de kracht om het op te nemen tegen al die investeerders, bouwtechnici en beleidsmakers die zo opvallend weinig zorg tonen voor het landschap en die kennelijk zonder enige gewetenswroeging Nederlan d mismaken?

NOTEN (1) Ministerie van VROM, Nederland 2030 - Discussienota, Den Haag 1997, p. 25. Zie ook het artikel van Hans Ramaer, 'Nederland in 2030: meer asfalt, blik en beton' in Vijfde Jaarboek Anarchisme/De AS 122/123. - (2) Tracy Metz, 'Uit ons dak', in de M-bijlage NRC Handelsblad, Rotterdam juli/augustus 2002, p.49. - (3) Ibid., p. 50. - (4) Zie het artikel 'Landbouw, landschap en prikkeldraad' in Zevende Jaarboek Anarchisme/De AS 130/131. - (5) Zie Ecologische utopieën; Ecotopia's en het Milieudebat Jan van Arkel, Utrecht 1996, en het hoofdstuk 'BetoveTon Lerende utopische landschappen: het landschap in de utopische traditie' in Jan Kolen & maire (red.), Landschap in Meervoud. Perspectieven op het Nederlandse landschap in de 20e/21e eeuw, Uitgeverij Jan van Arkel, pp. 71-88, waarvan ik voor het laatste deel van dit AS-artikel mede gebruik heb gemaakt - (6) Het zal de lezer dan ook niet verbazen dat in mijn utopische landschap onder andere kenmerken terugkomen van William Morris (mijn favoriete utopist), naast onder andere elementen van Thoreau, Huxley en Bookchin. - (7) Zie voor een in dit opzicht inspirerend betoog het boek van T. Lemaire, Wandelenderwijs. Sporen in het Land; Ambo Amsterdam, pp. 119-136. Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

27

KOEIEN OF VILLA'S?* De strijd om de groene ruimte Freek Ka lien berg Steeds meer mensen willen buiten wonen en recreëren. Hierdoor valt in rap tempo het groene en open landschap ten prooi aan de wensdromen van de consument. Milieudefensie eist een Groene Grens om deze opmars van de bebouwing te stoppen. Pronk wilde in zijn Vijfde Nota niet verder gaan dan rode en groene contouren. Het nieuwe kabinet wil zelfs van geen contouren weten. Wordt Nederland strak een grote parkstad, of zijn er andere scenario's mogelijk? Een zoektocht voorbij de Groene Grens. 'Liever ganzen dan al die rijkelui' staat er boven een artikel in NRC Handelsblad van 2 juli 2002. De dorpsbewoners van het Friese Lekkum willen niet worden opgescheept met de 'rijkeluiswoningen' voor woningzoekenden uit het naburige Leeuwarden. Onlangs wisten de 750 Lekkummers de eerste slag over de omstreden bouw van 400 villa's in natuurgebied Bullepolder te winnen. Leeuwarden zegt de duurdere woningen nodig te hebben omdat de beter gesitueerden de stad de rug toekeren door een tekort aan geschikte woonruimte en ruime kavels. De Lekkummers willen echter niet dat de brede groene strook tussen hun dorp en de stadsgrens wordt opgevuld met villa's. Zij vinden dat er in het zuiden van Leeuwarden ruimte genoeg is. Bovendien is de polder een rust- en fourageerplaats voor duizenden overwinterende kol- en brandganzen. Nu Dorpsbelang Lekkum de voorlopige voorziening bij de Raad van State heeft gewonnen, ligt de bouw van de villawijk in ieder geval voor een jaar stil. "Heel frustrerend", klaagt gedeputeerde Annet Andriessen (PvdA) tegenover verslaggeefster Karin de Mik. "Leeuwarden heeft die woningen nodig. Goudvinkjes gaan nu naar de dorpen 28

Stiens en Dronrijp." Bovendien vreest zij dat als dit project niet doorgaat, je nieuwbouw op veel plaatsen in Friesland kan vergeten. "Want ganzen en weidevogels zitten bijna overal." Het gevecht tussen de Lekkummers en Leeuwarden is illustratief voor het gevecht over de open ruimte in Nederland. De economie draait op volle toeren en het ene na het andere groengebied sneuvelt door de stedelijke expansiedrift. Steeds meer mensen hebben de wens om 'buiten' te gaan wonen, maar dan wel het liefst in hun eigen (tweede) huis, op hun eigen grond met een hoog hek erom heen. Niet alleen dorpsbewoners zoals die van Lekkum, maar ook milieuorganisaties willen hier niks van weten en willen de stedelijke expansiedrift een halt toe roepen. Milieudefensie voerde het afgelopen jaar samen met Jos Brink campagne voor een Groene Grens. Anders dan de naam doet vermoeden wil ze hiermee niet de stad beschermen tegen het oprukkende groen, maar het groen tegen de oprukkende stad. De Groene Grens ligt wat haar betreft strak om de huidige bebouwde kom heen, daarbuiten mag niet gebouwd worden. Volgens Milieudefensie kunnen we het best doen met de bestaande bebouwde

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

ruimte als er wat creatiever zou worden nagedacht over de precieze invulling daarvan. Minister Pronk wilde in zijn Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening echter niet verder gaan dan het aangeven van rode en groene 'contouren' in het Nederlandse landschap. De meest waardevolle natuur- en cultuurhistorische gebieden worden omringd met groene contouren. Hierbinnen is nieuwbouw uitgesloten. De rode contouren worden getrokken om de stedelijk gebieden. Hierbinnen mag worden gebouwd als er aan een aantal regels is voldaan. Daarnaast is er nog een groot aantal 'balansgebieden' waar bouwen niet wordt aangemoedigd, maar waar dit wel gemakkelijker kan dan binnen de groene contouren. MARKT

Met het aantreden van het nieuwe kabinet-Balkenende is het de vraag of zelfs de rode en groene contouren uit de Vijfde Nota het zullen overleven. Tijdens een discussiemiddag in de Balie in Amsterdam gaven Gerard Marlet en Eduard Bomhoff van het instituut Nyfer (inmiddels minister voor de LPF in het kabinet-Balkenende) alvast een voorzet voor dit nieuwe beleid. Volgens dit duo moet de nationale overheid er mee ophouden grote lijnen uit te zetten en de indeling van Nederland, meer nog dan in de Vijfde Nota, overlaten aan lokale overheden. Bovendien moet vooral de markt haar werk kunnen doen. Als mensen buiten willen wonen met grote tuinen, moet dat kunnen. Want, zo vraagt Marlet zich in zijn door de Balie gepubliceerde boekje Boeren, bouwen of openhouden. De strijd om de ruimte in economisch perspectief af, waar-

om zou een gemiddelde koe 2.250 vier-

kante meter grond tot haar beschikking mogen hebben en de gemiddelde Nederlander maar 140? Je zou daartegen in kunnen brengen dat de koe in de regel niet van z'n weiland af komt en het iedere Nederlander vrij staat om van al het land te genieten. Maar wat blijkt volgens Marlet uit cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau? De mensen in Nederland hebben steeds minder vrije tijd en de vrije tijd die ze hebben, brengen ze steeds meer in en rond hun eigen huis door. De tijd besteed aan wandelingen en fietstochten in het Hollandse landschap bijvoorbeeld, nam tussen 1995 en 2000 af van gemiddeld 0,7 uur tot gemiddeld een half uur per week. Kortom, er lijkt weinig reden om al dat landschap maar in stand te houden als er nauwelijks 'gebruik' van wordt gemaakt, zo meent Marlet. Milieuorganisaties zullen er op wijzen dat uit talloze onderzoeken blijkt dat mensen juist wel veel belang hechten aan het behoud en zelfs de uitbreiding van het groene landschap. De ledengroei van clubs als Natuur en Milieu en Natuurmonumenten bevestigt deze trend. Waarom men dat groene landschap wil behouden als men er zelden komt, blijft onduidelijk. Misschien omdat het vanuit de auto of trein prettiger is om naar koeien dan naar bedrijvenparken en protserige villa's te kijken...? Je kunt je ook afvragen of het groene landschap daadwerkelijk gevaar loopt. Want waar gaat het eigenlijk over? In Nederland is slechts 10,7 procent van de grond bebouwd, de rest dus niet. Weliswaar wordt 66 procent van deze niet-bebouwde grond in beslag genomen door de agrarische sector en bestaat ze voor slechts 13 procent uit bos en 'echte' natuur - 21 procent is water -

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

29

maar dan nog kan je niet volhouden dat er in Nederland te weinig ruimte is. Als er tot 2030 nog een miljoen woningen worden gebouwd in de hoge dichtheden die de Vijfde Nota voorstaat, neemt het percentage bebouwde grond toe tot 11,6 procent. Als de marktpartijen, zoals Bomhoff en Marlet wensen, de komende jaren wat vrijer mogen bouwen en dus iedereen die dat wil een potsierlijke villa met grote tuin kan betrekken, zal Nederland in 2030 voor maximaal 12,3 procent bebouwd zijn. Uiteraard is er wel wat aan te merken op deze cijfermatige logica. De uitstraling van de gebouwde omgeving op het groene landschap is bijvoorbeeld groot. Uit eigen ervaring weet ik dat zelfs in het bosrijke Appelscha de 'natuurlijke' stilte voortdurend verstoord wordt door het geraas van autoverkeer op de N361 die het prachtige bos- en heidelandschap doormidden klieft en dat in het Amsterdamse Bos een vliegtuigspotter meer aan z'n trekken komt dan een vogelaar. Stilte vind je in Nederland nauwelijks, 'echte' natuur evenmin. In Nederland is alles cultuurlandschap, zelfs de natuur wordt hier aangelegd, net zoals stiltegebieden. Nederland is vrijwel volledig gebouwd; een planologisch hoogstandje waarnaar planologen vanuit de hele wereld graag komen kijken. "Elke vierkante meter in Nederland is gepland. Zelfs de Waddenzee: voor zover daar iets valt te plannen, hebben we dat gedaan. Planologie zit ons blijkbaar in het bloed", aldus de Groningse hoogleraar planologie Gert de Roo in de Volkskrant (8 juli 2002). ZUIDSTAD

Waarom zouden we gezien onze planologische bouwkundige kwaliteiten dan 30

niet kiezen voor een wat creatievere en radicalere versie van de Groene Grens met 'echte' natuur aan de buitenkant en een echte metropool aan de binnenkant? We wijzen dan niet een aantal gebieden aan waar niét gebouwd mag worden, maar slechts één gebied waar nog wel gebouwd wordt de komende jaren, zodat de rest van Nederland of zelfs Europa langzaam leeg raakt. In zijn essay Amor Vacui. Virtueel Nederland laat de bioloog en essayist Arjen Mulder zien wat voor ongekende mogelijkheden dit op kan leveren. Wanneer de huidige inwoners van Nederland net zo dicht op elkaar gaan wonen als thans gebruikelijk is in Manhattan (25.000 per km2) passen we allemaal in de zuidelijke helft van Limburg of in een strook van 1750 meter breed langs de Belgische grens. Volgens een berekening van de architect Rem Koolhaas past de gehele bevolking van West-Europa bij die dichtheid zelfs in de zuidelijke helft van Nederland, onder de lijn Winterswijk-Hoek van Holland. "Geheel West-Europa zou dan leeg kunnen worden gelaten, op wat toeristische en agrarische infrastructuur na wellicht, met hier en daar een aardgasboring", zo schrijft Mulder. Misschien dat de genoemde bevolkingsdichtheid velen zal afschrikken. Zuidstad, zoals Mulder dit 'Manhattan aan de Maas' noemt, hoeft echter geen Roemeense betonwoestijn of het zoveelste Hongkong te worden, maar een stad die een veel gevarieerdere woonomgeving kent dan onze huidige steden en bovendien zeer groen is: "Op meerdere etages in de woontorens worden parken aangelegd. Bossen op drie en vijftien hoog, bollenvelden op de achtste en vijfendertigste verdieping, moerassen en duinlandschappen tot de zeventigste etage aan toe. Wonen in het groen is nog op honderden meters bo-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

ven en onder grondniveau te realiseren. Iedereen een eigen achtertuin! En als bekroning liggen er op de wolkenkrabbers meren met eilandjes en windmolens, waardoor panden zelf hun energie en waterhuishouding kunnen verzorgen." Wie denkt dat dit allemaal fantasie is, heeft het mis. Het Rotterdamse architectenbureau MVRDV heeft het allemaal al bedacht en voor de Wereldtentoonstelling van 2000 in Hannover een kleine versie van zo'n wolkenkrabber gebouwd. Ook is het niet nodig om de Nederlandse bevolking met geweld richting Zuidstad de drijven. Het is slechts een kwestie van tijd. Elk leeg bedrijfspand buiten Zuidstad blijft in het vervolg gewoon leeg, woningen worden niet meer gerenoveerd en failliete melkveehouders of tuinders krijgen een mooie woning in Zuidstad en hun land blijft braak liggen. In plaats van herstelwerkzaamheden uit te voeren wordt alles gewoon opgebroken, opgeruimd en ondergespit en beplant met een rijke variatie aan loofboomsoorten. Door beheer achterwege te laten transformeert deze aangelegde natuur vanzelf na een aantal decennia in 'echte' natuur. De steden worden ondertussen steeds groener, het platteland steeds ruiger en de bedrijvigheid en de bewoners zullen steeds meer richting Zuidstad vertrekken. "Wie op zijn oude stek in de ruInesteden wenst te blijven wonen, sterft - nog een tijdlang als bezienswaardigheid opgenomen in toeristische safaritochten - langzaam maar zeker uit", aldus Mulder. Het lijkt me dat Milieudefensie enthousiast zal zijn over Zuidstad. Het is in feite een radicale versie van de 'vitale en levendige stad' zoals Vera Dalm van Stichting Natuur en Milieu die schetst in het boekje De Groene Grens dat vorig jaar op initiatief van Milieudefensie werd

uitgegeven. Dalm pleit in haar bijdrage voor een compacte stad waar de bevolkingsdichtheid hoog is, evenals het aantal voorzieningen en werk- en recreatiemogelijkheden per vierkante kilometer. De beschikbare ruimte wordt intensief gebruikt in vier dimensies. Dus niet alleen in de lengte en de breedte, maar ook in de hoogte en de diepte en in de tijd. Wat onder de grond kan - parkeren, opslag - gebeurt onder de grond. Het voetbalveld ligt niet langs de snelweg, maar er boven op en gebouwen hebben, net zoals in Zuidstad, meerdere verdiepingen. Ook het gebruik van allerlei voorzieningen beperkt zich niet tot de piek- of kantooruren. Een bedrijfskantine is 's avonds een buurthuis, een parkeerplaats bij een kantoor in het weekend een speel- en recreatieplein voor de buurtbewoners. Dalmstad, zoals ik deze stad voor het gemak even zal noemen, is zeker ook een groene stad waar genoeg ruimte zal zijn voor water- en groenpartijen en een sociaal functionerende openbare ruimte met pleinen en trapveldjes. Vanzelfsprekend wordt de auto zoveel mogelijk geweerd. Benen, fiets en openbaar vervoer zijn de belangrijkste transportmiddelen. De auto blijft achter bij de stadsgrenzen. Uiteraard vergt Dalmstad forse ingrepen, zoals de sloop en nieuwbouw van woningen en gebouwen en de aanleg van nieuwe wegen en parken. Vooral de naoorlogse woonwijken, verouderde bedrijventerreinen en de gemeenten in de agglomeratie van de grote steden gaan op de schop. Hoe er hier wordt ingegrepen zal per locatie verschillen, aldus Dalm. Waar het om gaat is dat er in plaats van een "structuurloze brij van voortdurend uitdijende woonwijken en bedrijventerreinen, een functioneel netwerk

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

31

van intensieve bebouwing met levendige centrumstedelijke woon- en werkmilieus in wisselwerking met een robuuste groenstructuur" ontstaat. Door de groene gebieden binnen en buiten de stad met elkaar te verbinden ontstaat een structuur van groene zones, waardoor verschillende ecosystemen met elkaar verbonden blijven, aldus Dalm. KLIMATOLOGISCHE STAD

Terwijl Dalmstad en Zuidstad een groot beroep doen op planologen, stedebouwkundigen, architecten en andere deskundigen, heeft de nu 87-jarige kunstenaar Peter van Gogh tientallen jaren geleden al een stad ontwikkeld die het werk van deze mensen voorgoed overbodig maakt. Op een klein stukje door hem in beslag genomen braakliggend terrein midden in het Amsterdamse Wallengebied staat een maquette van zijn Klimatologische Stad opgesteld. Wie wil kan op verzoek met Van Gogh mee om deze 'amorele' technologie te bewonderen. De Klimatologische Stad is in feite de gematerialiseerde Groene Grens. Het is een ring met een diameter van tien kilometer, tussen de 300 en 500 meter hoog en opgebouwd uit identieke wooneenheden. De stad biedt ruimte aan tenminste één miljoen inwoners - volgens Van Gogh een minimum voor een optimaal functionerende stad. De eenheden worden industrieel vervaardigd en de stad kan in korte tijd over ter wereld worden gebouwd. Het natuurlijk milieu van het terrein waarop de stad wordt geplaatst, blijft vrijwel geheel intact, waardoor de bewoners niet uitkijken op andere gebouwen maar vanuit elke woning vrij uitzicht hebben over het landschap, binnen en buiten de ring. Iedereen is dus zowel stedeling als buiten32

mens. Volgens Van Gogh rekent zijn Klimatologische Stad af met de problemen van de hedendaagse stedenbouw. Die berust in zijn ogen nog steeds op het omslachtige en kostbare proces van aparte huizen, blokken, wijken en steden - een gevolg van de ideologische dwang om steeds weer nieuwe, interessante, op wetenschap gebaseerde vormen uit te denken voor afzonderlijke functies. "Ik ben de eerste die het probleem van de vormgeving heeft opgelost", zegt Van Gogh in De AS, "dat moet je wel goed zien; die sprong die ik heb gemaakt om in één keer een hele stad als een industrieel product, los van vormgeving, los van architectuur, los van planologie en los van stedenbouwkunde te bedenken." Ook vanuit het begrippenpaar mooi-lelijk is "die schuur van mensen zo leeg en nietszeggend" dat die stad volgens Van Gogh alleen voldoet aan de materiële voorwaarden. Mensen moeten wonen en deze stad zorgt daarvoor zonder dat mensen zich daar nog druk over hoeven te maken. De Klimatologische Stad is een artistieke neerslag van het bewustzijn dat er niets te reguleren, te beheersen en vorm te geven valt. De bewoners zijn collectief 'eigenaar' van de stedelijke omgeving en er wordt van tevoren niet vastgelegd wat goed is voor de bewoners van deze stad of wat ze moeten gaan doen. Van Gogh pretendeert ook niet dat de mensen in deze stad gelukkiger zullen zijn. Het is ook geen utopie, want een utopie is een talige constructie van een toekomstige maatschappij, een verhaal. Daar wil Van Gogh nou juist van af. "Het gaat mij niet om de menselijkheid; want ik weet niet wat dat is; en ik houd me ook niet met de maatschappij bezig,

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

want ik weet niet hoe de mensen (willen) leven; het gaat mij alleen maar om die ring, dat stuk gereedschap." Van Gogh bekritiseert met zijn Klimatologische Stad impliciet al die generaties planologen die dachten dat je de werkelijkheid kunt beheersen door de fysieke omgeving op een bepaalde manier vorm te geven. De planoloog wist wel wat goed was voor de mens en richtte stad en land volgens dit beeld in. Zo is ook de relatief nog steeds grote scheiding tussen stad en platteland in Nederland te danken aan de planologen. "Nergens ter wereld zie je zo'n duidelijke afbakening tussen stad en platteland", zegt Gert de Roo. "Waarom? Omdat hij [de planoloog, Fl() dacht dat het goed was." Volgens De Roo is onder planologen zowel de gedachte dat de planoloog de werkelijkheid kan vormgeven als de strikte scheiding tussen stad en platteland inmiddels achterhaald. Onzekerheid, complexiteit en dynamiek zijn de mantra's van de nieuwe planologie. Planologen zetten nog slechts routes uit, maar hebben geen idee waar dat eindigt. Dat is een autonoom proces. "De planologie ontwikkelt zich mee met de dynamiek van het dagelijks leven", aldus de Roo. En omdat we in ons hoofd, ook op het platteland, allemaal stedelingen zijn, en de mensen op het platteland in alle opzichten stedelijk gedrag vertonen, houdt niets ons tegen het platteland dan ook fysiek van stedelijke elementen te voorzien. Dit verhoogt de dynamiek, aldus de hoogleraar, die zich hier overigens niet voor of tegen uitspreekt. Hij voorziet de komende decennia wel revolutionaire veranderingen, ook tussen stad en platteland. Hoe die eruit zullen zien, is niet duidelijk. "Het is de ruimte die zich naar ons voegt", aldus De Roo.

GEMEENSCHAPSTUINEN De grote vraag is wie die 'ons' zijn en wat die willen? Volgens het nieuwe regeerakkoord zijn dat vooral lokale overheden en de vrije markt partijen. Het verlangen naar 'buiten leven' zal hierdoor waarschijnlijk resulteren in nog meer asfalt, potsierlijke villawijken - al dan niet met een hoog hek er om heen bedrijvenparken en multifunctionele leisure centres aan de randen van de stad. De leegloop van de steden die hiervan het gevolg is, levert echter ook interessante mogelijkheden, zoals de situatie in Verenigde Staten laat zien. Daar is het proces waarin met name de mensen met geld de binnensteden verlaten en in hun kielzog het hele scala aan voorzieningen en bedrijvigheid al lang geleden ingezet. Het meest extreme voorbeeld is waarschijnlijk de voormalige autostad Detroit. Het vertrek van de auto-industrie uit deze stad en de switch naar de diensteneconomie heeft er toe geleid dat de bedrijvigheid zich verplaatste en de voormalige arbeidersbuurten in armoede achterbleven. Een groot deel van die buurten bestaat uit verlaten fabrieken, lege kantoortorens en (om verzekeringstechnische redenen) platgebrande huizen. De infrastructuur van de grote stad - wegenstelsel, financieel district, voormalige industriële gebieden - bestaat nog steeds, maar vanwege het ontstaan van zoveel open ruimten zijn er landelijke en zelfs natuurlijke condities ontstaan. Al in de jaren tachtig begonnen mensen op de verlaten en brakke stukken grond tuinen aan te leggen. Ze verenigden zich tien jaar geleden in het Detroit Agriculture Network dat nieuwsbrieven uitbrengt en technische hulp verleent. Ook richtten zij een coöperatie op

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

33

die organisch voedsel verbouwt - midden in deze voormalige industriestad en uitdeelt aan mensen met HIV/AIDS. In de geheel verlaten 4th Street hebben krakers vanaf de jaren zeventig een multiculturele buurt gecreëerd compleet met buurthuizen, speelplaatsen en gemeenschapstuinen. Ook in New York en veel Zuid-Amerikaanse steden spelen soortgelijke community gardens op brakke stukken grond een belangrijke rol in het herstellen van de sociale structuur in arme wijken. Volgens de architect en voormalige directeur van de New Yorkse architectuurgalerie Storefront, Kyong Park, is Detroit de meest duurzame omgeving die we vandaag kennen. "Door het vertrek van het kapitalisme en de vormgevers van de stedelijke omgeving werd de stad overgelaten aan de krachten van de natuur en ontwikkelde ze haar eigen ecologie en sociabiliteit", meent Park. Twee jaar geleden verkaste Park naar Detroit en richtte er het International Centre for Urban Ecology (ICUE) op dat zich volledig wijdt aan de 'architectuur van het verzet'. Hierbij bepalen architecten niet meer wat goed en mooi is voor mensen, maar werken ze nauw samen met de mensen en leiders van gemeenschappen. "je moet helpen met de organisatie van de radicale acties die al door de pioniers zijn begonnen. Je moet die gemeenschap ook beschermen te-

gen interventies van buitenaf en tegen vastgoedspeculaties", aldus Park. In het manifest van het ICUE wordt met een beschuldigende vinger gewezen naar planologen en architecten die zich "in dienst hebben gesteld van de werktuigen van de stedelijke crisis." Volgens Park moeten architecten ophouden te ontkennen dat "architecten autoritaire en soms zelfs fascistische erfenissen steunen. De architectuur van het verzet zal niet-erkende bronnen gebruiken die al binnen de gemeenschap bestaan." Park zelf is uit de architectuur discussie, -professie en -scene gestapt om te leren van en te werken met de lokale gemeenschap in Detroit. Want, zo stelt Park: "Alleen radicaal handelen brengt veranderingen teweeg." De strijd om de groene ruimte gaat dus over méér dan een afweging tussen groen en rood, over méér dan de vraag hoeveel procent van Nederland onbebouwd moet blijven. Veel belangrijker is de vraag wie er toegang heeft tot deze groene én rode ruimte en door wie deze wordt beheerd. Kunnen straks alleen de welgestelden genieten van de rust en de ruimte op het platteland en de voorzieningen in de stad? Of zijn deze voor iedereen toegankelijk? Kortom: niet de vraag waar de Groene Grens precies loopt, maar wie hem wel en niet mag overschrijden, wordt het strijdpunt van de komende decennia.

LITERATUUR Gerard Marlet, Boeren, bouwen of openhouden. De strijd om de ruimte in economisch perspectief; De Balie, Open Podium nr. 6, Amsterdam zomer 2002. Jan Willem van Gelder (red.), De Groene Grens. Zes notities bij grondpolitiek in Nederland; Van Gorcum, Assen 2001. Gertjan Broekman, 'De Klimatologische Stad van Peter van Gogh'; in De AS 133, winter/voorjaar 2002. 'Een nieuw stedelijk paradigma. Kyong Park in Detroit'; in Archis 9, 2000. Arjen Mulder, Levende Systemen. Reis naar het einde van het informatietijdperk Van Gennep, Amsterdam 2002. * Dit artikel is tevens verschenen in Ravage.

34

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

BELGIË: HOE DE GEMENE GRONDEN VERDWENEN

Over ruimtegebruik, productiviteit en privatisering Martina de Moor Gemene gronden kunnen we omschrijven als gronden die gemeenschappelijk gebruikt en beheerd worden. Doorgaans wordt bij 'gemeen' onmiddellijk gedacht aan het eigendomsaspect. Gemene gronden zijn vanaf hun oorsprong echter reeds gehuld in onzekerheid omtrent hun werkelijke eigenaar. Deze onzekerheid heeft veelvuldig tot conflicten tussen lokale machthebbers en de gebruikers van de gronden geleid, ook na de grondige juridische hervorming aan het begin van de negentiende eeuw. De gemeenschappelijkheid van het systeem zat in de eerste plaats in het dagelijkse gebruik en beheer van de gronden. Inzake het gebruik kunnen we verschillende soorten gemene gronden onderscheiden. Bij gemene gronden in brede zin komt het gemeenschappelijk gebruik pas na het privaat gebruik, zowel in de tijd als in belang. Hierbij denken we bijvoorbeeld aan het beweiden van het braakland, het aren lezen, de stoppelgang (dit is het recht om na de oogst het vee te stoppels te laten afgrazen), klauwengang (hetzelfde als stoppelgang, maar dan met betrekking tot het begrazen van de weiden in naburige gemeenten). De boer die het land gebruikte voor zijn eigen inkomsten, werd door de lokale gemeenschap aan deze gebruiken onderworpen. In principe konden alle inwoners van het dorp hierop aanspraak maken. In Vlaanderen hebben zowel particulieren als boeren vooral vanaf de achttiende eeuw deze rechten sterk proberen te beknotten, maar bleven zij niettemin nog lange tijd, zelfs tot in de twintigste eeuw, in gebruik. Daarnaast zijn er nog de gemene gronden in meer enge zin, namelijk gronden die gedurende het gehele jaar ten dienste stonden van een wc:iep gebruikers, die nooit als privaat eigendom werden ingezet. Zo hadden de gebruikgerech-

tigden het recht om hun vee te laten grazen op de heide of weide, om turf en plaggen te steken en sprokkelhout te verzamelen. In de bossen konden ook eikels verzameld worden en was het toegestaan om brand- en constructiehout - zij het streng gereglementeerd te verzamelen. In deze gevallen ging het om gronden die onbewerkt bleven gedurende het gehele jaar, zoals de uitgestrekte heidevelden in de Kempen of de velden in de regio rond Brugge. Het uitsluitend gemeenschappelijk gebruik werd verkregen door een overeenkomst tussen een groep van gebruikers en de lokale heer, die wel over het zogenaamde altum dominium of in hedendaagse termen het eigenlijk eigendomsrecht, bleef beschikken. Met zo'n overeenkomst werd er voor gezorgd dat de gebruiksgerechtigden (zoals omschreven in de overeenkomst) beschermd werden en gebruik konden maken van het gebied. De voorwaarden voor gebruik en wederzijdse afspraken werden schriftelijk vastgelegd en nu en dan vernieuwd en aangepast. De heer zag telkens op-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

35

nieuw z'n soevereiniteit bevestigd doordat de gebruikers jaarlijks een klein bedrag (cijns of voorlijf) betaalden. Een vertegenwoordiger van de heer (baljuw/schout) trad op bij conflicten en problemen. Dit artikel handelt overigens uitsluitend over dergelijke gemene gronden in enge zin. Onder 'beheer' verstaan we hier drie aspecten. Ten eerste het bestuur of de eigenlijke zeggenschap over het gebruik en onderhoud van de gronden. Ten tweede het beheer in meer strikte zin of het bepalen en uitvoeren van regels inzake gebruik en onderhoud. En ten derde het toezicht op de toepassing van die regels en optreden waar dit noodzakelijk is. Voor het bestuur stonden een aantal personen in, ofwel rechtstreeks verkozen onder de groep gebruiksgerechtigden ofwel leden van de lokale schepenbank. Zij zorgden voor de boekhouding, het besteden van de inkomsten aan bijvoorbeeld arbeid (waar het werk niet kosteloos was, gebeurde dit door de gebruikers zelf) of kosten van drank en voedsel, verbruikt tijdens de jaarlijks bijeenkomsten. Onderhandelingen met de lokale heer of zijn vertegenwoordiger gebeurden doorgaans door deze groep van 'hoofdmannen'. Het bepalen van de regels gebeurde meestal door de hoofdmannen in samenspraak met de gebruikers. Op jaarlijkse en indien nodig tussentijdse vergaderingen konden de gebruikers hun grieven uiten, voorstellen doen en werd er gestemd over de nieuwe bestuurders. Op deze vergaderingen werd meestal maar één lid per gezin toegelaten; kinderen en vrouwen werden doorgaans geweerd. De eigenlijke controle van de toepassing van de regels en het beboeten gebeurde in sommige gevallen door de gebruikers zelf met een 36

beurtrol, of door een veldwachter of door de baljuw. Van de geldboetes bij overtredingen werd doorgaans ook een deel afgeroomd door de heer. Cruciaal bij het goed functioneren van het systeem en het controleren van het respecteren van de regels was de sociale controle, waar alle gebruikers voor instonden. IDEAALTYPES

Kenmerkend voor het fenomeen 'gemene gronden', en dit geldt niet alleen voor België maar voor geheel noordwest Europa, is de grote verscheidenheid in zowel uitzicht (van droge, arme heidevelden tot aan de 'vette' weiden op door aanslibbing ontstane vlaktes), gebruiksmogelijkheden (beweiding in verschillende soorten, kwaliteiten en voor verschillende soorten vee, sprokkel- en constructiehout, eikels, turf, plaggen, eikels, ...) en beheer (mate van inmenging door de overheid, aantal bestuursleden, functies van de bestuurders, mate van inspraak van de gebruikers). Op basis van het gebruik en beheer kan men in grote lijnen twee 'ideaaltypes' gemene gronden onderscheiden. Tussen deze ideaaltypes bestaat er nog een zeer grote variatie in gebruik en beheer, zodat de meeste voorbeelden zich ergens tussen beide zullen bevinden en eerder één van beide ideaaltypes zoals hier voorgesteld zullen benaderen.1 Het eerste ideaaltype, dat we hier gemakshalve het gesloten type zullen noemen, leunt zeer sterk aan bij privaat eigendom. De gronden van dit type zijn gekenmerkt door hun vrij beperkte omvang, een sterk gelimiteerde toegang. Gebruik maken van de grondstoffen die er te vinden waren kon slechts onder strikte voorwaarden, variërend van

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

woonachtig zijn in een welafgebakende regio rondom het gebied (het zogenaamde vrijdom) tot behoren tot welbepaalde families. Ter ondersteuning van dit tweede kenmerk, werden deze gronden vaak ook nog omheind. Over het algemeen hadden ook de gebruikers het beheer van het gebied in handen. In Nederland komt dit type overeen met de zogenaamde 'Ma rkegenootschappen', bijvoorbeeld Het Gooi. In Duitsland wordt dit type omschreven als `Genossenschaften'.

Terwijl het Gooi al lang ontbonden is als markegenootschap, bestaat er heden ten dage nog steeds zo'n gemene grond in Vlaanderen, namelijk de Gemene- en Looweiden in Assebroek en Oedelem. Deze liggen ten oosten van Brugge, in de Veldzone, een streek waar midden negentiende eeuw nog een aantal gemene gronden te vinden waren. De eerste vermeldingen van deze gemene weide dateren uit de veertiende eeuw. Alleen de personen die afstamden van bepaalde families — dit kwam vaak overeen met de oorspronkelijke bewoners van het dorp - waren gerechtigd er gebruik van te maken. Ieder die meende aanspraak te kunnen maken, diende zich - vergezeld van twee getuigen - in te schrijven bij de lokale pastoor. Ter bevestiging van de inschrijving diende de aanborger - of gebruiksgerechtigde - een kleine som te betalen. Mannen die gebruiksgerechtigd werden door huwelijk met een vrouw met recht, verloren dit recht bij overlijden van hun vrouw. De kinderen uit dit huwelijk bleven evenwel gerechtigd. Enkel paarden en koeien waren toegelaten tot de weide, met uitzondering van de zieke dieren en ossen van twee jaar en ouder en stieren van een jaar en ou-

der. Schapen, geiten en ganzen waren absoluut verboden. Varkens - die de grond te veel omwoelen - werden eind achttiende eeuw, begin negentiende eeuw toegelaten maar later weer verboden. Indien iemand het toch waagde om deze dieren op de weide te brengen, dan werden ze door de hoofdmannen 'geschut' (in een kooi gesloten) en pas bij het betalen van een boete weer vrijgelaten. Per paard of koe betaalde de gebruiker een kleine som geld (het schatgeld), dat gebruikt werd om putten in de weide te dichten, drainagekanalen te graven, buizen te metsen, de omheining te herstellen of de koewachter te betalen. Deze taken werden meestal uitgevoerd door betaalde arbeidskrachten, maar er zijn talrijke voorbeelden van andere gemene gronden waar de gebruikers een soort corvee dienden te vervullen, een takenpakket als voorwaarde voor rechtmatig gebruik van het gebied. Vijf hoofdmannen werden onder de gebruikers verkozen en namen het dagelijkse bestuur op zich, met onder hen een boekhouder en een opperhoofdman. Indien de opperhoofdman die de verplichting had om de rechten en vrijheden van weide te bewaren, het noodzakelijk achtte om een vergadering te houden, diende dit aangekondigd te worden in de kerk op de zondag voor de bijeenkomst. De bestuurders dienden wel verantwoording over hun bestuur af te leggen aan de lokale overheid. Bij twisten op de gemene weide werd tussenkomst gevraagd van de baljuw. Tot het einde van de achttiende eeuw diende de 'aanborger' om de drie jaar de rekening neer te leggen bij de heerlijkheid van Sijsele, waartoe het gebied behoorde. Bij deze gelegenheid werden de aanbor-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

37

gers bij elkaar geroepen en werden ook nieuwe hoofdmannen verkozen. Hoewel er regelmatig processen werden gevoerd omtrent het onrechtmatig gebruik van de weide, konden de aanborgers (lokale benaming voor de gebruikers) toch vrij rustig genieten van hun recht, tot begin negentiende eeuw. De privatiseringsgolf die sinds het midden van de achttiende eeuw de gemene gronden overal in Europa onder vuur nam, bedreigde nu ook de Gemene weide van Assebroek en Oedelem. De lokale gemeentebesturen trachtten de grond in bezit te nemen. In de periode 18601880 werd het bestuur van het gebied uit handen genomen van de hoofdmannen en onder een bewaarder geplaatst: een notaris nam nu het bestuur waar. De overheid heeft hier - en dat is vrij uitzonderlijk - aan het kortste eind getrokken. Dankzij het hevige verzet van de aanborgers - met ware mini-veldslagen en tussenkomst van de plaatselijke rijkswacht - en de vurige verdediging door een geestelijke die historisch onderzoek gedaan had om het oorspronkelijke eigendomsrecht van de aanborgers aan te tonen, wonnen de aanborgers het proces van de gemeentelijke overheden. Intussen was het economisch belang van het gebied wel al verminderd en hadden de aanborgers zelf een soort privatisering van hun eigen systeem doorgevoerd. In de jaren na 1840 hadden ze zelf al het systeem van schatgelden (betaling per paard of koe) vervangen door een verpachtingssysteem. Dit was dus in feite een vorm van privatisering, hoewel het puur juridisch gezien nog steeds ging om een gemene grond, in dit geval als eigendom in onverdeeldheid. Tot op vandaag wordt het gebied (het gaat in feite over verschillende percelen 38

grond) gebruikt door de aanborgers en beheerd door hoofdmannen. Hoewel de economische functie van weleer nu vervangen is door een folkloristische. Nog steeds komen er om de drie jaar een duizendtal aanborgers hun stem uitbrengen, hun dividend ontvangen en uiteraard - naar aloude traditie - stevig drinken en eten. Het tweede ideaaltype van gemene gronden dat we kunnen onderscheiden, heeft een veel opener karakter. Hier gaat het doorgaans om zeer grote gebieden, vaak uitgestrekt over verschillende gemeenten. Ook zijn de toegangsvoorwaarden heel wat flexibeler. De grote oppervlakte laat het doorgaans niet toe om deze percelen te omheinen. Meestal staan de lokale overheden van verschillende gemeenten, eerder dan de gebruikers, hier in voor het beheer van de gronden. Dit tweede type leunt sterk aan bij open access of het zogenaamde 'res nullius': 'goederen van niemand'. Gemeinten in Vlaanderen, meenten in Nederland en de Gemeinheiten in Duitsland sluiten bij dit tweede type aan. Van dit tweede type zijn er vooral veel voorbeelden te vinden in het oosten van België, in het bijzonder in de Kempen, in het hertogdom Brabant. Eén van die gemene gronden, die ook wel 'aarden' en 'vroentes' genoemd werden, was de Aard van de Zes dorpen. De eerste decennia van de veertiende eeuw worden gekenmerkt door een bijzonder actieve periode inzake het aantal uitgiften van gemene gronden in gebieden die rechtstreeks van de hertog van Brabant afhingen. De aardbrief van de Zes Dorpen was daar één van. Deze aard was een uitgestrekt heideveld in gemeenschappelijke eigendom van zes dorpen waarover het

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

zich ook uitstrekt, met een totale oppervlakte van ongeveer 2.500 ha. De begrenzing ervan was vrij vaag omschreven, het gebied was niet omheind. Alle inwoners van de zes omliggende dorpen konden er gebruik van maken, vooral in de vorm van beweiding. Het beheer ervan lag in handen van de regeerders van de zes dorpen, die niet rechtstreeks onder de gebruikers werden verkozen. De toegang tot dit gebied was over het algemeen veel vrijer, en ook wel moeilijker te controleren. CONFLICTEN Hoewel er rond de vroegste oorsprong van gemene gronden enige onzekerheid hangt, kunnen we met zekerheid stellen dat er reeds in de dertiende eeuw keuren (statuten) werden opgemaakt waarin de regulering van de gemene gronden uiteen werd gezet. Hoogstwaarschijnlijk dwong de bevolkingstoename ten gevolge van de voorafgaande ontginningsgolf tot het vastleggen van voorheen enkel mondelinge afspraken tussen de heer en gebruikers. Logischerwijze ontstonden hierbij ook conflicten, die niet noodzakelijk in het voordeel van de dorpelingen uitdraaiden. In 1430 in Oostmalle, in het hertogdom Brabant, bijvoorbeeld, stonden de dorpelingen tegenover de lokale heren Willem van Berchem en Floris de Bie, die de gemene gronden hadden gebruikt zonder toestemming van de dorpelingen.2 In de meeste gevallen werden de gebruikers in de overeenkomst ook verplicht tot het betalen van een jaarlijkse cijns (belasting). Samen met het betalen van een bedrag (het voorle) bij de ontvangst van de zogenaamde 'vroentebrief', erkenden de gebruikers de soevereiniteit van de heer. Sommigen zien

hier een bevestiging in van een reeds lange tijden bestaande situatie. De heer diende altijd toestemming te geven aan de gebruikers indien zij bijvoorbeeld een stuk grond wensten te verkopen. De gebruikers hadden wel een min of meer exclusief gebruik van een welomschreven gebied en genoten bescherming tegen mogelijke inbezitnemers. De baljuw als plaatselijke vertegenwoordiger kwam tussenbeide bij conflicten. Tot de achttiende eeuw kwamen mogelijke bedreigingen voor het systeem van gemene gronden vooral van de lokale heer of de gebruikers zelf, die met de opbrengst van de verkoop bijvoorbeeld schulden wensten te dekken. Daarna kwamen er ook vanuit de hogere overheid bedreigingen. De juridische onderbouw werd pas eind achttiende eeuw onderuit gehaald. Naast de afschaffing van de feodaliteit, waardoor de band en overeenkomst tussen de lokale heer en de gebruikers van de gemene grond werden verbroken, zorgde nieuwe wetgeving voor een overheveling van de gemene gronden naar de gemeente. Hierdoor verloren de gebruikers als individuen het recht om mee te beslissen over de zaken die met de gemene grond samenhangen, indusief het recht om mee te beslissen over het al dan niet verkopen van de gronden. Alle gronden van het meer gesloten type hebben dit lot ondergaan, met vaak vrij snel daaropvolgend de volledige privatisering. De gebruikers van de andere gemene gronden, waar de lokale overheid zich weinig met het beheer van de gronden inliet (zie boven, type 1), hebben getracht zich hieraan te onttrekken, vaak met succes. Hun beperkte rechtszekerheid als goed in onverdeeldheid plaatste hen evenwel in een lastige

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

39

positie ten opzichte van de gemeenten die de gronden maar al te graag wensten te onteigenen. Nagenoeg alle gemene gronden in onverdeeldheid zijn uiteindelijk - zij het vaak na vele processen - in handen gekomen van de gemeentelijke overheden. Na de annexatie door Frankrijk werd in 1804 de Code Civil of het Burgerlijk Wetboek geïntroduceerd. Hoewel artikel 542 van het Burgerlijk Wetboek spreekt van het eigendomsrecht van de inwoners op de gemene gronden - en bijgevolg ook zeggenschap over de bestemming ervan — gold dit in de praktijk alleen voor een gemeenschappelijk gebruiksrecht en hadden de gebruikers nog weinig of geen zeggenschap3over de bestemming van de gronden. Het beheer werd door het lokale gemeentebestuur waargenomen. Dit hoefde echter niet noodzakelijk negatieve gevolgen te hebben. In vele gevallen zetten de gemeenten gewoon hun vroegere bestuur voort, gebruik makend van dezelfde regelgeving. In de streken waar de gronden nog steeds van groot belang waren in de landbouweconomie, dreigde de verdeling van de gronden immers opstanden onder de gebruikers, die de overheid liever probeerde te vermijden, uit te lokken. Over de werkelijke oorzaken van het verdwijnen van gemene gronden zijn de meningen verdeeld. Enerzijds speelde de wetgever een belangrijke rol. Anderzijds was deze wetgeving ook lange tijd weinig effectief, maar zien we toch een achteruitgang van de totale oppervlakte gemene gronden. In sommige streken van Binnen-Vlaanderen bijvoorbeeld waren er tegen het einde van de achttiende eeuw nog slechts enkele sporen van gemene gronden te vinden. 40

Vooral vanaf het midden van de achttiende eeuw worden zij vanuit verschillende hoeken onder vuur genomen. Een steeds sneller toenemende bevolking en nieuwe ontwikkelingen in de landbouw deden vragen rijzen omtrent de zogezegd 'onvruchtbare' gronden. Men veronderstelde dat de gemeenschappelijkheid van het gebruikssysteem verhinderde dat deze gronden op een productieve wijze werden ingezet. Productiviteit werd hierbij gezien als opbrengst in graangewassen of aardappelen. Deze visie werd bovendien ondersteund door de individualiseringstendens die de Verlichting had gestimuleerd. Beide invalshoeken worden als het ware verenigd in één van de meest invloedrijke denkrichtingen van die tijd, met name de fysiocratie. Deze eerste economische doctrine met als belangrijkste denker de Fransman Quesnay, ging ervan uit dat landbouw de rijkdom van een natie vormde (en dit in tegenstelling tot de mercantilisten die handel centraal plaatsen). Kort samengevat kwam het erop neer dat landbouw voedsel voortbracht, voedsel bevolkingsgroei mogelijk maakte en bevolkingsgroei voor meer kanonnenvlees stond. In het door de fysiocraten vooropgestelde landbouwbeleid pasten geen gemene gronden. Dit 'relict van het Ancien Régime' verhinderde de boer het initiatief te nemen om het land productiever te maken en stond vernieuwing in de weg. Een dergelijk systeem zagen ze als een vorm van onderexploitatie. TRAGEDY OF THE COMMONS

Tot op vandaag staan gemene gronden nog volop in de belangstelling. Hoewel het huidige debat vooral gaat over gemene gronden als theoretisch concept

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

of nog bestaande systemen van collectief gebruik en beheer in niet-westerse landen, ligt aan de basis van de herleving een metafoor gestoeld op voorbeelden uit ver vervlogen tijden. Aan het eind van de jaren zestig kwam Garret Hardin met de 'tragedy of the commons'. Hardin ging ervan uit dat een systeem van gemeenschappelijkheid per definitie gedoemd was te mislukken. In een gemeenschappelijk systeem denkt de boer enkel aan zichzelf, niet aan het algemeen belang. In ecologische termen zou het leiden tot overexploitatie. Ondanks de 'hogere' doelstellingen die Hardin had met zijn metafoor - namelijk het aantonen van de voordelen van een strikte bevolkingspolitiek om de negatieve effecten van een stijgende wereldbevolking tegen te gaan - heeft zijn negatieve visie op gemene gronden (cornmons) een verregaande invloed gehad op verschillende disciplines - bij de ecologen, biologen, economen enz. De logische opbouw van de metafoor spreekt over het algemeen onmiddellijk aan. Hoezeer echter de historische realiteit geweld wordt aangedaan, ontgaat hen meestal. Op het eerste zicht hebben de fysiocraten en Hardin-adepten een totaal tegenovergestelde visie op het effect van gemeenschappelijk gebruik en beheer op de productiviteit van de betreffende gronden. Beide benaderingen zijn er echter van overtuigd dat een bepaald eigendomssysteem, in casu een gemeenschappelijk systeem, de aard van een goed, in casu land, in negatieve zin beïnvloedt, en niet andersom. Daartegenover staan de denkers die we maar zullen omschrijven als de marxisten en neo-marxisten. Deze gaan ervan uit dat de grond juist in gemeenschappelijk gebruik en beheer wordt gehouden omdat dit de enige mogelijke vorm

van beheer is voor het betreffende type grond, namelijk vaak weinig vruchtbare grond of grond die bijvoorbeeld te nat is voor landbouwgebruik. Daarbij veronderstellen ze dat deze gemene gronden ook functioneren als een vangnet voor de minderbedeelden uit de samenleving. Als reactie op Hardin, kwamen gemene gronden weer in de belangstelling. Verschillende onderzoekers hebben een genuanceerder en meteen ook een positiever beeld naar voren geschoven, namelijk dat gemeenschappelijk gebruik en beheer de beste - maar niet de enige - wijze was waarop deze gronden konden beheerd worden. Dat er in het geval van gemene gronden wel een duidelijk verband bestaat tussen de aard van de grondstof en het beheer blijkt duidelijk uit de - overigens schaarse kwantitatieve - gegevens voor België. Vanaf 1834 zijn een aantal cijfers beschikbaar, maar het betreft hier enkel gegevens over het meer open type. Aangezien deze gronden na 1804 onder gemeenten-eigendom gerekend werden, waren deze makkelijker te tellen. Inzake totale oppervlakte zijn deze zeker belangrijker dan die van het meer gesloten type, maar inzake 'institutionele rijkdom' of intensiteit van gemeenschappelijk gebruik en beheer zijn deze zeker armer te noemen. Op een totale oppervlakte van bijna 30.000 vierkante kilometer bedroegen de onontgonnen gronden in België in 1770 bijna vijftien procent; in 1910 was dit gereduceerd tot minder dan vier procent. In 1846 was de helft van deze gronden nog in handen van de gemeenten. Een halve eeuw later is ruim 56 procent in handen van particulieren, een direct gevolg van de Belgische landbouwpolitiek. De vermindering van de beboste oppervlakte tussen 1846 en

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

41

1866 is een gevolg van de talrijke bosontginningen met het oog op cultivering, enerzijds in opdracht van de gemeenten (ongeveer 8.500 ha) en anderzijds op initiatief van particulieren die op een veel grotere schaal werken. Tot 1870 mag men zelfs spreken van een ontbossingskoorts. Mede dankzij de bebossing van gemene onontgonnen gronden bereikte het bosareaal tegen 1880 opnieuw het niveau van 1846. In de periode daarna volgt een toename van meer dan 30.000 ha. Daartoe werd vooral bijgedragen door de bebossing van vroegere onbewerkte gronden die men tevergeefs had proberen in cultuur brengen. 4 In deze periode bleef het grootste gedeelte bos in bezit van de gemeenten. Regionaal bekeken, kunnen we vaststellen dat de grootste oppervlakte bossen in handen van de gemeenten na 1846 vooral in de provincies Luxemburg en Namen te vinden is, de provincies met de laagste bevolkingsdichtheid. De sterkste stijging van de beboste oppervlakte in handen van de gemeente na 1846 speelt zich vooral af in de tot dan toe weinig beboste provincies Antwerpen en Limburg. Zoals verder zal blijken heeft een wet uit 1847 hierbij een grote rol gespeeld. Binnen de Belgische landsgrenzen was er ook sprake van een grote variatie in oppervlakte onontgonnen gronden. In het bijzonder in het noordoosten van het land, met name in het Kempense gedeelte van Antwerpen en Limburg, treffen we een hoge concentratie aan onontgonnen gronden aan. Elders merken we vooral de kleinere concentraties op, bijvoorbeeld in de Luikse weidestreek en in de zogenaamde Brugse veldzone waar de velden, die weliswaar minder uitgestrekt waren dan in 42

de Kempen maar toch tamelijk aanzienlijk waren, tot ver in de negentiende eeuw nog als gemene gronden werden beheerd. Uit het voorgaande cijfermateriaal blijkt dat de gemene gronden nog tot het midden van de negentiende eeuw omvangrijk konden zijn, zij het regionaal sterk geconcentreerd. Overal in België en niet in het minst in de Kempen werden ze echter sinds het midden van de negentiende eeuw drastisch aangepakt. Hoewel de wetgeving voor die tijd niet van een even grote effectiviteit getuigt, werd gedurende deze periode wel de basis gelegd voor nagenoeg volledige privatisering en ontginning van gemene gronden. Ik beperkt mij hier tot een kort overzicht van de wijze waarop van overheidswege werd omgegaan met gemene gronden sinds 1750. Ondanks het feit dat er ook in Vlaanderen voorbeelden te vinden zijn die Hardins Tragedy of the commons op kleine schaal illustreren, meen ik dat hoofdoorzaken niet binnen maar buiten het systeem van gemene gronden dienen te worden gezocht. Samen met de veranderingen in het juridisch kader die ik daarnet al heb toegelicht, werd vanuit wetgevende hoek de druk op de gemene gronden sterk opgevoerd. Pas vanaf het midden van de achttiende eeuw kunnen we spreken van een systematische aanpak met de inzet van een aantal juridische instrumenten die op termijn wel degelijk een effect zouden hebben. In de periode daarvoor werd de strijd vooral op lokaal niveau gestreden. Gezien de toch wel duidelijke geografische variatie in het belang van onontgonnen en gemene gronden die ik daarnet heb aangetoond, zal het aller-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

minst een verassing zijn dat ook de wetgeving van dergelijke variatie getuigt. Bij de bespreking per regio moeten we, precies omdat gemene gronden vanuit verschillende hoeken werden bestookt, aandacht hebben voor verschillende thema's binnen de wetgeving. ONTGINNINGEN

We bespreken hier de periode vanaf 1750, aangezien het vanaf dan ongeveer is dat we overal in Europa de wetgeving met betrekking tot ontginningen en privatisering van gemene gronden zien opduiken. Reeds in 1752 beslisten de Staten van Brabant dat de woeste gronden, vooral dan in de Kempen, veranderd dienden te worden in landbouwgrond, bos of weideland. De eerste twaalf jaren van de ontginning zou de belasting niet verhoogd worden, daarna zouden ze slechts de helft dienen te betalen van het normale bedrag. Pas na twintig jaar zouden deze voordelen vervallen. Dit allereerste 'Algemene Decreet' op het niveau van de regio met betrekking tot ontginningen, werd niet toevallig in Brabant uitgevaardigd, een provincie met een aanzienlijke oppervlakte onontgonnen grond. Slechts door een verdere uitbreiding van de belastingvrijstelling tot dertig jaar, kon dit decreet enig succes opleveren. Uit een enquête van de Staten van Brabant onder de lokale overheden aangaande de oppervlakte en het belang van de gemene heiden, blijkt dat deze voor de landbouweconomie onmisbaar waren. Er werd in het bijzonder gewezen op een gebrek aan meststoffen om de gronden vruchtbaar te maken. Dankzij de gemene gronden, die het vee van weide voorzagen, konden de bewerkte gronden van meststoffen

voorzien worden. Om ook die gemene gronden vruchtbaar te maken was er onvoldoende mest. De Ordonnantie (Verordening) van 1772 die daarop volgt, legt aan de dorpsgemeenschappen van Brabant op om hun onontgonnen gronden binnen de zes maanden te vervreemden en ervoor te zorgen dat ze binnen twee jaar in cultuur gebracht zouden worden, met privileges en belastingsvrijstellingen als belofte. Na twee jaar was maar een magere 2.500 ha verkocht, waarvan ongeveer een derde in cultuur was gebracht. In een aantal regio's van het Hertogdom werd zelfs geen gevolg gegeven aan deze regeling. Vijftien jaar later was er op een totale oppervlakte van 26.000 ha maar 4.000 á 5.000 ha verkocht, wat evenwel niet wil zeggen dat deze ook effectief ontgonnen waren. Deze Ordonnantie werd een mislukking, vooral wegens de zeer sterke maar voorspelbare tegenstand van de gewone man, die er niet in slaagde om een deel van de onontgonnen koek te bemachtigen. De algemene ontginningskoorts sloeg ongeveer op hetzelfde moment als in Brabant ook in Luxemburg toe, maar gezien de andere vormen van grondgebruik, op een andere wijze. In 1754 werd een oud Edict (soort bevelschrift) van het begin van de zeventiende eeuw uitgebreid met onder meer beperkingen inzake het gebruik van hout uit de gemene bossen. Geïnspireerd door de initiatieven van de Staten van Brabant, drong de centrale overheid er bij de Staten van Luxemburg op aan om de gemene goederen te verdelen. Luxemburg bleef tot diep in de negentiende eeuw het grootste verzet bieden tegen een algemene aanpak en bleef pleiten voor de autonomie van

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

43

de gemeenten in beslissingen terzake. Deze hebben in het laatste kwartaal van de negentiende eeuw geleid tot de verdeling van 4.000 á 5.000 ha gemene gronden. Het sneeuwbaleffect bereikte ook Henegouwen. In vergelijking met Brabant en Luxemburg vinden we in Henegouwen echter een veel intensievere landbouw. Henegouwen was ongetwijfeld de beste onder de Belgische leerlingen van de fysiocratische school. Tussen 1760 en 1765 hadden de fysiocraten een duidelijk overwicht in de 'Geheime Raad' en later ook in de 'Raad van Financiën'. Hier vinden we, niet verwonderlijk, de eerste wetgeving die specifiek gericht was tegen de gemeenschappelijke eigendom, ongeacht hun toestand. Het Decreet van 1757 geeft aan de dorpsgemeenschappen van Henegouwen de opdracht om binnen zes maanden hun gemene goederen te privatiseren. Dat ook in Henegouwen de landbouw nog steeds op een traditionele leest geschoeid was, is gebleken uit de hevige reacties van de gebruikers. Deze hebben uiteindelijk geleid tot een afgezwakte versie van de Ordonnantie. Slechts tweederde van de gemene ponden werd in pacht gegeven voor lange termijnen (36 tot 45 jaar). Eén derde diende als gemeenschappelijke weidegrond voor de inwoners. In het begin van de jaren 1760 was één derde tenminste gedeeltelijk ontgonnen. Om het effect te versterken werd in 1762 belastingvrijstelling en -vermindering toegevoegd aan de oorspronkelijke regeling. Resten nog Namen en Vlaanderen. In Namen bleken - zij het met enige vertraging - vooral de adel en geestelijkheid gewonnen voor het debat over de gemene gronden. Ongetwijfeld hadden ze, ondanks hun zogenaamde nobele 44

bedoelingen, in de eerste plaats interesse voor de uitbreiding van hun eigen domein, naar het voorbeeld van Brabant. Uit hun kringen kwam het voorstel de Brabantse Ordonnanties te kopiëren. In het bijzonder de corporatie van de beenhouwers (slagers) stond in voor de verdediging van kleine boeren en dagloners. Zij vreesden dat het verdwijnen van de gemene weiden zou leiden tot een verminderde toevoer van vee. Hun reacties bleven niet zonder gevolg. De Ordonnantie van 1773 was ongetwijfeld de meest sociale in haar soort: een deel van de gronden werd behouden voor gemeenschappelijk gebruik. De rest werd gratis verdeeld onder de gezinshoofden, evenwel met de verplichting de gronden in cultuur te brengen. Hierbij werd ook een vrijstelling en later vermindering van lasten voorzien. 5 Deze maatregelen hadden wel effect. In de Condroz-regio, die ongeveer één derde van het graafschap uitmaakte, werd ongeveer 22 procent van de gemene gronden verdeeld. En in tegenstelling tot de andere gemeenten, ging dit gepaard zonder geweld en opstootjes. Maar onder druk van de adel en geestelijkheid werd deze Ordonnantie in 1790 weer opgeheven.6 Ook in Vlaanderen waren er in de achttiende eeuw nog vrij uitgestrekte onontgonnen gemene velden en weiden, in het bijzonder in het Brugse Vrije (de streek rond Brugge) en de Oudburg (ten noorden van Gent). Elders kon de oppervlakte aan sterk gefragmenteerde gemene gronden toch nog oplopen tot meer dan tien procent van de totale oppervlakte, zoals bijvoorbeeld in het gebied Oudenaarde. De provinciale overheid in Vlaanderen nam, in tegenstelling tot de meeste andere provincies,

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

geen eigen initiatieven om deze resten te ontginnen. Integendeel: meerdere leden van de Provinciale Staten hebben zich verzet tegen de overheidsinitiatieven. De achttiende eeuwse ontginningen in het Graafschap Vlaanderen werden ondernomen door particulieren, in het bijzonder de abdijen, die zich vooral concentreerden op indijkingen en droogleggingen. De veldgebieden rond Brugge bleven voor het grootste deel onaangetast tot het midden van de negentiende eeuw. Aan het eind van de achttiende eeuw wordt de individualisering van de landbouw verder doorgedreven, deze keer met betrekking tot de gemeenschappelijke gebruiksrechten op privaatgronden (denk aan de gemene gronden in ruime zin). In 1781 wordt het vrijgeweiderecht beperkt voor schapen en geiten tot het grazen langs publieke wegen en onder toezicht. Twee jaar later wordt het vrijgeweiderecht gewoon integraal afgeschaft. Gedurende de Franse en Nederlandse periode vallen weinig noemenswaardige initiatieven te melden inzake ontginning of privatisering van gemene gronden. Integendeel, het Nederlandse bestuur heeft het zelfs gepresteerd de belastingvrijstelling bij ontginning op te heffen. Belangrijk is evenwel dat er vooral tijdens het Franse bewind een aantal juridische obstakels uit de weg geruimd werden. De overheid beschikte daarna over verschillende effectieve juridische instrumenten om de gemene gronden te onteigenen en hun kopers tot ontginning aan te moedigen. De staat kon de gemeentelijke autonomie omzeilen en deze dwingen tot een publieke verkoop via een Koninklijk Besluit na gunstig advies van de Bestendige Deputatie van de provincie (Gedeputeerde Staten).

Met uitzondering van de gemeenten in het zuiden van het land, was er relatief weinig tegenstand tegen de uitvoering van deze wet, ongetwijfeld wegens de dreiging van onteigening. Het aantal door de overheid verplichte verkopen bleef beperkt. In het zuiden werd vooral gekozen voor verdeling of verpachting van de gronden, een achterpoortje dat toch nog in de wet was ingebouwd. Op sociaal vlak was deze wet echter allerminst een gunstige maatregel. De verkoop van de gronden was vooral in het voordeel van grote grondeigenaren woonachtig in de grote steden. Enkel wanneer de gemeente zelf het initiatief nam om de gronden in kleine percelen te verkopen, slaagden de Kempense 'heiboerkes' erin om een stuk te bemachtigen. De prijzen van heidegronden stegen na 1847 aanzienlijk. De belangrijkste factoren die de ontginningskoorts hebben aangewakkerd zijn: de stijging van prijzen van grond- en voedingsmiddelen, de sterke bevolkingsgroei tussen 1812 en 1846 (namelijk een toename van 0,97 procent per jaar) en het feit dat ondanks de groei van de Belgische landbouwproductie, er onvoldoende voedsel was om de sterk stijgende bevolking te voeden (in het crisisjaar 1846 waren er slechts voldoende broodgranen om 76,7 procent van de Belgische bevolking te voeden). Men ging er bovendien van uit dat het ontginnen van de nog bestaande uitgestrekte woeste gronden werk zou bieden aan het groeiende leger werklozen. De wet van 1847 heeft in het bijzonder de onontgonnen gronden getroffen. De onontgonnen gemene gronden werden sterk gereduceerd. Na drie jaar waren reeds ruim 11.000 ha gemene velden verkocht, verdeeld of verpacht. Het peil

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

45

van de bossen in gemeentelijk bezit kon ongeveer gelijk blijven omdat vele gemeenten in dezelfde periode bossen van particulieren hebben aangekocht De totale oppervlakte bos neemt ook sterk toe, in het bijzonder na 1880. Dit valt te verklaren door de bebossing van de vroegere woeste gronden die bij nader inzien toch onvoldoende vruchtbaar bleken te zijn om er weideland van te maken of landbouwgewassen op te kweken. Samenvattend kunnen we stellen dat de ontginningspolitiek van de Oostenrijkers, Fransen en Nederlanders weinig heeft opgeleverd inzake landbouwproductiviteit. De Kempische velden in Antwerpen en Limburg werden tijdens de tweede helft van de achttiende eeuw 7 vooral bebost. Indien de ontginning succesvol verliep, dan was dit in de eerste plaats ten gevolge van particulier initiatief en niet zozeer ten gevolge van een effectieve wetgeving. In de provincies Luxemburg en Namen werden dan ook meer resultaten behaald. Hoewel er niet veel meer gronden ontgonnen werden dan in Limburg en Antwerpen, werden er meer gronden omgezet in landbouwgronden en weideland. Er was sprake van een toename van het landbouwareaal van respectievelijk elf en veertien procent.8 Tussen 1847 en 1880 stijgt de landbouwgrond met een gemiddelde van ruim tien procent De toename in productiviteit daarentegen was echter niet recht evenredig. De bescheiden bijdrage aan het productievolume van maar twee á drie procent lag ongetwijfeld ver beneden de verwachtingen. Hiermee wordt meteen ook al aangetoond dat de 'negatieve denkers' het bij het verkeerde eind hadden. In tegenstelling tot wat zij dachten, leidde het opheffen van het 46

Gemeenschappelijk Statuut van de gemene gronden niet tot de gehoopte productiviteitsstijging. Men kan het systeem van gemene gronden dan ook moeilijk verwijten dat het leidt tot onderexploitatie. PRIVATISERINGEN

Hoewel op landbouwkundig vlak geen succes, kunnen we de wet van 1847 wel als een effectief privatiseringsinstrument beschouwen, zeker in vergelijking met het vrij beperkte succes van de wetgeving in de decennia ervoor. Verklaringen daarvoor zijn op juridisch vlak te vinden in de sterke verandering van de juridische onderbouw, op politiek vlak in de toenemende concentratie van macht op het hogere overheidsniveau ten nadele van de lokale overheden en op economisch vlak in de aandacht van de overheid voor het invullen van de randvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor een succesvolle ontginning. Er werden effectieve onteigeningsinstrumenten ingezet. Ongetwijfeld heeft de combinatie van de spreekwoordelijke 'wortels' en 'stokken' hier een rol gespeeld. Sinds 1793 was de overgrote meerderheid van de gemene gronden bovendien in handen van de gemeenten als rechtspersoon, wat toeliet een meer uniforme en eenvoudiger toe te passen wetgeving te ontwikkelen. Voor de hogere overheden waren de gemene gronden daardoor ook een stuk makkelijker te controleren. Inzake randvoorwaarden heeft vooral de sterke groei van de infrastructuur een rol gespeeld: vanaf 1835 zien we een aanzienlijke ontwikkeling van transportmogelijkheden. De overheid investeerde aanzienlijk in de aanleg van nieuwe wegen, spoorwegen en kanalen. Deze ontwikkelingen lieten

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

toe om chemische meststoffen aan te voeren en om kalkdepots aan te leggen. 9 Zoals al in het begin toegelicht, zijn de beheer- en gebruiksvormen die voorkomen bij gemene gronden bijzonder rijk aan variatie. Vanaf begin negentiende eeuw verschraalt deze variatie, althans in juridische zin. De grote meerderheid van de gemene gronden wordt dan gemeentegronden. Daarnaast evo-

lueren vele van de vroegere gesloten types naar goederen in onverdeeldheid. Vandaag resteren nog een paar overblijfselen van dat gemeenschappelijk verleden. Het belang dat dit systeem gespeeld heeft in de toenmalige landbouw blijkt onder meer uit de hevige tegenstand van de gebruikersgerechtigden tot diep in de negentiende eeuw en het lang uitblijven van enig effect van de landbouwpolitiek die erop gericht was om de gemene gronden te liquideren. De landbouw was toen nog gemengd en veel gevarieerder dan de landbouw van vandaag. Ondanks de agronomische voorbeeldfunctie die Vlaanderen in de achttiende eeuw toegedicht kreeg, was de landbouw in verschillende streken nog gebonden aan de grondstoffen die op de gemene gronden te halen waren. Het gebruik in gemeenschappelijkheid liet bovendien toe dat de beheerskosten van gronden die geen directe opbrengst onder de vorm van bijvoorbeeld graangewassen of aardappelen voortbrachten, tot een minimum beperkt konden worden. Uit de regionale variatie in de opinies over privatisering die de provinciale overheden op nahielden, blijkt

dat afhankelijk van de landbouwsituatie het belang van gemene gronden van regio tot regio sterk kon verschillen. Pas in de jaren 1830 werden de randvoorwaarden voor een volledig verdwijnen van gemene gronden fundamenteel aangepakt; denken we bijvoorbeeld aan de Kempense kanalisatieplannen. Tot dan was de negatieve visie van de overheid op gemene gronden zonder meer misplaatst. Beleidsmakers liepen tot dan met hun agrarische utopieën duidelijk voor op de dagelijkse realiteit van de keuterboer, wat meteen ook verklaart waarom hun beleid inzake ontginningen en privatisering zo weinig effectief bleek. Een van de voorbeelden ter illustratie van de grote afstand tussen de overheid en die boeren, is een vragenlijst die het Nederlandse bewind naar gemeenten in het zuiden stuurde. Bij de vraag of er in de gemeente nog 'Marken' te vinden waren en hoe uitgestrekt die dan wel zouden zijn, fronsten de Vlamingen de wenkbrauwen. Van markegenootschappen hadden ze nog nooit gehoord. Hoewel er in België tegenwoordig nauwelijks resten van de vroegere gemene gronden te vinden zijn, zijn de gemene gronden nog niet dood. De privatiseringsgolf heeft overigens ook de gemene gronden elders in Europa grotendeels geëlimineerd. Maar in het bijzonder in de niet-Europese landen zijn er nog grote gemene gebieden te vinden, bijvoorbeeld de gemene visgronden in Turkije en Brazilië of de talrijke gemeenschappelijke weidegronden in India."

NOTEN (1) Deze typologie werd gemaakt op basis van onderzoek uitgevoerd in het kader van een comparatief onderzoek van acht onderzoekers uit verschillende Europese landen over het gebruik en beheer van gemene gronden in noordwest-Europa (tussen ca. 1500 en 1850) dat reNegende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

47

EN

iEDEREEN DiE -/ 13E1 .1 ) DAAR oM M oE.-r Ee t4 pA c t F n s-re. LACHEN- - 7.--

ç , -. ..-.

,

(1-0 , ,...Erf) 0 9

aS-éi p -

- .



Î DiE KAN EEN KLAP

VOOR Z'N BEk VIKRYGEN!!

cent in boekvorm is verschenen als M. De Moor, L. Shaw-Taylor and P. Warde (eds), The management of common land in north west Europe, ca. 1500-1850; Brepols, Turnhout 2002 (CORN Publication series, nr. 8). - (2) Moeskop, 1985. - (3) Godding, 1987: p. 204. - (4) Clicheroux, 1956: pp. 576-577 en 540-541 en Dejongh, 1999: pp. 94-95. - (5) Recht, 1950: p. 44. - (6) Vandenbroeke, 1975: p. 44. - (7) Dejongh, 1999: p. 110. - (8) Idem, p. 98 e.v. - (9) Blomme, 1993: pp. 441-444. - (10) Zie voor voorbeelden: Bromley Feeny, 1992.

BIBLIOGRAFIE Blon-une, J. (1993), The Economie Development of Belgian Agriculture: 1880-1980. A Quantitative and Qualitative Analysis, Leuven: Leuven University Press. Bromley, D.W. and Feeny, D. (1992) Making the commons work: theory, practice and policy, edn. San Francisco. Clicheroux, E. (1957) L'évolution des terrains incultes en Belgique. Bulletin de !Institut de recherches économiques et sociales XXIII, 497-524. Dejongh, G. (1999) Tussen immobiliteit en revolutie. De economische ontwikkeling van de Belgische landbouw in een eeuw van transitie, 1750-1850. K.U. Leuven. Godding, P. (1987) Le droit privé dans les Pays-Bas méridionaux du 12e au 18e siècle, Bruxelles. Moeskop, G. (1985) Het gebruik van gemene gronden in de Antwerpse Kempen tijdens het Ancien Regime. K.U. Leuven. Recht, P. (1950) Les biens communaux du Namurois et leur partage â la fin du XVIIIe siècle. Contri-

bution a l'étude de l'histoire agraire et du droit rural de la Belg ique accompagnée d'une description des classes rurales a la fin de l'Ancien Régime, Bruxelles. Vandenbroeke, C. (1975) Agriculture et alimentation dans les Pays -Bas autrichiens, Gent-Leuven. 48

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

OM DE ERFENIS VAN DOMINEESLAND Bart de Ligt over Menno ter Braak Herman Noordegraaf Menno ter Braak (19024940) is voor velen nog slechts een naam uit het Nederl and van voor de Tweede Wereldoorlog: een naam die verbonden wordt niet het streven maar vernieuwing, de opwekking tot waakzaamheid tegen het fascisme en de zelfmoo literaire rd op 14 mei 1940. Gelezen wordt deze polemist, die er niet voor terugdeinsde met felle mokers werk van tegenstanders aan gruzelementen te slaan, nog maar weinig. Wie zijn lagen het daag aan de dag ter hand neemt, zal zich inderdaad veel moeite moeten getrooswelk vanten om er doorheen te komen. Toch neemt Ter Braak een blijvende plaats in de Nederla ndse letterkunde in door de invloed die hij uitoefende en door de rol die hij als intellectueel vervuld e in de jaren twintig en dertig. Daarom is het verheugend dat het er toch van gekomen is: de Ter Braak-biografie. Ik doel op de monumentale, meer dan duizend bladzijden tellende, biografie van Leon Hanssen: Menno ter Braak 1902-1940. 1 In deze bijdrage zal ik, dankbaar gebruik makend van Hanssens werk, nagaan hoe Bart de Ligt, evenzeer een intellectueel uit het interbellum, reageerde op het werk van Ter Braak. Zoals zal blijken speelde daarbij het - om het in door Ter Braak gemunte termen te zeggen - afscheid van domineesland en de vraag hoe daarmee om te gaan een belangrijke rol. Dat is begrijpelijk, omdat hierin een gemeenschappelijke lotsfactor ligt: De Ligt brak met het hervormd-confessionele milieu van herkomst en Ter Braak met de vrijzinnig-protestantse omgeving waarin hij was opgegroeid. Voor zover valt na te gaan, hebben De Ligt en ter Braak elkaar in ieder geval één keer persoonlijk ontmoet. Wij zijn hierover geïnformeerd door de brief die Ter Braak op 25 februari 1935 aan zijn vriend Eddy du Perron schreef en waaruit wij kunnen opmaken dat het initiatief van De Ligt was uitgegaan.

Achtergrond van De Ligts bezoek was diens betrokkenheid bij de oprichting van een Bond van Kunstenaars ter Verdediging van de Kulturele Rechten. Ter Braak was vanwege de sterke communistische invloed wantrouwend. De Ligt probeerde Ter Braak, die al een reputatie had als anti-fascist, bij de Bond te betrekken. Ter Braak schrijft: "Voor het 'Bond van Kunstenaars'zoodje heb ik gepast. Maar nu schijnt er 'op breede basis' een soort vereeniging in de maak te zijn van intellectueelen tegen het fascisme; althans ik had een gesprek met B. de Ligt, [een heel levende man, sluw, agitatot tot in de oogen, intelligent (afgezien van domineescomplexen,) den anarchist (die zelf achter de schermen zal blijven, vanwege zijn naam en gevangenisstraf), die mij vele 'groote' namen noemde en mij ook vroeg jou en Greshoff voor die vereeniging aan te werven."2 Het was de tijd dat er allerlei initiatieven opkwamen om zich tegen het fascisme te weer te stellen. Ter Braak werd hiertoe mede geïnspireerd door de Franse bewegingen waarmee Du Perron, die in Frankrijk woonde, voeling

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

49

had. Zo was in maart 1934 een 'Comité de vigilance des intellectuels antifascistes' opgericht, dat via Du Perrons inzet mede de inspiratie vormde tot de oprichting van het Comité van Waakzaamheid van anti-nationaal-socialistische intellectueelen op 27 juni 1936? Daarbij had ook De Ligt op Du Perrons lijst van te benaderen personen gestaan. Het feit dat De Ligt in Zwitserland woonde, leidde er echter toe dat hij niet benaderd werd.4 Vermoedelijk heeft De Ligt de naam van Ter Braak voor het eerst gehoord van Arthur (Müller) Lehning die, nadat hij De Ligt had horen spreken op een bijeenkomst van de Woodbrookers in hun conferentieoord in Barchem, beslissend door hem benvloed werd.5 Lehning op zijn beurt had Ter Braak in 1926 leren kennen via hun gezamenlijke vriend, de dichter H. Marsman. Kort daarna trok hij Ter Braak aan als medewerker van het avantgardetijdschrift i 10, dat onder redacteurschap van Lehning tussen 1927 en 1929 verscheen, om de Filmkroniek te verzorgen. 6 Ter Braak had namelijk een grote belangstelling voor films. Hij behoorde in 1927 tot de oprichters van de Filmliga en was daarna zeer actief betrokken bij haar activiteiten. Het medium film was toenmaals niet onomstreden en de Filmliga zette zich in voor het propageren van de niet-commerciële experimentele film. De Ligt had de uitgave van het blad mede financieel mogelijk gemaakt en behoorde ook tot de medewerkers. Hij besteede aandacht aan nieuwe ontwikkelingen in de filosofie. Welke indruk Ter Braak met zijn bijdragen in i 10 op De Ligt maakte, kunnen we opmaken uit de bespreking die De Ligt wijdde aan Ter Braaks Het Carnaval der Burgers in het anarcho-socialistische 50

maandblad Bevrijding van september 1930? Hij verwijst daarin naar de bijdragen van Ter Braak aan i 10: "Wie vroeger 'i 10' heeft gekend, zal zich het verrassend zuiver oordeel van dezen jongen auteur zonder twijfel herinneren. Wel was hij daar in zijn betogen op filmgebied meestal nog wat 'zwaar op de hand', maar wat hij schreef was altijd zeer de moeite waard." Dit positieve oordeel trekt De Ligt in overtreffende trap door in zijn bespreking van Het Carnaval der Burgers, dat hij betitelt als "het beste boek wellicht, dat sinds den krijg in Nederland verscheen." De achtergrond van deze uitspraak, die staat in een bespreking die om één voor De Ligt kardinaal punt draait en nauwelijks verder op de inhoud van het boek zelf ingaat, komen wij op het spoor als we de strekking van de essays in het Carnaval in ogenschouw nemen: Ter Braak plaatste daarin 'de burger' tegenover 'de dichter' en behandelde hun onderlinge verhouding en conflicten op een wijze die De Ligt de woorden uit de pen deden vloeien: "welk een ongewoon-redelijke aanleg deed hem het carnaval der menschheid z66 ervaren en begrijpen." De Ligt herkende en waardeerde in Ter Braaks boek een streven om zich te bevrijden van de burgerlijke samenleving. Hoewel Ter Braak zich naar zijn oordeel nog van veel burgerlijkheid moest bevrijden, was dit boek toch een "schitterend teken" van dit bevrijdingsproces. Opvallend is dat De Ligt het burgerlijke in Ter Braak verbindt met diens christelijke achtergrond, hem daarbij speels aanduidend als "de mennoniet". De Ligt gaf nog enige filosofische wenken aan Ter Braak om verder te komen, en sprak uit dat Ter Braak nog eens dwars door de revolutie heen moest:

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

"Opdat eindelijk in denzelfden geest Daarmee sloot hij aan bij marxistisch een boek worde geschreven, veel min- getinte analyses waarin het fascisme als der nederlandsch, door en door kosmo- de politieke ideologie van een bedreig politisch van strekking en van stijl." de middenklasse werd gezien: "Het moDe Ligt bleef Ter Braak volgen en, zoals derne kapitalisme, dat zich praktisch we zagen, leidden de tijdsomstandighe- noch moreel meer kon rechtvaardigen , den ertoe dat hun wegen zich kruisten. moest uiteraard uitlopen op fascisme." Ter Braak maakte een ontwikkeling En: "Het fascisme is de wanhopige condoor van een betrekkelijk weinig uit- sequentie, waartoe het imperialistisch drukkelijk maatschappelijk betrokken kapitalisme steeds meer vervallen moet, intellectueel met een individueel-esthe- tenzij de arbeidersmassa zich mettertische levenshouding tot een 'politicus daad verzet. Het is de hopelijk laatste zonder partij', die zich actief tegen het poging van de burgerij, de maatsch apnationaal-socialisme en fascisme keer- pelijke ontwikkeling, die haar dreigt te de. Een belangrijk punt van onder- ontglippen, terug te forceeren. Sociaal scheid met De Ligt lag erin dat Ter psychologisch beschouwd hebben wij Braak, die zich in de jaren twintig nogal hier met desperado-politiek te doen. Dit betrekkelijk afstandelijk over de demo- vooral verklaart zijn namenlooze wreedcratie had uitgelaten, nu partij koos heid."9 voor de democratie. Zoals Hanssen Waarschijnlijk zou de reactie en het concluderend samenvat: "Op dit crucia- oordeel van De Ligt dezelfde gewees t le moment moest de democratie juist zijn als die van Arthur Lehnin g, die beschermd worden, omdat zij als enige verhaalt van een bezoek dat hij aan Ter systeem nog ruimte gaf voor de teloor- Braak bracht en waarbij deze hem meegaande waarden van onafhankelijk- deelde dat hij op de sociaal-democr aten heid, ongelijkheid en individualisme."8 zou stemmen, omdat dat beter was dan Ook De Ligt erkende dat in de burger- dat Mussert aan de macht zou komen. lijk-democratische landen individuele Lehning antwoordde: "Ik zei: Ja, dat en sociale waarden gerealiseerd waren, vind ik ook in zekere zin, maar die als positief te zien waren en die ervaringen in Duitsland is nou uit de juist gedaarom verdedigd moesten worden. bleken, dat je door op een SDAP te Hiertoe zou ook samengewerkt moeten stemmen, op een politieke partij, juist worden met personen en groepen van niet het fascisme kunt verhinderen. In wie men in politieke en sociale opvat- Duitsland hebben dertien miljoen arbeitingen sterk verschilde. Terwijl echter ders 'tegen Hitler gestemd ': En Lehning voor Ter Braak op dat moment de do- voegt daaraan toe: "Het was een princiminante tegenstelling was democratie piële tegenstelling van inzicht in wat versus fascisme en nationaal-socialis- voor strijd tegen het fascism e eigenlijk me, was voor De Ligt de tegenstelling noodzakelijk is."1° tussen kapitalisme en (vrij) socialisme Ter Braaks bracht zijn maatsch appelijke van grotere betekenis. Hij verbond de betrokkenheid onder meer tot uitdrukstrijd tegen het fascisme met de strijd king in het toneelstuk De pantserkrant.11 tegen het kapitalistisch imperialisme, Dit werk vormde een aanklac ht tegen waarvan hij het fascisme als onvermij- de wapenfabrikanten en verhaalt hoe delijk daarmee verbonden zag. een onafhankelijk dagblad overgenoNegende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

51

men wordt door een schrijfmachinefirma, die echter een dekmantel vormt voor de wapenindustrie. Deze probeert de berichtgeving in de krant zodanig te beïnvloeden, dat de publieke opinie gewonnen wordt voor meer bewapening. De Ligt besprak het boek in Bevrijding van augustus 1935. Ook hier is het woord 'bespreking' wederom niet adequaat. De Ligt grijpt namelijk de kans aan om meer algemene beschouwingen over Ter Braak ten beste te geven. Daarin blijkt enerzijds zijn hoge achting voor Ter Braak nog steeds aanwezig, maar onthoudt hij hem anderzijds zijn ironisch commentaar niet. Dit laatste betreft onder meer Ter Braaks neiging, althans in de ogen van De Ligt, om zich belangrijk te houden. Naar De Ligts oordeel had Ter Braak toch nog steeds niet afscheid genomen van domineesland. Maar hij wist uit eigen ervaring hoe moeilijk dat was: "Wie eenmaal domineesbloed in zich heeft - mijn hemel! ik weet daarvan - heeft dat ook werkelijk ondervonden." Die doorwerking blijkt eruit dat Ter Braak een heilige heeft, Nietzsche en nog recenter, zoals blijkt uit zijn Politicus zonder partij (1934), Stirner. De Ligt onderschreef de betekenis van Stirner en diens individualisme in de tijd van fasdstische en bolsjewistische massamensen.12 Maar zijn positieve oordeel was dat Ter Braak onburgerlic vrij met grote cultuurwaarden wist om te gaan en zo een schrijver, niet van wereld-, maar wel van Europese allure was geworden. Over De pantserlcrant als literair product was De Ligt echter minder positief: esthetisch achtte hij het niet veel bijzonders. En wat de boodschap betrof: de wapenfabrikanten vormden maar één factor in het proces van oorlog en oor52

logsvoorbereiding en de invalshoek was dus te beperkt. Als een soort waarschuwing had De pantserkrant zin. De thematiek van afscheid van en terugkeer naar domineesland vormde het centrale punt in het uitgebreide artikel dat De Ligt wijdde aan Van oude en 13 nieuwe Christenen (1937). Ter Braak hield een pleidooi voor een 'Christendom zonder Christendom': "Men moet al zo naïef zijn als een vrijdenker van de Zaterdagavondmarkt om zich in de illusie te kunnen verheugen, dat men vrij wordt van het Christendom (misschien wel heiden wordt, o opperste absurditeit!) door het godsgeloof van het Christendom af te zweren. Immers: na de grote ketterij, nadat wij ervaren hebben, dat 'God dood is', staan wij daar met onze christelijke vorm als erfgenamen van eeuwen discipline, naakt, gedisciplineerd, maar zonder het geloof aan de oorspronkelijke motieven van drilschool en drilscholastiek. Christenen zonder Christendom, zonder geloof, maar onBrahmanen noch barbadanks "14 dat noch ren. In die zin is het christendom in de westerse cultuur niet overwonnen, maar wij hebben zijn discipline ook nodig in de strijd tegen fascisme en nationaal-socialisme. Het voor Ter Braak in die strijd cruciale concept van de 'menselijke waardigheid' is namelijk niets anders dan de 'gelijkheid der zielen voor God, maar zonder God'. Zo is Ter Braak een nieuwe christen, een zonder geloof in God en hiernamaals, die echter wel wil vasthouden aan de fundamentele christelijke waarde van menselijke waardigheid. De Ligt zag in het boek een 'kulturele daad', en betitelde het als de belangrijkste literaire gebeurtenis van de laatste jaren. Desondanks had hij veel bezwa-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

ren: de eenzijdigheid in de analyses (met behulp van Nietzsche's concept van het ressentiment), de centrale plaats die Ter Braak toekent aan Augustinus in de ontwikkeling van het christendom, met voorbijgaan aan ketterse bewegingen (Ter Braak had zijn mennonietenstamboom moeten langslopen), maar het fundamentele verschil zit hierin: wat Ter Braak als typisch christelijk typeert, ziet De Ligt als algemeen menselijk. Zo is de gedachte van de menselijke waardigheid niet zozeer christelijk, maar al aanwezig in de israëlitische godsdienst en het voorchristelijke Griekse natuurrecht. Terwijl De Ligt na zijn afscheid van domineesland opkwam voor een universele wereldcultuur, waarin de religies

zich op hoger niveau zouden kunnen hervinden en waarbij dus ook het christendom overwonnen moest worden, pleitte Ter Braak daarentegen juist voor een terugkeer naar domineesland, zij het uitdrukkelijk met een specifieke invulling. Hoezeer dus beiden doordrongen waren van de noodzaak van de strijd tegen fascisme en nationaal-socialisme, moeten we ook hier stellen dat het verschil in omgang met de erfenis van domineesland de wegen uiteen deed gaan. De Ligt kondigde aan het slot van het artikel aan, dat hij nog op het werk terug zou komen. Zo groot achtte hij blijkbaar de betekenis. Het is er niet meer van gekomen door zijn vroegtijdige dood op 3 september 1938.

NOTEN (1) Léon Hanssen, Menno ter Braak 1902-1940. Deel één 1902-1930. Want alle verlies is winst, Amsterdam 2000. Idem, Deel twee 1930-1940. Sterven als een polemist, Amsterdam 2001. - (2) Menno ter Braak/E. du Perron, Briefwisseling 1930-1940. Deel III, Amsterdam 1965, p. 142. Zie: Hanssen, Deel twee, pp. 333 e.v./644 (noot 70). Men lette op de term 'domineescomplexen': op zijn minst suggereert het feit dat Ter Braak erop wijst en het zo beleeft, een gevoeligheid hiervoor. - (3) Hanssen, idem, pp. 327, 337 e.v. - (4) Du Perron maakte de lijst op met de historicus Jan Romein. Zie: Annie Romein-Verschoor, Omzien in verwondering. Herinneringen. Deel 1, Amsterdam 1971, pp. 286/287. Zie ook de brief van Du Perron aan Ter Braak d.d. 13 januari 1936 (Briefwisseling. Deel III, p. 362) en Hanssen, Deel twee, p. 338. - (5) Arthur Lehning, Prometheus en het recht van opstand. Essays en commentaren III, Baarn 1987, p. 39. - (6) Zie voor het volgende: Kees van Wijk, Internationale Revue i 10, Utrecht 1980, pp. 20, 47 e.v.; Hanssen, Deel één, pp. 330, 335 e.v., 517 (noot 47). - (7) Het Carnaval der Burgers. Een gelijkenis in gelijkenissen verscheen in 1930 en is opgenomen in Verzameld Werk. Deel 1, Amsterdam 1950, pp. 5158. Voor een belichting van de achtergronden: Hanssen, Deel een, pp. 406 e.v. - (8) Hanssen, Deel twee, p. 330. - (9) Bart de Ligt. De overwinning van het geweld, Utrecht 1934, pp. 26 resp. 27. Vgl. bijv. ook 'Het fascistisch gevaar', in: Bevrijding april 1933; 'Op! Voor de maatschappelijke democratie', in: Bevrijding mei 1933; Waarop het fascisme stuuit, Amsterdam 1934; Nationaal socialisme of vrij socialisme, Amsterdam 1935. - (10) Toke van Helmond /J.J. Overstegen (red.), Voor Arthur Lehning, Maastricht 1989, p. 24. - (11) De pantserkrant verscheen in 1935 en is opgenomen in Verzameld werk. Deel 2, Amsterdam 1950, pp. 327-423. Vgl. Hanssen, Deel twee, pp. 316 e.v. - (12) De Ligt had zelf gekozen voor het sociaal-anarchisme, dat hij duidelijk onderscheidde van het individueel anarchisme. Zie zijn brochure Anarchisme en revolutie, Baarn 1922 (herdruk: Appelscha mei 1978). Vgl. ook Vrede als daad. Tweede deel, Arnhem 1933, pp. 270/271. - (13) Opgenomen in Verzameld Werk. Deel 3, pp. 193-378. Vgl. Hanssen, Deel twee, pp. 393 e.v. - (14) Verzameld Werk. Deel 3, p. 266.

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

53

PETER SINGER OVER ETHIEK EN DIERENRECHTEN P'tje Lanser Zelfbeschikkingsrecht. Leg je de nadruk op het deelwoord 'recht', dan zit je haast automatisch opgezadeld met de keerzijde ervan, 'zelfbeschikkingsplicht'. Een begrip waar ik nog nooit van gehoord heb. Over rechten wilde 17c het hier echter niet hebben. Als je 'recht' nauwelijks beklemtoont, dan zit je met het begrip 'zei/beschikking' mijns inziens bij de kern van het anarchisme. Niet een ander, zij het een zei/benoemde autoriteit of een metafysi sch 'iets', maar het individu wild én beslist ook zelf over zijn of haar leven. Er zijn ook gevallen te bedenken waarin dat wikken en beslissen uitgebreid wordt, of zou moeten worden, naar ander leven, in het geval van abortus en euthanasie. Dit zijn geen onderwerpen waar ik vaak en graag mijn gedachten over laat gaan. Omdat, ook al ben ik geen principiële tegenstander ervan, het voor mij al vrij snel in lastig ethisch vaarwater komt. Iemand die dit juist als een uitdaging ziet, zij het niet vanuit anarchistisch maar wel vanuit links oogpunt, is de van oorsprong Australische bio-ethicus Peter Singer. Volgens de uitgever van zijn onlangs verschenen Een ethisch leven heeft hij mogelijk een groter lezerspubliek dan enig ander beroepsfilosoof sinds Bertrand Russell en heeft hij ook meer succes met het teweeg brengen van gedragsverandering. Met dit nieuwe boek, een bundeling van artikelen en hoofdstukken uit eerder verschenen werken, wil Singer een overzicht geven van zijn opvattingen over ethiek, en gaat hij ook uitgebreid in op zijn critici. Hij mag een groot lezerspubliek hebben, ondertussen zijn Singers denkbeelden sinds decennia ook zeer omstreden. Het fundament van Singer filosofie is het utilitarisme. Het utilitarisme be54

oordeelt handelingen op grond van de vraag of ze leiden tot zo veel mogelijk vreugde of geluk en tot zo min mogelijk pijn of leed. Deze beoordeling houdt in dat sommige daden die normaal gesproken als 'slecht' worden bestempeld, binnen het utilitarisme dat niet zijn. Zo is in de ogen van een utilitarist liegen niet per definitie verkeerd. Immers, in tijden van oorlogen kunnen met leugens veel mensenlevens worden gered. In tegenstelling tot de traditionele ethiek, die uitgaat van vele gij-zult-nietzus-of-zo's, is voor Singer de kern van ethische oordelen dat ze praktisch bruikbaar moeten zijn. Daarom gaan utilitaristen, Singer incluis, niet uit van morele regels, maar van doelstellingen. Handelwijzen moeten, vinden zij, worden beoordeeld naar de mate waarin zij de doelstellingen bevorderen. Singers utilitarisme gaat uit van vier stellingen: (1) genot en geluk zijn 'goed', en pijn is 'slecht'; (2) de meeste niet-menselijke dieren kunnen pijn en andere vormen van leed, zoals verdriet en verveling, voelen; (3) eigenschappen die er werkelijk toe doen zijn rationaliteit, autonomie en zelfbewustzijn; (4) mensen hebben naast de verantwoordelijkheid voor wat ze doen, ook de verantwoordelijkheid om leed te voorkomen.

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

rigens niet hetzelfde als gelijke behandeling. Zo is het onzinnig om te praten over stemrecht voor dieren, of het recht op abortus voor mannen. Iedereen die dierlijke producten consumeert, is, schrijft Singer, verantwoord& lijk voor het leed dat dieren wordt aangedaan. De tegenwerping dat individuele veranderingen van consumptiepatronen geen zoden aan de dijk zouden zetten, wordt door hem verworpen. Elke keer dat iemand een stuk vlees koopt en geen blok tofu, heeft invloed op de hoeveelheid vlees of tofu die de winkel een volgende keer zal bestellen. Het is DIERENBEVRIJDING simpel: als er geen vraag meer naar Singer is met name bekend geworden vlees is, zal er ook geen aanbod meer door zijn in 1975 verschenen boek Ani- zijn. Om die reden heeft Singer een veganistisch recept in zijn boek opgenomal Liberation. Hierin zette hij gepassioneerd uiteen dat ook niet-menselijke men. Een bijkomend voordeel van het dieren pijn kunnen lijden. Naar zijn me- stoppen met het fokken en slachten van ning hebben mensen ook de verant- dieren is volgens hem dat er extra voedwoordelijkheid om leed bij niet-mense- sel beschikbaar kan komen voor menlijke dieren te voorkomen. Niet-mense- sen. Mits op een juiste manier gedistrilijke dieren dienen te worden behan- bueerd kan dat een einde maken aan de deld als onafhankelijke wezens, in honger op aarde. Om die reden staat plaats van te worden gezien als midde- voor Singer dierenbevrijding dan ook len voor menselijke doeleinden. Singer gelijk aan mensenbevrijding. vindt dat als mensen andere dieren uit- Niet-menselijke dieren worden niet alsluiten van morele betrokkenheid, zij leen voor consumptiedoeleinden gedan 'speciecistisch' handelen, ofwel dat bruikt. Jaarlijks ondergaan miljoenen van hen de meest bizarre dierproeven. zij discrimineren op basis van de soort. Volgens het utilitarisme hebben we- Omdat naar Singers mening mensenbazens, omdat zij pijn kunnen lijden, be- by's niet meer moreel relevante eigenlangen. De vraag is natuurlijk of dieren schappen bezitten dan niet-menselijke daadwerkelijk pijn kunnen lijden. Hier dieren, vindt hij dat voorstanders van doet zich het probleem voor dat pijn dierproeven logisch gezien ook het geeen bewustzijnstoestand is, die niet di- bruik van zuigelingen voor experimenrect meetbaar is. Dat anderen pijn heb- ten zouden moeten goedkeuren. Let ben, kan alleen maar indirect worden wel, Singer houdt hiermee geen pleiafgeleid. In de ogen van Singer zijn er dooi voor het toestaan van proeven op geen geldige redenen, van wetenschap- baby's. Hij ziet daar namelijk geen enpelijke noch filosofische aard, om te kele rechtvaardiging voor. Wat hij wel ontkennen dat dieren pijn kunnen voe- doet is het wijzen op de logische conselen. Het principe van gelijkheid is ove- quenties van een bepaald standpunt.

De utilitaristische ethiek die Singer voorstaat is universeel. Je zou deze universaliteit kunnen verwerpen door te stellen dat ethiek relatief, ofwel cultuurgebonden is. Maar 'ethisch relativisme' heeft onaangename consequenties. Denk alleen aan het voorbeeld van vrouwenbesnijdenis. Je zou ook je uitvlucht kunnen nemen tot 'ethisch subjectivisme', maar dat leidt volgens Singer ook nergens toe. Alleen al vanwege het feit dat het in dat geval totaal geen zin heeft om met elkaar van gedachten te wisselen over allerlei morele kwesties.

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

55

Opmerkelijk vind ik overigens Singers bewering dat wetenschappers die dierproeven doen niet uitzonderlijk slecht of wreed zouden zijn. Bij de voorbeelden die hij geeft, zoals het met behulp van elektroshocks aan willen tonen dat honden 'lijdzaamheid' aangeleerd kan worden, ontkom ik echter niet aan de gedachte dat het regelrecht sadisme is. ABORTUS EN EUTHANASIE

Voorstanders van abortus en euthanasie, mensen die strikt genomen het doden van wezens niet altijd verkeerd vinden, kunnen met de traditionele ethiek niet uit de voeten, gebaseerd als die is op de joods-christelijke wereldbeschouwing. Deze gaat namelijk uit van de onschendbaarheid van het menselijk leven. Singer vindt dat er een nieuwe ethiek ontworpen zal moeten worden, waarbinnen ook plaats is voor geldige argumenten vóór abortus of het actief te beëindigen van het leven van een ernstige gehandicapte baby. Omdat een embryo geen wensen of verlangens kent en die ook nooit gehad heeft, kan een embryo volgens Singer geen schade worden berokkend. Net zomin als een eicel voor de bevruchting. Eigenschappen die er werkelijk toe doen zijn rationaliteit, autonomie en zelfbewustzijn, en niet de reden dat een wezen tot de soort Homo sapiens behoort. Omdat foetussen of ernstig gehandicapte pasgeborenen deze eigenschappen volgens hem niet hebben, kan het hen doden niet worden gelijkgesteld aan het doden van volwassen mensen of andere zelfbewuste wezens. Moreel leven begint als er sprake is van tijdsbesef, en noch de foetus noch de pasgeboren baby is een individu dat in staat is om zichzelf te zien als een afzonderlijke entiteit die een eigen leven 56

kan leiden. Daarom ziet Singer niet in waarom foetussen wel maar ernstig gehandicapt pasgeborenen niet gedood zouden mogen worden. Als een pasgeboren baby in de eerste weken niet als een wezen met een absoluut recht op leven wordt gezien, zouden ouders in overleg met hun arts op basis van een veel grotere kennis over de gezondheidstoestand van de baby kunnen kiezen dan voor de geboorte mogelijk was. Als het leven van een baby naar verwachting zo ellendig, zo vol pijn en zonder uitzicht op verbetering zal zijn, dan is het in de ogen van Singer beter om het kind te helpen sterven. Tenzij de ouders dat niet willen. Beslissingen over het leven van ernstig gehandicapte pasgeborenen dienen naar zijn mening door de ouders zelf, in overleg met de arts, te worden genomen. Niet door rechters, die na hun besluit toch niets meer met het kind te maken hebben. Degenen die evenwel van mening zijn dat het principieel onjuist is om te beslissen dat een menselijk leven het niet waard zou zijn om geleefd te worden, vinden, als ze consequent zijn, dat alle moderne medische technieken gebruikt zouden moeten worden om het leven van iedere baby zo lang mogelijk te rekken. Hoe hopeloos de vooruitzichten en hoe pijnlijk haar bestaan ook zal zijn. Gehandicaptenorganisaties verwijten Singer dat zijn standpunt over het doden van ernstig gehandicapte pasgeboren suggereert dat het leven van gehandicapten minder waard is om geleefd te worden dan dat van niet-gehandicapten. Singer denkt inderdaad dat niemand zal zeggen dat het allemaal om het even is. Hij haalt daarbij het voorbeeld aan van softenon. Zwangere

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

toegestaan, maar waarin deze keuzes ethisch onderbouwd zijn. Een andere kritiek is dat Singer een discriminerende indeling in personen en niet-personen maakt. Volgens Singer behoren personen evenwel niet perse tot de soort Homo sapiens, ook niet-menselijke dieren rekent hij tot deze categorie. Hij maakt deze twee categorieën, omdat hij vindt dat alleen personen, wezens die de eigenschappen rationaliteit, autonomie en zelfbewustzijn bezitten, het recht op leven toegekend kan worden. Foetussen of ernstig gehandicapte pasgeborenen vallen niet binnen die categorie. Singer wordt ook voor voeten geworpen dat hij de medische stand, wat dat ook moge zijn, meer macht zou willen geven om naar hartelust te kunnen selecteren en doden. En zodoende eugenetica te kunnen bedrijven. Maar in Een ethisch leven staat dat hij met zijn standpunten over abortus en euthanasie juist de macht van de staat wil verminderen. Hij vindt dat mensen zelf, Het is verklaarbaar dat bij mensen die binnen de grenzen van de nieuwe uitgaan van het principe van de on- ethiek, over dood en leven moeten kunschendbaarheid van het menselijk leven nen beslissen. Zowel voor hen zelf als, Singers denkbeelden over abortus en in overleg met hun arts, voor hun paseuthanasie absoluut niet in goede aarde geboren baby. In zijn ogen moet iedervallen. Maar wat beweegt linkse men- een zich afvragen welke plaats ethiek in sen, die niet per definitie tegen abortus zijn of haar leven van alledag inneemt. en euthanasie zijn, om tegen Singer te En dan zou Singer ook nog eens een proageren? feet van het kapitalisme zijn, en dan één Een van de dingen die ze hem verwij- van de vreselijkste soort, getuige een arten, is dat hij een anti-gehandicapten fi- tikel in De Fabel van de Illegaal 50/51: losoof is. Maar bij lezing van Een ethisch "Het kapitalisme is gezien de menselijke leven ben ik niets tegengekomen wat die biologie het enig politieke systeem en wie bewering zou kunnen onderbouwen. niet goed kan functioneren in dat systeem Sterker nog, het verwijt is in mijn ogen moet dood. Daar komt de 'praktische zelfs volslagen onzin. Singer stelt alleen ethiek' van de antigehandicaptenfilosoof een nieuwe ethiek voor waarin abortus Peter Singer kortweg op neer." Korten euthanasie op ernstig gehandicapte door-de-bocht-weg inderdaad. Meer zal pasgeborenen niet oogluikend wordt ik er maar niet over zeggen. vrouwen die dit medicijn tijdens de zwangerschap gebruikten, kregen kinderen zonder armen of benen. Als iemand werkelijk van mening is dat het leven van een gehandicapte niet moeilijker is dan dat van een gezond persoon, zouden softenonkinderen niet tragisch gevonden worden. Zij zouden dan alleen maar 'anders' zijn. Binnen een nieuwe ethiek moeten ook ernstig zieke mensen zelf kunnen beslissen of hun situatie te verdragen is of niet. De mogelijkheid tot vrijwillige euthanasie houdt, vindt Singer, respect voor de individuele vrijheid en autonomie in. Wellicht dat er ooit een dag komt dat alle terminale patiënten en ongeneeslijk zieken dusdanig te behandelen zijn, dat niemand nog om euthanasie zal vragen. Maar zolang dat nog niet het geval is, zijn er in zijn ogen geen redenen om euthanasie te onthouden aan al diegenen die anders zouden moeten leven en sterven onder beroerde omstandigheden.

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

57

Veel uitgesproken meningen over Singer zijn, vindt hij, en ik denk terecht, gebaseerd op korte citaten uit een aantal van zijn werken en samenvattingen uit de tweede hand. Weinig anti-Singerianen zouden daadwerkelijk de moeite hebben genomen om zijn boeken te lezen. Wat dan onderbelicht blijft, is dat Singer vaak uitwerkingen geeft van de gevolgen van verschillende ethische opvattingen, zonder daarmee te willen zeggen dat hij die gevolgtrekkingen ondersteunt. Ook komt volgens hem dan niet zijn opvatting naar voren dat hij vindt dat mensen zoveel geld aan hulporganisaties zouden moeten geven dat de consumptiemaatschappij op zijn minst afgeremd zal worden. Dat geldt ook voor zijn mening dat hij de plicht van de rijken om de armsten op deze aarde te helpen en zijn denken over dieren belangrificer vindt dan zijn ideeën over de onschendbaarheid van menselijk leven. Protesten tegen Singer zijn soms uitgesproken heftig van aard. Meerdere keren is hem het spreken onmogelijk gemaakt. Singer vindt dat deze protesten alleen maar bedoeld zijn om een open discussie over academische ideeën, een debat over belangrijke ethische kwesties, te willen smoren. DARWIN VOOR LINKS

Tegelijkertijd met Een ethisch leven verscheen in de essayreeks van uitgeverij Boom Darwin voor links: politiek, evolutie en samenwerking. Singer pleit daarin voor 'links darwinisme'. Tamelijk veel linkse mensen associëren darwinisme met politiek rechts. Maar het darwinisme beschrijft alleen maar welke richting de evolutie op gaat. Het is geen politieke filosofie. Darwin verwierp overigens zelf al het idee dat er ethische gevolgtrekkingen aan zijn werk 58

zouden kunnen worden ontleend. In de ogen van Singer wordt het hoog tijd dat links gaat erkennen dat mensen een aantal gedragsaspecten gemeen hebben met niet-menselijke verwanten. Zo hebben mensen met niet-menselijke dieren het verschijnsel hiërarchie gemeen. Met deze constatering wil Singer niet zeggen dat hiërarchie 'goed' is, of dat mensen het niet zouden moeten proberen te veranderen. Waar hij voor wil waarschuwen is de gedachte dat hiërarchie simpelweg afgeschaft zou kunnen worden door de nu bestaande hiërarchieën op te heffen. De uitvoering van die gedachte leidt naar zijn mening onherroepelijk tot een nieuwe hiërarchie. De geschiedenis van revoluties geeft hem daarin zeker geen ongelijk. Links zou oog voor dit soort feiten moeten hebben, en dat kan alleen als men inziet dat ook mensen door evolutie gevormde wezens zijn. Wat mensen verder met niet-menselijke verwanten gemeen hebben is het najagen van eigenbelang, maar ook de wil tot samenwerking. Dat laatste heeft links altijd meer aangesproken. De vraag die zich dan opwerpt, is hoe je ervoor zorgt dat mensen meer gaan samenwerken en minder hun eigenbelang achterna lopen. Hiervoor biedt volgens Singez de speltheorie uitkomst. Deze theorie zegt dat het netto resultaat voor mensen het grootst is als ze hun daden afstemmen op die van een ander. Een soort betalen met gelijke munt dus. Dat betekent dat je samenwerkt als de ander dat ook wil, en niet samenwerkt als de ander dat ook niet doet. Het is niet bepaald een idealistisch uitgangspunt, maar het voorkomt in zijn ogen dat anderen jou gebruiken bij het najagen van hun eigenbelang. Met de publicatie van Een ethisch leven

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

breken" en te komen tot een Universele Verklaring van de Rechten van het Dier. Tevens zou er verandering op het gebied van de rechtspraak moeten optreden, omdat bijvoorbeeld "de plicht om het lijdende dier te helpen zwaarder weegt dan de plicht om het eigendom van anderen te respecteren." Dat is wat Cliteur uitgebreid bepleit in het bij Boom gepubliceerde essay Darwin, dier en recht. Cliteur, volgens gespreksleider en redacteur van Filosofie Magazine Erno Eskens altijd middenin het publieke debat, noemt zich een groot bewonderaar van Peter Singer. Animal Liberation was het boek dat zijn ogen opende. Maar hij heeft kritiek op het utilitarisme van Singer. Cliteur vindt dat het utilitarisme teveel nadruk legt op de individuele beleving en de gradaties daarin. Een opmerkelijk standpunt voor een liDIERENGERECHTSHOF beraal, aangezien zij steevast het indiviNog niet zolang geleden was Singer in du als uitgangspunt nemen. Terwijl het Nederland om zijn boek te promoten. utilitarisme zich niet bezighoudt met Deze gelegenheid werd door de stich- het definiëren of toekennen van rechting Varkens in Nood en het tijdschrift Fi- ten, is het stellen van een het individu losofie Magazine aangegrepen om eind overstijgende rechtsnorm juist wel Cli2001 een debat te organiseren met Paul teurs vertrekpunt. Voor hem gaat het Cliteur, met als onderwerp de mogelijk- erom te onderzoeken welke mensenheden om te komen tot de oprichting rechten redelijkerwijs ook naar dieren van een Internationaal Gerechtshof voor uitgebreid zouden moeten worden. DeDierenrechten. Ook vrijdenker en hu- ze rechten zouden moeten worden vastmanist Paul Cliteur, hoogleraar rechtsfi- gelegd in de Universele Verklaring van losofie en adviseur voor de VVD, is de Rechten van het Dier, waar vanuit overigens niet onomstreden. Hij schrijft weer de oprichting van het Internatiotamelijk veel over - in de ogen van nog- naal Gerechtshof voor Dierenrechten al wat mensen tegen - de multiculturele zou moeten volgen. samenleving. Een van de grootste problemen van de dierenrechtenbeweging Singer heeft zo zijn bedenkingen bij de is volgens Cliteur het verkrijgen van er- haalbaarheid van zo'n Internationaal kenning van de rechten van dieren on- Gerechtshof. Hij denkt dat het toekender een groot publiek. Om zover te ko- nen van rechten aan mensapen een remen is het nodig "om de exclusieve latief makkelijker doel is dan dat van gerichtheid op mensen in het heersende dieren in het algemeen. Niet dat mensjuridische en moreel discours te door- apen belangrijker zouden zijn dan anhoopt Singer te bereiken dat mensen zijn opvattingen over ethiek, leven en dood, in hun context, dus niet uit hun verband gerukt, zullen gaan lezen. Het was voor mij de eerste keer dat ik Singers ethische denkbeelden zo uitvoerig las. Alleen daarom al vond ik het lezen van Een ethisch leven bijzonder prikkelend. En al heeft het utilitarisme wellicht een te boekhoudkundige benadering van belangen en zijn Singers formuleringen niet altijd de mijne, ik vind het onbegrijpelijk dat zijn ethiek al dan niet doelbewust zo verkeerd geïnterpreteerd wordt, of in het ergste geval hem het spreken erover onmogelijk wordt gemaakt. Peter Singer heeft namelijk opvattingen over ethiek die zeker de moeite van het overdenken en bediscussiëren waard zijn.

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

59

dere zoogdieren, maar omdat er sim- ontdekt, dat maakt het nog niet tot een pelweg meer genetische overeenkom- Brits idee. Singer wijst er ook op sten tussen mensen en mensapen be- andere culturen of religies, hij dat in denkt staan. Singer, actief betrokken bij 'The daarbij aan hindoeïsme of boedd hisme, Great Ape Project' (www.greatapepro- rechten aan dieren toegek worden. ject.org), denkt dat het toekennen van Daarnaast ziet hij helemaalend rechten aan mensapen vervolgens als toritaire interventies, compl niets in aubrug kan dienen om het gat tussen penmachten. Cliteur vindt eet met troedaarentegen mensapen (de mens incluis) en andere dat als er ergens genocide op dieren dieren te overbruggen. plaatsvindt, de Verenigde Naties of het De vraag is dan welke mensenrechten een of andere land militai uitgebreid moeten worden naar dieren? ten ingrijpen. Dat was mer zouden moeCliteur en Singer noemen beiden het weest in Nederland tijdens dan wat ge'de BSE crirecht om niet gefolterd te worden, het sis' vorig jaar! recht op bewegingsruimte, en het recht Als er zo'n Internationaal op eigen ruimte. Uit het publiek, dat in voor Dierenrechten zou Gerechtshof een zaaltje van Paradiso dicht opeen ge- zouden dan de mogelijkekomen, wie pakt zat, kwam de vraag of het recht op zijn? Alleen overheden en verdachten leven juist niet het eerste recht zou meent Cliteur. Voor Singerindividuen, zouden dat moeten zijn. Cliteur acht dit recht van- met name bedrijven zijn, omdat zelfsprekend, maar voorziet - evenals het leeuwendeel verantwoord zij voor elijk zijn wanneer het mensen betreft - theoreti- voor dierenleed. Edoch sche en juridische problemen bij zaken sumenten dan ook niet, zijn vleesconmedeverdachals abortus en euthanasie. ten? Zowel Singer (veganist) als Cliteur Is het niet vreemd, vraagt een toehoor- (omnivoor) sprake zich hier niet duider, om over dierenrechten te praten als delijk over uit, maarn denken d in termen het met de mensenrechten nog steeds van recht ontkom je er volgen s mij (vebar gesteld is, zou dat probleem niet ganist) niet aan om een knalha rd 'ja' te eerst aangepakt moeten worden? Voor antwoorden. Singer getuigt deze vraag echter van een speciesistische aanname, omdat het In zijn een dag eerder suggereert dat mensen- en dierenrech- over 'de goede staat' gehouden lezing ten tegenstrijdig zouden zijn. Hij zelf overigens veel duidel uitte Singer zich ijker, door te steldenkt daarentegen dat het toekennen len dat vegetarisme een van dierenrechten een positieve invloed kelijke voorwaarden van de noodzais om tot zo'n staat zal hebben op de mensenrechten. te komen. Omdat alle misstanden uit Een andere toehoorder vraagt zich af in bijvoorbeeld de hoeverre het etnocentristisch is om die- simpelweg verdwbio-industrie immers renrechten internationaal te willen op- houdt met het etenijnen als iedereen opvlees. In tegenleggen. Ideeën die binnen een bepaalde stelling tot Singer van komt Cliteur in het cultuur zijn ontstaan, zijn daardoor niet debat in Paradi en ook in zijn, overimeteen cultuurgebonden, dus nee, vol- gens vlot leesbaso re, Darwin, dier en recht gens Cliteur hoeft dat niet noodzakelij- niet verder dan een academisch pleikerwijs zo te zijn. Zo mag de zwaarte- dooi en mijdt hij uitspr aken over hoe kracht dan door Isaac Newton zijn mensen in zijn ogen dienen te hande60

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

len. En laat ik die nou net graag gehoord hebben! Tot een soortgelijke conclusie komt overigens ook Arnold Heumakers in NRCHandelsblad van 28 december 2001: "Vooralsnog lijkt Singers ;emedie 0 de meest 'humane'. Wie de wereld wil verbeteren richt immers de minste schade aan door te beginnen waar dat gewoonlijk het zwaarst valt: bij zichzelf." Koos van Zomeren bekeek het in zijn wekelijkse rubriek 'De levende have' zes dagen eerder in deze krant vanuit een andere hoek: "Als mensen rechten krijgen, krijgen ze macht en daarvan kunnen ze zelf gebruik maken. Dat is nu precies waar het bij dieren aan mankeert. Nooit zullen dieren hun eigen zaak bepleiten, voor welk gerechtshof dan ook. Altijd zal er nâmens hen moeten worden opgetreden. Zo bezien hebben de plannen van Cliteur nog het meeste weg van een gigantisch werkverschaffingsproject voor juristen en in hun kielzog biologen." Een spijker op zijn kop! Daarnaast word ik zelf als anarchist niet enthousiast over een Internationaal Gerechtshof voor Dierenrechten, omdat gerechtshoven bij mij dat gevoel een-

voudigweg niet oproepen. Desondanks is enig pragmatisme mij niet vreemd: zolang er gerechtshoven zijn, en veel mensen deze wenselijk achten, is het niet meer dan eerlijk om dieren ook rechten te geven. Simpelweg omdat ook zij kunnen lijden. Zowel Singers ideeën over ethiek als Cliteurs visie op dierenrechten vind ik de moeite van het bespreken waard. Ja logisch, want anders had ik me de moeite van zo'n uitgebreid stuk als hierboven kunnen besparen. Bovenstaande is trouwens een bewerking van twee afzonderlijke artikelen, die eerder verschenen zijn in Ravage en, het eerste deel over Singer, in Buiten de Orde. Na publicatie van beide artikelen kreeg ik een reactie dat ik Cliteur, maar vooral Singer, zeer onkritisch zou benaderen. Tja, het is maar vanuit welk perspectief je dat bekijkt. Ook werd er opgemerkt dat dit soort 'onkritische' artikelen niet gepubliceerd zouden horen te worden in de radicaal-linkse media. In mijn inleiding gaf ik echter aan dat volgens mij 'zelfbeschikking' een van de kernen is van het anarchisme. Daarom: wik, èn beslist zelf!

LITERATUUR Peter Singer, Een ethisch leven; Het Spectrum, Utrecht 2001; ISBN 90 274 0024 5; 25,00 euro. Peter Singer, Darwin voor links; Boom, Amsterdam 2001; ISBN 90 5332 729 0; 11,34 euro. Paul Cliteur, Darwin, dier en recht; Boom, Amsterdam 2001; ISBN 90 5352 728 1; 11,34 euro.

NOGMAALS GLOBAAL In De AS 137 (Globaal) is bij de lijst van medewerkers Donald Pols weggevallen. Zijn bijdrage aan dat nummer is nadien ook verschenen in Buiten de Orde. Op het omslag van De AS 137 is een uit circa 1890 daterende uitkijktoren in Bad Schandau (op de grens van Duitsland en Tsjechië) afgebeeld. Bij helder weer is ook Polen zichtbaar en dus een 'globale' blik op dit deel van Midden-Europa. Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

61

HET ANARCHISTISCHE 'DEBAT' OVER HET ANTISEMITISME' Rudolf de Jong - De Joden zijn de schuld van al onze ellende! - Nee, nee, dat zijn de fietsers. - Waarom de fietsers? - Waarom de Joden? Dit dialoogje maakt elk debat over antisemitisme onder anarchisten overbo dig. Tenminste zo zou het moeten zijn en zo zou het moeten zijn geweest. ik ontleen de dialoog aan een kleine brochure van Max Nomad. Nomad Max Nacht in een joods milieu in Galicië dat toen (voor 1914) tot Oostenwerd geboren als rijk behoorde. Hij speelde een rol in en rond de anarchistische beweging. Later liet hij alle ideolog tingen los en noemde zich een scepticus, hoewel sommigen hem een cynicu ische opvatVerenigde Staten, waar hij tussen de beide wereldoorlogen belandde, s vonden. In de noemde hij zich Nomad (niet gek). Hij was in ieder geval één van de betrekkelijk weinigen die, afkomstig uit het anarchisme, zich bezig hield met het antisemitisme en het antisemitisme onder socialis ten. Debat en discussie over het antisemitisme vind je namelijk nauwelijks, althans heel weinig schiedenis van het anarchisme Mijn beschouwing over het onderwerp anarch , in de geisme, jodendom en antisemitisme wil ik beginnen met enkele omschrijvingen. Wat is het anarchisme? Iedere anarchist heeft - uiteraard zou ik bijna zeggen — zijn eigen definitie. Ik geef de volgende: 'De droom van een samenleving zonder dominantie, gebaseerd op solidariteit met wederkerigheid tussen en respect voor ieders persoonlijkheid, en alle pogingen om deze droom te verwerkelijken.' Wat is een jood? In woordenboeken spreekt men altijd van een gelovige en van een monotheïstische religie. Voor mij is een jood: 'Iedereen die een deel van de joodse cultuur of/en de joodse traditie als een aspect van zijn eigen identiteit ziet.' Ik gebruik hier de woorden 'een deel' en 'aspect'. Dat wil zeggen dat het jood-zijn een heel belangrijk aspect van iemands identiteit kan zijn, er mee kan samenvallen, maar ook een heel klein en vrij onbelangrijk aspect er62

van. Daartussen zijn allerlei variaties en nuances mogelijk, het 'deel' van de joodse cultuur kan bij de één iets anders zijn dan bij de ander. Ik heb ook niet van een godsdienst gesproken. Men kan de godsdienst als een deel van de cultuur en de traditie zie. Het is echter niet noodzakelijk om gelovig te zijn om je joods te voelen. In de werkelijkheid ontmoet men joden die gelovig zijn en vrijdenkers die zich ook jood noemen. In mijn omschrijving passen ook mensen die helemaal niet van joodse afkomst zijn maar zich eenvoudig tot die cultuur aangetrokken voelen. Van iets als ras is in mijn omschrijving uiteraard geen sprake. Verder is mijn omschrijving subjectief: 'jood-zijn' en in welke zin en in welke mate, is iets dat iedereen voor zichzelf

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

moet uitmaken, het is een eigen beslissing van het individu. Ik wil in dit verband Gustav Landauer noemen. Van geboorte Duitser en uit een joodse familie. Hij gaf zijn culturele identiteit als volgt aan. Ik ben jood; ik ben Duitser en ik ben zuid-Duitser. Maar ik ben geen Duitse jood of een joodse Duitser, want in deze twee gevallen zou ik mijn identiteit inperken; een joodse Duitser is een speciaal soort Duitser en dat ben ik niet. Evenmin wil ik een speciaal soort jood, een Duitse jood zijn. jood zijn en Duitser zijn beperken hier elkaar dus niet. Integendeel, men groeit er door, men ontwikkelt zijn persoonlijkheid ermee. En nu het antisemitisme. De woordenboeken zeggen erover: systematische vijandschap tegenover de joden. Dat is waar maar niet de hele waarheid. Er moet nog wat aan toegevoegd worden. In de eerste plaats, het is de antisemiet die bepaalt wie jood is en wat het joodzijn inhoudt. Dat vind je bij voorbeeld al bij Karl Lueger, de voorman van het antisemitisme in Oostenrijk van voor de Eerste Wereldoorlog. Hij leidde een christelijk sociale partij en was burgemeester van Wenen. Van hem is de uitspraak 'Ik bepaal wie jood is.' Hitler die sterk door Luegers antisemitisme is beïnvloed - en de nazi's zeiden en deden ongeveer hetzelfde. De antisemiet berooft hiermee de jood van het recht zijn eigen identiteit te ontwikkelen en te hebben; deze kan niet ontkomen aan zijn lot, een jood te zijn. Verder is het antisemitisme volstrekt irrationeel, met een mengelmoes van vaak tegenstrijdige, argumenten. Godsdienst, ras, cultuur, sociaal-economische argumenten, de joodse 'samenzwering', sinds het bestaan van de staat Israël ook de politiek van dat land. Tenslotte bedient de antisemiet zich van abstracties

en generalisaties die het levende individu ontkennen. Dit alles maakt het antisemitisme per definitie antilibertair. Twee zaken moeten nog worden toegevoegd. Ook al vallen zij niet onder 'systematische vijandschap'. Ten eerste het sociale antisemitisme. Dit accepteert emancipatie en rechtsgelijkheid voor de joden volledig en in alle opzichten, hun recht op eigenheid en op assimilatie en integratie. Toch is er duidelijk sprake van afstand houden: joden worden liever niet toegelaten tot het sociale verkeer, in het verenigingsleven en in de persoonlijke omgang. Een huwelijk met een jood is niet gewenst of zelfs taboe, en dat niet zo zeer wegens verschillen in geloof. Hoe gematigd dit antisemitisme ook is, pijn doet het zeker en des te meer als de jood zich geëmancipeerd weet. De historicus J. Presser kreeg als kind van een klasgenootje te horen dat deze geen vriendschap met een joods jongetje mocht hebben. Voor Presser was dit een "opduvel aan de onbevangenheid" die hij nooit meer zou vergeten.2 De tweede zaak hangt samen met 'gematigde' sociale antisemitisme. Het is het accepteren en respecteren van antisemitisme, ook als men er zelf vrij van is. Het antisemitisme als 'een mening als alle anderen'. Een mooi voorbeeld hiervan geeft Jean Paul Sartre in zijn verhaal 'L'Enfance d'un chef' (opgenomen in de bundel Le Mur). De hoofdpersoon, een jonge fascist, wordt uitgenodigd op een ontvangst bij een vriend. Hier is ook een joodse jongen aanwezig. Hij weigert deze een hand te geven en loopt het huis uit. Later is hij bang dat hem dit kwalijk is genomen. Maar zijn vriend verzekert hem dat dit niet het geval is, want "mijn vader respecteert alle overtuigingen."

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

63

Dan nu de definitie van zionisme: 'Het idee en de praktijk van het scheppen van een eigen joodse samenleving in het bijbelse land Palestina/Israël.' Hierbij kan nog worden aangetekend dat de vader van het zionisme, Theodor Herzl, aanvankelijk niet direct aan het heilige land dacht. In mijn definitie ontbreekt ook het begrip staat. PROUDHON EN BAKOENIN

In 1962 verscheen van de historicus Edmund Silbemer Sozialisten zur Judenfrage. 3 Het is geen opwekkende lectuur. Silberner vond antisemitische passages en soms stinkend antisemitisme bij tal van beroemde socialistische denkers en activisten. Ik noem slechts Charles Fourier, Pierre Leroux, Pierre-Joseph Proudhon, Michael Bakoenin, Karl Marx, Friedrich Engels, Ferdinand Lasalle, Benoit Malon, Auguste Hamon, Sidney en Beatrice Webb. Het zijn namen uit allerlei landen, uit allerlei scholen en richtingen binnen het socialisme, van hervormers en van revolutionairen, van vrijdenkers en gelovigen, van socialisten die van afkomst joods waren en mensen die dat niet waren. Dit antisemitisme van socialisten is in het algemeen ontkend, weggeredeneerd of met de mantel der liefde bedekt door hun bewonderaars en volgelingen. De anarchisten vormen hierop geen uitzondering. Op Proudhon en Bakoenin wil ik wat nader ingaan.4 Je komt een mengelmoes van irrationele kwalificaties tegen bij deze twee aartsvaders van het anarchisme. Soms vormen de joden een natie, dan weer een niet-productieve klasse, vervolgens een volk of een ras. Bij Proudhon zijn het vooral generalisaties over de joden, zo is mijn indruk. Bakoenin gebruikt het jood-zijn vooral als een argument in 64

zijn polemieken. En hij beslist of de tegenstander een jood is, ook al ziet die tegenstander, zoals Marx, zichzelf niet zo. Overigens wijst Bakoenin wel op de positieve kanten die het jood-zijn van zijn tegenstanders zijns inziens met zich mee zou brengen. Marx geleerdheid brengt hij zo in verband met diens joodzijn. Op dit punt wijkt hij dus af van de antisemiet die alleen maar negatieve eigenschappen in de jood wil zien. De meest betreurenswaardige opmerkingen over joden kom je tegen in de geschriften van Proudhon en Bakoenin die tijdens hun leven niet gepubliceerd zijn. In de Carnets van Proudhon, notities en aantekeningen, enigszins dagboekachtig, om later uit te werken. Van Bakoenin is het een polemisch geschrift tegen Moses Hess, dat hij overigens wel had willen publiceren in het Parijse blad Le R'eveil. Dit geschrift uit 1869, een ingezonden stuk dat zoals alles wat Bakoenin schreef uitdijde en de omvang kreeg van een kleine brochure, is gepubliceerd door zijn biograaf en bezorger van veel van Bakoenins geschiften, Max Nettlau. Deze nam het op in het vijfde deel van de Oeuvres (Werken) van Bakoenin dat in 1911 verscheen. In het Duits vindt men de tekst in de Gesammelte Werke, Band III, 1924, van Bakoenin (door Karin Kramer Verlag herdrukt in 1975). Nu was Hess, die tegen Bakoenin had geschreven, ook geen lieverdje. Hij insinueerde onder andere dat Bakoenins ideeën in feite overeen kwamen met die van de regering van de tsaar. Dat is echter geen excuus voor antisemitisme. Hoewel Bakoenin begint met te zeggen dat hij allerminst een vijand van de joden is, meent hij dat hun geschiedenis, al van vóór het christendom, hen een handels- en bourgeoisgeest heeft inge-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

prent, waardoor zij als natie gezien vooral uitbuiters van de arbeid van anderen zijn geworden. "Er zijn maar weinig mensen die openlijk durven uit te spreken dat de joodse sekte vandaag de dag een ware macht in Europa vormt, veel verschrikkelijker dan die van de katholieke en de protestantse jezuïeten. Zij heersen despotisch in de handel, bij de banken en zijn binnengedrongen bij een kwart van de Duitse pers."5 In zijn geschriften tegen Marx komt men voortdurend de uitdrukking 'Duitse jood' tegen en dat is zeer negatief bedoeld. Bakoenin had zelfs het idee om een studie te schrijven over de Duitse joden. Waarbij ik nog kan aantekenen dat de kwalificatie 'Duits' bij Bakoenin ongeveer even vernietigend was als de kwalificatie 'joods'. Nettlau heeft opgemerkt dat Bakoenin dit alles schreef vex5r het revolutionair ontwaken van het joodse proletariaat in oost-Europa, maar Silberner vind dat geen argument; ik ook niet. Nettlau geeft het overigens meer als informatie dan als excuus. Andere verklaringen die wel geuit zijn zoeken het in Bakoenins tijd en in zijn persoonlijke geschiedenis, hij was de zoon van grootgrondbezitters en begon zijn loopbaan in het Russische leger. Zijn land- en tijdgenoten met een vergelijkbare achtergrond, Alexander Herzen, Nicolaï Ogarov en Peter Lavrov, waren geheel vrij van antisemitisme. Alexander Herzen schreef Bakoenin nadat hij diens geschrift tegen Hess gelezen had: "Waarom spreek je van een joods ras?" Ook Peter Kropotkin, evenals Bakoenin een zoon van een adellijke grootgrondbezitter en militair gevormd in het Russische leger, was vrij van anti-joodse vooroordelen en bestreed ze. Wel is het goed om te constateren dat

de mensen in de negentiende eeuw stikten van vooroordelen tegen en generalisaties ten aanzien van volken, naties en godsdiensten. Meer dan nu dacht men in stereotypen. Of moet ik zeggen dat de stereotypen argelozer en gemakkelijker neergeschreven werden? Voortdurend kom je vastgeroeste opvattingen tegen die men gemakkelijk bevestigd zag in de cultuur van de ander en waarbij trouwens zowel negatieve als positieve eigenschappen aan volken werden toegedicht. 'De' Duitsers waren autoritair, maar ook degelijk en ijverig. 'De' Fransen waren oppervlakkig maar ze hadden esprit. Spanjaarden waren lui, maar het waren wel caballero's. Heel sterk leefde het idee dat de Europese (westerse) wereld niet alleen verre superieur was tegenover andere beschavingen, maar ook dat elke vooruitgang elders in de wereld een navolgen van Europa zou moeten zijn. Kortom een Europeanisatie van de wereld. Dit rechtvaardigde ook een neerkijken op andere volken en beschavingen, die per definitie minder waren. Revolutionairen waren bepaald niet vrij van dit superioriteitsgevoel. Na de Commune van Parijs (1871) waren veel veroordeelde conununards naar Nieuw Caledonië (een Franse kolonie in de Pacific) verbannen. De anarchiste Louise Michel was waarschijnlijk de enige die zich solidair voelde en contact zocht met de oorspronkelijke bevolking, de onderdrukte kanaken, en opkwam voor hun rechten. Haar mederevolutionairen toonden vooral dédain voor de 'inboorlingen'. POGROMS

De joodse geschiedenis is vol van pogroms. Ze hadden doorgaans een sociaal-economische achtergrond en een re-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

65

ligieuze 'rechtvaardiging'. De geslaagde aanslag op het leven van tsaar Alexander II in 1881 opende in Rusland (dat toen ook een groot deel van Polen en de Baltische landen omvatte) een tijdperk van onderdrukking van de joden, met vervolgingen en pogroms. Politieke motieven speelden hierbij een hoofdrol; de joden waren de zondebokken en werden de bliksemafleiders tegen een dreigend revolutionair onweer. Dat kon dankzij een bestaand antisemitisch klimaat dat door de kerken (orthodox en rooms katholiek) gevoed werd. Wetgeving en speciale maatregelen troffen de joden zo hard dat hun sociaal-economisch bestaan, dat reeds lang heel moeilijk was, direct bedreigd werd. Men ging spreken van 'Luftmenschen', die slechts van de lucht moesten leven. De joodse cultuur en toegang tot de algemene cultuur met scholen en universiteiten werd voor joden aan allerlei restricties onderworpen. Ook buiten Rusland groeide het antisemitisme en daar ontstonden populistische antisemitische bewegingen die een rol gingen spelen in de politiek en het sociaal-politieke debat. In Oostenrijk (ik noemde Luege,r al) en in Frankrijk hadden deze bewegingen een oppositioneel karakter. Zij zetten zich af tegen de bestaande burgerlijke maatschappij. Zij steunden op sociale groepen die zich bedreigd voelden door het zich snel ontwikkelende kapitalisme, zoals de kleine burgerij en middenstand en ook delen van het proletariaat. Op het antisemitisme, de pogroms en de benarde sociaal-economische situatie werd door de joden op uiteenlopende manieren gereageerd. (1) Emigratie van joden uit oost-Europa naar landen waar zij vrijer konden ademhalen. Tot 1914 kwamen er twee 66

miljoen joden naar de Verenigde Staten en 300.000 naar Engeland. Honderdduizenden anderen gingen naar Argentinië of bleven in west-Europa. Met deze emigratie ontstond een groot en uitzonderlijk arm joods proletariaat in de westerse wereld. (2)Doorgaan met het traditionele leven. Hetzij in Rusland en ondanks alle repressie, hetzij onder nieuwe omstandigheden in het westen na de emigratie. (3) Assimilatie in de bestaande samenleving. (4) De revolutionaire en socialistische bewegingen. (5)Het zionisme. De grote meerderheid in oost-Europa kon niet veel anders dan het tweede doen; de derde weg werd vooral door de rijkere en burgerlijke joden gezocht. De vierde mogelijkheid is natuurlijk voor het anarchisme de meest interessante geweest. JIDDISCHE ANARCHISTEN

Het is beter te spreken van een Jiddische beweging dan van een joodse, en beter van bewegingen dan van beweging. In de grote tijd van de revolutionaire bewegingen aan het eind van de negentiende eeuw en tot 1914 waren joden actief - dat wil hier zeggen revolutionairen van joodse afkomst, want zelf zagen zij zich doorgaans niet als joden maar als vrijdenkers en revolutionairen. Zij voelden zich geassimileerd, niet aan de bestaande maatschappelijke orde, maar aan de nieuwe wereld die nog gevestigd moest worden en waarvan de revolutionaire bewegingen de voorafspiegeling waren. De bevrijding der arbeiders zou ook de bevrijding van de joden en van de hele mensheid met zich meebrengen. Deze 'joodse' revolutionairen waren ac-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

tief als marxisten, als anarchisten, als sociaal-revolutionairen en zij waren het in Rusland en Polen, in de OostenrijksHongaarse dubbelmonarchie, in westEuropa, in de Verenigde Staten en in Argentinië. Na de Eerste Wereldoorlog is hier geen verandering in gekomen, al veranderden de bewegingen wel en kwamen de communisten erbij. Een zeer groot deel van de vrijwilligers in de Internationale Brigades tijdens de Spaanse burgeroorlog was zo van joodse komaf; men spreekt zelfs van dertig procent. De bekendste joodse marxistische organisatie is de Pools-Russische 'Bund' geweest; de bekendste namen - na Marx zelf - van marxisten van joodse komaf zijn ongetwijfeld Karl Kautsky, Rosa Luxemburg en Leon Trotsky. Emma Goldman en Alexander Berkman nemen een zelfde plaats in bij het anarchisme, samen met Gustav Landauer en Erich Mühsam. Eén aspect van de relatie anarchisme en Duits-Jiddisch jodendom behandel ik hier niet. En wel de vraag in hoeverre het joodse denkers uit deze taalgebieden vanuit de joodse traditie een gedachtegoed ontwikkelden dat verwantschap vertoonde met het anarchisme. Deze voor de ideeëngeschiedenis zo interessante vraag is het onderwerp van de studie van Michael Löwy, Rédemption et Utopie.6 Engeland, de Verenigde Staten en Argentinië hebben bloeiende Jiddische libertaire bewegingen gekend die een indrukwekkende literatuur hebben voortgebracht. En ook over deze bewegingen zijn wij goed geïnformeerd. Over de Jiddische in het Londense East End schreef William Fishman en vinden wij levendige beschrijvingen in de memoires van Rudolf Rocker en van zijn zoon

Fermin. In de gedenkschriften van Emma Goldman en in de vele studies van Paul Avrich over het Amerikaanse anarchisme vind je prachtige portretten van een indrukwekkend aantal militanten van joodse komaf? Rudolf Rocker - van geboorte Duitser maar niet joods - was tot aan 1914 gedurende twintig jaar de ziel van de Jiddische beweging in Londen. Toen hij voor het eerst hoorde van een joodse anarchistengroep (hij woonde toen nog in Parijs) was zijn eerste reactie: Waarom een joodse anarchistische beweging, we hebben toch ook geen katholieke of protestantse libertaire beweging? Snel zag hij in dat het hier ging om anarchisten met een eigen cultuur en traditie. Een Jiddische beweging had evenveel bestaansrecht als de Duitse of de Franse. In Londen leerde Rocker Jiddisch. Hij werd redacteur van het orgaan Arbaiterfraind. Hij was spreker, organisator, stakingsleider, inspirator. De Jiddische beweging was naar alle kanten open, soli- dair met niet-joodse en niet-anarchistische arbeiders, onder andere bij grote stakingsacties. Open ook naar gelovige joden die respect kregen voor de anarchisten. Iedereen was welkom in de dub van de beweging, hetgeen offers met zich meebracht (een besloten club had financiële voordelen in het Engeland van die dagen). Tot de bezoekers hoorde onder anderen Lenin. In de Verenigde Staten bevond de Jiddische beweging zich niet in een bijzondere positie. Anarchisten afkomstig uit allerlei landen - Italië, Spanje, Duitsland - hadden hun organen in de taal van hun land van oorsprong, hun organisaties, clubs en kringen. Gezamenlijk vormden zij met de van huis uit Engels sprekenden het totaal van de beweging.

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

67

"Er waren ook joodse anarchisten, die, behalve door hun gemeenschappelijk beleden politieke overtuiging, verenigd waren door hun taal en traditie." 8 Hetzelfde kan gezegd worden van Italianen en Spanjaarden. Er zijn in de Verenigde Staten meer dan twintig Jiddische anarchistische periodieken geweest. Het hoofdorgaan Fraye Arbaiter Shtimme heeft het bijna honderd jaar volgehouden. De ontwikkeling van de Jiddische beweging is ook niet anders geweest dan die van andere talen en culturen. De oude militanten integreerden steeds verder in de Amerikaanse samenleving. De jongere generaties voltooiden de Amerikanisering, behielden vaak een zekere sympathie voor de ideeën van hun ouders maar spraken hun taal niet meer en werden niet actief in de oude beweging. Hun assimilatie was voltooid. POPULISTEN EN REVOLUTIONAIREN

De emancipatie van de joden voor de wet en in de staat is een product van de Franse revolutie (welke na die revolutie echter op veel plaatsen werd teruggedraaid en in de loop der negentiende eeuw heroverd moest worden). De emancipatie opende in theorie de weg naar assimilatie en integratie. Deze begrippen dekken elkaar niet. Assimilatie is het geheel opgaan in de andere cultuur. Hier dus het opgeven van de joodse identiteit. Voor mijn onderwerp is het onderscheid van minder belang. In de praktijk zijn assimilatie en integratie slechts mogelijk als men geaccepteerd wordt als gelijke en gelijkwaardige medeburger in de nationale gemeenschap. Dat hangt dus af van de anderen, van de niet-joden. En bij die anderen zaten antisemieten die de joden het recht ontzegden hun eigen identiteit te 68

vormen, te ontwikkelen en te veranderen. Zoals hierboven al werd aangeduid, ontstond aan het eind van de negentiende eeuw een nieuwe vorm van antisemitisme in verschillende landen in Europa. Het uitte zich niet alleen in kerkelijk-godsdienstige vorm. Ook een bekeerde of geassimileerde jood bleef een jood. Dit antisemitisme organiseerde zich met periodieken, organisaties en politieke partijen en deed een appèl op de hele (niet-joodse) bevolking - ook op de arbeiders - met een sociaal program. Het richtte zich tegen het politieke establishment en was bepaald niet vies van populistische demagogie. Vergelijkingen met Haider en Le Pen, die zich tegen asielzoekers en economische immigranten richten, dringen zich op. Voor de socialisten van allerlei richtingen waren deze antisemitische bewegingen niet alleen een vijand maar ook een concurrent waarvoor men bang was. Aan de Duitse socialistische voorman August Bebel wordt wel de uitspraak toegeschreven: "Het antisemitisme is het socialisme van de domme kerels." Interessant aan deze opmerking zijn niet alleen de woorden 'domme kerels' maar ook, en nog meer, het woord 'socialisme'. In een brief aan Friedrich Engels uit 1884 schrijft Karl Kautsky dat de antisemieten de gevaarlijkste tegenstanders zijn geworden (van de Oostenrijkse socialisten). Hij schrijft ook: "Het kost ons moeite om te verhinderen dat onze eigen mensen zich met de antisemieten verbroederen:8 'Verbroederen' Dat is het antisemitisme in de rijen van de socialisten. Inderdaad bestond er een minderheid onder socialistische en anarchistische militanten die een positieve waardering voor

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

het antisemitisme hadden en zelfs voor de Russische pogroms. Onder de Narodniki, de zeer idealistische Russische revolutionaire beweging die zeer bewonderd werd door libertairen en andere revolutionairen in West-Europa, vond men heel wat antisemieten. En dat terwijl er bij de Narodniki en bij latere Russische revolutionaire bewegingen veel joden actief waren. Voor sommigen van hen was dit antisemitisme dan ook een traumatische ervaring. Tot de beruchtste pogroms in Rusland behoort die in Kisjinew (de huidige hoofdstad van Moldavië) in 1903. Hierbij werden 49 joden vermoord, vijfhonderd gewond en 2000 gezinnen dakloos.. Zoals altijd waren vooral de arme mensen het slachtoffer. De internationale verontwaardiging was groot. Sommige revolutionairen zagen in de aanval op de joden en hun huizen echter het begin van een algemene onteigening van de bezitters. Al veel eerder had August Bebel naar aanleiding van de antijoodse hetze in Duitsland geschreven dat hij weliswaar principieel tegen rassenhaat was maar dat de hetze wees op sociale ontevredenheid die uiteindelijk het socialisme ten goede zou komen.1° Overigens werd in kringen van de onderdrukkende antisemitische regering van de tsaar wel een overeenkomstige redenering gevolgd; daar was men bezorgd dat de door de autoriteiten getolereerde en aangemoedigde, maar ongecontroleerde, antisemitische menigte zich ook wel eens tegen het gezag zelf zou kunnen keren. Nettlau vertelt - ik ben vergeten waar de volgende persoonlijke herinnering naar aanleiding van pogroms in 1906 in Odessa, de havenstad waar een jaar eerder met grote moeite de revolutionaire opstand was onderdrukt waaraan de

muiterij van de kruiser Potemkin is verbonden. Wandelend met een Russische revolutionair zei Nettlau dat hij verbaasd was over het feit dat de revolutionairen in Odessa die in 1905 zo heldhaftig gestreden hadden niet in staat waren de antisemieten tegen te houden. "Maar het zijn dezelfde mensen", antwoordde de Rus. "Deze vijf woorden" schrijft Nettlau - "leerden mij meer dan een bibliotheek vol boeken." 'Men begint met antisemiet te zijn en men eindigt ermee socialist te worden.' Dat was ongeveer de redenering en de hoopvolle verwachting van een aantal militanten. Onder de Franse libertairen die zo dachten bevonden zich Emile Janvion en Emile Pataut. De laatste, vooral als syndicalist actief, zou zelfs wel voor enige samenwerking gevoeld hebben met de antisemitische beweging; hij sprak eens op een antisemitische bijeenkomst. Onder de politieke prenten die in de Franse libertaire pers gepubliceerd werden - en zij waren afkomstig van de grootsten uit de kunstenaarswereld van die dagen - vind je er met een duidelijk antisemitische strekking en tekst. Ik noem met name de tekenaar Willette, die later fel patriottisch zou worden. Verder verwijs ik naar het artikel van Dick Gevers 'Antisemitisme en de vroege anarchistische beweging in Frankrijk' in het Israëlnummer van De AS 97 (1992). Gevers vermeldt de tekst bij een prent in Les Temps Nouveaux - "De jood is van een ander ras en de vijand van het onze" - het over het algemeen zo kalme orgaan van Jean Grave. Edouard Drumont, auteur van het in de negentiende eeuw in Frankrijk meest verspreide boek, het fel antisemitische La France juive (1886), was met zijn blad Le libre Parole (Het vrije woord) de jour-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

69

nalistiek talentvolle woordvoerder van de Franse antisemieten. Zijn invloed was groot en werkte door in het Franse fascisme tussen de beide wereldoorlogen en tijdens de laatste. Anarchisten kwamen wel in persoonlijk contact met hem in de Parijse gevangenis 'La Santé' waar velen om politieke redenen een tijdje doorbrachten en onderling vrij konden discussiëren. Evenals Lueger verbond hij rechtse en linkse thema's in zijn strijd tegen de Franse republiek en tegen de joden. De grote meerderheid van de Franse militanten met figuren als Elisée Reclus en Sebastien Faure waren sterk gekant tegen het antisemitisme. Faure was misschien wel de belangrijkste organisator in de actie ten gunste van de ten onrechte gedegradeerde en veroordeelde legerkapitein Alfred Dreyfuss. Aan de Dreyfussaffaire, waarin antisemitisme zo'n grote rol speelde, die links en rechts in Frankrijk keihard tegenover elkaar plaatste en in heel Europa beroering wekte, is de naam Emile Zola voor altijd verbonden. De eerste die voor Dreyfuss in het krijt trad was echter een anarchist, althans iemand die heel dicht bij het anarchisme stond, Bernard Lazare. Hij was van geassimileerd joodsburgerlijke huize en is later zionist geworden zonder overigens zijn libertaire ideeën prijs te geven. Veel socialisten en anarchisten hadden aanvankelijk geaarzeld om in het krijt te treden voor een bourgeois, bovendien militarist, als Dreyfuss. Faure werd echter gevolgd door Jean Grave en Emile Pouget die de meest toonaangevende anarchistische kranten uitgaven. Vooraanstaande parlementaire socialisten als Jules Guesde, Auguste Vaillant en zelfs Jean Jaurès volgden Faure pas later. Vermeldenswaardig is 70

wel dat veel revolutionairen die wel of wel eens denigrerend over joden schreven, zich keerden tegen vervolgingen van joden. Al met al blijft het antisemitisme een pijnlijk thema in ook de anarchistische geschiedenis, in het bijzonder de Franse, die zo'n vooraanstaande plaats innam in de anarchistische wereld. ZIONISME

Zoals men weet is het zionisme geboren tijdens de Dreyfussaffaire. Herzl was getuige van diens publieke degradatie. Het zionisme is in eerste instantie een product van het antisemitisme. De eerste zionisten, Herzl en ook Lazare, kwamen uit gegoede milieus en waren overtuigde assimilanten. De les die zij trokken uit het antisemitisme en de Dreyfusszaak was duidelijk: assimilatie is niet mogelijk, daarvoor is het antisemitisme te sterk. Hun conclusie: een eigen nationaal tehuis voor de joden, de nationale bevrijding. Nationale bevrijding, dat is niet de sociale bevrijding. Integendeel. Het anarchisme had als idee in belangrijke mate vorm gekregen door het afwijzen van nationale bevrijding, zoals die in Italië vorm had gekregen en gepropageerd was door revolutionaire idealisten als Garibaldi en Mazzini tegen wie vooral Bakoenin, maar ook Proudhon, gepolemiseerd hadden (een polemiek die overigens hoogstaander was dan veel wat Bakoenin tegen de persoon Marx schreef). We kunnen dan ook geen grote waardering voor het zionisme verwachten in anarchistische kringen en naar ik veronderstel ook niet zoveel aandacht. Ik heb er de anarchistische pers echter niet op doorgekeken. Toch vond ik twee interessante teksten uit de beginperiode

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

van het zionisme. Ten eerste het rap- tionaire landen. In Frankrijk is het een port Sionisme et antsémitisme, geschre- product van de reactionaire periode die ven voor het internationale anarchisti- achter ons ligt. (Ik vind deze verklasche congres in Parijs in 1900. Ten ringsgronden wel een beetje mager!) tweede het opus magnum van Elisée Overigens moet men het antisemitisme niet overdrijven, meent het rapport. Redus, L'Homme et la Terre.11 Het congres van 1900 werd door de au- Het oordeel over het zionisme is negatoriteiten verboden. In het geheim von- tief. Het is "zoal geen lafheid, dan toch den wel een aantal bijeenkomsten een zwakheid." De emigratie van de joplaats. De rapporten die waren opge- den vermindert het revolutionaire posteld zijn gepubliceerd in het tijdschrift tentieel. Een kapitalistisch zionisme verL'Humanité Nouvelle en zij verschenen dient geen ondersteuning. Een poging tot een (anarchistisch) communistisch ook in brochurevorm. Het rapport over antisemitisme en zio- zionisme zal een mislukking worden. nisme wil geen poging doen het antise- (Ook dit waren opvattingen die in veel mitisme te bestrijden want dat is im- bredere socialistische kring leefden.) mers elders al afdoende gedaan. Het Tot zover dit rapport van acht pagina's. opent met twee vragen: "Kan een socialist, een anarchist logischerwijze antiseRECLUS miet zijn? Kunnen zij zich zelfs verbinden met een antisemitische beweging in Eén van de mooiste en rijpste geschrifde hoop die beweging om te buigen ten van het anarchisme, zo luidde het van zijn primitieve doel naar een resul- oordeel van Max Nettlau, die een biotaat dat meer in overeenstemming is grafie over Elysée Reclus schreef, over met onze doelstellingen?" diens monumentale L'Homme et la Terre Het antwoord van de opstellers van het (De mens en de aarde). Het verscheen rapport is een vierkant neen. En wel om postuum en werd in het Spaans en het een tactische reden (die mij overigens Italiaans vertaald. Reclus was anarchist vrij principieel voorkomt) en om een en aardrijkskundige (in deze volgorde, principiële reden. De tactische reden is zoals hij zelf placht te zeggen). Hij pudat men een minderwaardige sociale bliceerde onder meer een Géographie moraal zou accepteren en er mee zou Universelle in achttien delen, waaraan optrekken. Voorop staan echter de ook Kropotkin meewerkte. L'Homme et overwegingen uit hoofde van beginse- la Terre is echter eerder een sociaal-ecolen: "Wij zouden aan waardigheid ver- nomisch geschiedwerk dan een aardliezen." rijkskundige studie. Het omvat de hele Het rapport geeft een uitvoerige verkla- geschiedenis van de mensheid en bering van het antisemitisme die niet zo trekt daar de geografische en demograveel verschilt van de verklaringen van fische factoren bij. marxistische auteurs. De middenklasse, Redus spreekt op meerdere plaatsen van welke men 'terecht' veronderstelt over de joden. In het vijfde deel is een dat zij zal verdwijnen, zoekt een zonde- foto opgenomen van de pogrom in Kisbok voor haar economische en sociale jinew en een overzichtskaart met de talproblemen en vindt de jood. Het antise- rijke plaatsen in Rusland waar pogroms mitisme is het sterkst in de meest reac- hadden plaatsgevonden. Reclus ontkent Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

71

het bestaan van een joods ras. Een jood uit Duitsland verschilt te veel van een Portugese jood. Toch gebruikt hij het woord ras een enkele maal als hij over joden schrijft. De joden "vormen wel in zeker opzicht een natie want zij zijn zich bewust van een collectief verleden van vreugde en lijden; zij bezitten een aantal identieke tradities en het geloof - dat min of meer een illusie is - aan een gemeenschappelijke afkomst." Overigens onderschrijft Reclus de stelling dat het getto de jood gemaakt heeft, al bedoelt hij waarschijnlijk dat de joden zich daardoor niet konden integreren en dus joods bleven. "Als de tralies van deze vervloekte plaats (het getto) open gaan, heeft men hen al voor meer dan de helft van hun jood zijn ontdaan." Ook voor hem is de joodse kwestie viS5r alles een economische zaak en hij verwacht een geleidelijke assimilatie. Zelfs de joden in Rusland, "hoewel openlijk en wreed vervolgd, russificeren zich toch." Redus is één van de, naar ik denk zeer weinige, anarchisten van zijn tijd die met een zekere sympathie over de zionisten schrijft. "Terwijl de grote massa van de Israëlieten zich er mee tevreden stelt zich zo goed mogelijk te schikken naar de omstandigheden en rekent op de twee grote herstellers van onrechtvaardigheid 'geduld en het verloop van de tijd', terwijl sommigen, die onweerlegbaar afstammen van bankiers en rabijnen, trachten laaghartig op te gaan in de wereld van de christenen en proberen hun afkomst te vergeten, zijn er anderen, die uit veel beter hout gesneden zijn. Zij blijven trots op hun verleden, spreken zich uit over hun jood-zijn, houden vast aan hun legendes en beroepen zich nog, zelfs als zij het geloof 72

opgegeven hebben, op de oude godsdienst. Tal van deze laatste joden, die te eng patriottisch denken om zich solidair te voelen met anderen dan mensen van hun eigen ras, hebben zelf gedroomd en gedacht aan het in leven roepen van een echt materieel vaderland, met eigen wetten en grenzen. Welnu, welk ander land dan judea, het 'beloofde land', zou het vaderland van de joden kunnen worden."12 De zionistische nederzettingen - in de tijd van Redus waren deze op één na allemaal gebaseerd op het particuliere eigendom - achtte hij een economisch en sociaal experiment van het hoogste belang. Zij konden het bewijs leveren dat joden net zo goed als andere volken in staat zijn land te bewerken, hetgeen de antisemieten ontkenden. Bij zijn behandeling van het bijbelse Palestina had hij er al op gewezen dat de joden van oorsprong een herdersvolk zijn en geen volk van de handel en het geldwezen. Ik heb vrij veel aandacht aan het rapport van 1900 en aan het werk van Redus besteed omdat het mij voorkomt dat deze geschriften redelijk representatief zijn voor de opvattingen van de meeste anarchisten over de joodse kwestie en het antisemitisme. Wat de waardering voor het zionisme betreft zullen de meeste van hen dichter bij het rapport dan bij Reclus hebben gestaan. Dit alles geldt vooral voor de periode vóór de Eerste Wereldoorlog. Maar ook nadien zal er in anarchistische kring lange tijd niet veel anders over gedacht zijn. Resumerend laat zich het volgende zeggen. (1) Als beweging en als idee verwerpt het anarchisme het antisemitisme maar vooroordelen en vooral antisemitische

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

opmerkingen zijn helaas niet afwezig in de historische anarchistische publiciteit. (2)In het algemeen hebben de anarchisten het gevaar van het antisemitisme in de strijd voor een vrijere samenleving onderschat. Er was geen speciale propaganda die zich richtte tegen het antisemitisme, zoals er wel speciale strijd werd gevoerd - met organisaties en organen - tegen religie, militarisme of alcoholisme. (3)De anarchisten zagen het antisemitisme als een product van obscurantisme (van kerken, het klerikalisme en van autoritaire regimes) en van het kapitalisme (de joden als zondebok bij de door kapitalistische ontwikkelingen in het nauw gebrachte middenstanders en boeren). (4)Het zionisme werd als een nationale strijd gezien; het anarchisme bepleitte sociale strijd en verwierp nationale. (5) Er was weinig aandacht voor een systematische strijd tegen vooroordelen. Wel streed men voor 'verheffing', wat strijd tegen geloof en godsdienstige en sociale vooroordelen meebracht. (6)Het sociale antisemitisme - het houden van een zekere afstand tot de joden in de persoonlijke omgang en in het maatschappelijk verkeer - werd als verschijnsel in het algemeen over het hoofd gezien. Deze vorm van antisemitisme was echter vooral virulent onder de burgerij, al ontbrak het onder arbeiders, socialisten en anarchisten niet altijd.

cisme was opgekomen. In Italië was het vrij van antisemitisme; onder Duitse druk zou het dit land tenslotte toch bereiken. In Frankrijk was dat anders, zoals wij hierboven al zagen. Het fascisme, dat hier al vóór de Eerste Wereldoorlog en voordat het woord bestond wortel had geschoten, sloot naadloos aan bij het antisemitisme van Drumont c.s. De vraag - al valt die enigszins buiten het kader van mijn artikel - mag gesteld worden in hoeverre er sprake is van overeenkomstige elementen in het beginnend fascisme en het anarchisme. Ik verwijs naar de studie- en documentatiemap Anarchisme en fascisme uit 1991, uitgegeven door het Documentatiecentrum Vrij Socialisme en meer in het bijzonder naar de bijdrage van Honune Wedman hierin, 'Grensverkeer: fascisme als amalgaam van rechts en links' die onder meer publicaties van Zeev Sternhell bespreekt. De strijd tegen het antisemitisme in de libertaire beweging bleef - zoals vóór 1914 - een aspect van de algemene strijd voor een vrije samenleving. In de pers was er aandacht en solidariteit voor de slachtoffers van het antisemitisme op dezelfde wijze als er aandacht werd besteed aan andere slachtoffers van vervolgingen en van vooroordelen. Kortom, strijd tegen antisemitisme bleef een onderdeel van de strijd tegen reactie en obscurantisme. Wel kwam er in het algemeen meer aandacht voor de psychoFASCISME EN NAZISME logische aspecten van vooroordelen. Na de Eerste Wereldoorlog waren het Zeker in Nederland. tsarisme en het Oostenrijk-Hongarije Rudolf Rocker voltooide zijn veel omvan de keizer verdwenen. Het antisemi- vattende magnum opus Nationalis en tisme onder de bevolkingen was geble- Cultuur juist voordat Hitler in 1933meaan ven. In Polen zouden de joden op den de macht kwam. (Het verscheen voor duur aan steeds fellere anti-joodse re- het eerst in 1937, in Engelse vertaling. gels onderworpen worden. En het fas- De schrijver gaat tamelijk uitvoerig in) Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

73

op allerlei rassentheorieën en geeft zich veel moeite die te bestrijden. Het antisemitisme wordt slechts en passant behandeld. Van Emma Goldman zag ik eens een artikel waarin zij het goed recht verdedigde van joden om zich in Palestina te vestigen. Hitlers jodenhaat en rassenwaan - een terugval in een barbarisme dat men dacht overwonnen te hebben in de beschaafde Europese wereld - maakte een verbijsterende indruk en was van meet af aan een centraal punt in de strijd tegen het nazisme. Maar dat geldt natuurlijk voor alle antifascisten. Tot de anarchistische slachtoffers van het eerste uur behoorde Erich Mühsam. Na een gruwelijke lijdensweg in de concentratiekampen werd hij vermoord. Als jood, anarchist en satiricus verenigde hij alles in zich wat zijn beulen haatte. Hitler, de vernietiging van het jodendom en in het algemeen het totalitarisme zoals dat zich in de twintigste eeuw ontwikkelde, hadden vóór alles een nieuwe bezinning op het eigen anarchisme ten gevolge. Het vooruitgangsoptimisme, het geloof in een spoedig te komen lichtende toekomst, de hoop en de toekomstverwachting van het 'morgen de revolutie', dat alles verdween. Althans bij de meer lucide geesten. En dat al vöôr de Tweede Wereldoorlog. Bijvoorbeeld bij Rudolf Rocker en Max Nettlau. In Nederland bij Anton Constandse. Een pijnlijke herwaardering voor de burgerlijke democratie, die althans een aantal vrijheden en mogelijkheden bevatte, kwam er voor in de plaats; niet als einddoel, wel als uitgangspositie in de strijd om een vrijere en socialere gemeenschap. Daarnaast bleef uiteraard ook de anarchistische orthodoxie bestaan. Deze verwierp even hard het nazisme, maar 74

maakte geen of weinig onderscheid tussen het regime van Hitler en burgerlijkkapitalistische regimes. In Nederland zou dit zelfs aanleiding geven tot een echt debat - beter nog een polemiek over het antisemitisme. Het is tijd om in het kort iets over Nederland te zeggen. Nederland. Een reputatie van verdraagzaamheid. Vrijheid van geweten sedert de strijd tegen Spanje. Emancipatie van katholieken en joden sedert de Franse revolutie. En toch ervaringen, zoals die van Presser welke ik hierboven vermeldde. Van openlijk antisemitisme is (behalve misschien bij kinderen) in Nederland weinig sprake geweest, zeker in vergelijking met andere landen. Van een verborgen en sociaal antisemitisme beslist wel. Ook in de arbeidersbeweging? Nederland kende van oudsher een een zeer arm joods proletariaat. Dennis Bos, wiens boek over de Ware Volksvrienden ik nog niet gelezen heb, moet daarin melding maken van een joodse groep in de tijd dat Domela Nieuwenhuis nog sociaal-democraat was. Deze groep werd niet echt geaccepteerd. Domela zelf had een neef die antisemiet was en met wie hij opgewekt correspondeerde, maar "ten aanzien van antisemitisme zwijgt de brief wisseling."13 Tegenover katholieken stond Domela wantrouwiger dan tegenover joden. Dit was in Nederland overigens geen ongewoon verschijnsel. Kameraden van joodse afkomst aanvaardde Domela trouwens de hele beweging - volledig. Met Alexander Cohen was hij goed bevriend en bleef dat nadat Cohen gekozen had voor het (Franse) nationalisme. Hynan Croiset verving Domela wel eens als redacteur van diens Vrije Socialist. Anderen van joodse afkomst die

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

een rol speelde in de libertaire beweging waren A.B. Soep en Sam W. Coltof. De laatste was een voorbeeld van de joodse antisemiet. In de biografie van Salvador Bloemgarten over Henri Polak - de zeer anti-anarchistische voorman van de ANDB - vond ik eenmaal de naam van een anarchist die zich aan een antisemitische opmerking tegen Polak had bezondigd: Coltof. Al waren er joden onder de anarchisten, het joodse proletariaat was sociaaldemocratisch; de ANDB de modelvakbond van de sociaal-democraten. Het was een open organisatie maar de diamantbewerkers waren in overgrote meerderheid joods. Zij kregen dat wel eens te horen. Bij voorbeeld als men hen verweet dat zij - als socialisten en ANDB-ers - niet joods waren en zich toch joods gedroegen. Ook onder anarchisten zal dit verwijt wel gehoord zijn. Het betekent in feite dat men hun recht om een eigen invulling te geven aan hun socialistische èn aan hun joodse identiteit niet volledig erkende. In romans van de christenanarchist Felix Ortt die spelen in een anarchistische commune, is de bad guy een jood die wel erg beantwoord aan het stereotype beeld van de antisemieten. Vanaf 1933 voerde de libertaire pers fel campagne tegen nazisme en antisemitisme. De erepalm wordt wellicht weggedragen door de vrijdenkersvereniging De Dageraad waarin overigens veel anarchisten een actieve rol speelden. Treurig was dat De Vrije Socialist onder Gerhard Rijnders in de jaren dertig - de jodenvervolgingen in Duitsland zijn dan een feit - enkele artikelen opnam die ik ronduit antisemitisch vind. "De joden moesten van het onbaatzuchtige socialisme der anarchisten niets hebben", lezen we in het nummer van 16

mei 1934 in een artikel met de op zich al omineuze titel 'Nieuwe hongerigen rukken op' (dit sloeg op de joodse vluchtelingen). Het gevolg was een felle polemiek van onder andere De Syndicalist en De Arbeider tegen De Vrije. Sommige medewerkers weigerden nog langer in het blad te schrijven. Maar Rijnders kreeg ook bijval en in latere jaren treffen we gelijksoortige geluiden in zijn blad aan, onder anderen van Piet Kooijman. In de bezettingstijd was Rijnders wel duidelijk in zijn afkeer van rassenhaat. Ruud Uittenhout die in de boven genoemde documentatiemap Anarchisme en Fascisme een evenwichtige bijdrage leverde, getiteld 'Gerhard Rijnders: Antisemiet?', komt tot een conclusie, die ik onderschrijf: "Bij Rijnders is geen sprake van regelrechte jodenhaat, maar veeleer van het klakkeloos toedichten van bepaalde eigenschappen aan bepaalde 'rassen en volksgroepen'." Ook na de Tweede Wereldoorlog stonden er passages in De Vrije Socialist waarop de woorden van Uittenhout van toepassing zijn. ISRAËL EN PALESTINA

Tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden een aantal anarchisten partij gekozen. Dat was hen door de meeste geestverwanten niet in dank afgenomen. In de Tweede Wereldoorlog lag het andersom. De meeste anarchisten kozen partij, tegen het nazisme. De onmenselijkheid van het antisemitisme speelde daarbij een belangrijke rol. Piet Fijlstra, een Nederlandse anarchist die jarenlang administrateur van De Wapens Neder was geweest, zei tijdens de oorlog - dus voordat hij nog van de vernietigingskampen wist - "Ik heb altijd tegen Churchill en Stalin gestreden. Maar wat de

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

75

joden aangedaan wordt, is zo erg dat ik nu aan hun kant sta." Het betekende ook een veranderde houding tegenover het zionisme. De opvatting dat het zionisme de joodse arbeiders van revolutionaire strijd vervreemdde maakte plaats voor het besef dat de revolutionaire strijd de uitroeiing van de joden niet had voorkomen. En men was, zoals vrijwel alle progressieve mensen, gelukkig met de proclamatie van de staat Israël en haar vermogen om zich staande te houden. Deze sympathie was v6I5r alles humanitair. De zo vervolgde joden hadden eindelijk een land waar zij konden leven zonder angst voor nieuwe vervolgingen door de staat of discriminatie door hun directe omgeving. Orthodoxe anarchisten stonden vrij onverschillig tegenover Israël, een staat als alle anderen. Tot de bewonderaars van Israël behoorde Augustin Souchy, de anarchistische globetrotter en revolutietrotter. (Hij bezocht Rusland kort na de revolutie; maakte de Spaanse mee van de eerste tot de laatste dag; was in Cuba in het begin van de jaren zestig en reisde, 83 jaar oud en bijna blind, door Portugal een jaar na de Anjerrevolutie.) In 1951 en 1952 was hij vier maanden in Israël en publiceerde er een boek over, El naam Israel, vol sympathie over de kibboetsen. Souchy was helaas geen diepgravende auteur. Na de zesdaagse oorlog in 1967, waarbij de Westbank en de Gazastrook door Israël bezet werden en bezet bleven, is de houding van veel mensen, behorend tot jongere generaties van 'links' tegenover de joodse staat en het zionisme verschoven. Zij kozen partij voor de PLO, de Palestijnse bevrijdingsorganisatie, en deden dat vrij kritiekloos. Er werden daarbij antisemitische geluiden gehoord 76

in die zin dat 'de' joden werden geïdentificeerd met het zionisme en Israël. Zionisme kreeg etiketten opgeplakt als imperialistisch, fascistisch en erger. Het bestaansrecht van Israël werd ontkend. Ook in de anarchistische pers kwam men dergelijke opvattingen tegen. Zonder dat men zocht naar een eigen libertaire bijdrage ten aanzien van het conflid. Ik heb dat laatste wel geprobeerd met een artikel 'Arafat in Jeruzalem?' in het al genoemde Israëlnurnmer van dit blad. Nu, na tien jaar, wil ik er nog enige hoofdpunten uit memoreren en aanvullen. Het probleem is niet dat Israël zionistisch is, maar dat het dit steeds minder is geworden. Het zionisme wilde een joods volk met een eigen land, men wilde een gewoon volk worden 'zoals alle andere volkeren'. Steeds sterker is men echter gaan denken in termen als het 'het uitverkoren volk' dat recht had op het 'beloofde land'. Eens was het zionisme een antwoord van de joodse 'Luftmenschen' op de pogroms en de rechteloosheid. Vandaag wordt Israël geleid door een man die verantwoordelijk was voor pogroms (in de vluchtelingenkampen in Libanon) en worden de Palestijnen tot rechteloze 'Luftmenschen' gemaakt. De PLO is geen terroristische organisatie. Evenmin een nationale bevrijdingsbeweging. De PLO heeft zich altijd als een staat, een staat in wording, gedragen en is veelal als een staat in ballingschap geaccepteerd. Een bevrijdingsbeweging richt zich wel tegen overheersing door een ander land, maar wil dat land zelf niet bedreigen, zal het bestaansrecht van de koloniserende staat niet ontkennen; integendeel. Arafat en de zijnen hebben altijd alle heil en red-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

ding van buiten verwacht, van anderen, van staten. Tot aan de eerste intifada, die in 1992 nog aan de gang was. Dit was een strijd van de Palestijnen zelf, niet van de PLO als organisatie buiten Palestina, en deze strijd bedreigde het voortbestaan van Israël absoluut niet. Het was de strijd van het bijna ongewapende volk, niet van een staat. Met de Oslo-akkoorden is de Palestijnse staat naar Palestina gekomen, ook al is die staat nog steeds niet formeel uitgeroepen. Na de aanval op het hoofdkwartier van Arafat in Ramallah zag ik er een plattegrondje van. Het hoofdkwartier omvatte, behalve een kantoor, een kazerne, een gevangenis en gebouwen voor militaire inlichtingendienst en de veiligheidspolitie. Wat heb je nog meer nodig om een staat te zijn? Zelfhandhaving en opnieuw alles verwachten van de internationale machtsverhoudingen bleef de politiek van Arafat. Een werkelijke vredespolitiek ontbrak aan beide kanten en ontbreekt nu meer dan ooit. Anders dan de eerste intifada richt de tweede zich wel tegen het voortbestaan van de Israëlische staat. Het godsdienstig fanatisme dat er mede de grondslag van is verwerp ik volledig. De aansla-

gen treffen, veel meer dan de eerste intifada, onschuldige mensen. Bij de 'klassieke' anarchistische en sociaal-revolutionaire aanslagen in de negentiende eeuw was er in zekere zin nog sprake van een dialoog. Men verdedigde zijn daden uitvoerig voor de rechtbanken van de klassenvijand. Nu ziet men af van enige uitleg. Ik keur de aanslagen van de Palestijnse martelaren niet goed. Toch vind ik het moeilijk om hen te veroordelen. Nietsdoen is aanvaarding van de bezettingsterreur. En valt er iets anders te doen? Is er nog hoop voor de vredesbeweging? Er worden een aantal op zich goede dingen voorgesteld: Israëlische terugtrekking uit de bezette gebieden, humanitaire hulp enz. En men blijft hameren op hervatting van vredesbesprekingen tussen beide partijen. Ik acht dat vrij zinloos. Het zou beter zijn als vredesorganisatie gewoon zelf een vredesverdrag op papier uitwerkten en dat voorhielden aan de mensen in Israël, in Palestina en in de hele wereld. De regeringen en de staten komen er niet uit dus moeten de mensen het maar doen. Wat is er eigenlijk anarchistischer? Wellicht ligt hier een taak voor ons libertairen.

NOTEN (1) Dit artikel is de uitwerking van een referaat dat gehouden werd op het convigno internazionale Anarchici ed Ebrei, Venetië 5-7 mei 2000, en gepubliceerd in L'Anarchico e L'Ebreo. Storia di tin incontro, A cura di Amedeo Bertolo, Milano 2001. - (2)1k ontleen dit aan de terecht bekroonde dissertatie van Evelien Gans, De kleine verschillen die het leven uitmaken. Een historische studie naar joodse sociaal-democraten en socialistisch-zionisten in Nederland, p. 143. Hoewel deze studie niet mijn onderwerp raakt, is het boek bijzonder interessant vanwege de grote verscheidenheid waarmee de joodse socialisten hun identiteit invulden. Hetzelfde geldt voor de dissertatie van Selma Leydesdorff, Wij hebben als mens geleefd. Het joodse proletariaat van Amsterdam 1990-1940. - (3) Edmund Silberner, Sozialisten zur Judenfrage. Ein Beitrag zur Geschichte des Sozklismus von Anvang des 19. Jahrhundert bis 1914, Berlin 1962. - (4) Het volgende ontleen ik grotendeels aan Silberner en aan de plaatsen en geschriften waarnaar hij verwijst. (5) Bakunin, Werke III, p.127. - (6) Michael Lówry, Rédemption et Utopie. Le Judaisme libertaire en vervolg op pag. 91

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

77

DEMOCRATIE: REPRESENTATIE EN PARTICIPATIE Thom Holterman In een sobere stijl legde de veel te vroeg overleden anarchistische cartoonist Hein van Schendel, in een prent vast wat verkiezingen in een parlementaire democratie betekenen: onze cipiers willen een contract. In een andere prent liet hij de koninklijke leeuw dreigend op de kiezer afkomen met de oproep: geef uw afschrijving uit handen, 150 deskundigen nemen het van u over. Dat was in 1977 en het is nadien niet anders geworden. Heden schreeuwt menigeen moord en organisatie waarin mensen leven. In brand: de democratie is in gevaar. Tege- westerse democratieën regeert het volk lijk leggen mensen die er voor hebben niet. Hooguit kiest een gedefinieerd doorgeleerd op onbarmhartige wijze in deel van de bevolking vertegenwoordihun studies bloot dat de democratie zo- gers. Die gaan dan namens het gehele als die nu functioneert, faalt. Gelet op volk regeren. Representatie is in die die studies moet worden geconstateerd vorm van democratie een kernelement. dat anarchisten zijn ingehaald door Het gaat dan ook niet over de democratie 'burgerlijke' wetenschappers. Zo heb ik die in gevaar zou zijn, maar over de verniets toe te voegen aan hetgeen in het tegenwoordigende democratie. NRC Handelsblad Magazine van 4 mei Representatie is net zo'n veelvormig be2002 door een aantal politicologen grip als democratie. Het is goed om te wordt gezegd over politieke partijen als bedenken dat er ten minste vier vormen moderne vervangers van oude regen- van representatie kunnen worden ondertenklieken. Ook zonder Proudhon en scheiden. Bakoenin kan je kennelijk de condusie In de eerste plaats kan men zich vrijwilbereiken dat vele lieden in de gevestig- lig inlaten met de behartiging van het de politieke partijen als bonzen op tre- belang van iemand anders, zonder dat den en vooral bezig zijn met 'patrona- die ander de desbetreffende bevoegd ge'. De gewone burger is daar heeft gemaakt. Men vertegenwoordigt inmiddels kotsmisselijk van. Hoe het al- die ander al door bij een storm de klaplemaal zover heeft kunnen komen? perende deur van het huis van de buurLees de teksten van de in het NRC Han- man te sluiten. Deze vorm van representatie is vrijwillig en er bestaat geen delsblad genoemde wetenschappers! In het licht van deze verwijzing beperk band tussen de vertegenwoordiger en ik mij hieronder tot enkele beschouwin- de vertegenwoordigde. In het recht gen over twee centrale punten aangaan- wordt hier gesproken van zaakwaarnede het begrip democratie, te weten: ver- ming. tegenwoordiging (representatie) en deel- In de tweede plaats is er van reprename (participatie). sentatie sprake indien op grond van een overeenkomst (een contract) iemand Democratie betekent simpelweg 'rege- de vertegenwoordiger - namens een anring door het volk'. Maar regeert het der - de vertegenwoordigde - en voor volk echt? Dat hangt af van de politieke rekening van die ander bepaalde, afge78

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

sproken (contractuele) handelingen worden verricht. In dat geval spreken we van lastgeving. In deze beide vormen van representatie is vrijwilligheid troef. Daarvan is in de volgende twee vormen geen sprake. Het recht schept de vertegenwoordigende rol van de ouder ten opzichte van het kind. Deze derde vorm van representatie is ten behoeve van het minderjarige kind opgelegd (door de wet) en er is sprake van een koppeling (namelijk de ouder/kind relatie). De overeenkomst tussen de drie voorgaande representatievormen is het bestaan van een herkenbare één-op-één situatie. Bovendien, die situatie en de bevoegdheden die in of door de relatie bestaan of worden gebruikt, zijn wettelijk beschreven dan wel in een contract vastgelegd en door allerlei wettelijke waarborgen omgeven (alle in het Burgerlijk Wetboek te vinden). Daarvan is allemaal geen sprake met betrekking tot de laatste vorm van representatie, hoewel die de meest ingrijpende voor het persoonlijke leven is. Deze vierde vorm van representatie komen we tegen in het samenstel van representatieve democratie. Die vorm van publieke representatie is in de eerste plaats een opgelegde - de burger kan zich er (net als in de ouder/kind relatie) niet aan onttrekken. In de tweede plaats is het een ontkoppelde - vertegenwoordigers en vertegenwoordigden staan los van elkaar (met andere woorden er is geen recht van terugroeping). Dat het een opgelegde vorm van vertegenwoordiging betreft, spreekt uit het constitutionele recht. Het parlement vertegenwoordigt het gehele Nederlandse volk (art. 50 Grondwet), de provinciale staten de gehele provinciale bevolking (art. 7 Provinciewet) en de

gemeenteraad de gehele bevolking van de gemeente (art. 7 Gemeentewet). Ook al ga je niet stemmen, je wordt vert& genwoordigd. Dat is zo geregeld om te voorkomen dat mensen zich zouden onttrekken aan de publieke besluitvorming. Men zou namelijk het argument kunnen gebruiken dat men niet gebonden is aan besluiten genomen door vertegenwoordigers die men niet heeft g& kozen of aangewezen (zoals bij lastgeving). Kortom, wat als representatieve democratie wordt gepresenteerd, ontvouwt zich als een dwangstelsel. Hein van Schendel kon gelet op die zienswijze terecht in geval van de parlementaire vertegenwoordigers over 'cipiers' spreken. Slechts op de verkiezingsdag kan een burger een bepaalde mondigheid openbaren, om daarna voor vier jaren als onmondige te worden behandeld. Nu weet ik wel dat de representatieve democratie ook is te zien als de minst slechte regeringsvorm. Maar daarmee hoeven we ons niet tevreden te stellen. Het kan altijd beter. De kansen liggen wat dat betreft onder meer bij een nadere uitwerking van het verschijnsel participatie. KOLONISATIE

Participatie wordt hier begrepen als deelnamerecht in collectieve, waaronder publieke, besluitvormingsprocessen. Onze 'cipiers' zouden natuurlijk het liefst zien dat we onze participatie beperkten tot het uitbrengen van een stem bij verkiezingen voor personen voor vertegenwoordigende organen. Dit betreft politieke participatie in enge zin. Er is geen enkele noodzaak om het deelnamerecht in collectieve besluitvormingsprocessen te beperken tot politieke participatie in enge zin. Zo'n beperking gaat zich overigens door legitimatieverlies tegen een

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

79

dergelijk stelsel keren. Hiermee is ook een deel van de onvrede over de werking van het stelsel te verklaren. Een ruime opvatting over politieke participatie speelt in op ideeën over actief burgerschap. Wie dat uitwerkt zal zien dat er een danig verschil is tussen de zogenaamde stembus-participatie en participatie in de zin van een actief burgerschap. Stembus-participatie is verworden tot een 'aritmische gebeurtenis': het uitschrijven van verkiezingen, het tellen van stemmen en het berekenen van de te verdelen zetels in de vertegenwoordigende organen. Het partijwezen heeft in dat geval het politieke 'gekoloniseerd'. Nadat de burger als stemmer heeft gefungeerd, wordt van hem als staatsburger verder alleen nog verwacht zich op te stellen als plichtsgetrouwe belastingbetaler. Door de 'kolonisatie' van het politieke door politieke partijen is het beeld ontstaan dat politiek zich alleen op staatsniveau voordoet. Een mondige burger laat zich echter zo niet langer kisten. Het politieke zit midden in het leven en laat van zich spreken via ontelbare intermediaire instituties op het gebied van werken, wonen, leven. Tot die instituties behoren, om enkele traditionele te noemen, de vakorganisaties, de buurt- of wijkverenigingen, een kerkelijke hulpdienst. In één woord, het gaat hier om het 'maatschappelijk middenveld'. Participatie in activiteiten in het maatschappelijk middenveld behoort tot politieke participatie in ruime zin. Participatie als deelnamerecht geldt als een van de democratische rechten en is in het kader van een actief burgerschap uit te baten. Dit kan worden ondergebracht in wat participatiedemocratie is genoemd. In dat geval wordt nadruk ge80

legd op de belangrijke rol van de deelname in beslissingen die mensen in de vorm van collectiviteiten aangaan (buurt, wijk, school, universiteit, fabriek). Deze collectiviteiten worden als relatief autonoom gezien. Het deelnamerecht binnen deze instituties moet daarbij zo zijn uitgewerkt dat voor burgers in eigen kring(en) daadwerkelijk iets te beslissen valt. Participatiedemocratie vooronderstelt een participatoire maatschappij waarin niet vanuit één bestuurscentrum wordt geregeerd, maar juist vanuit een veelvoud van bestuurscentra. Het gedachtegoed dat met het verschijnsel participatiedemocratie samenhangt, heeft zijn wortels in denkbeelden van onder meer de klassieke anarchisten uit de negentiende eeuw, zoals Proudhon, Bakoenin en Kropotkin. Deze verwijzing oogt enigszins belegen, maar is dat geenszins. Opgetekend uit de mond van iemand uit het begin van de vorige eeuw, klinkt het verzet juist erg vertrouwd. Ik voer hier Bart de Ligt op, die in zijn autobiografische inleiding bij de bundel Kerk, cultuur en samenleving (Arnhem 1925) enerzijds duidelijk maakt welke invloed de klassieke anarchisten op hem hebben gehad en anderzijds heel herkenbaar voor het heden het volgende verwoordt: Ik bestrijd het recht van het officiële leiderschap en de bevoorrechting die er altijd weer uit volgt. Zoals de partijen tot nu toe zijn ingericht, moet de grote meerderheid wel gedoemd worden tot passief zich maar laten 'besturen' en bedoen, tot een gemakzuchtig maar overlaten van beslissingen aan de officiële 'vertegenwoordigers', de 'gezag'-hebbers, de 'bonzen'. Vanuit de verwerping van deze vorm van representatie, dus van de 'methode van machts- en verantwoordelijkheids-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

overdracht', propageert De Ligt vervolgens een andere manier van maatschappelijk organiseren, die beantwoordt aan wat als 'functionele democratie' wordt betiteld (zie in dit verband De AS nr 122/123). Inmiddels gaat er een nieuwe golf van weerzin door de gemoederen van mensen tegen wat ons dagelijks als maatschappelijke vanzelfsprekendheden wordt verkocht. De oude denkbeelden zijn in allerhande hedendaagse pleidooien voor maatschappelijke vernieuwing (nieuw?) terug te vinden. Een aantal zaken kan ik niet beter beschrijven dan in de termen die in bedoelde pleidooien te lezen zijn. Daarom daaruit een greep.* Schuyt: De partijen die aan de macht zijn verliezen vroeg of laat het vertrouwen van de burgers. Ze gaan dan weer stemmen op de oude of nieuwe oppositie. Er is misschien één remedie tegen:

meer participatie. Van Doorn: Er bestaat de opvatting dat aan de gecompliceerdheid van de moderne samenleving in het algemeen en van de politieke orde in het bijzonder

weinig of niets valt te veranderen. Men zal het bestaan van een centrum-loos bestel moeten aanvaarden. Burkens: Rechtsstatelijkheid biedt middelen juist voor participatie van burgers. Participatie vindt namelijk ook plaats door de burger die, los van de periodieke verkiezingen, met gebruikmaking van grondrechten zijn stem laat horen en rechtswegen bewandelt. We zullen 'democratie' niet te zeer moeten vereenzelvigen met publieke besluitvorming op basis van electoraal gefundeerde representatie. Met het voorgaande is natuurlijk niet alles gezegd over vertegenwoordiging en deelname in het licht van collectieve besluitvorming. Het lijkt de moeite waard om wat in staatsrechtelijke termen 'democratische rechtsstaat' heet te combineren met het klassieke anarchistische gedachtegoed van de participatiedemocratie. Dit hier uitwerken is te ambitieus. Het leent zich eerder voor het schrijven van een boek over dat onderwerp. Wie neemt dat op zich te doen?

NOOT * Vergelijk onder meer K. Schuyt, 'Regeren is echt moeilijk', in: De Volkskrant van 22 mei 2002; J.A.A. van Doorn, 'Democratie in de overgang, Van collectieve beheersing naar geordende vrijheid', en M.C.B. Burkens, 'Een democratisch tekort. Staatsrechtelijke aspecten'; beide stukken in: P.G.C. van Schie (red.), Het democratisch tekort: interpretaties en remedies, Den Haag 2002 (deze bundel betreft een publicatie van het wetenschappelijk bureau van de VVD).

ANARCHISTISCHE BOEKENMARKT Op zaterdag 9 november 2002 wordt van 11 tot 18 uur de vierde Anarchistische Boekenmarkt gehouden. Ditmaal in Parnassos, Kruisstraat 201 in Utrecht. Parnassos ligt op zo'n 10 minuten loopafstand van de Stadsschouwburg. Info: 030-2546873; e-mail [email protected]

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

81

HEDENDAAGS FRANS ANARCHISME Roger Jacobs Wie zich in Vlaanderen anarchist noemt, loopt veel kans om via een Brusselse connectie in contact te komen met het anarchisme van onze Franse zuiderburen. Een vurige beweging die vroeger niet zelden verteerd werd door nostalgie naar een roemrucht verleden en de daarmee verbonden gezwollen revolutie-retoriek. Sinds enkele jaren is er echter een nieuwe generatie libertaire denkers op de voorgrond getreden die de vooroorlogse ideeën en theorieën als een prangende slangenhuid ervaren die dringend moet afgeworpen worden. Auteurs als Michel Onfray (Politique de rebelle. 1997) en Miguel Benasayag (Pour une nouvelle radicalité (1997) en Du contre-pouvoir (2000)) nemen daarbij het voortouw. In dit artikel wil ik echter de focus richten op het boek van de Italiaans/Franse socioloog Mimmo Pucciarelli dat in 1999 gepubliceerd werd onder de veelbelovende titel L'imaginaire des libertaires aujourd'hui (ACL, Lyon). Op basis van diepte-interviews met een dertigtal anarchisten uit Lyon probeert hij een antwoord te vinden op de ook voor ons interessante vraag: wat is de identiteit van het post-klassieke anarchisme? ik geef een overzicht van Mimmo's onderzoek en formuleer enkele kritische bedenkingen bij zijn conclusies. Mimmo Pucciarelli is een anarchist zelf noemt hij zich liever libertair - die als 21-jarige Italiaanse dienstweigeraar in 1975 in Lyon belandde en er zich definitief vestigde. Zijn woonplek is 'Croix Rousse', de negentiende eeuwse wijk van de befaamde 'canuts' (zijdewevers) die met hun opstanden in 1831 en 1834 aan de basis lagen van de Franse en Europese arbeidersbeweging. Met het verval van de zijdenijverheid dreigde de wi ,* na de Tweede Wereldoorlog demografisch leeg te bloeden: in een eeuw tijd daalde het aantal inwoners van 70.000 tot 25.000. Maar de lege werkplaatsen bleken goedkope multifunctionele woon- en werkruimten te bieden aan de duizenden jonge dropouts die vanaf de zeventiger jaren begonnen toe te stromen. Zij lagen aan de basis van een stevig verankerd netwerk van alternatieve bedrijfjes en projecten (van bioscopen en restaurants tot vrouwenhuizen en werklozencomités) die Mimmo enkele jaren geleden in 82

kaart bracht in zijn boek Le réve au quotidien. De la ruche ouvrière ir la ruche alternative (1996). Dit boek was een product van de anarchistische uitgeverij Atelier de Création Libertaire, die zoals zovele andere initiatieven een gunstige voedingsbodem had gevonden in de Croix Rousse. Na 1996 is Mimmo zijn sociologische blik gaan richten op de anarchistische scène in Frankrijk in het algemeen (Pucciarelli, zomer 1999) en die van Lyon in het bijzonder. Het boek dat ons vooral interesseert, L'imaginaire des libertaires aujourd'hui, is geschreven vanuit de overtuiging dat er een dringende behoefte bestaat aan een reflectie over de hedendaagse anarchistische identiteit: hoe beleven de anarchisten zelf hun anarchisme (het Franse 'imaginaire' staat voor verbeeldings- en voorstellingswereld) en in welke praktijken vinden deze ideeën hun weerslag? Op de vraag waarom slechts een beperkt aantal mensen aangesproken

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

worden door anarchistische ideeën vindt Mimmo geen sluitend antwoord. Bij de bevraging van zijn dertig anarchistische vrienden of kennissen wordt het duidelijk dat er evenveel wegen naar het anarchisme zijn als dat er mensen rondlopen die zich anarchist noemen. Zijn gesprekspartners zijn niet door hun sociale achtergrond, bijzondere ervaringen of een onwaarschijnlijk levenstraject het pad der anarchie gaan bewandelen. Hij schrijft: "Hun levensloop is in geen enkel opzicht ongewoon. Het zijn tamelijk gewone, ik zou haast zeggen 'banale' biografieën. Niet banaal in de pejoratieve betekenis van het woord, maar wel in de betekenis van gemeenschappelijk aan heel wat mensen en zeker niet onvermijdelijk uitmondend in de keuze om een dwarsligger te worden. Hun rebellie tegen het één of ander onrecht lijkt me dan ook niet rechtstreeks voort te vloeien uit de dingen die ze zelf hebben meegemaakt maar vindt haar oorsprong in de libertaire sensibiliteit die deze mensen eigen is en die hen op een heel bijzondere wijze doet reageren" (p. 152). Mimmo speculeert dat deze libertaire sensibiliteit wel eens de uitdrukking zou kunnen zijn van een ontologisch anarchisme, een universeel vrijheids- en gelijkheidsstreven dat bij alle mensen onderhuids aanwezig is maar slechts bij enkelen tot een bewuste houding wordt als hun 'imaginaire' geconfronteerd wordt met specifieke structuren, situaties, gebeurtenissen. Vandaar ook dat die libertaire sensibiliteit niet beperkt is tot een welbepaald sociaal milieu (de arbeiders of de studenten) en ook niet direct het product schijnt te zijn van ideologische beïnvloeding. Mensen met een libertaire sensibiliteit hebben geen zendings-

drang (aanhangers winnen voor 'de' beweging) maar slaan bressen in de door hen als onrechtvaardig of autoritair ervaren structuren en in de aldus geconstrueerde vrijruimte willen zij 'anders gaan leven' naar eigen inzichten. Daarbij engageren ze zich op dié terreinen waar ze zich, rekening houdend met hun eigen levensgeschiedenis, het meest verwant mee voelen: samenlevingsverbanden, natuurlijke leefomgeving, onderwijs, werkomgeving, emancipatie van minderheden, cultuur, enz. In hun hoedanigheid van anarchist fungeren deze mensen als "actoren van sociale verandering" (p. 160). Hun libertaire bijdrage bestaat erin dat zij experimenteren met sociale relaties die zij minder ongelijk en autoritair willen maken. Hun engagement ligt op het sociale terrein waar ze meer horizontale relaties trachten tot stand te brengen en niet op het politieke terrein waar verticale relaties overheersen. Zij gedragen zich als sociale animatoren die laten zien dat er ook op een andere manier kan samengeleefd en samengewerkt worden en niet als politieke militanten die propagandisten zijn van een programma waarvoor aanhangers dienen geronseld te worden. REVOLUTIONAIREN VAN HET ALLEDAAGSE LEVEN

In tegenstelling tot de oubollige en hoogdravende taal die in bepaalde Franstalige anarchistische organisaties en media nog steeds gangbaar is, schatten Mimmo's gesprekspartners hun 'revolutionaire' pretenties zeer concreet en ik zou haast zeggen 'realistisch' in. Enkele citaten uit het derde deel van het boek (pp. 262-288) zijn in dit opzicht illustratief.

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

83

Laurent is van mening dat "revolutie geen onmiddellijke radicale verandering kan zijn, want dat zou heel wat problemen oproepen die we niet in de hand zouden hebben. Bovendien zou een revolutie in het huidige Frankrijk eerder tot een dictatuur dan tot de anarchie leiden. Een revolutie breng je teweeg door mensen op te voeden, hen te laten nadenken, hen vragen te laten stellen en tenslotte ook door hen een voorbeeld te stellen." Louis noemt zich een revolutionair "omdat hij zich niet kan en wil verzoenen met de dominante maatschappelijke verhoudingen", maar toch gelooft hij niet in de Revolutie: "dat is de hemel van de christenen" (...) "Leven en experimenteren met de vrije liefde - om maar één voorbeeld te noemen - neemt je ganse leven in beslag en er bestaat geen radicaal breukpunt waarna alles zich ten goede gaat keren. Revolutie is een permanent proces." Voor Marie suggereert het begrip 'revolutie' te veel "het bestaan van een vijandelijk systeem buiten ons dat moet aangevallen en vernietigd worden. Net alsof de wereld uit goeden ('wij, de libertairen') en slechten ('de anderen') zou bestaan waarbij de goeden als bij toverslag de slechten zouden kunnen veranderen." Voor Vera betekent 'revolutie' de wereld met een libertaire blik aanschouwen en je voortdurend geschokt voelen door door ervaren onrecht en onderdrukking "zelfs al komt dat dikwijls neer op wat rommelen in de marge en al bereiden we daarmee de Grand Soir, Grote Avond, niet voor." Joseph associeert 'revolutie' met strijd voor mondiale rechtvaardigheid, wat nieuwe machtsverhoudingen veronderstelt (misschien wel een 'Grand Soir'), maar ook een 'Djihad' niet in de klassieke betekenis van een heilige oorlog, maar wel opgevat als een per84

manente strijd die je moet voeren om jezelf te veranderen (bijvoorbeeld om je los te maken van de bijna vanzelfsprekende kapitalistische levensstijl). Remy tenslotte legt het accent op de verandering van het dagelijkse leven: "Er zijn veel revolutionairen en revolutionaire groepen die de Revolutie prediken maar die in hun dagelijks leven en werk, in hun privé of openbaar leven, niet veranderen ondanks het feit dat ze goede ideeën hebben. In bijeenkomsten preken ze de revolutie en leggen uit wat er gedaan moet worden om de maatschappij te veranderen maar in het gewone leven veranderen ze niet. Bij de anarchisten vind je dat minder terug, maar er bestaan geen volmaakte mensen en dus tref je ook bij hen tegenstellingen aan. Nochtans ontmoet je bij de libertairen de meeste mensen die de dingen ter discussie willen stellen en die bereid zijn consequent volgens onze ideeën te leven." (p. 228-29) Op basis van zijn interviews meent Mimmo Pucciarelli dat in het Franse anarchistische wereldje (dat hij ruwweg schat op vijf á tienduizend actieve leden) onderscheid kan gemaakt worden tussen twee stromingen. Enerzijds heb je de 'gelovigen', aanhangers van een klassiek-ideologisch anarchisme dat haar sociale implantatie grotendeels bij de arbeidersklasse vond en blijk gaf van een rotsvast geloof in de heilzame gevolgen van de Revolutie, opgevat als een eenmalige 'Grote Avond/Algemene Staking'. Daarnaast heb je de 'ongelovigen', post-klassieke, ethisch geïnspireerde anarchisten, voor het merendeel afkomstig uit de middenklassen, die zich vanuit een individuele levenskeuze engageren in alternatieve sociale praktijken waarin het 'anders gaan leven'-aspect centraal staat.

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

Mimmo's sympathie gaat ontegensprekelijk uit naar laatstgenoemde stroming maar het gaat volgens hem niet op om het analytische onderscheid tussen klassieken en post-klassieken ongenuanceerd door te trekken naar de anarchistische praktijk. Ook klassieke anarchisten zijn in het dagelijkse leven bezig met sociale experimentatie, terwijl de post-klassieken niet vies zijn om zich te hullen in het prestige dat de 'oude mannen' van het klassieke anarchisme hen verlenen. Hij beschouwt het als een valstrik om een nieuw soort 'verlicht' dogmatisme te creëren dat zich zou afzetten tegen de oubollige dogmatismen van organisaties zoals de FAF (Franstalige anarchistische federatie) of de CNT (anarcho-syndicalisten). Een beetje anarchistische nostalgie of folklore kan volgens hem geen kwaad. Daarom spreekt hij zich uit voor een 'pluriform anarchisme' dat volgens hem het wezen van de anarchistische identiteit uitnaakt. Hij trekt twee condusies uit zijn onderzoek: "Een eerste aspect dat de anarchistische identiteit kenmerkt is de diversiteit van de geëngageerde personen in de groepen, de diversiteit van hun verlangens en bezigheden en dus de diversiteit van de initiatieven waarin deze 'militants/militantes' zich engageren, wat samenhangt met de oprichting en ontbinding van hun specifieke collectieven of groepen. Een ander aspect dat volgens mij deze anarchistische identiteit zou kunnen samenvatten is de manifeste wil van de anarchisten - wat ook de vorm moge zijn van hun maatschappelijk engagement - om het dagelijkse leven, maar ook de globale maatschappij te veranderen. Dit engagement wordt overigens niet ondergeschikt gemaakt aan het lidmaatschap van deze of gene groep, maar vindt overal haar

uitdrukking in de relaties die elkeen onderhoudt met zijn/haar omgeving." (Pucciarelli, november 1999, p. 25) SOCIALE EXPERIMENTATIE

Mimmo's poging om de anarchistische theorie te herzien in het licht van de concrete activiteiten en de bescheiden maatschappelijke invloed van enkele duizenden activisten lijkt me een stap in de goede richting. Anarchisme gelijkstellen met sociaal geëxperimenteer is echter wat te eng en bovendien niet geheel van gevaren ontbloot. Uit vroegere ervaringen weet ik dat termen als 'revolutie van het dagelijkse leven' of 'sociale experimentatie' een lange voorgeschiedenis hebben en voor uiteenlopende doelstellingen kunnen ge(mis-)bruikt worden. Ongeveer een kwart eeuw geleden begon ik mijn politieke 'carrière' als vrijwillig medewerker van het Belgische Internationale Ontmoetingscentrum voor Basisgroepen die op diverse wijzen experimenteerden met 'zelfbeheer'. We probeerden in deze context ook een politieke filosofie van het zelfbeherende socialisme te ontwikkelen, een toenmalige Derde Weg tussen het verkalkte Sovjetcommunisme en de verburgerlijkte sociaaldemocratie. Onze theoretische mosterd haalden wij destijds bij Franse 'libertaire marxisten' zoals Daniel Guérin, Yvon Bourdet en Alain Guillerm (beide laatsten ex-leden van de groep 'Socialisme ou Barbarie') die allen de 'spontaneïstische' Rosa Luxemburg als inspiratiebron hadden. In hun boeken werd er afgerekend met het voorhoededenken van het marxisme-leninisme, maakten we kennis met een libertaire herinterpretatie van Marx en leerden we de grote historische en hedendaagse experimenten in (arbeiders)zelfbeheer

Negende jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

85

(Joegoslavië, maar ook... Algerije) kennen. Omdat de meeste van ons geen arbeiders waren, geen enkele aandrang voelden om ooit in een bedrijf te gaan werken en met een hoge graad van wantrouwen tegen de arbeidersbeweging aankeken, vond onze revolutionaire theorie nauwelijks aansluiting bij onze bescheiden dagelijkse praktijken. Een uitweg uit deze impasse werd geboden door theoretici van de Franse PS (Socialistische partij) en de socialistische vakbond CFDT, die toentertijd allebei een zelfbeherende maatschappij en economie in hun programma hadden. 'Zelfbeheer' werd in de tweede helft van de zeventiger jaren door de zuidelijk-Europese socialistische partijen (naast de Franse ook de Spaanse en de Griekse die gemeenschappelijk wel eens als Eurosocialisten werden aangeduid (Boggs, 1986, p. 80-120)) als breekijzer gehanteerd om de communistische ideologische hegemonie ter linkerzijde te breken en de geradicaliseerde jonge generatie aan te spreken. Zo geraakten wij enthousiast bij de lectuur van Patrick Viveret (die Illich in Frankrijk introduceerde) en Pierre Rosanvallon (1976, 1977, zie ook: 'Vivre á gauche', november 1977). Zij hadden het niet uitsluitend over economisch zelfbeheer maar ook over de 'empowerment' van de civiele maatschappij. Ze namen in de eerste plaats de Franse 'jacobijnse' traditie van de sociaal-etatistische politieke cultuur op de korrel. In Frankrijk had men immers de neiging alle maatschappelijke problemen te beslechten door een beroep te doen op initiatieven van de overheid waardoor de civiele maatschappij gedegradeerd werd tot een aanhangsel van de staat. Onder die omstandigheden namen sociale bewegingen noodzakelijkerwijze 86

de vorm aan van protestbewegingen die druk uitoefenden op de overheid om hun eisenpakket ingewilligd te krijgen. Radicale sociale verandering leek slechts mogelijk via de bemiddeling van een progressieve veranderingsgezinde overheid die eerst in het zadel moest geholpen worden en zo lang mogelijk aan de macht moest zien te blijven. Viveret en Rosanvallon wilden breken met die etatistische obsessie en de energie van de sociale beweging direct richten op een creatieve vernieuwing van de civiele maatschappij. Zij spraken in dit verband van een overstijging van het dilemma 'revolutie' (breken met het systeem) of 'hervorming' (meegaan met het systeem). Er kunnen maatschappelijke vrijruimtes gecreëerd worden - coöperatieven, vrije scholen en vrije radio's, vrouwenhuizen, huurdersverenigingen en patiëntencollectieven - die durven ingaan tegen de bestaande wettelijke, institutionele, financiële en culturele weerstanden. Op die manier hoopte men de wat scholastieke tegenstelling revolutie!hervorming te vervangen door een productievere wisselwerking tussen sociale experimentatie en institutionele vernieuwing. Sociale militanten zouden niet langer fungeren als pleitbezorgers van een abstract politiek programma (uitgewerkt door partijmensen in loondienst) maar als experimenteerders die werkten aan een revolutie van het dagelijkse leven. Natuurlijk, voegden deze theoretici er fijntjes aan toe, maakte dit de noodzaak van een (sodaaldemocratische) overheid niet overbodig maar deze zou niet langer optreden als beheerder van het sociale leven maar als de voorwaardenscheppende spreekbuis van een bruisende civiele maatschappij in zelfbeheer.

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

Die taal was heel herkenbaar en sprak ons erg aan. In een artikel waarin ik samen met een collega een evaluatie maakte van de evolutie van de sociale bewegingen in het decennium na mei '68 (Debruyn; Jacobs, 1979) is de invloed van bovenstaande ideeën goed merkbaar. Ik citeer: "De basisgroepen ontplooien initiatieven op alle domeinen van het leven waar de huidige aanpak van 'beheersen' en 'uitbuiten' moet vervangen worden door een aanpak van experimenteel zoeken naar het juiste evenwicht, een aanpak van 'respectvol omgaan', waar de betrokkenen opnieuw tot zelforganisatie komen. Mogelijk worden deze experimenten door klassiek links als reformistisch gebrandmerkt. Maar vanuit ons perspectief is deze catalogisering revolutie/hervorming aan herdefiniëring toe." En een bladzijde terug lezen we: "Voor de basisgroepen is de revolutie niet iets dat er hopelijk komt. De revolutie maak je zelf en met je groep, nu en permanent. De revolutie is geen eenmalig moment van omschakeling van het geheel en alle geledingen. Het is een permanent proces dat nu reeds in ieders bereik moet kunnen komen door het breken met de heersende ideologie ('het moet zo en het kan niet anders') en door bewustwordingsprocessen." Twee gebeurtenissen plaatsten een domper op ons aanvankelijk enthousiasme voor een politiek van sociale experimentatie. Allereerst stevende de Parti Socialiste (PS) met haar programma van zelfbeheer in mei 1981 op een grote verkiezingsoverwinning af (met bijna 40 procent van de uitgebrachte stemmen). De partij had met haar belofte van 'Le Changement' (de Grote Verandering) ingespeeld op de veranderingswil van vakbondsmensen, maat-

schappelijk geëngageerden en de jonge generaties. De verwachtingen waren hoog gespannen. De ontgoocheling, een paar jaar later, werd des te scherper aangevoeld. Initiatiefnemers en kaders van sociale bewegingen werden voor een goed deel gepromoveerd in allerlei kabinetten, overleg- en adviesorganen, studiecentra, enzovoort. Lokale initiatieven (buurthuizen, kinderopvangprojecten enz.) werden via subsidiëring geprofessionaliseerd maar ook 'genormaliseerd'. In plaats van het maatschappelijke leven uit haar etatistische dwangbuis te bevrijden, werden de nieuwe sociale experimenteerders 'opgeslorpt' door de overheid. In 1984 maakten we een balans op van drie jaar socialistisch zelfbeheer in de praktijk (Tegenstroom, 1984/1). Eén van de geïnterviewden, een medewerker van het coöperatieve netwerk ALDEA, beschreef de mislukking als volgt: "Wat links wou was de macht overnemen. Voor de façade hebben ze wat gedweept met zelfbeheer, met decentralisering, met al die alternatievelingen. Het was een enthousiasme dat (net als in mei '68) faliekant moest aflopen. Er zat geen gevoeligheid in voor wat anders leven, anders werken, basisdemocratie, autonome streekontwikkeling eigenlijk inhouden. Heel dat streven van 'Le Changement' was de zoveelste illusie dat je zelfbeheer en een alternatief vanuit Parijs kan droppen, zonder er ooit in de praktijk mee bezig geweest te zijn." Verrassend was echter niet zozeer het verraad van de PS als wel het gemak waarmee sociale experimenteerders zich lieten integreren in de status-quo. Verkiezen activisten na enkele jaren jeugdig enthousiasme en hard zwoegen aan de basis dan toch maar appelen boven citroenen? Is permanente revolutie

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

87

als politieke én levenskeuze (op het gevaar af van een persoonlijke marginalisering en isolering) een haalbaar perspectief als men deze afweegt tegen de verleidelijkheid van de zekerheid die samengaat met enige 'compromisbereidheid'? De tweede teleurstelling had te maken met de implosie van de basisbewegingen in onze eigen contreien in het begin van de tachtiger jaren. Sommige basisbewegers waren van mening dat ze sociale initiatieven en sectoren beter konden steunen en versterken door zelf in de politiek te gaan. Vooral de groene partijen die de basisdemocratische filosofie uitdrukkelijk beleden, oefenden grote aantrekkingskracht uit. Sindsdien gaat de steeds sterker wordende normalisering van de groene partijen gepaard met de teloorgang van de basisdeanocratische prindpes (Jacobs, VerZ, 1996). De overblijvende basisbewegers verschrompelden tot betekenisloosheid of probeerden wat graantjes mee te pikken door zich 'constructief' op te stellen ten aanzien van het vigerende systeem. In 1995 schreven twee Vlaamse onderzoekers van de sociale bewegingen: "Samenwerking met, en integratie in het politieke systeem worden in deze periode (na 1990) zonder schroom beleden. De nieuwe sociale bewegingen zetelen in adviesraden, nemen deel aan platformen, en plegen druk overleg, zowel onderling als met andere politieke actoren." (Hellemans; Hooghe, 1995, p. 14) POLITIEKE EXPERIMENTATIE

De vraag moet dus gesteld worden: hoe kan voorkomen worden dat sociale projecten met een maatschappijkritische doelstelling na verloop van tijd vervallen tot de maatschappelijke betekenisloosheid van een alternatief getto? Of in 88

het andere geval: hoe te voorkomen dat ze hun levensvatbaarheid veiligstellen door afscheid te nemen van hun sociaal-politieke theaterfunctie als laboratorium voor een andere manier van leven en werken (Jacobs, 1983)? Mimmo Pucciarelli is zich heel goed bewust van dit dilemma. In zijn vorige boek Le réve au quotidien (1996), waarin hij verslag uitbrengt van de alternatieve projecten in Croix Rousse, was hij immers tot een weinig hoopgevende vaststelling gekomen. Die kwam hier op neer dat projecten in het algemeen des te meer overlevingskansen hebben naargelang ze zich minder laten leiden door hun oorspronkelijke idealen (men accepteert bijvoorbeeld opnieuw de traditionele arbeidsverdeling of de boonongelijkheden). Projecten die wèl blijven vasthouden aan hun prindpes zijn in de regel een kort leven beschoren. Mimmo's bezwering van de gevaren van gettoïsering of recuperatie zoekt hij in netwerkvorming waarbij geïsoleerde projecten zich op voet van gelijkheid bij elkaar aansluiten, ervaringen uitwisselen, aan gemeenschappelijke belangenverdediging doen en ook de maatschappijkritische doelstellingen onder de aandacht houden. Een soort van confederaties van zelfbeherende collectieven dus. Ik vrees echter dat deze netwerkvormingen ongetwijfeld een betere (corporatistische) belangenbehartiging mogelijk hebben gemaakt maar het politieke normaliseringsproces niet hebben afgeremd. Dat is ook de reden waarom ik de laatste jaren steeds gepleit heb voor de uitbouw van expliciet politieke knooppunten in de anarchistische bewegingen die een politiek perspectief en ook een kader kunnen bieden aan diverse sociale experimentatieprojecten (Jacobs, 1998).

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

Het is een pleidooi voor een politieke experimentatie, die de sociale experimentatie veronderstelt, maar er geenszins mee samenvalt. Ik zie twee dimensies in deze politieke experimentatie. Enerzijds zullen we ons moeten bezinnen op onze relatie met de Grote Politiek - ik bedoel daarmee de bestuurs- en overlegorganen op de verschillende niveau's van de samenleving. Het overboord gooien van de klassieke anarchistische revolutie-retoriek impliceert voor mij ook dat we onze pleinvrees voor de gevestigde politiek en haar diverse 'vertegenwoordigers' moeten opgeven. In die zin wil ik een eind meegaan in de redenering van de Vlaamse libertair Willy Deckers die schreef: "Het is duidelijk dat de belangen van de basis in vele opzichten niet samenvallen met de belangen van de parlementaire democratie, zeker niet wanneer deze evolueert naar meer autoritaire systemen. Toch kan dit probleem niet worden opgelost door een radicale keuze tussen al dan niet meewerken met de overheid, maar wel in het radicaal en consequent kiezen voor de belangen van de basis. Niet elke medewerking met de overheid is radicaal uit den boze (...). Hij voegt daar de waarschuwing aan toe: "We moeten er wel op wijzen dat hierbij het gevaar van repressieve tolerantie zeer reëel blijft en dat bijgevolg een permanente kritische evaluatie van het eigen handelen noodzakelijk is om te voorkomen dat men zich laat inpassen door de handige manoeuvres van het bureaucratisch staatsmechanisme" (W. Deckers, 1986). Met deze persoonlijke kanttekening dat ik toch liever geen libeitairen zie die zich in de electorale arena begeven of als 'verkozenen van het volk' zetelen. Enerzijds omwille van principiële rede-

nen: schaart men zich daarmee niet automatisch aan de kant van diegenen die zich 'de politiek' - de publieke zaak bij uitstek - als een specialistenzaak toe geëigend hebben? Maar ook omwille van strategische redenen: zou de energie van de enkele anarchistische verkozenen en hun handjevol medewerkers niet beter geïnvesteerd worden in de sociale experimentatie of... de Kleine Politiek? Naast reflectie over onze relaties met de Grote Politiek zou ik inderdaad volmondig willen pleiten voor een engagement in de Kleine Politiek, dat wil zeggen informele politieke knooppunten in de civiele maatschappij, wars van de officiële bestuurs- en overlegorganen, waar in alle vrijheid en gelijkheid kan gediscussieerd worden over vormen en doelstellingen van het samen-leven. Op het niveau van de Kleine Politiek kan men zich op het principiële standpunt van het noodzakelijke/wenselijke stellen: welke ethisch verantwoorde stappen kunnen/moeten gezet worden om het streefdoel van een vreedzame, ecologisch geïnspireerde en emancipatie gerichte zelforganisatie van de mensen op wereldvlak dichterbij te brengen? Een overeenstemming van de toegepaste strategieën met de vooropgestelde doelstellingen is hier een 'must'. Dit in tegenstelling met zelfs de meest progressieve vormen van Grote Politiek die zich op het standpunt van het haalbare moeten stellen en die in het beste geval slechts een rem kunnen werpen op de dodelijke logica van het vigerende systeem. Maar over het algemeen verglijdt de Grote Politiek tot een vorm van techniek: de middelen worden beklemtoond ten koste van de doelstellingen en de politici ontpoppen zich als

'regelaartjes' die door hoog te scoren in de populariteitspolls hun 'baan' probe-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

89

ren te behouden. Daarom ben ik er ook van overtuigd dat het geëigende politieke actieterrein van de libertairen de 'lokale democratie'-groep is (bijvoorbeeld georganiseerd rond een stadskrant) die een inhoudelijke synthese probeert te bieden van wat er aan vooruitstrevende initia-tieven en ideeën in een regio!stad/gemeente te vinden is. Op basis van deze synthese kunnen mistoestanden aangeklaagd, alternatieven aangemoedigd, bedriegers ontmaskerd en de publieke discussies daarover aangezwengeld worden. Op die manier kunnen libertairen een bijdrage leveren aan de creatie van een verbindend patroon en een gerichte dynamiek binnen de sfeer van de Kleine Politiek en kan voorkomen worden dat geïsoleerde experimenten op termijn marginaliseren of geüsurpeerd worden door de agressieve expansiedrift van de kapitalistische en machtsgeile buitenwereld.

abstracte politieke principes die in een globaal politiek project vervat liggen, ontdoet ze zich van haar revolutionaire, utopische, subversieve en creatieve mogelijkheden; ze beperkt zich tot een gemeenschappelijke minimale noemer, tot een structuur die haar doet verstarren; ze dreigt haar radicale kritiek van alle projecten die 'de maatschappij willen uniformiseren' te verliezen (met het 'uniformiseren van de maatschappij' bedoel ik het veralgemenen van gedragingen en het onderwerpen van alle mensen aan dezelfde normen en waarden)." (Pucciarelli, november 1999, p. 26) Ik beschouw het als de opdracht van de anarchisten om in de sfeer van de Kleine Politiek de bredere tegenbeweging momenteel vooral belichaamd door de anti-kapitalistische globalisering van onderop (Lenaerts, 2001 en Jacobs, 2002) - te verrijken en te versterken door anarchistische ideeën en praktijken te propageren en door de 'onderEen theoretische inspiratiebron voor grondse strijd' aan de wortels van het een dergelijke Kleine Politiek werd tij- systeem bekend te maken en te stimuledens het laatste decennium in de eerste ren. Dit zou steeds moeten gebeuren plaats geleverd door het 'libertaire mu- vanuit de open instelling van 'al vranicipalisme' van Murray Bookchin en gend zoeken we onze weg' en van de Janet Biehl. Met dit dubbel voorbehoud 'permanente revolutie': we engageren dat politieke experimentatie steeds een ons niet voor de 'Grand Soir' of dé goeondergrond van sociale experimentatie de maatschappij maar wel voor steeds veronderstelt én dat we geen universeel wisselende vormen van tegenmacht die geldende modellen accepteren. Wat dit de maatschappelijke rijkdom en macht laatste voorbehoud betreft schaar ik me gelijkmatiger verdelen. In dit proces aan de zijde van Mimmo als hij een van zelfverandering moeten wij ook waarschuwende vinger verheft tegen onszelf veranderen: niet op een gefor'dogmatische' Bookchinianen: "Ik ben ceerde manier, maar op een wijze die van mening dat, wanneer deze anar- we in ons diepste binnenste als een verchistische identiteit omgevormd wordt rijking ervaren. tot een globaal politiek project, zij in de Zullen anarchisten erin slagen levensmeeste gevallen abstractie lijkt te ma- ven-ijkende wereldverbeteraars wereldverbeteraars te worken van haar belangrijkste kenmerk: de den? Het antwoord, dat bepalend is diversiteit in de maatschappelijke enga- voor onze toekomst, ligt voor een groot gementen. Wanneer zij zich herkent in stuk in eigen hand... 90

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

LITERATUUR Boggs, C., Social movements and politica! power; Temple University Press, Philadelphia 1986. Debruyn, J.; Jacobs, R., 'Naar een nieuwe fase in de sociale beweging'; Marge, maart 1979, pp. 71-82. Dec.kers, W., Democratie. Over autoritaire staat en basisbewegingen; EPO, Berchem 1986. Hellemans, S.; Hooghe, M. (red.), Van 'Mei 68' tot 'Hand in Hand'. Nieuwe sociale bewegingen in België; Garant, Leuven 1995. Jacobs, R. (red.), Anders werken. Een leesboek over zelfbeherende arbeidsvormen in West-Europa; IOC, Hasselt 1983. Jacobs, R., 'Agalev: basisdemocratie in de verdrukking'; VerZ, juli-september 1996, pp. 15-22. Jacobs, R., 'De perspectief wisseling van het libertaire municipalisme'; VerZ, oktober-december 1998, pp. 17-28. Jacobs, R., 'Antikapitalistische globalisering van onderuit'; De Nar, 22 mei 2002, pp. 23-25. Lenaerts, J., 'Naar een libertair alternatief'; Het ei van Durruti, bijlage bij De Nar, 169, 2001, pp. 17-30. Pucciarelli, M., Le réve au quotidien; ACL, Lyon 1996. Pucciarelli, M., L'imaginaire des libertaires aujourd'hui; ACL, Lyon 1999. Pucciarelli, M., 'Qui sont les anarchistes?'; Alternative libertaire, 219, zomer 1999, pp. 21-32. Pucciarelli, M., `L'identité anarchiste'; Alternative libertaire, 222, november 1999, pp. 25-26. Rosanvallon, P., L'âge de l'autogestion; Seuil, Paris 1976. Rosanvallon, P. en Viveret, P., Pour une nouvelle culture politique; Seuil, Paris 1977. Van den Abbeele, E., 'Achter het onrijpe discours van 'de verandering'; Politieke vernieuwing onder Mittérand, Tegenstroom 1/84, pp. 19-23. 'Vivre á gauche'; Le nouvel Observateur et Faire (spécial), november 1977.

HET ANARCHISTISCHE 'DEBAT' OVER HET ANTISEMITISME vervolg van pag. 77

Europe centrale, Paris 1988. Ik bekeek de Engelse vertaling Redemption and Utopia. Jewish Libertarian Thought in Centra! Europe. A Study in Elective Affinity, London 1992. - (7) William J. Fishman, East End Jewish Rad icals 1875-1914, London 1975. Van de memoires van Rudolf Rocker, drie delen, verscheen de integrale tekst alleen in het Spaans. Een exemplaar van het Duitse manuscript bevindt zich in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam. Een beknopte maar zeer knappe versie (ongeveer een vijfde van de tekst) verscheen bij Suhrkampf als pocket, Rudolf Rocker, Aus den Memoiren eines deutschen Anarchisten, Herausgegeben von Magdalena Melnikow und Hans Peter Duerr, Frankfurt am Main, 1974. Het tweede deel van de memoires dat de Londense periode beschrijft, verscheen in een eveneens ingekorte versie in het Engels, Rudolf Rocker, The London Years, London, 1956. Fermin Rocker schreef Est End. Eine Kindheit in London, Münster 1993 (ik besprak het in De AS 102). Emma Goldman, Living my Life (vele drukken), in Nederlandse vertaling Mijn Leven, twee delen, Baarn 1978-1979. Paul Avrich, The Modern School Movement. Anarchism and Education in the United States, Princeton 1980; Anarchists Portraits, Princeton 1988 (het bevat een hoofdstuk over de joodse beweging in Amerika); Anarchist Voices. An Oral History of Anarchism in America, Princeton 1995 (Abridged edition 1996). - (8) Avrich, Anarchist Portraits, p.176. - (9) Silbemer, p. 231. - (10) idem, p. 203. - (11) Antisémitisme et sionisme, Rapport présenté au Congrès ouvrier révolutionnaire intematonal (Paris 1900), par le groupe des Etudiants socialistes révolutionnaires internationalistes de Paris. Elisée Recluc, L'Homme et Ia Terre, 6 Tomes, Paris 1905-1908. - (12) De citaten zijn achtereenvolgens uit L'Homme et la Terre, Tome VI p. 373, VI p. 378, V p. 467, VI p. 378-9. - (13) 'En al beschouwen alle broeders mij als den verloren broeder'. De familiecorrespondentie van en over Ferdinand Domela Nieuwenhuis. 1846-1932, verzameld en gepresenteerd door Bert Altena, p. 512. Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

91

DE BLEKE LIJDENDE JONGELING Een episode uit de wording van het religieus-anarchisme André de Raaij Het is lang gebruikelijk geweest te spreken van 'oude' en 'nieuwe' beweging met betrekking tot de Nederlandse arbeiders- of socialistische beweging. De jaartallen die de grenzen markeren zijn dan in het algemeen 1894 - de oprichting van de SDAP - en 1906, de oprichting van de 'moderne' vakcentrale het NVV. De termen klinken goed in een cultuur die jong, nieuw en vooral ook modern als positieve aanduidingen waardeert. Vooral het moderne valt op: een kleine tachtig jaar heeft de Labour Party de kans gehad Groot-Brittannië te leren wat modern is, maar die grootse taak ligt nog dagelijks te wachten op Blair en zijn team. Wij moeten Blairs moderniteit dan ook als precies het tegendeel opvatten van de moderniteit die de stroming ooit bedoelde. Of het komt doordat het parlementaire socialisme in Nederland ook in paarse modernigheid ten onder is gegaan is niet gemakkelijk vast te stellen, maar de borstklopperigheid ten aanzien van de geschiedenis is sleets. Met de teloorgang van dit parlementaire streven verdwijnt noodzakelijkerwijze het positieve zelfbeeld. En zo ontstaat er ruimte voor een nieuwe beschouwing van de 'oude' beweging, die al met al niet zo oud en onmodern aandoet als we eerst allemaal gedacht hadden. Die eerste persoon meervoud gebruik ik, omdat ook voor de Nederlandse anarchisten de scheiding der geesten als keerpunt geldt. Er waren in de negentiende eeuw wel wat losse anarchisten, maar er komt pas echt beweging als Domela de definitieve keuze gedaan heeft. Modern en nieuw zijn ook bij de anarchisten gekoesterde uitdrukkingen. En met de eeuw van het kind komt ook de verheerlijking van het jonge op. 'Wij zijn jong, de aard' ligt open' zong de anarchistisch getinte Jongeren Geheelonthoudersbond. Het was in het begin van de vorige eeuw een algemene tendens 92

het woord Jugendstil past er bij. Niets zo vergankelijk als de jeugd, niets zo snel versleten als het modern gewaande. Dit komt misschien wel het duidelijkst tot uitdrukking als men de eerste uitingen bestudeert van het christen-anarchisme, dat als nieuwe stroming in de vroege jaren negentig van de negentiende eeuw naar voren komt. Deze datering maakt het wonderlijk genoeg tot een vroeg uitgekristalliseerde zelfstandige stroming in het tamelijk bonte geheel van socialismen. En de gideonsbende die de stroming droeg moest zich als modern profileren ten opzichte van precies de richting in de Nederlandse Hervormde Kerk die... modern heette. Ook dit modernisme, dat allang niet meer zo heet maar nog wel bestaat, is natuurlijk gedateerd. Men spreekt nu van vrijzinnig protestantisme, de eerste 'zuil' die zijn eigen omroep zich zag losmaken - en veel meer media had de vrijzinnigheid niet meer. Een beetje geloven, inmiddels een soort geuzenuitdrukking met betrekking tot de vrijzinnigheid, is misschien nog wel moeilijker

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

dan niet of helemaal geloven. Er was weinig dat niet ter discussie gesteld kon worden op het gebied van geloofszekerheden (toch al een tegenstrijdige uitdrukking) - tot en met het historisch bestaan van Jezus.' Discussies in modernhervormde kring maken een verrassend open indruk. Ook op maatschappelijk gebied kon veel besproken worden. In het algemeen waren de predikanten de radicaal-liberale richting toegedaan, een stroming die in de loop van de twintigste eeuw met de sociaal-democratie versmolten is. Het zijn juist de 'moderne' verworvenheden door die radicalen tot stand gebracht die de diverse edities van Paars bij wijze van modernisering hebben afgebroken: overheidsbezit van nutsbedrijven, allerhande sociale verzekeringen en rechten van 'werknemers'. De maatschappelijke keuzen die de 'sociale quaestie' opriep werden ernstig en op hoog intellectueel niveau besproken in De Hervorming, het blad van de modern-hervormden. Men moet beseffen dat studeren in het algemeen, en theologie in het bijzonder, een voorrecht van de elite was, zeker nog in die tijd. Het vergde een vorm van klassenverraad om voor 'de arbeiders' te kiezen als predikant. Ook als men, in overeenstemming met de eis van het predikantschap, geen voorkeur wilde uitspreken in de sociale quaestie - ook de kapitalisten waren immers gemeenteleden -, men zag de klassenstrijd als realiteit. Er werd ernstig gediscussieerd over betekenis en toekomst van het socialisme. Kom daar nu eens om, denk je als je de discussies leest - en nog erger, het lijkt wel of ze met terugwerkende kracht weggeretoucheerd zijn. Wanneer komt in het zogenaamde maatschappelijk debat het sprookje tevoorschijn dat klassenstrijd iets is wat 'gepredikt' wordt,

en zeker niet door dominees? In dit modem-verlichte milieu, dat uitmunt in religieus getinte redelijkheid, komt de 'jonge' opstand met enerzijds de eis van meer redelijkheid en anderzijds meer religie. Het modemisme is lauw, het raakt 'de mensen' niet, de nadruk moet liggen op gevoelsherleving en op verlossing van hen die zwoegen en die in drankzuchtige onwetendheid en ongeloof ten onder gaan. Joh. Kuiken in Het Bildt laat bij wijze van preek Domela Nieuwenhuis optreden in de kerk - en dit geeft uiteraard rumoer, want Domela is uitdrukkelijk uitgetreden en heeft nog wel het ambt van (luthers) dominee neergelegd. De klemtoon ligt bij Kuiken op het bestrijden van de alcohol. Dit is ook het uitgangspunt van Louis Mhler, die - uitzonderlijk voor studenten, ook of juist in die tijd - protesteert tegen de drankcultuur in studentenkringen, en uit de tweede hand Tolstojs Waarom de mensen zich bedwelmen vertaalt, in 1893. Samen met zijn vertaling van Schmitts Christelijke anarchie uit het zelfde jaar het startpunt van het christen-anarchisme als zelfstandige stroming. In het krachtenveld van het Nederlandse socialistische streven is het daarmee vroeg als aparte stroming. De 'parlementairen' zouden zich pas organiseren in 1894, het zou nog langer duren voordat de Socialistenbond definitief ten onder ging aan de scheiding tussen parlementairen en anti-parlementairen (de atheïstische anarchisten). Men kan tegenwerpen dat deze vroege verschijning op het toneel nog geen organisatie betekende. Maar dit kan men in grote lijnen ook zeggen van de 'goddeloze' anarchisten: buiten de vakbeweging was organisatie juist het grote strijdpunt - Domela zag er eigenlijk niets in,

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

93

en dus is er niet veel van gekomen. Ook in 1893 laat Felix Ortt van zich horen als kerkmeester in Brielle, met een mathematisch berekend gewogen verkiezingssysteem voor ouderlingen die moeten bepalen van welke richting een predikant zou moeten zijn. Zo zou de stem van de gemeente gehoord worden met respecteren van de minderheden. Werd het een zware, een lichte of een moderne? Van het plan wordt verder niets vernomen. In de betrokken jaargangen van De Hervorming staan vaste bijdragen van 'L.B.'. Het zijn naar de normen van dit blad vooral journalistiek-redactionele bijdragen. Ik ben geneigd te vermoeden dat de initialen niet voor 'Louis Bahler' staan, vanwege diens geldingsdrang. Desnoods zou het zijn gelijknamige vader, ook predikant, kunnen zijn. De vraag komt op, doordat het blad niet de indruk wekt de 'jongeren' aan banden te leggen. Bahler noemt als een uitlaatklep voor 'ons' - nee, niet De Arbeider, waar hij toch ook wel eens in schrijft, maar het blad Sphinx - bijdragen tot de studie van het menschenmadsel en der psychische wetenschappen. Titel en ondertitel wijzen er al op dat dit 'jongeren'blad vooral op (theosofisch geïnspireerde) metapsychica en spiritisme gericht was. Het blad heeft het twee jaar volgehouden (1893-1895). Het doet achteraf vreemd aan deze stroming als nieuw, jong en een beetje opstandig waar te nemen - per slot van rekening is het spiritisme intussen een gezonken cultuurgoed. Een inspiratiebron voor 'de jongeren' was het Parlement der Godsdiensten op de Wereldtentoonstelling van Chicago, 1893. Bij dit Parlement bleef voor hen niets over van de tot dan vermeende superioriteit van het christendom en het 94

nog verse idee van de uitverkiezing van het blanke ras. Het bestuderen van geloof en volkscultuur van vreemde volkeren, en allengs die van de 'eigen' folklore, kwam in zwang. Een van de jonge dominees - Anne de Koe - heeft later het volksdansen uitgebreid geïnventariseerd en gepropageerd in de Arbeiders Jeugd Centrale (een invented tradition die haar wortels heeft in deze neoromantische jongerenepisode). De Koe was in De Hervorming een van degenen die beslist als dweper kon worden aangeduid - een van de weinige authentieke 'tolstojanen' die Nederland gekend heeft. Hij is door de ervaring met de christen-anarchistische kolonie in Blaricum en Van Eedens Walden van meer dan één geloof afgeraakt. De andere dominee die zich in het blad als uitgesproken tolstojaan deed kennen was zowaar H.W.Ph.E. (Henri) van den Bergh van Eysinga. Hij had zich al eerder doen kennen als een 'jongere' die volledig inlevingsvermogen in de bleke jongeling aan het kruis had ge vraagd. (Hij wist ook zeker dat die jongeling blond was - we moeten er maar niet aan denken waar hij die kennis vandaan had...). De cultus van die lijdende stakker was misschien wel het zwaarste dat men van moderne dominees kon vergen. Zelfs als hij allegorisch was voor lijdende mensen in het hier en nu, was het voor de Leben Jesuvorsers een stap te ver. De verwelkoming van Het koninkrijk Gods is binnen in u van Tolstoj paste hier bij. Van den Bergh was enige tijd de actiefste schrijver in het blad namens de jongeren die de buitenwacht gaandeweg tolstojanen ging noemen, en die zelf voor de naam christen-anarchisten kozen - wat mij een juiste keuze lijkt. Van 1893 tot 1897 is Van den Bergh een bron van tegen-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

spraak en discussie - en het is even snel speeld hebben bij zijn afscheid van het christen-anarchisme, maar ondanks zijn afgelopen als het opgekomen is. Als in 1897 de christen-anarchisten hun partijlidmaatschappen kan niet gezegd eigen blad Vrede oprichten, zich bekla- worden dat Van den Bergh zich ooit ver gende dat De Hervorming niet genoeg van deze stroming heeft bevonden. Zijn ruimte biedt voor hun standpunten, is keuze voor de filosoof Hegel lijkt mij Van den Bergh van Eysinga niet meer goed voorstelbaar zonder grote invloed 'van de partij'. Hij verwerpt het Chris- van Bolland, met wie hij tenslotte ook al tusidee van Tolstoj als primitief en niet heel snel breekt. passend bij een beschaafde samenle- De jongeren werden ouder, het chrisving. In zijn dissertatie, Levensbeschou- ten-anarchisme maakte zijn stormen wing, ontvouwt hij in 1897 een esthe- mee in de vorm van de kolonie van Blatisch-mystiek idee van religieuze ricum, strubbelingen over 'de lijn', het opwekking tot het socialisme - de ethi- barbarendom van de Grote Oorlog sche consequentie van deze religieuze maar dan zijn de vroegere jongeren inherleving. Een revolutie binnen de per- middels de vijftig gepasseerd. De 'jonsoonlijke revolutie die hij al had onder- geren' van die periode worden aangegaan - en het dient gezegd, daar was trokken door het idee van geheelonthet laatste decennium van de negen- houding, en weinigen blijven bij het tiende eeuw rik aan in Nederland, aan anarchisme. En het modernisme, dat in persoonlijke omwentelingen. Niet veel die jaren negentig een rumoerige linlater zal hij zich ook op de volksverha- kervleugel geamputeerd zag? Het bleef len storten en zal hij de historiciteit van modern en vrijzinnig en toen de tijd Jezus Christus grondig in twijfel trek- daar was kreeg het zelfs nog zijn eigen ken. omroep - en daar is weer een ander jonInvloed van Bolland kan een rol ge- gerenverhaal aan verbonden. NOTEN (1) Niets ten nadele van Otterspeers Bolland-biografie, maar zijn stelling dat het een merkwaardig eigen idee van Bolland was dat 'Jezus' een godsdienstige constructie was/is, ziet voorbij aan de Leben Jesu-Forschung die al een traditie had toen Bolland achter de lessenaar verscheen. - (2) Het bovenstaande is deel van een al jarenlang lopend 'werk in uitvoering', dat inmiddels zijn voltooiing lijkt te naderen, Ik heb er van afgezien het een en ander toe te lichten aan de hand van citaten uit De Hervorming met de desbetreffende vindplaatsen, omdat dit de lijn van het betoog of verhaal ophield. Tot mijn verrassing 'mag' verhalende geschiedschrijving weer, getuige Republiek van rivaliteiten van Piet de Rooy of Nederland van Han van der Horst (nog anarchist geweest!) - of Waarachtige volksvrienden van Dennis Bos, de definitieve doorbraak van een andere geschiedschrijving over die 'oude beweging', besproken in De AS 134/135.

Negende Jaarboek Anarchisme/De

AS 1381139

95

'HIJ IS VAN AARD ZEER MILITANT, HEFTIG EN OPVLIEGEND' Piet Kooijman in de strafgevangenis Leeuwarden Hans Ramaer Op een avond in december 1973 - een jaar voor zijn overlijden - sprak fl< met Piet Kooijman, de eigenzinnige anarchist en propagandist van het neem-en-eetrecht. Onder meer kwam de bomaanslag van november 1921 die avond ter sprake. Met enkele anarchistische kameraden had hij toen een bom laten ontploffen op het Frankenslag in Den Haag. De pui van de woning van majoor Vers pijck - een lid van de krijgsraad die de hongerstakende dienstweigeraar Herman Groenendaal had veroordeeld - werd vernield. Maar niemand raakte gewond. Hoofdcommissaris van politie Francois van 't Sant arresteerde hem nog diezelfde avond in zijn stamcafé. Als hoofddader werd Kooijman zwaar gestraft. Hij kreeg zes jaar - zonder aftrek van voorarrest - die hij in de Leeuwarder strafgevangenis uitzat. Mededader Leen van der Linde, veroordeeld tot vijf jaar, moest naar de strafgevangenis in Arnhem. Over die tijd in Leeuwarden, waar hij vanaf 10 april 1922 verbleef, maakte hij die avond slechts een paar opmerkingen. Ook in andere interviews heeft Kooijman nauwelijks over die gevangenistijd gesproken. Alleen kort na zijn vrijlating schreef hij er over in de anarchistische bladen Opstand en Recht voor Allen. Het gaat in totaal om drie korte artikelen. In Opstand - dat gezien kan worden als een rechtstreeks voortzetting van het door Anton Constandse geredigeerde blad Alarm - blikte hij najaar 1928 kort terug op zijn straftijd in een tweetal artikelen ('Grepen uit mijn aantekeningen en nog wat'). En in het eerste nummer van Recht voor Allen, dat in 1930 kortstondig de plaats innam van het inmiddels opgeheven Opstand, vertelde Kooijman over zijn ervaringen met het 96

verplichte kerkbezoek in het artikel 'Gemoedsbezwaren tegen godsdienstoefeningen in gevangenissen en gestichten'. Kortom, voor een reconstructie van Kooijmans straftijd zijn diens opgetekende herinneringen en mededelingen onvoldoende en is hetgeen daarover in de archieven van de Leeuwarder gevangenis bewaard is gebleven een welkome bron van informatie. De gevangenis in Leeuwarden was een oud en somber gebouw, dat in 1886 was aangewezen tot Bijzondere Strafgevangenis voor mannen, die tenminste vijf jaar gevangenisstraf moesten uitzitten. De Leeuwarder gevangenis was dus expliciet bedoeld voor zwaar gestraften en het regime was er uiterst streng. Levenslang gestraften moesten er de eerste vijf jaar in afzondering op hun cel doorbrengen. Weliswaar waren in Nederland in 1879 alle lijfstraffen afgeschaft maar de strafgevangenis in Leeuwarden was daarvan uitgezonderd. Hoewel ze nooit daadwerkelijk werden

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

toegepast bleven lijfstraffen volgens het huishoudelijk reglement dus toegestaan. Het hoogste gezag in de gevangenis berustte bij het college van regenten die afkomstig waren uit de gegoede burgerij. De regenten oefenden een minutieus toezicht uit op het dagelijks leven van de gedetineerden, die voor de meest eenvoudige zaken om toestemming aan dit bestuur moesten vragen. Met de dagelijkse gang van zaken was de vergadering van hoge gestichtsambtenaren belast. Daartoe behoorden behalve de directeuren ook de artsen, de gevangenispsychiater en de geestelijke verzorgers. Gedetineerden werden ernstig beperkt in het contact met de buitenwereld. Bezoek (van naaste familie) werd spaarzaam toegestaan, het schrijven van brieven was gelimiteerd, censuur de gewoonste zaak van de wereld. De enige ontspanning bestond uit het lezen van boeken uit de gevangenisbibliotheek, want kranten kwamen het gebouw niet binnen. De gevangenen waren als het ware buiten de samenleving geplaatst. Maar ook binnen de gevangenis heerste een beleid van zoveel mogelijk afzondering. Zo was contact met medegevangenen verboden. Dit werd benadrukt door ieder te verplichten buiten de cel een kap te dragen waarin slechts twee gaten voor de ogen waren uitgespaard. Het luchten gebeurde op cirkelvormige plaatsen die als een taart in partjes verdeeld waren, zodat daar eveneens ieder sociaal contact onmogelijk werd gemaakt. Ook het (verplicht) bijwonen van de godsdienstoefeningen gebeurde volstrekt geïsoleerd. De gevangenen zaten in kleine hokjes die uitzicht boden op de geestelijke of godsdienstleraar. Ze konden elkaar niet zien en op spreken stonden zware disciplinaire straffen

zoals opsluiting op water en brood. Anton Constandse, die in 1927 twee maanden in de strafgevangenis in Scheveningen doorbracht, merkte een halve eeuw later op dat de behandeling van gedetineerden er niet wezenlijk verschilde van wat tegenwoordig 'isolatiefolter' genoemd wordt. Op het strenge regime in Leeuwarden was die kwalificatie dan ook ongetwijfeld van toepassing. Piet Kooijman heeft zijn straf van zes jaar volledig uitgezeten: voor een voorwaardelijke invrijheidsstelling kwam hij volgens de minister van Justitie niet in aanmerking, de zogeheten huisgratie van enkele maanden weigerde hij. En zoals zijn latere vriend en geestverwant Leo (Lieuwe) Hornstra schreef, bleef hij al die jaren onverminderd strijdbaar, altijd agerend, soms voedsel weigerend, telkens verzoeken en klachten indiendend. Zo moet hij de directie en het college van regenten voortdurend tot wanhoop gedreven hebben. Het begon al op de dag dat Kooijman in Leeuwarden aankwam. Als vrijdenk wenste hij vrijgesteld te worden van 0 e voor gedetineerden verplichte go • sdienstoefeningen. Ondanks zijn protc-t werd hij niettemin ingeschreven... .1s protestant. Dat waren de regels en tro wens - zo kreeg hij te horen - 'wie pr testeert zal wel protestant zijn'. Sinch. dien verliep zijn wekelijkse gang na. de 'hokjeskerk' nooit zonder verzet. a ruim anderhalf jaar kwam het slepen • e conflict tot een uitbarsting. Na zijn he haaldelijk interrumperen van de god dienstleraar besloten de regenten op A. november 1923 dat de maat vol wa . Wegens ordeverstoring werd Kooijm. veroordeeld tot zeven dagen eenz . opsluiting in een strafcel. Een matras -

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

dekens ontbraken en het was er steenkoud. Nog drie keer werd hij gedwongen de godsdienstoefeningen bij te wonen, daarna liet men hem 's zondags voorgoed op zijn cel. Om het gezichtsverlies te beperken liet het college van regenten weten dat het had besloten om Kooijman 'tijdelijk' vrij te stellen van het kerkbezoek. Maar het was duidelijk dat Kooijman de strijd gewonnen had. En na verloop van tijd werd de verplichting voor iedereen geschrapt. Ondertussen had het sociaal-democratische Tweede Kamerlid Th. van der Waerden vragen over de kwestie gesteld aan minister van Justitie Heemskerk. De SDAP'er wilde van de bewindsman weten of het Leeuwarder college van regenten wel in voldoende mate rekening hield met "gemoedsbezwaren van gevangenen", maar minister Heemskerk hield de boot af en liet weten dat hem niets bekend was van "ernstige bedenkingen tegen kerkbezoek." Zeer waarschijnlijk wist hij wel beter en liet hij de procureur-generaal in Den Haag in de loop van 1925 een nader onderzoek instellen naar de 'geestestoestand' van Kooijman, omdat deze hem als verantwoordelijke voor het regime in de strafgevangenis in meerdere brieven 'bedreigd' had. Omdat er strenge beperkingen waren aan het schrijven van brieven en ze ook niet zonder controle verstuurd mochten worden, is het vrijwel zeker dat Van der Waerden op de hoogte was gebracht van het 'kerkschandaal' door Johan Lodewijk. Deze was een vriend en geestverwant met wie Kooijman geregeld correspondeerde en die ook toestemming had gekregen om hem te 98

bezoeken. Lodewijk was vele jaren redacteur geweest van het sociaal-anarchistische blad De Toekomst en had Piet Kooijman en zijn kameraad Leen van der Linde na hun breuk met de communistische partij in 1919 gastvrijheid verleend in het blad. Maar de meerderheid van de sociaal-anarchisten rond De Toekomst was zo weinig gecharmeerd van Kooijman en Van der Linde dat Lodewijk na verloop van tijd het veld moest ruimen als redacteur. Sindsdien lag zijn sympathie voorgoed bij het rebelse anarchisme van Constandse en Kooijman. Lodewijk was Kooijmans navelstreng met de buitenwereld. Hoewel veel lezers van Alarm - het door Constandse geredigeerde anarchistische maandblad dat sinds mei 1922 verscheen - reageerden op de oproepen om brieven en kaarten naar Van der Linde en Kooijman (gedetineerde 53-659) te sturen, verboden de Leeuwarder regenten elke briefwisseling van gevangenen met anderen dan de naaste familieleden. Maar omdat Lodewijk zich voordeed als zijn zwager kon Kooijman met hem corresponderen en bereikten langs die weg zelfs enkele korte artikelen de kolommen van Alarm. Toen na enkele jaren Lodewijks ware identiteit bekend werd kwam er niet alleen een abrupt einde aan diens bezoeken, maar mocht hij ook niet meer met Kooijman corresponderen. Dit laatste verbod was echter van korte duur: het college van regenten kon zich uiteindelijk vinden in Kooijmans pleidooi voor een ruimere interpretatie van de gevangenisregels en stond sindsdien ook briefwisseling toe met anderen dan naaste familieleden. Zo werd het schriftelijke contact met de buitenwereld, inclusief de anarchistische beweging, weer hersteld.

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

Het gedwongen kerkbezoek, het beperken van correspondentie en bezoek, de censuur, de absurde huisregels ('Het is gevangen verboden over de toestanden in de gevangenis te berichten'), de eenzame opsluiting ('De gemeenschap is niet goed voor Kooijman en Kooijman niet voor de gemeenschap', zei de gevangenisarts), het waren maatregelen die Kooijman voortdurend tot verzet prikkelden. Maar misschien wel het felst verzette hij zich tegen het verbod voor gedetineerden om kranten en tijdschriften te lezen. Als gevolg daarvan bleef binnen de gevangenismuren grotendeels onbekend wat er daarbuiten gebeurde. Behalve een zwaar gecensureerde Haagsche Post kregen de gevangenen geen dag- en weekbladen onder ogen. Daarom zei Kooijman mij een halve eeuw later dat de actuele foto's die de redactie van De Telegraaf hem op verzoek van Lodewijk - toestuurde van niet te onderschatten betekenis waren geweest. Zo kon hij - weliswaar fragmentarisch - het nieuws blijven volgen. Pas toen de helft van zijn straftijd er bijna op zat, vroeg de directeur of hij de sociaaldemocratische krant Het Volk wilde lezen. Kooijman hield de eer aan zichzelf en sloeg het aanbod af. Hij vertelde hem dat hij als jeugdig lid van de SDAP nog met die partijkrant had gecolporteerd en - hoewel allerminst partijcommunist - nu de voorkeur gaf aan het lezen van het CPH-dagblad De Tribune. Maar dat verzoek was al herhaaldelijk afgewezen door het college van regenten, zoals ook zijn pogingen om zich te abonneren op de anarchistische tijdschriften Alarm, De Moker en De Vrije Socialist mislukt waren. 4 In brieven die Kooijman in het najaar

van 1925 aan het sociaal-democratische Tweede Kamerlid J.E.W. Duys schreef noemde hij zich een "voor een politiek 'misdrijf' veroordeelde socialist." Waarschijnlijk had hij zich nu een 'politieke gevangene' genoemd en gezien het zeer zware vonnis en het strenge regime in Leeuwarden niet eens zo onbegrijpelijk. Hoe verschillend bijvoorbeeld verliep de detentie van een andere gestrafte Johan Brouwer - die zich nooit met politiek, laat staan met linkse politiek had ingelaten. Overigens zou Brouwer in de jaren dertig bekend worden als hispanist en historicus en nadrukkelijk partij kiezen in het politieke krachtenveld. Evenmin als Kooijman beantwoordde Brouwer echter aan het profiel van de doorsnee gedetineerde. Brouwer zat vrijwel gelijktijdig (van eind 1922 tot eind 1928) gevangen wegens medeplichtigheid aan moord. Hij was kort tevoren afgestudeerd in Leiden waar hij Indische talen gedaan had. Zijn plan was om als ambtenaar naar de Oost te gaan. Eerder doorliep hij de Zendingsschool maar een geloofscrisis had een scherpe wending aan zijn leven gegeven. De uit een eenvoudig orthodoxprotestants gezin afkomstige Brouwer was meer en meer geïnteresseerd geraakt in wereldse zaken en daardoor in geldnood gekomen. Een bankroof had uitkomst moeten brengen. Brouwer bleek een modelgevangene te zijn. Hij kreeg dan ook alle medewerking van de gevangenisdirectie bij zijn studie Spaanse taal en letterkunde, mocht bezoek ontvangen en met zijn psychiater corresponderen. Weliswaar was Kooijman niet altijd gemakkelijk in de omgang - hoewel het 'lagere' gestichtspersoneel hem wel mocht - en was tactvol optreden niet zijn sterkste kant, het valt niet te ont-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

99

kennen dat de (justitiële) autoriteiten hem zo'n beetje de oorlog verklaard hadden. En Kooijman was de laatste om die strijd te ontlopen. Op Tweede Kerstdag 1925 schreef hij een brief van zes kantjes aan de SDAP'er Duys met kritiek op directie en regenten. Daarin deelde hij mee dat het merendeel van zijn brieven (onder meer de twee eerder aan Duys gerichte) niet werd doorgelaten, zijn verzoeken om zich te abonneren op kranten en tijdschriften categorisch werden afgewezen en dat hij sommige boeken uit de bibliotheek niet mocht lenen (bijvoorbeeld een roman van Israël Querido, omdat die pornografisch zou zijn). Maar het meest vernietigend was hij over het gebrek aan medewerking bij zijn talenstudie. Weliswaar mocht hij een leerboek Duits bestellen maar van de ene op de andere dag was Das Kapital van Marx - dat hij van plan was te vertalen - uit de bibliotheekcatalogus verdwenen. En het lezen van Duitse politiek-culturele tijdschriften zoals Die Aktion werd hem verboden. Ook deze brief werd door de gevangenisdirectie achtergehouden, in tegenstelling tot een aan de nieuwe minister van Justitie J. Donner gericht schrijven van Kooijman. Eind maart 1926 liet deze bewindsman hem via het college van regenten weten dat "het beleid ten zijnen aanzien van het gestichtsbestuur mij geen aanleiding geeft tot tussenkomst." Op dat moment was Kooijman er al van op de hoogte dat al zijn brieven Duys nooit bereikt hadden en kondigde hij aan uit protest in hongerstaking te zullen gaan. Het bleek geen loos dreigement. Vanaf de eerste april weigerde Kooijman alle 100

eten en drinken, wat hij dertig dagen zou volhouden. Na vier dagen werd hij op last van de psychiater overgebracht naar de 'isoleercel der psychopatenafdeling'. Daar werd hij onder dwang kunstmatig gevoed. Op 19 mei mocht hij de isoleercel verlaten en moet hij nadien kans gezien hebben om contact te leggen met de buitenwereld (zijn vriend Lodewijk?). Hoe het zij, op 26 mei berichtte de Haagse editie van het Het Volk over de hongerstaking van Kooijman, 'een der veroordeelden uit de Haagse bommenhistorie'. Nog dezelfde dag stelde het Eerste Kamerlid voor de SDAP L.M. Hermans er vragen over aan minister Donner. De sociaal-democraat wilde onder meer weten of gedetineerde Kooijman stelselmatig studieboeken onthouden waren en of de meeste van zijn brieven, zoals die aan zijn partijgenoot Duys, waren achtergehouden. Bovendien vroeg hij de bewindsman om het bestuur en de directie van de straf-gevangenis zo nodig tot de orde te roepen. De Leeuwarder regenten hadden de bui al zien hangen en toen Donner om nadere informatie vroeg konden ze recente rapporten van de onderwijzer en van de psychiater over de dwarse gedetineerde overleggen. In zijn antwoord aan Hermans - die ooit in zijn jonge jaren redacteur en uitgever was geweest van het blad De Rode Duivel - wekte de bewindsman de indruk dat de hongerstaking, hoe betreurenswaardig ook, slechts een incident was geweest en dat ondertussen de rust en orde binnen de gevangenismuren waren teruggekeerd. Maar dat was maar schijn. Steeds weer in de maanden daarna laaide de strijd tussen Kooijman en de autoriteiten op en steeds weer ging die strijd over het censureren van zijn brieven, het verbod

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

om bepaalde bibliotheekboeken te lenen en zich te abonneren op kranten en tijdschriften. Op 1 december 1926 ging hij voor de tweede keer in hongerstaking. Ditmaal hield hij zijn voedselweigering maar liefst vijf maanden vol en opnieuw werd hij onder dwang kunstmatig gevoed en op de psychiatrische afdeling geïsoleerd. Ruim een maand later, op 7 januari 1927, informeerde de gevangenisdirectie het college van regenten uitvoerig over Kooijman. In die rapportage werd benadrukt dat "zeer weinig van zijn brieven door de beugel konden. Meestal werd er geweldig te keer gegaan over het kapitalisme of over maatschappelijke toestanden, werden er gestichtsaangelegenheden in becritiseerd of smadelijke uitlatingen over de censuur gedaan; zelfs trachtte hij zijn kameraden van hieruit nog te bewerken om tot het gooien van bommen over te gaan. Ook waren deze brieven veelal zodanig in elkaar gezet, dat het lang niet onwaarschijnlijk was, dat vele stukken daaruit bestemd waren voor de partijbladen." Verder kwamen 'het kerkschandaal' en 'het bedrog' inzake Lodewijk aan de orde, als ook Kooijmans voortdurend protesteren tegen de censuur en het verbod om (buitenlandse) bladen te lezen. Kennelijk werd zijn kritiek op het gevangenisregime als uiterst hinderlijk ervaren ("hij voelt zich een man van gewicht") en gemakshalve toegeschreven aan zijn "propaganda maken voor het communisme." "Kooijman is altijd dwars en speelt bovendien comedie", aldus de gevangenisdirectie in deze rapportage. Niettemin werden zijn woorden dat hij

zich te zijner tijd zou wreken wel degelijk serieus genomen: "(Hij) geeft meermalen te kennen.., sterk te staan voor de strijd inzake de geestelijke knevelarij enz. in de Nederlandse gevangenissen, die hij straks, als hij vrijkomt, tegen de regering op zal nemen. (...) Het slot zijner bespiegelingen komt dikwijls hierop neer dat hij de minister van Justitie dan een pak slaag zal geven of met een zweep zal afranselen. (...) Na beantwoording der vragen van de heer Hermans... zegt hij aan de hand van het Burgerlijk Wetboek zelfs het recht te hebben genoemde minister dood te schieten ofwel een lid van het College van Regenten, deze laatste als leugenachtig voorlichter van Zijne Excellentie." Ditmaal duurde Kooijmans voedselweigering zo lang dat enkele regenten zich zorgen begonnen te maken over zijn gezondheid. Half maart bezochten ze hem en troffen hem "zeer gezond in een frisse cel" aan. Zijn verzoek om voortaan gelucht te worden werd door de regenten in welwillende overweging genomen maar de gevangenispsychiater adviseerde negatief. Zo bracht Kooijman in vrijwel volstrekte afzondering de tijd door. Op 2 mei beëindigde hij zijn hongerstaking en werd het isolement opgeheven. Maar het zinde de gevangenisautoriteiten niet dat Kooijman na vijf jaar opsluiting meer bewegingsvrijheid zou moeten krijgen. Met name vanwege 'de communistische denkbeelden' die hij ongetwijfeld in de gevangenisgemeenschap zou gaan propageren vroegen ze de minister toestemming om Kooijman permanent te isoleren op zijn cel. De bewindsman stemde daar op 13 juni mee in en informeerde zo'n zes weken later naar Kooijmans 'gemoedsstemming'. Het antwoord daarop is niet opgete-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

101

kend, maar zeker is wel dat Kooijman onverminderd strijdlustig bleef. Daartoe zal hebben bijgedragen dat hem voortdurend boeken uit de bibliotheek geweigerd werden, bijvoorbeeld van de Amerikaanse schrijver Upton Sinclair, dat hij zich niet mocht abonneren op i 10, het internationale tijdschrift voor cultuur en politiek van Arthur Lehning en dat hij een exemplaar van de brochure Doodsstrijd van Leen van der Linde niet in ontvangst mocht nemen. Als pleister op de wonde kreeg hij het ANWB-blad De Kampioen uitgereikt. Ook het feit dat de Amsterdamse advocaat mr. Simon de Jong, die zich op de hoogte wilde stellen van de wijze waarop Kooijmans detentie verliep, de toegang tot de gevangenis geweigerd werd, zal niet bijgedragen hebben aan een vermindering van zijn strijdlust. Op 23 december 1927 stuurde het hoofdcommissariaat van politie in Den Haag een brief over Kooijman aan de procureur-generaal bij het gerechtshof in die stad. De politie verwees naar een artikel in het blad De Vrije Socialist van 29 mei 1926 over Kooijmans (eerste) hongerstaking. Daarin werd bericht dat Kooijman tijdens een bezoek van zijn geestverwant Lodewijk bedreigingen

geuit had aan het adres van oud-minister van Justitie Heemskerk. En de brief eindigde als volgt: "In verband hiermede zou ik het zeer op prijs stellen te mogen vernemen, wanneer Kooijman uit de gevangenis ontslagen wordt en op de hoogte te worden gesteld van eventuele bijzonderheden die omtrent zijne huidige politieke inzichten en voornemens bekend mochten zijn." De Leeuwarder regenten konden de kennelijk geschrokken procureur-generaal niet gerust stellen. Op 30 december 1927 lieten ze hem weten dat Kooijmans politieke inzichten na zes jaar niet veranderd waren: "Hij is van aard zeer militant, heftig en opvliegend." En over zijn voornemens voor de toekomst schreven de regenten dat hij "zeer zeker in staat (wordt) geacht zijn - min of meer openlijke - bedreigingen met geweld, o.a. geuit ten opzichte van de oud-minister Heemskerk, de minister Donner (en) het College van Regenten te volvoeren..." Op 9 april 1928 was Kooijmans straftijd voorbij. Zijn aantekeningen mocht hij meenemen, een aantal boeten moest hij nog betalen. Diezelfde dag nog ontving de procureur-generaal in Den Haag een telegram van de Leeuwarder regenten dat Kooijman in vrijheid was gesteld.

BRONNEN * Voor dit artikel is gebruik gemaakt van het archief Gevangeniswezen 1812-1953 in het rijksarchief Friesland te Leeuwarden, van het archief P.A. Kooijman in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam, alsmede van gesprekken die ik had met Piet Kooijman te Den Haag (december 1973) en zijn vrouw Martje Olthoff te Den Haag (augustus/september 1987). Op basis van die gesprekken schreef ik twee artikelen (in De Nieuwe Linie van 9 januari 1974 en in De AS 134/135-Achtste Jaarboek Anarchisme, zomer 2001). * Anton Constandse, De Alarmisten 1918-1933; Amsterdam 1975. * Anton Constandse, De bron waaruit ik gedronken heb. Herinneringen van een vrijdenker; Amsterdam 1985. * Herman Franke, Twee eeuwen gevangenen. Misdaad en straf in Nederland; Utrecht 1990. * Hendrick Henrichs, Johan Brouwer. Zoeker, ziener en bezielen Amsterdam 1989. * P.A. Kooijman, Neem en eet. Bomaanslag en opruiing als sociale filosofie (Met een biografie van Pieter Adrianus Kooijman door L. Hornstra; Den Haag z.j. (1967)). 102

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

DE OORLOG TEGEN DRUGS ALS DE GEZONDHEID VAN DE STAAT* Bob Black Niemand heeft ooit in zeven woorden een belangrijkere opmerking gemaakt dan Randolph Bourne: 'Oorlog is de gezondheid van de staat' (Resek 1964: 71). Duizend jaar lang is oorlog de voornaamste motor geweest achter de uitbreiding van de staatsmacht in Europa (Tilly 1992) en niet alleen in Europa. Door oorlog nemen grondgebied, rijkdom en krachten van de staat toe. Het bevordert gehoorzaamheid en rechtvaardigt de repressie van afwijkende meningen, die geherdefinieerd worden als zijnde een gebrek aan loyaliteit. Het verzacht maatschappelijke spanningen door ze naar buiten te richten, naar een vijandelijke staat die natuurlijk precies hetzelfde doet, met dezelfde gevolgen. Vanuit het perspectief van de staat is er maar één ding mis met oorlogen: dat ze ten einde komen. Dat oorlogen eindigen is uiteindelijk belangrijker dan of ze uitlopen op een overwinning of nederlaag. Af en toe betekent een nederlaag dat staten ten onder gaan, zoals de Ottomaanse en Oostenrijk-Hongaarse rijken na de Eerste Wereldoorlog, maar het is niet de regel. En ook al gebeurt het wel, maken ze de weg vrij voor andere staten. Het staatssysteem blijft niet alleen bestaan, het zegeviert. Gewoonlijk is een oorlog het risico meer dan waard - niet voor de soldaten of de noodlijdende burgers! maar wel voor de staat. Vrede is een ander verhaal. Het onmiddellijk gevolg van vrede kan een recessie of depressie zijn, zoals na de Amerikaanse Revolutie en de Eerste Wereldoorlog, toen de ontberingen temeer zuur waren doordat ze terechtkwamen op de mensen die de oorlog 'gewonnen' hadden en die er in hun naïviteit vanuit gingen dat ze zouden delen in de opbrengsten van de overwinning, die ech-

ter aan de staat toekomt, niet aan de mensen. Het regime kan het oorlogsklimaat van repressie en opoffering op kunstmatige wijze verlengen, zoals de Verenigde Staten na de Eerste Wereldoorlog hebben gedaan (de Red Scare), maar al gauw verlangden de mensen terug naar wat de toenmalige president Harding had beloofd: een terugkeer naar de normale situatie. De overwonnenen doen het natuurlijk zelden zo goed als bezet Japan en Duitsland na de Tweede Wereldoorlog, maar zelfs toen hadden de Duitsers in eerste instantie te kampen met hongersnood. Er zijn tijden geweest waarin staten vrijwel constant in staat van oorlog waren, zoals de republiek Rome, waarvan de oligarchen - zoals Livy (1960) herhaaldelijk heeft laten zien - zich zeer goed bewust waren van het feit dat oorlog een veiligheidsklep was om klassenconflicten te laten vervliegen. Koloniale oorlogen dienen dat doel ook zeer goed

* Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het Lente Supplement 1995 van de Loompanics Catalog. Speciaal voor deze Nederlandse vertaling schreef Black een actueel nawoord. De verta-

ling is van Sies van Raaij, met medewerking van Nigel Harle.

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

103

daar ze ver van huis worden uitgevochten, en meestal tegen vijanden die, hoe dapper ook, militair gezien veruit de minderen zijn. Het Britse Rijk van de achttiende en negentiende eeuw is een goed voorbeeld. Volgestopt met de rijkdommen van het commerciële kapitalisme (die weldra door de Industriële Revolutie nog ongeloofli< zouden toenemen), beveiligd door zijn insulaire positie, beschermd door de machtigste zeemacht ter wereld, met een krachtige, meedogenloze heersende klasse die de methoden van staatsmanschap uitstekend beheerste, kon de Britse staat elk moment dat ze een oorlog nodig hadden, zich er een permitteren. Aan kanonnenvoer was makkelijk te komen, er waren huurlingen genoeg op de markt, zoals de Hessen. En de vijanden van gisteren konden de troepen van vandaag worden. De Ieren, die in de zeventiende eeuw herhaaldelijk waren verpletterd, vormden zo'n bron. Vanaf 1746 hebben de Britten de samenleving en cultuur van de Schotse Hooglanders vernietigd en vervolgens uit de overlevenden Britse regimenten gerekruteerd. Ze zouden deze rendabele methoden herhalen in India, Afrika, overal. En dan konden de Engelsen ook nog hun eigen 'verbruiksgoederen' aanboren: de boeren die van hun land waren verdreven doordat de gemeenschappelijke gronden waren omheind, plus de armoedzaaiers in de steden. Die zouden niet gemist worden, bovendien waren er altijd genoeg voorhanden. Maar de tijden zijn veranderd. Sommige staten kunnen misschien een tijdje op de oude manier doorgaan - Servië, Noord-Korea, Irak? - maar de Verenigde Staten van Amerika kunnen dat niet, om tenminste twee redenen: we zijn te 104

weekhartig en we zijn te arm. Te weekhartig in de zin dat, zoals Saddam Hussein pochte voordat de tweede Golf oorlog begon, Amerika een samenleving is die zich geen tienduizend doden kan veroorloven. Daar had hij gelijk in, maar het heeft hem geen goed gedaan want hij was niet eens in staat duizend, laat staan tienduizend Amerikanen te doden. Grenada en Panama waren een lachertje, maar zelfs de goedkope bende-oorlogen zoals in Libanon en Somalië waren dat niet, en niemand heeft ook maar enige zin in een oorlog op Haïti of in Bosnië. Amerikanen zijn snel hun trek in media-oorlogen aan het verliezen, om over echte oorlogen nog maar te zwijgen. En te arm voor 'n oorlog die lang genoeg duurt om een blijvende dip te veroorzaken in de opiniepeilingen van welke president ook. De aanval op Irak vormde het keerpunt. Ondanks het feit dat de publieke opinie handig was gemanipuleerd, gingen de Amerikanen slechts akkoord met die oorlog op voorwaarde dat de 'geallieerden' ervoor zouden betalen. Zelfs de allergrootste idioten beseffen dat het leeuwendeel van hun belastingcenten wordt besteed aan oorlogsschulden en militaire uitgaven waar ze nooit de vruchten van hebben geplukt. De enige rechtvaardiging voor dodelijke slachtoffers in een hightech, mediagenieke oorlog is geld. Maar het kost meer, gigantisch veel meer dan oorlog ooit heeft gekost. Amerika heeft echter niet meer, gigantisch veel meer dan het ooit heeft gehad. Het heeft steeds minder en minder en minder. Zelfs ondanks de vereende krachten van ABC, NBC, CBS, CNN en met alle andere mainstream media achter zich (Black 1992: ch. 9) en ondanks een overweldigende overwinning (welke net zo-

Negende jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

veel geluk als wijsheid was) werd Geor-

ge Bush sr. de eerste president die een oorlog won en een verkiezing verloor aan de wietrokende, rokkenjagende ontduiker van de dienstplicht Bill Clinton. Enfin, het regime zit gevangen in wat de marxisten een 'contradictie' plachten te noemen. Het heeft oorlog nodig, want oorlog betekent de gezondheid van de staat, maar het kan zich (met incidentele, kortstondige uitzonderingen) niet veroorloven oorlogen te winnen of te verliezen. De vraag is dus: welk soort oorlog zou je kunnen beginnen - tegen niet al te ondraaglijke kosten - die deze twee valkuilen vermijdt: een oorlog die gewonnen noch verloren kan worden? NEP-OORLOG

De Oorlog tegen Drugs! Die natuurlijk geen echte oorlog is, maar wat wel genoemd wordt een Sitzkrieg, een nepoorlog. Voorheen verkochten ze ons de oorlog die een eind zou maken aan alle oorlogen, nu verkopen ze ons een eindeloze oorlog. De March of Dimes vormt een leerzaam precedent. De March of Dimes was een nationale collecte waarmee een hoop geld werd ingezameld dat (althans wat overbleef nadat het merendeel was besteed aan advertenties en administratie) werd gebruikt om het onderzoek naar een poliovaccin te financieren. Toen gebeurde het ergste: Jonas Salk ontdekte inderdaad (in 1955) een poliovaccin. Nu de doelstelling was bereikt, hield de March of Dimes op te bestaan, nietwaar? (geintje) Nee dus. De organisatie besloot over te gaan tot een amorfe zoektocht om 'geboortegebreken' te overwinnen, waar er zoveel van zijn dat de March of Dimes erop kan rekenen nog jaren in business te zijn. Sommige mensen zeggen 'het doel hei-

ligt de middelen', anderen zeggen van niet. De March of Dimes is die contradictie te boven gegaan: 'de middelen heiligen het doel.' Van hetzelfde laken een pak is het nut, voor de staat, van de Oorlog tegen Drugs. Hij kan niet worden verloren want er is geen vijand om 'm aan te verliezen. En om ontelbare redenen kan hij ook niet worden gewonnen. De overheid kan slechts een fractie onderscheppen van de coke, heroïne, marihuana en andere drugs, waarvan de prijs, door ze illegaal te verklaren, zo hoog is opgedreven dat het alleszins de moeite loont ze te smokkelen. Sommige dope, zoals marihuana en opium, kan trouwens makkelijk thuis worden geproduceerd. Vele tientallen miljoenen Amerikanen hebben zich te goed gedaan aan illegale drugs, waaronder president Clinton. Hun kinderen zien niet in waarom ze niet zouden proberen wat hun ouders hebben gedaan, ongeacht wat die ouders momenteel prediken. Kinderen trekken zich weinig aan van hun ouders als ze weten dat ze liegen. En trouwens, er is altijd alcohol. Zowel in de buitenwijken als in de getto's heeft het illegaliseren van drugs de prijs zo hoog opgedreven dat het oppakken van drugdealers geen invloed meer heeft op het aanbod. Het creëert slechts een vacature voor een andere ondernemer. Het is onder drugdealers zelfs normaal geworden om concurrenten te laten oppakken. Het maakt net zo weinig uit wie de drugs dealt als wie de staat runt. Sterker nog, dat kunnen dezelfde mensen zijn! De Oorlog tegen Drugs is de gezondheid van de staat. Doordat het een nep-oorlog is, is de Oorlog tegen Drugs fiscaal te beheersen. De regering kan er zoveel of weinig aan spenderen als ze wil, het resul-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

105

taat is toch hetzelfde. Zelfs de contante uitgaven zijn verborgen want die zijn verdeeld over de federale, staats- en lokale overheden en zijn vermengd met de fondsen voor rechtshandhaving. De grootste uitgave (gevangenissen) is er een die de meeste mensen aanzien voor zo ongeveer het beste wat de overheid voor ze doet. Achter deze denkfout ligt een misvatting omtrent wat eigenlijk het resultaat is van het justitieel systeem. Het is niet misdaadbeheersing, want ook al zou die met enige nauwkeurigheid gemeten kunnen worden, dan nog bestaan er geen aanwijzingen dat wetshandhaving in zijn algemeenheid de misdaad doet afnemen (Jacob 1984). Het product is misdaadstatistieken, welke geen afspiegeling vormen van hoeveel misdaad er is maar hoeveel wetshandhaving. Op die manier kunnen de autoriteiten een 'misdaadgolf' verzinnen wanneer ze meer geld willen, of het kalmer aan doen met de wetshandhaving wanneer ze met de eer willen strijken voor het doen van precies het tegenovergestelde - een omgekeerde Catch-22, een no-lose situatie: 'kruis ik win, munt jij verliest.' De enigen die profiteren van de honderdduizend extra politieagenten die president Clinton op straat wil hebben, zijn, naast zichzelf en hun superieuren, de Dunkin' Donutcafetaria's waar Amerikaanse agenten graag uithangen. Sterker nog, tot op zekere hoogte betaalt de Oorlog tegen Drugs zichzelf. Precies zoals legers vroeger voornamelijk 'van het land leefden' door de gebieden te plunderen waar ze doorheen trokken, proppen de drugbestrijders hun koffers vol met de buit van verbeurdverklaringen. En dat is alleen nog maar op het formele, wettelijk niveau. Buiten de boeken heeft de politie na106

tuurlijk altijd veel meer drugs in beslag genomen dan ooit hun weg vonden naar de kamers waar bewijsmateriaal wordt opgeslagen. Het ligt niet voor de hand te veronderstellen dat dealers en junkies zich daarover zullen beklagen. (Het klassieke scenario: een agent fouilleert zomaar iemand op straat - wat onwettig is. Hij vindt iets en vraagt beleefd: 'Is dit van jou?' Het antwoord is altijd nee.) Een zekere hoeveelheid drugs wordt door de politie zelf verkocht of gebruikt. Het wordt ook gebruikt om mensen vals te beschuldigen (door vermoedelijke dealers drugs in de schoenen te schuiven) en om 'op te vullen', het toevoegen van drugs aan de gevonden hoeveelheid om van een overtreding een misdrijf te maken (Knapp Commission 1973: 103-104). PARASIET

Op nog een andere manier biedt de Oorlog tegen Drugs een van de voordelen van een echte oorlog, zonder de kosten en risico's daarvan. Elke echte oorlog is een ramp voor de burgerlijke vrijheden (Murphy 1973). Zelfs op het formele, wettelijk niveau neigt de nationale veiligheid - een 'dwingend staatsbelang' - ertoe het belang van fundamentele rechten rond te bazuinen, althans totdat het schieten stopt. Intussen voeren patriottische burgerwachten de castraties uit, de lynchings, de brandstichtingen - het vuile werk dat te smerig is voor de staat, zelfs in een 'oorlogs-noodtoestand,' maar niet smerig genoeg om niet achteraf door de vingers te zien. Het gedrag van de Verenigde Staten tijdens de Eerste Wereldoorlog en de daarop volgende Red Scare is één voorbeeld; het Italië dat de liberalen lieten overnemen door de fascisten, nadat ze hen de socialisten, communis-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

ten en anarchisten buitenrechtelijk hadden laten verpletteren, is een ander. Wanneer de vrede terugkeert worden de wettelijke gronden grotendeels teruggewonnen, of er wordt zelfs meer terrein veroverd. Wanneer de staat eenmaal de radicale oppositie heeft vernietigd, kunnen de grondwettelijke rechten best hersteld worden voor de krachteloze overgeblevenen, en kan de staat zich koesteren in zijn zelf-verkondigde glorie, pronkend met zijn tolerantie - wanneer het er niet meer toe doet. De nep-oorlog is veel effectiever. Die kan niet gevoerd worden zonder grootschalige schendingen van vrijheid en eigendomsrechten. Het belangrijkste recht dat door de Oorlog tegen Drugs wordt bedreigd is het Vierde Amendement, dat onredelijke fouilleringen, huiszoekingen en inbeslagnames verbiedt. Dit wetsartikel werd in het leven geroepen tijdens de Drooglegging (1917-1933) en tegenwoordig wordt het, met de woorden van professor Fred Cohen, 'aangedreven door drugs.' De rechten van iedereen worden gedefinieerd door de rechten die de rechterlijke macht knarsetandend aan drugsovertreders verleent. Ook andere rechten worden ingeperkt. Onder de wetten met betrekking tot verbeurdverklaringen worden bezittingen ingepikt zonder fatsoenlijk proces of compensatie. Ten aanzien van de autochtone Amerikanen (indianen) - maar ook anderen - botsen de drugswetten met de vrijheid van godsdienst; datzelfde geldt met betrekking tot de praktijk om dronken automobilisten te dwingen in afkickcentra geïndoctrineerd te worden met de religieuze leerstellingen van de AA, de Anonieme Alcoholisten. Zelfs de campagne tegen wapenbezit is een indirect gevolg van de Oorlog tegen

Drugs. Drugshandelaren moeten zelf toezien op de naleving van hun contracten want de staat doet dat niet. En aangezien drugs verboden zijn, zijn ze kostbare handelswaren geworden, in de binnensteden veruit de duurste artikelen. Ondertussen roven en stelen de junks om hun verslaving te bekostigen. Het resultaat is een wapenrace en geschreeuw om controle op vuurwapens. Het ene verbod leidt tot het andere. Voor de crimineel is de perfecte misdaad de grootste uitdaging. Voor de staat is het de perfecte wet. Maar is dat een verbod op drugs? Misschien niet. Het verbod op drugs is tegenwoordig veel populairder dan het alcoholverbod ooit is geweest, maar sinds mensenheugenis is decriminaliseren ook een serieuze mogelijkheid geweest. Dat zou het weer kunnen worden wanneer de anti-drugshysterie blijft toenemen, tot een niveau waarop het niet meer vol te houden valt. En die drugshysterie zal waarschijnlijk blijven toenemen want de drugsoorlog is geïnstitutionaliseerd geraakt. Diverse instanties en organisaties hebben gevestigde belangen in de onbeperkte uitbreiding van de Oorlog tegen Drugs, ofschoon die onbeperkte uitbreiding niet alleen onmogelijk is, het zou de staat ook beroven van het grote voordeel dat de drugsoorlog in vergelijking met een echte oorlog heeft: de voorspelbaarheid en beheersbaarheid. Naarmate sommige overheidsorganen blijven doorgroeien, blijft er minder over voor de andere. Aangezien winnen net zo onmogelijk is als verliezen, zal er nooit een 'vredesdividend' worden uitgekeerd. De staat onttrekt momenteel waarschijnlijk al meer vermogen aan de burgerlijke samenleving dan wat strookt met de eigen langetermijnbelangen. Wanneer de

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

107

staat alsmaar blijft pakken, zal de parasiet de gast doden - of de gast de parasiet. STATUS QUO

Op zeker moment kan de staat bezwijken onder zijn eigen succes. De staat is gigantisch. En bureaucratisch. Wat betekent dat hij op complexe wijze is onderverdeeld naar functie (of naar wat aanvankelijk werd beschouwd als een arbeidsverdeling naar functie: in feite is het normaal geworden dat overheidsbevoegdheden elkaar overlappen of zelfs met elkaar wedijveren, en dit verschijnsel neemt gaandeweg toe). Zelfs als de linkerhand weet wat de rechter doet, kan er misschien niks aan gedaan worden. (Of anders, met de woorden van het Duitse gezegde: 'de ene hand wast de andere.') Samenwerking tussen instanties wordt steeds moeilijker naarmate de contacten frequenter en noodzakelijker worden. 'De complexiteit van gezamenlijke actie' dwarsboomt acties, of hun doel (Pressman Wildavsky 1984: ch. 5). Beleidsmatig is het erg moeilijk om te korten op het budget van een instantie, maar verhogen is makkelijk. Overheidsinstanties verzetten zich heftig tegen budgettering waarbij van nul wordt gestart, want dan moet elk jaar elke regel van het budgetverzoek opnieuw worden verantwoord, alsof het wiel opnieuw moet worden uitgevonden. En voor hogere autoriteiten is het moeilijk (zelfs als men zou willen) om gebieden aan te wijzen waarop bespaard kan worden, aangezien juist de bestaansreden van een bureaucratische organisatie is gelegen in het buigen voor geïnstitutionaliseerde expertise. Het is makkelijker om het vorige budget te beschouwen als het vermoedelijk volgen108

de en dan hoeven alleen de afwijkingen van de status quo gerechtvaardigd te worden, niet de status quo zelf. De betreffende instantie, met hun staf van 'deskundigen,' is doorgaans zelf degene die afwijkingen uiteindelijk rechtvaardigt, en de afwijkingen gaan altijd in de richting van meer geld en meer macht. En wat geldt voor één overheidsinstantie, geldt voor alle. Op die manier groeit de overheid. Over de wijze waarop de wedijver tussen arbeiders de lonen voor allen verlaagt, merkte Fredy Perlman (1969: 17) op: 'De dagelijkse praktijk van allen doet de doelstellingen van elk van hen teniet.' Interacties tussen instanties neigen naar hetzelfde effect, zo ook hun wedijver voor meer belastinggeld. Voor de staat zijn de langetermijngevolgen van de Oorlog tegen Drugs onheilspellend. Hoe meer de staat de controle op de samenleving uitbreidt, hoe minder controle hij heeft op zichzelf. Hoe meer de staat de samenleving absorbeert, hoe zwakker de staat wordt als entiteit die ontvankelijk dient te zijn voor de burgerij. Hij desintegreert in een autoritair pluralisme dat doet denken aan het feodalisme, maar dan zonder de romantische charme daarvan. De meeste instanties worden niet vetter van de Oorlog tegen Drugs, maar sommige wel. En die gaan het eerst hun eigen weg. Zo had minister van Justitie Janet Reno geen enkele controle over het Bureau voor Alcohol, Tabak en Vuurwapens toen die de Branch Davidians in Waco uitroeide (19 april 1993), maar ze nam er wel de verantwoordelijkheid voor. De DEA (Drug Enforcement Administration) is net zo onafhankelijk als de FBI van Hoover of de CIA van wie dan ook. Een ander onvermijdelijk gevolg van de

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

Oorlog tegen Drugs is corruptie (Sisk 1988). Omdat zowel de straffen als de 1982). Niet dat corruptie per se slecht is opbrengsten van het drugsverkeer veel voor de staat. Tot op zekere hoogte pro- hoger zijn geworden, is de politie haar fiteert de staat van de afpersing door de protectie voor een veel hogere prijs politie van drugdealers, bookmakers, gaan verkopen (Sisk 1982). Drugscorsouteneurs en andere illegale onderne- ruptie is de groeisector van politioneel mers. Hoe meer de politie binnenhaalt wangedrag (Carter 1990). met steekpenningen en inbeslagnames, Voor de staat is het probleem van de op hoe minder salaris er betaald hoeft te hol geslagen corruptie gelegen in het worden. De leidinggevenden van agen- feit dat ze niet beperkt kan worden tot ten die weten dat zij omkoopbaar zijn waar de opbrengsten de kosten over(en dat weten ze, want ze zijn zelf ook schrijden. De staat heeft de politie noomkoopbaar) (Chambliss 1988) kijken dig voor een beetje selectieve rechtsde andere kant op totdat ze om een of handhaving, en, veel belangrijker, voor andere reden willen afkomen van een maatschappelijke controle: om stakinagent. Corruptie is zodoende een mana- gen te breken, krakers uit te zetten, relgement tool. len te beteugelen, dissidenten te onderdrukken en het autoverkeer gaande te OVERDOSIS houden. Zelfs in onze hoogontwikkelde Sommige agenten worden te gulzig en maatschappij, waar manipulatie de hipgaan te ver. De meeste zijn 'graseters' ste controlestrategie is, is er vaak geen die, als het zo uitkomt, best steekpen- alternatief voor het vuurwapen en de ningen willen aannemen. Sommigen gummiknuppel. echter zijn 'vleeseters,' afpersers die Wanneer puntje bij paaltje komt kan pro-actief op zoek gaan naar mogelijk- men echter niet meer echt rekenen op heden, zoals de detectives van de Speci- een politiekorps dat vergaand corrupt al Investigative Unit worden afgeschil- is geworden. Vleeseters hebben geen derd in de film Serpico (Daley 1978; tijd meer om de wet te handhaven, net Knapp Commission 1973). De graseters zo min als agenten die financieel afhandekken de vleeseters met hun blue code kelijk zijn geworden van de drugsgelof silence aangezien ze allemaal wel iets den. Agenten die zich bezighouden met te verbergen hebben. Tot voor kort het handhaven van drugswetten zijn dachten de korpsbeheerders en hun niet beschikbaar om andere te handhaacademische bondgenoten dat ze de ven. De laatste jaren heeft het undercocorruptie onder controle konden hou- verwerk zich gigantisch uitgebreid den door allerlei institutionele hervor- (Marx 1988), met meer corruptie als onmingen, waarvan de meeste in eerste vermijdelijke gevolg (Girodo 1991). Poinstantie waren voorgesteld door de litieagenten zijn net als arbeiders beKnapp Commissie (Sherman 1978). rucht moeilijk te managen doordat ze Misschien hadden die hervormingen ef- vaak zelfstandig werken, zonder onfect kunnen hebben, ware het niet dat middellijk toezicht. Vooral detectives er zoiets als de Oorlog tegen Drugs be- kunnen met betrekking tot hun activistond. Corruptie maakt een comeback, teiten een grote mate van terughouzelfs in het door Knapp hervormde po- dendheid betrachten (Skolnick 1975; litiekorps van New York (Dombrink Daley 1978), en meer drugsbestrijding Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

109

betekent meer recherche- en undercoverwerk. Die agenten volgen hun eigen agenda. Waarom likken honden hun ballen? Omdat ze erbij kunnen. Corruptieschandalen demoraliseren de politiemacht en ontnemen de staat een deel van haar legitimiteit. De meeste mensen gehoorzamen de wet, niet omdat ze bang zijn gestraft te worden als ze dat niet doen, maar omdat ze geloven in het systeem. Naarmate ze daar steeds minder in geloven, zullen ze er ook minder aan gehoorzamen. Niet alleen de wetten die er niet toe doen (zoals 'gebruik geen drugs') maar ook die er wel toe doen (zoals 'betaal je belasting'). En, ironisch genoeg, belemmeren

campagnes tegen corruptie de effectivititeit van het politiewerk op andere gebieden (Komblum 1976). De staat heeft zichzelf zo zwaar opgekalefaterd dat de fundamenten beginnen te kraken. En hier is geen sprake van een elefantiasis die verlicht kan worden door privatisering. Wie het huisvuil ophaalt, doet er niet toe. Wat ertoe doet is wie de wapens heeft. De kern van de soevereine staat - de middelen om de orde te handhaven - is aangetast door kanker, die niet geopereerd kan worden. Hoe toepasselijk: de staat zou wel eens kunnen overlijden aan een overdosis.

NAWOORD: NA 11 SEPTEMBER

In bovenstaand essay, nu acht jaar oud, ermee akkoord alleen te laten zien wat heb ik erop gewezen dat, ten eerste, ze mochten laten zien, en om vooral aloorlog de staat sterker maakt - geen ori- leen te melden wat hen werd verteld. gineel idee - en ten tweede dat een nep- De enige Amerikanen buiten de regeoorlog zoals de Oorlog tegen Drugs ring die zelfs de meest elementaire dinvanuit het oogpunt van de staat de gen wilden weten omtrent wat er aan meeste van de voordelen van een echte de hand was - en dat waren er weinig oorlog kan hebben, zonder de meeste waren degenen die de moeite namen bezwaren. De afgelopen jaren hebben buitenlandse kranten en radiostations deze hypothese bevestigd. Ik heb echter op te zoeken. Tot op de dag van vannooit gesuggereerd dat nep-oorlogen daag zijn er nauwelijks Amerikanen die echte oorlogen zouden kunnen vervan- zich realiseren dat hun militairen in Afgen. De 'enige supermacht ter wereld' ghanistan al meer burgers hebben gedood is in staat om, althans een tijdje, een dan er op 11 september omkwamen. oorlog op twee fronten vol te houden. De Oorlog tegen Terrorisme lijkt in één Na 11 september zou niemand willen cruciaal opzicht meer op de Oorlog tebeweren dat 'Amerikanen hun trek in gen Drugs dan een gewone oorlog: de media-oorlogen snel aan het verliezen intensiteit en duur staan volledig in zijn.' Maar kijk eens wat er voor nodig dienst van het staatsbeleid. Ze kan niet is geweest om hen hun trek in bloed te- verloren of gewonnen worden tenzij bij rug te laten krijgen. proclamatie. De staat kan hier en daar De eerste ronde van de Oorlog tegen naar willekeur terroristen op de vlucht Terrorisme was minstens net zo'n me- jagen of oppakken en een stroom van dia-oorlog als een echte oorlog. Zonder media-overwinningen genereren, in de protest gingen alle belangrijke media zekerheid dat er altijd, indien nodig, meer 110

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

'gebruikelijke verdachten' zullen zijn. Sterker nog, een andere parallel met de Oorlog tegen Drugs is dat de regering aan beide kanten van de frontlinies staat. Het regime van Saoedi-Arabië en de emiraten aan de Perzische Golf, wiens heersende families grotendeels het geld leveren voor de islamitische terroristen, worden beschermd door een Amerikaans baldakijn. De inlichtingendiensten van Pakistan, de onmisbare bondgenoot in de oorlog tegen Afghanistan, steunen de terroristen in Kasjmir die meer dan eens dichtbij het uitlokken van een kernoorlog zijn gekomen. Amerika's halfbakken, halfhartig beleid op het gebied van de internationale mensenrechten is opzijgezet ten gunste van staatsterroristische regimes in centraal-Azië, Somalië en (zou ik durven beweren) Indonesië. De Oorlog tegen Terrorisme heeft bij wijze van spreken de Oorlog tegen Drugs een shot in de arm gegeven. In februari 2001 vemietigde de Talibaan de opiumoogst in Afghanistan, de bron van 75 procent van de heroïne in de Amerikaanse straten. Een paar maanden later vernietigde Amerika de Talibaan, en de boeren gingen weer over tot het telen van opium, waardoor de politie zich weer net zoveel met drugsbestrijding kan bezighouden als ze zin in hebben. In de niet al te verre toekomst zullen de Oorlog tegen Terrorisme en de Oorlog tegen Drugs samenvallen. Al jaren bewenen 'experts' en politieke oenen het 'narco-terrorisme' van guerrillabewegingen in Zuid-Amerika, speciaal Colombia (een andere belangrijke bron van heroïne voor de Amerikaanse markt). In naam van de Oorlog tegen Drugs hebben de Verenigde Staten daar al militair geïntervenieerd door het on-

fortuinlijke Colombiaanse leger, dat al 54 jaar niet in staat is de groepen rebellen te verslaan, te voorzien van wapens en trainingen. Amerika staat nu ongeveer waar het in 1961 in Vietnam stond. Het is bijna onontkoombaar dat grondtroepen en luchtstrijdkrachten zullen worden ingezet. Laat ik, zonder in detail te treden, volstaan met te zeggen dat de oorlogsmanie de burgerlijke vrijheden in de Verenigde Staten heeft teruggeschroefd naar zo ongeveer waar die stonden op het hoogtepunt van de Koude Oorlog. In een paar weken zijn tientallen jaren van moeizaam verkregen vooruitgang teruggedraaid. Andere naties, met zelfs nog minder excuus om terrorisme als een belangrijk probleem te beschouwen, volgen dat voorbeeld. De Oorlog tegen Terrorisme lijkt de hervormingen op het gebied van de drugsbestrijding op een zijspoor te hebben gezet. Hier in New York hebben we langer dan in welke staat ook, meedogenloze drugswetten gehad, de 'Rodcefeller drugswetten.' In toenemende mate is daar kritiek op gekomen, zelfs vanuit het establishment, vooral van de zijde van rechters. De wetgevende macht heeft die hervormingen echter in de kast gezet ten gunste van algemeen aanvaarde post-11-september maatregelen, liever dan de vingers te branden aan controversiële dingen. Ik ben ervan overtuigd dat één nadeel van echte oorlogen voor de gezondheid van de staat zich in een toekomstig militair avontuur zal openbaren. In de oorlog tegen Afghanistan genoten de Verenigde Staten elk voordeel. Hij werd met gehuurde grondtroepen en een overweldigend luchtoverwicht gevoerd tegen het impopulaire regime van een berooid, verwoest land. Het zal zelden

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

111

zo makkelijk gaan. In het essay stelde ik dat Amerikanen te weekhartig zijn om een oorlog vol te houden tegen zelfs een gematigd sterke tegenstander. De oorlog in Afghanistan laat zien wat ik bedoel. Elke keer dat er een Amerikaan was omgekomen, was dat voorpaginanieuws. Wat zullen ze doen wanneer er 50 Amerikanen omkomen? Wanneer een oorlog het punt bereikt waarop de president geen tijd meer heeft om alle verwanten op te bellen, zal de Amerikaanse vastbeslotenheid gaan wankelen. We zagen dat gebeuren in Libanon en Somalië. Tegen het eind van de Golfoorlog trof een van Saddams grillige scud-raketten een militair doelwit, een barak vol reservisten van wie er 32 werden gedood. Wat extra pikant was, was dat de meeste slachtoffers uit hetzelfde dorp in Pennsylvania kwamen. Was dit gebeurd toen de oorlog nog moest beginnen, dan denk ik dat er misschien nooit aan was begonnen. Zelfs een kleine oorlog kost meer geld dan een nep-oorlog. De Oorlog tegen Terrorisme is nog maar net begonnen of het begrotingsoverschot van honderden

miljarden is omgeslagen naar een begrotingstekort. Op sociale overheidsvoorzieningen, welke naar Europese maatstaven al gebrekkig zijn, wordt bezuinigd. De nieuwe staatsveiligheid heeft ertoe geleid dat identiteitscontroles en metaaldetectors een dagelijkse ervaring zijn geworden voor Amerikanen. Deze kruistochtmentaliteit zal vervagen naarmate het gebruikelijke Amerikaanse geheugenverlies terugkeert, terwijl de dagelijkse irritaties blijven. Ik rond dit nawoord af op 15 april, Belastingdag, wanneer de formulieren voor de federale inkomstenbelasting binnen moeten zijn. Voor veel Amerikanen zou dit wel eens de eerste keer kunnen zijn sinds 11 september dat ze merken hoe hoog de prijs van patriottisme is. Ondanks alle voordelen voor de staat zit de Oorlog tegen Terrorisme, nog meer dan de Oorlog tegen Drugs, vol (financiële) risico's. Een verstandige staat zou geen van beide voeren tenzij het de behoefte voelt zijn eigen legitimiteit op te vijzelen. Een staat zou überhaupt deze oorlogen niet voeren, tenzij vanuit een positie van zwakheid.

LITERATUUR Black, Bob (1992) Friendly Fire. Brooklyn, NY: Autonomedia Black, Donald (1970) "Production of Crime Rates." American Sociological Review 35:733-748 Carter, David L. (1990) "Drug-Related Corruption of Police Officers: A Contemporary Typology."Jounial of Criminal Justice 18: 85-98 Chambliss, William J. (1988) On the Take: From Petty Crooks to Presidents. 2nd ed. Bloomington & Indianapolis, IN: Indiana University Press Daley, Robert (1978) Prince of the City: The True Story of a Cop Who Knew Too Much. Boston, MA: Houghton Mifflin Company Dombrink, John (1988) "The Touchables: Vice and Police Corruption in the 1980's." Law and Contemporary Problems 51:201-232 Girodo, Michael (1991) "Drug Corruption in Undercover Work: Measuring the Risk." Behavioral Science and the Law 9: 361-370 Jacob, Herbert (1984) The Frustration of Policy: Responses to Crime by American Cities. Boston, MA: Little, Brown and Company Knapp Commission (1973) The Knapp Commission Report on Police Corruption. NY: George Braziller Kornblum, Allan M. (1976) The Moral Hazards: Police Strategies for Honesty and Ethical Behavior. Lexington, MA: Lexington Books

112

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

Livy (1960) The Early History of Rome. Translated by Aubrey de Sélinoourt. Baltimore, MD: Penguin Books Marx, Gary T. (1988) Undercover: Pol ice Surveillance in America. Berkeley, CA: University of California Press Murphy, Paul L. (1972) The Constitution in Crisis Times, 1918-1969. NY: Harper Torchbooks Perlman, Fredy (1969) The Reproduction of Daily Life. Detroit, MI: Black & Red Pressman, Jeffrey L, and Aaron Wildavsky (1984) Implementation. 3rd ed., expanded. Berkeley, CA: University of California Press Resek, Carl, ed. (1964) War and the Intellectuals: Essays by Randolph S. Bourne, 1915-1919. NY: Harper Torchbooks Sherman, Lawrence M. (1978) Scandal and Reform: Controlling Police Corruption. Berkeley, CA: University of California Press Sisk, David E. (1982) "Police Corruption and Criminal Monopoly: Victimless Crimes." Journa/ of Legal Studies 11: 395-403 Skolnick, Jerome H. (1975) Justice Without Trial: Law Enforcement in a Democratie Society. 2nd ed. NY: John FL Wiley & Sons Tilly, Charles (1992) Coercion, Capital, and European States, AD 900-1992. Rev. paperback ed. Cambridge, MA: Blackwell.

Dreigende mislukking van inburgering allochtonen! WE woNE0 i ER AL 410 JAAR MAAR WE Zi:IN

ECHTE HOLLANbERS HOoR!

..

_

v3. ,i # ,t 7 .i4 . i :, É#P .' . . f' i ,• % , .• % , t----- •%• '' 'i #

'

-?

t0

gezet om de dreigende -mis- rig van de inburgering van itonen alle wenden. De KaNederlanders in het buitenland

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

113

BLADSPIEGEL 7 Naar aanleiding van mijn vorige Bladspiegel kreeg ik een reactie van een trouwe lezer, die me meldde dat hij mijn rubriek oppervlakkig vond. En wel omdat ik volgens hem nauwelijks inhoudelijk op zaken inga. Mogelijkerwijs kunnen meer lezers zich in deze mening vinden. Daarom kan het geen kwaad om jullie te vertellen dat de bedoeling van deze rubriek vooral is om een overzicht te geven van wat mij over anarchisme onder ogen is gekomen. De intentie, en tevens de ruimte, ontbreekt om er ook nog eens flink inhoudelijk op in te gaan. Mocht je echter geïnteresseerd zijn in de feitelijke artikelen, er staat altijd een adres vermeld waar je terecht kunt. Bon! Welk blad bijt ditmaal de spits af? Buiten de Orde (postbus 9220, 5000 HE Tilburg) dan maar. In nummer 13/1 gaat Horst Strowasser in op het leven van Buenaventura Durutti, en de Federacion Anarquista lberica (FAI). "In februari 1939 eindigde de Spaanse burgeroorlog en daarmee de Spaanse revolutie, het grootste en succesvolste anarchistische experiment in de geschiedenis. Een experiment, waarin eenvoudige mensen de verbaasde wereld bewezen hebben dat anarchisme geen utopie is, maar als een manier van leven en zelforganisatie uitstekend functioneren kan". Voor het uitbreken van de revolutie hield Durutti zich bezig met bankovervallen. De buit werd verdeeld over anarchistische scholen, groepen en vakbonden. Hij zou ook 'zachtere kanten' hebben gekend. Zo was hij niet te beroerd om huishoudelijk werk te doen. En: "Wanneer hij zijn mening verkondigde deed hij dat zonder omwegen kort, beknopt, zonder omhaal. Dat was uitzonderlijk, want anarchisten spraken en schreven toen gewoon in ongelooflijk bloemige, landerige stijl". Dat bloemige en landerige mag er inmiddels dan wel af zijn, dat neemt niet weg dat ook de huidige anarchistische beweging in mijn ogen nog wel het een en ander te verzetten heeft op het gebied van leesbaarheid en inhoudelijke sterkte. 114

In Buiten de Orde 13/2 nuanceert Hanneke Willemse in 'Nieuwe kleren voor de bankrover' de geschiedenis van de sociale revolutie. "Die geschiedenis kunnen we kennen, de grote lijnen zijn bekend, zo ook de grote mythe en de grote en kleine leugens. Het wordt nu tijd om deze te ontmaskeren om de 'werkelijke' waarde te begrijpen van de Spaanse revolutie, de theorie en de praktijk van de mannen en vrouwen, ongeschoolden en geletterden, kortom de mensen van onderop". Ze plaatst ook kritische noten: "Waarom is de oprichting van de libertaire vrouwenorganisatie als Mujeres Libres nodig geweest als de CNT'ers (- CNT= anarchosyndicalistische vakbond, PL. -) zich al zo geëmancipeerd opstelden? En hoe komt het dat de jongerenorganisatie tijdens de Revolutie wel als een volwaardig lid van de grote familie van de Movimiento Libertario, de libertaire beweging werd erkend, maar de vrouwenorganisatie Mujeres Libres in dezelfde periode nooit erkenning van de vader CNT/FAI/ AIT heeft gekregen?". Deze problematiek keert ook terug in de Spaanse film 'Libertarias' (1995), 'een gepassioneerd avontuur van een groep vrouwen die besluiten de loop van de geschiedenis te veranderen'. In deze film, die ik huurde, trekken drie 'mujeres libres', een non, een revolutionaire en een exprostituee, samen ten strijde tegen de fascisten. Na twee recente cursussen Spaans dacht ik het allemaal wel te kunnen volgen, maar dat bleek tamelijk overmoedig te zijn geweest Desondanks was het een boeiende film. Verder in Bd0 maar liefst acht artikelen over het Israëlisch-Palestijns conflict. Wat Israël aanricht in de Palestijnse gebieden is abject, en daar gaan vele artikelen over, maar wat mijns inziens tamelijk onderbelicht blijft, zijn de even verwerpelijke zelfmoordacties van Palestijnen. Sumaya Farhat-Naser schrijft in 'Palestijnen zijn de adviezen beu' gelukkig: "Onder Palestijnen wordt hevig gediscussieerd over zelfmoordaanslagen. De grote meerderheid vindt aanslagen op burgerslachtoffers in Israël misdadig en verwerpelijk. Aanvallen op militaire doelen in Israël

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

en in de bezette gebieden en offensieven tegen kolonisten worden echter vanuit het oogpunt van zelfverdediging als legitiem, ja, zelfs als plicht beschouwd. Nog steeds staat slechts een kleine minderheid achter alle aanslagen". Ook linkse mensen willen nog steeds wel eens op de proppen komen met de verklaring dat de zelfmoordaanslagen een uiting van wanhoop zouden zijn. Klinkklare kletskoek! Zelfmoordacties of aanslagen van organisaties als Harnas, ETA, IRA, FARC, noem ze maar op, van individuen als Ted Kaczynski (waarvan in Buiten de Orde 13/2 een artikel geplaatst is, waaruit ik alleen maar kan conduderen dat deze man compleet paranoïde is), Volken van der G., noem ook hen maar op, ze komen niet voort uit slachtofferschap. Het is de waanzin ten top! Om nog even terug te komen op de leesbaarheid en inhoudelijk sterkte van anarchistische teksten, in De Nar (postbus 136, 3000 Leuven 3), ik vermoed in het aprilnummer, wordt in 'Verwoord het systeem' daar ook op ingegaan. "Als het anarchisme actueel wil blijven zal het ook zijn taalgebruik moeten aanpassen. (...) Geregeld 'autoritair', 'seksist' of 'fascho' in de mond nemen is voor de groepsvorming blijkbaar even belangrijk als de juiste muziek of kleding. Het steeds opnieuw reproduceren van dezelfde woorden lijkt mij een soort intellectueel hondengeplas waarmee het eigen territorium afgebakend wordt". De schrijver houdt een pleidooi voor verstaanbaar en minder dichtgespijkerd taalgebruik. "En hopelijk zijn er dan minder mensen die anarchisten zien als een exotisch volkje met een eigen typische klederdracht en onverstaanbaar taaltje". Verder in deze De Nar een bespreking van het boek van Frank Fernandez 'Cuban anarchism: the history of a movement': "In 1%1 begon een collectieve exodus van Cubaanse anarchisten naar de VS waar ze zonder problemen asiel kregen. Wie op Cuba achterbleef riskeerde te worden opgesloten en in de naam van het 'socialisme' te worden mishandeld in de afschuwelijkste politieke gevangenissen die het land ooit heeft gekend.

(...) Ik heb al eerder uiting gegeven aan mijn afkeur van de immer modieuze Guevarra Tshirts. Snotneuzen met Che op de borst verschillen volgens mij nauwelijks van skinheads met Rudolf Hess T-shirts". Vroemm, kort door de bocht zeg! Ook ik heb zo mijn bedenkingen bij de klakkeloze Che-verering, maar ik ga er vanuit dat zijn vereerders doorgaans toch andere, en betere bedoelingen hebben dan genoemde skinheads. Mocht je naast Cubaans anarchisme overigens geïnteresseerd zijn in hedendaags anarchisme in Zuid-Afrika, surf dan eens naar www.zabalaza.net. In Amsterdam werd op 17 februari een Alternatieve Boekenmarkt gehouden. Ik kreeg er Directe Actie ([email protected] , postbus 16521, 1001 RA Amsterdam) in mijn handen gedrukt. Dit blad is het orgaan "...van een groep mensen die zich heeft georganiseerd om de problemen die ze tegenkomt in het dagelijks leven te bevechten. (...) De Anarchistische Groep Amsterdam (AGA) baseert zich hierbij grotendeels op de ideeën van het anarchosyndicalisme. Deze kennen als basiswaarden solidariteit, wederzijdse hulp, zelfbestuur en directe actie". Nummer 3 bevat korte artikelen, deels in het Nederlands, deels in het Engels, over kraken, 'geen god, geen koning(in)' en antifascisme. AGA organiseerde overigens op 1 mei een demonstratie in Amsterdam. Een anarchistische groep dus erbij. Echter, de Aktielijst, een mailinglist, berichtte dat de Federatie van Amsterdamse Anarchisten (FAA), voorheen Spuigroep, ter ziele is. Door een faillissement kunnen abonnees en relaties niet persoonlijk op de hoogte worden gebracht. (En ik maar denken dat het op de fles gaan is voorbehouden aan het bedrijfsleven.) Dit betekent tegelijkertijd het einde van Raaf, voorheen het Anarchistisch Stencil Stapelwerk. "Het laatste nummer (108) verscheen in juni 1999 als bijlage van Buiten de Orde, en was in zijn geheel gewijd aan het overlijden van Karl Max Kreuger, aanjager van Raaf. Met Karl is uiteindelijk ook de FAA heengegaan".

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

115

Een andere Raaf (p/a Raafstraat 12, 2018 Antwerpen, www.raaf.be) heeft echter onlangs zijn vleugels uitgeslagen. Een Antwerps forum dat zich met deze naam tooit, bracht een flyer uit met nuttige adressen van anarchistische groepen in België. Het onderschrift van de folder luidt: "Wellicht ironisch genoeg zijn de best georganiseerde 'dissenters' in de huidige wereld anarchisten, die druk bezig zijn het kapitalisme te ondermijnen, terwijl de rest van links nog steeds probeert comités op te richten". Dit is geen borstklopperij, de uitspraak komt namelijk van een journalist van de Britse krant The Guardian. Anarmedia, een multimediagroep met als thuisbasis Gent, beheert de site www.anarchie.be. Wie kan mij overigens vertellen waarom de raaf in de anarchistische beweging zo'n populaire vogel is, en niet bijvoorbeeld de kraai, om maar wat te noemen? En jawel, geachte lezers, het is weer tijd voor de vaste gast van deze rubriek, Ferdinand Domela Nieuwenhuis! Op 5 mei werd op de televisie de Friestalige film 'It fuke' van Steven de Jong vertoond, gebaseerd op de roman 'De fuik' van Rink van der Velde (zie Bladspiegel 2). De hoofdpersoon, anarchist en stroper (maffe combinaties tref je toch aan bij anarchisten!) verhaalt daarin meerdere malen over mijn vaste rubriekgast. Ook Leven (Larenseweg 26, 1221 CM Hilversum, www.vegetariers.n1), voorheen Leven en Laten Leven geheten, heeft het over hem: "De meest illustere persoon die de Nederlandse Vegetariërs Bond tot zijn leden heeft mogen rekenen is zonder twijfel Ferdinand Domela Nieuwenhuis. De grondlegger van het Nederlandse socialisme en later voorman van het anarchisme werd in 1878 vegetariër (...)". Anarchist en vegetariër, weer een andere, en naar mijn mening ook een heel wat betere combinatie. Over vegetariërs gesproken, het NRC van 3 juli heeft het over een begrafenisonderneemster, die zegt door haar werk vegetariër te zijn geworden. Ik pijnig sindsdien mijn hersens over het klaarblijkelijke logisch verband, dat ik maar niet weet 116

te vinden. Een andere opmerkelijke combinatie is een anarchist die in de visserijsector actief is. Flor Vanderkercichove schreef er het boek 'Polemist ter zeevisserij' over ([email protected]). De Nar heeft er, als ik het wel heb, in het aprilnummer aandacht aan besteed. Om nog even op Domela terug te komen, op 17 juli 2002 berichtte het NRC in 'Domela herleeft': "Volgend voorjaar wordt in Friesland een toeristische fotoroute geopend, die voert langs plekken en personen uit het leven van 'fis ferlosser', zoals de Friezen Domela Nieuwenhuis noemde. (...) De route die in een boekje wordt vastgelegd, zal onder meer voeren langs Heerenveen, Leeuwarden, Sneek, Harlingen, Franeker, Gorredijk, Appelscha, Jubbega en Terwispel". Ik vermoed dat onlangs geopende website van het Ferdinand Domela Nieuwenhuismuseum (www.fdnmuseum.n1) daar zeker aandacht aan zal besteden. En dan is het nu weer tijd voor... anarchisme in de landelijke media! In het Zaterdags Bijvoegsel van het NRC Handelsblad van 6 april wordt filosoof Ton Lemaire geïnterviewd. "De moderne wereld is in principe tot zelfcorrectie in staat (...). De overbrugging van de tegenstelling tussen stad en platteland behoort daar toe (...). Mijn ideaal zou een libertair soort socialisme zijn, dicht tegen het anarchisme aan. Het zou moeten bestaan uit groepen van maximaal twintig mensen, die allemaal zoveel mogelijk onafhankelijk zijn. Een samenwerkingsverband, een netwerk, met zoveel mogelijk behoud van autonomie". Op 29 april schrijft dezelfde krant 'Antiglobalisten zoeken vergeefs strategie': "Dat de Nederlandse beweging der bewegingen nog in de pubertijd zit bleek wel uit het forum. Want wie is anti-globalist en wie niet? Non-gouvermentele organisaties en vakbonden horen daar, net als anarchisten en actievoeders, in het buitenland bij (...). Dat het niet wil vlotten met de opbouw van de antiglobaliseringsbeweging bleek ook uit de debatten over strategiebepaling. Na een dag vol verhitte discussies bleek in een rondgang dat de meeste activisten er nog niet uit wa-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

ren. Een van de aanwezigen vergeleek de be- themabijlage van het NRC 'The Nethersluiteloosheid met Monty Python's 'The Life lands', waarin aandacht wordt besteed aan of Brian', waar het Judean People's Front 'Political protest - change within the system': vecht met het People's Front of Judea". "... campagnevoeren is in Nederland een beWordt mijn rubriek niet vreselijk voorspel- roep geworden. Zowel niet-gouvennentele baar? Naast Domela komen ook de Monty organisaties als de meer anarchistische actiPythons in bijkans elke Bladspiegel opdra- visten zijn beter georganiseerd dan vorige ven! Het zeer onregelmatig verschijnende generaties. Internet heeft hierbij een belangBritse anarchistische tijdschrift Blad< Flag rijke rol gespeeld. (...) Nederland kent zelfs (BM Hurricane, London WC 1N 3XX, black- een speciale activistencatering Rampenplan [email protected] ), nummer 221, publi- (Disasterfund) om actievoerders te voorzien ceerde de 'Dead dogma sketch'. Dit is een van eten." Vrij Nederland van 15 juni 2002 hilarische sketch a la 'Dead Parrot Sketch' komt in 'De onschuld voorbij' tot een zelfde van Monty Python: "Revolutionary: 'Ello, I conclusie: "Als er één ding is veranderd - en wish to register a complaint'. The SWP (- So- actievoeren heeft veranderd - sinds de jaren cialist Workers Party, in Nederland SAP ge- zeventig, is het wel de opkomst van interheten, PL. -) does not respond. (...) 'I wish to net." Ook de Pinksterlanddagen komen aan complain about this ideology that I emb- bod: "... op een camping bij het Friese Apraced not half an hour ago at this very confe- pelscha waar sinds tijden de anarchistische rence. (...) It's stone dead'." landdagen worden gehouden. Het is een Op 'de dag van de arbeid' debatteerden elf jaarlijks terugkerend uitje van de links-radipoliticologen in het NRC Magazine over de cale beweging in Nederland". Inderdaad! onmacht van de kiezer. Daarin doen ze, in En, waarde lezers, dan is het nu wederom een verder saai artikel, uitspraken die anar- hoog tijd voor.., geluiden uit Leiden! Duschisten uit het hart gegrepen zullen zijn. nieuws (postbus 2228, 2301 CE Leiden, "Het enige dat je met zekerheid kunt zeggen www.eurodusnie.n1), ik meen het meinum(...) is dat het na de verkiezingen niet zal mer, bekritiseert in 'Integratie van bovenaf' worden uitgevoerd. (...) Democratie in Ne- het 'Deltaplan' van de Socialistische Partij, derland? Vergeet het maar. Er bestaat geen 'voor een nieuw integratiebeleid'. "De teneur democratie in dit land". is dat buitenlanders welkom zijn, mits ze Negen dagen later berichtte de krant pagina- zich maar aanpassen. Maar aan wat en wie groot 'Overleven in natura'. In Argentinië eigenlijk als ik vragen mag? Aan de grijze bloeit noodgedwongen de ruileconomie. Vijf- proletarische middenmoot soms? Een radihonderdduizend Argentijnse families zijn er caal-links uitgangspunt zou zijn dat iedereen volledig afhankelijk van ruilmarkten. "In de gewoon kan zijn wie ze zijn, met die mensen clubs bestaat een ruilpact voor een eerlijke omgaat die men kiest, men kan wonen waar markt, waar de waarde wordt bepaald door men wil, en de school kiest die men het beste wederkerigheid en solidariteit (...)". Maar vindt". Toch vallen ook bij deze radicaalhet zal eens niet zo zijn, de eerste parasite- linkse kritiek vraagtekens te plaatsen. Is het rende speculanten zijn al gesignaleerd. "Zij 'iemand gewoon laten zijn wie hij/zij is' onkopen aan het begin van de markt bepaalde begrensd? Zo ja, wat valt er dan nog te doen producten, en gokken erop dat zij er later tegen kapitalisten en ander gespuis? Op meer creditös (het ruilmiddel, PL.) voor zul- www.politicalcompass.org, 'de grote Duslen vangen. Wie daarop wordt betrapt nieuws politieke kompas test', kun je jezelf wordt meteen publiekelijk aan de schand- verrassen "... en laat je door de wijzer van paal genageld. De leden keren de spelbreker het kompas naar onbekende politieke wegen dan letterlijk de rug toe". voeren (wij rekenen op massa's libertair beOp 6 juni is de, bij uitzondering Engelstalige, keerde marxisten!)". Je score kun je sturen Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

117

naar [email protected] Onlangs verscheen in de Gebladertereeks (Koppenhinksteeg 2, 2312 HX Leiden, [email protected]) nummer 32, 'Katastrofe! Politieke cartoons en strips van Ka'. "Inburgerende autochtonen, lesbische vingerkootjes, vrouwonvriendelijke feministes (...) worden in Katastrofe! op de hak genomen'. Ka tekent ook regelmatig voor De AS. Om een rectificatie vroeg uitgeverij De Dolle Hond. In Bladspiegel 5 schreef ik over de door hen uitgegeven brochure 'George Orwell en de Engelse geheime diensten', dat deze een genuanceerde kijk geeft op Orwell's motieven om voor de Engelse geheime dienst te gaan werken. In werkelijkheid heeft Orwell hier nooit voor gewerkt. Mogelijk heb ik dus zitten te slapen. In Freedom (84b Whitechapel High Street, London El 7QX) 63/8 hekelt een lezer de anarchistische 1-meiviering in Londen. De strekking van de ingezonden brief is dat de anarchistische beweging zou zijn overgenomen door middenklasse radicalen. Met hen zou, volgens de schrijver, elk contact verbroken moeten worden, ze zouden uit arbeidersklasse omgevingen verdreven moeten worden als ze zich daar laten zien. Klinkt allemaal erg anarchistisch. Maar niet heus. Freedom 63/13 bevat het verslag 'Killing time - an evening with Crass at the NFT'. Op

15 juni jongstleden kwamen zes leden van deze legendarische anarcho-punkband bij elkaar voor een avond vol 'ongeplugde' muziek, gesproken woord en video in het National Film Theatre in Londen. In ZOZ (postbus 81, 5600 AB Eindhoven, [email protected]), juli/augustus 2002, roept een lezer mensen op mee te gaan naar een andere planeet: "Daarnaast hebben we twee vlaggen nodig, een Esperantovlag en de roodwitte vlag van de anarchisten. Deze laatste heb ik al (...) Aangezien de meeste mensen op de wereld niet meewerken, zullen we naar een andere planeet moeten. Wie gaat er mee? Voorwaarden zijn: anarchist zijn en Esperanto spreken". Ik ga er overigens vanuit dat deze ruimtereiziger met roodwit roodzwart bedoelt. 'Anarchie? Tisdat?' is de nieuwste uitgave van Atalanta (Simón Bolivarstraat 95, 3573 ZK Utrecht, [email protected]). Een klein boekje dat eindigt met: "Dit is een kort verhaal over anarchie. Er is natuurlijk veel en veel meer over te zeggen. Ook is de anarchistische beweging heel divers (...)". Zeer divers, ja, dat kun je wel stellen. Ondanks de min of meer vaste gasten die zich iedere keer weer verdringen om in de schijnwerpers van Bladspiegel te mogen staan. Graag tot een volgende keer! P'tje Imiser

REACTIES EN DISCUSSIES

kenrellen uitgebroken, het enige georganiseerde 'etnische' geweld dat Nederland in mensenheugenis heeft meegemaakt. Eigenlijk viel het allemaal wel mee. Bij de schok en de ontsteltenis over de moord op Pim Fortuyn was er toch ook de opluchting - gelukkig, de dader is een 'blanke' Nederlander. Ik weet dat ik die rare opluchting ook even gevoeld heb - het waren dagen waarin men vanzelf deel werd van de manisch-depressieve samenleving. De kwestie waarom het maar het beste een moordenaar 'uit eigen volk' kon zijn is hiermee natuurlijk niet opgelost. Vreesde iedereen een gewelddadig losbarsten van het bekende volksgevoel als de moord door 'een alloch-

PIM FORTUYN In 1964 was er de Zo-is-het-toevallig-ooknog-eens-een-keer-affaire. Uit het onnozele onderdeel 'Beeldreligie' werd door het gezonde volksondervinden een rel geschopt die leidde tot een manifest onder de titel Pays Bah. Een van de presentatoren was Joop van Tijn, en dit moet waarschijnlijk het antisemitisch vuil dat loskwam verklaren - al dient ook meteen gezegd dat een beetje antisemiet helemaal geen jood nodig heeft voor zijn overtuiging. De rel ebde weg, het programma bleef. In de jaren zeventig zijn er in Schiedam en Rotterdam de zogeheten Tur118

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

toon', iemand die er voor zorgt dat Nederland 'multicultureel' genoemd wordt, was gepleegd? Dekten die schijnheilige termen 'van boven' een inderdaad broeiende haat 'van onderen'? Hoe gewelddadig zouden zich de gevoelens kunnen uiten waarvan zedig ontkend werd dat ze bestaan? Zoals het is, is het al erg genoeg, kunnen we zeggen niet alle postuum op Fortuyn uitgebrachte stemmen zullen zijn ingegeven door racisme en xenofobie, maar veel wel. En veel van die stemmen zijn van mensen gekomen die anders nooit de moeite nemen naar de stembus te gaan. Waarmee de oproepen die sommige anarchisten ritueel vanuit hun eeuwige winterslaap slaken om niet te gaan stemmen in het juiste perspectief geplaatst zijn. Of moeten we blij zijn dat het falderappes anders wegblijft? Nederland leefde onder Paars in een soort Sowjetwerkelijkheid. Vroom zegt de regering dat het openbaar vervoer bevorderd moet worden, en intussen wordt het 'gedereguleerd' zoniet geprivatiseerd. Het onderwijs is doodvernieuwd. Achtenswaardige en nodige beroepen - docent, verpleegkundige, huisarts, rechter zelfs - zijn zo gedegradeerd dat ze er misschien niet meer bovenop komen. Iedereen kan de zegeningen van de tucht van de markt dagelijks waarnemen. Het is niet uniek voor Nederland. De van bovenaf opgelegde depolitisering, een oud vertrouwd mechanisme in dit land, het schaamteloos overboord zetten van zelfs maar de illusie van een parlementair links de SP niet te na gesproken - is dit wel. Je kunt bijna opgelucht zijn dat er nu alleen een echt-rechtse regering mogelijk is. Ironischerwijze heeft die meer kans van slagen nu Fortuyn er niet meer is dan als hij nog geleefd had - de kogels kwamen rechts heel goed uit, 'maar dat zal je wel weer niet mogen zeggen.' Dat de Partij van de Arbeid, en ook het zeer gouvernementele GroenLinks, een electoraal pak slaag zouden krijgen stond vast - en dat dit niets te maken had met hoe Melkert 'overkwam' was al even duidelijk. Waar-

schijnlijk had de vernieuwingsbeweging Leefbaar Nederland - afstotelijke naam, maar voordat Fortuyn lijsttrekker werd een wellicht interessant alternatief - voor deze afstraffing gezorgd. Nu is het electorale gat in de markt van de xenofobie, waartoe ooit door academici de Centrumpartij is opgericht, ten volle verkend. Het is alleen de vraag of de elite, waar Fortuyn uit voortkwam en deel van uitmaakte - merkwaardig dat dit zijn achterban niets uitmaakte - het project wil voortzetten - of er dus in dit o zo democratische land een verdere xenofobe revolutie van bovenaf te verwachten is. Of van onderop zelfs? Het antwoord op de eerste vraag ligt besloten in de oplossing van het raadsel dat ik u nu voorleg. In 1990 verscheen De ondergang van Nederland van Mohammed Rasoel, een schotschrift tegen de dreigende dominantie van islam en moslims in Nederland. De Nederlanders waren te lief en te naïef om te zien dat zij onder de voet gelopen werden. Het was een goedgeschreven abject product, zogenaamd vertaald uit het Engels. Wie was Mohammed Rasoel? Op het Amsterdamse Rembrandtplein verrichtte in die tijden een mooie, soepele, donkere man halsbrekende acrobatische toeren. Son of Tarzan noemde hij zich, en hij kwam uit Pakistan. Met een theedoek voor zijn hoofd (zo werd dat gezegd, het moest een qufiya verbeelden, niet erg Pakistaans) werd hij gelanceerd als de anonieme schrijver van 'De ondergang van Nederland'. Hij werd op den duur ook in die functie geïnterviewd, en hij was een gemakkelijk doelwit: verrader van eigen soort, misbruiker van Nederlandse tolerantie en gastvrijheid. Dat hij nauwelijks uit zijn woorden kon komen, niet geacht kon worden een samenhangend verhaal te schrijven, af en toe uit de hem toebedeelde rol viel ('degene die dit boek geschreven heeft'), maakte niet uit. De zondebok was gevonden. Zijn rol als acrobaat en schrijver was uitgespeeld. Wat een dubbelzinnigheden. De moslim die waarschuwt voor zijn geloofsgenoten zal de

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

119

wrekende hand van de Nederlandse gastvrijheid voelen. Wat was er te zeggen? Ik werkte in die dagen bij een opinieweekblad waar 'de man met de theedoek' ook was langsgeweest. Maar het plaatste het genante verhaal van tekstwetenschapsprofessor Van Dijk, die insinueerde dat Gerrit Komrij de man achter dit boek was. Waarmee het rookgordijn alleen maar dikker werd. Je hoefde waarachtig geen groot Komrijkenner te zijn om in te zien dat hij Rasoel niet was. Nederland dommelde weer weg. Son of Tarzan was de boosdoener, klaar uit. Een jaar later verscheen op de opiniepagina van De Volkskrant een glashelder requisitoir waarom Son of Tarzan Rasoel niet geweest was, en dat het boek een proefballonnetje was vanuit de Nederlandse elite om te zien hoe er op zo'n betoog gereageerd werd. De redenering was zo overtuigend dat ik contact wilde opnemen met de schrijver of schrijfster (het viel uit de naam niet op te maken). Maar het Amsterdamse telefoonboek gaf geen gehoor. Nee, Fortuyn is Rasoel niet geweest. Als

schrijver was hij de mindere van Rasoel. En Fortuyn kon inmiddels al openlijk 'tegen de islamisering van onze cultuur' schrijven, flink als men bedenkt welke maatschappelijke positie de gemiddelde moslim in Nederland bekleedt. De proefballon was geslaagd. Maar wie heeft hem opgelaten en wie heeft de aftocht van Rasoel gedekt, en - desnoods nog - waarom? Een paar dagen na het overtuigende stuk in de Volkskrant over Rasoel bespreek ik in een Amsterdams café met een collega van het ter ziele gegane opinieweekblad De Toestand in het algemeen. Of hij het stuk gelezen had? Nee, maar wie had het eigenlijk geschreven? "Een onbekende - heb ik niet in het telefoonboek kunnen vinden. Anne 0. Nieman." Pas toen ik de naam uitsprak tegen de collega besefte ik dat het requisitoir deel was van het rookgordijn. Wie was deze ingewijde nu weer? Mohammed Rasoel zelf, of iemand die hem (haar?) kent? Waarheen wil (een deel van) de Nederlandse spraakmakende gemeente? Ik keer de vraag van de Fortuynaanhang maar eens om: heeft u nu uw zin? (AdR)

BOEKBESPREKINGEN

werpen gemaakt voor de volledig gemaakte stad in dit toch al geheel door mensenhanden gemaakte land. "Er is geen natuur in Nederland die ouder is dan het oudste gebouw in de omgeving", zegt Piet de Rooy in Republiek van rivaliteiten, en na enig nadenken moet ik toegeven dat hij gelijk heeft. Ook, nee, vooral de 'wilde natuur' wordt gemaakt in dit land - met shovels en graafmachines kalm aan en rap een beetje... Waarom dan niet de inrichting van stedelijk Nederland volgens elders gangbare concepten aangepakt? Als je de bebouwingsdichtheid van Manhattan als norm neemt, is de gehele Nederlandse bevolking te huisvesten in Zuidstad (Zuid-Limburg) of Puntstad (het plotseling zo gekoesterde Groene Hart). Een strook van nog geen twee kilometer breed aan de zuidelijke grens kan ook: Grensstad. Met een bebouwing volgens de normen van de metropool Los Angeles zou Grensstad een stuk groter (en extensiever bebouwd) worden,

HET ONSTERFELIJKE HOOGGEBERGTE VAN NEDERLAND Nederland is vol - vluchtelingen kregen het al in de jaren dertig te horen, en daar is niets aan veranderd; het werd zozeer als een juiste uitspraak gezien, dat er volop geëmigreerd diende te worden, in de jaren vijftig en zestig - precies de decennia toen er evenveel, neen meer 'repatrianten' uit voormalig Nederlands Indië kwamen, en 'gastarbeiders'. En nu, sinds wanneer is niet precies na te gaan, geldt het als een uitspraak die je mag doen, nadat dit land ontelbare jaren onder een linkse dictatuur gezucht heeft waarin je deze opmerkelijke mening niet mocht zeggen. Nederland is vol - en ja, al stem je niet in met hoi polloi, wat plaatsen met meer rust en stilte, of wat meer plaatsen met deze zo schaarse niet-goederen - het zou wel schelen. Architect Rem Koolhaas heeft een aantal ont120

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

maar ten noorden van pakweg de lijn VeereVenlo zou het land woest en ledig kunnen zijn. Ik moet even slikken, denkende aan mooie rustige plaatsen in Limburg en Zeeuws-Vlaanderen - maar er staan grotere belangen op het spel. Trouwens, Manhattan is de spannendste stad ter wereld, en hoe vol is Los Angeles? Ik moet even de voorgaande regel overdenken, Manhattan genoemd hebbend. Tot voor kort konden wij ons driehonderd meter hoge gebouwen voorstellen als houdbare constructies. De utopie van Zuidstad en de varianten moeten er aan voorbijgaan dat er mensen zijn die zulke gebouwen vooral zien als iets waar je aan een snelheid van 700 kilometer per uur op invliegt. Ach, de utopie... En laten we er even aan voorbijgaan dat de economische activiteiten in en om bijvoorbeeld Rotterdam, 'de grote werkstad', wel degelijk aan die plaats gebonden zijn. Ik vrees dat men in Zuidstad vooral bezig is met communicatiemanagement en niet te vergeten managementcommunicatie. Goed gaandeweg wordt Nederland geheel geconcentreerd in Zuidstad of Grensstad. Wat gebeurt er met de rest? Er is natuur in Nederland die groter is dan een krant, die zo vanzelfsprekend is dat we haar niet als natuur her- of erkennen, en toch is zij het juist die maakt dat het land nooit 'vol' is. Midden in de stad zie ik haar soms op doorkijkjes aan grachten, op bredere straten. Aan de ringvaarten, aan het IJ ontvouwt ze zich, de belofte van de overweldigende leegte. Vooral ook met de duinen in de rug, kijkend naar geest- en poldergrond. Bij het vallen van de avond dient ze zich aan in de vorm van mistflarden, waarin koeien lijken te zweven, waar je zelf doorheen kunt lopen. In de ochtendschemering is het het equivalent van het regenwoud of het hooggebergte, het drama van het Nederlandse landschap. Je kunt vee horen loeien of blaten, vogels zingen het hoogste lied, misschien passeert zelfs een mens, maar de mist aan weerszijden van het pad belet elk zicht. De leegte van Nederland is (vooruit, grotendeels) niet

door mensen gemaakt: de wolken, liefst de als plukken watten voortdrijvende stapelwolken boven plat land. De onsterfelijken van Nederland, noemt Arjen Mulder het in Amor vacui - virtueel Nederland, een fantasia naar aanleiding van de Koolhaas-steden. Watervlakken en waterdamp zijn de onsterfelijken. De magisch aandoende evocatie van wat iedereen niettemin herkent, je hoeft niet in Nederland geboren te zijn - Ruysdael of Vermeers Gezicht op Delft getuigen er van besluit de beschouwing. Op een manier dat je je afvraagt of het plan-Koolhaas ook echt moet worden uitgevoerd. Arjen Mulder stelt dan ook voor het als het ware organisch te laten groeien: echte nieuwe ontwikkelingen worden alleen nog in Zuidstad gepland, maar daarbuiten wordt gerecycleerd voor en door een vanzelf vergrijzende bevolking. Alleen al daarom zal de economische activiteit geconcentreerd raken in Zuidstad. Met of zonder hulp, en tenslotte zonder herstel van wat in verval raakt wordt de rest van Nederland moeras met de daarbij behorende climaxvegetatie van loofwoud. Wolven verschijnen aan de IJssel, elanden lopen rond in Drenthe. Op allerlei plaatsen in het veld is het zeker 's nachts niet pluis: bizarre rituelen, rovers op pad. Er wordt gefluisterd over nomadische stammen die in tenten rondtrekken. Amsterdam kent een vossenplaag. De lynx introduceert zich zelf terug op de Veluwe. Bijverschijnselen van het niets dat we willen en wat dat niets voortbrengt. 'Moderniserende' ontwerpers komen altijd met verwijten dat de mensen nostalgisch zijn, dat ze terugkijken naar wat er geweest is. Onzin, zegt Mulder terecht; zij kijken vooruit naar wat moet komen, naar een toekomst die nog moet aanbreken. "Nederlanders kijken niet naar hun smalle streepje vlakke bodem en wat daarop is neergezet, maar naar de gigantische hemel erboven. Naar het niets dat uiteindelijk altijd sterker is" (p. 57). De utopie van de stad van het niets, en het niets van de stad van de toekomst. En als het er niet van komt kunnen wij ons in zoge-

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

121

naamd vol Nederland troosten met de wijze woorden van Hans Warren: het paradijs is maar een paar kilometer van huis verwijderd. (AdR) Levende systemen — reis naar het einde van het infonnatietijdperk; Van Gennep, Amsterdam 2002.

TERUGKIJKEN OP DE SNEEVLIET-BEWEGING Op 13 april van dit jaar was het zestig jaar geleden dat Henk Sneevliet en zeven andere revolutionair-socialisten het leven lieten voor een Duits vuurpeloton. Van de ene op de andere dag raakte de 'Sneevliet-beweging' - die weliswaar nogal wat politieke standpunten met Trotski deelde maar zeker niet een trotskistische partij genoemd kon worden haar charismatische leider en een flink deel van haar kader kwijt. Deze klap kwam de revolutionair-socialistische beweging die in 1933 een zetel in de Tweede Kamer had veroverd nooit meer te boven. Direct in mei 1940 hadden Sneevliet en de zijnen hun Revolutionair-Socialistische Arbeiders Partij (RSAP) ontbonden en waren ze ondergronds gegaan. Hun illegale verzetsorganisatie doopten ze Marx-Lenin-Luxemburg-front (MLL-front). Sneevliet en sommige andere RSAP'ers doken onder, maar ondanks de cellenstructuur van het front wist de Gestapo de organisatie stap voor stap op te rollen. Ter gelegenheid van de herdenking van deze vroege verzetsdoden heeft het Sneevliet Herdenkingscomité - dat jaarlijks een bijeenkomst organiseert op Westerveld, waar de acht en nog twee andere gefussilleerde kameraden na de oorlog een laatste rustplaats vonden - een fraai verzorgd, royaal geïllustreerd en informatief boek uitgebracht. Dick de Winter, die met Henk Smeets deze uitgave samenstelde, leverde enkele oorspronkelijke bijdragen en ook herziene artikelen, zoals het in De AS 126/127 verschenen artikel over de samenwerking van libertairen met de Sneevliet-beweging in de strijd tegen imperialisme en fascisme. Ook anderen droegen interessante historische stukken bij, 122

met name over de Indische en Chinese jaren van Henk Sneevliet. Toch is dit boek vooral opmerkelijk vanwege de door Ellen Santen (een kleindochter van Sneevliet) en Marion Beeksma opgetekende interviews. Daarbij draait het om de vraag wat het voor kinderen en kleinkinderen betekent om (groot)ouders te hebben met zulke uitgesproken politieke opvattingen, daarvoor vervolgd zijn en er zelfs het leven voor lieten. Ondanks de individuele verschillen wordt wel duidelijk hoezeer het wel en wee van RSAP en MLL-front latere generaties beïnvloed heeft. Ook gezien de aantrekkelijke prijs ervan een boek dat de aanschaf zeker waard is. (HR) Henk Smeets en Dick de Winter (red), Wij moesten door...; Sneevliet Herdenkingscomité, Ridderkerk 2002; 200 pag.; geïllustreerd; 15,00 euro. (Te bestellen via giro 223776 t.n.v. penningmeester Sneevliet Herdenkingscomité, Spijkenisse.)

REVANCHE UIT PARIJS EN SOESTERBERG Het zou een vleiende gedachte zijn: leest men bij de Presses Universitaires de France dit blad? Het is niet onmogelijk, maar wel onwaarschijnlijk. In ieder geval heeft men in de reeks Que saisie? afstand genomen van het twee jaar geleden in het Nederlands vertaalde prul van Arvon en een nieuw deeltje uitgebracht: L'anarchisme en Europe, door Gaetano Manfredonia. De schrijver heeft zijn sporen verdiend met het bestuderen van het ('Latijnse') anarchisme. Reden om opgelucht adem te halen - PUF en ik zijn weer vriendjes! Natuurlijk is het gemakkelijk de gebreken van zo'n boekje vast te stellen. De kleine landen worden slechts in een terloopse zin afgehandeld, en dat heeft Nederland bijvoorbeeld niet verdiend. Domela wordt zelfs niet genoemd, laat staan anderen! - wel Cornelissen, maar wat wil je - die hoort bij de Franse traditie. Vanuit Frans standpunt is het vrijwel negeren van (Franstalig) Zwitserland toch ook merkwaardig. Maar genoeg gekniesd - dit is een goede globale inleiding op wat de titel belooft. En ook voor ingewijden

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 1381139

valt er nog uit te leren. Manfredonia neemt ten aanzien van de geschiedenis en actualiteit van het anarchisme een geheel ander standpunt in dan Arvon: het was met de Eerste Wereldoorlog niet afgelopen (Arvon beschouwde 'Spanje' als een merkwaardig ongelukje - een prul, zoals ik al zei). Het anarchisme heeft zijn 'tocht door de woestijn' gemaakt in de jaren veertig en vijftig, is herrezen (Provo, mei '68) en heeft als enig overgebleven, niet gecompromitteerde socialistische stroming de toekomst, vooral in Oost-Europa. Het kan blijven bestaan, omdat het in het kapitalisme niet oplosbare kwesties aan de orde stelt. Het moet wel aan herbezinning doen - zonder het anarcho-syndicalisme helemaal als afgedaan te beschouwen lijkt Manfredonia meer te zien in het libertair municipalisme. Hoe dan ook, met deze diagnose kan ik ook van harte instemmen. Omdat nog maar weinigen in Nederland Frans lezen zou dit snel vertaald moeten worden - en mag dan Bert Altena's nawoord bij Arvon er bij, zodat we een fatsoenlijke inleiding hebben? Dank u wel. In alle verwarring zijn we het koninklijke huwelijk alweer bijna vergeten. Kort voor zijn trouwen moet de kroonprins bekendgemaakt hebben dat hij als koning, Willem IV wil gaan heten. Reden voor uitgeverij Aspekt om nieuwe ster aan het sociaal-historische firmament Dennis Bos te vragen Koning Gorilla uit de kooi te halen en in te leiden. Naast de facsimile herdruk is er een gemoderniseerde versie bij, waarbij sommige destijds kiesheidshalve weggelaten namen wel ingevuld zijn. Ruim een eeuw geleden waren het de hoge heren die zich met schandelijke dingen bezighielden, en de werklieden keken er met een mengsel' van afschuw en wellust naar. Misschien kijken 'gewone mensen' nu alleen maar naar de rotzooi van SBS en V8, en moeten ze nog steeds niets van malligheid hebben, maar ik zou daar geen weddenschap op aandurven. Raar eigenlijk dat de socialisten (anarchisten) succes hadden met moralistische praatjes tegen de koning, in plaats van met een ferm princi-

pieel-republ&eins (anti-etafistisch) betoog. Enfin, de overgrootvader van Beatrix staat te kijk en een moeilijk vindbare tekst is - terdege ingeleid - weer beschikbaar. Waar zo'n huwelijk toch weer goed voor is (een vorige herdruk - door het anarchistische blad De Vrije dateert uit de tijd van het voorlaatste kroonprinselijke huwelijk). (AdR) Gaetano Manfredonia, L'anarchisme en Europe. Que sais-je? vol. 3613. Paris: Presses Universitaires de France ; 127 pag.; ca. ZSO euro. Roorda zen Eysingal, Willem III - koning Gorilla. Ingeleid door Dennis Bos. Soesterberg: Aspekt; 128 pag., 14,98 euro.

VOORTUIN In de jaren negentig was Pim Fortuyn een bekende figuur in het Rotterdamse horecacircuit en de homoscene. 'Meneer Voortuin' werd hij gekscherend door sommigen genoemd. Hij had, hoewel een zekere charme in het sociale verkeer hem niet kon worden ontzegd, toen al de naam niet gemakkelijk met anderen te kunnen samenwerken. Maar niet alleen daarom hield de Rotterdamse Stadspartij de boot af toen hij kennelijk een zetel in de lokale politiek ambieerde. Fortuyns wereldbeeld was een mengelmoes van linkse en rechtse ideeën. Enerzijds had hij veel kritiek op de gevestigde politieke macht - in Rotterdam al een halve eeuw in handen van de sociaaldemocratie - die gekenmerkt werd door vriendjes- en achterkamertjespolitiek, eenzijdige doofheid en een constante stroom van peptalk. Anderzijds verzette Fortuyn zich tegen de 'machtspositie' van imams en andere belangenbehartigers van de vele allochtone bevolkingsgroepen. Later zag Fortuyn dankzij de media kans om bijna van de ene op de andere dag een nationale figuur te worden, de charismatische leider van rechts-populistisch Nederland. Maar vanzelfsprekend was er al jaren eerder een voedingsbodem waarin het fortuynisme kon gedijen. Over die voorgeschiedenis gaat een brochure met artikelen uit het blad De Fabel van de Illegaal.

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

123

Ik ben er niet zo enthousiast over. Te veel en te vaak wordt Fortuyn in die artikelen gekoppeld aan extreem-rechts. Het unieke van Fortuyn was nu juist dat zijn ideeën en idealen slechts zeer ten dele overeenkwamen met die van De Winter, Haider en andere xenofobe en racistische politici. Weliswaar was Fortuyn een uitgesproken populist en sprak hij ook groepen aan die elders in Europa dat soort suspecte partijen bevolken, maar als er vergeleken moet worden ligt Berlusconi en zijn 'nationale beweging' veel meer voor de hand. Hoewel men Fortuyn dus zeker niet kan afdoen met het etiket extreem-rechts, was zijn 'nieuwe politiek' volstrekt niet nieuw, zoals Ton Geurtsen terecht in Kleintje Muurkrant (nr. 369) schreef. Kritiek op zakkenvullende politieke bestuurders is immers zo oud als de weg naar Kralingen. Men zou Fortuyn ook paarser dan paars kunnen noemen. Als panacee voor alle maat124

schappelijke kwalen prees hij 'de markt' aan. Vernieuwend? Niet in het minst. Ik herinner me een prachtig artikel van Herbert Marcuse uit de jaren dertig waarin deze betoogt dat de succesvolle kapitalist en de charismatische politicus elkaars spiegelbeeld zijn. En weer dringt zich een vergelijking met Berlusconi op. Paarser dan paars was Fortuyn ook op het gebied van de moraal. Zijn openheid in seksuele zaken, zijn opinie over drugs, zijn exhibitionistische en hedonistische levensstijl zouden ook in een meer libertair wereldbeeld gepast hebben. Geen wonder dat extreem-rechts buiten Nederland zo weinig van hem begreep. Maar juist dat narcisme en uiterlijk vertoon van Fortuyn vormden de basis van zijn succes. (HR) Diverse auteurs, De kwartiermakers van Fortuyn; Gebladerte-redcs nr.23; Leiden 2002; 57 pag.; 3 euro (op giro 95225 van Gebladerte, Leiden). Kleintje Muurkrant, postbus 703, 5201 AS Den Bosch.

Negende Jaarboek Anarchisme/De AS 138/139

Beste lezer(es), * Dit is alweer het Negende Jaarboek Anarchisme, dat gecombineerd met het themanummer 'De verloedering van het landschap', een breed scala aan artikelen biedt. Zoals gewoonlijk is een deel ervan gewijd aan de geschiedenis van het anarchisme. Het eerstvolgende nummer - met het thema 'Dood' - verschijnt rond de jaarwisseling, waarmee dertig jaargangen van De AS zijn voltooid. In ieder geval hebben we voor 2003 en de verdere toekomst genoeg plannen. Een van de thema's die we op het programma hebben, is Nederlandse anarchisten in 19404945. *Ondanks enkele royale en vele kleinere donaties in de eerste helft van dit jaar is de financiële situatie van De AS weinig florissant. Met klem vragen we onze lezers dan ook om het Steunfonds (postbankmunmer 4460315 ten name van De AS in Moerkapelle) niet te vergeten. Uw bijdragen zijn noodzakelijk om dit blad te kunnen (blijven) uitgeven. En bovendien is er geld nodig om volgend jaar met de lezers het dertigjarig bestaan feestelijk te vieren. * Alle afleveringen van De AS (deels originele uitgaven, deels herdrukt) zijn tegen gereduceerde prijzen leverbaar. De nummers zijn afzonderlijk te bestellen (zie elders in dit infokatem) maar zijn nog goedkoper als gebruik wordt gemaakt van een of meer van onderstaande aanbiedingen. AANBIEDING 1: dit pakket inclusief verzendkosten omvat alle tot nog toe verschenen nummers (origineel dan wel herdruk) plus het in 1994 apart verschenen Eerste Jaarboek Anarchisme alsmede de onmisbare Bibliografie van 26 jaargangen van De AS voor 90 euro. AANBIEDING 2: voor 34,50 euro (inclusief verzendkosten) sturen we alle nog leverbare originele nummers van De AS (zie het overzicht elders in dit infokatem). AANBIEDING 3: met uitzondering van het Eerste Jaarboek Anarchisme en de Bibliografie sturen we alle 17 boeken en brochures die De AS inmiddels heeft uitgebracht (zie het overzicht van de Reprintreeks en de Overige Uitgaven elders in dit infokatem) inclusief verzendkosten toe voor 40 euro. AANBIEDING 4: alle uitgaven zoals genoemd in aanbieding 3 plus het Eerste jaarboek Anarchisme en de Bibliografie inclusief verzendkosten voor slechts 46,50 euro. Vanzelfsprekend gelden alle aanbiedingen voor zolang de voorraad strekt. Bestellen via postbanknummer 4460315 van De AS, postbus 43, 2750 AA Moerkapelle met vermelding van de gewenste aanbieding(en). Redactie en administratie De AS

LOSSE EXEMPLAREN Zolang de voorraad strekt zijn tegen gereduceerdeprijs losse exemplaren verkrijgbaar van een groot aantal eerder verschenen afleveringen van De AS. Men kan deze nummers bestellen door storting/overmaking van 2 euro per exemplaar (indusief verzendkosten) op postgiro 4460315 van De AS, postbus 43,2750 AA Moerkapell verband met de verzendkosten moet voor tenminste 6 euro besteld worden! e. In Leverbaar zijn de volgende afleveringen: nr. 38 (Bedrog van het kapitaal), nr. 41 (Gezondheidszorg), nr. 42/43 (Proudhon), nr. 44/45 (Onkruit gt Antimilitarisme), nr. 46 (USA), nr. 47 (Geweld), nr. 55/56 (Politieke vorming), rit 59/60 (Anarchistische perspectieven), nr. 61 (Marx), nr. 64 (De crisis), nr. 65 (Nationalisme & bevrijdingsbewegingen), rit 66 (Een libertaire staat?), nr. 67 (Arbeidsethos), nr. 68 (Anarchisme & utopie), nr. 69 (Nieuwe sociale bewegingen), nr. 70 (Clara Wichrriann ), nr. 71 (Staatskunst of straatcultuur), nr. 72 (Eigendom), nr. 73 (Technologie), nr. 74 (Spanje 1936-1986), nr. 75 (Macht), nr. 77 (De verwording van rechts), nr. 78 (Max Stirner), nr. 79 (Musica Anarchica), nr. 80 (Berlijn), nr. 81 (Onderdak), nr. 82 (Tegenethiek), nr. 84 (Oost-Europa), nr. 86 (Literatuur), rit 87 (Domela Nieuwenhuis), nr. 88 (De staat van de ecologie), nr. 89 (Onder anarchisten), nr. 90 (De verlokking van rechts), nr. 91 (Murray Bookchin), nr. 92 (Menselijke natuur en anarchisme), nr. 93 (Stad, straat, federatie), nr. 94 (Het labyrint van de vrijheid), nr. 95 (Christen-anarchisme) , nr. % (Buitenstaanders over anarchisme), nr. 97 (Israël), rit 98 (Transport), nr. 99 (Sarajevo), nr. 100 (Beeldvorming), nr. 101 (Media), nr. 102 (Nederland immigratieland), nr. 103 (William Godwin), nr. 104/105 (België), nr. 106 (Economie), rit 107 nr. 111 (Voorheen Sovjetunie), nr. 113 (Gustav Landauer), nr. 114 (Poëzie als(Politiek), ordeverstori nr. 115 (Latijns Amerika), nr. 117 (Domela als internationale figuur), nr. 118 (Italië),ng), nr. 121 (Leren), nr. 124 (Dieren), nr. 125 (Disciplinering), nr. 128 (Armoede), nr. 129 (Frankrijk), nr. 132 (Afrika), nr. 133 ([email protected]), nr. 136 (Tolerantie), nr. 137 (Globaal). Sommige originele afleveringen, met name dubbelnummers, kosten 4 euro per stuk. Het betreft: nr. 109/110 (De bevrijding van het anarchisme), nr. 112 (Tweede Jaarboek Anarchisme), nr. 116 (Derde Jaarboek Anarchisme), nr. 119/120 Jaarboek Anarchisme), nr. 122/123 (Vijfde Jaarboek Anarchisme), nr. 126/127(Vierde (Zesde Jaarboek Anarchisme/Anarchisme in Nederland), nr. 130/131 (Zevende Jaarboek Anarchisme/Landbouw), nr. 134/135 (Achtste Jaarboek Anarchisme/Guy Debord en het situationisme). Alle inmiddels uit verkochteafleveringen van De AS zijn overigens herdrukt. Deze kosten zonder uitzondering 2 euro per exemplaar. Het gaat om de volgende afleveringen: nr. 1 (Syndicalisme), nr. 2 (Marxismelcritiek), nr. 3 (Anarchisme vandaag), nr. 4 (Vrouwenbevrijding), nr. 5 (Zelfbeheer), nr. 6 (Registratie), rit 7 (Energie), nr. 8 (Anarchism 8r parlement), rit 9/10 (Onderwijs, opvoeding, misvorming), nr. (De vakbeweginge in de krisis), nr. 12 (De Grote Depressie), nr. 13 (Terrorisme), nr. 1411 (Godsdienst), nr. 15/16 (Fascisme), nr. 17 (Misdaad en straf, met teksten van Clara VVichmann), nr. 18 (Arthur Lehning), nr. 19 (Antimilitarisme), nr. 20 (Monarchieen Oranje), nr. 21/22 (Bakoenin), nr. 23 (Duitsland), nr. 24 (Anarchisme), nr. 25 (Organisatie), nr. 26 (Kiezen of delen), nr. 27 (Bouwen 8r wonen), nr. 28 (Kropotkin), nr. 29/30 (Veiligheid), nr. 31 (Milieu 8r macht), nr. 32 (Ontwikkelingshulp?), nr. 33/34 (Sexualiteit), nr. 35 (Anarchisten en de staat), nr. 36 (Europa), nr. 37 (Anarchisme en wetenschap), nr. 39/40 (Anton se en het anarchisme), nr. 48 (Kunst 8.T Anarchie), nr. 49 (Stembiljet of socialeConstandnr. 50/51/52 (Anarchisme over de grenzen), nr. 53 (De Staat van verzorgingaktie), nr. 54 (Schijnanarchisme), nr. 57 (Tolstoj), nr. 58 (Coöperaties en collectieven), nr. 62),(Bart Ligt), nr. 63 (Anarchie & avantgarde), nr. 76 (De sociocratie van Kees Boeke), nr. de 83 (Provo), nr. 85 (Anarcha-feminisme), nr. 108 (Wim van Dooren — filosoof, humanist, anarchist). Ook voor deze herdrukte afleveringen geldt dat in verband met de verzendkosten voor tenminste 6 euro besteld moet worden. REPRINT REEKS De AS brengt naast het tijdschrift een serie reprints van (oudere) anarchistische pamfletten en brochures In deze reprint-reeks van (soms curieuze) geschriften zijn tot nog toe verschenen: - Anton Constandse, Anarchisme; een uit 1930 daterende, 14 p. omvattende beschouwing die bij Constandse's eigen uitgeverij de Albatros verscheen (001); -R. Tamminga, Theorieen praktijk vanher nemen; een begin deze eeuw de schrijver in eigen beheer uitgegeven brochure van 16p., waarin het neem- endoor eetrecht wordt verdedigd (002); - Henk Eikeboom, De anarchist en het huwelijk; een 24p. tellende, in 1921 bij Libertas (de drukkerij van Rijnders' Vrije Socialist) verschenen betoog van Henk dat veel stof deed opwaaien. Clara Wichmann sabelde Eikebooms pleidooiEikeboom voor 'Stirneriaanse lustbeleving' fijntjes neer (003); - Anton Constandse, Heinrich Heine als dichter en denker; een uit 1928 daterende 48p. tellende brochure van Constandse, opgenomen in de bundel Groote Persoonlijkheden, een uitgave van Orion (1928) die sindsdien nooit herdrukt is (004);

- J. Bedeaux en K.A. Fraanj Rhapsoden, zangen in modern gewaad een l die in 1951 verscheen bij Het Rodee,Boek te Rotterdam. Met een inleiding ;van B.bunde Damme. 64 p. (bestelnummer: 005); - Simon Radius, Proudhon over kerk samenleving; een in 1981 bij de Vrije Gedachte verschenen essay. 42 p. (bestelnummen er: 006); - Piet Kooijman, Heden, verleden en toekom st in zakfom een wat; reprint van de in 1935 voor het eerst verschenen brochure over de voorhoedefunctie de gedeklasseerden ('neem en eet'), aangevuld met een herdruk van het artikevanDe voorui l tzidite n der arbeidersbeweging uit datzelfde jaar en een biografische schets van Piet Kooijman door Hans Ramaer. 48p. (bestelnr.: 007); - Spanje 1936-1966. Een 47p. tellend geïllustreerde special van het anarchistisch tijdschrift De Vrije (juli 1966) met eeneintervi met een oud-Spanjestrijder en verder bijdragen van o.a. Rudolf de Jong Jose Peirats,ew Hem Day en Victor Garcia (bestelnr.: Deze reprints kan men franco per ontvangen door storting/overmaking008). op postgirorekening 4460315 van De ASpost in Moerk apelle met vermelding van bestelnummer(s). De prijs bedraagt 2,90 euro per exemplaar. Let op: de bestelnummers 001, 002 en 003 zijn uitsluitend verkrijgbaar in één pakket, waarvo or de standaardprijs van 2,90 euro geldt. OVERIGE UITGAVEN Behalve de reprint-reeks levert De AS diverse andere eigen uitgav en, zowel herdrukken als originele uitgaven. Deze boeken en brochures zijn te bestellen door storting/overmaking op postgirorekening 4460315 van De AS te Moerk apell e. De zijn inclusief verzendkosten.Bayliognrf S, jaargangen 1972-1998; 105p.; 6,90prijzen Paul Eltzbacher, Anarchisme herdruk inieDeA paperb ack van de Nederlandse vertalingeuro. uit 1903; 293p.; 13,90 euro. Eerste Jaarboek Anarchisme; in 1994 verschenen als aparte uitgav Hans Ramaer, Het individualisme van Anton Constandse. Tekst e; 151 p.; 5,90 euro. van de achtste Anton Constandselezing (1994) voor De Vrije hte in brochurevorm; 22p.; 1,90 euro. Anton Constandse, De zelfvenzietiging vanGedac het protestantisme, een oorspronkelijk in 1926 verschenen kritische beschouwing van de godsdienst; herdru k in paperback; VIII + 120 pag.; 6,90 wn. Anton Constandse, De ellende der religie; herdruk van brochure uit 1923; 1,25 euro. Anton Constandse, God is het herdruk van brochure uit 1924; 3120p.; p.; euro. Anton Constandse, Kan er eenkwaad; God zijn?; herdruk van brochure uit 1927; 1,90 16 p.; 1,25 euro. Anton Constandse, Godsdienst is opium voor het ook herdruk van brochure uit 1929; 15 p.; 1,25 euro. Anton C,onstandse, Nederland, God en Oranje, herdt van brochu reuit 1932; 15p.; 1,25 euro. Jos van Veen, De carrière der zeven Oranjes in de Nederlandsch oorspronkelijk in 1929 (?) door Gerhard Rijnders (Bibliotheek e gewesten 1511 1795; voor Ontspanning en Ontwikkeling te Zandvoort) perback; 190 p.; 9,50 euro. uitgegeven kritische geschiedschrijving herdruk in paInvullen en in gefrankeerde enveloppe opsturen naar adm. De AS, pb 43, 2750 AA Moerkapelle • •

Ik word abonnee en stort een bedrag van 4,50 euro op postbank 4460315 van De AS in Moerkapelle voor de nog te verschijnen aflevering in 2002. Ik geef een jaarabonnement op De AS cadea u aan:

Naam: ............................................................... ........................................ Adres: ............................................................... ........................................ Plaats/postcode: ...................................................... ................................... Dit cadeau-abonnement betreft jaargang 2002.1k betaal daarvoor 18,- euro via postbank 4460315 van De AS te Moerkapelle. Nieuwe abonnees, alsmede degenen die een cadeau -abo geven, ontvangen gratis een reprint van oude anarchistische brochu res (zie

005, 006, 007 of 008.

hierboven), naar keuze 001-003, 004,

Naam. ............................................................... ........................................ Adres: ............................................................... ........................................ Plaats/postcode: ................................ Ik kies reprint ............................. Datum: ..................... Handtekening-.. ........

NIEUWE UITGAVE JAN BÖRGER-BIBLIOTHEEK FILOSOFIE ^^^^^^^^^^^^^^^^^^A^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^A^^^^^^^^^^^^^^^^^^^ KOSMOTHEOROS, en het onbegrensd begrensde. Eenheid zonder verschillen is zin zonder leven Verschillen zonder Eenheid is leven zonder zin.

ICJLV. In dit werk wordt de verhouding (ratio) tussen de menselijke wereldbeschouwer en de door hem beschouwde wereld beschreven. Drie aspecten van deze verhouding vormen vanuit bewuste ratio, rede of logos, een niet te scheiden drie-eenheid. Indien de rede het handelen leidt, is moraliteit (more=norm, nomos of wet) vrij van traditie, plicht of wetgeving (spiritueel anarchisme). 'Wetend' als subject verbonden te zijn met het beschouwde, ondanks afstand en gescheidenheid, leidt de rede ons deze verhouding te respecteren. Aan de hand van een historie van het Nederlandse woord wereldbeschouwing zien we verschillende opvattingen over deze oerverhouding bij denkers en doeners zoals o.a.: Plato, Cusanus, Fernel, Descartes, Huygens. Luiken, Spinoza, Rabus, Nieuwetyt, Klopstock, Von Humboldt, Schleiermacher, etc. De bewuste wereldbeschouwer is geen fanaat die een traditie aanhangt of een stroming volgt, hij of zij (h)erkent 'Rede' in de beschouwbare wereld, in de Andere, in Zichzelf. Het is alsof de wereld zichzelf beschouwt, als een onbegrensd begrensde. Irrationeel is het de bestaande verhouding te ontkennen. Hierdoor wordt een oikonomos (norm in 'menselijke huishouding) tot hoogste norm verheven terwijl de oikologia (rede, Ratio of Logos van de kosmologische 'huishouding') wordt vergeten. Het naast vele details en verschillen poneren van 'Eenheid', wordt vaak als generalisering afgedaan. Het inzicht dat op ontologisch niveau subject en object elkaar in zekere ZIJN is echter geen mystieke en metafysische illusie. Wereldbeschouwers zijn we, elk met eigen unieke wereldbeschouwing. Toch toont 'het licht der Rede' ons, ook in de 21ste eeuw, dat we ons verhouden tot elkaar en onze 'wereld'. De oprechte wens, waarmee de studie werd aangevangen en met dit werk werd voltooid, was de kosmologische 'Logos' weer in herinnering te brengen van de menselijke 'logica'. In het Erasmiaanse Rotterdam was dit wel mogelijk maar niet welkom. Die wens is nog springlevend en zeer actueel. Ida Lamers-Versteeg; KOSMOTHEOROS, en het onbegrensd begrensde. Doctoraal-scriptie (bewerkt). Geschiedenis van het denken. Uitg.: Moerkapelle 2002. ISBN 90-76033-15-3. ge111.196 blz. 11,50 euro. Bestellingen rechtstreeks bij de uitgever (of via boekhandel). Jan Börger-Bibliotheek. Postbus 43, 2750 AA MOERKAPELLE. Postgiro 77 0 36. http://www.ibizweb.nllborger - e-mail: [email protected]

Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.