Eerbied voor wat God heeft ingesteld (1)


1 4542-reformatie :30 Pagina 97 JAARGANG 82 NUMMER 5 4 NOVEMBER 2006 Eerbied voor wat God heeft ingesteld (1) kerkelijk leven Op 26 september 2006 hie...
Author:  Joris Jacobs

0 downloads 1 Views 566KB Size

Recommend Documents


WAAR IS DE EERBIED VOOR GOD???
1 WAAR IS DE EERBIED VOOR GOD??? A. Inleiding: Een zoon eert zijn vader en een knecht zijn heer. Indien Ik nu een vader ben, waar is de eerbied voor M...

Eerbied voor het leven
1 Afdeling Apeldoorn Verschijnt 10x per jaar jaargang 29 DECEMBER2015 / JANUARI 2016 Eerbied voor het leven Met deze slogan is Albert Schweitzer bek...

ljupco. God heeft jou voor ogen!
1 Reality istock.com/ljupco God heeft jou voor ogen! Roepingenzondag 20172 12 en om roepingen Aartsbisdom Utrecht3 Voorwoord Op zondag 7 mei 2017 is h...

Jarenlang gebeurde hier alles wat god verboden heeft
1 Jarenlang gebeurde hier alles wat god verboden heeft De Limburgse mergelgrotten: een smeulend stuk historie ARTIKELIn de Carrièregrot bij Maa...

aan de hemel. Wat heeft God met duurzaamheid van doen?
1 Een geschenk uit/aan de hemel. Wat heeft God met duurzaamheid van doen? Impressie van de discussies Ochtend: naar aanleiding van de presentaties van...

WAAROM HEEFT GOD BEROUW?
1 ú ( WAAROM HEEFT GOD BEROUW? Op zoek naar een bijbels-theologisch perspectief op Gods berouw Op verschillende plaatsen in de Tenach lezen we ...

MEDITATIE HEEFT GOD VERDRIET?
1 De Kerkbode OFFICIEEL ORGAAN VOOR DE HERVORMDE GEMEENTE OCHTEN Verschijnt zaterdags om de veertien dagen. Abonnementsprijs 17,50 per jaar Jaargang 1...

5. Eerbied voor het leven
1 5. Eerbied voor het leven 5.1 Inleiding Een belangrijke notie uit de christelijke ethiek is de beschermwaardigheid van het leven. In dit hoofdstuk g...

Hetgeen God samengevoegd heeft
1 Hetgeen God samengevoegd heeft... door Dr C. W. WORMSER directeur van Indische dagbladen UITGEVERIJ W. VAN HOEVE - DEVENTER2 3 HETGEEN GOD SAMENGEVO...

Wie heeft God gemaakt?
1 Wie heeft God gemaakt? door ds. Jenno Sijtsma Als u bovenstaande titel opmerkelijk vindt, kan ik u alleen maar helemaal gelijk geven. Ook ik moest w...



4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 97

JAARGANG

82 –

NUMMER

5 – 4

NOVEMBER

2006

Eerbied voor wat God heeft ingesteld (1)

kerkelijk leven

Op 26 september 2006 hield ik in Ten Boer een referaat ter toelichting van een aantal besluiten van de Generale Synode van Amersfoort-Centrum 2005. Van vele kanten werd mij gevraagd om publicatie van wat daar gezegd werd. Dat daaraan behoefte is, doet me goed. En ik voldoe dan ook graag aan de verzoeken die mij bereikten. Hieronder vindt u de licht bewerkte tekst van mijn toespraak. In noten heb ik geprobeerd een enkele aanvulling - mede naar aanleiding van de bespreking - te geven. In dit nummer

Kerkverband

Kerkelijk leven - P. Niemeijer Eerbied voor wat God heeft ingesteld (1) 97 Meditatief - R.R. Roth Randkerkelijk in beeld 4

103

Wandelen met God - M.A. van Leeuwen Als Jezus de enige weg is, dan...

104

Samenleving - E. van Middelkoop De ChristenUnie is (g)een linkse partij 106 Achtergronden - B. van der Wal en G. van Harten Overtuigd gereformeerd, bewust Hervormd 109 Lied van de week - A. de Heer Gereformeerd Kerkboek 2006 lied 113 ‘Alle mensen moeten sterven’

113

Voetnoten - B. Kamphuis Bodar

115

Uit de kerken, Persbericht

P. Niemeijer ■

Ons kerkverband maakt moeilijke tijden door. Aan de ene kant zijn er die weinig van een kerkverband moeten hebben. Zij vinden het kerkverband iets wat plaatselijke kerken en plaatselijke processen alleen maar in de weg zit en frustreert. Anderen hebben het kerkverband op zich wel hoog in het vaandel en verwachten er veel van, maar schieten zichzelf in de voet: ze trekken zo tegen synodes van leer dat het per saldo het kerkverband ondergraaft. Hoe kun je respect vragen voor synodes die kennelijk zo falen? Aan de ene kant is er veel waarvoor de apostelen ons de Here hebben leren danken. Ik denk aan wat Christus en zijn Geest in de gemeenten werken aan geloof en gehoorzaamheid, aan liefde voor de Here en inzet voor zijn rijk, aan hulpvaardigheid en uitstraling naar buiten, aan offerbereidheid en gastvrijheid jegens de naaste, aan de energie van de jeugd en de rijpheid van ouderen. Aan de andere kant zijn er ook gevaren en verleidingen. Allereerst in onszelf. Als we eerlijk

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

97

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 98

voor de spiegel gaan staan, zijn we allen meer kinderen van onze tijd dan ons lief is. Eigen baas zijn, eigen belangen eerst, het verabsoluteren van de fijne sfeer waarin je je koestert en thuisvoelt, onzekerheid over allerlei vragen die zich aan ons opdringen, geen geduld voor het echt luisteren naar lange verhalen of meningen van anderen - wie zegt er dat wij er geen last van hebben?! Ook als kerken weten we ons aangevochten en kwetsbaar. Op een voor mijn gevoel zeldzaam eerlijke manier hebben synodes daar de afgelopen tijd zelf stem aan gegeven. Ik herinner aan de oproep tot verootmoediging die de Generale Synode van Zuidhorn 2002-2003 deed vanwege zaken als echtscheiding, seksueel misbruik, kwesties in plaatselijke kerken rond kerkenraden en predikanten, en heel de liturgie-discussie en onenigheid (Acta, art. 209). Ik denk ook aan wat de laatste synode schreef aan de Christelijke Gereformeerde Kerken en aan de Hersteld Gereformeerde Kerken. De geest van individualisme en relativisme, van materialisme en genotzucht heeft ook onder ons haar uitwerking. Zowel angstige regelzucht als onverschilligheid voor kerkelijke afspraken zijn in onze kerken aan te wijzen. Niet voor niets werd in de afgelopen tijd The Candlestand Statement opgesteld: tegen de charismatisering. De synode schreef: wij weten dat andere gereformeerde belijders met spanning kijken naar de manier waarop wij als kerken vanuit het Woord van God ingaan op de vragen die de hedendaagse tijd ons stelt. We willen voor die vragen niet weglopen. Maar we realiseren ons heel goed dat we in een proces met risico’s en gevaren zitten. En dat we daarin maar kleine kracht hebben. We begrijpen dat we niet automatisch een blanco vertrouwenscheque mogen vragen (Acta, art. 20; bijlage 10.1). Dat zeiden niet kritische kerkleden, dat schreef de synode.

op een zeldzaam eerlijke manier hebben synodes daar de afgelopen tijd zelf stem aan gegeven Alle reden dus om samen bezig te zijn met het kerkverband en ook met de besluiten van de laatste synode. Wat gebeurt er geweldig veel en - dankzij Gods Zoon en Geest! - ook goed werk. Opbouw van het kerkelijk leven, uitstraling van het Woord van God, toerusting van kerkleden en ambtsdragers, zorg voor hen die in bijzondere omstandigheden verkeren, oog voor de kerkdiensten als hart van het kerkelijk leven en de omgang met God. We hebben synodes die lang duren. Niet alleen door moeizame discussies. Maar ook door veel positief werk dat gebeurt! Maar er zijn ook zaken die gevoelig liggen en omstreden zijn. En juist daar komt het erop aan. Die vormen de lakmoesproef voor velen. Ik ben van plan bij een aantal van die besluiten 98

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

stil te staan en daar wat over te zeggen. Onder de kop: ‘Eerbied voor wat God heeft ingesteld’. En dan doel ik op de zondag, het huwelijk, de sacramenten en het kerkverband.

1. Vierde gebod en zondag Historie Ik begin met de zaak van het vierde gebod. Eerst een klein beetje over de historie. Vanaf de zestiende tot en met de negentiende eeuw zijn door de Gereformeerde en de Afgescheiden Kerken regelmatig oproepen in de samenleving uitgegaan om de zondagsrust te onderhouden. In een christelijk land als Nederland was, gaf men er wellicht niet altijd gehoor aan, maar men vond het in ieder geval niet vreemd dat het gebeurde. Bijna iedereen wist van het vierde gebod en had respect voor de opstelling van de kerk. In de 20e eeuw verandert dat. De zondag wordt steeds meer ingeroosterd in arbeidsprocessen en Nederland ontkerstent in rap tempo. De Gereformeerde Synode van Groningen 1927 is op het punt van de zondagsarbeid aanzienlijk terughoudender dan voorgangsters in verstreken eeuwen. Zij roept overheid en werkgevers op om werknemers in ieder geval de ruimte te geven om op zondag naar de kerk te kunnen. Een smalle zondagsopvatting: laat er de mogelijkheid zijn tot het bijwonen van de kerkdiensten. Aldus de laatste gereformeerde synode die een uitspraak over de zondag deed vóór die van Amersfoort-Centrum! Zeg niet te snel dat oude tijden beter zijn dan de huidige! In de jaren zestig kregen onze kerken te maken met de opvatting van ds. G. Visee. Heel kort en ongenuanceerd weergegeven, was hij van mening dat we nu geen Joodse sabbat meer kennen en dus het vierde gebod zijn tijd gehad heeft en dus de tien geboden geen zeggenschap meer hebben. Sabbat en vierde gebod werden bij hem het breekijzer in het geheel van Gods wet! Geen sabbat meer, helemaal geen wet meer. Het is geen wonder dat we als kerken met dít verleden heel huiverig geworden zijn op dit punt. Dít willen we niet! Anders dan de Particuliere Synode van Overijssel die ook de opvatting van ds. Visee inzake het vierde gebod had afgewezen, beperkte de Generale Synode van Hoogeveen 1969-70 zich tot een veroordeling van Visee’s opvatting over de wet. Een voorstel om ook zijn sabbatsleer af te wijzen, werd - om welke reden dan ook - niet aangenomen. De zaak-Visee leidde dus niet tot een algemene uitspraak over het vierde gebod, behalve dan dat de uitspraak over het geheel van de Tien Geboden uiteraard ook betrekking had op de geldigheid van het vierde gebod.

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 99

Nieuwegein En toen kwam de zaak-Nieuwegein! De synode van Leusden 1999 moest in het kader van een individuele beroepszaak oordelen over een preekfragment van ds. D. Ophoff, die toen in Nieuwegein stond. Ik zeg het expres zo: over een ‘preekfragment’ van ds. D. Ophoff. Want de synode sprak uit dat in de bestreden preek over Zondag 38 (2 juni 1996) ‘het belang van de erediensten en van de ruimte daarvoor duidelijk naar voren zijn gekomen’ en dat er bovendien geen reden was ‘om aan te nemen, dat ds. D. Ophoff in het geheel van zijn functioneren als dienaar van het Woord binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland zou afwijken van de leer van de kerk met betrekking tot het vierde gebod van de wet van de Here’ (Acta, art. 25, besluit 4.1 en 4.4; curs. van mij, PN). Voor dat laatste verwijst de synode bij wijze van voorbeeld naar een preek van ds. Ophoff op de zondag die aan de omstreden preek voorafging - ook over Zondag 38 (26 mei 1996) - waarin hij stelde: - “Wees dankbaar voor de zondag die God u geeft. Een dag die Hij zelf beveiligt tegen alle drukte en haast. Een dag die wij daarom beveiligen moeten. Zodat de Here de ruimte heeft om door zijn Geest in ons te werken.” - “Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat God zelf een stille tijd schept in ons leven door middel van de zondag. De dag waarop het rumoer van het gewone dagelijkse leven moet zwijgen, opdat de Here aan het woord kan komen en er ook de rust en de tijd is om Hem te antwoorden in het gebed.” - “De zondag is voor het werk van de Geest in ons een prachtige dag.” (Acta, art. 25, grond 5). Wat was dan de inhoud van het omstreden preekfragment? De synode meldt dat ds. Ophoff een preek over Zondag 38 hield (zoals gezegd de tweede preek over deze zondag, want de vorige zondag had hij er ook al over gepreekt!) met als thema: “Vind rust in de Here: 1. Dat blijft de boodschap van de sabbat; 2. Dat kan ook bij een aangetaste zondag.” In deze preek stelt hij onder andere: “Laat merken hoeveel die dag je waard is. Wat mij betreft, niet op grond van een absoluut, goddelijk gebod. Maar wel omdat het goed is samen een dag in de week rust te nemen, naar het voorbeeld van Israëls sabbat.” (Acta, art. 25, materiaal 1.a). Wat mij betreft, niet op grond van een absoluut, goddelijk gebod, maar omdat het goed is... Dat is de zin waarom het gaat. De synode spreekt n.a.v. deze passage uit dat het weliswaar waardevol is om in een Catechismuspreek over één van de Tien Geboden, de gemeente te motiveren tot liefde voor het doel dat God met dat gebod op het oog heeft, maar dat in de bewuste preek onvoldoende uitkomt, dat in zondag 38 HC sprake is van een gebod, namelijk om vooral op de rustdag trouw de kerkdiensten te bezoeken (Acta, art. 25, besluit 4.2 en grond 2):

daar heeft de synode dus wel degelijk een lacune aangewezen bij ds. Ophoff. Vervolgens spreekt de synode uit ‘dat de opvatting van ds. D. Ophoff dat de zondag als rustdag niet gegrond is op een goddelijk gebod, niet te veroordelen is’ (Acta, art. 25, besluit 4.3). Waarom is die niet te veroordelen? Omdat die juist is? Dat zegt de synode niet! Hij is niet te veroordelen omdat in het verleden voorgangers die ontkenden dat uit het vierde gebod regelrecht onze zondagsrust voortvloeit, daarom

dan zou je je schuldig maken aan het veranderen van de spelregels tijdens de wedstrijd nooit veroordeeld zijn. Er is binnen de kerken altijd ruimte geweest voor de opvatting dat de zondag als rustdag gegrond is op een verantwoorde keus van de christelijke kerk die in haar gelovig antwoord op de leiding van Gods Geest aan de zondag de bijzondere waarde van rustdag toekent naar het voorbeeld van Israëls sabbat (Acta, art. 25, gronden 3 en 4). Luther en Calvijn en Gomarus, om maar eens wat namen van zulke voorgangers te noemen, zijn nooit vanwege hun opvatting over het vierde gebod of over de fundering van de zondagsrust veroordeeld. Als die ruimte er altijd is geweest, kun je niet nu ineens ds. Ophoff erom veroordelen. Dan zou je - om het maar eens zo te zeggen - je schuldig maken aan het veranderen van de spelregels tijdens de wedstrijd. Ja maar, waarom heeft de synode dan niet een positieve uitspraak over de zondagsrust toegevoegd? Dat is overwogen. Maar de meerderheid van de synode zei: om zo’n uitspraak is de synode niet gevraagd en dus heeft ze formeel geen recht om zo’n uitspraak te doen. Waar de synode zo duidelijk zag dat haar niet om een algemene uitspraak over de zondag was gevraagd, maar om het beslechten van een plaatselijk geschil, wekt het verbazing dat de synode van Leusden het besluit inzake deze zaak wel opnam in hoofdstuk 1 van de Acta: over de leer. Daarmee leek het alsof de synode toch een algemene leeruitspraak had gedaan. Door dat misverstand kreeg de volgende synode - die van Zuidhorn 2002 - een groot aantal ingekomen stukken te verwerken. De synode van Zuidhorn heeft de zaak-Nieuwegein behandeld en in haar Acta heel bewust opgenomen in het hoofdstuk waar het hoorde: hoofdstuk 3b Kerkregering/rechtspraak, in art. 52, 531) De synode wees de revisieverzoeken tegen Leusden af. Die particuliere zaak is uiteindelijk in Amersfoort nog een keer teruggekomen en afgesloten. Daar is verantwoord waarom aan het besluit van Leusden en de afwijzing van de revisieverzoeken door Zuidhorn nu, zoveel jaar na dato, niets meer veranderd wordt (Acta, art. 70; zie ook de toespraak van de preses na de besluitvorming).

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

99

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 100

Opdracht tot handreiking In Leusden kon dus geen algemene uitspraak over vierde gebod en zondag worden gedaan. Dat was anders op de synode van Zuidhorn 2002. Daar lag een verzoek van de Particuliere Synode van Holland-Zuid om zo’n uitspraak. De synode besloot op dat verzoek in te gaan en stelde een deputaatschap ‘vierde gebod en zondag’ in met de opdracht ‘de kerken te dienen met een handreiking waarin een positieve standpuntbepaling geboden wordt inzake het ethisch handelen als gelovigen en kerken in de 21e eeuw met betrekking tot het vieren van de zondag als dag van de Here in het licht van het vierde gebod’. Dit besluit wordt - terecht! opgenomen in hoofdstuk 1 van de Acta, onder

eerst komt het rusten, daarna het vieren

Rust

het kopje Leer (art. 13). Want de bedoeling van deze handreiking is, om los van de beperkingen en grenzen van de individuele beroepszaak van Nieuwegein en daarnaast een algemene handreiking over de zondag te bieden, waarin hopelijk ‘niet-opgeloste dilemma’s’ te boven worden gekomen. Het is van groot belang nu overheid en samenleving in Nederland hun christelijk stempel verloren hebben en de vanzelfsprekendheid van de zondag als rustdag onder druk is komen te staan, dat de kerken hun overtuiging op dit punt hernieuwen en verder ontwikkelen (vgl. Acta, art. 13). Een mooie en belangrijke opdracht! Deputaten hebben hun taak opgepakt en rapport uitgebracht aan de synode van Amersfoort-Centrum. In het voorbereidend overleg met de synodecommissie en na publieke bespreking ter synode hebben deputaten hun oorspronkelijke concept bijgesteld. De synode nam het vervolgens over met één onthouding (op formele gronden). Waarom was zo’n rapport nou nodig? Waarom kun je niet gewoon een rechte lijn trekken van het vierde gebod naar de zondagsrust? Omdat niemand van ons dat doet! Ook de hersteld gereformeerden niet! Immers: - het vierde gebod spreekt over de zevende dag, maar wij vieren alleen de zondag; - reeds de Dordtse Synode sprak uit dat wij niet meer gebonden zijn aan de strenge onderhouding van die dag die het joodse volk in het bijzonder was opgelegd; waarop baseert de Dordtse synode dit; en waaraan zijn we dan nog wel gebonden? Daarnaast zijn er vragen: - wat betekent het als Paulus de Kolossenzen oproept niemand te oordelen op het punt van de sabbat, die hij een schaduw noemt van wat komen moest (Kol. 2:16,17)? - hoe gingen de christenen in het Romeinse rijk om met de zondag, toen die nog geen ‘vrije zondag’ was; bleven zij van hun werk 100

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

weg of namen ze er het martelaarschap voor op zich? U zou kunnen zeggen: het rapport moest duidelijk maken hoe je komt ván het vierde gebod tót onze zondagsrust. Dat daar een heleboel tussen zit, weten we allemaal. Maar hoe loopt dat precies? Dat beschrijft het deputatenrapport op een christocentrische manier: de lijnen van het vierde gebod in en via Christus naar onze hedendaagse zondag! Een van de grote vragen daarbij was de zondag als dag van rust: dat er een dag is voor de aanbidding van God en de samenkomsten van de gemeente, dat is onomstreden; maar is de zondag nog altijd een rustdag? Dát was de vraag. Hoort het element van de rust bij wat God gebiedt in het vierde gebod? En is dat een blijvend aspect aan het vierde gebod?

2006

Wie met deze zoekvraag de handreiking van de synode van Amersfoort-Centrum 2005 (Acta, art. 22) doorneemt, vindt een duidelijk antwoord. Bij de blijvende aspecten aan het vierde gebod hoort allereerst de afwisseling van werken en rusten (onderwijzend deel, 3.2). En niet maar in de zin van overdag bezig zijn, ’s nachts slapen. Nee, in de afwisseling van werkdagen en een rustdag (praktisch-ethisch deel, 2.1. en 2.2). Daarvan willen we als kerken ook publiek getuigen: wijzen op de Schepper van al wat leeft die het ritme van werken en rusten gegeven heeft aan mensen die naar zijn beeld geschapen zijn (onderwijzend deel, 6). We komen op voor de handhaving van de zondag als dag van collectieve rust (onderwijzend deel, 6). Terwijl in veel zondagsbeschouwingen de zondag allereerst een dag van ‘vieren’ is en het rusten er is omwille van het vieren, zet de handreiking de rust voorop: Eerst komt het rusten, daarna het vieren (onderwijzend deel, 4; praktisch-ethisch deel, 2.3). Dat gebod tot rusten van eigen werk en inspanning vraagt om concretisering. En die concretisering komt er dan ook naar de zaak van de zondagsarbeid (praktisch-ethisch deel, 2.9-12; 2.16). Met deze handreiking zijn we m.i. verder dan vóór Leusden. Wie op dit moment over de zondag spreekt, kan niet om deze handreiking heen. Het is geen vierde formulier van enigheid, dat weet ik ook wel. Daarop zaten we ook niet te wachten. We hebben immers de Schrift en Zondag 38: daaraan zijn we gebonden. Maar het is ook niet niks als de kerk voor het eerst na lange tijd en na zorgvuldig onderzoek van de Schrift komt tot een uitspraak, waarin een knoop wordt doorgehakt en een handreiking aan de kerken geboden wordt. Ook een handreiking voor onze presentatie naar buiten: voor een publiek getuigenis. Dat is iets om heel dankbaar voor te zijn! Voor het eerst na heel lange tijd spreekt de kerk weer op dit punt! Deze handreiking is geen eindpunt, maar een doorstart. Ze spreekt zelf in de inleiding van een verlangen om ‘steeds beter te begrijpen hoe

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 101

de zondag ons in Christus geschonken is tot verlossing en heiliging van alle dagen van het leven’ (curs. PN). Want uiteindelijk gaat het niet om de zondag, maar om de vernieuwing van héél ons leven: alle dagen van de week.

2. Echtscheiding Oude lijn Ik ga naar de tweede zaak: huwelijk en echtscheiding. Lange tijd golden in onze kerken twee echtscheidingsgronden: bedrogen worden door overspel en verlaten worden omwille van het geloof. Als dat in geding was, was je vrij om te scheiden. Dat leek duidelijk, maar was het toch niet. Om maar eens een paar vragen te noemen: 1. Is het niet een wat biblicistische manier van schriftgebruik: doen alsof een paar teksten een complete en uitgewerkte ethiek van huwelijk en echtscheiding geven? Bovendien: is het verbod van de Here Jezus om te hertrouwen ‘bij een andere reden dan overspel’ echt bedoeld als het aangeven van een grond voor legale scheiding.2) En is de bedrogene altijd schuldloos? 2. Bekend is de vraag of het kwaadwillig verlaten worden door je eega ook een grond is om te scheiden. In 1923 en 1933 kwamen synodes daar niet uit; en ook de synode van Berkel en Rodenrijs 1996 liet de zaak in feite onbeslist. 3. Zijn er geen andere ontwrichtingen die minstens zo erg zijn als overspel: denk aan incest, homoseksualiteit, pornoverslaving, of reken je die allemaal onder overspel? Wat moet je met alcoholisme, psychopatische vernietigingsdrang of mishandeling? Mag je om één keer overspel wel scheiden en om jarenlang mishandeld worden niet? U begrijpt wat er met dit soort redeneringen gebeurt: je gaat de gronden steeds meer oprekken, er komen al meer gronden waarop je wettig scheiden mag. 4. Liep onze tuchtoefening niet vaak vast in een loopgravenoorlog: mensen bleven eindeloos afgehouden, dat bevredigde niet en dus hief de kerkenraad op een gegeven moment de censuur maar op; maar welke grond hij ervoor had?... niemand die het zeggen kon, ook al begreep ieder dat het niet anders kon.

Nieuwe lijn In deze situatie zijn deputaten met een nieuwe benadering gekomen. Om het maar wat minder nauw te nemen? Om de gronden nog verder op te rekken? Nee, ze kozen een totaal nieuwe insteek. Ze wezen erop dat alle spreken over gronden om te scheiden zich richt op de grenzen van

het huwelijk. Als je het huweljk vergelijkt met een speelplein, dan ben je in je spreken over echtscheidingsgronden bezig met het hekwerk om dat plein: hoe hoog is de afrastering en waar zitten de gaten en sluiproutes? Maar veel belangrijker is wat er op het plein zelf gebeurt. We moeten werken aan het voorkómen van echtscheiding en aan de versterking van huwelijken. Door dringend aangeraden huwelijkscatechese bijvoorbeeld (Acta GS Amersfoort-Centrum 2005, art. 57, besluit 5). En als het een strijd is om getrouwd te blijven of van hertrouwen af te zien, zullen we elkaar weer moeten leren wat maximale toewijding aan de Here is, en wat offers brengen is en kruisdragen, en dan niet alleen inzake het huwelijk trouwens, maar over heel de linie! We moeten leren leven met het onvolkomene en met onvervulde verlangens door uit te zien naar het rijk van God dat komt (Acta, art. 57, besluit 1). Dát is de stijl van het koninkrijk. Die betekent geen afzwakking of vervaging van Gods geboden, maar een relativering van onze moeite en een stimulans om ons tegen alle verleiding in te houden aan Christus’ onderwijs en af te zien van scheiding en tweede huwelijk.

dát is de stijl van het koninkrijk Het spreken over echtscheidingsgronden kent nog een bezwaar. Het wekt de indruk dat er in bepaalde situaties een vrijbrief is om te scheiden. Echtscheidingsgrond betekent onder ons immers: in al die situaties kun je wettig scheiden. Maar dat is niet wat de Bijbel zegt. Die geeft geen blanco volmacht om in bepaalde situaties te kunnen scheiden. Die zet juist in op trouw: wat God samengevoegd heeft, moet de mens niet scheiden. Wat je in de naam van de HERE belooft, moet je nakomen. Daarvoor mag je de HERE ook om kracht vragen. Als er een regel geldt in de kerk inzake het huwelijk, dan is dat: niet scheiden! Scheiden is altijd een kwaad, een ernstig kwaad zelfs dat zoveel mogelijk voorkomen en bestreden moet worden. Het blijft altijd opdracht om te werken aan verzoening en herstel van de relatie in de weg van berouw, vergeving en zelfverloochening. Daarom is de regel ook: geen kerkelijke bevestiging van een tweede huwelijk na echtscheiding (Acta, art. 57, besluit 6: uitgangspunten). Daarmee geven we als kerken in ons ontkerstende land een publiek getuigenis af over de heiligheid en onontbindbaarheid van het huwelijk hoeveel dat van betrokkenen overigens eist.3)

Geen dopers perfectionisme Er zijn dus geen situaties meer waarin je ‘gewoon’ kunt scheiden en hertrouwen. Of sowieso die vrijheid hebt. Maar er zijn in de praktijk toch soms situaties waarin gescheiden wonen onontkoombaar is en waarin een ker-

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

101

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 102

kenraad bijna niet anders dan berusten kan? Dat kwam in Korinte toch ook voor: dat mensen toch scheidden? Ja, zeggen deputaten, maar dan geldt dus de regel van 1 Kor. 7:10,11: niemand mag zijn vrouw of haar man verstoten. Maar is dit toch gebeurd, dan moeten zij ongehuwd blijven of zich met elkaar verzoenen. Deputaten en synode zeggen: als bij elkaar blijven wonen niet meer mogelijk is, ga dan niet verder dan een scheiding van tafel en bed, zodat verzoening mogelijk blijft en hertrouwen uitgesloten is. Wordt er toch gescheiden of hertrouwd, dan moet een kerkenraad bekijken wat er moet gebeuren: moet er censuur geoefend worden of moet er berust worden. Mag een kerkenraad eigenlijk wel berusten? In het geloof is toch elk probleem te overwinnen? Tegenover dat (dopers-evangelisch) perfectionisme moeten we zeggen: helaas, het kan in deze bedeling nog altijd zover komen dat je moet zeggen: alles is geprobeerd, er is veel strijds gestreden en veel gebeds gebeden, maar het lukt niet. Sterker nog: er gebeurt een nog groter kwaad als het gehuwde samenwonen zou worden voortgezet. Hoezeer we het ook betreuren, we kunnen niet anders dan berusten. Dat kan dan verantwoord zijn. Dat je zegt: nu kunnen we niet langer een wonen onder één dak vereisen, want er worden anders mensen bijv. onherstelbaar beschadigd. Dan kun je mensen van de verplichting om bij elkaar te blijven wonen, ontslaan. Dat is wat in 1 Kor. 7 ook gebeurt. Iemand wordt niet langer ‘gebonden’. Er kan met een goed geweten worden berust, hoe graag je het ook anders zou wensen.

willen de betreffende broeder en zuster luisteren naar en buigen onder het juk van Christus of niet? In zo’n situatie werd er in het verleden berust in stilte. De gemeente hoorde niets en kon denken als ze gescheidenen aan het avondmaal zag gaan: die scheiding, dat hertrouwen is kennelijk wettig, en geen kwaad. Dat misverstand is geen goede zaak. Daarom is er nu de mogelijkheid dat de kerkenraad een mededeling doet vanaf de kansel waarin gezegd wordt hoe hij scheiding of hertrouwen taxeert en waarom hij berust (Acta, art. 57, besluit 4a). Dan wordt er dus niks stilletjes gelegitimeerd en voorkom je dat het gebod sluipend wordt uitgehold. De kerkenraad kan ook tot censuur (moeten) besluiten. Daarvoor moet niet maar administratief gekeken worden naar een ‘grond’ waaraan al of niet voldaan is (‘was het overspel, oh dan is het oké’), maar - net als overal elders in het pastoraat normaal is! - naar de houding van de betreffende broeder en zuster. Hoe staan zij in hun huwelijksmoeite? Willen ze luisteren naar en buigen onder het juk van Christus of 102

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

niet? Komen zij met een eerlijk en zuiver beroep op hun verstaan van de Schrift of is er sprake van volharding in zonde? Zijn de broeder en zuster - om zo maar eens te zeggen ‘toerekeningsvatbaar’ of is er bij hen misschien sprake van een volstrekt onvermogen om in geloof hun problemen het hoofd te kunnen bieden, zodat er iets anders nodig is dan censuur? En ook een vraag voor het oefenen van censuur is: hoe staat het eigenlijk in de gemeente? Is men op het punt van echtscheiding heel strikt in het oefenen van censuur, maar kan er op andere gebieden van alles mee door? Moet je dan niet de indruk van selectieve verontwaardiging vermijden (Acta, art. 57, besluit 4 grond 1)? U merkt: de weg naar het zoeken van echtscheidingsgronden is verlaten. Die leidde alleen maar tot oprekking van de mogelijkheid om te scheiden. Als er een scheiding plaatsvindt, moet de kerkenraad niet een grond afvinken (is die OK, ja of nee), maar de opstelling en houding van de betrokkenen moet beoordeeld worden: op geestelijke wijze.

Ds. Pieter Niemeijer is predikant van de Gereformeerde Kerk te Den Helder en was preses van de laatstgehouden Generale Synode. noten: 1 Omdat het niet om een algemene leeruitspraak gaat maar om een uitspraak in een particuliere beroepszaak zijn ook alleen de direct-betrokkenen tot effectuering geroepen, en zijn de uitspraken van Zuidhorn en Amersfoort-Centrum in dezen bewust niet opgenomen in de lijst van besluiten die in alle plaatselijke kerken tot effectuering moeten leiden (vgl. Acta GS Zuidhorn 2002-2003, art. 211; Acta GS Amersfoort-Centrum 2005, art. 191). 2 In Matt. 5:31v zegt de Here Jezus: ‘Er is gezegd: Al wie zijn vrouw wegzendt, moet haar een scheidbrief geven. Maar Ik zeg u: Een ieder, die zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan ontucht, maakt, dat er echtbreuk met haar gepleegd wordt; en al wie een weggezondene trouwt, pleegt echtbreuk’ (vertaling-1951). De Here Jezus laat in de Bergrede zien dat Gods geboden veel dieper gaan dan gedacht. Ook als een vrouw om een andere reden dan echtbreuk wordt weggezonden (met een scheidbrief), moet dat niet te licht worden opgevat. Het kan zomaar tot echtbreuk leiden: nl. bij hertrouwen. Een heel radicaal woord van onze Heiland! Dat niet bedoelt te zeggen dat echtbreuk een wettige echtscheidingsgrond is, maar dat verstoten-om-eenandere-reden-dan-echtbreuk zomaar tot echtbreuk kan leiden! Er is meer echtbreuk dan alleen door overspel! 3 Zelf hoop ik, als het ooit mijzelf zou overkomen - hetgeen God genadig verhoede! - de genade te ontvangen om me dan ook als ‘gedupeerde’ voor dit publieke getuigenis van de kerk mede verantwoordelijk te weten en daarom van een verzoek om kerkelijke huwelijksbevestiging af te zien.

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 103

Randkerkelijk in beeld 4

m e d i t a t i e f

Helen Hij ging naar de gewonde man toe… Lucas 10:34

Help me. Ik kan niet anders dan zachtjes roepen. Priester, help me. Ik kan nog net door mijn bebloede ogen zien dat het een priester is. He, hier!, loop niet voorbij! Néé… hier! Help me. Ik kan niet anders dan zachtjes roepen. Meneer, broeder! Ik kan nog net door mijn bebloede ogen zien dat hij een leviet is. He, hier! loop niet voorbij! Eindelijk, weer iemand. Ik kan niet meer praten. Ssst, stil maar, Ik ben bij je. Ik heb zalf, pleisters en verband. Je gaat dood als Ik je niet help. Ik kan niets doen, Heer, ze hebben me zo toegetakeld. Het is ook niet de bedoeling dat je iets doet. Laat Mij je eerst helpen, dat doen komt later wel. Ik zal je wonden schoonmaken, het zal pijn doen. Ik zal proberen je wonden te verbinden, het zal pijn doen.

R.R. Roth ■

Maar Ik wil je overeind hebben. Vertrouw Me, dan lukt het Me, Ik geef je je leven terug. Auw! Heer, moet dat echt zo? Wat wil je, genezen of zal Ik je laten liggen zoals je ligt? Oké genezen, maar kan het wat zachter? Ik gebruik al wijn en olie, zonder dat was het nog erger. Wat doe je hier eigenlijk? Wie hebben je toegetakeld? Dat weet ik niet, een paar schoften van rovers. En niemand kwam hier langs? Jawel, dat is het hem nu juist, twee kwamen er langs, maar ze hielpen niet. Ze waren van mijn eigen kerk. Wat? Van je eigen kerk?! Luister, Ik breng je naar een logement, hier dichtbij. Wat je nodig hebt voor je herstel zal Ik betalen, alles. En alsjeblieft geen gemaar van terugbetalen of iets dergelijks. Je wilt de rekening niet zien. Ik haast me nu even, want die priester en die Leviet hebben me nodig. Momenteel zijn ze er erger aan toe dan jij. Ds. Robert Roth is predikant van de Gereformeerde Kerk te Breda.

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

103

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 104

Als Jezus de enige weg is, dan… In Johannes 14 zegt Jezus van zichzelf dat hij de enige weg is naar God. Vers 6: ‘Ik ben de weg, de waarheid, en het leven’. Dat is een uitspraak die nogal wat weerstand oproept. Sowieso is het voor veel mensen vandaag de dag niet te verteren dat er maar één manier is om God te dienen. Want hebben we allemaal niet een stukje van de waarheid? En komen alle godsdiensten uiteindelijk niet op hetzelfde neer? Een moeilijke vraag Daar is wel wat tegenover te zetten. De godsdiensten zeggen nl. unieke dingen en ze spreken elkaar tegen. Het maakt bijv. nogal uit of ik in een laatste oordeel geloof of in reïncarnatie. Om maar iets te noemen. Verder is Jezus de enige die van zichzelf heeft gezegd dat hij God is. Dat heeft geen enkele andere godsdienstleider durven beweren. Mohammed niet, Boeddha niet. Niemand. Ik ga in dit artikel verder niet in op deze exclusieve claim van Jezus, dat hij de enige weg is. En waarom hij dat kan zeggen. Dat kan in een ander artikel misschien nog eens. Want het is wel een belangrijk punt, dat je dit voor jezelf helder hebt als christen. Ik wil de ruimte die ik nu heb, gebruiken voor een andere reactie. Een die van binnenuit komt. Want ook veel christenen hebben het er moeilijk mee. Als Jezus de enige weg is, wat dan als je hier nog nooit van gehoord hebt? Heb je dan gewoon pech? En al die mensen die Jezus de rug hebben toegekeerd, mensen die ik ken vaak, hoe zit het met hen? Kortom: leidt de exclusieve claim van Johannes 14:6 niet tot een heel deprimerend toekomstbeeld? Zullen er dan niet heel veel mensen worden afgewezen door God?. Dat is een moeilijke vraag. Als je met die vraag naar de Bijbel gaat, kom ik op vijf opmerkingen.

Niemand heeft recht op de hemel 1. De Bijbel leert dat niemand het recht heeft om bij God in de hemel te komen. Psalm 14:2,3: De Heer kijkt vanuit de hemel naar 104

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

wandelen met God

M.A. van Leeuwen ■

de mensen om te zien of er één verstandig is, één die God zoekt. Allen zijn afgedwaald, allen ontaard, geen van hen deugt, niet één. En nog duidelijker Prediker 7:20: Er is geen mens op aarde die nooit zondigt, die alleen maar goed is en altijd rechtvaardig. Niemand kan zeggen: God, U moet mij op grond van mijn leven wel binnenlaten. Blijkbaar voldoet niemand aan Gods hoge eisen. Hoe liefdevol, hoe sociaal, hoe gelovig je ook geleefd hebt. Dat is het probleem waar de mens voor staat. Hij ziet een bord verboden toegang, als hij op eigen houtje de hemel in wil. Soms lijkt het wel dat God moet gaan uitleggen waarom Hij niet iedereen redt. Maar hoe serieus nemen we dan wat Hij gedaan heeft? Hij kwam naar de aarde om voor ons te sterven. Hij ging aan het kruis hangen voor ons en stierf de dood die wij verdiend hadden. Dan kun je toch niet zeggen, dat zonden Hem niks kost en dat Hij niet van ons houdt? Misschien moet je zelfs wel zeggen: als er eentje recht heeft om ons te oordelen, dan is het God.

Niet iedereen wordt gered 2. Verder zal ook niet iedereen gered worden. Ook daarover is de Bijbel duidelijk. Bv. Matteüs 24:40: Dan (op de dag van Jezus’ wederkomst, MAvL) zullen er twee op het land aan het werk zijn, van wie de een zal worden meegenomen en de ander achtergelaten. Of (al is het met een beeld, maar daarom niet minder waar) Openbaring 20:15: Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid.

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 105

Zoon, die zelfs zijn beulen vergaf? Die nooit een steek heeft laten vallen? Of Hij zal zeggen: jij wilde jezelf redden door ruimdenkend en tolerant te zijn, iedereen mag van jou denken wat hij wil? Mooi, maar ben je ook maar enigszins zo tolerant geweest als mijn Zoon, die wilde sterven voor uitschot? Kun je Mij in de ogen kijken en durf je dat te beweren?

Nee, niet iedereen zal gered worden. En dan gaat het niet alleen om mensen die Jezus afwijzen, ook gelovigen die op zichzelf vertrouwen, op hun eigen vrome, godsdienstige gedrag, ook zij komen uiteindelijk niet binnen. Lees Matteüs 7:21: Niet iedereen die ‘Heer, Heer’ tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader.

Het uiteindelijke oordeel zal ons verrassen Niet iedereen komt bij God, want God dwingt niemand. Hij vraagt ‘slechts’ om een reactie: hoe sta jij tegenover Jezus Christus, die voor jou leefde en stierf? God dwingt je niet, maar Hij neemt een negatieve reactie wel heel serieus, want God neemt het werk van zijn Zoon heel serieus. Als je dit aanbod van Gods liefde afwijst, dan zul je ook de consequenties onder ogen moeten zien.

5. Een laatste opmerking vanuit de Bijbel: het uiteindelijke oordeel zal ons verrassen. Lees Lucas 13:23vv. Iemand vraagt aan Jezus: Heer, zijn het er maar weinigen die worden gered? En dan reageert Jezus met: maak jij je nou maar druk over jezelf. Doe zelf alle moeite om binnen te komen. Want velen zal het niet lukken. En dan heeft Jezus het over mensen die hem kennen! En aan het eind zegt Jezus: uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden zullen ze komen. En ze zullen aan tafel genodigd worden in het koninkrijk van God. Met andere woorden: het zal druk worden straks. Veel mensen zullen worden gered. Uit alle windstreken, uit alle volken. En let op, zegt Jezus: er zijn laatsten die de eersten zullen zijn, en eersten die de laatsten zullen zijn. Dat houdt voor nu in: gelovigen komen niet automatisch binnen, en niet-gelovigen staan niet automatisch buiten. Op de valreep zullen er nog heel wat mensen gered worden. Mensen die niets van de bijbelse boodschap moesten hebben, of er nauwelijks iets van wisten, maar die op het laatst toch nog door de nauwe deur (lees: Jezus) naar binnengaan. Ze zullen mensen ‘van het eerste uur’ voorbijlopen. Gelovigen, kinderen van God, die Jezus buiten hun leven hebben gehouden, die als puntje bij paaltje kwam, toch op zichzelf vertrouwden.

Het oordeel is aan God 3. Belangrijk is verder, dat wij het oordeel aan God overlaten. De Bijbel zegt: waarom zouden we over buitenstaanders oordelen? Over buitenstaanders zal God oordelen (1Kor. 5:12,13). Oordeel niet over mensen die de boodschap van de Bijbel naast zich neerleggen. Dat is gewoon je taak niet. Je hebt je niet te bemoeien met de knecht van een ander (Rom. 14:4). En iedereen valt onder de heerschappij van God. Vergeet verder deze woorden uit de Bijbel ook niet: God zal rechtvaardig oordelen over de volken (Psalm 67:5). Hoe het oordeel over iemand uit zal pakken, dat laat God afhangen van hoeveel jij van Hem wist. Hij oordeelt naar het licht dat mensen hadden. Dat zegt ook Lucas 10:12-15: Het zal voor Sodom draaglijker zijn in de dag van het oordeel, dan voor welk dorp ook waar het evangelie van Christus is gebracht. Het gaat erom: wat hebben mensen gedaan met het licht, met de kennis van God, die ze hebben ontvangen? En niemand is zonder licht. De Bijbel verzekert ons dat we uiteindelijk niets oneerlijks in Gods oordeel zullen ontdekken.

Dit woord van Jezus bewaart ons voor stellige uitspraken, naar welke kant ook. Het zal nog een verrassing zijn wie er straks op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde wonen. En die verrassing mag ik ‘live’ meemaken, als ik hier en nu Jezus aanvaard als de enige weg naar God. Want dat is het licht dat ik vandaag heb opgevangen vanuit Johannes 14:6. En naar dat licht zal God mij oordelen.

God oordeelt naar wat jij weet 4. Ook voor vandaag geldt dus: wat doe je met jouw kennis over God? Hoe meer je hebt gehoord over God, hoe meer je hebt te verantwoorden straks. Lucas 12: 48: van iedereen aan wie veel gegeven is, zal veel worden geëist. Daarom zal die oordeelsdag voor een stad als Rotterdam anders zijn, dan voor een dorp in de binnenlanden van Afrika. Wij moeten onze beslissingen nemen naar het licht dat wij hebben gekregen. God dwingt niemand om in te gaan op de uitnodiging van Johannes 14:6, over Jezus, die ook jou bij God wil brengen. Ik kan zeggen: ik doe het liever op mijn eigen manier. Maar dan zal God je straks oordelen naar het licht dat jij had. Hij zal zeggen: jij wilde jezelf redden door fatsoenlijk te leven en je best te doen voor Mij? Dat is mooi, maar kom jij met je leven ook maar enigszins in de buurt van mijn

Ds. Mark van Leeuwen is predikant van de Gereformeerde Kerk te Rotterdam-Oost. Reageren: [email protected]

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

105

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 106

De ChristenUnie is (g)een linkse partij Sinds de 19de eeuw wordt in parlementaire democratieën overal ter wereld het schema links-rechts gebruikt als methode van indeling van politieke partijen. Zo ook in ons land. Het is een niet al te helder schema, maar grof gesteld vindt men vanaf het begin van de 20ste eeuw aan de rechterkant van het politieke spectrum partijen met een conservatieve inslag en ter linkerzijde de progressieve partijen. Meestal worden confessionele partijen bij rechts ondergebracht. Pogingen om wat dieper te theoretiseren over de inhoudelijke waarde van dit schema leiden meestal schipbreuk op de vele uitzonderingen, intuïtief en historisch behoudt het enige gebruikswaarde. Denk aan de telkens weer opspelende wens naar een linkse meerderheid, een wens die deels gevoed wordt door de frustratie om het politieke ervaringsfeit dat er in Nederland tenslotte altijd een rechtse meerderheid voorhanden is. De twee ‘Paarse’ kabinetten doorbraken weliswaar het links-rechtsschema, maar na de verkiezingen 2002 lijkt de oude orde zich weer te hebben hersteld.

Klein rechts Binnen dit schema is de ontwikkelingsgang van de ChristenUnie bepaald een interessante. In het verleden werden de kleine christelijke partijen, GPV, RPF en SGP, meestal aangeduid als klein rechts. Daar kon men mee leven, tot de rechtse populist Janmaat de Tweede Kamer kwam versterken. Vanaf dat moment wensten die partijen nog slechts als klein-christelijk door het politieke leven te gaan. Dat die wijziging van etikettering grotendeels is geslaagd mag men een verdienste noemen. Het is immers in de politiek niet altijd mogelijk zelf met effect de regie te voeren over de aanduidingen die anderen, vooral de journalistiek, wensen te gebruiken.

is er sprake van een nieuwe koers, die vrijwel geluidloos is ingeslagen? Echter, vrijwel vanaf de oprichting van de ChristenUnie is deze partij als links aangemerkt gaan worden. Daarbij valt op dat vrijwel niemand veel bezwaar lijkt te hebben tegen deze omslag in politieke etikettering. Zelden hoort men door politici van de ChristenUnie een warm woord over de VVD, maar wel over de PvdA. Kennelijk voelt men zich wel thuis bij deze nieuwe positionering in het krachtenveld van de Nederlandse politiek. 106

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

samenleving

E. van Middelkoop ■

Nu moet een politieke partij wel geloofwaardig zijn. Is hier nu sprake van een nieuwe koers, die vrijwel geluidloos is ingeslagen? Dat zou geen goede zaak zijn. Is misschien de ChristenUnie na haar start vrij radicaal in handen gekomen van een nieuwe generatie, waardoor een breuk met het verleden heeft plaats gevonden? Is dat het geval, dan verdient het aanbeveling die koerswijziging te verantwoorden. Het lijkt niet verstandig er de schouders over op te halen. Hoe vaag inmiddels ook, de politieke begrippen links en rechts hebben een geschiedenis achter zich die zeker niet meer vrij ter beschikking staan. Mensen kennen er een gevoelswaarde aan toe en dat kan zelfs electorale repercussies hebben.

Het links-rechtsschema Laten we nog eens kijken naar dat links-rechtsschema. De confessionele partijen in ons land hebben zich daaraan meestal willen onttrekken. Al moet erkend worden dat na de roerige jaren ’60 van de vorige eeuw nogal wat confessionelen met een beroep op de radicaliteit van het Evangelie zich tot het etiket ‘links’ aangetrokken voelden. In het beginnende CDA was er onder de naam ‘loyalisten’ zelfs een officieuze linkervleugel. Daar is weinig meer van over, tenminste niet in het CDA. Voor zover het schema in de naoorlogse decennia ook een inhoudelijke en dus programmatische betekenis had, werd dat vooral zichtbaar rond een tweetal kernthema’s nl. dat van de verzorgingsstaat en de internationale cq. veiligheidspolitiek. Om met het laatste te beginnen: links had een zekere neiging tot pacifisme, stond kritisch tegenover de NAVO en nog veel meer de Verenigde Staten van Amerika, verzette zich tegen de wapenwedloop en het kernwapen, aanvaardde de facto de Europese deling en flirtte soms met communistische regiems van Joegoslavië, China en Cuba. Het is duidelijk dat deze betekenisinhoud van het begrip links na de val van de Muur en alles wat daaraan annex was en is, grotendeels verdwenen is. En daarmee verloor ook het schema aan zeggingskracht. Het is dan ook heel wel te verdedigen dat ‘Paars’ in 1994 mede mogelijk is geworden, omdat de polarisatie tussen vooral de PvdA en de VVD over de veiligheidspolitiek was verdwenen.

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 107

Verzorgingsstaat

nele politiek gezien had het links-rechtsschema vrijwel alle betekenis verloren. Er had zich een andere frontvorming aangediend.

Voor de positionering van de ChristenUnie als linkse partij betekent dit dat, anders dan bij destijds het GPV en de RPF, niet meer het risico bestaat dat men haar kan verdenken van hele of halve socialistische of pacifistische sympathieën. ‘Fout zijn’ in de Koude Oorlog is nu een logische onmogelijkheid geworden. Van psychologisch belang blijft dan nog wel dat de generaties die politiek zeer bewust die tijd hebben meegemaakt en toen positie hebben gekozen er emotioneel moeite mee kunnen hebben als nu te gemakkelijk het etiket ‘links’ wordt aanvaard. Met dit type psychologie heeft elke verstandige partij natuurlijk te rekenen. Blijft dan over het thema van de verzorgingsstaat en alles wat daarmee verband houdt. De (oorspronkelijke) linkse positie was hier een pleidooi voor een grote rol van de staat in de sociale zekerheid, de verhoudingen op de arbeidsmarkt, de inkomensverdeling, de infrastructuur, de woningmarkt enz. De staat moest de burger een verzorgingsgarantie kunnen bieden ‘van de wieg tot het graf’. Zo geformuleerd is ook deze betekenisinhoud van ‘links’ in vergaande mate gedateerd geraakt. En ook dat heeft veel te maken met het beëindigen van de ideologische strijd in ons deel van de wereld na de val van de Muur en de ontbinding van het communisme. Zo schudde minister-president Kok de ideologische veren van de PvdA af, hetgeen ook een belemmering voor Paars wegnam. Terug nu naar de ChristenUnie. Ook hier kan weer worden gezegd dat de oorspronkelijke partijen waaruit de ChristenUnie is ontstaan met de socialistische staatsopvatting weinig op hadden. In deze partijen, maar ook in de ARP en de CHU in hun nadagen, werd met overtuiging gewaarschuwd tegen het gevaar van het staatssocialisme. Deze kritiek was zeer principieel. Men verzette zich tegen deze aantasting van de vrije burger en de verantwoordelijke maatschappij. Het verzet tegen bijv. het kabinet-den Uijl was in die tijd dan ook ongemeen fel. Eerder was bij de introductie van zowel de AOW als de Algemene Bijstandswet met een keur van argumenten verzet aangetekend tegen de regierol van de staat. Dat verzet was meer dan slechts een anti-PvdA sentiment. Nee, deze staatsinterventies werden gezien als een uitholling van de eigen verantwoordelijkheid van de burger, maar ook wel van de diaconale rol van de kerken. Wat het type argumentatie van die tijd betreft, kan gesteld worden dat het eigenlijk goed aansluit bij de hervormingsagenda van het kabinet-Balkenende, maar dat mag men een onhistorische kortsluiting vinden. Hoe dan ook, links was in onze kringen ook in dit opzicht bepaald geen positief etiket, integendeel. De conclusie dringt zich daarom zo langzamerhand op dat het wat raadselachtig lijkt dat de ChristenUnie nu zich het etiket links zo gemakkelijk laat aanleunen. Historisch zijn daarvoor weinig argumenten beschikbaar, maar ook inhoudelijk zegt het steeds minder. In dit verband verdient het ook de aandacht dat ten tijde van de fusie van GPV en RPF in de ChristenUnie het front voor de christelijke politiek glashelder was, maar nauwelijks nog te typeren viel in termen van links en rechts. In de confrontatie met Paars, waarin de aloude tegenstanders PvdA en VVD eendrachtig samenwerkten, ging het veel meer om een confrontatie met een bijna nihilistische moraal, die tot uiting kwam bij tal van wetgevingsvraagstukken op ethisch gebied. Vanuit het perspectief van de confessio-

‘Kleine luyden’ Wil men zich dan toch thuis voelen bij de kennelijk positieve gevoelswaarde van het linkse etiket dan zijn er echter nog wel twee argumenten van geheel verschillende aard die daarvoor een grondslag bieden. Allereerst een

zo geformuleerd is ook deze betekenisinhoud van ‘links’ in vergaande mate gedateerd geraakt sociologische. De sociale samenstelling van de achterban van de ChristenUnie verraad nog altijd de herkomst uit de 19de eeuwse wereld van de ‘kleine luyden’. Er zit, om het wat populair te zeggen, weinig oud en evenmin nieuw geld in de achterban van deze partij. Qua levensstijl en sociaal-economische oriëntatie hadden en hebben gereformeerden, reformatorischen en ook evangelischen weinig gemeen met de liberalen van de VVD, maar wel met klassieke sociaal-democraten. Hoe vreemd het wellicht ook klinkt, en hier mag ik ook enige eigen politieke ervaring inbrengen, er zit bij veel leden van de ChristenUnie, evenzeer overigens als bij haar voorgangers, als het ware in de genen een herinnering aan de sociale kwestie van de late 19de eeuw, ook al weet men soms van die geschiedenis nauwelijks nog iets af. Het daarbij passende etiket is dan niet allereerst links, maar christelijk-sociaal. Treed men daarmee echter politiek naar buiten dan vind men om die sociologisch-historische reden eerder aansluiting bij het gedachtegoed van de PvdA, hoe verwaterd het daar overigens inmiddels ook is. Het is in elk geval een herkenning op het niveau van de politieke sentimenten. Het lijkt me in het geheel niet nodig om dat te ontkennen of tegen te houden. Om deze reden zal de ChristenUnie zich inderdaad eerder bij het etiket links dan bij rechts kunnen en mogen thuis voelen.

Schild voor de zwakken Het tweede en laatste argument wordt ons vanuit de geschiedenis van de christelijke kerk aangereikt. In de Bijbel vindt men niet een uitgewerkte staatsidee, die een directe richtlijn biedt voor het oplossen van vraagstukken als die van de verzorgingsstaat. Van Psalm 72, de koningspsalm, tot Romeinen 13 is er wel een heldere richtlijn te formuleren, die een fundament biedt voor de idee van een rechtsstaat. Overheidsmacht is ook aan wetten gebonden en de uitoefening daarvan staat in dienst van de gerechtigheid. Anders dan menigeen denkt, staat ook nergens in de Bijbel dat de overheid een schild is voor de zwakken of de armen. Het beeld van schild wordt in de Bijbel altijd op God betrokken (bijvoorbeeld: Psalm 3:4; 18:31; 33:20; 84:12; 119:114; 144:2). In Spreuken 2:7 vinden we zelfs een heel toepasselijke tekst: “Aan wie rechtschapen is, geeft Hij voorspoed, voor wie op rechte wegen gaat, is Hij een schild”.

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

107

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 108

Nu leeft, als het goed is, een christen zowel bij de Schrift als bij de historie. Wat gebeurde er in de na-bijbelse geschiedenis toen christenen voor het eerst de beschikking kregen over overheidsmacht? Dat kan leerzaam zijn. Welnu, daar zit op het punt van het sociale beleid, om een term van onze tijd te gebruiken, een interessante constante in. De eerste christelijk keizer, Constantijn, bracht zijn christelijke gezindheid op opvallende wijze tot uitdrukking door het invoeren van een Zondagswet met als hoofdregel “Alle rechters, de bewoners van de steden en zij, die betrokken zijn in beroepsarbeid zullen rusten op de vererenwaardigste dag van de zon…” Dat was zowel een maatregel om ruimte te bieden voor de eredienst als ook een sociale maatregel van arbeidsrust. Govert Buijs, filosoof aan de VU, schreef in een interessante column in het Nederlands Dagblad (1 sept. ’06) dat een onlosmakelijk onderdeel van de kerste-

het daarbij passende etiket is dan niet allereerst links, maar christelijk-sociaal ning van Europa “de gedachte en de praktijk van sociale betrokkenheid, de zorg voor de armen” is geweest. Hij herinnert er aan dat de niet-christelijke keizer Julianus (midden 4de eeuw) boos schreef “en nog ergerniswekkender is het dat de goddeloze Gallileeërs niet slechts hun eigen armen voeden maar ook de onze” . Het verbaast dan ook niet telkens te zien dat wanneer christenen voor het eerst over politieke macht beschikten altijd sociale programma’s ter hand worden genomen. Dat hoort bij het christelijk ethos dat in de eerste christelijke gemeenten een eerste praktische gestalte kreeg, en later tot uiting kwam op het niveau van de overheid en wetgeving. Toen Karel de Grote na 800 invulling moest geven aan zijn christelijk keizerschap werd iedereen in de Karolingische maatschappij op het hart gedrukt dat de bescherming van kerken en zwakkeren en de correcte beleving van de rechtvaardigheid voorop stonden. In een in 2001 verschenen studie over die tijd (Steven Vanderputten, Een heilig volk is geboren, Opkomst en ondergang van een christelijke staatsideologie uit de vroege Middeleeuwen (c.750-900) kan men het volgende hierover lezen: “De bescherming van al diegenen die door één of andere gezagsdrager in de samenleving onderdrukt kunnen worden, de oppressi en de pauperes, was één van de centrale religieuze plichten van de christelijke vorst. Zoals in monastieke kringen de gewoonte was, propageerde men ook actief de gedachte dat het ontvangen van een gast of een mens in nood een weerspiegeling was van het individuele contact dat Christus zocht met de mens” (blz.86). Karel de Grote vaardigde wetten uit, die men modern 108

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

kan aanduiden als wetten van sociale bescherming. Om één voorbeeld te noemen, toen in 806 een hongersnood veel mensen in moeilijkheden bracht, werd elke gezagsdrager verzocht om graan uit te delen.

Zelfkritisch Uit dit zeer korte historische uitstapje valt allereerst te leren dat het beeld van de overheid als schild voor de zwakken wel degelijk gelding heeft gekregen. Het is ontstaan uit de christelijke praktijk van een sociaal verantwoorde omgang met overheidsmacht. De impuls was een godsdienstige en morele en de spits was gericht op bescherming van zwakken, vreemdelingen nadrukkelijk inbegrepen. Is dit nu aan te merken als links? Het mag, maar ik zou er terughoudend in willen zijn. Het ging in de vroege Middeleeuwen zeker niet om een garantieformule, waarbij de staat diende te zorgen van de wieg tot het graf. Uit de geschiedenis van het christendom kan men daarvoor moeilijk een richtlijn ontlenen. Links in socialistische zin verstaan gaat veel verder. In die ideologie neemt de staat de sociale verantwoordelijkheid van burgers en van de kerk principieel voor eigen rekening. Ik probeer een conclusie te trekken. Het zal de lezer overigens duidelijk zijn geworden dat de weg waarlangs een conclusie wordt bereikt hier inmiddels belangrijker is dan die conclusie zelf. Er zijn, vooral oppervlakkige, historische argumenten om als christelijke partij niet onmiddellijk afwijzend te reageren als het etiket ‘links’ wordt aangereikt. Er zijn echter ook argumenten van een wat meer principieel niveau om zelfkritisch te blijven. Er is tussen de christelijke en (oorspronkelijk) socialistische staatsidee een principiële kloof. De sociale praktijk zal christenen en socialisten soms bij elkaar brengen, de motieven en het gewenste staatsbeeld zijn verschillend. Het lijkt daarom verstandig dat de ChristenUnie tegenover het etiket van ‘links’ haar vrijheid behoud. Zij kan dat op leerzame wijze doen door bij de Schrift en bij de christelijke geschiedenis te rade te gaan. In dat behoud van die vrijheid zit ook nog een tactisch argument. Een kleine partij als de ChristenUnie zal interessanter zijn voor journalistiek en electoraat als het vrij blijft van het links-rechtsschema en om die reden voor de buitenwacht verrassend blijft en niet altijd onmiddellijk voorspelbaar. Een politieke partij, en zeker niet een met zo’n leerzame voorgeschiedenis, moet zich niet al te gemakkelijk door anderen, die daar meestal ook nog eens politieke bijbedoelingen bij hebben, laten indelen. Alleen als dat breed duidelijk is, kan het geen kwaad om zich soms het etiket links te laten aanleunen.

Drs. Eimert van Middelkoop is lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie.

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 109

Overtuigd gereformeerd, bewust Hervormd

achtergronden

Een onderzoek naar C.D.L. Bähler (1806-1857) 1)

Het zesde lid van de ‘Club van Scholte’ geniet echter veel minder bekendheid. De naam Christiaan Daniël Louis Bähler zal bij weinig mensen herkenning oproepen. Bähler was de enige van de vriendenclub die zich niet afscheidde. Hij bleef zijn hele leven predikant in de Nederlands Hervormde Kerk. In dit artikel proberen we C.D.L. Bähler uit de vergetelheid te trekken. Wie was deze man en waarom ging hij niet mee met de Afscheiding?

Jeugd en studietijd Christiaan Daniël Louis (roepnaam Louis) zag het levenslicht op 27 februari 1806. Hij werd geboren in Zwolle. Zijn vader, Louis Henri Bähler (1765-1836) was hier predikant van de Waalse gemeente. Louis Henri was één van de voormannen van het Réveil en hij was goed bevriend met Isaac da Costa (1798-1860). De moeder van Louis was de dichteres Henriette Wilhelmine Mathilde Despar. Louis ging naar Leiden om daar theologie te studeren. Tijdens zijn studie sloot hij zich aan bij de vriendenclub rondom H.P. Scholte. Het is opmerkelijk dat Louis in de latere geschiedschrijving niet altijd genoemd wordt als lid van de vriendenclub. Veel auteurs vermelden alleen de namen van de vijf andere studenten.

De vrienden bestudeerden samen de geschriften van Da Costa. Ook lazen ze geschriften van de vader van Louis en het Zwitserse tijdschrift ‘Archives du Christianisme du dix-neuvième siècle’. Op deze manier bleven ze op de hoogte van het internationale Réveil. De club bezocht wekelijks de bijeenkomsten van de oefenaar Le Feburé (1776 of 1777-1843) en van tijd tot tijd bracht men een dag door in Wassenaar bij Twent van Rozenburg (1799-1868). Twent van Rozenburg was een vurige propagandist voor de Geneefse Afscheiding. Zo raakten de zes studenten al vroeg vertrouwd met het denkbeeld van vrije kerken. In oktober 1832 legde Louis met succes zijn proponentsexamen af. De weg naar het predikantschap lag open. Op 8 april 1833 deed hij intrede in de gemeente van Elspeet. Twee maanden eerder was hij in Leiden in het huwelijk getreden met Maria Elizabeth van ’t Hooft (1812-1880). Vijf dagen voordat Louis intrede deed, was hij aanwezig op een bijeenkomst in Amsterdam. Hier sprak hij samen met onder meer Da Costa, A. Capadose (1795-1874) en W. de Clerq (1795-1844) over de ‘kwestie Kohlbrugge’. H. F. Kohlbrugge (1803-1875) probeerde tevergeefs predikant te worden in de Nederlands Hervormde Kerk. Men vond zijn prediking te rechtzinnig. Op de bijeenkomst in Amsterdam werd er nagedacht over de vraag welke stappen men nu moest ondernemen. Maar de mannen

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

1 Voor een uitgebreidere en geannoteerde versie verwijzen we naar http://home.hetnet.nl/~z.j.c.van.harten

Christiaan Daniël Louis Bähler

B. van der Wal en G. van Harten ■

Noot

Aan het einde van de twintiger en begin dertiger jaren van de negentiende eeuw waren er een zestal theologiestudenten in Leiden die een hechte vriendengroep vormden. Deze groep is de geschiedenis ingegaan als de ‘Club van Scholte’. De gereformeerde theoloog Rullman noemde deze groep ‘de bakermat der Afscheiding’. Hiermee zei hij niets te veel, want vijf van de zes studenten werden voormannen van de Afscheiding: A. Brummelkamp (1811-1888), G.F. Gezelle Meerburg (1806-1855), A.C. van Raalte (1811-1876), H.P. Scholte (1805-1868) en S. van Velzen (1809-1896). Over al deze vijf predikanten is in de loop van de tijd veel geschreven.

109

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 110

waren onderling te verdeeld waardoor de vergadering op niets uitliep.

ten ondertekend. Eén van hen was Bähler. Naast de predikanten zetten nog 8.790 kerkleden hun handtekening onder het adres.

Niet meegegaan met de Afscheiding De eerste gemeente die Bähler diende, was de gemeente van Elspeet. Hier heeft hij vier jaar mogen werken. In deze periode werden Bähler en zijn vrouw met veel verdriet geconfronteerd: hun in 1834 geboren zoon Louis Henri overleed op tweejarige leeftijd. Gelukkig was er ook vreugde. In 1835 werd er een dochter in de pastorie geboren. In de periode dat Bähler predikant was in Elspeet vond de Afscheiding plaats. Bähler ging echter niet met de Afscheiding mee. Hij bleef predikant in de Nederlands Hervormde Kerk. In Elspeet heeft geen Afscheiding plaatsgevonden. Voor zover we konden nagaan, waren er ook geen gemeenteleden die zich afscheidden. Na vier jaar de gemeente van Elspeet te hebben gediend, vertrok Bähler in 1837 naar Oosterwolde (Gld). Hier kregen hij en zijn vrouw een jaar later een zoon: Louis Henri Antoine (18381932). Deze zou in de jaren 1870 tot 1880 zelf ook de gemeente van Oosterwolde dienen als predikant.

Adresbeweging Na drie jaar in Oosterwolde te hebben gestaan, nam Bähler in 1840 een beroep aan naar Aalst. Ook hier werd de familie opnieuw geconfronteerd met groot verdriet; ze kregen twee doodgeboren kinderen. Na de Afscheiding was de strijd om de handhaving van de belijdenis in de Nederlands Hervormde Kerk niet tot rust gekomen. In 1840 had koning Willem I onverwacht afstand gedaan van de troon. Velen hoopten dat zijn opvolger, Willem II, zou terugkeren tot de oude gereformeerde religie. Er kwam een stroom van adressen op gang. Vele Gereformeerden zagen een nieuwe mogelijkheid om de kerk terug te leiden naar het gereformeerde spoor van voor 1816. Zo begon in 1841 de adresbeweging. Gangmaker was ds. B. Moorrees (1780-1860) die een adres indiende bij de synode, getiteld: ‘Adres aan mijne gereformeerde geloofsgenoten in ons vaderland’. Daarin erkende hij dat hij nu pas met een adres durfde te komen omdat met de troonbestijging van Willem II het gevaar van vervolging verdwenen was. Hoewel Moorrees kritisch was over de koers van de Nederlands Hervormde Kerk wilde hij niet tot afscheiding overgaan. Vanaf de preekstoel typeerde hij de Afscheiding zelfs als ”werk van de duivel”. Afscheiden mocht volgens Moorrees alleen als alle hoop op herstel van de kerk vervlogen was. Zover was het volgens hem nog niet, want de weg naar de Synode lag nog open. Zijn adres werd door nog vijf andere predikan110

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

In het adres werd gevraagd om een evenredige samenstelling van de synode, om trouw aan de leer van de kerk, om onderwijs aan de jeugd uit de Heidelbergse Catechismus, het benoemen van rechtzinnige hoogleraren aan de theologische faculteiten van de diverse universiteiten en om de handhaving van de Formulieren van eenheid. Ook werd de synode opgeroepen de reglementen en verordeningen te herzien en weer met Gods Woord en de Dordtse Kerkorde in overeenstemming te brengen. Moorrees beschuldigde de Synode ervan van de Nederlandse Hervormde Kerk een liberale kerk te hebben gemaakt. Hij vroeg om terugkeer tot de situatie van voor 1816 en als men dat niet wilde om een boedelscheiding. Het adres werd ook aan de Koning gestuurd met het verzoek of hij er op toe wilde zien dat de synode aan het tot haar gerichte verzoek zou voldoen. Het adres werd door de koning echter niet beantwoord. De synode gaf wel antwoord. Zij had het adres in de handen van een commissie gegeven. Deze commissie was niet te spreken over de volgens haar ‘beledigende taal’ van het adres. Maar als het om beledigen ging, kon de commissie er ook wat van. Over de ondertekenaars van het adres werd opgemerkt: ‘op verre de meeste dragen de handteekeningen het bewijs van den min beschaafden stand der deelnemers’. Volgens de commissie had het geen zin om de Dordtse Kerkorde weer in te voeren omdat deze niet in overeenstemming met de tijd was. Ter illustratie verwijst de commissie naar de Afgescheidenen. Hun onderlinge verdeeldheid was volgens de commissie grotendeels terug te voeren tot de herinvoering van de Dordtse Kerkorde. Dit leidde alleen maar tot twist en verwarring. De synode nam het voorstel van de commissie over en verklaarde dat de grondslagen van de kerk niet verlaten waren en dat het adres van Moorrees en de zijnen daarom niet ontvankelijk was. In feite werden de indieners van het adres met een kluitje in het riet gestuurd. Toch gaf de synode met haar antwoord onbedoeld een interpretatie van het ondertekeningsformulier. Volgens haar vraagt het formulier om handhaving van de leer ‘gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de Belijdenis der Hervormde Kerk’. De synode sprak dus over ‘het wezen en de hoofdzaak van de Belijdenis’. Dit leidde tot een stroom van adressen waarin de vraag werd gesteld hoe bepaald kon worden wat wezenlijk en hoofdzakelijk was. Moorrees en Bähler legden zich niet neer bij het synodebesluit. Op 21 juni 1842 stuurden zij opnieuw een adres naar de synode. Ze protesteerden nogmaals tegen de afschaffing van het

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 111

oude en de invoering van het nieuwe ondertekeningsformulier. Ook brachten ze nog weer bezwaren in tegen de verordeningen en reglementen die strijdig waren met de Dordtse Kerkorde. Verder protesteerden ze tegen het synodebesluit van 1841 en tegen de in het rapport van de Synode voorkomende stellingen. Deze stellingen vonden ze strijdig met de gereformeerde leer en tevens bevorderden ze de ineensmelting met andere protestantse kerkgenootschappen. Volgens Moorrees en Bähler had de Synode de Nederlands Hervormde Kerk ‘in een onbepaald en geheel vrijzinnige kerk veranderd’. En, vervolgen Moorrees en Bähler, daarom zijn “de ondergetekenden dan ook in gemoede, en op grond van Gods getuigenis, innig overreed, dat de veelvuldige rampen, die ons vaderland sedert het jaar 1816 getroffen hebben, moeten toegeschreven worden aan het kennelijke ongenoegen des Allerhoogsten, en dit ongenoegen Gods te beschouwen is als een gevolg van het verlaten der ware Godsdienst, de vertrapping Zijner eer, en de verloochening van Zijn Naam en Zijn geboden.” Opnieuw werd er ook een adres aan de koning gericht. Daarin werd gesteld dat het tegenwoordige hoofdbestuur van de Nederlands Hervormde Kerk volledig was afgeweken van de kenmerkende eigenschappen van de ware gereformeerde leer. Door het nieuwe formulier werden er niet alleen zaken verkondigd die tegen de gereformeerde leer ingingen, maar zelfs ‘de Godonterendste en Godslasterlijke Leerredenen en geschriften door Hoogleraars en Leraars vrijmoedig uitgesproken en gedrukt’. Concreet vroeg men de koning om er zorg voor te dragen dat diegenen die tegen de gereformeerde leer ingingen uit de kerk gezet zouden worden door ofwel de Synode op het besluit van 1841 te laten terugkomen of nieuwe verordeningen op te stellen. Daarbij kon gebruik gemaakt worden van het recht dat de afgescheidenen hadden verkregen om zelfstandig kerk te zijn. Alle vrijzinnigen konden dan hun eigen kerken beginnen met eigen gebouwen. De Synode ging echter niet op de ingebrachte bezwaren in en handhaafde haar besluit van 1841. De koning gaf dit keer via de Minister van Staat ook antwoord. Aan de adressanten werd meegedeeld dat regering niet de bevoegdheid had om de Synode bevelen op te dragen. Verder gaf de minister toe dat de tussenkomst van de overheid in 1816 buitengewoon was. De koning achtte zich na al die jaren niet bevoegd om de besluitvorming van 1816 te herzien. Vanwege zijn zwakke gezondheid ging Moorrees niet opnieuw in tegen de reactie op zijn adres. De zogenaamde ‘zeven Haagse heren’ waaronder G. Groen van Prinsterer (1801-1876) namen het van hem over. Opvallend is dat ook Bähler geen adressen meer indiende. Pas in

1848 verscheen er van hem, samen met de kerkenraad van Ede, waar hij toen predikant was, een nieuw adres op de synodetafel.

Heemse, IJlst en Ede In 1843 vertrok Bähler naar Heemse (18441845). Hier kregen hij en zijn vrouw weer een zoon. Noemenswaardig is dat tijdens Bählers verblijf in Heemse ook mensen die tot de afgescheiden kerken behoorden bij hem kerkten. In 1844 vertrok Bähler alweer uit Heemse; hij werd predikant in IJlst (1844-1845). Hier kreeg hij tweemaal een beroep uit Ede. Het tweede beroep nam Bähler aan. Hij volgde de orthodox gereformeerde predikant D.A. Detmar (17741844) op. Tot 1851 was Bähler predikant in Ede. Tijdens zijn ambtsperiode in Ede werden er nog twee dochters geboren. In Ede trad Bähler op tegen de zogenaamde ‘onechte kinderen’ door de doopsbediening te koppelen aan schuldbelijdenis van de ongehuwde moeder. Ook liet hij hen catechisatie volgen zodat ze tot geloofsbelijdenis konden komen. Toen er in 1850 visitatie in Ede werd gehouden, bleek dat de gemeente zich slecht aan de kerkelijke reglementen hield. De kerkenraad kreeg zelfs het advies om ‘een kist groot genoeg tot berging van de kerkelijke boeken en papieren aan te schaffen’. In notulen uit datzelfde jaar is ook een interessante opmerking te lezen over Bählers preken: “Overigens is deze vergadering, na eenige woordenwisseling omtrent de Predikwijze van den Predikant die zommigen al te ernstig voorkwam, met dankzegging aan God besloten.”

Levenseinde Na Ede werd Bähler achtereenvolgens predikant in Andel (1851-1856) en Wemeldinge (1856-1857). In Wemeldinge kreeg hij na drie maanden al een beroep vanuit het nabijgelegen Poortvliet. Bähler bedankte, maar Poortvliet liet het er niet bij zitten en beriep Bähler voor de tweede maal. Ook dit keer werd er door Bähler bedankt. Maar toen de gemeente van Poortvliet voor derde maal een beroep op Bähler uitbracht, nam deze het beroep eindelijk aan. Op 1 februari 1857 werd hij in Poortvliet bevestigd. Poortvliet bleek zijn laatste gemeente te zijn want na een kort ziekbed overleed Bähler op 17 augustus 1857 op 51-jarige leeftijd.

Bähler niet op de voorgrond Al met al is er in de literatuur weinig te vinden over Bähler. Zijn naam wordt voornamelijk genoemd in verband met de ‘Club van Scholte’. En daar waren de andere leden van deze club uitgebreid beschreven worden, wordt van Bähler hooguit de naam vermeld. Maar sommige schrijvers laten zelfs dit nog achterwege. De reden ligt waarschijnlijk in het feit dat hij niet meegegaan is met de Afscheiding. Daarom

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

111

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 112

werd hij wellicht minder interessant geacht door de kerkhistorici. Bähler is niet echt op de voorgrond getreden. Later speelde hij nog wel een bescheiden rol in de adresbeweging, maar alles wijst erop dat de initiatieven hiertoe vooral bij Moorrees vandaan kwamen. Vandaar dat geschiedschrijvers meer oog hadden voor Moorrees dan voor Bähler. Men volstond met het noemen van zijn naam. We hebben niets gevonden over contacten die Bähler na 1833 wel of niet heeft gehad met de andere leden van de ‘Club van Scholte’. De eens hechte vriendenclub was geen lang leven beschoren. De vrienden groeiden na de Afscheiding uit elkaar. Dit blijkt ook uit het feit dat Scholte en Van Raalte later eigen wegen gingen. Ondanks de weinige gegevens die over Bähler te vinden zijn, is wel duidelijk geworden dat hij een geliefd predikant was. In 24 jaar heeft hij maar liefst negen gemeenten gediend. Bähler was om zijn trouw aan de gereformeerde belijdenis een zeer gezocht predikant.

Waarom Hervormd gebleven? De vraag die nog is blijven liggen, is de vraag waarom Bähler niet is meegegaan met de Afscheiding zoals bijvoorbeeld zijn broer Pierre Benjamin die predikant werd in de afgescheiden gemeente van Hellendoorn. Lag een overgang naar de afgescheiden kerken niet voor de hand? We hebben gezien dat Bähler zich grote zorgen maakten over de toestand van de Nederlands Hervormde Kerk. Daarom zette hij zijn handtekening onder het adres van Moorrees. Ook in zijn preken uitte hij zijn zorgen. “Hoe donker is het uitzigt voor Land en Kerk! Hoe vele en velerlei dwalingen doen zich thans niet op! (…) hoe neemt de zedeloosheid niet hand over hand toe? Wat anders dan duistere tijden hebben wij te wachten?” In dezelfde preek zegt hij: “Hoe ontzettend groot is niet de afwijking van de leer en godsvrucht onzer vaderen”. In al zijn preken benadrukte Bähler de verdorvenheid van de mens en de noodzaak van de bekering. “Al is iemand uitwendig zoo godsdienstig, al zijn betrachten van uiterlijke godsdienstpligten is geen bewijs van deelgenootschap aan de zaligheid.” Zijn preken bewijzen dat hij niets moest weten van de heersende theologie in de Nederlands Hervormde Kerk. Waarom bleef Bähler dan toch hervormd? Omdat ons geen bronnen bekend zijn waarin Bähler zelf op deze vraag ingaat, kunnen we het antwoord niet met 100 procent zekerheid geven. Maar het lijkt ons zeer waarschijnlijk dat ten minste drie factoren een rol hebben gespeeld. Allereerst was Bähler niet de enige orthodox gereformeerde predikant met bezwaren die niet met de Afscheiding meeging. Men was van mening dat afscheiden een zonde was zolang je het ware evangelie nog kon prediken. 112

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

Bähler zelf verwijst in een preek naar de tijd van het Oude Testament. “Hoewel de kerk, ook toen, niet geheel bevrijd bleef van benaauwdheden en verdrukkingen, werd zij nochtans zóó bewaard, dat hare ogen hare leraars mochten aanschouwen in Ezra, Nehemia, Haggai, Zacharia en Maleächi, en hare ooren het woord harer leidslieden mogten hooren” (alle cursiveringen van Bähler). De tweede factor hangt hier nauw mee samen. Bähler kreeg alle ruimte binnen de kerk om zijn eigen spoor te trekken. Niet alleen in de prediking zoals we zagen, maar ook in het niet naleven van de kerkelijke reglementen. Dit bleek ondermeer uit het eerder genoemde visitatieverslag uit 1850. Bähler kreeg ruimte om gereformeerd te preken en te handelen. Tenslotte willen we er nog op wijzen dat de afgescheiden kerken een weinig aantrekkelijk alternatief waren. De Synode van de Nederlands Hervormde Kerk wees hier ook op in de beantwoording van Moorrees’ adres. De afgescheiden kerken werden geplaagd door onderlinge verdeeldheid en ruziënde kerkenraden en predikanten. De rust binnen de afgescheiden kerken kwam pas in de jaren zestig van de negentiende eeuw. De oprichting van de Theologische Hogeschool in 1854 te Kampen speelde hier een belangrijke rol in. Toen was Bähler reeds overleden.

Slotbeschouwing Stel nu eens dat mensen als Bähler, Moorrees en Groen zich toch hadden afgescheiden van de Nederlands Hervormde Kerk. Hoe zou de kerkgeschiedenis er dan hebben uitgezien? Hadden zij de onderlinge conflicten onder de afgescheidenen kunnen voorkomen of bezweren? Het is natuurlijk onmogelijk om deze vragen met zekerheid te beantwoorden. Maar het had in ieder geval wel de intellectuele denkkracht en daarmee ook de kracht van de Afscheiding groter gemaakt. Achteraf kun je in ieder geval wel met zekerheid zeggen dat mannen als Bähler de dwalingen binnen de Nederlands Hervormde Kerk niet hebben kunnen tegenhouden. De Nederlands Hervormde Kerk werd hoe langer hoe meer een pluriforme kerk. Dit zie je vandaag de dag volop terug in de Protestantse Kerk Nederland. In die zin hebben de zorgen van Bähler op dit punt niet aan actualiteit ingeboet. Dit is een verdrietige constatering. Dat God het geve dat er een dag komt dat alle gereformeerde belijders kerkelijk één mogen worden.

Ds. Bastiaan v.d. Wal is predikant van de Gereformeerde Kerk te Oosterwolde (Fr.), ds. Gertjan van Harten te BlijeHolwerd.

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 113

Gereformeerd Kerkboek 2006 lied 113 ‘Alle mensen moeten sterven’

lied van de week

De eerste regels van het lied van de week voor zondag 12 november doen vermoeden dat het om een droevig en somber lied gaat: ‘Alle mensen moeten sterven, alle vlees vergaat als gras’. Deze regels vormen echter de opmaat tot een vreugdevol visioen: ‘Maar dit lichaam zal genezen van de dood om nieuw te wezen; in Gods heerlijkheid geheeld, die Hij met de zijnen deelt’. ‘Alle mensen moeten sterven’ is lied 113 uit de nieuwe uitgave van het Gereformeerd Kerkboek. Het gaat gepaard met twee namen: Ria Borkent voor de tekst en Dirk Zwart voor de melodie. Dat doet vermoeden dat het om een nieuw lied gaat, maar dat is maar gedeeltelijk waar. Achter ‘Alle mensen moeten sterven’ gaat ‘Alle Menschen müssen sterben’ schuil, een lied dat uit 1652 stamt. De maker ervan is Johann Rosenmüller.

Rosenmüller Johann Rosenmüller werd geboren in 1615 in het Duitse Oelsnitz, in Saksen. Hij studeerde zowel muziek als theologie. Dat laatste deed hij aan de universiteit van Leipzig en dat bood hem de mogelijkheid om ook te studeren bij de cantor van Thomaskirche en -schule, Tobias Michael (1592-1657). Vanaf 1642 trad hij regelmatig als diens vervanger op, eerst incidenteel maar vanaf 1650 als officiële eerste assistent. Een jaar later werd hij bovendien organist van de Nicolaikirche. Het zag er steeds meer naar uit dat hij de volgende Thomascantor zou worden, maar de beschuldiging van te intieme relaties met enkele leerlingen deed hem, samen overigens mét die leerlingen, in 1655 in de gevangenis belanden. Hij ontsnapte en verdween. Enkele jaren later dook hij op in Venetië, waar hij verbonden was aan de San Marco én aan het Ospedale della Piéta (hetzelfde weeshuis alias muziekopleiding waar enkele decennia later Antonio Vivaldi aan verbonden zou zijn). Uiteindelijk vertrok Rosenmüller weer naar Duitsland, waar hij Kapelmeister in Wolfenbüttel werd. Rosenmüller is vooral bekend geworden als componist van enerzijds instrumentale muziek en anderzijds kerkmuziek. Tot zijn repertoire behoren sonates en orkestsuites, een Lamentationes Jeremiae, een bundel Kernsprüche, meh-

A. de Heer ■

renteils aus Hl. Schrift (1648, 1652/53) en Geistliche Konzerte. Verder schreef hij in zijn Leipziger tijd een begrafenismotet, ‘Welt ade, ich bin dein müde’ en deze compositie is vooral bekend geworden via Bachs Cantate 27 ‘Wer weiß, wie nahe ist mein Ende’; Bach sloot deze cantate namelijk af met Rosenmüllers complete 5-stemmige zetting. In dit repertoire lijken liederen minder voor de hand te liggen. Toch schreef Rosenmüller er in ieder geval één, ‘Alle Menschen müssen sterben’. Het lied werd opgenomen in de uitgave van 1678 van de beroemde 17de-eeuwse bundel Praxis pietatis melica. Het lied bleef vervolgens tot op heden in gebruik.

Tekst ‘Alle Menschen müssen sterben’ telt 7 coupletten. Het begint met een verwijzing naar Psalm 103:15-17 en richt zich dan, als het ware door dood en sterfelijkheid heen, op het eeuwige leven. De coupletten 2 en 3 gaan over stervensbereidheid, dankzij Jezus’ dood en opstanding. De volgende strofen schetsen de vreugde van de hemelse heerlijkheid in woorden en beelden die doen denken aan het Te Deum (en daarachter het bijbelboek Openbaring): zingende engelen, zielen onder het altaar, profeten en patriarchen, het hemelse Jeruzalem. In de Hervormde Bundel uit 1938 was een vertaling van het lied opgenomen, evenals in de Lutherse bundel van 1955. In het Gereformeerd Kerkboek 2006 dat binnenkort verschijnt, is ook een vertaling van het lied te vinden. Het gaat om een vertaling van Ria Borkent, voor kerkelijk gebruik vrijgegeven door de Generale Synode van Amersfoort-2005. De vertaling van Borkent bestaat echter niet uit 7 strofen, zoals het origineel en ook de vertaling uit 1938/1955 maar uit 4. Ria Borkent koos ervoor om de oorspronkelijke coupletten 4, 5 en 6 niet op te

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

113

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 114

nemen. Daarmee zijn de profeten en patriarchen, de zielen en de zingende engelen verdwenen. Beter gezegd, ze zijn summier samengevat in de regels 5-8 van de strofe over het hemelse Jeruzalem. Daarmee is het accent van het lied iets verschoven: van het bezingen van het hemelse leven, dat deels al werkelijkheid is, naar de overgave bij het sterven en de verwachting van de hemelse heerlijkheid.

Melodie ‘Alle Menschen müssen sterben’ is met verschillende melodieën bekend geworden. De eerste is die van Jakob Hintze (1622-1702), in het Liedboek te vinden als melodie van lied 230. De tweede melodie is die van Christoph Anton (1610-1658), in een latere vorm in Nederland bekend met de tekst ‘Ruwe stormen mogen woeden’ (maar oorspronkelijk geschreven bij een wereldlijk lied ‘Daphnis ging vor wenig Tagen’). De Nederlandse vertaling werd met beide melodieën gecombineerd: de Hintze-melodie in de Hervormde Bundel uit 1983, de Anton-melodie in de Lutherse bundel uit 1955, in navolging van het Duitse Evangelisches Kirchengesangbuch. Ria Borkent vertaalde ‘Alle Menschen müssen sterben’ met oog op een Bach-zetting van de (Anton-)melodie. Toen het lied vervolgens werd opgenomen in haar bundel Zing met de hemelboden (2003) was dat met een geheel nieuwe

HOOFDREDACTEUR: Prof. Dr. B. Kamphuis

melodie, namelijk van de hand van Dirk Zwart. Deze nieuwe wijs is een waardige melodie in kwartnoten. Een vierkwartsmaat, toonsoort eklein, barvorm. Dat klinkt allemaal heel vertrouwd, haast traditioneel. De verrassing zit ‘m echter in de tweede helft van het lied, de modulatie naar B-groot, heel illustratief bij de tekst ‘Maar dit lichaam zal genezen/van de dood om nieuw te wezen’. De melodie vraagt om een waardige manier van zingen, gedacht vanuit de vierkwartsbeweging. Een zetting is te vinden in Zwarts zettingenboek bij Zing met de hemelboden; deze harmonisch rijk gekleurde zetting maakt eveneens duidelijk dat er niet te snel en te vluchtig gezongen moet worden.

Gebruik Lied 113 is opgenomen in de rubriek Koninkrijk Gods, en dat is ook werkelijk de plaats waar het thuishoort. In de bundel Zing met de hemelboden geeft Borkent de aanwijzing ‘In tijd van rouw’; rouwen in christelijke perspectief is rouwen met het oog gericht op Gods Koninkrijk. Daarnaast valt ook te denken aan bijbelpassages als 1 Kor. 15 en 2 Petr. 3 (vs. 13) én de combinatie met Zondag 22 van de Heidelberger Catechismus. Anje de Heer is musicus en publicist liturgie en kerkmuziek. Zij verzorgt voor de deputaatschappen Eredienst en Kerkmuziek het Steunpunt Liturgie

BLADMANAGEMENT: Mevrouw M.T. Kremer Scholma Druk bv, Postbus 7 9780 AA Bedum, tel. 050 3013636

EINDREDACTEUR: Dr. E.A. de Boer OVERIGE REDACTIELEDEN: Drs. A.L. Th. de Bruijne, Drs. I.D. Haarsma, Prof. Dr. G. Kwakkel, Drs. B. Luiten, Prof. dr. S. Griffioen, J. Westert. MEDEWERKERS: J.J.D. Baas, J.M. de Jong, Ds. G. Riemer, Dr. J. Smelik, Drs. H. Veldman BESTUURSLEDEN STICHTING DE REFORMATIE: A. Verhoeff (voorzitter), Drs. B. Bos (secretaris), Ph. Haveman (penningmeester)

ABONNEMENTSPRIJZEN: € 49,50 per jaar studenten € 19,50; buitenland € 130,00 - abonnementsjaar loopt van Alle stukken voor de redactie bij voorkeur per 1 januari t/m 31 december E-mail: [email protected], ingeval per - opzegging van het abonnement dient 1 post via bovengenoemde postbus. maand voor aanvang van het nieuwe abonUitgever: Print Media bv, Bedum nementsjaar schriftelijk of per e-mail te Technische realisatie: geschieden (voor 1 december) Scholma Druk bv. Bedum Losse nummers € 1,50 (incl. porto). ADMINISTRATIE EN ADVERTENTIES: Scholma Druk, postbus 7, 9780 AA Bedum. Telefoon: 050 - 3013636. Fax: 050 - 3012732 (o.v.v. Reformatie). E-mail: [email protected] Aanlevering advertenties in overleg. ING Bank: 66.30.92.620

De Reformatie is op Daisy cd-rom verkrijgbaar bij de Chr. Blindenbibliotheek voor blinden en slechtzienden. Tel. (0341) 565477. ADVERTENTIES (acquisitie en verkoop): J. Hoogenboom, tel. 050-4091204, fax 050-4091252 e-mail: [email protected] Prijs: € 0,45 per mm. Contracttarief op aanvraag. Zonder schriftelijke toestemming van de uitgever is het niet toegestaan artikelen uit dit blad over te nemen. Web: www.dereformatie.nl ISSN 0165-5191

114

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 115

Bodar v o e t n o t e n

Een gesprek in Rome Vorig jaar werd de nieuwe druk van de Christelijke Encyclopedie gepresenteerd in de Utrechtse Domkerk. Een van de sprekers daar was de priester Antoine Bodar. Hij vertelde een verhaal over een bezoek dat hij in Rome ontving van gereformeerde scholieren. Ze stelden hem vele kritische vragen over heiligenverering en beeldendienst, zonder ook maar enige rekening te houden met het verschil in uitgangspunt. ‘Waar staat dat in de bijbel?’ is immers voor een rooms-katholiek theoloog nooit de beslissende vraag. Wij, als gereformeerden daar in de Domkerk, waren wel wat beschaamd door dat verhaal. Jammer dat de communicatie zo slecht was verlopen door gereformeerde botheid.

Een rede van de paus Aan dat verhaal moest ik terugdenken bij een column die Bodar onlangs in het Nederlands Dagblad schreef. Het stuk heet ‘Uitnodiging tot dialoog’ en verscheen in het nummer van zaterdag 21 oktober 2006. In dit stuk gaat Bodar in op de omstreden toespraak van paus Benedictus XVI in Regensburg. Hij stelt dat de paus daarin, verre van de islam af te schrijven, juist de interreligieuze dialoog op gang heeft gebracht. Maar ook “gelovigen van andere christelijke tongval” worden door de paus uitgenodigd met hem van gedachten te wisselen. Het gaat dan vooral om “de moed de wijdte van het verstand na te streven en niet zijn grootte af te zweren”. Die uitnodiging richt zich ook tot protestantse denkers. Immers, zo geeft Bodar de paus weer, “de Reformatie van de zestiende eeuw heeft met haar beginsel ‘Sola Scriptura’ de Bijbel zo zeer als oervorm van het geloof omhelst dat daarmee wijsgerig denken feitelijk overbodig is geworden”. Bodar voegt daar zelf nog het een een ander aan toe. Hij stelt dat de Schrift zelf ontstaan is als neerslag van de vroege verkondiging en dus mee een gevolg is van traditie. Heeft de Reformatie trouwens ook niet “haar eigen traditie die alleszins gezaghebbend is, zoals die vroege die allen heeft gegolden?”.

Een uitnodiging tot dialoog? De columns van Bodar in het ND zijn altijd het lezen meer dan waard, al kun je je afvragen of dit onversneden rooms-katholieke geluid op zijn plaats is in een krant met gereformeerde

uitgangspunten. Toch voelde ik me als gereformeerd theoloog bij het lezen van dit stuk net zo onbegrepen en tekortgedaan, als Bodar zich bij het bezoek van die gereformeerde scholieren gevoeld moet hebben. Zijn kritische vragen aan het protestantse ‘Sola Scriptura’ wekken de indruk dat hij niet de moeite wenst te nemen zich daarmee serieus bezig te houden. De Reformatie ziet de bijbel niet als ‘de zuivere oervorm van het geloof’, maar als het normatieve Woord van God. Dat verschil is belangrijk. Het is het verschil tussen ‘beneden’ en ‘boven’. Een oervorm van het geloof is iets van beneden, van de mensen, hoe zuiver het ook mag zijn. Het Woord van God komt van boven, van God zelf, hoezeer Hij hierbij ook mensen en hun traditie heeft ingeschakeld. De Reformatie heeft het wijsgerig denken niet overbodig verklaard, noch principieel noch feitelijk. Alleen wijsgerig denken dat heerst over de Schrift, werd afgewezen. Maar ieder die zich bezighoudt met de reformatorische theologie weet hoe intensief daarin van wijsbegeerte gebruik is gemaakt, tot de dag van vandaag toe. De Reformatie heeft de traditie niet in de ban gedaan. Ze heeft inderdaad ‘haar eigen traditie’: Luther, Zwingli, Calvijn (door Bodar genoemd) en vele anderen. Zij heeft haar belijdenisgeschriften, met hun kerkelijk gezag. Ze heeft niet minder “die vroege (traditie) die allen heeft gegolden” vastgehouden: de oecumenische belijdenisgeschriften, de kerkvaders, Augustinus voorop.

B. Kamphuis ■

Maar wat de Reformatie heeft afgewezen is de bewering van het concilie van Trente, dat in de kerk Bijbel en traditie met gelijke dankbaarheid en eerbied aanvaard worden. Zoals aan God onvergelijkelijk meer eerbied moet worden gegeven dan aan mensen, zo wordt het Woord van God met onvergelijkelijk meer eerbied ontvangen dan het woord van mensen. In de kerk beslist geen menselijke traditie, geen menselijke geschrift, geen menselijke rede, maar alleen de waarheid van Gods Woord. Dialoog begint met elkaar serieus nemen. Bodar voelde zich niet serieus genomen door zijn jonge gasten. Een dialoog kwam niet op gang. Als Bodar een dialoog wil met protestanten, dan zal hij hun visie serieus moeten nemen. Zijn ‘Uitnodiging tot dialoog’ gaf daar onvoldoende blijk van. Prof. dr. Barend Kamphuis is hoogleraar aan de Theologische Universiteit te Kampen en hoofdredacteur van dit blad.

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

115

4542-reformatie 5

30-10-2006

10:30

Pagina 116

LEZERSAANBIEDING bij dit gezamenlijke nummer van OPBOUW en DE REFORMATIE

Vuur en Vlam In de loop van 10 jaar publiceerden een groep historici onder leiding van Roel Kuiper en Willem Bouwman in drie delen Vuur en Vlam een groot aantal opstellen over de ontwikkeling van het (vrijgemaakt) gereformeerde leven.

uit de kerken

Deel 1 gaat over aspecten van het vrijgemaakt-gereformeerde leven in de periode 1944-1969. Daarin o.a.: vrijmaking of wederkeer, A. Janse en de kerken van de Vrijmaking, de redactiewisseling binnen De Reformatie en het ontstaan van Opbouw, het conflict rond A. van der Ziel en de Open Brief. Deel 2 gaat uitvoerig in op de organisatie van het vrijgemaakt-gereformeerde leven in de periode 1944-1994: het GPV, het Gereformeerd Gezinsblad, het GMV, de GOV. Deel 3 – Kinderen van de Vrijmaking – biedt levensbeschrijvingen van Douwe van Dijk, P. Groen, C. Veenhof, P. Jongeling, R.H. Bremmer, H.R. Rookmaaker; maar ook ontwikkelingen in de liturgie. Daarnaast een discussie-interview met J. Kamphuis en H. de Jong. Auteurs: Agnes Amelink, Jan Beekhuis, Willem Bouwman, Gert van den Brink, Arie Th. Van Deursen, Frans van Deursen, Laurel Gasque, Klaas Gunnink, Lydia Gunnink-Drint, Ernst Hooiveld, Antheun Janse, Piet H. de Jong, Jasper Klapwijk, James Kennedy, Roel Kuiper, Sjirk Kuijper, Irene van der Lugt, Anton van Renssen, Gerrit J. Schutte, Peter H. Siebe, Roel Sikkema, Jan Smelik, Chris Sol, Rolf van der Woude. Voor de lezers van Opbouw en van De Reformatie geldt tot 31 januari 2007 een speciale combiprijs voor deze drie delen van A 35,00 in plaats van A 68,25.

U kunt bestellen per e-mail aan de uitgevers ([email protected]) of stuur de bon naar: Postbus 22708, 1100 DE Amsterdam.



Naam: .............................................................................................................................. Adres: .............................................................................................................................. Postcode en plaats: .........................................................................................................

O wenst te ontvangen voor de OPBOUW-REFORMATIE combinatieprijs (A 35,00) ....... exemplaren VUUR EN VLAM 1-3. O Hij/zij geeft O wel/ O geen toestemming voor automatische incasso van het verschuldigde bedrag. (Post)banknummer ........................................................................... Verzendkosten (ongeacht aantal): A 2,50. (Ook verkrijgbaar bij de boekhandel.)

Groningen - jubileum: op 18 oktober was ds. A.H. Driest vijfentwintig jaar predikant. Zijn standplaatsen waren: Leeuwarden-Huizum (1981), Buitenpost (1986), Zeist (1994) en Groningen-Zuid (1999). Steenwijk - beroepen: J. Holtland te Zeewolde Zwolle-West - beroepen: J. Janssen te Enumatil Pijnacker-Nootdorp - beroepen: kandidaat R.T. te Velde Heerenveen - bedankt voor beroep: L.W. de Graaff te Hattem. Drachten - overleden: op 18 oktober is ds. E.J. Oosterhuis overleden. Egbert Johannes Oosterhuis werd geboren op 31 oktober 1930 te Alteveer. Hij studeerde theologie te Kampen en werd in 1963 predikant te Doesburg en Doetinchem. In 1966 ging hij naar LemeleLemelerveld. Vandaar ging hij in 1979 naar Kornhorn. Op 1 januari 1994 werd hem om gezondheidsredenen vervroegd emeritaat verleend.

PERSBERICHT

Studiedag generale deputaten appèlzaken ad art. 31 KO Op 11 november aanstaande organiseert het generaal deputaatschap appèlzaken ad art. 31 KO een landelijke studiedag in samenwerking met de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt te Kampen. Deze bijeenkomst zal worden gehouden in het gebouw van de TU in Kampen. De dag begint met een ontvangst tussen 9.30 en 10 uur en zal worden afgesloten om 16 uur. Voor een lunch wordt gezorgd. In eerste instantie is de dag bedoeld voor de particuliere en classicale deputaten, maar ook andere belangstellenden zijn van harte welkom. Opgave kan bij de tweede secretaris van deputaten, P.G.B. de Vries, Venrayseweg 35, 5961 AD Horst; tel. 077 – 3970130; e-mail: [email protected]

116

JG

82 –

NR

5 – 4

NOVEMBER

2006

Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.