Elke filmomhulde tablet bevat ribociclibsuccinaat overeenkomend met 200 mg ribociclib


1 Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in...
Author:  Eva de Groot

0 downloads 3 Views 637KB Size

Recommend Documents


Elke filmomhulde tablet bevat ribociclibsuccinaat overeenkomend met 200 mg ribociclib
1 Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in...

Elke filmomhulde tablet bevat lapatinibditosylaatmonohydraat, overeenkomend met 250 mg lapatinib
1 1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL Tyverb 250 mg filmomhulde tabletten 2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIVE SAMENSTELLING Elke filmomhulde tablet bevat lapatin...

Elke filmomhulde tablet bevat tofacitinibcitraat, overeenkomend met 5 mg tofacitinib
1 Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in...

Elke filmomhulde tablet bevat rilpivirinehydrochloride, overeenkomend met 25 mg rilpivirine
1 SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN 1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EDURANT 25 mg filmomhulde tabletten 2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING...

Elke filmomhulde tablet bevat valaciclovirhydrochloride overeenkomend met 500 mg valaciclovir
1 Versie: september 2014 Pagina 1/15 1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL Valaciclovir Mylan 500 mg, filmomhulde tabletten. 2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE S...

Elke filmomhulde tablet bevat rilpivirinehydrochloride, overeenkomend met 25 mg rilpivirine
1 Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in...

Elke filmomhulde tablet bevat lapatinibditosylaatmonohydraat, overeenkomend met 250 mg lapatinib
1 1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL Tyverb 250 mg filmomhulde tabletten 2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIVE SAMENSTELLING Elke filmomhulde tablet bevat lapatin...

Vesicare 5 mg filmomhulde tablet: Elke tablet bevat 5 mg solifenacinesuccinaat overeenkomend met 3,8 mg solifenacine
1 1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL Vesicare 5 mg, filmomhulde tablette Vesicare 10 mg, filmomhulde tablette 2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING...

Elke filmomhulde tablet Tamoxifen Sandoz 40 mg bevat tamoxifencitraat, overeenkomend
1 Sandoz B.V. Page 1/10 1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL Tamoxifen Sandoz 10 mg, filmomhulde. Tamoxifen Sandoz 20 mg, filmomhulde. Tamoxifen Sandoz 30 mg,...

Elke filmomhulde tablet bevat sildenafil citraat overeenkomend met 25 mg, 50 mg of 100 mg sildenafil
1 1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL Vizarsin 25 mg filmomhulde tabletten Vizarsin 50 mg filmomhulde tabletten Vizarsin 100 mg filmomhulde tabletten 2. KWAL...



Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg worden verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden. Zie rubriek 4.8 voor het rapporteren van bijwerkingen.

1.

NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Kisqali 200 mg filmomhulde tabletten

2.

KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Elke filmomhulde tablet bevat ribociclibsuccinaat overeenkomend met 200 mg ribociclib. Hulpstof(fen) met bekend effect Elke filmomhulde tablet bevat 0,344 mg sojalecithine. Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3.

FARMACEUTISCHE VORM

Filmomhulde tablet. Lichtgrijs violet, geen breukstreep, rond, gebold met schuine randen (bij benadering een diameter van 11,1 mm), op de ene zijde is 'RIC' ingestempeld en op de andere zijde 'NVR'.

4.

KLINISCHE GEGEVENS

4.1

Therapeutische indicaties

Kisqali in combinatie met een aromataseremmer is geïndiceerd als eerste endocriene therapie voor de behandeling van postmenopauzale vrouwen met lokaal gevorderde of gemetastaseerde hormoonreceptorpositieve (HR-positieve), humane epidermale-groeifactorreceptor 2-negatieve (HER2-negatieve) borstkanker. 4.2

Dosering en wijze van toediening

Behandeling met Kisqali dient te worden ingesteld door een arts die ervaring heeft met het gebruik van behandelingen tegen kanker. Dosering De aanbevolen dosis is 600 mg (drie filmomhulde tabletten met elk 200 mg) ribociclib eenmaal daags gedurende 21 achtereenvolgende dagen, gevolgd door 7 dagen geen behandeling, zodat een volledige cyclus uit 28 dagen bestaat. De behandeling dient te worden voortgezet zo lang als de patiënt klinisch baat heeft bij de behandeling of totdat onaanvaardbare toxiciteit optreedt. Kisqali kan met of zonder voedsel worden ingenomen (zie rubriek 4.5). Kisqali dient in combinatie met 2,5 mg letrozol of een andere aromataseremmer te worden gebruikt. De aromataseremmer dient ononderbroken gedurende de hele cyclus van 28 dagen eenmaal daags oraal te worden ingenomen. Raadpleeg de samenvatting van de productkenmerken (SmPC) van de aromataseremmer voor aanvullende informatie.

1

Patiënten moeten aangemoedigd worden hun dosis elke dag op ongeveer hetzelfde tijdstip in te nemen, bij voorkeur 's morgens. Als de patiënt na het innemen van de dosis braakt of een dosis vergeet, dient op die dag niet alsnog een dosis te worden ingenomen. De volgende voorgeschreven dosis dient op het gebruikelijk tijdstip te worden ingenomen. Dosisaanpassingen Voor behandeling van ernstige of onverdraagbare geneesmiddelbijwerkingen (ADR's) kan het nodig zijn de dosis van Kisqali tijdelijk te verlagen of de behandeling met Kisqali te onderbreken of te staken. Als verlaging van de dosis nodig is, kunnen de richtlijnen voor een aanbevolen verlaging van de dosis in tabel 1 worden geraadpleegd. Tabel 1

Richtlijnen voor een aanbevolen aanpassing van de dosis

Kisqali Dosis Aantal tabletten van 200 mg Uitgangsdosis 600 mg/dag 3 Eerste dosisverlaging 400 mg/dag 2 Tweede dosisverlaging 200 mg*/dag 1 * Als het nodig is om de dosis verder te verlagen tot onder de 200 mg/dag, dient de behandeling definitief te worden gestaakt. Tabel 2, 3, 4 en 5 vormen een overzicht van aanbevelingen voor verlaging van de dosis van Kisqali of onderbreking of beëindiging van de behandeling met Kisqali bij de behandeling van specifieke ADR's. Het klinisch oordeel van de behandelende arts dient richting te geven aan het behandelingsplan voor elke patiënt op basis van een beoordeling van de voordelen en risico's voor die bepaalde patiënt (zie rubriek 4.4). Er dient een volledig bloedbeeld (CBC) te worden bepaald voordat er met de behandeling met Kisqali wordt begonnen. Nadat er met de behandeling is begonnen, dient er gedurende de eerste 2 cycli om de 2 weken een CBC te worden bepaald, bij het begin van elk van de volgende 4 cycli, daarna al naargelang klinisch is geïndiceerd. Tabel 2

Dosisaanpassing en behandeling – neutropenie Graad 1 of 2* (ANC 1.000/mm3 tot ≤ LLN) Geen dosisaanpassing nodig.

Graad 3* Graad 3* Graad 4* (ANC (ANC 500 tot febriele < 1.000/mm3) neutropenie** < 500/mm3) Onderbreking Onderbreking Onderbreking Neutropenie behandeling tot herstel behandeling tot behandeling tot tot graad ≤ 2. herstel tot herstel tot Behandeling met graad ≤ 2. graad ≤ 2. Kisqali hervatten op Behandeling Behandeling hetzelfde dosisniveau. met Kisqali met Kisqali Als er weer toxiciteit hervatten op hervatten op met graad 3 optreedt: een dosisniveau een dosisniveau onderbreking lager. lager. behandeling tot herstel tot graad ≤ 2, daarna behandeling met Kisqali hervatten op een dosisniveau lager. * Toekenning graad volgens CTCAE-versie 4.03 (CTCAE= Common Terminology Criteria for Adverse Events) ** Graad 3-neutropenie met een koortspiek > 38,3 °C (of koorts boven 38 °C gedurende meer dan een uur en/of gelijktijdige infectie) ANC = absoluut aantal neutrofielen; LLN = ondergrens van normaal

2

Er dienen leverfunctietesten (LFT's) te worden gedaan voordat er met de behandeling met Kisqali wordt begonnen. Nadat er met de behandeling is begonnen, dienen er gedurende de eerste 2 cycli om de 2 weken LFT's te worden gedaan, bij het begin van elke van de volgende 4 cycli, daarna al naargelang klinisch is geïndiceerd. Als er afwijkingen met graad ≥ 2 worden gezien, wordt aanbevolen vaker te controleren. Tabel 3

Dosisaanpassing en behandeling – hepatobiliaire toxiciteit

Verhoging van ASAT en/of ALAT t.o.v. de uitgangswaarde**, zonder verhoging van totaal bilirubine boven 2 x ULN

Graad 1* (> ULN tot 3 x ULN) Geen dosisaanpassing nodig.

Graad 2* (> 3 tot 5 x ULN)

Graad 3* (> 5 tot 20 x ULN)

Graad 4* (> 20 x ULN)

Uitgangswaarde < graad 2: Onderbreking Stoppen met Onderbreking behandeling behandeling met Kisqali. tot herstel tot Kisqali tot herstel ≤ uitgangsgraad, daarna tot ≤ uitgangsgraad, behandeling met Kisqali daarna behandeling hervatten op hetzelfde hervatten op een dosisniveau. Als er weer dosisniveau lager. graad 2 optreedt, dan Als er weer graad 3 behandeling met Kisqali optreedt, stop dan hervatten op een met Kisqali. dosisniveau lager. Uitgangswaarde = graad 2: Geen onderbreking behandeling. Stop met Kisqali bij patiënten met ALAT en/of ASAT > 3 x ULN in combinatie met totaal bilirubine > 2 x ULN, ongeacht de uitgangsgraad.

Verhoging van ASAT en/of ALAT in combinatie met verhoging totaal bilirubine, bij afwezigheid van cholestase * Toekenning graad volgens CTCAE-versie 4.03 (CTCAE= Common Terminology Criteria for Adverse Events) ** Uitgangswaarde = waarde direct voorafgaand aan het begin van de behandeling ULN = bovengrens van normaal Het ECG dient te worden beoordeeld voordat er met de behandeling met Kisqali wordt begonnen. Nadat er met de behandeling is begonnen, dient het ECG te worden herhaald op ongeveer dag 14 van de eerste cyclus en bij het begin van de tweede cyclus, daarna al naargelang klinisch is geïndiceerd. In het geval van verlenging van de QTcF-tijd tijdens de behandeling, wordt aanbevolen vaker een ECG af te nemen.

3

Tabel 4

Dosisaanpassing en behandeling – verlenging van de QT-tijd

ECG's met QTcFtijd > 480 msec

ECG's met QTcFtijd > 500 msec

1. 2.

De behandeling dient te worden onderbroken. Als de verlenging van de QTcF-tijd afneemt tot < 481 msec, hervat de behandeling met Kisqali dan op hetzelfde dosisniveau. 3. Als er weer een QTcF-tijd ≥ 481 msec optreedt, onderbreek dan de behandeling tot de QTcF-tijd afneemt tot < 481 msec en hervat daarna behandeling op een dosisniveau lager. Als de QTcF-tijd langer is dan 500 msec in minstens 2 afzonderlijke ECG’s, onderbreek dan de behandeling met Kisqali totdat de QTcF-tijd < 481 msec is, hervat daarna behandeling met Kisqali op een dosisniveau lager. Als er verlenging van de QTcF-tijd tot meer dan 500 msec optreedt of als er een verandering van meer dan 60 msec ten opzichte van de uitgangswaarde optreedt, in combinatie met torsade de pointes of polymorfe ventriculaire tachycardie of verschijnselen/klachten van een ernstige hartritmestoornis, stop dan definitief met Kisqali.

Tabel 5

Dosisaanpassing en behandeling – andere toxiciteit

Andere toxiciteit

Graad 1 of 2* Geen dosisaanpassing nodig. Start geschikte medische behandeling en controleer al naargelang klinisch is geïndiceerd.

Graad 3** Graad 4** Onderbreking Stoppen met Kisqali. behandeling tot herstel tot graad ≤ 1, daarna behandeling met Kisqali hervatten op hetzelfde dosisniveau. Als er weer graad 3 optreedt, dan behandeling met Kisqali hervatten op een dosisniveau lager. * Exclusief neutropenie, hepatotoxiciteit en verlenging van de QT-tijd. ** Toekenning graad volgens CTCAE-versie 4.03 (CTCAE = Common Terminology Criteria for Adverse Events) Er wordt verwezen naar de SmPC van de gelijktijdig toegediende aromataseremmer voor een aanbevolen aanpassing van de dosis en andere relevante veiligheidsinformatie in geval van toxiciteit. Dosisaanpassing voor gebruik van Kisqali met sterke CYP3A4-remmers Gelijktijdig gebruik van sterke CYP3A4-remmers dient te worden vermeden en er dienen andere geneesmiddelen die CYP3A4 minder sterk remmen te worden overwogen voor gelijktijdige toediening. Als het toch nodig is om een patiënt gelijktijdig ribociclib en een sterke CYP3A4-remmer te geven, dient de dosis van Kisqali te worden verminderd tot 400 mg eenmaal daags (zie rubriek 4.5). Bij patiënten bij wie de dosis verminderd werd tot dagelijks 400 mg ribociclib en bij wie het opstarten van de gelijktijdige toediening van een sterke CYP3A4-remmer niet kan worden vermeden, moet de dosis verder verminderd worden tot 200 mg. Bij patiënten bij wie de dosis verminderd werd tot dagelijks 200 mg ribociclib en bij wie het opstarten van de gelijktijdige toediening van een sterke CYP3A4-remmer niet kan worden vermeden, moet de behandeling met Kisqali onderbroken worden. Door verschillen tussen patiënten zullen de aanbevolen dosisaanpassingen mogelijk niet optimaal zijn bij alle patiënten; zorgvuldige controle op verschijnselen van toxiciteit wordt daarom aanbevolen. Als er wordt gestopt met de sterke CYP3A4-remmer, dient er na minstens 5 halfwaardetijden van deze remmer verder te worden gegaan met de dosis van Kisqali die werd gebruikt voorafgaand aan de start 4

van de behandeling met die sterke CYP3A4-remmer (zie rubriek 4.4, 4.5 en 5.2). Bijzondere patiëntengroepen Nierinsufficiëntie Bij patiënten met lichte tot matige nierinsufficiëntie hoeft de dosering niet te worden aangepast (zie rubriek 5.2). Voorzichtigheid dient te worden betracht bij patiënten met ernstige nierinsufficiëntie, met zorgvuldige controle op verschijnselen van toxiciteit, omdat er bij deze patiëntengroep geen ervaring is met Kisqali (zie rubriek 5.2). Leverinsufficiëntie Op grond van een farmacokinetisch onderzoek bij gezonde proefpersonen en patiënten zonder kanker met leverinsufficiëntie, is er geen dosisaanpassing nodig bij patiënten met lichte leverinsufficiëntie (Child-Pughscore A). Bij patiënten met matige (Child-Pughscore B) en ernstige leverinsufficiëntie (Child-Pughscore C) kan er sprake zijn van een verhoogde (minder dan 2-voudige) blootstelling aan ribociclib en er wordt een aanvangsdosis van 400 mg Kisqali eenmaal daags aanbevolen. Ribociclib is niet onderzocht bij patiënten met borstkanker met matige en ernstige leverinsufficiëntie (zie rubriek 5.2). Pediatrische patiënten De veiligheid en werkzaamheid van Kisqali bij kinderen en adolescenten tot 18 jaar zijn niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar. Ouderen Er is bij patiënten boven de 65 jaar geen dosisaanpassing nodig (zie rubriek 5.2). Wijze van toediening Kisqali dient eenmaal daags oraal te worden ingenomen, met of zonder voedsel. De tabletten moeten heel worden doorgeslikt en mogen niet worden stukgekauwd, verpulverd of gebroken voordat ze worden doorgeslikt. Neem geen tablet in die gebroken is, gebarsten of anderszins niet intact is. 4.3

Contra-indicaties

Overgevoeligheid voor de werkzame stof of pinda’s, soja of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen. 4.4

Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Kritieke viscerale ziekte De werkzaamheid en veiligheid van ribociclib werden niet onderzocht bij patiënten met kritieke viscerale ziekte. Neutropenie Afhankelijk van de ernst van de neutropenie kan het nodig zijn de dosis van Kisqali te verlagen of de behandeling met Kisqali te onderbreken of te staken, zoals is beschreven in tabel 2 (zie rubriek 4.2 en 4.8). Hepatobiliaire toxiciteit Er dienen leverfunctietesten te worden gedaan voordat er met de behandeling met Kisqali wordt begonnen. Nadat er met de behandeling is begonnen, dient de leverfunctie te worden gecontroleerd (zie rubriek 4.2 en 4.8). Afhankelijk van de ernst van de verhoging van de transaminasen kan het nodig zijn de dosis van Kisqali te verlagen of de behandeling met Kisqali te onderbreken of te staken, zoals is beschreven in 5

tabel 3 (zie rubriek 4.2 en 4.8). Er zijn nog geen aanbevelingen voor patiënten met een verhoogd ASAT/ALAT met graad ≥ 3 bij de aanvang van de behandeling. Verlenging van de QT-tijd Het ECG dient te worden beoordeeld voordat er met de behandeling wordt begonnen. Er mag alleen met de behandeling met Kisqali worden begonnen bij patiënten met een QTcF-waarde die lager is dan 450 msec. Het ECG dient te worden herhaald op ongeveer dag 14 van de eerste cyclus en bij het begin van de tweede cyclus, daarna al naargelang klinisch is geïndiceerd (zie rubriek 4.2 en 4.8). De serumelektrolyten (inclusief kalium, calcium, fosfor en magnesium) dienen voordat er met de behandeling wordt begonnen naar behoren te worden gecontroleerd bij het begin van de eerste 6 cycli en daarna al naargelang klinisch is geïndiceerd. Elektrolytstoornissen dienen te worden gecorrigeerd voordat er met de behandeling met Kisqali wordt begonnen. Gebruik van Kisqali dient te worden vermeden bij patiënten bij wie er al verlenging van de QTc-tijd bestaat of bij patiënten die een aanzienlijk risico lopen op verlenging van de QTc-tijd. Dat betreft patiënten:  met het lange-QT-tijdsyndroom;  met een significante hartaandoening of een hartaandoening die niet onder controle is, waaronder een recent myocardinfarct, congestief hartfalen, onstabiele angina pectoris en bradyaritmie;  met elektrolytstoornissen. Gelijktijdig gebruik van Kisqali met geneesmiddelen waarvan bekend is dat ze de QTc-tijd verlengen en/of sterke CYP3A-remmers dient te worden vermeden, omdat dat kan leiden tot klinisch relevante verlenging van de QTcF-tijd (zie rubriek 4.2, 4.5 en 5.1). Als behandeling met een sterke CYP3A4remmer niet kan worden vermeden, dient de dosis te worden verminderd tot 400 mg eenmaal daags (zie rubriek 4.2 en 4.5). Afhankelijk van de waargenomen verlenging van de QT-tijd tijdens de behandeling kan het nodig zijn de dosis van Kisqali te verlagen of de behandeling met Kisqali te onderbreken of te staken, zoals is beschreven in tabel 4 (zie rubriek 4.2, 4.8 en 5.2). CYP3A4-substraten Ribociclib is een sterke CYP3A4-remmer bij een dosis van 600 mg en een matige CYP3A4-remmer bij een dosis van 400 mg. Derhalve kan ribociclib een wisselwerking hebben met geneesmiddelen die gemetaboliseerd worden door CYP3A4, wat kan leiden tot verhoogde serumconcentraties van CYP3A4-substraten (zie rubriek 4.5). Voorzichtigheid is geboden in geval van gelijktijdig gebruik met gevoelige CYP3A4-substraten met een smalle therapeutische breedte en de SmPC van het andere product dient geraadpleegd te worden voor aanbevelingen aangaande gelijktijdige toediening met CYP3A4-remmers. Sojalecithine Kisqali bevat sojalecithine. Patiënten die overgevoelig zijn voor pinda’s of soja mogen geen Kisqali innemen (zie rubriek 4.3). 4.5

Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Stoffen die de plasmaconcentratie van ribociclib kunnen verhogen Ribociclib wordt primair gemetaboliseerd door CYP3A4. Derhalve kunnen geneesmiddelen die van invloed kunnen zijn op de enzymactiviteit van CYP3A4 de farmacokinetiek van ribociclib wijzigen. Gelijktijdige toediening van de sterke CYP3A4-remmer ritonavir (100 mg tweemaal daags gedurende 14 dagen) en een enkelvoudige dosis van 400 mg ribociclib gaf bij gezonde proefpersonen een 3,2- en 1,7-voudige verhoging van respectievelijk de blootstelling (AUCinf) en de maximale concentratie (Cmax) 6

van ribociclib aan, in vergelijking met toediening van een enkelvoudige dosis van 400 mg ribociclib alleen. De Cmax en AUClast voor LEQ803 (een belangrijke metaboliet van ribociclib die verantwoordelijk is voor minder dan 10% van de blootstelling van het oorspronkelijke geneesmiddel) namen af met respectievelijk 96% en 98%. Gelijktijdig gebruik van onder meer de volgende sterke CYP3A4-remmers moet worden vermeden: claritromycine, indinavir, itraconazol, ketoconazol, lopinavir, ritonavir, nefazodon, nelfinavir, posaconazol, saquinavir, telaprevir, telitromycine, verapamil en voriconazol (zie rubriek 4.4). Er dienen andere geneesmiddelen die CYP3A4 minder sterk remmen te worden overwogen voor gelijktijdige toediening en de patiënten dienen te worden gecontroleerd op ribociclib-gerelateerde bijwerkingen (zie rubriek 4.2, 4.4 en 5.2). Als gelijktijdige toediening van Kisqali met een sterke CYP3A4-remmer niet kan worden vermeden, dient de dosis van Kisqali te worden verminderd zoals beschreven in rubriek 4.2. Er zijn echter geen klinische gegevens met betrekking tot deze dosisaanpassingen. Door verschillen tussen patiënten zullen de aanbevolen dosisaanpassingen mogelijk niet optimaal zijn bij alle patiënten; zorgvuldige controle op ribociclib-gerelateerde bijwerkingen wordt daarom aanbevolen. Bij toxiciteit in verband met ribociclib dient de dosis te worden aangepast of de behandeling te worden onderbroken totdat de toxiciteit is verdwenen (zie rubriek 4.2 en 5.2). Als er wordt gestopt met de sterke CYP3A4-remmer, dient er na minstens 5 keer de halfwaardetijd van de CYP3A4-remmer (raadpleeg hiervoor de SmPC van de desbetreffende CYP3A4-remmer) verder te worden gegaan met de dosis van Kisqali die werd gebruikt voorafgaand aan de start van de behandeling met die sterke CYP3A4-remmer. Farmacokinetische simulaties op basis van fysiologische modellen wijzen erop dat bij een dosis van 600 mg een matige CYP3A4-remmer (erytromycine) kan leiden tot een 1,2- en 1,3-voudige verhoging van respectievelijk de Cmax en AUC van ribociclib tijdens de plateaufase. Voor patiënten bij wie de dosis van ribociclib verminderd werd tot 400 mg eenmaal daags, werd de verhoging van de Cmax en AUC tijdens de plateaufase geschat op respectievelijk een 1,4- en 2,1-voud. Het effect bij de 200 mg dosis eenmaal daags werd voorspeld als een respectievelijk 1,7- en 2,8-voudige verhoging. Bij aanvang van het gebruik van zwakke of matige CYP3A4-remmers hoeft de dosis van ribociclib niet te worden aangepast. Controle op ribociclib-gerelateerde bijwerkingen wordt echter aanbevolen. Patiënten dienen te worden geïnstrueerd granaatappels of granaatappelsap en pompelmoes/grapefruit of pompelmoessap/grapefruitsap te vermijden. Het is bekend dat deze producten enzymen van cytochroom CYP3A4 remmen en de blootstelling aan ribociclib kunnen verhogen. Stoffen die de plasmaconcentratie van ribociclib kunnen verlagen Gelijktijdige toediening van de sterke CYP3A4-inductor rifampicine (600 mg per dag gedurende 14 dagen) en een enkelvoudige dosis van 600 mg ribociclib gaf bij gezonde proefpersonen een verlaging van 89% en 81% van respectievelijk de AUCinf en Cmax van ribociclib, in vergelijking met toediening van een enkelvoudige dosis van 600 mg ribociclib alleen. De Cmax en AUCinf van LEQ803 zagen daarbij respectievelijk een 1,7-voudige toename en een afname van 27%. Gelijktijdig gebruik van een sterke CYP3A4-inductor kan daarom leiden tot een lagere blootstelling en als gevolg daarvan een risico op onvoldoende werkzaamheid. Gelijktijdig gebruik van sterke CYP3A4-inductoren, onder meer fenytoïne, rifampicine, carbamazepine en sint-janskruid (Hypericum perforatum), dient daarom te worden vermeden. Er dient te worden overwogen om een ander geneesmiddel dat CYP3A4 niet of in geringe mate induceert gelijktijdig te geven. Het effect van een matige CYP3A4-inductor op de blootstelling aan ribociclib werd niet onderzocht. Farmacokinetische simulaties op basis van fysiologische modellen wijzen erop dat een matige CYP3A4-inductor (efavirenz) kan leiden tot een verlaging van 51% en 70% van respectievelijk de Cmax en AUC van ribociclib tijdens de plateaufase. Het gelijktijdige gebruik met matige CYP3A4-inductoren kan daarom leiden tot een verminderde blootstelling en als gevolg daarvan het risico op een verminderde werkzaamheid, in het bijzonder bij patiënten die behandeld worden met 400 mg of 200 mg ribociclib eenmaal daags.

7

Stoffen waarvan de plasmaconcentratie door Kisqali kan worden veranderd Ribociclib is een matige tot sterke CYP3A4-remmer en er kan interactie optreden met geneesmiddelen die via CYP3A4 worden gemetaboliseerd, wat kan leiden tot een verhoogde serumconcentratie van het gelijktijdig gebruikte geneesmiddel. Gelijktijdige toediening van midazolam (CYP3A4-substraat) en meervoudige doses van Kisqali (400 mg) verhoogde de blootstelling aan midazolam bij gezonde proefpersonen met 280% (factor 3,80), in vergelijking met toediening van midazolam alleen. Farmacokinetische simulaties op basis van fysiologische modellen wezen erop dat Kisqali bij toediening van de klinisch relevante dosis van 600 mg de AUC van midazolam naar verwachting met een factor 5,2 verhoogt. Daarom dient bij gelijktijdige toediening van ribociclib en een ander geneesmiddel in het algemeen de SmPC van dat andere geneesmiddel te worden geraadpleegd voor de aanbevelingen met betrekking tot gelijktijdige toediening van CYP3A4-remmers. Er dient voorzichtigheid te worden betracht bij gelijktijdige toediening van CYP3A4-substraten met een smalle therapeutische breedte (zie rubriek 4.4). Het kan nodig zijn om de dosis van een gevoelig CYP3A4-substraat met een smalle therapeutische breedte, onder meer alfentanil, ciclosporine, everolimus, fentanyl, sirolimus en tacrolimus, te verlagen, omdat de blootstelling aan deze middelen door ribociclib kan worden verhoogd. Gelijktijdige toediening van de dosis van 600 mg ribociclib en de volgende CYP3A4-substraten dient te worden vermeden: alfuzosine, amiodaron, cisapride, pimozide, kinidine, ergotamine, dihydro-ergotamine, quetiapine, lovastatine, simvastatine, sildenafil, midazolam, triazolam. Gelijktijdige toediening van cafeïne (CYP1A2-substraat) en meervoudige doses van Kisqali (400 mg) verhoogde de blootstelling aan cafeïne bij gezonde proefpersonen met 20% (factor 1,20), in vergelijking met toediening van cafeïne alleen. Bij de klinisch relevante dosis van 600 mg voorspelden simulaties met PBPK-modellen slechts zwakke remmende effecten van ribociclib op CYP1A2substraten (< 2-voudige verhoging van de AUC). Het is op dit moment niet bekend of Kisqali de effectiviteit van systemisch werkende hormonale anticonceptiemiddelen vermindert. Stoffen die substraten zijn van transporteiwitten In-vitrogegevens geven aan dat ribociclib een mogelijke inhibitor is van de activiteit van de geneesmiddeltransporters Pgp, BCRP, OATP1B1/1B3,OCT1, OCT2, MATE1 en BSEP. Voorzichtigheid en controle op toxiciteit worden aanbevolen gedurende gelijktijdige behandeling met gevoelige substraten van deze transporteiwitten met een smalle therapeutische breedte, waaronder maar niet beperkt tot - digoxine, pitavastatine, pravastatine, rosuvastatine en metformine. Interactie met voedsel Kisqali kan met en zonder voedsel worden toegediend (zie rubriek 4.2 en 5.2). Geneesmiddelen die de pH in de maag verhogen Ribociclib is zeer goed oplosbaar bij of onder een pH van 4,5 en in biologisch relevante milieus bij een pH tussen 5,0 en 6,5. Gelijktijdige toediening van ribociclib en geneesmiddelen die de pH in de maag verhogen is niet in een klinisch onderzoek onderzocht; er is echter in populatiefarmacokinetisch onderzoek en niet-compartimenteel farmacokinetisch onderzoek geen verandering van de absorptie van ribociclib waargenomen. Geneesmiddelinteractie tussen ribociclib en letrozol Gegevens van een klinisch onderzoek bij patiënten met borstkanker en populatiefarmacokinetisch onderzoek wezen niet op geneesmiddelinteractie tussen ribociclib en letrozol na gelijktijdige toediening van deze geneesmiddelen. 8

Verwachte interacties Geneesmiddelen voor hartritmestoornissen en andere geneesmiddelen die de QT-tijd kunnen verlengen Gelijktijdige toediening van Kisqali en geneesmiddelen waarvan bekend is dat ze de QT-tijd kunnen verlengen, zoals geneesmiddelen voor hartritmestoornissen (onder meer amiodaron, disopyramide, procaïnamide, kinidine en sotalol), en andere geneesmiddelen waarvan bekend is dat ze de QT-tijd kunnen verlengen (onder meer chloroquine, halofantrine, claritromycine, haloperidol, methadon, moxifloxacine, bepridil, pimozide en intraveneus ondansetron) dienen te worden vermeden (zie rubriek 4.4). 4.6

Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

De zwangerschapsstatus moet gecontroleerd worden vooraleer de behandeling met Kisqali te beginnen. Op grond van waarnemingen bij dieren kan ribociclib een schadelijk effect op de foetus hebben bij toediening aan een zwangere vrouw (zie rubriek 5.3). Voor verdere informatie aangaande zwangerschap, borstvoeding en vruchtbaarheid, zie rubriek 5.3. 4.7

Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Bij Kisqali kan er sprake zijn van een geringe invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen. Patiënten dient te worden geadviseerd voorzichtig te zijn bij het besturen van voertuigen of het gebruik van machines als ze tijdens behandeling met Kisqali last hebben van vermoeidheid (zie rubriek 4.8). 4.8

Bijwerkingen

Samenvatting van het veiligheidsprofiel De complete veiligheidsbeoordeling van Kisqali is gebaseerd op gegevens van 898 patiënten, van wie er 568 werden blootgesteld aan ribociclib in de aanbevolen dosering van 600 mg volgens het voorgestelde behandelingsschema van 600 mg ribociclib (dag 1 tot en met dag 21 van een cyclus van 28 dagen), en onder wie 381 patiënten die werden behandeld met ribociclib in combinatie met letrozol 2,5 mg eenmaal daags. De veiligheidsgegevens die hieronder worden gerapporteerd zijn gebaseerd op het klinische fase IIIonderzoek met een mediane blootstellingsduur voor ribociclib plus letrozol van 13 maanden (58,1% van de patiënten met een blootstellingsduur van ≥ 12 maanden.) Bij 44,6% van de patiënten die werden behandeld met Kisqali plus letrozol moest de dosis worden verlaagd vanwege bijwerkingen, ongeacht waardoor die werden veroorzaakt. Bij 7,5% van de patiënten werd gemeld dat de behandeling definitief was gestaakt. De meest voorkomende ADR's en de meest voorkomende ADR's met graad 3/4 (die werden gemeld met een frequentie van respectievelijk ≥ 20% en ≥ 2%) waarvan de frequentie voor Kisqali plus letrozol hoger was dan de frequentie voor placebo plus letrozol waren respectievelijk neutropenie, leukopenie, hoofdpijn, rugpijn, misselijkheid, vermoeidheid, diarree, braken, constipatie, alopecia en huiduitslag en neutropenie, leukopenie, afwijkende leverfunctietest, lymfopenie, hypofosfatemie, braken, misselijkheid, vermoeidheid en rugpijn. Getabelleerde lijst van de bijwerkingen De geneesmiddelbijwerkingen van het klinische fase III-onderzoek (tabel 6) worden vermeld op basis 9

van systeem-/orgaanklasse volgens MedDRA. Binnen elke systeem-/orgaanklasse worden de geneesmiddelbijwerkingen gerangschikt op basis van frequentie, met de meest frequente bijwerkingen eerst. Binnen elke frequentiegroep worden de geneesmiddelbijwerkingen op volgorde van afnemende ernst gerangschikt. Daarnaast is de frequentiecategorie waarin elke geneesmiddelbijwerking wordt ingedeeld, gebaseerd op de volgende internationale afspraak (CIOMS III): zeer vaak (≥ 1/10); vaak (≥ 1/100, < 1/10); soms (≥ 1/1.000, < 1/100); zelden (≥ 1/10.000, < 1/1.000) zeer zelden (< 1/10.000); en niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald). Tabel 6

De geneesmiddelbijwerkingen die zijn waargenomen in het klinische fase IIIonderzoek

Geneesmiddelbijwerking

Frequentie

Infecties en parasitaire aandoeningen Urineweginfectie Zeer vaak Bloed- en lymfestelselaandoeningen Neutropenie, leukopenie, anemie, lymfopenie Zeer vaak Trombopenie, febriele neutropenie Vaak Voedings- en stofwisselingsstoornissen Verminderde eetlust Zeer vaak Hypocalciëmie, hypokaliëmie, hypofosfatemie Vaak Zenuwstelselaandoeningen Hoofdpijn, insomnia Zeer vaak Oogaandoeningen Verhoogde traanvorming, droge ogen Vaak Hartaandoeningen Syncope Vaak Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen Dyspneu Zeer vaak Epistaxis Vaak Maagdarmstelselaandoeningen Misselijkheid, diarree, braken, constipatie, stomatitis, buikpijn Zeer vaak Dysgeusie, dyspepsie Vaak Lever- en galaandoeningen Hepatotoxiciteit1 Vaak Huid- en onderhuidaandoeningen Alopecia, huiduitslag2, pruritus Zeer vaak Erytheem Vaak Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen Rugpijn Zeer vaak Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen Vermoeidheid, perifeer oedeem, asthenie, pyrexie Zeer vaak Onderzoeken Afwijkende leverfunctietests3 Zeer vaak Verhoogd bloedcreatinine, gewichtsafname, verlengde QT-tijd in Vaak het elektrocardiogram 1 Hepatotoxiciteit: hepatocellulaire schade, door geneesmiddelen veroorzaakte leverschade, hepatotoxiciteit, leverfalen (één niet-fataal geval), auto-immuunhepatitis (één geval). 2 Huiduitslag: huiduitslag, maculopapuleuze huiduitslag. 3 Afwijkende leverfunctietests: verhoogd ALAT, verhoogd ASAT, verhoogd bloedbilirubine. Beschrijving van geselecteerde geneesmiddelbijwerkingen Neutropenie Neutropenie was de meest frequent gemelde geneesmiddelbijwerking (74,3%) en een graad 3- of 4daling van het aantal neutrofielen (op grond van de laboratoriumbevindingen) werd gemeld bij 59,6% 10

van de patiënten die met Kisqali en letrozol werden behandeld in het fase III-onderzoek. Onder de patiënten met een graad 2-, 3- of 4-neutropenie was, bij de patiënten bij wie er een voorval optrad, de mediane tijd tot het optreden daarvan 16 dagen. De mediane tijd tot het verdwijnen van een graad ≥ 3-neutropenie (tot een normale waarde of tot graad < 3) na verlaging van de dosis en/of onderbreken en/of staken van de behandeling was in de behandelingsgroep met ribociclib plus letrozol 15 dagen. Febriele neutropenie werd gemeld bij ongeveer 1,5% van de patiënten die in het fase IIIonderzoek werden blootgesteld aan Kisqali. De patiënten dienen te worden geïnstrueerd koorts onmiddellijk te melden. Afhankelijk van de ernst werd de neutropenie behandeld middels laboratoriumcontrole, aanpassing van de dosis en/of onderbreking van de behandeling. De behandeling werd in een gering aantal gevallen (0,9%) gestaakt vanwege neutropenie (zie rubriek 4.2 en 4.4). Hepatobiliaire toxiciteit In het klinisch fase III-onderzoek was het percentage patiënten met een voorval van hepatobiliaire toxiciteit hoger in de groep met ribociclib plus letrozol dan in de groep met placebo plus letrozol (respectievelijk 24,0% tegenover 13,6%), waarbij er ook meer bijwerkingen met graad 3/4 werden gemeld bij patiënten die werden behandeld met ribociclib plus letrozol (respectievelijk 11,4% tegenover 3,6%). Er werden verhoogde transaminasewaarden waargenomen. Graad 3- of 4verhogingen van de ALAT (10,2% tegenover 1,2%) en de ASAT (6,9% tegenover 1,5%) werden gemeld in respectievelijk de groep met ribociclib en de groep met placebo. Bij 4 (1,2%) patiënten was er sprake van een gelijktijdige verhoging van de ALAT of ASAT van meer dan drie keer de bovengrens van normaal en totaal bilirubine van meer dan twee keer de bovengrens van normaal, met normale alkalische fosfatase en afwezigheid van cholestase. Bij alle 4 de patiënten keerden de waarden terug naar normaal binnen 154 dagen nadat de behandeling met Kisqali was gestaakt. Aanpassing van de dosis en/of onderbreking van de behandeling vanwege voorvallen van hepatobiliaire toxiciteit werd gemeld bij 8,4% van de patiënten die werden behandeld met ribociclib plus letrozol, voornamelijk vanwege een verhoogde ALAT (5,7%) en/of een verhoogde ASAT (4,5%). De behandeling met Kisqali plus letrozol werd bij 3,0% van de patiënten gestaakt vanwege een afwijkende leverfunctietest en bij 0,6% vanwege hepatotoxiciteit (zie rubriek 4.2 en 4.4). Het klinisch fase III-onderzoek en een fase Ib-onderzoek lieten zien dat 83,8% (31/37) van de voorvallen van graad 3- of 4-verhoging van de ALAT of ASAT bij de behandeling met ribociclib plus letrozol optrad binnen de eerste 6 maanden van de behandeling. Onder de patiënten met een graad 3of 4-verhoging van de ALAT of ASAT was de mediane tijd tot het optreden daarvan in de behandelingsgroep met ribociclib plus letrozol 57 dagen. De mediane tijd tot het verdwijnen daarvan (tot een normale waarde of graad ≤ 2) was 24 dagen in de groep met ribociclib plus letrozol. Verlenging van de QT-tijd In het klinisch fase III-onderzoek had 7,5% van de patiënten in de groep met ribociclib plus letrozol en 2,4% van de patiënten in de groep met placebo plus letrozol minstens een voorval van verlenging van de QT-tijd (inclusief QT-tijd verlenging in het ECG en syncope). Bij beoordeling van ECG-gegevens (gemiddelde van een in triplo afgenomen ECG) werd er bij 1 patiënt (0,3%) na de uitgangsituatie een QTcF-waarde van > 500 msec gezien en bij 9 patiënten (2,7%) werd er ten opzichte van de uitgangswaarde een verlenging van de QTcF-tijd van > 60 msec gezien. Er werden geen gevallen van torsade de pointes gemeld. Aanpassing van de dosis/onderbreking van de behandeling vanwege verlenging van de QT-tijd in het elektrocardiogram en syncope werd gemeld bij 0,9% van de patiënten die werden behandeld met ribociclib plus letrozol. Bij een centrale beoordeling van ECG-gegevens (gemiddelde van een in triplo afgenomen ECG) werd er bij 11 patiënten (3,3%) in de groep met ribociclib plus letrozol en bij 1 patiënt (0,3%) in de groep met placebo plus letrozol na de uitgangsituatie minstens een voorval van een QTcF-waarde van > 480 msec gezien. Onder de patiënten met een verlenging van de QTcF-tijd tot > 480 msec was de mediane tijd tot het optreden daarvan 15 dagen en deze veranderingen waren omkeerbaar met verlaging van de dosis en/of onderbreking van de behandeling (zie rubriek 4.2, 4.4 en 5.2). 11

Melding van vermoedelijke bijwerkingen Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website www.lareb.nl. 4.9

Overdosering

Er zijn geen gevallen van overdosering met Kisqali bekend. Bij een overdosering kunnen klachten als misselijkheid en braken optreden. Daarnaast kunnen hematologische toxiciteit (bijv. neutropenie, trombopenie) en verlenging van de QTc-tijd optreden. In alle gevallen van overdosering dient zo nodig een ondersteunende behandeling te worden ingesteld.

5.

FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1

Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: Antineoplastische middelen, proteïnekinaseremmers, ATC-code: L01XE42 Werkingsmechanisme Ribociclib is een selectieve remmer van cyclineafhankelijke kinase (CDK) 4 en 6 waarvoor in biochemische testen een concentratie met 50% remming / een IC50-waarde van respectievelijk 0,01 μM (4,3 ng/ml) en 0,039 μM (16,9 ng/ml) wordt gevonden. Deze kinasen worden geactiveerd na binding aan cycline D-eiwitten en spelen een zeer belangrijke rol in signaaltransductieroutes die leiden tot progressie van de celcyclus en celproliferatie. Het cycline D-CDK4/6-complex reguleert de progressie van de celcyclus via fosforylering van het retinoblastoomeiwit (pRb). In vitro veroorzaakte ribociclib een verminderde fosforylering van pRb, wat leidde tot stilstand van de celcyclus in de G1-fase en tot verminderde celproliferatie in borstkankercellijnen. In vivo leidde behandeling met ribociclib als monotherapie tot tumorregressie die correleerde met de remming van de fosforylering van pRb. In in vivo-onderzoeken waarin er gebruik werd gemaakt van een xenotransplantaatmodel met van patiënten afkomstige oestrogeenpositieve borstkankers werd er superioriteit gevonden voor combinaties van ribociclib en antioestrogenen (d.w.z. letrozol) ten opzichte van elke stof afzonderlijk, met betrekking tot remming van tumorgroei met langdurige tumorregressie en uitgestelde hervatting van tumorgroei nadat er was gestopt met de toediening. In onderzoek naar ribociclib bij een panel met borstkankercellijnen met bekende ER-status werd aangetoond dat ribociclib bij ER-positieve borstkankercellijnen beter werkte dan bij ER-negatieve. Elektrocardiofysiologie Er werden na een enkelvoudige dosis en tijdens de plateaufase ECG's serieel in triplo afgenomen ter beoordeling van het effect van ribociclib op de QTc-tijd bij patiënten met gevorderde kanker. Een farmacokinetisch-farmacodynamisch onderzoek betrof in totaal 276 patiënten die werden behandeld met ribociclib in een dosering die varieerde van 50 tot 1.200 mg, onder wie 193 patiënten die werden behandeld met ribociclib 600 mg. Het onderzoek wees erop dat ribociclib een concentratieafhankelijke verlenging van de QTc-tijd veroorzaakt. Bij een tijdens de plateaufase waargenomen gemiddelde Cmax van 2.237 ng/ml na toediening volgens de aanbevolen dosis van 600 mg (zie rubriek 4.4) was de geschatte gemiddelde verandering van de QTcF-tijd ten opzichte van de uitgangswaarde 22,87 msec (90%-BI: 21,6, 24,1).

12

Klinische werkzaamheid en veiligheid Onderzoek CLEE011A2301 (MONALEESA-2) In een gerandomiseerd, dubbelblind, placebogecontroleerd, in meerdere centra uitgevoerd klinisch fase III-onderzoek is bij postmenopauzale vrouwen met gevorderde hormoonreceptorpositieve, HER2negatieve gevorderde borstkanker, die niet eerder waren behandeld met een therapie voor gevorderde borstkanker, behandeling met Kisqali plus letrozol vergeleken met behandeling met letrozol alleen. Er werden in totaal 668 patiënten in een verhouding van 1:1 gerandomiseerd naar behandeling met Kisqali 600 mg plus letrozol (n=334) of behandeling met placebo plus letrozol (n=334), waarbij deze patiënten werden gestratificeerd volgens de aanwezigheid van lever- en/of longmetastasen (Ja [n=292 (44%)]) tegenover Nee [n=376 (56%)]). Demografische kenmerken en ziektekenmerken bij de aanvang van het onderzoek waren gelijk verdeeld en vergelijkbaar in de onderzoeksgroepen. Kisqali werd gedurende 21 achtereenvolgende dagen in een dosering van 600 mg per dag oraal gegeven, gevolgd door 7 dagen geen behandeling, in combinatie met letrozol 2,5 mg eenmaal daags gedurende 28 dagen. Patiënten mochten tijdens het onderzoek of na ziekteprogressie niet van placebo overstappen op Kisqali. De patiënten die in dit onderzoek werden opgenomen, hadden een mediane leeftijd van 62 jaar (bereik van 23 tot 91). 44,2% van de patiënten was ouder dan 65 jaar, inclusief 69 patiënten ouder dan 75 jaar. Van de geïncludeerde patiënten was 82,2% blank, 7,6% Aziatisch en 2,5% negroïde. Alle patiënten hadden voor het functioneringsniveau een ECOG-score van 0 of 1. 43,7% van de patiënten was voorafgaand aan het onderzoek behandeld met neoadjuvante of adjuvante chemotherapie en 52,4% van de patiënten was behandeld met neoadjuvante of adjuvante antihormonale therapie. 34,1% van de patiënten was de novo. 20,7% van de patiënten had alleen metastasen in de botten en 59,0% van de patiënten had metastasen in de viscerale organen. Patiënten met eerdere (neo)adjuvante behandeling met anastrozol of letrozol moesten deze behandeling voltooid hebben minstens 12 maanden voor randomisatie in de studie. Er werd voldaan aan de primaire uitkomstmaat voor het onderzoek bij de geplande interimanalyse, die werd uitgevoerd nadat 80% van de voorvallen met betrekking tot de te behalen progressievrije overleving (PFS) was waargenomen bij gebruik van de beoordelingscriteria voor de respons bij solide tumoren (RECIST-criteria, RECIST v1.1), op basis van de onderzoekersbeoordeling met betrekking tot de volledige populatie (alle gerandomiseerde patiënten) en bevestigd via een onafhankelijke geblindeerde centrale radiologische beoordeling. De resultaten voor werkzaamheid bewezen een statistisch significante verbetering van de PFS bij patiënten die werden behandeld met Kisqali plus letrozol ten opzichte van patiënten die werden behandeld met placebo plus letrozol in de analyse met betrekking tot alle gerandomiseerde patiënten (hazardratio van 0,556, 95%-BI: 0,429, 0,720, eenzijdige gestratificeerde logrank-toets, p-waarde 0,00000329) met een klinisch relevant behandelingseffect. Op basis van de gegevens over de algemene gezondheidstoestand/kwaliteit van leven was er geen relevant verschil tussen de groep met Kisqali plus letrozol en de groep met placebo plus letrozol. De vollediger bijgewerkte gegevens over werkzaamheid (analysepunt van 2 januari 2017) worden gegeven in tabel 7 en 8. De mediane PFS was 25,3 maanden (95%BI: 23,0;30,3) voor patiënten die werden behandeld met ribociclib plus letrozol en 16,0 maanden (95%-BI: 13,4;18,2) voor patiënten die werden behandeld met placebo plus letrozol. 54,7% van de patiënten die werden behandeld met ribociclib plus letrozol werd beoordeeld als progressievrij bij 24 maanden ten opzichte van 35,9% van de patiënten in de groep met placebo plus letrozol. Er was tussen de groep met Kisqali plus letrozol en de groep met placebo plus letrozol geen statistisch significant verschil in de totale overleving (OS) (HR 0,746 [95%-BI 0,517;1,078]). De gegevens over de OS zijn nog onvolledig. 13

Resultaten voor werkzaamheid – primaire resultaten voor werkzaamheid (PFS) van MONALEESA-2 op basis van de radiologische onderzoekersbeoordeling (analysepunt van 2 januari 2017)

Tabel 7

Bijgewerkte analyse (analysepunt van 2 januari 2017) Kisqali plus letrozol Placebo plus letrozol N=334 N=334 Progressievrije overleving Mediane PFS [maanden] (95%-BI) 25,3 (23,0–30,3) 16,0 (13,4–18,2) Hazardratio (95%-BI) 0,568 (0,457–0,704) p-waardea 9,63 × 10-8 BI=betrouwbaarheidsinterval; N=aantal patiënten; a p-waarde is verkregen met de eenzijdige gestratificeerde logrank-toets. Kaplan-Meier-curve voor de PFS op basis van de onderzoekersbeoordeling – MONALEESA-2 (analysepunt van 2 januari 2017 m.b.t. de volledige analyse set)

Figuur 1

Waarschijnlijkheid geen voorval (%)

100

80

60

Tijdstippen van censurering Ribociclib (N=334) Placebo (N=334)

40

Aantal voorvallen - Ribociclib: 140, Placebo: 205 Hazardratio = 0,568; 95%-BI [0,457–0,704] Mediaan op basis van de Kaplan-Meier-curve - Ribociclib: 25,3 maanden; Placebo: 16,0 maanden Logrank p-waarde = 9,63*10^(-8)

20

0 0

2

4

6

8

10

12

14

16

18

20

22

24

26

28

30

32

34

Tijd (maanden) Aantal patiënten nog steeds ”at risk” Tijd

0

2

4

6

8

10

12

14

16

18

20

22

24

26

28

30

32

34

Ribociclib 334

294

277

257

240

227

207

196

188

176

164

132

97

46

17

11

1

0

Placebo

279

265

239

219

196

179

156

138

124

110

93

63

34

10

7

2

0

334

Er werd op basis van prognostische factoren en uitgangskenmerken een aantal vooraf gespecificeerde PFS-analyses voor subgroepen uitgevoerd voor onderzoek naar intrinsieke consistentie van het behandelingseffect. Voor alle individuele patiëntensubgroepen met betrekking tot leeftijd, ras, voorafgaande adjuvante of neoadjuvante chemotherapie of antihormonale therapieën, lever- en/of longmetastasen en alleen metastasen in de botten werd ten gunste van de groep met ribociclib een vermindering van het risico van ziekteprogressie en overlijden waargenomen. Dat werd waargenomen voor patiënten met lever- en/of longmetastasen (HR van 0,561 [95%-BI: 0,424, 0,743], mediane progressievrije overleving [mPFS] 24,8 maanden voor ribociclib plus letrozol tegenover 13,4 maanden voor letrozol alleen) of zonder lever- en/of longmetastasen (HR van 0,597 [95%-BI: 0,426, 0,837], mPFS 27,6 maanden tegenover 18,2 maanden). De bijgewerkte resultaten voor de totale respons en het klinisch voordeel worden weergegeven in tabel 8. 14

Tabel 8

Resultaten voor werkzaamheid (ORR, CBR) van MONALEESA-2 op basis van de onderzoekersbeoordeling (analysepunt van 2 januari 2017)

Analyse

Kisqali + letrozol (%, 95%-BI) N=334

Placebo + letrozol (%, 95%-BI) N=334

p-waardec

Analyse m.b.t. alle gerandomiseerde patiënten 42,5 (37,2, 47,8) 28,7 (23,9, 33,6) 9,18 × 10-5 Percentage totale responsa b 79,9 (75,6, 84,2) 73,1 (68,3, 77,8) 0,018 Percentage klinisch voordeel Aantal patiënten met N=257 N=245 meetbare ziekte 54,5 (48,4, 60,6) 38,8 (32,7, 44,9) 2,54 × 10-4 Percentage totale responsa b 80,2 (75,3, 85,0) 71,8 (66,2, 77,5) 0,018 Percentage klinisch voordeel a ORR: Percentage totale respons = percentage patiënten met een complete respons + partiële respons b CBR: Percentage klinisch voordeel = percentage patiënten met een complete respons + partiële respons (+stabiele ziekte of niet-complete respons/niet-progressieve ziekte ≥ 24 weken) c p-waarden zijn verkregen met een eenzijdige chikwadraattoets (Cochran-Mantel-Haenszel-toets) Pediatrische patiënten Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten af te zien van de verplichting voor de fabrikant om de resultaten in te dienen van onderzoek met Kisqali in alle subgroepen van pediatrische patiënten met borstkanker (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik). 5.2

Farmacokinetische eigenschappen

De farmacokinetiek van ribociclib is onderzocht bij patiënten met gevorderde kanker na een orale dosis van 50 mg tot 1.200 mg. Gezonde proefpersonen werden blootgesteld aan een enkelvoudige orale dosis die varieerde van 400 mg tot 600 mg of een herhaalde dagelijkse dosis (8 dagen) van 400 mg. Absorptie De absolute biologische beschikbaarheid van ribociclib is niet bekend. De tijd tot het bereiken van de Cmax (Tmax) na orale toediening van ribociclib lag tussen de 1 en 4 uur. Er werd bij ribociclib een geringe bovenproportionele toename van de blootstelling (C max en AUC) over het onderzochte dosisbereik (50 tot 1.200 mg) gezien. Na een herhaalde dagelijkse dosis werd de plateaufase in het algemeen na 8 dagen bereikt en ribociclib accumuleerde op basis van het geometrisch gemiddelde met een accumulatieratio van 2,51 (bereik: 0,97 tot 6,40). Effect van voedsel In vergelijking tot de nuchtere toestand had orale toediening van een enkelvoudige dosis van 600 mg aan filmomhulde tabletten met een maaltijd met een hoog vet- en caloriegehalte geen effect op de snelheid en mate van absorptie van ribociclib. Distributie De binding van ribociclib aan menselijke plasma-eiwitten in vitro was ongeveer 70% en was onafhankelijk van de concentratie (10 tot 10.000 ng/ml). Ribociclib was gelijk verdeeld tussen rode bloedcellen en plasma met een gemiddelde bloed-plasmaratio in vivo van 1,04. Op grond van populatiefarmacokinetisch onderzoek was het schijnbare verdelingsvolume tijdens de plateaufase (Vss/F) 1090 l.

15

Biotransformatie Onderzoeken in vitro en in vivo wijzen erop dat ribociclib bij mensen hoofdzakelijk wordt uitgescheiden na levermetabolisme, met name via CYP3A4. De primaire routes waarlangs ribociclib bij mensen na orale toediening van een enkelvoudige dosis van 600 mg [14C] ribociclib werd gemetaboliseerd betroffen oxidatie (dealkylering, C- en/of N-oxidatie, oxidatie (-2H)) en combinaties daarvan. Fase II-conjugaten van ribociclib fase I-metabolieten betroffen N-acetylering, sulfatering, cysteïneconjugatie, glycosylering en glucuronidering. Ribociclib was de belangrijkste vorm van het geneesmiddel in het plasma. De belangrijkste circulerende metabolieten waren metaboliet M13 (CCI284, N-hydroxylering), M4 (LEQ803, N-demethylering) en M1 (secundair glucuronide). De klinische werking (farmacologisch en veiligheid) van ribociclib was primair toe te schrijven aan het oorspronkelijke geneesmiddel, met een verwaarloosbare bijdrage van de circulerende metabolieten. Ribociclib werd in hoge mate gemetaboliseerd, waarbij het onveranderde geneesmiddel verantwoordelijk is voor 17,3% en 12,1% van de dosis in respectievelijk de ontlasting en de urine. Metaboliet LEQ803 was een belangrijke metaboliet in de uitscheidingsproducten en vertegenwoordigde ongeveer 13,9% en 3,74% van de toegediende dosis in respectievelijk de ontlasting en de urine. Talrijke andere metabolieten werden in een geringe hoeveelheid in zowel de ontlasting als de urine gevonden (≤ 2,78% van de toegediende dosis). Eliminatie De effectieve plasmahalfwaardetijd op basis van het geometrisch gemiddelde (op basis van de accumulatieratio) was 32,0 uur (63% CV) en de schijnbare orale klaring (CL/F) op basis van het geometrisch gemiddelde was 25,5 l/uur (66% CV) tijdens de plateaufase met 600 mg bij patiënten met gevorderde kanker. De schijnbare terminale plasmahalfwaardetijd (T1/2) van ribociclib op basis van het geometrisch gemiddelde varieerde van 29,7 tot 54,7 uur en de CL/F van ribociclib op basis van het geometrisch gemiddelde varieerde van 39,9 tot 77,5 l/uur met 600 mg in onderzoeken bij gezonde proefpersonen. Ribociclib en diens metabolieten werden hoofdzakelijk via de ontlasting geëlimineerd, met een gering deel via de nieren. Bij 6 gezonde mannelijke proefpersonen werd na een enkelvoudige orale dosis van [14C] ribociclib 91,7% van de totale toegediende radioactieve dosis binnen 22 dagen teruggevonden; het grootste deel (69,1%) werd via de ontlasting uitgescheiden, met 22,6% van de dosis via de urine. Lineariteit/non-lineariteit Er werd bij ribociclib een geringe bovenproportionele toename van de blootstelling (C max en AUC) over het onderzochte dosisbereik (50 mg tot 1.200 mg) gezien, na zowel een enkelvoudige dosis als herhaalde doses. Deze analyse is beperkt vanwege de kleine omvang van de steekproeven voor de meeste dosiscohorten, waarbij het grootste deel van de gegevens afkomstig is van het dosiscohort met 600 mg. Bijzondere patiëntengroepen Leverinsufficiëntie Op grond van een farmacokinetisch onderzoek bij patiënten met leverinsufficiëntie, had lichte leverinsufficiëntie geen effect op de blootstelling aan ribociclib (zie rubriek 4.2). De gemiddelde blootstelling aan ribociclib was bij patiënten met matige (ratio op basis van het geometrisch gemiddelde [GMR]: 1,50 voor de Cmax; 1,32 voor de AUCinf) en ernstige leverinsufficiëntie (GMR: 1,34 voor de Cmax; 1,29 voor de AUCinf) minder dan 2 keer hoger. Op grond van een populatiefarmacokinetisch onderzoek met 160 patiënten met borstkanker en een normale leverfunctie en 47 patiënten met lichte leverinsufficiëntie, had lichte leverinsufficiëntie geen effect op de blootstelling aan ribociclib, wat de bevindingen van het specifieke onderzoek naar leverinsufficiëntie verder ondersteunt (zie rubriek 4.2).

16

Leeftijd, gewicht, geslacht en etnische afkomst Populatiefarmacokinetisch onderzoek liet zien dat er geen klinisch relevante effecten van leeftijd, lichaamsgewicht of geslacht op de systemische blootstelling aan ribociclib zijn waarvoor een dosisaanpassing nodig is. De gegevens over de verschillen in de farmacokinetiek vanwege ras zijn te beperkt om een conclusie te kunnen trekken. Interactiegegevens in vitro Effect van ribociclib op de enzymen van cytochroom P450 In vitro is ribociclib bij een klinisch relevante concentratie een reversibele remmer van CYP1A2, CYP2E1 en CYP3A4/5 en een tijdsafhankelijke remmer van CYP3A4/5. In-vitrogegevens geven aan dat ribociclib bij een klinisch relevante concentratie geen remmer is van de activiteit van CYP2A6, CYP2B6, CYP2C8, CYP2C9, CYP2C19 en CYP2D6. Ribociclib heeft geen potentieel als tijdsafhankelijke remmer van CYP1A2, CYP2C9 en CYP2D6. In-vitrogegevens geven aan dat ribociclib geen inductor is van UGT-enzymen of de CYP-enzymen CYP2C9, CYP2C19 en CYP3A4 via PXR. Het is daarom niet waarschijnlijk dat Kisqali van invloed is op de substraten van deze enzymen. In-vitrogegevens zijn niet toereikend om het potentieel van ribociclib uit te sluiten om CYP2B6 via CAR te induceren. Effect van transporteiwitten op ribociclib Ribociclib is een substraat voor P-gp in vitro, maar op grond van massabalansgegevens is remming van P-gp of BCRP waarschijnlijk niet van invloed op de mate van blootstelling aan ribociclib bij therapeutische doseringen. Ribociclib is in vitro geen substraat voor de hepatische opnametransporteiwitten OATP1B1, OATP1B3 of OCT-1. Effect van ribociclib op transporteiwitten In-vitrogegevens geven aan dat ribociclib een mogelijke inhibitor is van de activiteit van de geneesmiddeltransporters P-gp, BCRP, OATP1B1/B3, OCT1, OCT2, MATE1 en BSEP. Ribociclib was in vitro bij klinisch relevante concentraties geen remmer van OAT1, OAT3 of MRP2. 5.3

Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Veiligheidsfarmacologie In in-vivo-onderzoeken naar de veiligheid voor het hart bij honden werd dosis- en concentratiegerelateerde verlenging van de QTc-tijd aangetoond bij een blootstelling die naar verwachting zou worden bereikt bij patiënten na de aanbevolen dosis van 600 mg. Er kunnen bij verhoogde blootstelling (ongeveer 5 keer de verwachte klinische Cmax) ook premature ventriculaire contracties (PVC’s) optreden. Toxiciteit bij herhaalde dosering Onderzoeken naar toxiciteit bij herhaalde dosering (behandelingsschema van 3 weken behandeling/1 week geen behandeling) met een maximale duur van 27 weken bij ratten en een maximale duur van 39 weken bij honden lieten zien dat het hepatobiliaire systeem (proliferatieve veranderingen, cholestase, zandachtige galblaassteentjes en ingedikte gal) het orgaan is dat primair wordt getroffen door toxiciteit door ribociclib. Andere organen die worden getroffen door toxiciteit bij de farmacologische werking van ribociclib in onderzoeken met herhaalde dosering zijn het beenmerg (hypocellulariteit), lymfesysteem (lymfocytaire depletie), darmslijmvlies (atrofie), huid (atrofie), bot (verminderde botvorming), nieren (gelijktijdige degeneratie en regeneratie van de epitheelcellen van de tubuli) en testikels (atrofie). Behalve de atrofische veranderingen die in de testikels werden gezien, die tot op zekere hoogte reversibel waren, waren alle andere veranderingen volledig reversibel na een periode van 4 weken geen behandeling. De blootstelling aan ribociclib bij dieren in de onderzoeken naar toxiciteit was in het algemeen lager dan of gelijk aan de blootstelling die wordt waargenomen bij patiënten die worden behandeld met meerdere doses van 600 mg/dag (op basis van de AUC).

17

Reproductietoxiciteit/vruchtbaarheid Ribociclib vertoonde foetotoxiciteit en teratogeniteit bij doseringen die bij ratten en konijnen geen toxiciteit bij de moeder vertoonden. Bij ratten werd een lager gewicht van de foetus gezien, wat gepaard ging met veranderingen van het skelet die als tijdelijk werden beschouwd en/of als gerelateerd aan dat lager gewicht van de foetus. Bij konijnen waren er schadelijke effecten op de embryofoetale ontwikkeling, wat bleek uit een groter aantal gevallen van afwijkingen bij de foetus (misvormingen en varianten van uitwendige en inwendige organen en het skelet) en de groei van de foetus (lager gewicht van de foetus). Deze bevindingen betroffen kleinere/kleine longlobben en een extra vat op de aortaboog en hernia diaphragmatica, afwezige accessoire longlob of (gedeeltelijk) gefuseerde longlobben en kleinere/kleine accessoire longlob (30 en 60 mg/kg), extra/rudimentaire dertiende ribben en misvormd tongbeen en een kleiner aantal kootjes in de duim. Er waren geen aanwijzingen voor embryofoetale mortaliteit. Ribociclib is niet onderzocht in vruchtbaarheidsonderzoeken. In onderzoeken naar chronische toxiciteit bij ratten en honden werden echter na histopathologisch onderzoek atrofische veranderingen in de testikels gevonden. Deze effecten kunnen direct worden herleid tot directe antiproliferatieve effecten op de kiemcellen in de testikels, met als gevolg atrofie van de tubuli seminiferi. Ribociclib en de metabolieten ervan kwamen bij ratten snel in de moedermelk terecht. De blootstelling aan ribociclib was hoger in de moedermelk dan in het plasma. Genotoxiciteit In onderzoeken naar genotoxiciteit in bacteriële testsystemen in vitro en in zoogdiertestsystemen in vitro en in vivo, met en zonder metabole activatie, werden geen aanwijzingen voor een genotoxisch potentieel van ribociclib aangetoond.

6.

FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1

Lijst van hulpstoffen

Tabletkern Microkristallijne cellulose Polyvinylpyrrolidon type A Laag gesubstitueerd hydroxypropylcellulose Magnesiumstearaat Watervrij colloïdaal siliciumdioxide Filmomhulling Zwart ijzeroxide (E172) Rood ijzeroxide (E172) Sojalecithine (E322) Polyvinylalcohol (deels gehydrolyseerd) Talk Titaandioxide (E171) Xanthaangom 6.2

Gevallen van onverenigbaarheid

Niet van toepassing.

18

6.3

Houdbaarheid

2 jaar 6.4

Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities. 6.5

Aard en inhoud van de verpakking

Blisterverpakkingen van PVC/PCTFE (polyvinylchloride/polychloortrifluorethyleen) of PA/alu/PVC (polyamide/aluminium/polyvinylchloride) met 14 of 21 filmomhulde tabletten. Enkelverpakking met 21, 42 of 63 filmomhulde tabletten en multiverpakking met 63 (3 verpakkingen met 21), 126 (3 verpakkingen met 42) of 189 (3 verpakkingen met 63) filmomhulde tabletten. Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht. 6.6

Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen

Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.

7.

HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Novartis Europharm Limited Vista Building Elm Park, Merrion Road Dublin 4 Ierland

8.

NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/17/1221/001-012

9.

DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING

22 augustus 2017

10.

DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

12 april 2018 Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau http://www.ema.europa.eu

19

Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.