Financieel crisisplan bpfbouw versie 2018


1 Financieel crisisplan bpfbouw versie 2018 In dit document wordt 1 het financieel crisisplan van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Bouwnijverheid (h...
Author:  Joke Bakker

0 downloads 27 Views 377KB Size

Recommend Documents


No documents


Financieel crisisplan bpfBOUW versie 2018 In dit document wordt1 het financieel crisisplan van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Bouwnijverheid (hierna: bpfBOUW) beschreven. Doel van het plan is om vast te leggen welke (nood)maatregelen het bestuur op korte termijn kan treffen indien het fonds in een financiële crisis terecht komt. Hierbij wordt rekening gehouden met evenwichtige belangenbehartiging tussen de diverse stakeholders. Het plan geeft daarnaast: • de definities van wat wordt verstaan onder een financiële crisis, • de verschillende kritische grenzen van de dekkingsgraad, • de impact van de te nemen maatregelen, • de besluitvormingsprocessen en, • de communicatietrajecten. Het financieel crisisplan moet worden gezien als leidraad. Het bestuur zal concrete maatregelen altijd afstemmen op de aard van de crisis en de omstandigheden van dat moment. 1. Wanneer is er volgens het bestuur sprake van een financiële crisis? Er is sprake van een financiële crisis in de volgende situaties: a) De beleidsdekkingsgraad daalt onder de minimaal vereiste dekkingsgraad. De minimaal vereiste dekkingsgraad van bpfBOUW bedroeg ultimo 2016 104,3%. b) De actuele dekkingsgraad daalt onder de kritische grens waarbij artikel 140 lid 1 van de Pensioenwet in werking kan treden. De kritische grens is het dekkingsgraadniveau waarbij het fonds naar verwachting niet meer tijdig het Minimaal Vereist Eigen Vermogen (MVEV) kan behalen, zonder korten van pensioenaanspraken (paragraaf 2). c) De actuele dekkingsgraad daalt onder de kritische grens waarbij naar verwachting niet kan worden hersteld binnen de looptijd van het herstelplan. De kritische grens is het dekkingsgraadniveau waarbij het fonds naar verwachting niet meer tijdig het Vereist Eigen Vermogen (VEV) kan behalen, zonder het inzetten van aanvullende maatregelen zoals korten van pensioenaanspraken (paragraaf 3). d) Bij een zeer grote fluctuatie op de financiële markten ongeacht het niveau van de beleidsdekkingsgraad of actuele dekkingsgraad (paragraaf 4). e) Bij situaties die een grote invloed kunnen (gaan) hebben op de financiële markten, waaronder internationale politieke instabiliteit, natuurrampen, oorlog etc., is er ook sprake van een crisissituatie (eveneens paragraaf 4). Signalering financiële crisis De adviserend actuaris van het fonds maakt tweewekelijks een schatting van de dekkingsgraad, zolang er sprake is van een actuele dekkingsgraad onder de (minimaal) vereiste dekkingsgraad. De geschatte dekkingsgraad wordt gerapporteerd aan het bestuur en het bestuursbureau van het fonds. Aan de hand van deze rapportage wordt door de adviserend actuaris vastgesteld of er sprake is van een crisissituatie als onder a), b) of c).

1

Op grond van artikel 145 van de Pensioenwet en artikel 29b van het Besluit FTK.

1

Als onderdeel van de Crash Scenario procedure (paragraaf 4) monitort de vermogensbeheerder van het fonds de ontwikkelingen op de financiële markten. Indien er sprake is van een mogelijke crisissituatie als onder d) of e), beoordeelt het investment comité van de vermogensbeheerder de situatie. Het investment comité rapporteert haar bevindingen aan de directeur van het bestuursbureau. De directeur van het bestuursbureau beoordeelt, in overleg met de bestuursvoorzitters en met de Manager en Risicomanager Vermogensbeheer, of er al dan niet sprake is van een crisis. Indien er sprake is van een crisis roept de directeur van het bestuursbureau (eventueel telefonisch) de bestuursvoorzitters, de voorzitter van de Commissie VBB), de expert-bestuurder Vermogensbeheer, de expert-bestuurder Financieel Risicomanagement en de Manager en Risicomanager Vermogensbeheer bijeen in een vergadering (paragraaf 6). 2. Wat is de kritische dekkingsgraad waarbij artikel 140 lid 1 van de Pensioenwet in werking kan treden? Artikel 140 lid 1 van de Pensioenwet betreft de maatregel inzake het MVEV. BpfBOUW moet binnen zes maanden maatregelen treffen indien: • de beleidsdekkingsgraad zich vijf jaar opeenvolgend onder de minimaal vereiste dekkingsgraad bevindt en, • de actuele dekkingsgraad bij die laatste vaststelling ook onder dat niveau ligt. Na doorvoeren van de maatregelen moet de actuele dekkingsgraad direct voldoen aan de minimaal vereiste dekkingsgraad. Als maatregel zal bpfBOUW overgaan tot korting van pensioenaanspraken en pensioenrechten die voor risico van het fonds zijn2. De hoogte van de korting wordt dusdanig vastgesteld dat het verschil tussen de actuele dekkingsgraad en de minimaal vereiste dekkingsgraad daarmee wordt gefinancierd. De korting mag worden uitgesmeerd over de hersteltermijn, maar is onvoorwaardelijk. Dat wil zeggen dat de uitgesmeerde kortingen ongeacht de toekomstige ontwikkeling van de (beleids)dekkingsgraad moeten worden geëffectueerd. Uitgangspunt van het beleid van bpfBOUW is dat de onvoorwaardelijke korting evenredig wordt gespreid over de duur van de hersteltermijn. Bij een gespreide korting is het jaarlijkse kortingspercentage hoger dan een evenredig deel van de totale benodigde korting. Doordat er uitkeringen gedurende de spreidingsperiode worden gedaan die niet volledig kunnen worden gekort, is een hoger jaarlijkse kortingspercentage benodigd. Hoe langer de uitsmeerperiode van de korting des te hoger wordt de som van de over alle jaren gecumuleerde kortingspercentages. De totale korting wordt direct in de technische voorzieningen verwerkt. Het gehanteerde kortingsbeleid staat omschreven in de abtn. In navolgende tabel worden de kritische grenzen getoond van de actuele dekkingsgraad waarbij artikel 140 lid 1 Pensioenwet in werking treedt. De kritische grenzen worden getoond op basis van het verwacht fondsrendement en een verlaagd verwacht fondsrendement met 1%-punt en 2%-punt. Hierbij is uitgegaan van de DNB RTS per 31 december 2017. Voor het fondsrendement is uitgegaan van het (meetkundig) fondsrendement op basis van de maximale parametergrenzen (consistent met het herstelplan). 2

De beleggingskapitalen binnen de BeterExcedent, de netto pensioenregeling en de spaarkapitalen van de gemoedsbezwaarden komen niet in aanmerking voor korting.

2

Tabel 1 - Dekkingsgraad vijf jaar onder MVEV (stand per 1-1-2018) Fondsrendement Fondsrendement Duur dekkingstekort Fondsrendement -/-1% -/-2% 0 87,0% 91,2% 95,6% 1 89,8% 93,3% 96,9% 2 92,9% 95,6% 98,3% 3 96,3% 98,1% 100,0% 4 100,1% 101,1% 102,1% 5 104,3% 104,3% 104,3% De kritische grens van de actuele dekkingsgraad stijgt meer dan evenredig bij een kortere resterende herstelduur. Dit komt met name door het stijgende effect van het (over)rendement bij een hogere aanvangsdekkingsgraad3. Bij een langere resterende herstelduur neemt het overrendement jaarlijks af vanwege een stijging van de éénjaarsrente (volgens de forward methodiek). Om hiervoor te compenseren zal de kritische dekkingsgraad bij een langere herstelduur minder dan evenredig moeten dalen. Een grafische weergave van de kritische grenzen is als volgt. Figuur 1 - Kritische grens art. 140 lid 1 PW

Een cijfervoorbeeld met de uitwerking van korting bij een beleidsdekkingsgraad 5 jaar onder de minimaal vereiste dekkingsgraad is opgenomen in bijlage A.

3

Veronderstel bijvoorbeeld een overrendement van 5%: bij een actuele dekkingsgraad van 90% stijgt de dekkingsgraad naar 94,5% (4,5%-punt), terwijl bij een dekkingsgraad van 100% de dekkingsgraad stijgt naar 105% (dus 5%-punt).

3

3. Wat is de kritische dekkingsgraad waarbij niet kan worden hersteld binnen de looptijd van het herstelplan? Dit is het niveau van de actuele dekkingsgraad waaronder het fonds niet binnen de gestelde periode het vereist eigen vermogen (niveau ultimo 2017: 25,1%) kan halen, zonder maatregelen te treffen die verder gaan dan het reguliere premie-, toeslag- en beleggingsbeleid. In het bijzonder moet gedacht worden aan het verlagen (korten) van opgebouwde pensioenen. Indien het fonds in tekort raakt zal, uiterlijk binnen drie maanden na constatering4 hiervan, een herstelplan aan de toezichthouder (DNB) ter goedkeuring worden voorgelegd. Uit dit plan moet blijken dat binnen de gestelde wettelijke termijn wordt voldaan aan artikel 132 PW. Dit betekent dat het pensioenfonds moet aantonen dat het voldoende herstelkracht heeft om binnen 10 jaar te herstellen naar de vereiste dekkingsgraad. De korting mag worden uitgesmeerd over de volledige maximale 10-jaars periode, maar is alleen in het eerste jaar onvoorwaardelijk. Uitgangspunt van het beleid van bpfBOUW is dat de korting evenredig wordt gespreid over de duur van de hersteltermijn. Voor de jaren vanaf jaar 2 is de bepaalde korting voorwaardelijk. Mocht het fonds zich in het daarop volgende jaar nog steeds in tekort bevinden, dan zal opnieuw een herstelplan ingediend moeten worden. Ook ten aanzien van dit nieuwe geactualiseerde herstelplan is de toegestane maximale hersteltermijn 10 jaar. De kritische dekkingsgraad is met name afhankelijk van de stand (en vorm) van de rentetermijnstructuur (RTS), het verwachte fondsrendement en de hoogte van het vereist eigen vermogen. In het algemeen geldt: •

• •

Hoe lager de RTS hoe lager de kritische dekkingsgraad (en vice versa). Een lagere RTS resulteert in een hoger overrendement. Tegelijkertijd leidt een lagere RTS tot een duurdere inkoop van nieuwe pensioenopbouw. Bij een gelijkblijvende feitelijke premie neutraliseert dit deels het hogere overrendement. Hoe hoger het verwachte fondsrendement, hoe hoger het overrendement, hoe lager de kritische dekkingsgraad (en vice versa). Hoe hoger het vereist eigen vermogen, hoe hoger de kritische dekkingsgraad (en vice versa) 5.

4

beleidsdekkingsgraad per einde van een kwartaal lager dan de vereiste dekkingsgraad Een hoger vereist eigen vermogen gaat vaak samen met een hoger verwacht rendement. Een hoger verwacht rendement verlaagt de kritische dekkingsgraad. 5

4

In navolgende tabel worden de kritische grenzen getoond van de dekkingsgraad waarbij niet kan worden hersteld binnen de looptijd van het herstelplan. Deze grenzen worden getoond bij verschillende fondsrendementen en renteniveaus. Tabel 2: Kritische (actuele) dekkingsgraden herstelplan Fondsrendement Fondsrendement Fondsrendement RTS -/-1% -/-2% RTS +/+ 1% 93.2% 101.5% 110.6% RTS (31-12-2017) 90.8% 99.0% 108.1% RTS -/- 1% 88.3% 96.4% 105.4% In bovenstaande tabel zijn de kritische dekkingsgraden opgenomen uitgaande van de gegevens (rente en rendementsverwachtingen zoals gehanteerd in het herstelplan) per eind 2017. Daarnaast zijn de kritische dekkingsgraden opgenomen zoals deze gelden bij 6 een aantal andere niveaus van de rente en/of rendementen. In onderstaande figuur zijn de kritische dekkingsgraden weergegeven bij verschillende renteniveaus en fondsrendementen. Figuur 2 - Kritische grens herstelplan

6

Voor rente hanteert het fonds de door DNB gepubliceerde RTS per 31 december 2017 als uitgangspunt met een parallelle verschuiving van respectievelijk +1% en -1%-punt. Voor het fondsrendement is uitgegaan van het (meetkundig) fondsrendement op basis van de maximale parametergrenzen (consistent met het herstelplan).

5

In onderstaande tabel staan de te verwachten kortingspercentages bij verschillende dekkingsgraden, onder het niveau van de kritische dekkingsgraad bij het herstelplan, weergegeven. Tabel 3 - Kortingspercentages bij verschillende dekkingsgraden Onvoorwaardelijke Actuele Cumulatieve korting e dekkingsgraad korting 1 jaar

90.8% 85.0% 80.0% 75.0%

0.00% 0.77% 1.46% 2.19%

0.0% 7.4% 13.7% 19.9%

De korting in de laatste kolom kan worden uitgesmeerd over de hersteltermijn (hier: 10 jaar). Bij een dekkingsgraad van 85% is een korting van 0,73% per jaar nodig (waarvan de eerste korting onvoorwaardelijk) om binnen 10 jaar uit herstel te zijn. Hierbij is rekening gehouden met verwachte uitkeringen, premies en rendementen volgens het herstelplan. Een jaarlijkse korting van 0,73% resulteert in een cumulatieve korting van 7,1% (= 100% - (100%-0,73%)10) over een periode van 10 jaar. 4. Op welke manier tracht het bestuur de gevolgen van een financiële crisis te beperken? Integraal Risicomanagement Het bestuur van het fonds wil op een beheerste en integere wijze de doelstellingen van het fonds realiseren. Hiertoe heeft het fonds een geïntegreerd risicomanagementraamwerk ingericht dat effectief bijdraagt aan het op een beheerste en integere wijze realiseren van de strategie en de doelstellingen van het fonds. Het raamwerk is vastgelegd in het document ‘Raamwerk Integraal Risicomanagement’. Het toepassen van integraal risicomanagement stelt het fonds in staat om de risico’s te beheersen die de realisatie van de doelstellingen kunnen bedreigen, zodat tijdig maatregelen kunnen worden genomen. Daarbij worden risico’s niet alleen als een bedreiging gezien, maar tevens als een kans om waarde toe te voegen: om de doelstellingen van het fonds te verwezenlijken is het uitbannen van bepaalde risico’s in sommige gevallen zelfs onwenselijk. Door het tijdig signaleren van risico’s wordt het bestuur in staat gesteld proactief te handelen en een afgewogen geheel van beheersmaatregelen samen te stellen. Wanneer tekortkomingen in de beheersing worden gesignaleerd worden aanvullende beheersmaatregelen genomen. Door continu te verbeteren streeft het fonds ernaar om een zo goed mogelijk pensioen te realiseren voor alle deelnemers, nu en in de toekomst. Organisatie van het integraal risicomanagement De organisatie van het integraal risicomanagement is gebaseerd op het Three Lines of Defense model (drie verdedigingslinies). Hiermee wordt de onafhankelijkheid van de tweedelijns-risicomanagement- en compliance functies ten opzichte van de bedrijfsvoering gewaarborgd.

6

De drie verdedigingslinies zijn als volgt georganiseerd: 1. De risicobeheersing van het fonds in de eerste lijn is op twee wijzen georganiseerd. Voor de beheersing van risico’s in de door het fonds uitbestede processen is het lijnmanagement van de uitvoeringsorganisaties verantwoordelijk. De eerstelijns risicomanagers van het bestuursbureau (exclusief de integraal risicomanager en interne compliance officer) zijn hierbij als onderdeel van de eerste verdedigingslinie verantwoordelijk voor het adviseren en faciliteren van de eerste risicobeheersingslijn van de uitvoeringsorganisaties, alsmede voor het challengen van het lijnmanagement en optreden als sparring partner van het lijnmanagement van de uitvoeringsorganisaties. 2. De risicobeheersing van het fonds in de tweede lijn wordt gevormd door de integraal risicomanager en de compliance officer. Zij zijn gesprekspartner van de tweedelijns-risicomanagers van de uitvoeringsorganisaties en hebben frequent afstemming met de eerstelijns risicomanagers van het fonds. Ze adviseren, faciliteren en challengen de eerstelijns risicomanagers binnen het bestuursbureau bij het identificeren en bewaken van risico’s en coördineren de activiteiten op het gebied van integraal risicomanagement. Ze treden op als countervailing power van de tweedelijns-risicomanagers van de uitvoeringsorganisaties. De tweedelijns-risicomanager is verantwoordelijk voor het integrale risicomanagement van het fonds en bewaakt (de ontwikkeling van) het overall risicoprofiel van het fonds en toetst of deze in lijn is met de risicobereidheid van het fonds en haar belangrijkste stakeholders. De tweedelijns-functies van het fonds hebben een rechtstreekse escalatielijn naar de voorzitters van het fonds, alsmede naar de Raad van Toezicht. 3. De derde lijn binnen het fonds is niet rechtstreeks binnen een functie van het fonds ondergebracht. Voor derdelijns-werkzaamheden steunt het fonds op de auditafdeling van de uitvoeringsorganisaties die het bestuur voorzien van aanvullende zekerheid over de risicobeheersing door middel van gerichte audits. In 2019 dient het fonds over een eigen auditfunctie te beschikken op basis van de IORPII-richtlijn. Deze functie is verantwoordelijk voor de toetsing van het functioneren van het risico- en controleraamwerk van het fonds. Tevens is deze functie verantwoordelijk voor het uitvoeren van audits op de uitbestede processen van het fonds. Het bestuur is eindverantwoordelijk voor de opzet, bestaan en werking van het integraal risicomanagement en is als zodanig betrokken bij de inrichting en evaluatie van het integraal risicomanagement. Risicomanagementprocessen Het fonds heeft een integrale risicomanagementcyclus ontwikkeld die waarborgt dat het bestuur in control is en blijft ten aanzien van de onderkende risico’s. Binnen de cyclus worden de volgende onderdelen onderscheiden: beleid, uitvoering en monitoring en evaluatie. Beleid Het beleid vormt het kader voor de uitvoering en bestaat uit: • de visie, • de doelstellingen en uitgangspunten met betrekking tot integraal risicomanagement, • de risicobereidheid van het fonds en • de opzet van de organisatie van het integraal risicomanagement.

7

Jaarlijks voert het bestuur een integrale risicoanalyse uit. Hierin: • worden de belangrijkste risico’s van het fonds geëvalueerd, • worden de voor het fonds nieuwe risico’s geïdentificeerd en • wordt bepaald op welke wijze aan de beheersing van de risico’s vorm wordt gegeven. De jaarlijkse bestuurlijke analyse en evaluatie borgen de bestuurlijke doorleving van het beleid. Het fonds is in 2018 gestart met een herontwerp van de inrichting van het integrale risicoraamwerk. In dat kader zal ook een risicosysteem worden geselecteerd, waarin uitkomsten van risicoanalyses, de wijze van beheersing en de monitoring van risico’s worden vastgelegd, met als doel het bestuur van het fonds te kunnen voorzien van adequate risicorapportages. Uitvoering De uitvoering heeft betrekking op de monitoring van de vastgelegde beheersmaatregelen en alle andere activiteiten op het gebied van risicomanagement, welke zijn vastgelegd in het risicojaarplan. In iedere bestuursvergadering wordt het bestuur geïnformeerd over de ontwikkeling van risico’s die zijn toegewezen aan de verschillende bestuurscommissies, de voortgang in de uitvoering van de beheersmaatregelen en het risicojaarplan. In de planning voor 2018 is opgenomen dat als verdere verbetering vanaf het einde van het jaar een nieuwe risicorapportage inclusief risicodashboard beschikbaar is voor het bestuur. Monitoring en evaluatie Monitoring betreft het doorlopend beoordelen van de geïdentificeerde risico’s, signaleren van nieuwe risico’s en het formuleren en implementeren van aanvullende beheersmaatregelen indien risico’s zich buiten de gestelde grenzen (dreigen) te begeven. Het integraal risicomanagement wordt jaarlijks geëvalueerd door de commissie UCRM. De uitkomst van de evaluatie wordt verwoord in een advies aan het bestuur. De risicotaxonomie Binnen de integraal risicomanagementcyclus neemt de risicotaxonomie een centrale plaats in. In de taxonomie zijn de door het fonds onderkende risico’s opgenomen. Voor de verschillende onderkende risico’s heeft het fonds onder andere aangegeven hoe het bestuur deze risico’s heeft gewaardeerd en welke maatregelen zijn genomen om deze risico’s te beheersen. De taxonomie is opgebouwd uit de volgende hoofdcategorieën: • Strategisch; • Financieel; • Operationeel (inclusief uitbestedingsrisico’s), en • Compliance & integriteit Eind 2018 met en uitloop naar begin 2019 zal een risicosysteem worden geselecteerd, dat het bestuur meer mogelijkheden biedt op het gebied van risico-inzichten en risicorapportages en dat eenvoudiger is te hanteren voor gebruikers.

8

Informatievoorziening Om te kunnen sturen is juiste, volledige, tijdige, betrouwbare en relevante informatie nodig. Voor de werking van het integraal risicomanagement is een goede en betrouwbare informatievoorziening dus essentieel. Het fonds hanteert als uitgangspunt voor de informatievoorziening (i) dat deze aansluit bij de informatiebehoefte van de verschillende stakeholders en (ii) dat deze ondersteunend is aan de besluitvorming. Om hier invulling aan te geven is de informatiebehoefte direct afgeleid van de informatie die in de verschillende processtappen binnen de integraal risicomanagementcyclus benodigd is. In 2018 wordt een rapportage ontwikkeld voor het integraal risicomanagement. Deze nieuwe rapportage geeft een verbeterde aansluiting bij de actualiteit en bij de moderne standaarden. Aanbiedingsnotities aan het bestuur en commissies (voorleggers) bevatten een risicoparagraaf met als doel het bestuur van de benodigde risico-informatie te voorzien teneinde een goede risicoafweging te kunnen maken bij de beeldvorming, oordeelsvorming en besluitvorming. Voorwaarden uitbesteding risicomanagementactiviteiten Het fonds heeft een deel van de activiteiten op het gebied van risicomanagement uitbesteed aan de uitvoeringsorganisaties. Om het bestuur in staat te stellen invulling te geven aan zijn verantwoordelijkheid voor het integraal risicomanagement, stelt het fonds voorwaarden aan het risicomanagement van de uitvoeringsorganisaties. Deze voorwaarden zijn geformaliseerd in de overeenkomsten en SLA’s. De uitbestedingsorganisaties worden jaarlijks geëvalueerd aan de hand van de in het uitbestedingsbeleid opgenomen toetsingskaders. Het functioneren van het risicomanagement van de uitvoeringsorganisaties is hier een onderdeel van. ALM-studie BpfBOUW voert periodiek een ALM-studie uit. Door middel van een ALM-studie wordt inzicht verkregen in de relaties tussen beleggingen onderling en in relatie tot de verplichtingen van het fonds, de pensioenambities, het premieniveau en tussen rendement en risico. De ALM-studie biedt inzicht in de risicofactoren op kortere en langere termijn die zich voordoen bij verschillende economische scenario’s. Aan de hand van de ALM-studie zoekt het bestuur naar een evenwichtig premie-, beleggings- en toeslagbeleid. Op basis van de ALM-analyse komt daarom onder meer een strategische beleggingsmix, rente-afdekkingsbeleid en valuta-afdekkingsbeleid tot stand, waarmee de risicohouding (de risicobereidheid en de afweging tussen rendement en risico) impliciet is vertaald naar strategisch beleggingsbeleid. Haalbaarheidstoets BpfBOUW voert jaarlijks de haalbaarheidstoets uit. Deze toets is bedoeld om het bestuur inzicht te geven in de verwachte pensioenresultaten over een lange termijn (60 jaar), gegeven het vastgestelde premie-, beleggings-, kortings- en toeslagbeleid. Aan de hand van de toets wordt beoordeeld of de pensioenresultaten zich op langere termijn binnen de vastgestelde grenzen bevinden. Indien het fonds niet slaagt voor de haalbaarheidstoets zal het fonds teruggaan naar cao-partijen en hen vragen om ambitie van de regeling en/of (maximale) premie en/of de risicohouding aan te passen. Om de genoemde crisissituatie van een zeer grote fluctuatie op financiële markten (dit is situatie d in paragraaf 1) te kunnen monitoren is de zogenoemde Crash Scenario procedure opgezet. Deze wordt hieronder nader toegelicht.

9

Crash Scenario procedure De Crash Scenario procedure wordt gehanteerd als onderdeel van een dagelijkse procedure van de vermogensbeheerder om tijdig in te spelen op grote en voor pensioenfondsen nadelige schokken in financiële markten. Deze schokken kunnen gevolgen hebben voor de beleggingsportefeuille (bijvoorbeeld een sterke daling van aandelenmarkten), de pensioenverplichtingen (bijvoorbeeld een sterke daling van de lange rente) en/of het afdekkingsbeleid (bijvoorbeeld een grote schommeling in valuta of rentes). Voor de belangrijkste liquide beleggingscategorieën zijn één of meerdere indicatoren geïdentificeerd. Als deze indicatoren zorgen voor een relatief groot waardeverlies binnen deze beleggingscategorie, en dus ook binnen de totale beleggingsportefeuille, dan treedt het Crash Scenario in werking. Voor illiquide beleggingen is het door gebrek aan dagelijkse waarderingen niet mogelijk om een dagelijkse procedure te hanteren. Naast beleggingen wordt ook de ontwikkeling van de pensioenverplichtingen in de gaten gehouden. Dit gebeurt door middel van de Europese 20- en 30-jaars Europese swap rentes. Kern van het Crash Scenario is dat een groep van ter zake verantwoordelijke vermogensbeheerders (leden van het investment comité) vaststelt of er maatregelen moeten worden getroffen. Naar gelang de aard van de maatregelen zullen ook andere disciplines hierbij betrokken worden. Indien door het investment comité nodig bevonden zal de procedure voor uitzonderlijke situaties worden opgestart (zie paragraaf 6). Het investment comité rapporteert aan de Commissie Vermogensbeheer indien het investment comité is samengekomen, wat de aanleiding hiervan was en licht de situatie toe. Het investment comité van APG Vermogensbeheer bestaat uit: • Chief Investment Officer • Chief Financial Risk Officer • Managing Director Legal, Tax & Regulations • Chief Executive Officer • Managing Director Responsible Investment & Governance • Managing Director Asset Allocation & Overlay • Chief Fiduciary Officer Methodologie Elke in het Crash Scenario opgenomen financiële waarde (zie onderdeel ‘Markten’ voor een overzicht) kan afzonderlijk een signaal afgeven. Een signaal bestaat uit drie onderdelen. Het eerste deelsignaal is het dagrendement, of de waardeverandering op dagbasis. Als deze een bepaalde limiet overschrijdt, gaat dit deelsignaal af. De andere twee deelsignalen zijn gebaseerd op z-scores van dagrendementen. Dat wil zeggen dat het betreffende deelsignaal afgaat als het dagrendement ten opzichte van historische dagrendementen uitzonderlijk is. Het ene deelsignaal heeft betrekking op een historie van drie maanden, het andere op een historie van drie jaar. Voordeel van een z-score benadering is dat in een rustige periode een relatief kleine schok (een mogelijke verstoring van de rust op financiële markten) kan leiden tot een signaal, terwijl in volatiele markten een grotere schok nodig is om (opnieuw) een signaal af te geven. Als alle drie de deelsignalen op dezelfde dag afgaan voor minimaal één financiële waarde, dus als zowel het dagrendement als beide z-scores hun limieten overschrijden, dan treedt de Crash Scenario procedure in werking. Er zijn twee limietniveaus, voor gematigde en voor sterke schokken. De limieten voor een gematigde schok zijn zodanig vastgesteld dat een signaal als gevolg van een dergelijke schok eens per 200 dagen kan worden verwacht. Een sterke schok kan (ex ante) eens per 1000 dagen worden verwacht. In aanvulling op de mechanische signalering kunnen leden van het investment comité ook op kwalitatieve gronden besluiten dat het Crash Scenario in werking moet worden gesteld.

10

Markten De belangrijkste wereldwijde aandelenindices zijn onderdeel van het Crash Scenario. Dit kunnen de markten zijn waarin bpfBOUW het meest belegt, maar soms ook markten die potentieel een grote invloed hebben op de wereldmarkt. De markten die zijn opgenomen in het Crash Scenario zijn de VS (S&P500), Europa (Eurostoxx 50), het VK (FTSE100) en Japan (Nikkei 225). In vastrentende markten zijn 10-jarige Amerikaanse staatsobligaties en Duitse (EuroBund) 10-jaars Bund futures opgenomen in het Crash Scenario. In beide gevallen gaat het om zowel koersstijgingen als koersdalingen7. Vanuit beleggingsperspectief zijn tevens een sterke daling van het rendement op langlopende, inflatiegerelateerde obligaties (Europa) en een sterke stijging van de credit spread (zowel VS als Europa) opgenomen in de signalering. Vanuit het perspectief van de verplichtingen zijn de 20- en 30-jaars Europese swap rente onderdeel van het Crash Scenario. Een positief rendement (dus een daling van de rente) zorgt voor een toename van de verplichtingen. Valutarendementen beïnvloeden de resultaten van de afdekking van het valutarisico. Bovendien gaan schommelingen in valuta vaak gepaard met andere scherpe ontwikkelingen op de financiële markten. Vandaar dat de voor bpfBOUW belangrijkste valuta, de Amerikaanse dollar, het Britse pond en de Japanse yen, zijn opgenomen in het Crash Scenario. Voor al deze valuta geldt dat een signaal wordt afgegeven bij zowel een sterke koersstijging als een sterke koersdaling. Ten slotte worden nog twee liquide alternatieve beleggingscategorieën meegenomen in de signalering. Dit zijn Commodities (GSCI) en beursgenoteerd Amerikaans vastgoed (NAREIT). In bijlage B staan de indicatoren voor de ‘Crash Scenario’ procedure opgenomen. 5. Welke sturingsmiddelen heeft het bestuur (in een financiële crisis) ter beschikking en wat is het financiële effect? De belangrijkste sturingsmiddelen (en noodmaatregelen) van bpfBOUW zijn: • het premiebeleid, • het toeslagbeleid, • het beleggingsbeleid; • de pensioenregeling (na tussenkomst van cao-partijen); • het kortingsbeleid. Het premie-, toeslag- en beleggingsbeleid is regulier beleid dat ook in een financiële crisis direct en dus als eerste zal worden ingezet. Een kortingsbesluit zal het bestuur als laatste redmiddel gebruiken. Voordat het bestuur een kortingsbesluit neemt, zal het zich wenden tot sociale partners om te onderzoeken in hoeverre versobering van de regeling en/of andere aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de korting te voorkomen. Deze sturingsmiddelen en het financiële effect ervan worden hieronder afzonderlijk beschreven, in de volgorde waarin ze worden ingezet. Premiebeleid De kracht van het premiestuur bij bpfBOUW is beperkt. Een toename van de jaarpremie voor de middelloonregeling met 1%-punt, leidt tot een jaarlijkse stijging van de dekkingsgraad met minder dan 0,1%-punt.

7

Dit komt onder andere omdat rentes een tegengesteld effect hebben op de beleggingsportefeuille en op de pensioenverplichtingen. Een stijgende rente zorgt voor een negatief rendement op obligaties, dus moet er een signaal afgegeven worden vanuit beleggingsperspectief wanneer de rente sterk stijgt. Een dalende rente zorgt voor een toename van de verplichtingen, dus is een signaal vereist wanneer de rente sterk daalt. Daarnaast is een sterke schommeling in de rente ook van belang voor de afdekking van het renterisico.

11

Toeslagbeleid De pensioenen worden alleen verhoogd indien en voor zover de middelen van het fonds dit naar het oordeel van het bestuur toelaten. Alle pensioenen worden dus voorwaardelijk geïndexeerd. De mate van toeslagverlening is afhankelijk gesteld van de uitkomst van de rekenregel voor toekomstbestendige indexatie. In een crisissituatie waarbij de actuele dekkingsgraad onder de vereiste dekkingsgraad ligt, zal in voorkomende gevallen de beleidsdekkingsgraad lager zijn dan 110%. Het fondsbeleid is dat er geen toeslag wordt verleend als de beleidsdekkingsgraad lager is dan 110%. Het toeslagbeleid is daarom geen extra sturingsmiddel. Beleggingsbeleid Het beleggingsbeleid is er mede op gericht om, door middel van een evenwichtige spreiding van het vermogen over risicobronnen met positieve rendementsverwachtingen, een stabiel rendement te behalen. Een stabiel positief beleggingsrendement draagt bij om een financiële crisis te voorkomen en is tevens één van de belangrijkste middelen om uit een dergelijke financiële crisis te geraken. Overigens kan het beleggingsbeleid bij een tekort niet aangepast worden, als dit leidt tot een hoger risico. Pensioenregeling De pensioenregeling van bpfBOUW kan niet door het bestuur zelfstandig worden aangepast. Dit beperkt de inzetbaarheid van deze maatregel. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de sociale partners. Indien deze hiertoe besluiten, kan een versobering van de pensioenregeling, onder gelijktijdige handhaving van het premieniveau, een bijdrage leveren aan herstel. De effectiviteit van het versoberen van de pensioenregeling voor nieuwe opbouw van pensioenaanspraken is beperkt. Kortingsbeleid BpfBOUW heeft een kortingsbeleid. Dit kortingsbeleid is opgenomen in de ABTN. Hieronder volgt een beschrijving over het moment van korten, de besluitvorming van het bestuur en de bepaling van de hoogte van de korting. Moment van korten Het moment van korten is uiterlijk een jaar later als op 31 december van enig jaar blijkt dat de beleidsdekkingsgraad naar verwachting onvoldoende zal herstellen om aan het einde van de herstelperiode aan de wettelijke eisen te voldoen. Als dit het geval is, zal het bestuur een kortingsbesluit nemen. Het beleid van het fonds is gelijkelijke spreiding van de benodigde korting over de looptijd van het herstelplan. Het bestuur informeert de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden hierover zodra DNB de beoordeling van het herstelplan heeft afgerond. Het eerste deel van de gespreide korting wordt binnen een jaar geëffectueerd. De volgende delen van de gespreide korting worden alleen geëffectueerd als het volgende (geactualiseerde) herstelplan daartoe aanleiding geeft. Besluitvorming bestuur Alvorens te besluiten tot een (voorgenomen) korting, zal het bestuur aan cao-partijen voorleggen of er andere aanvullende herstelmaatregelen (dan korten) mogelijk zijn om het tekort tijdig op te kunnen heffen. Indien dit het geval is, zal het pensioenfonds aan DNB aantonen dat door deze maatregelen de dekkingsgraad weer voldoende zal herstellen. Als echter na dit overleg blijkt dat korten nodig is na inzet van alle overige sturingsmiddelen, zal het fonds overgaan tot een kortingsmaatregel.

12

Stappenplan In het kortingsproces kunnen de volgende stappen worden onderkend: 1. Vaststellen noodzaak tot aanvullende maatregelen. 2. Nagaan mogelijkheid andere aanvullende sturingsmiddelen dan korten. 3. Werkgevers- en werknemersorganisaties raadplegen. 4. Vaststellen noodzaak tot korten. 5. Vaststellen omvang korting. 6. Invulling korting en toetsing evenwichtige belangenafweging. 7. Invulling compensatiemogelijkheden toekomst. 8. Opstellen nieuw herstelplan. 9. Kortingsbesluit. 10. Informatieverplichtingen vanuit Pensioenwet. 11. Informeren Verantwoordingsorgaan en Raad van Toezicht. 12. Effectuering kortingsbesluit. Communicatie In hoofdstuk 7 is een beschrijving opgenomen van de communicatiemiddelen die worden ingezet wanneer een financiële crisis zich voordoet en de verschillende stappen uit het stappenplan worden gezet. Hoogte korting BpfBOUW hanteert in beginsel een uniforme, procentuele korting, waarbij alle opgebouwde pensioenaanspraken en – rechten van alle (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden met hetzelfde percentage worden gekort. De beleggingskapitalen binnen de Beterexcedent, de netto pensioenregeling en de spaargelden van de gemoedsbezwaarden komen niet in aanmerking voor korting. Een uniforme korting van 1% heeft een stijging van de dekkingsgraad van 1% tot gevolg (bij een dekkingsgraad van 100%). Compenseren van korting Het fonds heeft de ambitie om een toegepaste korting in de toekomst ongedaan te maken. Het herstel van de korting wordt alleen toegepast op de gekorte pensioenen van de deelnemers/gepensioneerden die door de korting zijn getroffen. Het compenseren van een korting heeft voorrang op het verlenen van inhaaltoeslag. 6. Hoe luidt de besluitvormingsprocedure bij een financiële crisis? Inleiding In het protocol crisiscommunicatie wordt een onderscheid gemaakt tussen een financiële crisis en overige crises (‘niet-financiële crisis’). Het protocol crisiscommunicatie bij een financiële crisis staat beschreven in – en is integraal onderdeel van - het ‘Financieel Crisisplan bpfBOUW’.

13

Samenstelling crisisteam Per 2018 is het crisisteam als volgt samengesteld: Voorzitters van bpfBOUW

Bestuursvoorzitters

Bestuursbureau bpfBOUW

Directeur Manager Vermogensbeheer/Risicomanager Vermogensbeheer Voorzitter commissie Vermogensbeheer en Balansmanagement Expertbestuursleden Vermogensbeheer Accountmanager Vermogensbeheer Fiduciair coördinator Adviserend Actuaris Directeur Woordvoerder

De vertegenwoordiging van de eventueel betrokken commissie(s) APG

Bouwinvest APG groep

Afhankelijk van de aard en omvang van de crisissituatie kunnen de voorzitters besluiten om de samenstelling van het crisisteam aan te passen. Besluitvormingsprocedure bij een financiële crisis Ten aanzien van de besluitvorming rond financiële crisissituaties kunnen twee trajecten worden onderscheiden: 1. Tijdens reguliere bestuursvergaderingen worden besluiten genomen over de inzet van de sturingsmiddelen. Deze besluiten hebben betrekking op onder meer de hoogte van premies en toeslagen, het beleggingsbeleid, herstelplannen, het raadplegen van cao-partijen voor mogelijke herstelmaatregelen (waaronder versobering van de pensioenregeling) en een eventuele kortingsmaatregel. Concrete maatregelen zullen altijd worden afgestemd op de aard van de crisis en de omstandigheden van dat moment. 2. Spoedeisende besluiten ten aanzien van het beleggingsbeleid. Spoedeisende besluitvorming ten aanzien van het beleggingsbeleid Indien er sprake is van een uitzonderlijke situatie, kunnen er beleggingsmaatregelen worden genomen die afwijken van het beleggingsplan. Onder een uitzonderlijke situatie wordt verstaan (niet limitatief): • Het investment comité adviseert dat er een beleggingsmaatregel moet worden genomen in verband met een uitzonderlijke situatie; • Het overschrijden van beleggingsrichtlijnen; • Nieuwe feiten welke een grote impact hebben op toekomstige verwachte rendementen en/of risico’s van de beleggingsportefeuille. Er moet dan sprake zijn van een financieel-economische ontwikkeling die afwijkt van wat als normaal moet worden geacht voor het gedrag van beleggingen. • Wijzigingen in wet- en/of regelgeving, dan wel maatregelen van het fondsbestuur bijvoorbeeld naar aanleiding van aanbevelingen van de toezichthouder. Bij het nemen van een beleggingsmaatregel in het kader van een uitzonderlijke situatie geldt de volgende procedure voor de besluitvorming van het bestuur van bpfBOUW: • De vermogensbeheerder van bpfBOUW benadert de directeur van het bestuursbureau, telefonisch, met informatie over de marktsituatie en een advies. • De directeur van het bestuursbureau beoordeelt, in overleg met de bestuursvoorzitters en met de Manager en Risicomanager Vermogensbeheer, of er al dan niet sprake is van een crisis.

14



• • • • • • •

Indien er sprake is van een crisis roept de directeur van het bestuursbureau (eventueel telefonisch) de bestuursvoorzitters, de voorzitter van de Commissie VBB), de expert-bestuurder Vermogensbeheer, de expert-bestuurder Financieel Risicomanagement en de Manager en Risicomanager Vermogensbeheer bijeen in een vergadering. Naar bevind van zaken zal één van de vaste VBB adviseurs betrokken worden, bij gelijke geschiktheid de adviseur met de langste staat van dienst bij bpfBOUW. Als het geen telefonische bijeenkomst is, wordt het gehele bestuur in de gelegenheid gesteld de vergadering bij te wonen. De vaste VBB adviseur in kwestie geeft, indien mogelijk na afstemming met de overige vaste VBB adviseurs, advies aan het bestuur. In een dergelijke uitzonderlijke situatie zijn de voorzitters van het bestuur gemandateerd tot afhandeling van de transactie. Een besluit inclusief de mandatering wordt vastgelegd en per e-mail aan de vermogensbeheerder gestuurd. Daarna wordt het voltallige bestuur, per e-mail, door het bestuursbureau geïnformeerd. Tijdens de eerstvolgende vergadering wordt de transactie (of externe marktsituatie) besproken.

7. Hoe bewaakt het bestuur de evenwichtige belangenbehartiging tussen diverse stakeholders bij het treffen van (nood)maatregelen? Het bestuur richt zich bij de besluitvorming over de in te zetten (nood)maatregel(en) (sturingsmiddelen) naar de belangen van alle bij het fonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, de pensioengerechtigden en de werkgevers. In onderstaande tabel staat samengevat op welke groepen de sturingsmiddelen, zoals beschreven in paragraaf 5, effect hebben. Tabel 6 – Effect sturingsmiddelen op groepen belanghebbenden Premie verhogen Geen/onvolledige toeslagverlening Pensioenregeling versoberen Korten

Actieve deelnemers X X

Gewezen deelnemers

Pensioengerechtigden

X

X

X X

Werkgevers X

X X

X

Het bestuur gaat daarbij na of de belangen van de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of de werkgevers niet onevenredig worden geschaad. De lasten van de maatregelen dienen evenwichtig te worden verdeeld (solidariteit). Daarnaast gaat het bestuur na of dat iedere maatregel op zichzelf en in samenhang met de andere maatregelen niet disproportioneel is: er dient een evenwicht te zijn tussen de impact op de diverse groepen belanghebbenden en de herstelkracht van de maatregel (proportionaliteit, effectiviteit). Het bestuur houdt verder rekening met ontwikkelingen in het verleden en in de toekomst (continuïteit). Daarnaast houdt het bestuur rekening met de mogelijkheden om een maatregel in de toekomst te compenseren. In onderstaande tabellen staat per sturingsmiddel samengevat in hoeverre: 1. het sturingsmiddel voor het fonds effectief is en de continuïteit niet doorkruist; 2. het sturingsmiddel solidariteit van de verschillende groepen vraagt en proportioneel is voor de groepen ten opzichte van de effectiviteit.

15

Ter verduidelijking van enkele scores in de tabellen: • een ‘0’ betekent ofwel ‘neutraal’ ofwel ‘niet van toepassing’. • een minteken bij solidariteit betekent dat een groep niet bijdraagt; • een minteken bij proportionaliteit betekent dat een doelgroep veel moet bijdragen ten opzichte van de effectiviteit van de maatregel. Tabel 7 - Premie verhogen met 1%-punt (van de pensioengrondslag) Doelgroep Effectiviteit Continuïteit Pensioenfonds +/0 Solidariteit Proportionaliteit Werkgever + Actieve deelnemer + Gewezen deelnemer 0 Pensioengerechtigde 0 Werkgevers en actieve deelnemers zijn solidair als ze meer premie betalen om de financiële positie van het fonds te verbeteren. Het effect van een premieverhoging is echter beperkt. Een verhoging van de premie met 1%-punt van de premiegrondslag verhoogt de dekkingsgraad met ca. 0,1%. In hoeverre de maatregel proportioneel is, hangt af van de mate waarin de premie wordt verhoogd en moet worden bezien in samenhang met andere maatregelen. Vanwege de beperkte effectiviteit is de maatregel hier niet aangeduid als proportioneel. Tabel 8 - Geen/onvolledige toeslagverlening Doelgroep Effectiviteit Pensioenfonds Solidariteit Werkgever Actieve deelnemer + Gewezen deelnemer + Pensioengerechtigde +

Continuïteit 0 Proportionaliteit 0 + + +

Het niet verlenen van toeslag levert geen bijdrage aan het verhogen van de dekkingsgraad. Het verlenen van toeslag zou de dekkingsgraad wel (verder) verslechteren. Voor deelnemers en pensioengerechtigden betekent de maatregel koopkrachtverlies. Hoe meer rechten een deelnemer heeft, hoe meer er sprake is van solidariteit. De maatregel wordt hier aangemerkt als proportioneel, omdat het verlenen van toeslag van 1%, direct 1% dekkingsgraad zou kosten. De proportionaliteit moet echter in samenhang met andere te nemen maatregelen worden bezien. Tabel 9 - Pensioenregeling versoberen: opbouw verlagen Doelgroep Effectiviteit Continuïteit Pensioenfonds +/0 Solidariteit Proportionaliteit Werkgever 0 Actieve deelnemer + Gewezen deelnemer 0 Pensioengerechtigde 0 Het effect op proportionaliteit van deze maatregel is vergelijkbaar met het verhogen van de premie, namelijk beperkt. De maatregel raakt alleen de actieve deelnemers. Of de maatregel de continuïteit niet verstoord, zal bij het nemen van de maatregel vooraf worden getoetst.

16

Tabel 10 – Korten van pensioenen met 1% Doelgroep Effectiviteit Pensioenfonds + Solidariteit Werkgever Actieve deelnemer + Gewezen deelnemer + Pensioengerechtigde +

Continuïteit + Proportionaliteit 0 + + +

Voor een pensioengerechtigde of een (gewezen) deelnemer die bijna pensioneert betekent de maatregel direct koopkrachtverlies. Van deze deelnemers is de solidariteit dus hoog, zeker bij veel opgebouwde rechten. Deze maatregel is effectief, omdat een korting van 1% direct (nagenoeg) 1% dekkingsgraad oplevert. Omdat het middel effectief is en alle8 (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden raakt, wordt het hier aangemerkt als proportioneel. De proportionaliteit moet echter in samenhang met andere te nemen maatregelen worden bezien. Het korten waarborgt de continuïteit van het fonds, maar is sterk nadelig voor (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden.

8

Het betreft de pensioenaanspraken voor risico van het pensioenfonds.

17

8. Hoe is communicatie aan de stakeholders geregeld? Het fonds heeft een protocol crisiscommunicatie. In het hieronder opgenomen onderdeel van dit protocol beschrijft het pensioenfonds de communicatie over het financieel crisisplan en de communicatie wanneer zich een financiële crisis voordoet. De in de Pensioenwet opgenomen uitgangspunten duidelijkheid, begrijpelijkheid en tijdigheid vormen de basis voor het hier beschreven beleid over communicatie in de situatie van een financiële crisis. In onderstaande tabellen staat weergegeven hoe het pensioenfonds zal communiceren over het crisisplan en in de verschillende stadia van een crisis naar de externe en interne doelgroepen. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van verschillende kanalen/middelen. Tabel 11 – Communicatie crisisplan FASE 1 Moment van communiceren Hoofdboodschap FASE 2 Moment van communiceren Hoofdboodschap

FASE 3 Moment van communiceren Hoofdboodschap

FASE 4 Moment van communiceren Hoofdboodschap

Communicatie over het crisisplan Na vaststellen crisisplan: zo snel mogelijk, uiterlijk binnen 2 weken − Bestaan en doel van crisisplan − Het integrale crisisplan Aanvang crisissituatie Binnen 1 maand na aanvang crisis − Verslechtering financiële situatie fonds − Mogelijke maatregelen inclusief gevolgen: o voor de premie en toeslag o Aanpassen beleggingsbeleid o Versoberen regeling o aanwenden reserve toeslagverlening o Korten van de aanspraken − Impact en afweging maatregelen − Belangenafweging Bestuursbesluit(en) over maatregelen Binnen 2 weken na besluit bestuur − Financiële situatie − Maatregel(en) die genomen worden − Gevolgen van de maatregelen voor de deelnemer − Evenwichtige verdeling en belangenbehartiging − Verwachtingen Ongedaan maken maatregelen Binnen 2 weken na besluit bestuur − Verbetering financiële situatie − Maatregelen (gedeeltelijk) ongedaan gemaakt − Gevolgen van het ongedaan maken van de maatregelen voor de deelnemer − Evenwichtige verdeling en belangenbehartiging

18

Per fase onderscheiden we de volgende doelgroepen:

Doelgroepen extern

Doelgroepen intern

Doelgroepen

Fase 1

Fase 2

Fase 3

Fase 4



Toezichthouders (AFM/DNB)

V

V

V

V



Werkgeversverenigingen

V

V

V

V



Vakbonden

V

V

V

V



Werkgevers

V

V

V

V



Deelnemers

V

V

V

V



Pensioengerechtigden

V

V

V

V



Accountant en certificerend actuaris

V

V

V

V



Pers

V

V

V



Bestuur

V

V

V



Raad van Toezicht

V

V

V



Verantwoordingsorgaan

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

• De vaste adviseurs van de commissie Vermogensbeheer en Balansmanagement •

Bestuursbureau bpfBOUW



Directie Bouwinvest en APG

V

V

V



Medewerkers APG

V

V

V

Per fase kan gebruik gemaakt worden van de volgende kanalen en middelen: Kanalen/middelen

Kanalen / middelen



Brief



Website



E-mailing

Fase 1 V

• Bouwpensioenbericht (voor consulenten) • Vraag en antwoordlijsten voor telefonische helpdesk sociale partners •

Persbericht

Fase 2

Fase 3

Fase 4

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

V

• Bijeenkomsten voor belanghebbenden

9. Hoe en wanneer wordt het crisisplan getoetst en bijgesteld? Het crisisplan wordt, na goedkeuring door het bestuur, opgenomen in de ABTN. Het crisisplan wordt jaarlijks bij de actualisatie van de ABTN beoordeeld en zo nodig aangepast.

Bijlagen (2): • Uitwerking korting bij beleidsdekkingsgraad 5 jaar onder minimaal vereiste dekkingsgraad • Indicatoren ‘Crash Scenario’ procedure

19

Bijlage A: Uitwerking korting bij beleidsdekkingsgraad 5 jaar onder minimaal vereiste dekkingsgraad Onderstaand wordt aan de hand van een voorbeeld een toelichting gegeven op de werking van de korting ineens en uitgesmeerd over een periode van 10 jaar. Er is uitgegaan van het uitgangspunt dat het fonds hanteert om in beginsel een procentuele korting toe te passen, waarbij alle opgebouwde pensioenaanspraken en –rechten van alle (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden met hetzelfde percentage worden gekort. De hoogte van het kortingspercentage is afhankelijk van met name de volgende punten: • De mate van spreiding van de korting (ineens of maximaal 10 jaar); • Het moment van korten (begin tot uiterlijk halverwege het jaar); • De verwachte uitkeringenstroom van het fonds op basis van de opgebouwde aanspraken; • De rentetermijnstructuur op het moment van vaststellen van de korting. De hoogte van het kortingspercentage is niet afhankelijk van de toekomstige ontwikkelingen van de financiële positie van het fonds. Opgemerkt wordt dat voor kortingen een gesloten systeem wordt toegepast, zodat het vastgestelde kortingspercentage niet geldt voor toekomstige opbouw van aanspraken. Stel dat de actuele dekkingsgraad 100% bedraagt en de beleidsdekkingsgraad daarvoor 5 jaar onder 104,3% was. In de onderstaande tabel is een overzicht opgenomen met 4 scenario’s met de daarbij behorende kortingspercentages: Tabel A.1 - Kortingspercentages bij verschillende scenario’s Kortingspercentage (afgerond op 2 decimalen) Scenario 1: korting ineens begin van het jaar 4,12% Scenario 2: korting ineens halverwege van het jaar 4,19% Scenario 3: korting begin van het jaar, spreiden over 10 jaar 0,50% Scenario 4: korten halverwege het jaar, spreiden over 10 jaar 0,51%

Eenmalig Eenmalig Per jaar Per jaar

Toelichting uitkomsten Scenario 1: Er is begin van het jaar een korting ineens van 4,12% (=100%/104,3%-1) nodig om de actuele dekkingsgraad te laten stijgen van 100% naar 104,3%. Scenario 2: Als het fonds halverwege het jaar gaat korten in plaats van begin van het jaar dan stijgt het kortingspercentage. Dit komt omdat de uitkeringen die gedurende de eerste helft van het jaar worden gedaan dan niet worden gekort en er daardoor een hogere korting is benodigd. Bovendien nemen de verplichtingen in een half jaar toe door de rentetoevoeging uit de rentetermijnstructuur, waardoor er meer gekort moet worden. Hoe langer de uitsmeerperiode van de korting des te hoger worden daarom de over alle jaren gecumuleerde kortingspercentages. Dit verklaart waarom de kortingspercentages uit de scenario’s 3 en 4 hoger zijn dan 1/10 deel van de korting ineens.

20

Bijlage B: Indicatoren voor ‘Crash scenario’ procedure De crashdetectietabel onderscheidt twee gradaties van crashes: scenario A ofwel een “moderate” crash en scenario B een “severe” crash. De drempelwaarden voor scenario A zijn zodanig vastgesteld dat er per markt één crash per 200 dagen optreedt. Bij scenario B treedt deze eens per 1000 dagen op. In termen van procedurele afhandeling is er geen verschil; het onderscheid dient in de praktijk vooral als additionele signaalfunctie. De tabel is verdeeld in negen kolommen, waarbij de eerste kolom de categorie aangeeft en de hiernavolgende kolom de naam van de markt weergeeft. Het pijltje geeft de richting van de crash. Merk bijvoorbeeld op dat er alleen op neerwaartse crashes in swaprentes wordt geselecteerd. De volgende zes kolommen geven drempelwaarden aan. Deze zijn in essentie z-scores over respectievelijk drie maanden historie en waarschijnlijkheid van optreden en drie jaar historie en waarschijnlijkheid dat dit voorkomt en worden vooraf gegaan met drempelwaarden op basis van de gehele historie. De laatste kolom toont de waarschijnlijkheid dat alle drie criteria (drempelwaarden, 3-maands en 3-jaars z-score) tegelijk worden overschreden. In dat geval is er sprake van een crash.

21

Triggers and back test Scenario A (moderate crash, ex ante probability once every 200 days)

Category

Equities

Fixed Income

Commodities

Currencies

Real

Indices S&P 500 ↓ Eurostoxx 50 ↓ FTSE 100 ↓ Nikkei 225 ↓ MSCI EM ↓ US notes ↓ US notes ↑ Bund futures ↓ Bund futures ↑ Euro Swap 30y ↓ Euro Swap 20y ↓ Euro real rate ↓ US credit spr. ↑ EU credit spr. ↑ EM credit spr. ↑ GSCI ↓ USD ↓ GBP ↓ JPY ↓ USD ↑ GBP ↑ JPY ↑ NAREIT Equity ↓

Static Trigger Frequency -2.50% 0.019 -2.75% 0.025 -2.75% 0.014 -3.25% 0.019 -3.25% 0.011 -1.25% 0.010 1.10% 0.011 -1.00% 0.009 0.80% 0.015 2.25% 0.010 1.50% 0.013 1.75% 0.011 25.00% 0.001 17.50% 0.005 2500.00% 0.005 -4.50% 0.004 -1.75% 0.009 -1.30% 0.012 -1.75% 0.011 1.75% 0.010 1.30% 0.008 1.75% 0.017 -2.50% 0.025

22

3m rolling Trigger Frequency -2.30 0.017 -2.30 0.018 -2.30 0.017 -2.50 0.014 -2.50 0.018 -2.80 0.009 2.30 0.013 -2.80 0.009 2.30 0.014 2.25 0.013 2.25 0.012 2.25 0.015 3.25 0.006 3.25 0.012 3.25 0.008 -2.25 0.016 -2.60 0.010 -2.60 0.012 -2.30 0.013 2.60 0.009 2.60 0.006 2.60 0.011 -2. 50 0.014

3y rolling Trigger Frequency -2.50 0.018 -2.50 0.018 -2.50 0.018 -2.50 0.016 -2.50 0.018 -3.00 0.007 2.40 0.013 -3.00 0.011 2.40 0.014 2.50 0.012 2.50 0.012 2.75 0.013 2.75 0.011 3.75 0.012 3.75 0.007 -2.50 0.016 -2.70 0.009 -2.70 0.011 -2.50 0.011 2.70 0.008 2.70 0.008 2.70 0.015 -2.50 0.018

Combined Frequency 0.006 0.007 0.005 0.006 0.006 0.005 0.005 0.005 0.005 0.005 0.005 0.005 0.001 0.005 0.001 0.002 0.006 0.005 0.004 0.004 0.003 0.005 0.006

Scenario B (severe crash, ex ante probability once every 1000 days) Static 3m rolling 3y rolling Combined Indices Trigger Frequency Trigger Frequency Trigger Frequency Frequency S&P 500 ↓ -4.75% 0.003 -3.25 0.003 -4.00 0.003 0.001 Eurostoxx 50 ↓ -4.75% 0.006 -3.25 0.005 -4.00 0.004 0.002 FTSE 100 ↓ Equities -4.75% 0.003 -3.25 0.003 -4.00 0.003 0.001 Nikkei 225 ↓ -4.75% 0.006 -3.25 0.004 -4.00 0.003 0.001 MSCI EM ↓ -4.75% 0.003 -3.25 0.005 -4.00 0.005 0.001 US notes ↓ -1.60% 0.003 -3.50 0.003 -4.00 0.003 0.001 US notes ↑ 1.30% 0.006 2.80 0.005 3.00 0.006 0.001 Bund futures ↓ -1.30% 0.004 -3.50 0.003 -4.00 0.004 0.001 Bund futures ↑ 1.10% 0.004 2.70 0.004 3.20 0.004 0.001 Euro Swap 30y ↓ 3.25% 0.004 3.25 0.004 4.25 0.004 0.001 Fixed Income Euro Swap 20y ↓ 2.50% 0.002 3.25 0.002 4.25 0.003 0.001 Euro real rate ↓ 2.50% 0.003 3.00 0.002 3.75 0.004 0.001 US credit spr. ↑ 50.00% 0.000 4.50 0.003 5.50 0.003 0.001 EU credit spr. ↑ 25.00% 0.002 4.50 0.004 3.00 0.015 0.001 EM credit spr. ↑ 3500.00% 0.003 4.50 0.002 5.50 0.004 0.000 Commodities GSCI ↓ -4.50% 0.004 -3.00 0.004 -3.50 0.003 0.001 USD ↓ -2.25% 0.003 -3.25 0.003 -3.50 0.004 0.001 GBP ↓ Currencies -1.70% 0.003 -3.00 0.005 -3.75 0.003 0.001 JPY ↓ -2.50% 0.002 -3.25 0.002 -3.50 0.003 0.001 USD ↑ 2.25% 0.003 3.25 0.003 3.50 0.002 0.001 GBP ↑ 1.70% 0.003 3.00 0.003 3.75 0.002 0.001 JPY ↑ 2.50% 0.004 3.25 0.003 3.50 0.006 0.001 NAREIT Equity ↓ -4.75% 0.008 -3.25 0.005 -4.00 0.005 0.000 Real Triggers on the credit spread are based on the daily credit spread change. The credit spread change is defined as the rate difference between BAA credit and AAA credit. Category

23

Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.