Hof van Cassatie van België


1 20 OKTOBER 2008 S N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Bru...
Author:  Erik Koning

0 downloads 2 Views 62KB Size

Recommend Documents


Hof van Cassatie LIBERCAS
1 Hof van Cassatie LIBERCAS2 1 2 3 AANRANDING VAN DE EERBAARHEID EN VERKRACHTING Aanranding van de eerbaarheid - Beoordeling van de aard van de aantas...

Hof van Cassatie LIBERCAS
1 Hof van Cassatie LIBERCAS2 AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST HERSTELPLICHT Herstelplicht - Medeaansprakelijkheid van getroffene - Afwijzing van ...

Hof van Cassatie LIBERCAS
1 Hof van Cassatie LIBERCAS2 AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST ALGEMEEN Algemeen Vergoeding Recht op herstel Kosten bijstand technisch raadsman Be...

Hof van Cassatie LIBERCAS
1 Hof van Cassatie LIBERCAS2 AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST DAAD Daad - Misdrijf - Bevrijdingsbeding tussen partijen - Aansprakelijkheid voor o...

Hof van Cassatie LIBERCAS
1 Hof van Cassatie LIBERCAS2 AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST SCHADE Schade Begrip Vormen Benadeelde Voordeel Schadevergoeding Bedrag Toerekening...

Hof van Cassatie LIBERCAS
1 Hof van Cassatie LIBERCAS2 AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST DAAD Daad - Fout - Samenlopende fouten - Impact van de fouten - Verwezenlijking van...

Hof van Cassatie LIBERCAS
1 Hof van Cassatie LIBERCAS2 AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST DAAD Daad - Fout - Bestuurder of zaakvoerder - Niet doorstorten van de bedrijfsvoor...

Hof van Cassatie LIBERCAS
1 Hof van Cassatie LIBERCAS2 AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST DAAD Daad - Fout - Fout die hernieuwd wordt met het verstrijken van de tijd - Verja...

Hof van Cassatie LIBERCAS
1 Hof van Cassatie LIBERCAS2 AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST Vereniging van mede-eigenaars - Syndicus - Beheersovereenkomst - Mede-eigenaar - De...

Hof van Cassatie LIBERCAS
1 Hof van Cassatie LIBERCAS2 AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST DAAD Daad - Fout - Stedenbouw - Onroerend goed - Functie - Beoordeling - Taak van d...



20 OKTOBER 2008

S.08.0008.N/1

Hof van Cassatie van België

Arrest

Nr. S.08.0008.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen ASSEM PACKING SUBCONTRACTORS, naamloze vennootschap, met zetel te 2430 Vorst (Kempen), Nikelaan 23, verweerster.

I.

RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 april 2007 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen.

20 OKTOBER 2008

S.08.0008.N/2

Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II.

CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet; - de artikelen 2, 3, 119.1 en 119.2 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 (Arbeidsovereenkomstenwet); - de artikelen 2 en 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (Uitvoeringsbesluit); - de artikelen 328, 331, 332, 333 en 339 van de Programmawet (I) van 27 december 2006; - artikel 2, §1, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet) ; - artikel 2, §1, 1°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid). Bestreden beslissing Het bestreden arrest bevestigt de vonnissen van 24 juni 2004 en 12 mei 2005 van de Arbeidsrechtbank te Turnhout in zoverre deze beslissingen de vorderingen van de eiser tot betaling van socialezekerheidsbijdragen, verschuldigd op de prestaties die door de thuisarbeiders werden geleverd, ongegrond verklaarden. Het bestreden arrest oordeelt dat artikel 3,4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 voortaan terzijde moet worden geschoven wanneer de eiser betwist dat thuisarbeiders op zelfstandige basis prestaties hebben geleverd nu er specifiek een arbeidsovereenkomst voor huisarbeiders werd ingevoegd in Titel VI van de Arbeidsovereenkomstenwet: “Het (arbeids)hof is van oordeel dat (de eiser) moet terugvallen op Titel VI van de wet van 3 juli 1978 wanneer hij betwist dat de huisarbeiders hun prestaties leverden op zelfstandige basis. Hij kan niet rechtstreeks opteren voor de toepassing van artikel 3,4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

20 OKTOBER 2008

S.08.0008.N/3

Artikel 2, §1, 1°, van deze wet van 27 juni 1969 bepaalt immers dat de Koning de toepassing van deze wet maar kan uitbreiden tot de personen die niet door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Voor 1 maart 1997 waren rechtspraak en rechtsleer het er over eens dat huisarbeiders niet door een arbeidsovereenkomst met hun opdrachtgever waren verbonden. De voorwaarde van voornoemd artikel 2, §1, 1°, was dus steeds vervuld. Nu de huisarbeid echter in de wet op de arbeidsovereenkomsten werd ingeschreven, is deze voorwaarde niet vanzelfsprekend vervuld. Er zal bijgevolg eerst moeten worden onderzocht of de huisarbeiders al dan niet verbonden zijn met hun opdrachtgever door een arbeidsovereenkomst in de zin van Titel VI WAO. Pas wanneer komt vast te staan dat zij niet door een dergelijke arbeidsovereenkomst met hun opdrachtgever zijn verbonden, zou er beroep kunnen worden gedaan op het ‘uitbreidingsKB’ van 28 november 1969. Anderzijds veroorzaakt de toepassing van dit koninklijk besluit met betrekking tot de prestaties van huisarbeiders een ongelijke behandeling tussen de opdrachtgevers. Meer bepaald moet (de eiser) wanneer hij een schijnzelfstandige aanpakt, die geen huisarbeider is, terugvallen op de artikelen 2 en 3 WAO om zijn gelijk trachten te behalen. Kan hij in deze hypothese het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet bewijzen, bijvoorbeeld omdat het element 'gezag' in de samenwerking ontbreekt, dan kan hij niet terugvallen op een vangnet, zoals het koninklijk besluit van 28 november 1969 er één is, in het geval het om een huisarbeider zou gaan. In een betwisting van schijnzelfstandigheid is er geen objectief en redelijk verantwoord criterium voorhanden om de categorie opdrachtgevers die met huisarbeiders samenwerken verschillend te behandelen dan de opdrachtgevers die met andere, niethuisarbeiders, samenwerken, nu alle huisarbeid sinds 1 maart 1997 even goed deel uitmaakt van de wet op de arbeidsovereenkomsten. De wet van 6 december 1996, die Titel VI onderbracht in de wet op de arbeidsovereenkomsten, sloot immers geen enkele categorie van huisarbeiders van haar toepassing uit, ook niet de categorie die artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 (het uitbreidingskoninklijk besluit) beoogt. De toepassing van artikel 3, 4°, van het uitbreidingskoninklijk besluit moet in deze zaak terzijde worden geschoven omdat de betwisting van (de eiser) betrekking heeft op een samenwerking tussen (de verweerster) en haar medewerkers, die na 1 maart 1997 werd aangegaan. Na deze datum is, zoals gezegd, het niet langer verantwoord een verschil in behandeling te handhaven tussen de opdrachtgevers, verschil dat er in bestaat dat (de eiser), bij de aanpak van een opdrachtgever die werkt met personeel dat thuis werkt en nadat hij faalt in het bewijs van het bestaan van een arbeidsovereenkomst in de zin van Titel VI WAO, alsnog een beroep zou kunnen doen op de toepassing van het ‘uitbreidingsKB’ van 28 november 1969, terwijl hij op dit koninklijk besluit niet kan

20 OKTOBER 2008

S.08.0008.N/4

terugvallen, wanneer hij een opdrachtgever aanpakt wiens medewerkers niet thuis werken. Conclusie In deze zaak, wordt de toepassing van koninklijk besluit van 28 november 1969 (het uitbreidingsKB) terzijde geschoven. De categorie medewerkers die dit koninklijk besluit beoogt te beschermen, namelijk de huisarbeiders, vinden thans hun bescherming in de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten zelf, die geen onderscheid maakt tussen de huisarbeiders en die geen categorie ervan onbeschermd laat. (De eiser) kan enkel nog het bestaan bewijzen van een arbeidsovereenkomst in de zin van Titel VI WAO om zijn vordering te gronden”. (arrest, p.8, midden, tot en met p.9). Het bestreden arrest onderzocht vervolgens of de eiser het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor huisarbeid kon aantonen in hoofde van de medewerkers van de verweerster en kwam tot de vaststelling dat er geen sprake kon zijn van het gezag dat bedoeld wordt in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet, zodat de vorderingen van de eiser ongegrond waren: “Een probleem van schijnzelfstandigheid, zoals het zich ook in deze zaak stelt, moet worden benaderd vanuit de toepassing van Titel XIII in de programmawet van 27 december 2006, genaamd: aard van de arbeidsrelaties. We spreken over de Wet ArbeidsRelaties of WAR. Allereerst bepaalt artikel 331 van deze wet dat de partijen vrij de (rechts)aard van hun arbeidsrelatie kiezen zonder daarbij de openbare orde, de goede zeden en de dwingende wetten te kunnen overtreden. Het eerste punt van onderzoek betreft dus deze vrije keuze van de betrokken partijen. Hoe hebben zij hun samenwerking gekwalificeerd? (…) Bij gebrek aan een onderlinge kwalificatie bij het begin van de samenwerking, rest enkel nog de uitvoering zelf van de samenwerking. De elementen die daar in terug te vinden zijn, moeten dan uitwijzen of er terzake sprake is van een overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders. Artikel 119.1 WAO bepaalt dat de huisarbeiders de arbeiders zijn, die tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een werkgever, in hun woonplaats of op elke andere door hen gekozen plaats, zonder dat zij onder het toezicht of de rechtstreekse controle van deze werkgever staan. Dat de mensen die werden ondervraagd, op P.D. na, arbeid tegen loon hebben verricht voor rekening van (de verweerster) valt niet te ontkennen.

20 OKTOBER 2008

S.08.0008.N/5

Moet enkel nog worden nagegaan of de huisarbeiders onder het gezag van (de verweerster) hun taken hebben uitgevoerd, zonder dat ze evenwel onder het toezicht of de rechtstreekse controle van (de verweerster) stonden. Kenmerkend voor een gezag zonder toezicht of rechtstreekse controle blijft dat de werkgever met de werknemer bindende afspraken heeft gemaakt, die hem toelaten van de werknemer gedaan te krijgen dat hij het werk uitvoert op de wijze die de werkgever voorstaat binnen een termijn die deze werkgever bepaalt. In deze zaak blijkt uit de afgelegde verklaringen niet dat (de verweerster) bij machte was om van de thuiswerkers gedaan te krijgen dat zij het inpak- of verpakkingswerk dat zij door hen wou laten doen, ook effectief te laten uitvoeren binnen een bepaalde termijn. (De verweerster) was afhankelijk van de goede wil van de huisarbeiders, die vrij waren het werk al dan niet te aanvaarden en die ook vrij waren, eens het werk aanvaard, dit niet uit te voeren binnen de vastgestelde termijn vermits ze in dat geval het werk terug konden binnen leveren. In die omstandigheden is er geen sprake van het gezag dat bedoeld wordt in artikel 119.1 WAO en is er tussen (de verweerster) en de huisarbeiders het bestaan van een overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders niet bewezen. (De eiser) heeft dan ook geen rechtsgrond om zijn vorderingen wat de prestaties van de huisarbeiders betreft, op te steunen” (p.10, tot en met p.12). Grieven Eerste onderdeel De RSZ-wet is overeenkomstig artikel 1, §1, van toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden (cf. artikelen 1, §1 en 2, §1, eerste lid, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid). Overeenkomstig artikel 2, §1, 1°, van de RSZ-wet kan de Koning, onder de voorwaarden die hij bepaalt, de toepassing van de RSZ-wet uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties verrichten onder het gezag van een andere persoon of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden, als die van een arbeidsovereenkomst (cf. artikel 2, §1, eerste lid, 1°, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid). In toepassing van deze bepaling heeft de Koning in artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit de toepassing van de RSZ-wet verruimd tot “de personen die, op een door hen gekozen plaats in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte produkten bewerken die één of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, alsmede tot die handelaars”. Om arbeid te verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst is niet vereist dat de werknemer prestaties levert onder gezag van

20 OKTOBER 2008

S.08.0008.N/6

een werkgever of in een verhouding van ondergeschiktheid maar dat de prestaties worden geleverd in omstandigheden die gelijkenis vertonen met die waaronder arbeid in ondergeschikt verband wordt verricht. De uitbreidingsbepaling van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit onderwerpt m.a.w. die personen aan de toepassing van de RSZ-wet die niet onder het gezag van een werkgever arbeid verrichten op een door hen gekozen plaats. Door de afwezigheid van een gezagsverhouding onderscheiden de personen omschreven in artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit, zich wezenlijk van de huisarbeiders die zijn bedoeld in Titel VI van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, zoals ingevoegd bij wet van 6 december 1996, welke titel, met ingang van 1 maart 1997, de tewerkstelling regelt van huisarbeiders die tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een werkgever, in hun woonplaats of op elke andere door hen gekozen plaats, zonder dat zij onder het toezicht of de rechtstreekse controle van deze werkgever staan (zie de artikelen 119.1 en 119.2 van de Arbeidsovereenkomstenwet). Door de invoeging van Titel VI betreffende de overeenkomsten voor tewerkstelling van huisarbeiders beoogde de Arbeidsovereenkomstenwet geenszins de categorie van personen, bedoeld in artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit, aan zijn toepassingsgebied te onderwerpen. De uitbreidingsbepaling van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit blijft bijgevolg onverkort gelden naast de regeling voor huisarbeiders in Titel VI van de Arbeidsovereenkomstenwet. Ingeval van een tewerkstelling van huisarbeiders kan de eiser jegens de opdrachtgever derhalve nog steeds rechtstreeks opteren voor de toepassing van die uitbreidingsbepaling zonder dat hij bij de beoordeling van de gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst rekening dient te houden met het gezagselement, zoals dit besloten ligt in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Nu de eiser zijn vordering jegens de verweerster steunde op artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit diende hij voor de invordering van de sociale bijdragen, verschuldigd op de prestaties geleverd door de thuiswerkende medewerkers van de verweerster, derhalve niet het bestaan te bewijzen van een arbeidsovereenkomst van huisarbeid in de zin van Titel VI van de Arbeidsovereenkomstenwet. Niet naar recht verantwoord is de beslissing van het arbeidshof dat alle huisarbeid sinds 1 maart 1997 deel uitmaakt van de Arbeidsovereenkomstenwet en dat de wet van 6 december 1996, die titel VI onderbracht in de Arbeidsovereenkomstenwet, geen enkele categorie van huisarbeiders van haar toepassing uitsloot, ook niet de categorie die artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit beoogt, zodat ten onrechte werd beslist dat de eiser niet meer rechtstreeks kan opteren voor de toepassing van die uitbreidingsbepaling (zie bijv. arrest, p.8, vijfde laatste alinea, p.9, derde en vierde alinea).

20 OKTOBER 2008

S.08.0008.N/7

Hieruit volgt dat het bestreden arrest op die gronden de eiser niet wettig het bewijs heeft kunnen opleggen van het bestaan van een arbeidsovereenkomst in de zin van Titel VI en dienvolgens de vordering van de eiser, gestoeld op artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit, niet wettig heeft kunnen afwijzen wegens het niet bewezen zijn van een gezagsrelatie bij de medewerkers van de verweerster (schending van alle in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen). Tweede onderdeel 1. De toepassing van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit wordt door het bestreden arrest ook terzijde geschoven wegens schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel doordat de toepassing ervan, ingeval van een betwisting van schijnzelfstandigheid, leidt tot een ongeoorloofd onderscheid in de behandeling door de eiser van, enerzijds, opdrachtgevers die met huisarbeiders werken, en anderzijds, opdrachtgevers die zonder huisarbeiders werken, in de mate dat de eiser voor die eerste categorie van opdrachtgevers, wanneer hij het bestaan van een gezagsverhouding niet kan bewijzen, steeds kan terugvallen op het “vangnet” van artikel 3, 4°, Uitvoeringsbesluit, waarbij de toepassing van de RSZ-wet wordt uitgebreid ten aanzien van huisarbeiders die prestaties leveren in omstandigheden die gelijkenis vertonen met die waaronder arbeid in ondergeschikt verband wordt verricht, zonder dat evenwel het bestaan van een gezagsverhouding moet worden bewezen, terwijl de eiser voor de tweede categorie van opdrachtgevers niet kan terugvallen op een uitbreidingsbepaling wanneer hij faalt in het bewijs van het bestaan van een gezagsverhouding. 2. Bij een betwisting van schijnzelfstandigheid is dit “sociaal vangnet” voor de huisarbeiders bedoeld in artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit nochtans objectief en redelijk verantwoord, in de mate dat voor deze huisarbeiders, wegens de specifieke aard van hun arbeid, die zij thuis verrichten, al dan niet met bijstand van een helper, moeilijk kan worden aangetoond dat zij hun prestaties leveren onder het gezag van hun opdrachtgever, terwijl zij zich niettemin in dezelfde socio-economische afhankelijkheidspositie bevinden ten opzichte van hun opdrachtgever als de nietthuiswerkende werknemers die krachtens een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld. Waar deze laatste werknemers arbeiden op de plaats die hen door hun opdrachtgever wordt aangewezen, en aldaar rechtstreeks onder zijn toezicht en controle staan, kan het bewijs van de voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst kenmerkende gezagsverhouding voor deze categorie van werknemers gemakkelijker worden geleverd en is er bijgevolg geen noodzaak om voor hen in een gelijkaardig “sociaal vangnet” te voorzien als dat van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit wanneer dat bewijs niet kan worden geleverd. 3. De grondwettelijke regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet en van de nietdiscriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën van personen zou worden ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een

20 OKTOBER 2008

S.08.0008.N/8

dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld m.b.t. het doel en de gevolgen van de overwogen maatregel en met de aard van de in het geding zijnde beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is slechts geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen redelijkerwijze niet evenredig zijn met het beoogde doel. Het gelijkheidsbeginsel wordt niet geschonden door in een ongelijke behandeling te voorzien van opdrachtgevers die verschillende categorieën van personen tewerkstellen. Het verschil in behandeling tussen de opdrachtgevers van huisarbeiders bedoeld in artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit en de opdrachtgevers wiens medewerkers niet thuis werken, er in bestaande dat de eiser, wanneer hij faalt in het bewijs van het bestaan van een arbeidsovereenkomst, voor de eerste categorie van opdrachtgevers, kan terugvallen op het “vangnet” van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit teneinde de huisarbeiders alsnog aan de toepassing van de RSZ-wet te kunnen onderwerpen, terwijl hij op dit Uitvoeringsbesluit niet kan terugvallen voor de opdrachtgevers van niethuisarbeiders, is objectief en redelijk verantwoord en evenredig met het beoogde doel om de huisarbeiders, die niet krachtens een arbeidsovereenkomst worden tewerkgesteld, doch niettemin arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden, als die van een arbeidsovereenkomst, een zelfde sociale bescherming te laten genieten als de werknemers die krachtens een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld, zodat het door de appelrechters aangeklaagde onderscheid geen schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel. 4. Het bestreden arrest stoelt de ongelijke behandeling tussen de opdrachtgevers die werken met huisarbeiders bedoeld in artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit enerzijds, en de opdrachtgevers die zonder huisarbeiders werken anderzijds, op de in het eerste onderdeel door de eiser aangevochten misvatting dat “alle huisarbeid sinds 1 maart 1997 even goed deel uitmaakt van de wet op de arbeidsovereenkomsten” (p.9, derde alinea). Uit het eerste onderdeel volgt dat de personen bedoeld in artikel 3,4°, van het Uitvoeringsbesluit niet de huisarbeiders zijn omschreven in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet doordat voor eerstgenoemden een gezagsverhouding ontbreekt. De huisarbeiders bedoeld in artikel 3,4°, van het Uitvoeringsbesluit, onderscheiden zich bovendien van de huisarbeiders bedoeld in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet doordat hun arbeid uitsluitend kan bestaan in het bewerken van grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte produkten die één of verschillende handelaars hen hebben toevertrouwd, terwijl de prestaties van de huisarbeiders omschreven in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet zowel hand- als hoofdarbeid kan omvatten (cf. de artikelen 2, 3, 119.1, in fine, en 119.2,§1, van de Arbeidsovereenkomsten-wet). Anders dan de huisarbeiders van artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet kunnen de personen bedoeld in artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit zich voor het uitvoeren van hun prestaties bovendien laten bijstaan door ten hoogste vier helpers.

20 OKTOBER 2008

S.08.0008.N/9

De verschillende behandeling van de huisarbeiders, bedoeld in artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit, die zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, arbeid verrichten in omstandigheden die gelijkaardig zijn aan die van een arbeidsovereenkomst, blijft derhalve ook na 1 maart 1997 verantwoord met als doel hen éénzelfde sociale bescherming te garanderen als de werknemers die krachtens een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld, zoals de huisarbeiders die verbonden zijn met een overeenkomst voor de tewerkstelling van huisarbeiders bedoeld in Titel VI van de Arbeidsovereenkomstenwet. Het loutere feit dat er voortaan een specifieke wettelijke regeling is voorzien voor de huisarbeiders die krachtens een arbeidsovereenkomst hun prestaties verrichten, wijzigt op zich immers niets aan de specifieke werkomstandigheden van de huisarbeiders bedoeld in artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit. 5. De hoven en rechtbanken kunnen met toepassing van artikel 159 van de Grondwet een koninklijk besluit terzijde schuiven, voor zover dit niet met de wetten overeenstemt, onder meer wanneer het een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel of het discriminatieverbod. Waar artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit, zoals hoger aangetoond, geen schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel, noch van het discriminatieverbod, heeft het bestreden arrest deze bepaling bijgevolg niet wettig terzijde kunnen schuiven wegens de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 6. Hieruit volgt dat het bestreden arrest ten onrechte de toepassing van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit terzijde heeft geschoven op grond dat deze bepaling, vanaf de inwerkingtreding van Titel VI van de Arbeidsovereenkomstenwet op 1 maart 1997, ingeval van een betwisting inzake schijnzelfstandigheid, een ongelijke behandeling in het leven heeft geroepen die niet op objectieve en redelijke criteria te verantwoorden is, met name tussen, enerzijds, de opdrachtgevers die huisarbeiders tewerkstellen, en, anderzijds, de opdrachtgevers die werken met niet-huisarbeiders (schending van alle in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen, in het bijzonder de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet).

III.

BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling Eerste onderdeel 1.

Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is vereist dat een werknemer

zich ertoe verbindt, tegen loon, onder gezag van een werkgever arbeid te verrichten.

S.08.0008.N/10

20 OKTOBER 2008

Krachtens artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, ingevoerd bij de wet van 6 december 1996 en in werking getreden op 1 maart 1997, is voor de huisarbeiders die tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een werkgever niet vereist dat zij onder het toezicht of de rechtstreekse controle van de werkgever staan. 2.

Krachtens artikel 2, §1, van de RSZ-wet van 27 juni 1969, kan de Koning,

bij in ministerraad overlegd besluit en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, de toepassing van deze wet uitbreiden “tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid

verrichten

in

gelijkaardige

voorwaarden

als

die

van

een

arbeidsovereenkomst” en alsdan de persoon aanwijzen “die als werkgever wordt beschouwd”. In uitvoering van deze bepaling heeft de Koning in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 de toepassing van de wet van 27 juni 1969 verruimd tot “de personen die op een door hen gekozen plaats, in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken die één of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, alsmede tot die handelaars”. 3.

Uit de voornoemde bepalingen volgt dat de verruiming van de toepassing

van de wet van 27 juni 1969 tot de personen bedoeld in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, van toepassing is op personen die niet onder het gezag van een werkgever arbeid verrichten. 4.

Vermits de personen bedoeld in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van

28 november 1969 niet de huisarbeiders zijn omschreven in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet, moet bij de beoordeling van de gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst in het kader van artikel 3, 4°, van het voormeld uitvoeringsbesluit bijgevolg geen rekening worden gehouden met het gezagselement, zoals dit besloten ligt in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet.

S.08.0008.N/11

20 OKTOBER 2008

5.

Het arrest dat oordeelt dat artikel 119.1 geen enkele vorm van huisarbeid

van haar toepassingsgebied uitsluit en dus ook niet de categorie die beoogd wordt in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 en op die gronden de vordering van de eiser ongegrond verklaart omdat geen gezagsverhouding tussen de verweerster en de thuiswerkende medewerkers werd aangetoond, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel 6.

De grondwettelijke regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet en van

de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover voor het criterium van dat onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met inachtneming van het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande maatregel. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel geen redelijk verband van evenredigheid bestaat. 7.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met de in artikel 2, §1, van de RSZ-wet

van 27 juni 1969 bedoelde “personen die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst”, de zogenaamde marginale arbeidskrachten uit de privé-sector worden beoogd. Dit zijn de personen die in sociaal-economisch opzicht in een zelfde toestand verkeren als de werknemers maar die wegens de aard van de door hen gesloten overeenkomst juridisch niet kunnen aangezien worden als arbeidend onder het gezag van een ander persoon. De uitbreiding van het toepassingsgebied van de RSZ-wet van 27 juni 1969 heeft tot doel deze personen die in sociaal-economisch opzicht in een zelfde toestand verkeren als de werknemers, dezelfde sociale bescherming te verlenen. Deze gelijkstelling met werknemers, die beperkt is tot de socialezekerheidswetgeving en niet raakt aan de bestaande rechtsverhouding tussen partijen, is geen maatregel die

ertoe

strekt

de

bewijslast

schijnzelfstandigheid” te verlichten.

van

de

eiser

bij

“de

aanpak

van

S.08.0008.N/12

20 OKTOBER 2008

Artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 strekt er aldus toe de huisarbeiders die niet onder het gezag van een werkgever werken in omstandigheden die gelijkaardig zijn aan die van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet, dezelfde sociale bescherming te verlenen als de huisarbeiders die wel door een arbeidsovereenkomst verbonden zijn. 8.

De

omstandigheid

dat

de

eiser

bij

het

invorderen

van

socialezekerheidsbijdragen voor gewone werknemers het bewijs moet leveren van een gezagsverhouding en dat hij voor de huisarbeiders bedoeld in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, slechts moet bewijzen dat die huisarbeiders in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst werken, houdt op zich geen verboden ongelijke behandeling of discriminatie van hun opdrachtgevers in, vermits de bedoelde werknemers en huisarbeiders zich niet in dezelfde situatie bevinden. Het onderscheid in de behandeling ten aanzien van de gewone werknemers en de in voormeld artikel 3, 4°, bedoelde huisarbeiders is gelet op het in randnummer 7 vermelde beoogde doel ook objectief en redelijk verantwoord. Het verschil in behandeling van de opdrachtgevers dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, is dienvolgens niet in strijd met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod, vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 9.

Na te hebben geoordeeld zoals vermeld in randnummer 5, oordeelt het arrest

dat het na 1 maart 1997 niet langer verantwoord is een verschil in behandeling te handhaven tussen de opdrachtgevers, verschil dat er in bestaat dat “de (eiser), bij de aanpak van een opdrachtgever die werkt met personeel dat thuis werkt en nadat hij faalt in het bewijs van het bestaan van een arbeidsovereenkomst in de zin van titel VI (van de Arbeidsovereenkomstenwet), alsnog een beroep (kan) doen op de toepassing van het (koninklijk besluit) van 28 november 1969, terwijl hij op dit koninklijk besluit niet kan terugvallen, wanneer hij een opdrachtgever aanpakt wiens medewerkers niet thuis werken”. Door op die gronden de toepassing van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 terzijde te schuiven wegens schending van het beginsel van

S.08.0008.N/13

20 OKTOBER 2008

gelijke behandeling en niet-discriminatie, schendt het arrest de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet en artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 20 oktober 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Ph. Van Geem

K. Mestdagh

A. Smetryns

E. Stassijns

E. Dirix

R. Boes

Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.