Inleiding Geografische Informatiesystemen Het Friese landschap en de Friese maatschappij Hoofdelingen en Eigenerfden


1 2 3 Inhoudsopgave Inleiding... 4 Historiografie Geografische Informatiesystemen Ruimtelijke analyse en het gebruik van GIS Kwaliteit, onzekerheid en...
Author:  Nienke Verlinden

0 downloads 1 Views 6MB Size

Recommend Documents


Friese Amerikanen en de Friese Beweging
1 It Beaken jiergong nr 1/ Friese Amerikanen en de Friese Beweging Gerlof D. Homan Summary The Frisian Movement in the Netherlands began in the 19 th ...

De toekomst van het Friese landschap
1 De toekomst van het Friese landschap Tegearre ûs eigen broek ophâlde Woudsend, 5 maart 2019 Peter de Ruyter,2 bron: Boskoops museum Kind...

Vloeiend landschap Over de toekomst van het Friese landschap
1 Vloeiend landschap Over de toekomst van het Friese landschap 12 23 Over de toekomst van het Friese landschap vloeiend landschap 3 peter de ruyter bo...

FRIESE Friese Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling
1 DE FRIESE Friese Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling Basismodel voor het handelen bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandelin...

> Nationaal Landschap De Noordelijke Friese Wouden
1 > Nationaal Landschap De Noordelijke Friese Wouden Zelfsturing kan niet zonder doelen en monitoring Wim de Vries e.a. De leden van de Vereniging ...

1345 en de Friese kloosters
1 94 GraafWillem IV, de Hollands-Friese oorlog van 1344/1345 en de Friese kloosters J.A. Mol Inleiding In de late Middeleeuwen was Friesland in twee o...

Bewonerswensen ten aanzien van het landschap van de Friese Wouden
1 Bewonerswensen ten aanzien van het landschap van de Friese Florien Kuijper Derk Jan Stobbelaar Februari Onderzoek Inleiding Dit onderzoek richt zich...

Friese en Noordhollandse knottekistjes
1 Friese en Noordhollandse knottekistjes Wotte sa uotte, Dêr haste d.e hnotte; Wolst is net dutaen, Moatst him uer jaen. C. Boscnnra 1 Zie ook H...

Notitie organisatie Regionaal Landschap Drents-Friese grensstreek
1 Notitie organisatie Regionaal Landschap Drents-Friese grensstreek Afgelopen periode is gezocht naar een nieuw organisatiemodel voor Nationaal Park D...

BESTUURSAFSPRAAK FRIESE TAAL EN CULTUUR
1 BESTUURSAFSPRAAK FRIESE TAAL EN CULTUUR2 Considerans De Staat der Nederlanden, te dezen vertegenwoordigd door de ministers van Binnenlandse Zaken en...


Inhoudsopgave Inleiding ....................................................................................................................................... 4 Historiografie ....................................................................................................................................... 5 1. Geografische Informatiesystemen ........................................................................................... 11 Ruimtelijke analyse en het gebruik van GIS ...................................................................................... 13 Kwaliteit, onzekerheid en fouten ...................................................................................................... 13 GIS binnen geschiedenis .................................................................................................................... 15 2. Het Friese landschap en de Friese maatschappij ...................................................................... 18 Landschap .......................................................................................................................................... 18 Maatschappij ..................................................................................................................................... 21 3. Hoofdelingen en Eigenerfden .................................................................................................. 24 Gelaagde groep in een vetemaatschappij ......................................................................................... 24 De betwijfelde lijn ............................................................................................................................. 26 Eigenerfden ....................................................................................................................................... 28 Bezit ................................................................................................................................................... 30 4. Het Register van den Aanbreng ............................................................................................... 33 Oorsprong.......................................................................................................................................... 33 Inhoud en gebruik ............................................................................................................................. 37 5. Bezitsreconstructie en analyse ................................................................................................ 40 Inhoud register naar database .......................................................................................................... 40 Lokalisatie boerderijen in GIS ............................................................................................................ 42 Analyse van bezit, locatie en ruimtelijke factoren ............................................................................ 44 Conclusie ................................................................................................................................... 49 Bijlagen ...................................................................................................................................... 52 Bronnen- en literatuurlijst .......................................................................................................... 62 Woord van dank ......................................................................................................................... 67

3

Inleiding Middeleeuws Friesland staat bekend om zijn communale autonomie en zijn rijke, maar relatief egalitaire maatschappij. De communale autonomie is beter bekend onder de naam Friese vrijheid. Op het eerste gezicht geeft deze term de impressie van een stereotypering. De ‘vrije Fries’ valt dan in dezelfde categorie als ‘de nuchtere Hollander’ of ‘Brabantse gezelligheid’. Dit is echter niet het geval. De Friese vrijheid definieert een belangrijke periode in de Friese geschiedenis (circa 1250-1498). Deze periode viel op door de aanwezigheid van autonome steden en rurale gemeenschappen, alsook de afwezigheid van een centraal bestuur in de vorm van een graaf of hertog. De Friese vrijheid heeft een plek in de moderne Friese cultuur en in literatuur, musea, monumenten en geschiedkundig onderzoek. Zo heet het wetenschappelijke jaarboek van het Koninklijk Fries Genootschap, dat al sinds 1839 wordt uitgegeven, de Vrije Fries. Ook in het Friese onderwijs is de periode terug te vinden. De provinciale onderwijscommissie heeft de Friese vrijheid toegevoegd aan haar historische canon. De Friese vrijheid is één van de eenenveertig meest belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen in de Friese geschiedenis.1 Behalve op papier wordt de periode herinnerd in steen. Verschillende monumenten in Friesland en Noordwest Duitsland staan symbool voor de periode van vrijheid.2 Eén monument bevind zich vlakbij Stavoren bij het Roode Klif, tegenwoordig een voornamelijk groene dijk aan het IJsselmeer. Elk jaar wordt op deze plek de slag bij Stavoren van 1345 herdacht, waarin de Friezen gezamenlijk graaf Willem IV van Holland (1307-1345) versloegen. Omringd door een stenen muurtje staat een zwerfkei met daarop de tekst: leaver dea as slaef (liever dood dan slaaf).3 Het monument, het jaarboek en de opname in de canon zijn maar enkele voorbeelden, maar gecombineerd met bijvoorbeeld het gebruik van de Friese taal tonen ze het koesteren van de Friese historische cultuur door de Friese bevolking.4 Tijdens de Friese vrijheid ontbrak het aan een centrale bestuurlijke entiteit met een geweldsmonopolie. De grafelijke rechten over de regio waren in handen van niet-Friese heersers die niet in staat waren het gebied tot een territoriaal domein te vormen. 5 Westerlauwers Friesland bestond uit een federatie van autonome steden en boerengemeenschappen. 6 Vergeleken met de omringende landsheerlijke staten was deze federatie een uniek verschijnsel.7 De vrije inwoners van de

1

http://www.11en30.nu/de-canon-vensters/de-friese-vrijheid (geraadpleegd op 04-10-2016). De wetenschappelijke literatuur kent geen vastgesteld jaar waarin de Friese vrijheid begon. De dertiende eeuw wordt het vaakst genoemd, de Friese canon is iets specifieker met het jaar 1250. 2 Een ander monument dan dat bij Stavoren is het monument voor de Opstalsboom in Aurich, in het Duitse Oost-Friesland. Bij de Opstalsboom werden vonnissen uitgesproken. De plek was ook de naamgever van het Opstalsboomverbond, een poging tot het verenigingen van alle Friezen in 1323. Meer over dit monument en het verbond is te vinden in: Oebele Vries, "Staatsvorming in Zwitserland en Friesland in de late middeleeuwen. Een vergelijking," in Fryslan, staat en macht 14501650, J. Frieswijk, et al., eds., (Leeuwarden: Verloren, 1999), 34-36. Zie ook: Willem Kuppers, "Upstalsboom - der 'Altar der Freiheit'. Vom Landtagsgelände der Friesen bis zur Thingstätte im Dritten Reich," in Die Friesische Freiheit des Mittelalters Leben und Legende, Hajo van Lengen, ed. (Aurich: Ostfriesische Landschaft, 2003), 423-434. 3 J.A. Mol, "Tussen Staveren en Warns: het Rode Klif. Fries nationalisme.," in Plaatsen van herinnering. Nederland van prehistorie tot Beeldenstorm, Wim Blockmans en H. Pleij, eds., (Amsterdam: 2007), 229-230 en 237-239. 4 P.N. Noomen, "De Friese vetemaatschappij: sociale structuur en machtsbases," in Fryslan, staat en macht 1450-1650, J. Frieswijk, et al., eds., (Leeuwarden: Verloren, 1999), 43; J.J. Spahr van der Hoek, Geschiedenis van de Friese Landbouw, 3 vols., vol. 1 (Drachten: Friesche Maatschappij van Landbouw, 1952), 81. 5 J.A. Mol, "The Cistercian model? The Application of the Grange System by the Various Religious Orders in the Frisian Coastal Area, 1150-1400," The Medieval Low Countries 1 (2014), 205-232, aldaar 208. 6

Westerlauwers Friesland is het gedeelte van het Friese cultuurgebied ten westen van de rivier de Lauwers. Voor verdere uitleg zie pagina 18. 7

Wim Blockmans, "Van private naar publieke macht in de vijftiende en zestiende eeuw," in Fryslan, staat en macht 14501650, J. Frieswijk, et al., eds., (Leeuwarden: Verloren, 1999), 17-21.

4

steden en gemeenschappen kozen hun eigen bestuurders en rechters. Een deel van de bestuurlijke macht was in handen van de hoofdelingen.8 Deze lokale leiders bezaten een versterkt stenen huis en enkelen van hen konden een kleine strijdgroep op de been brengen. Het gebrek aan een centraal gezag gaf deze hoofdelingen de vrijheid elkaar te bevechten. 9 De vetes waren zo frequent dat de Friese maatschappij tijdens deze periode door enkele historici als een vetemaatschappij wordt omschreven. Hoewel het geweld voornamelijk bestond uit kleine lokale vetes, kwamen zo nu en dan ook grotere conflicten voor. Gedurende de latere periode van de Friese vrijheid verschenen twee dominante partijen op het toneel: de Schieringers en de Vetkopers. De machtsstrijd tussen deze twee partijen zou uiteindelijk leiden tot de ondergang van de Friese vrijheid. De chaos die voortkwam uit dit conflict was namelijk een belangrijke reden voor Roomse koning (later keizer) Maximiliaan I van Oostenrijk (14591519) om de bestuurlijke aanspraak op de regio aan de Saksische hertog Albrecht (1443-1500) te schenken. Hertog Albrecht veroverde de Friese landen door handig gebruik te maken van de reeds aanwezige Duitse huurlingen, ingezet door Schieringers en Vetkopers. Hij maakte met deze verovering een einde aan de Friese vrijheid. 10 Deze gegeneraliseerde samenvatting van het ontstaan en het verdwijnen van de Friese vrijheid, als het ware ontdaan van details, is een begrijpelijke en bruikbare algemene uitleg.11 De uitleg past goed binnen de zojuist beschreven Friese historische cultuur. Het geeft het idee van een vrije Friese samenleving die uiteindelijk door vetes en verovering verloren is gegaan. De realiteit is echter gecompliceerder. De betekenis van de Friese vrijheid, de gevolgen van die vrijheid, en het daaraan verbonden idee van een egalitaire samenleving zijn onderwerp van een langdurig wetenschappelijk debat.12

Historiografie Het moderne historisch onderzoek naar de Friese vrijheid begon met het werk van P.J. Blok, zijn leerling I.H. Gosses, en Gosses’ leerling B.H. Slicher van Bath.13 In hun academische opvatting betekende de Friese vrijheid vooral vrijheid van heerschappij door een graaf of hertog. Bloks onderzoek naar de vetes en de Friese agrarische geschiedenis ving aan met twee artikelen in de Bijdragen voor Vaderlandsche

8

In het Oudfries: haedlingen Blockmans, Van private naar publieke macht in de vijftiende en zestiende eeuw, 20-21. P.N. Noomen, De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners (Leeuwarden: Fryske Akademy & Uitgeverij Verloren Hilversum, 2009), 181-183. 10 J.A. Mol, "Hoofdelingen en huurlingen. Militaire innovatie en de aanloop tot 1498," in Fryslan, staat en macht 1450-1650, J. Frieswijk, et al., eds., (Leeuwarden: Verloren, 1999), 65, 77-78. 11 Oebele Vries, "Staatsvorming in Zwitserland en Friesland in de late middeleeuwen. Een vergelijking," ibid., J. Frieswijk, et al., eds., 27. 12 Het Nederlandse academische onderzoek naar de Friese vrijheid start met: P.J. Blok, "Studiën over Friesche toestanden in de middeleeuwen," Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO) 3, no. 6 (1892), 1-56; "Schieringers en Vetkoopers," Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO) 3, no. 7 (1893), 1-40. De volgende publicaties zijn de basis van wetenschappelijk onderzoek naar de Friese vrijheid: J.S. Theissen, Centraal Gezag en Friesche Vrijheid, Friesland onder Karel V (Groningen: Universiteit Leiden, 1907); I.H. Gosses, "De Friesche hoofdeling," Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde 76, no. 3 (1933), 49-122; B.H. Slicher van Bath, Boerenvrijheid. Inaugurele rede hoogleraar sociale en economische geschiedenis Rijksuniversiteit Groningen (Groningen 1948); N.E. Algra, Ein. Enkele rechtshistorische aspecten van de grondeigendom in Westerlauwers Friesland (Groningen: P. Noordhoff, 1966); J.J. Kalma, J.J. Spahr van der Hoek, en K. de Vries, eds., Geschiedenis van Friesland (Leeuwarden: Laverman, 1968). Voorbeelden van recente Nederlandse bijdragen aan het debat zijn publicaties van Oebele Vries (publicaties tussen 1999 en 2015) Paul Noomen (1999-2012), J.A. Mol (1989-2016) en Matthijs Gerrits (2010). Al deze publicaties worden beschreven en gebruikt in deze scriptie. Tenslotte, twee voorname bijdragen van zowel Duitse als Nederlandse historici zijn: J. Frieswijk et al., Fryslân, staat en macht 1450-1650. Bijdragen aan het historisch congres te Leeuwarden van 3 tot 5 juni 1998 (Leeuwarden: Verloren, 1999); Hajo van Lengen, Die Friesische Freiheit des Mittelalters Leben und Legende (Aurich: Ostfriesische Landschaft, 2003). 13 Hoewel er meer historici een bijdrage leverden, vormen deze drie de kern. N.E. Algra, Zeventien Keuren en Vierentwintig Landrechten, 2 ed. (Doorn: Graal, 1991), 140. 9

5

Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO) in 1892 en 1893. 14 Hij verklaarde daarin de voortdurende conflicten tussen de Schieringers en Vetkopers door het gebrek aan een krachtige centrale staat.15 Volgens Blok was de Friese maatschappij voorbestemd voor overname door een grotere centrale staat. De Friese eigenerfden, vrije boeren met eigen land, hadden hun persoonlijke vrijheid vooral te danken aan de constante twisten van de lokale elite, die geen tijd had zich met hen te bemoeien.16 Hoewel Blok zich in zijn verdere wetenschappelijke carrière niet specialiseerde in de Friese geschiedenis, werd zijn visie gevolgd door zijn leerling Isaac Gosses, die zich voornamelijk richtte op de Friese hoofdelingen. Invloedrijk was zijn theorie over de discontinuïteit van middeleeuwse adellijke families, waarin hij een doorgaande lijn van de machtige vroegmiddeleeuwse elite naar de latere hoofdelingen ontkende. 17 Bernard Slicher van Bath noemde Friesland een verzameling van autonome boerenrepubliekjes waar het hofstelsel en de feodaliteit, karakteristiek voor een groot deel van WestEuropa, ontbraken. Friesland dankte haar vrijheid en boerengemeenschappen aan het gezamenlijke gevecht tegen het water, de bloeiende veehouderij en de daaruit voortkomende geldeconomie. 18 Voordat de hoofdelingen in de veertiende eeuw aan de macht kwamen, hadden de eigenerfden meer invloed op recht en bestuur.19 Slicher van Bath sprak in dit verband zelfs van een eenvoudige vorm van democratisch bestuur: ‘Dit bestuur kan men het best “gematigd democratisch” noemen, immers niet het gehele volk, doch slechts een gedeelte was gerechtigd tot het landsbestuur.’20 Slicher van Bath zag, in navolging van Blok en Gosses, de overname van Westerlauwers Friesland door de Saksische hertog als een logisch gevolg van de gebeurtenissen die hij beschreef. Het chaotische en kapotte Friesland kon alleen ‘gered’ worden door een sterke buitenlandse vorst.21 Deze drie historici, samen met enkele tijdgenoten, beïnvloedden lange tijd de academische publicaties over de Friese geschiedenis en de Friese vrijheid. Zo nu en dan werden over bepaalde onderwerpen wel nieuwe visies gevormd, maar het algemene beeld van de middeleeuwse Friese maatschappij en de strijdende partijen van Schieringers en Vetkopers veranderde niet.22 Een duidelijk voorbeeld van deze onveranderde perceptie was het handboek van de Friese geschiedenis, gepubliceerd in 1968. In de Geschiedenis van Friesland volgden veel auteurs nog steeds de visie van P.J. Blok, met argumentatie uit publicaties die destijds meer dan zeventig jaar oud waren.23 Ook de argumentatie van Isaac Gosses over de invloed van hoofdelingen op de maatschappij werd gebruikt en zelfs uitvergroot in het handboek.24 J.J. Spahr van der Hoek probeerde in de publicatie de partijstrijd een nieuwe interpretatie 14

Zie voetnoot 12. Matthijs Gerrits, "Schieringers, Vetkopers en het einde van de Friese vrijheid. De historiografie van veten en partijen in een overgangssituatie," Tijdschrift voor Geschiedenis 123, no. 2 (2010), 254-267, aldaar 256; Blok, "Schieringers en Vetkoopers," 2. 16 "Studiën over Friesche toestanden in de middeleeuwen," 48-49. 17 Gosses, "De Friesche hoofdeling," 62-74. 18 Otto S. Knottnerus, "Bauernfreiheit," in Die Friesische Freiheit des Mittelalters - Leben und Legende, Hajo van Lengen, ed. (Aurich: Ostfriesische Landschaft, 2003), 380; B.H. Slicher van Bath, "Middeleeuwse welvaart," in Geschiedenis van Friesland, J.J. Kalma, J.J. Spahr van der Hoek, en K. de Vries, eds., (Leeuwarden: Laverman, 1968), 207. 19 Gerrits, "Schieringers, Vetkopers en het einde van de Friese vrijheid," 257; Slicher van Bath, Boerenvrijheid, 4-9. 20 Ibid., 8. 21 Zo schreef een tijdgenoot van Blok en Gosses, Theissen, dat alleen een krachtige centrale autoriteit een einde kon maken aan deze situatie. Theissen, Centraal Gezag en Friesche Vrijheid, 8. Een ander voorbeeld van deze visie is de beschrijving van de jaren 1350-1500 in: Slicher van Bath, Middeleeuwse welvaart, 223-224. Nog een voorbeeld van de onvermijdelijkheid van de Saksische overname is te vinden in: J.J. Woltjer, "In de Leerschool der Monarchie," ibid., 259. 22 Gerrits, "Schieringers, Vetkopers en het einde van de Friese vrijheid," 255-258. 23 Kalma, Spahr van der Hoek, en Vries, Geschiedenis van Friesland. Volgens Matthijs Gerrits laat de publicatie zien dat, ondanks vernieuwde meningen binnen verschillende thema’s, de meeste historici de (algemene) visie van Blok en zijn opvolgers volgen. Zie: Gerrits, "Schieringers, Vetkopers en het einde van de Friese vrijheid," 258. 24 Noomen, De Friese vetemaatschappij: sociale structuur en machtsbases, 43. 15

6

te geven. Hij verklaarde het conflict tussen Schieringers en Vetkopers als een strijd tussen stad en platteland. De visie van Spahr van der Hoek was, hoewel vernieuwend van aard, gebaseerd op onzorgvuldig en eenzijdig brongebruik.25 Hoewel niet elke bijdrage uit het handboek zo kritisch werd ontvangen, liet de publicatie Geschiedenis van Friesland zien dat het wetenschappelijk debat over middeleeuws Friesland dringend toe was aan vernieuwing. Enkele jaren na de publicatie van de Geschiedenis van Friesland startten zowel Duitse als Nederlandse historici met het opnieuw onderzoeken van reeds bekende bronnen. Deze historici waren kritischer aangaande traditionele visies op het middeleeuwse Friesland.26 Een belangrijk verschil was dat ze de opkomst van een grote centrale staat niet meer als vanzelfsprekend zagen en met een meer open blik naar de Friese maatschappij keken. Een voorbeeld van deze vernieuwing biedt de studie naar de bijdrage van de Friezen aan de internationale middeleeuwse handel. Deze bijdrage was lange tijd overschat. 27 Een combinatie van archeologische vondsten, veronderstelde resten van handelsnederzettingen en een verkeerde perceptie van de veeteelt, deed vermoeden dat de rol van de Friezen in deze handel groot was. Lange tijd werd aangenomen dat akkerbouw zeer beperkt was en dat de Friese terpbewoners vrijwel exclusief aan veeteelt deden. Beide aannames: de rol in de handel en de intensiteit van veeteelt, bleken behoorlijk overschat en werden daarom bekritiseerd. In veel gevallen was akkerbouw op meer plekken mogelijk dan alleen bovenop een onbewoonde terp. De rol van de Friezen in de handel werd bijgesteld na kritisch onderzoek van de archeologische bronnen.28 Een ander voorbeeld is de kritiek van de twee historici Algra en Schuur op de stelling van Slicher van Bath over de afwezigheid van onvrije pachters. Ze toonden aan dat tot in de zestiende eeuw wel degelijk onvrije boeren voorkwamen.29 Het traditionele beeld van de hoofdelingen veranderde ook in deze jaren. De lang gevolgde argumentatie van Gosses over deze hoofdelingen werd bekritiseerd. Algra was van mening dat hoofdelingen geen staatsrechtelijk onkruid waren, aangezien ze in bronnen uit de twaalfde eeuw al bepaalde oude rechten bezaten. Paul Noomen onderstreepte de argumenten van Algra met zijn uitgebreide onderzoek naar de machtsposities van hoofdelingen. Dit onderzoek naar hoofdelingen was nauw verbonden met een breder debat over de middeleeuwse samenleving van Friesland.30 Er zijn meer voorbeelden te noemen van kanttekeningen bij de oude visie, maar wat opvalt is dat niet alle traditionele visies en argumenten meteen werden ontkracht. Tot de dag van vandaag zijn historici het niet eens over de details van de maatschappij, de Friese elite en de betekenis van de Friese vrijheid. Ook mist een eenduidige uitleg van bepaalde termen in zowel de Nederlandse als de Duitse kant van het debat.31 De afgelopen decennia waren de oorsprong en afkomst van de hoofdelingen nog steeds het onderwerp van debat. In dit debat onderscheidden zich twee kampen. Eén zijde volgde de theorie van Gosses waarin hij beweert dat de hoofdelingen een nieuwe klasse waren in de veertiende eeuw. De andere zijde beargumenteerde een doorgaande lijn van afstamming van de hoofdelingen, in dat 25

Gerrits, "Schieringers, Vetkopers en het einde van de Friese vrijheid," 258-259. Knottnerus, Bauernfreiheit, 385. Mol, Hoofdelingen en huurlingen, 67. 27 Blok, "Studiën over Friesche toestanden in de middeleeuwen," 26. 28 G.J. de Langen, Middeleeuws Friesland: De economische ontwikkeling van het gewest Oostergo in de vroege en volle middeleeuwen (Groningen 1992), 274-277. 29 Gerrits, "Schieringers, Vetkopers en het einde van de Friese vrijheid," 259. Algra, Zeventien Keuren en Vierentwintig Landrechten, 139-153; J.R.G. Schuur, "De Friese Hoofdeling opnieuw bekeken," BMGN - Low Countries Historical Review 102, no. 1 (1987), 1-28, aldaar 3. 30 Ibid., Matthijs Gerrits, 259. 31 André R. Köller, Agonalität und Kooperation: Führungsgruppen im Nordwesten des Reiches 1250-1550 (Göttingen: Wallstein Verlag, 2015), 256. 26

7

geval een veel oudere lokale elite. Dit debat, dat later in deze scriptie uitgebreider zal worden beschreven, lijkt een discussie zonder einde die, behalve aan eenduidig te interpreteren bronnen ook lijdt aan een gebrek aan heldere terminologie. Die onduidelijkheid maakt de geschiedenis van de Friese vrijheid soms ingewikkeld en het debat op bepaalde momenten stroef. Middeleeuws Friesland staat bekend als een boerenmaatschappij met een voornamelijk agrarisch georiënteerde economie. In dat licht werd ook veel gepubliceerd over de Friese historie in Nederlandse publicaties. Binnen het thema van de Friese vrijheid komen vooral de hoofdelingen veelvuldig aan bod. De vele vetes maken hun geschiedenis boeiend. De focus op de hoofdelingen beperkt echter het debat en verhindert een heldere uitleg van de gehele middeleeuwse Friese maatschappij. De lokale leiders stonden in veel opzichten namelijk niet ver van de klasse die direct onder hen viel: de eigenerfden. Deze eigenerfden, vrije boeren met eigen bezit, ontbreken echter vaak in de recente literatuur, ondanks hun respectabele aantal in de middeleeuwen en hun culturele betekenis in latere tijden. Een enkele keer worden ze wel genoemd, maar zeker niet uitgebreid beschreven.32 Er is dus vooral veel geschreven over de hoofdelingen, maar dit lijkt geen recht te doen aan de daadwerkelijke situatie van die tijd. Wat bezaten de eigenerfden? Hoe dicht lag hun land bij dat van hoofdelingen? En vooral, hoe egalitair was deze Friese samenleving eigenlijk wanneer men kijkt naar het bezit van deze twee groepen? Het recente werk van Paul Noomen over stinzen in Friesland laat zien dat de locatie van het bezit van hoofdelingen veel kan zeggen over de betreffende groep. De studie biedt op een beschrijvende en grafische manier inzicht in de hoofdelingen en hun machtsposities. Een dergelijke analyse is mogelijk door gebruik te maken van een Geografisch Informatiesysteem (GIS). Het gebruik ervan past bij de recente trend onder historici die gebruik maken van geavanceerde digitale technieken en methoden, vaak aangeduid onder de noemer Digital Humanities.33 GIS is binnen de geschiedwetenschap een nog relatief onbekende benaderingswijze. Het geeft de gebruiker de mogelijkheid verschillende databases met historische informatie te verbinden met een locatie. Deze combinatie maakt het mogelijk de informatie te visualiseren in statische of interactieve kaarten en laat de gebruiker ruimtelijke analyses uitvoeren. Voor de middeleeuwse Friese maatschappij bestaat een bron die een ruimtelijke analyse mogelijk maakt. Het Register van den Aanbreng (RVDA) is een fiscale grondboekhouding die in 1511 door de Saksen werd ingevoerd. Het RVDA beschrijft van boerderijen, landen en huizen zonder land de gebruiker, de eigenaren, de waarde van het hele bezit en de waarde van elk deel van de eigenaren. Een analyse van het bezit van hoofdelingen en eigenerfden in het Friese landschap kan leiden tot nieuwe inzichten van de Friese vrijheid en de egalitaire samenleving.34 Deze analyse is voor Friesland 32

Bijvoorbeeld in: Martha Kist, "Centraal gezag en Friese vrijheid: Jancko Douwama's strijd voor de Friese autonomie," in Fryslan, staat en macht 1450-1650, J. Frieswijk, et al., eds., (Leeuwarden: Verloren, 1999); P.N. Noomen, "De Friese vetemaatschappij: sociale structuur en machtsbases," ibid., J. Frieswijk, et al., eds; Justine Smithuis, "The Imagined Community of Friesland in the Late Middle Ages," in Networks, Regions and Nations: Shaping Identities in the Low Countries, Robert Stein en Judith Pollmann, eds., (Leiden: Brill, 2010); Oebele Vries, "Frisonica Libertas: Frisian freedom as an instance of medieval liberty," Journal of Medieval History 41, no. 2 (2015), 229-248. De uitzondering is de publicatie van Noomen: P.N. Noomen, "Eigenerfd of edel? Naar aanleiding van de afkomst van de Aytta's," It Beaken 74, no. 3/4 (2012), 257-302. 33 Andere technieken zijn het bijeenbrengen van grote databases per onderwerp of data- en tekstmining. De volgende wetenschappelijke tijdschriften publiceren over de Digital Humanities: Digital Humanities Quarterly, Digital Medievalist, en Digital Scholarship in the Humanities (DSH). 34 J.A. Mol, P.N. Noomen, en S.M. Strating, Het Historisch GIS Fryslân en zijn belang voor het onderzoek naar bezits- en machtsverhoudingen voor 1850 (Leeuwarden 2004), 13-14; Johanna Maria van Winter, "Adel en Aristocratie in de

8

echter nog nooit uitgevoerd. Deze scriptie wil een eerste poging doen en daarmee een nieuwe bijdrage leveren aan dit debat over de veronderstelde egalitaire samenleving, door te kijken naar de locatie en het bezit van zowel de hoofdelingen als de eigenerfden. Omdat het ondoenlijk is in een scriptie het gehele RVDA, met zestien grietenijen en twee steden, aan te pakken, zijn twee grietenijen gekozen: Hennaarderadeel en Ferwerderadeel. De keuze is op deze twee grietenijen gevallen zodat een grietenij uit Westergo (Hennaarderadeel) en een uit Oostergo (Ferwerderadeel) wordt gebruikt. Ferwerderadeel bevindt zich aan de kust en wordt gekenmerkt door hoger gelegen kwelderwallen en een vruchtbare bodem van zanderige zeeklei. Hennaarderadeel ligt meer in het binnenland en kent zowel kwelderwallen als lager gelegen kleiweiden. Van deze grietenijen wordt een poging gedaan het bezit te reconstrueren. Een kwantitatieve vergelijking van dit bezit laat zien hoeveel land de hoofdelingen en eigenerfden hadden en hoeveel dit waard was. Een kwalitatieve vergelijking laat het verschil in grond en locatie zien. In deze scriptie wordt dus eerst een poging tot een reconstructie gedaan en vervolgens wordt gekeken wat de reconstructie betekent. De hoofdvraag luidt daarom: is de reconstructie van het bezit van eigenerfden en hoofdelingen in 1511 mogelijk? De vraag die direct daarna wordt gesteld is: wat vertelt de reconstructie over het bezit en de positie van beide groepen in middeleeuws Westerlauwers Friesland? De hoofdvraag wordt beantwoord aan de hand van meerdere deelvragen. Het eerste hoofdstuk beschrijft het theoretisch kader. Het boek Historical GIS, Technologies, Methodologies and Scholarship van Ian Gregory en Paul Ell is voor dit hoofdstuk belangrijk voor de algemene uitleg van GIS en het gebruik bij geschiedkundig onderzoek. 35 In dit hoofdstuk wordt gekeken naar wat GIS is, hoe het gebruikt wordt en hoe het specifiek binnen de historische wetenschap toegepast kan worden. Het wordt duidelijk dat een reconstructie van bezit, met behulp van GIS, kennis en context vereist van verbonden factoren zoals het landschap, de maatschappij en de gebruikte bron. Deze factoren komen in de drie daarop volgende hoofdstukken aan bod. In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op het landschap en de maatschappij van middeleeuws Friesland. Eerst worden drie landschappelijke eenheden beschreven met gebruik van publicaties van de geograaf Meindert Schroor en de archeoloog Gilles de Langen. 36 Vervolgens komen belangrijke instituties en groepen binnen de maatschappij aan bod, zoals de kerken, kloosters en steden. Aangezien deze scriptie draait om de hoofdelingen en eigenerfden wordt in het derde hoofdstuk dieper ingegaan op de maatschappij door specifiek naar deze twee groepen te kijken. Allereerst wordt gekeken naar de specifieke kenmerken van de hoofdeling. Vervolgens wordt met gebruik van het recente werk van André Köller het huidige debat over de hoofdeling en zijn herkomst toegelicht.37 Daarna is het de beurt aan de eigenerfden. Er wordt beschreven wat een eigenerfde kenmerkt. In dit gedeelte is het werk van Paul Noomen belangrijk gebleken, aangezien hij de enige historicus is die recent uitgebreid op de eigenerfden is ingegaan. Ook bij het laatste gedeelte over het bezit van zowel hoofdelingen als eigenerfden waren zijn publicaties essentieel.38

Middeleeuwen," Tijdschrift voor Geschiedenis 93, no. 3 (1980), 357-376, aldaar 371-372; P.N. Noomen, "Consolidatie van familiebezit en status in laat-middeleeuws Friesland," in Zorgen voor zekerheid. Studies over Friese testamenten in de vijftiende en zestiende eeuw, J.A. Mol, ed. (Leeuwarden: Fryske Akademy, 1994), 98. 35 Ian N. Gregory en Paul Ell, Historical GIS, Technologies, Methodologies and Scholarship (Cambridge: Cambridge University Press, 2007). 36 Meindert Schroor, De wereld van het Friese landschap (Wolters-Noordhoff, 1993); Langen, Middeleeuws Friesland. 37 Köller, Agonalität und Kooperation. 38 Noomen, Consolidatie van familiebezit en status; De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners; "Eigenerfd of edel?."

9

In het vierde hoofdstuk wordt de belangrijkste bron, het RVDA beschreven. Het ontstaan, de inhoud en het gebruik in de wetenschap komen aan bod. Bij de beschrijving van het ontstaan van het register is veelvuldig gebruik gemaakt van primaire bronnen, waaronder de bekende kronieken van Worp en Peter van Thabor. 39 Het oude, maar uitgebreide werk van J.S. Theissen over het Habsburgse en Saksische bewind over Friesland bleek ook belangrijk voor dit gedeelte.40 Voor de beschrijving van de inhoud en het gebruik van het register zijn de publicaties van T.J. de Boer en J.A. Faber gebruikt.41 Het vijfde hoofdstuk biedt de eigenlijke analyse. Allereerst wordt beschreven hoe het register is voorbereid voor het gebruik. Vervolgens wordt het bezit van hoofdelingen en eigenerfden in 1511 gereconstrueerd. Tenslotte wordt ontleed wat deze reconstructie oplevert voor de kennis van het bezit en de positie van beide groepen. Het laatste gedeelte van deze scriptie bevat de conclusie, enkele gedachten over het huidige debat en toekomstige perspectieven omtrent de reconstructie van bezit in middeleeuws Friesland.

39

Petrus Thaborita, Historie van Vriesland, H.W.C.A. Visser en H. Amersfoordt ed., 3 vols., vol. 1, Archief voor Vaderlandse, en inzonderheid Vriesche Geschiedenis, Oudheid- en Taalkunde (Leeuwarden: H. C. Schetsberg, 1824); Historie van Vriesland, H.W.C.A. Visser en H. Amersfoordt ed., 3 vols., vol. 2, Archief voor Vaderlandse, en inzonderheid Vriesche Geschiedenis, Oudheid- en Taalkunde (Leeuwarden: H. C. Schetsberg, 1827); Worperus Thaborita, Kronijken van Friesland, vierde boek, bevattende de geschiedenis van de vijftiende eeuw, Friesch Genootschap ed. (Leeuwarden: G.T.N. Suringar, 1850); Kronijken van Friesland, vijfde boek, bevattende de geschiedenis van het begin der zestiende eeuw, Friesch Genootschap ed. (Leeuwarden: H. Kuipers, 1871). 40 Theissen, Centraal Gezag en Friesche Vrijheid. 41 T.J. de Boer, "De Friesche grond in 1511," Historische avonden 2 (1907); J.A. Faber, Drie eeuwen Friesland: economische en sociale ontwikkelingen van 1500-1800 in twee delen (Leeuwarden: De Tille, 1972).

10

1. Geografische Informatiesystemen In dit hoofdstuk wordt de werkwijze van deze scriptie beschreven. Het is de eerste stap in het beantwoorden van de vraag of een reconstructie van het bezit van hoofdelingen en eigenerfden mogelijk is. Het gebruik van Geografische Informatiesystemen (GIS) is essentieel voor deze reconstructie. Allereerst wordt gekeken naar wat GIS is. Daarna volgt een beschrijving hoe GIS gebruikt wordt met behulp van enkele voorbeelden. Vervolgens wordt gekeken hoe belangrijk de kwaliteit en het gebruik van bronnen, in de vorm van datasets, zijn voor het doen van een onderzoek met GIS. Tenslotte wordt het gebruik binnen de historische wetenschap behandeld. GIS en de daaraan gerelateerde onderdelen zijn verbonden met verschillende wetenschappelijke disciplines.42 Elke discipline heeft een eigen definitie van GIS, en binnen elke discipline varieert deze definitie per wetenschapper. De term GIS bestaat uit twee onderdelen. Geografische Informatie (GI) wordt gebruikt ter aanduiding van alle informatie die verbonden is met een locatie op de oppervlakte van de aarde. Specifiek is dit informatie die gebruikt wordt voor het oplossen van een probleem of het beantwoorden van een vraag. Zonder deze verduidelijking zou bijna alle informatie GI zijn. De bronnen van GI kunnen zowel kwantitatief als kwalitatief zijn en bestaan uit tekst, afbeeldingen of geluidsopnames. Het woord systeem verwijst naar de software waarin GI wordt gebruikt. Kortom, een GIS (de afkorting slaat zowel op het meervoud als het enkelvoud) is een systeem dat de representatie van informatie over de locatie van kenmerken op aarde mogelijk maakt. 43 De informatie wordt opgeslagen in databases, waarin elk element verbonden is met een locatie op aarde. De software maakt het mogelijk deze databases te hanteren. 44 Bij een ruimere definitie wordt met GIS ook de betrokken organisatie, procedure en data bedoeld. In deze scriptie wordt de term gebruikt voor het systeem en niet voor de organisatie of procedure. GIS-specialisten zijn het met elkaar eens dat de discipline is gestart in de jaren zestig van de vorige eeuw. De Engelse geograaf Roger Tomlinson (1933-2014) staat bekend als de vader van GIS. Tomlinson was een van de eersten die de term gebruikte in zijn inleiding van de Canadian Land Inventory. 45 Canada, een land met een gigantische oppervlakte, had destijds moeite met het bijhouden, begrijpen en begeleiden van de ontwikkeling van land, water en de invloed van mensen. Het eerste GIS gaf de mogelijkheid deze informatie op te slaan, te visualiseren en te analyseren.46 Een GIS is dus een vorm van dataopslag. Het combineert de omschrijving van een object, de attribute data (eigenschappen), met de locatie van een object, de spatial data (ruimtelijke informatie). Attribute data bestaat uit tekst, cijfers, afbeeldingen, geluiden en andere formaten. Spatial data komt in de vorm van coördinaten die worden weergegeven door middel van een rooster van pixels, of met punten, lijnen of polygonen. Beide soorten data worden gecombineerd in een laag. Hoewel meer opties bestaan, wordt een laag meestal weergegeven door een rastermodel of een vectormodel. In een rastermodel wordt de oppervlakte verdeeld in een rooster van pixels. Elk vierkant vertegenwoordigd 42

Jordi Martí-Henneberg, "Geographical Information Systems and the Study of History," Journal of Interdisciplinary History 42, no. 1 (2011), 1-13, aldaar 1. 43 Gregory en Ell, Historical GIS, 2-3. 44 Martí-Henneberg, "Geographical Information Systems and the Study of History," 1. 45 Roger F. Tomlinson, An Introduction to the Geo-Information System of the Canada Land Inventory (Ottawa 1967). De gevisualiseerde tijdlijn van de geschiedenis van GIS is te vinden bij: https://www.gislounge.com/gis-timeline/ (geraadpleegd in maart 2017). 46 Ibid., 1-3.

11

een bepaalde waarde van de eigenschappen van een dataset. Een vectormodel gebruikt punten, lijnen en polygonen om de wereld te visualiseren.47 Beide modellen kennen voor- en nadelen. Een rastermodel is makkelijker en sneller, geschikt voor informatie met een hoge ruimtelijke variatie en is simpel te integreren met satellietbeelden. Enkele vormen van analyse zijn alleen mogelijk met het gebruik van een rastermodel. Toch kent een rastermodel ook nadelen. Een rasterkaart is niet altijd geschikt voor een bevredigende visuele presentatie en topologische relaties zijn binnen een rastermodel niet expliciet. Met dit laatste doelt men vooral op het verschil met een vectormodel. In een raster laag vertegenwoordigt een eenheid van pixels slechts één onderdeel van een dataset, bij een vectormodel zijn hier veel meer mogelijkheden voor. Kaarten of afbeeldingen met hoge resoluties vergen bij een rastermodel een computer met veel geheugen. Een vectormodel biedt de mogelijkheid voor een hogere precisie.48 Het is flexibel in het opslaan en aanpassen van de eigenschappen en geeft de optie een topologische analyse uit te voeren. Een kaart met een vectormodel kan visueel fantastisch zijn. Toch kent het vectormodel niet alleen voordelen. De informatie die wordt weergegeven kan misleidend zijn. Grenzen van polygonen zijn niet zo precies als ze doen vermoeden en de datastructuur van het vector model is complex. Het combineren en produceren van kaarten kan bij dit model een tijdrovende klus worden.49 Figuur 1 geeft het visuele verschil tussen deze twee modellen weer.

Figuur 1: Verschil vector en raster model (bron: http://gisinfo.hertfordshire.gov.uk/GISdata/vectorraster.htm)

47

Gregory en Ell, Historical GIS, 21-22. Timothy J. Bailey en James B.M. Schick, "Historical GIS. Enabling the Collision of History and Geography," Social Science Computer Review 27, no. 3 (2009), 291-296, aldaar 293. 49 Michael J. de Smith, Paul A. Longley, en Michael F. Goodchild, Geospatial Analysis. A Comprehensive Guide to Principles, Techniques and Software Tools, 5 ed. (The Winchelsea Press, 2007/2015), 6.1.3 en 6.1.4. De vijfde editie van het boek Geospatial Analysis is toegankelijk via een interactieve website, zonder opgave van paginanummers: http://www.spatialanalysisonline.com/HTML/index.html (geraadpleegd januari tot maart 2017). 48

12

Ruimtelijke analyse en het gebruik van GIS De mogelijkheden voor het transformeren en analyseren van data binnen GIS zijn groot. Het algemeen beschrijven van deze functies kan abstract en soms verwarrend overkomen. Beschrijvingen van functies met voorbeelden worden snel uitgebreid en langdradig. Zonder uitleg van enkele functies van GIS worden de mogelijkheden echter niet duidelijk. Daarom worden in deze paragraaf enkele functies beschreven met waar mogelijk een kort praktisch voorbeeld, voornamelijk voor het schetsen van een helder beeld van GIS in het algemeen. Met de query functie van GIS kan de gebruiker vragen stellen aan het systeem. Wanneer men over de juiste data en kaarten beschikt kan bijvoorbeeld de volgende vraag worden gesteld: in welke provincies van Nederland staat een universiteit? Met het gebruik van Structured Query Language (SQL) kan de gebruiker een vraag stellen aan de software en zo achter het antwoord komen. De drie meest voorkomende vormen zijn de attribuut, ruimtelijke en topologische query. De zojuist beschreven vraag is een voorbeeld van een attribuut query. De software zoekt in de database naar provincies waar onder het kopje universiteit positief geantwoord wordt. Vervolgens laat de software het resultaat zien door bijvoorbeeld de provincies te markeren. De ruimtelijke query zoekt naar attributen binnen een specifiek gebied. Bijvoorbeeld alle steden in de provincie Brabant. De topologische query, een mogelijkheid bij vector modellen, verstrekt informatie over hoe elementen met elkaar verbonden zijn. Een voorbeeld is de vraag: welke landen grenzen aan Nederland?50 De kracht van GIS zit in de mogelijkheid meerdere bronnen te combineren met ruimtelijke informatie. De zogenaamde overlay is daarvan een voorbeeld. Met gebruik van overlay wordt een laag met puntlocaties, bijvoorbeeld boerderijen, over een andere laag met de grenzen van percelen gelegd. Samen vormt het één laag met zowel informatie over de boerderijen als de percelen. Een andere mogelijkheid is het creëren van een buffer. Daarin wordt een cirkel getrokken rond een bepaald punt. De betekenis van de cirkel kan verschillen, maar een buffer helpt verschillende soorten informatie te combineren en achter iets nieuws te komen. Die combinatie van bronnen kan ver reiken. Een van de meest gevorderde variaties van ruimtelijke analyse is de netwerkanalyse. In een netwerkanalyse worden bijzonder veel bronnen gecombineerd voor het vinden van een antwoord op de gestelde vraag. Het zoeken van een nieuwe geschikte locatie van het distributiecentrum van een groot bedrijf wordt gedaan door middel van een netwerkanalyse. Lagen met informatie over de bereikbaarheid, mogelijkheden en kosten worden gebruikt om tot het uiteindelijke antwoord te komen.

Kwaliteit, onzekerheid en fouten Met GIS kan de wetenschappelijke gebruiker bronnen visualiseren, aanpassen en zo de informatie toepassen bij allerhande onderzoek. Deze mogelijkheden creëren voor de gebruiker echter ook obstakels waarmee rekening moet worden gehouden. In dit gedeelte zullen de moeilijkheden bij een GIS onderzoek worden geïllustreerd door middel van twee elementen van een GIS project. Het eerste voorbeeld gaat over fouten in de gebruikte data. Het tweede voorbeeld spreekt over het raakvlak van GIS met de cartografie en de statistiek. De goede kwaliteit van gebruikte data is essentieel voor een GIS project. De kwaliteit bepaalt voor een groot gedeelte hoe betrouwbaar de uitkomst van een onderzoek is. Dit geldt ook voor het gebruik van GIS binnen geschiedenis, maar heeft daarbij nog extra eisen. GIS vraagt namelijk een bepaalde digitale 50

Gregory en Ell, Historical GIS, 64-68.

13

precisie van historische bronnen, die van oorsprong uiteraard nooit bedoeld zijn op deze manier gebruikt te worden. Dit verhoogt de kans op fouten en afwijkingen in zowel de gebruikte data als de daaruit resulterende analyse. David Unwin onderscheidt vier verschillende fouten in de data bij gebruik van GIS. Met het woord fout wordt hier niet hetzelfde bedoeld als een (menselijke) blunder. Een blunder is een mankement in de bron of een vergissing van wetenschappers in de representatie van die bron. In veel gevallen is een blunder gemakkelijk waar te nemen en op te lossen. Fouten zijn in deze context meer dan een blunder. Het eerste type fout dat Unwin beschrijft is het gebrek aan accuraatheid. Accuraatheid verwijst naar hoe nauwkeurig een waarde in een database moet zijn om te worden geaccepteerd als de juiste. Acceptatie vormt een belangrijk deel van dit type fout, omdat gereproduceerde waardes van de echte wereld altijd een verkeerde representatie kunnen geven, hoe accuraat ze ook lijken. Het tweede type fout is het gebrek aan precisie en doelt op het aantal decimalen in een meting. Hoewel GIS het gebruik van grote getallen, met veel cijfers voor en achter de komma, toestaat, garandeert dit uit zichzelf niet de precisie van de gebruikte data. De derde soort fout is een fout in kwaliteit. De kwalificatie van deze derde soort fout is meer subjectief dan absoluut. Een fout in kwaliteit slaat op de geschiktheid van de data in verband met het beoogde doel. Simpel gezegd: wordt de data gebruikt op een manier waarvoor het bedoeld is? Deze vraag kan voor historici een wetenschappelijke horde vormen, omdat juist binnen de geschiedwetenschap bronnen op een manier worden gebruikt waarvoor ze niet direct bedoeld zijn, maar die wel antwoord geven op een gestelde vraag. De vierde en laatste fout die Unwin beschrijft betreft onzekerheid. Dit slaat op de mate van twijfel over de data of de uitkomst van een handeling in GIS. Onzekerheid kan een bijna verlammende werking hebben op de uitkomst van een onderzoek met GIS. Elke stap die wordt genomen kan leiden tot een nieuwe reden voor twijfel over het geheel.51 Het omgaan met deze vier soorten fouten verschilt per project. In het algemeen kan op twee verschillende manieren met fouten worden omgegaan. De technologische aanpak gebruikt software voor het opsporen en verwijderen van fouten. De tweede, methodologische manier vereist de acceptatie en interpretatie van fouten. Verdere details van de vier fouten en de twee manieren van het omgaan met deze fouten worden hier achterwege gelaten. Het bepalen van de kwaliteit van en het omgaan met onzekerheid binnen primaire bronnen behoren tot de grootste uitdagingen van een GIS-historicus. Toch is het juist het gebrek aan (kwalitatief goede) bronnen dat, gecombineerd met een stevige dosis nieuwsgierigheid, het werk van historici motiveert. Het resultaat van het berekenen en visualiseren van data in een GIS heeft de neiging objectief over te komen, terwijl het in hoge mate subjectief kan zijn. Een GIS laat zien waar iets is, maar het is de gebruiker die moet uitvinden waarom iets ergens is. Een GIS kan informatie visualiseren maar legt niet uit waarom deze elementen op een bepaalde manier worden weergegeven. Juist op deze punten raakt GIS de disciplines cartografie en statistiek. De uitkomst van een GIS project is vaak een kaart, maar het is geen kaart in de traditionele zin. Een kaart in GIS kan worden gezien als een grafiek, zoals een histogram of een spreidingsdiagram, maar is dat tegelijk ook niet. Wanneer GIS wordt beschouwd in de context van de cartografie is het mogelijk een van de bekendste wetenschappers uit dit vakgebied aan te halen. J.B. Harley was in de afgelopen decennia binnen de cartografische wetenschap verantwoordelijk voor een levendig debat. Zijn bundel met essays over de interpretatie van kaarten werd wereldwijd gelezen. In dit essay benadrukt Harley hoe men op een 51

David J. Unwin, "Geographical information systems and the problem of 'error and uncertainty'," Progress in Human Geography 19, no. 4 (1995), 549-558; Gregory en Ell, Historical GIS, 82.

14

wetenschappelijke manier kaarten dient te beschouwen. Hij spoort aan niet alleen naar het kaartbeeld te kijken maar ook de context van de cartograaf, de context van andere kaarten en de context van de maatschappij in acht te nemen. Harley vergelijkt de cartografie met kunst. Gregory en Ell kunnen zich daarin vinden. Vergeleken met de kaarten van GIS is de cartografie inderdaad een kunstvorm, een complexe en subjectieve vaardigheid. GIS kaarten zijn gelimiteerd in thema, tijd en gefocust op het ruimtelijke door informatie te generaliseren. Een effectieve kaart is in GIS niet zomaar geproduceerd.52 Een vergelijking met de statistiek laat ook de gebreken van GIS zien. Hoewel ze gerelateerd zijn, zijn ze zeker niet hetzelfde. Diagrammen streven naar objectiviteit, maar kaarten doen dat zeker niet. Een thematische kaart is afhankelijk van veel keuzes, keuzes over de data, symbolen, hiërarchie en klasseintervallen.

GIS binnen geschiedenis In de bovenstaande tekst is geprobeerd aan te tonen dat het (relatief nieuwe) gebruik van GIS binnen geschiedenis bepaalde wetenschappelijke obstakels met zich meebrengt. GIS als discipline verwacht een bepaalde kwaliteit van de gebruikte data en heeft ervaring met veel voorkomende fouten. Ook is GIS op veel vlakken betrokken bij de cartografie en de statistiek, hoewel ze met beide disciplines ook veel verschillen heeft. Het gebruik van GIS binnen geschiedenis brengt dus deze, maar ook nieuwe obstakels met zich mee. De wortels van GIS liggen in de geografie, een discipline die zich bezig houdt met ruimte, plaatsen en de relatie tussen plaatsen.53 Het gebruik van GIS binnen geschiedenis, in het Engels ook afgekort met HGIS (Historical-GIS, ofwel Historische-GIS), voegt een nieuwe focus aan de ruimtelijke data toe, namelijk tijd, ofwel de temporele dimensie. 54 HGIS fungeert als verbinding tussen geografie en geschiedenis en biedt de mogelijkheid tot het delen van informatie tussen veel meer disciplines. HGIS laat een historicus lokale databases maken die kunnen worden gedeeld. De elementen in deze databases kunnen op verschillende wijzen worden geanalyseerd en gevisualiseerd. HGIS biedt het geschiedkundig onderzoek de mogelijkheid nieuwe vragen te stellen, bestaande ideeën kritisch te benaderen en vragen te beantwoorden die tot nu toe geen antwoord hadden.55 Een uitstekend visueel geformuleerd voorbeeld van Gregory en Ell beschrijft: ‘GIS (…) provides a toolkit that enables the historian to structure, integrate, manipulate, analyse and display data in ways that are either completely new, or are made significantly easier.’56 Een voorbeeld van een indrukwekkende HGIS onderneming is het project The Map of Early Modern London (MoEML).57 Het project, geleid door de Canadese University of Victoria, laat de stad London uit de tijd van William Shakespeare (1564-1616) zien. Allerlei categorieën kunnen worden gemarkeerd en vrijwel alle objecten in de kaart kunnen worden aangeklikt om meer informatie te tonen. De website

52

J.B. Harley, The new nature of maps : essays in the history of cartography (The Johns Hopkins University Press, 2001), 3349; Gregory en Ell, Historical GIS, 89-118. 53 Ibid., 5. 54 Bailey en Schick, "Historical GIS," 291-293. 55 Martí-Henneberg, "Geographical Information Systems and the Study of History," 2-3; Hans Renes, "Historic Landscapes Without History? A Reconsideration of the Concept of Traditional Landscapes," Rural Landscapes 2, no. 1 (2015), 1-11; Ian N. Gregory en Richard G. Healey, "Historical GIS: structuring, mapping and analysing geographies of the past," Progress in Human Geography 31, no. 5 (2007), 638-653, aldaar 644. 56 Gregory en Ell, Historical GIS, 1. 57 "Civitas Londinvm (1562?). Interactive edition of the Agas Map," in The Map of Early Modern London, ed. Janelle Jenstad (MoEML, 2012). Het project is te bezoeken via: http://mapoflondon.uvic.ca/index.htm (geraadpleegd in maart 2017).

15

is voornamelijk bedoeld voor wetenschappelijk gebruik, maar kan gemakkelijk door het grote publiek worden bezocht en is daar ook uitermate geschikt voor. Het MoEML is verdeeld in vier sub-projecten en haalt haar informatie uit vijf verschillende databases. De vier projecten zijn: een digitale editie van de AGAS kaart van London uit circa 1561, een encyclopedie en een gazetteer (een geografisch woordenboek) om mensen, plaatsen, termen en onderwerpen op te zoeken, een bibliotheek met teksten met toponiemen van London, en tenslotte een editie van een schouwing van de stad uit 1598.58 Het MoEML project laat zien hoeveel tijd men kan steken in het maken van een interactieve kaart met doorzoekbare informatie. Honderden studenten, wetenschappers en vrijwilligers hebben zich over de inhoud ontfermd. Het MoEMl laat ook zien dat een HGIS project de potentie heeft zowel wetenschappers als geïnteresseerden van dienst te zijn. De website trekt duizenden bezoekers per maand, wordt gebruikt op middelbare scholen en heeft enkele tientallen wetenschappelijke publicaties opgeleverd.59 Een Nederlandse bijdrage aan de HGIS discipline is het platform HISGIS van de Fryske Akademy te Leeuwarden. HISGIS vervult een wisselende rol als historisch-geografisch platform en is voornamelijk gericht op wetenschappers en gemeenten. Een belangrijk verschil met een project als het MoEML, is dat HISGIS niet één project, maar een platform voor zoveel mogelijk projecten voor de lange termijn is. HISGIS is begonnen met kaarten van de provincie Friesland. De Prekadastrale Atlas van Friesland, een serie van reconstructies van Friese grietenijen aan de hand van zeventiende- en achttiendeeeuwse bronnen, werd hier voor gedigitaliseerd. Inmiddels beslaat HISGIS grote delen van Nederland en een enkele plaats in Duitsland. De basis van de Friese kaart, en van veel andere kaarten, zijn gegevens en kaarten van het Kadaster van 1832. De gegevens van het Kadaster geven de mogelijkheid tot analyse van bezit- en machtsverhoudingen rond die periode. Ook kan het oude Kadaster dienen als basis voor de verwerking van oudere administraties of gegevens. Met HISGIS is het mogelijk allerlei zaken uit een bepaalde tijd te vinden op een kaart. Kloosters, huizen, boerderijen en kerken, de meest uiteenlopende onderwerpen zijn onderzocht en gereconstrueerd.60 Naast grote projecten en platforms wordt GIS gebruikt in kleinere onderzoeken en publicaties. Bijvoorbeeld onderzoek naar het verband tussen religieuze gebouwen, in dit geval moskeeën, en de groei van de stad.61 Of de herkomst van gasten uit registers van drie hotels in de negentiende eeuw.62 In zowel demografische, economische, sociale, logistieke en geografische specialisaties wordt GIS gebruikt als werkwijze in historisch onderzoek. Toch staat HGIS nog in de kinderschoenen. Veel werk is nodig aan open-source software en toegang tot grote geografische datasets. Subsidies zijn nodig voor het onderhouden van HGIS platforms en grote onderzoeksprojecten. Ook op theoretisch gebied kan het gebruik van GIS binnen geschiedkundig onderzoek nog veel beter ontwikkeld worden.63 In dit hoofdstuk is de werkwijze van deze scriptie beschreven. GIS biedt een veelzijdige manier voor het presenteren en onderzoeken van ruimtelijke informatie. Enkele gereedschappen binnen GIS werden beschreven ter illustratie van de mogelijkheden. Uitgebreid is ingegaan op de voorwaarde die 58

Janelle Jenstad, "About MoEML," ibid. (2016). Ibid. 60 Mol, Noomen, en Strating, Historisch GIS Fryslân. 61 Irem Ayhan en K. Mert Cubukcu, "Explaining historical urban development using the locations of mosques: A GIS/spatial statistics-based approach," Applied Geography 30 (2010), 229-238. 62 David A. Fyfe, Deryck W. Holdsworth, en Chris Weaver, "Historical GIS and Visualization: Insights From Three Hotel Guest Registers in Central Pennsylvania, 1888-1897," Social Science Computer Review 27, no. 3 (2009), 348-362. 63 Ian N. Gregory en A.K. Knowles, Using Historical GIS to understand space and time in the social, behavioural and economic sciences: A white paper for the NSF (2011). 59

16

de aanpak stelt voor de gebruikte data en de fouten die zowel bij geografisch als geschiedkundig gebruik kunnen voor komen. Het gebruik van GIS toont zowel raakvlakken als verschillen met de cartografie en statistiek. In het laatste gedeelte is ingegaan op het gebruik van GIS binnen de historische wetenschap. Het is in dit hele hoofdstuk duidelijk geworden dat een reconstructie met GIS binnen geschiedkundig onderzoek mogelijk is. Echter, als methode geeft GIS niet voldoende antwoord op de vraag waarom een object zich ergens bevindt of waarom informatie op een bepaalde manier wordt weergegeven. Voor een reconstructie van bezit is dus meer context vereist. Die context moet, wat betreft het thema hoofdelingen en eigenerfden, worden gezocht in drie elementen. Allereerst het landschap, omdat het bezit zich daarin bevond. Het tweede element is de maatschappij, aangezien de hoofdelingen en eigenerfden daar deel van uit maakten. Het derde element is de belangrijkste bron van de reconstructie, het register. In de volgende hoofdstukken zal op deze drie elementen verder worden ingegaan.

17

2. Het Friese landschap en de Friese maatschappij Voordat een reconstructie van het bezit mogelijk is moet meer duidelijk worden over de context van dit bezit. Het landschap kan iets vertellen waarom het bezit zich op een bepaalde locatie bevond. Welke verschillende landschappen zijn te herkennen? Welke streken waren geschikt voor bebouwing en bewoning? In dit hoofdstuk wordt de landschappelijke situatie in Westerlauwers Friesland, met name in Westergo en Oostergo, tijdens de middeleeuwen beschreven. Vervolgens wordt gekeken welke groepen, afgezien van hoofdelingen en eigenerfden, actief waren binnen de Friese maatschappij.

Landschap Het Friese (cultuur)gebied strekte zich uit over Nederland en Duitsland en werd ook wel GrootFriesland of Magna Frisia genoemd. Het gebied werd in diverse regio’s ingedeeld door de verschillende rivieren als grens te gebruiken. Westerlauwers Friesland lag ten westen van de rivier de Lauwers. Haar oude grenzen komen grotendeels overeen met de huidige provinciegrenzen van Friesland. Middeleeuws Westerlauwers Friesland is in drie verschillende landschappelijke eenheden in te delen: hogere kleigronden, veen- en kleigronden en hoge zand- en veengronden. Op de kaart op pagina 20 (figuur 3) is een gedetailleerde indeling van het landschap zichtbaar. Aan de kust bevonden zich de hogere kleigronden, herkenbaar aan de kwelders en kwelderwallen. Een kwelder, ook bekend onder de naam gors, schorre of schol, is een stuk land dat alleen bij vloed onderloopt. Nadat het water zich terugtrekt blijven klei- en zanddeeltjes liggen, wat zorgt voor landaanwas. De lagere delen van de Friese kwelders waren nat en vol geulen en kreken. Na verloop van tijd ontstond door opslibbing een hoger, droger gedeelte, de zogenoemde kwelderwal. De kwelderwal groeide door tot hij bij een hoge waterstand niet meer overstroomde. Het hogere gedeelte van een kwelderwal bestond uit zandige klei en zand. De kwelderwallen waren vanwege de zandige grond bijzonder geschikt voor akkerbouw. De zandige (zavelige) klei was makkelijk te bewerken, had een goede structuur en samenstelling en bevorderde een goede ontwatering. 64 Ondanks de hogere ligging waren de bewoners op de kwelderwallen niet zonder risico, bij overstromingen werden de kwelders overspoeld. Om zich tegen dit risico te beschermen werden woonheuvels opgeworpen, beter bekend als terpen. Op de hogere kleigronden lagen dus de oudste terpen. Deze woonheuvels moesten voortdurend worden verhoogd ter bescherming tegen het water.65 Achter de hoge kleigronden en dieper in het binnenland bevonden zich de veengronden. Het veen was in de loop van de tijd door inklinking gezakt en bedekt met een laag klei. Voor lange tijd was dit grote gebied een soort wildernis dat zich tussen de kwelders en de hogere zand- en veengronden bevond. In de vroege middeleeuwen werden enkele stukken van dit gebied ontgonnen en bewoonbaar gemaakt. In de volle middeleeuwen 66 werd door grotere systematische ontginningen meer land bruikbaar gemaakt voor akkerbouw en veeteelt. Deze ontginningen hadden een grote toeloop van kolonisten tot gevolg.67 Het ontginnen veroorzaakte ontwatering, inklinking en oxidatie, waardoor de 64

Schroor, De wereld van het Friese landschap, 102 en 114. De Langen, Middeleeuws Friesland, 55-65; Schroor, De wereld van het Friese landschap, 21. 66 De middeleeuwen worden ingedeeld in drie periodes. De vroege middeleeuwen van de vierde tot de tiende eeuw, de hoge of volle middeleeuwen van de tiende tot de dertiende eeuw en tenslotte de late middeleeuwen van de dertiende tot het begin van de zestiende eeuw. 67 J.A. Mol, "De middeleeuwse veenontginningen in Noordwest-Overijssel en Zuid-Friesland: datering en fasering," Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 14, no. 2011 (2012), 46-90, aldaar 47-48. 65

18

bodem daalde. De bodem bestond in het gebied dat het dichtst bij de kwelderwallen lag uit zware knipkleigronden. Verder in het land bestond de bodem uit zompige veengronden. Knipklei is veel compacter dan zandige klei. Het heeft weinig kalk en veel natrium en magnesium. Door de dichte structuur en het hoge volume is knipklei moeilijker te bewerken.68 Grote gedeelten van de lage kleien veengebieden stonden in de winter onder water. Ook was de grond minder geschikt voor akkerbouw. Het lage klei- en veengebied mondde tenslotte uit in de derde landschappelijke eenheid: de hoge zand- en veengronden. Dit achterland was een grensgebied tussen de omliggende provincies en bestond uit hoogveen en pleistocene zandruggen. Het gebied draagt de naam Zevenwouden, wat aangeeft dat de randen van het veen begroeid waren met bomen en struiken. Deze streek was voor lange tijd weinig bewoond en bezat ook minder vruchtbare grond.69 Pas in 1450 werd Zevenwouden als meer dan alleen achterland beschouwd en kreeg het ook het kenmerk van een gouw. De door Friezen opgeworpen kunstmatige woonheuvels worden terpen genoemd en zijn een belangrijk onderdeel van het landschap. In Groningen en Duitsland is wierde, warf, of wurt gebruikelijker, namen die ook voor komen in verschillende plaatsnamen in Westerlauwer Friesland zoals Bolsward. De terpen waren verbonden met de verkaveling, de manier waarop de boeren hun land indeelden. Door middel van sloten werden percelen voor dieren gescheiden van de akkers en de veestapel van naburige boeren. De manier waarop een terp was ingericht bepaalde het uiterlijk van het landschap eromheen. Vier verschillende soorten terpen worden onderscheiden. De radiair verkavelde, of radiaal ingerichte, terp bestond uit boerderijen die rondom op de woonheuvel geplaatst waren, als het ware in de vorm van een wagenwiel (zie figuur 4). De grenzen van elk perceel liepen door in het gebied buiten de terp. Deze vorm is al bekend sinds het begin van het onderzoek naar terpen en draagt een ‘ideaalbeeld’ van de terp in het algemeen. De andere soorten zijn de blokvormig verkavelde terp (figuur 5), de langwerpige terp en de huisterp.70

Figuur 2: Foto van een drooggevallen kwelder. In de verte is het vochtige gedeelte te zien. (bron: ecktiv.nl | Wikimedia)

68

Schroor, De wereld van het Friese landschap, 103 en 113. De Langen, Middeleeuws Friesland, 37-55. 70 G.J. de Langen en J.A. Mol, "Terpenbouw en dorpsvorming in het Friese kustgebied tussen Vlie en Eems in de volle middeleeuwen," in Van Wierhuizen tot Achlum: Honderd jaar archeologisch onderzoek in terpen en wierden, A. Nieuwhof, ed., Jaarverslagen van de Vereniging voor Terpenonderzoek (Groningen: Vereniging voor Terpenonderzoek, 2016), 108; Schroor, De wereld van het Friese landschap, 23-24. 69

19

Figuur 3: Geomorfologische kaart van Friesland. (bron: Cultuurhistorische Kaart Friesland | Alterra Wageningen) De eerste landschappelijke eenheid bestaat uit de kwelderwallen (oranje gekleurd) en gedeelten van de kweldervlakten (lichtgroen). Het tweede beschreven gebied is voornamelijk te herkennen aan de roze gekleurde ontgonnen veenvlaktes. Het paarse grondmorene gebied beslaat zowel de tweede als de derde beschreven landschappelijke eenheid.

20

Figuur 4: Foudgum, een radiaal ingerichte terp (bron: hisgis.nl)

Figuur 5: Firdgum, een nederzetting met blokvormige structuur (bron: hisgis.nl)

Tot voor kort werd de tijd van de terpstichtingen gescheiden van de periode waarin de dijken werden aangelegd. De aanleg van woonheuvels begon al ver voor de vroege middeleeuwen en hield rond het jaar 1000 op. Daarna begon een periode van bedijking, waardoor de boerderijen, niet meer afhankelijk van de terpen, verder in het land konden werden neergezet. In een recente publicatie van Gilles de Langen en Hans Mol werden enige vraagtekens gezet bij deze strikte scheiding tussen de perioden van terpen- en dijkbouw. De auteurs zien aanwijzingen van dijken die al in de tiende eeuw werden opgeworpen en beargumenteren een langere periode, tot de vroege twaalfde eeuw, waarin terpen werden aangelegd en opgehoogd.71 De bedijking van Westerlauwers Friesland maakte dat het gebied achter de kwelders beter beschermd was tegen overstromingen. Zij had echter ook nadelige gevolgen. Vanaf 1200 hadden stormen en overstromingen tot gevolg dat de Waddengebieden, toen nog voornamelijk land, onderliepen. Tot de veertiende eeuw zorgde dit voor landverlies en het langzame ontstaan van de Zuiderzee. Westerlauwers Friesland raakte door het water van West-Friesland (NoordHolland) gescheiden. Hierdoor ontstond echter ook een behoefte aan nieuwe grond. Die nieuwe grond was te vinden in de veengebieden in Oostergo en Westergo. Door de kolonisatie konden veel boeren hier een nieuw bestaan opbouwen.72

Maatschappij Aan het begin van de zestiende eeuw veranderde Westerlauwers Friesland in bestuurlijk opzicht. Dit had ook invloed op de Friese samenleving.73 De onrust rond de overname van de Saksen en het einde van de Friese vrijheid is daarvan een voorbeeld. Het nieuwe bestuur zorgde voor een nieuwe manier van administratie, juridisch beleid en belastingheffing. Toch veranderde niet alles in Friesland met de komst van de Saksen. Hoewel de Friese maatschappij tussen 1498 en 1515 op verschillende manieren werd vernieuwd door het Saksische bewind, bleven oudere structuren, gevormd in de honderden jaren van Friese vrijheid die daar aan voorafgingen, overeind staan. Verbonden met het landschap, maar het werk van mensen, was de administratieve indeling van Westerlauwers Friesland. Rond 1300 bestond het gebied uit twee delen, of gouwen: Oostergo en Westergo. Beide gouwen vielen uiteen in verschillende districten of delen, de voorlopers van de 71

Ibid., G.J. de Langen en J.A. Mol, 101. Schroor, De wereld van het Friese landschap, 29. 73 Kist, Centraal gezag en Friese vrijheid: Jancko Douwama's strijd voor de Friese autonomie, 124. 72

21

grietenijen. Het zou te ver voeren hier een volledige lijst van alle delen te noemen. Voor nu volstaat het dat de beide delen waar deze scriptie zich op concentreert, zich in deze twee gouwen bevonden. Hennaarderadeel behoorde tot Westergo, Ferwerderadeel tot Oostergo.74 Beide delen kenden zowel een hogere kleigrond met kwelders, als een lager gedeelte met klei- en veengronden. Rond de volle middeleeuwen werd de bestuurlijke organisatie voornamelijk op dorpsniveau georganiseerd door eigenerfden en adel samen. Buiten de lokale regio bestond een overleg tussen landsgemeenten, die voor een deel de taken overnam die elders in Europa door een graaf werden vervuld. Er bestond een centraal overleg met een bestuurlijk karakter en er werd op dit niveau recht gesproken. Oebele Vries noemt het centraal overleg en de rechtspraak twee instituties die door de Friese boeren zijn ingesteld. In de dertiende en veertiende eeuw namen volgens hem de hoofdelingen de macht op lokaal niveau geleidelijk over. Hoewel de beide instituties in Westerlauwers Friesland bleven bestaan, verloren ze geleidelijk aan hun invloed.75 De bouw van dijken en de grootschalige veenontginningen, vanaf het jaar 975, gingen gepaard met een andere maatschappelijke ontwikkeling: de bouw van de eerste generatie parochiekerken. De eerste van deze vroege generatie kerken werden op de locatie van de oude missiecentra gebouwd. Deze centra hadden nog gediend als uitvalsbasis voor missionarissen als Willibrord (c. 658-739) en Bonifatius (672-754). Nadat deze missiecentra door een kerk in gebruik waren genomen werden op andere plekken kerken gesticht. Het stichten van kerken was in Westerlauwers Friesland een lang proces dat duurde tot halverwege de veertiende eeuw. Vanaf die tijd bezat de regio circa 365 parochies. De stichters varieerden van aristocraten en gemeenschappen van boeren, tot kloosters en bisschoppen. De nieuw gestichte parochies zorgden voor een verbinding tussen dorpsbewoners en werden het lokale centrum van kerkelijke en wereldlijke rechtspraak. De parochie werd op deze manier ook de verbinding tussen lokale rechtspraak op dorps- of grietenijniveau en regionale rechtspraak op het niveau van de gouw.76 Naast een groot aantal kerken bezat Westerlauwers Friesland ook veel kloosters. Rond het jaar 1500 telde het gebied ruim vijftig kloosters van verschillende orden. 77 Vergeleken met andere Europese gebieden was Friesland in dit opzicht bijzonder omdat de kloosters behoorden tot instellingen die in de twaalfde en dertiende eeuw waren gesticht. Cisterciënzers, premonstratenzers, geestelijke ridderorden en benedictijnen, allen waren ze vertegenwoordigd in het Friese kloosterlandschap. De meeste kloosters stonden ver van de steden en midden in het landschap. Een kloosterterrein was soms ommuurd en meestal omringd door een gracht en toegankelijk via een poortgebouw. Dit gaf het klooster niet alleen een verdedigbaar uiterlijk, maar hielp tegelijkertijd de bewoners van het klooster geïsoleerd te leven en zo hun religieuze taken uit te voeren. Vanwege schenkingen bezaten enkele oudere kloosters bijzonder veel land. Tegen het einde van de Friese vrijheid was 15 tot 20 % van de rurale grond in het bezit van kloosters.78

74

Schroor, De wereld van het Friese landschap, 7-8. Vries, "Frisonica Libertas," 231-232. 76 P.N. Noomen, "De ontwikkeling van het parochiewezen in Oostergo," De Vrije Fries 94 (2014), 133-145, aldaar 133-134; J.A. Mol, "Friezen en de zeggenschap over hun kerken in de Middeleeuwen," ed. Universiteit Leiden (2004), 5-8; Schroor, De wereld van het Friese landschap, 29. 75

77

http://geoplaza.vu.nl/cms/maps/235-kloosterkaart (geraadpleegd augustus 2017).

78

Mol, "The Cistercian model? The Application of the Grange System by the Various Religious Orders in the Frisian Coastal Area, 1150-1400."

22

Tenslotte zijn in het voornamelijk rurale landschap van Friesland ook enkele steden ontstaan, alle binnen of nabij de hoge kleigronden. Gedurende de middeleeuwen waren deze plaatsen van zo’n kleine omvang dat ze als protosteden worden aangeduid. Dokkum, Leeuwarden, Bolsward en Staveren waren in de twaalfde en dertiende eeuw nog geen volwaardige steden, maar marktcentra en handelsplaatsen met tolrechten en eigen muntslag. Wel vormden deze plaatsen het middelpunt van rechtspraak en bestuur op het niveau van de gouw. Steden waren in deze periode in het algemeen afhankelijk van een samenspel tussen heer en stad om bepaalde rechten te krijgen. In ruil voor een belasting of schenking kreeg een stad het recht op een jaarmarkt, een specifieke tol, of belasting en handel op een specifiek product. In Westerlauwers Friesland was geen sprake van een heer en zodoende ontbrak dit samenspel. Tot 1350 waren deze kleine steden afhankelijk van het omliggende land en hadden ze weinig of geen autonomie. Pas tussen 1350 en 1450 verwierven de steden meer autonomie, hoewel hun inwoneraantal klein bleef.79 In dit hoofdstuk is ingegaan op het landschap en de maatschappij van middeleeuws Westerlauwers Friesland. Gedurende de middeleeuwen waren er drie verschillende landschapseenheden met elk hun unieke kenmerken. De hogere kleigronden waren het vruchtbaarst en het eerst bewoond. De meeste hoofdelingen zijn hier te vinden. De veengronden vormden eerst een onbewoonbare wildernis. Later werd dit gebied bewoonbaar gemaakt en werd het geschikt voor veeteelt maar minder geschikt voor akkerbouw. Aangezien deze gronden pas later bewoonbaar werden, is de kans groot dat hier meer eigenerfden dan hoofdelingen worden aangetroffen. De hogere zandgronden, de derde landschappelijke eenheid, waren lange tijd een periferie. Het landschap en de maatschappij kwamen samen in de strijd tegen het water. Het gevaar van overstromingen werd gedurende de middeleeuwen tegengegaan door het ophogen van terpen en de aanleg van dijken. De aanleg van die dijken maakten lager gelegen gebieden veiliger voor bewoning. De maatschappij bestond uit rurale gemeenschappen, kerken, kloosters en steden. Het bestuur werd vooral door de gemeenschap georganiseerd. De vele kerken en parochies vormden lokale centra voor rechtspraak en bestuur. Middeleeuws Friesland kende veel kloosters van verschillende religieuze ordes die grote stukken grond in bezit hadden. Aangezien kerken en kloosters belangrijk waren in de maatschappij en veel landen in bezit hadden, moet bij een reconstructie van het bezit rekening worden gehouden met deze groepen. De steden in Westerlauwers Friesland waren klein en minder onafhankelijk dan elders in Europa; voor deze scriptie zijn ze van weinig belang.

79

Schroor, De wereld van het Friese landschap, 34-35.

23

3. Hoofdelingen en Eigenerfden Dit hoofdstuk gaat verder in op de maatschappij van middeleeuws Friesland. Deze middeleeuwse maatschappij lijkt uniek vanwege de belangrijke positie van eigenerfden. Aangezien deze scriptie een reconstructie van het bezit van hoofdelingen en eigenerfden beoogt, moet eerst duidelijk worden wat hen kenmerkt. Van de hoofdelingen, de adellijke elite van Friesland, en de eigenerfden, vrije boeren met eigen bezit, wordt daarom een uitgebreide beschrijving gemaakt. Eerst komen de hoofdelingen aan bod. Naar aanleiding van verschillende kenmerken wordt duidelijk waaraan ze te herkennen zijn. Vervolgens wordt het langdurige debat rond hun oorsprong behandeld. Daarna is het de beurt aan de eigenerfden. Het wordt duidelijk dat zij vooral herkenbaar zijn door middel van hun bezit. Het laatste gedeelte van dit hoofdstuk brengt beide groepen bij elkaar en gaat in op de gebruiken van het overerven van het bezit van hoofdelingen en eigenerfden.

Gelaagde groep in een vetemaatschappij Wie kennis maakt met een nieuwe samenleving, modern dan wel historisch, vraagt zich snel af bij wie de macht ligt. In Friesland bestond de samenleving uit verschillende groepen, waarvan de grootste werd gevormd door de boeren. In allerlei gedaantes komen ze voor: pachters, keuterboeren, meer zelfstandige rijke boeren en alles er tussenin. Hoewel ze de meest omvangrijke groep waren, is de hoogste bestuurlijke macht niet te vinden bij deze boeren. Het was de Friese adel die in Westerlauwers Friesland de dienst uitmaakte. In vroegmiddeleeuwse bronnen worden de leden van deze adel potentes (machtigen) of nobiles (edelen) genoemd. In latere middeleeuwse bronnen worden ze voornamelijk aangeduid als hoofdelingen.80 In de veertiende en vijftiende eeuw bestond deze stand of klasse uit ongeveer zestig families. Voor 1505 weten we een bijna exact aantal leden van deze groep. In dat jaar liet de Saksische hertog een lijst opstellen waarin deze individuen werden erkend als heren met privileges, met een nieuwe belasting, de eenentwintigste penning, als tegenprestatie voor de erkenning. 81 In deze lijst is ook te zien dat de hoofdelingen zich voornamelijk in het kleigebied bevonden, dus in Oostergo en Westergo. In de veengebieden woonden zeer weinig Friese edelen. De hoofdeling was een voornamelijk lokale leider die binnen de gemeenschap zijn macht baseerde op afkomst, en aanzien. Dit aanzien was voornamelijk gebaseerd op zijn bezit en op de wijze hoe hij zich toonde aan de samenleving, of, simpel gezegd, door wat hij deed. Het was bijvoorbeeld ongepast dat een hoofdeling zelf zijn land bewerkte. Hier had hij knechten voor in dienst. Werd hij, bijvoorbeeld vanwege geldgebrek, betrapt op werk op het land, dan zou dit zelfs zijn status kunnen aantasten.82 Vechten in een vete en het bijhouden van zijn eigen administratie paste beter bij zijn stand. Het was de hoofdeling die zich beriep op het feit dat hij, wanneer nodig, de wapens zou kunnen opnemen en zijn aanzien met fysiek geweld kon verdedigen. Hij was in staat een kleine strijdgroep bijeen te roepen, bestaande uit slechts een handvol wapenknechten. Het ontbrak de Friese hoofdelingen aan voldoende vermogen een grotere troepenmacht bij elkaar te brengen. De eigen strijdgroep kon waar nodig worden aangevuld door andere hoofdelingen of het eigen netwerk van familie, vrienden en

80

Schuur, "De Friese Hoofdeling opnieuw bekeken," 3. Pier Winsemius, Chronique ofte historische geschiedenisse van Vrieslant (Franeker: Jan Lamrinck, 1622), 401-404. 82 Van Winter, "Adel en Aristocratie in de Middeleeuwen," 374. 81

24

knechten. 83 Hij was bij een vete degene die als leider optrad en was juridisch gezien ook verantwoordelijk voor de daden van de afzonderlijke leden van de groep.84 Om als hoofdeling beschouwd te worden, diende men in het bezit te zijn van één of meer stenen huizen, beter bekend met de Friese term stinzen. De stins had als hoofdkenmerk dat hij verdedigbaar moest zijn, geen overbodige luxe voor een leider die geweld kon gebruiken. De meeste stinzen waren gebouwd op een opgeworpen heuvel met daaromheen een gracht of werden alleen omringd door een gracht. Men hoeft zich bij de stinzen geen machtige kastelen voor te stellen, die in de Nederlandse regio’s überhaupt maar sporadisch voorkwamen. De kleinere en in Nederland meer bekende mottekastelen waren eigenlijk ook nog van een hogere categorie. Wetenschappelijk gezien vallen deze Friese stenen huizen eerder in de categorie van moated sites: plaatsen omringd door een gracht.85 Een stins bestond uit een kleine residentiële toren, een grote hal, of een complex van (samengevoegde) huizen. De boerderij en het bijbehorende land lagen vlakbij of bevonden zich op hetzelfde complex. Enkele stinzen waren groot en indrukwekkend, maar de meesten waren klein en functioneel. Vermogende hoofdelingen bezaten meer dan één stins. 86 Naast de stins bestond het bezit van de hoofdeling uit boerderijen, waar het grootste deel van zijn inkomsten vandaan kwam. Zelfs de minst vermogende hoofdeling bezat meer dan één boerderij. De boerderijen in eigen bezit werden bewerkt door betaalde boeren en knechten. Andere boerderijen werden gebruikt door pachters die de hoofdeling een afgesproken bedrag per jaar betaalden. Het bezit van een hoofdeling bestond uit een kern- of stamgoed met daarbij verschillende pachtgoederen. Het stamgoed was het land dat al generaties lang eigendom van de familie was en tot de kern van het bezit hoorde. Ondanks dit kerngoed waren de hoofdelingen niet gebonden aan één specifieke regio. Ze konden in meerdere grietenijen landen bezitten. Het RVDA laat zien hoe geografisch verspreid, voornamelijk binnen Oostergo en Westergo, het bezit soms lag. Zo was de vermogende hoofdeling Hessel Martena (c. 14601517) eigenaar van onroerend goed in negen verschillende delen van Friesland.87 Hoewel meerdere kenmerken van de hoofdelingen duidelijk zijn, betekent dit niet dat ze een uniforme groep vormden. Zowel rijke als minder rijke hoofdelingen kwamen voor en binnen families bestonden meer of minder vermogende takken. Dit betekent dat de hoofdelingen, in tegenstelling tot wat sommige bronnen doen vermoeden, een gelaagde groep vormden. De rijkere ‘grote’ hoofdelingen bezaten een ouder stamgoed op de vruchtbare kleigronden en kwelderwallen. Zij hadden vele boerderijen in bezit waarmee ze hun inkomen konden garanderen. Het huwelijk was voor hen een belangrijk middel om macht en aanzien te veroveren of te behouden, ze trouwden ook zoveel mogelijk met andere vermogende families. De grote hoofdelingen waren vermogend binnen hun eigen groep, maar wanneer men over de grenzen van Friesland kijkt valt de status van deze rijkere hoofdelingen tegen. Elders in Europa, maar ook in het naburige hertogdom Gelre of het Sticht Utrecht, waren hoge edelen verbonden met een vorst en in het bezit van vele goederen. Veel edelen waren grootgrondbezitters met een veel hoger inkomen dan de rijkste Friese hoofdeling. Met hen konden de 83

Noomen, De Friese vetemaatschappij: sociale structuur en machtsbases, 46. J.A. Mol, "Hoofdelingen en huurlingen. Militaire innovatie en de aanloop tot 1498," ibid., J. Frieswijk, et al., eds., 68; Gosses, "De Friesche hoofdeling," 25-28, 73-76. 85 http://www.erfgoedgeowiki.nl/index.php/Omgrachte_hoeven_en_moated_sites (geraadpleegd juni 2017) en http://irisharchaeology.ie/2011/11/moated-sites-defended-homesteads-of-the13th-and-14th-centuries/ (geraadpleegd juni 2017). 86 Noomen, De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners, 204-209. 87 Faber, Drie eeuwen Friesland, 648-649. Paul Baks, Oebele Vries, en P. Nieuwland, "Biografieën," in De Heeren van den Raede. Biografieën en groepsportret van de raadsheren van het Hof van Friesland, 1499-1811, Oebele Vries, et al., eds., (Leeuwarden: Hilversum, Verloren, 1999), 184-186. 84

25

Friese hoofdelingen zich niet meten. Er was dan ook niet of nauwelijks contact met de vermogende adel van nabije gebieden. De gelaagdheid van de groep wordt nog duidelijker wanneer men kijkt naar de minder rijke ‘kleine’ hoofdelingen. Deze hadden naast hun eigen bezit, het stamgoed, nog enkele boerderijen die ze verpachtten. Ze bevonden zich meestal in de klei-op-veengebieden. Deze kleine hoofdelingen hadden veel moeite om binnen hun stand te trouwen en weken daardoor uit naar de eigenerfden of de rijkere kloostermeiers (pachters van kloostergoederen). Dit zorgde voor een grijze groep, een vermengde laag van ‘lagere’ kleine hoofdelingen en ‘hogere’ rijke eigenerfden en kloostermeiers.

De betwijfelde lijn De oorsprong van de hoofdelingen is het onderwerp van een langdurig wetenschappelijk debat. Het valt buiten het bereik van deze scriptie om een overzicht te geven van dit debat. Volstaat wordt met een toelichting met gebruik van het recente werk van André Köller. In zijn proefschrift Agonalität und Kooperation beschrijft hij zowel de samenwerking als de onderlinge strijd tussen de hoofdelingengroepen in Noordwest Duitsland. Dit gebied behoort tot het zogenoemde Tota Frisia of Groot-Friesland en valt binnen het gebied van de Friese cultuur. De Nederlandse Friese landen en de Duitse Friese landen zijn op meerdere punten vergelijkbaar. Binnen het debat, gevoerd door Duitse en Nederlandse historici, onderscheidt Köller twee zijdes. Volgens één theorie, door Köller het Entwicklungsmodell genoemd, was de Friese adel relatief nieuw en jong in de dertiende eeuw. De Duitse historicus Heinrich Schmidt, die zich specialiseerde in de geschiedenis van Oost-Friesland, was één van de voornaamste vertegenwoordigers van deze theorie. De andere theorie, de zogenaamde Kontinuitätstheorie, beargumenteert een meer continue lijn van hoofdelingen van de vroege tot de late middeleeuwen. De Nederlandse historicus Nikolaas Algra, gespecialiseerd in de rechtsgeschiedenis, was pleitbezorger van deze theorie.88 Algra baseerde zijn argumenten binnen de Kontinuitätstheorie op verschillende Duitse historici en de eerder genoemde Nederlandse historicus P.J. Blok. Deze historici onderscheidden verschillende klassen in de Friese maatschappij, waaronder de nobiles (hoofdelingen of adel) en de liberi (eigenerfden). Ze baseerden dit onderscheid op het Lex Frisionum, een juridische bron uit het einde van de achtste eeuw. In deze periode werd van diverse Germaanse volken het stamrecht opgeschreven, waarin veel lijsten voorkwamen met boetes en tarieven.89 Het weergeld, de boete voor het doden van een persoon, speelde in het Lex Frisionum een belangrijke rol omdat de hoogte van het bedrag voor elke klasse verschilde.90 Algra volgde deze historici met betrekking tot hun gedachtes over de origine van de hoofdelingen, maar probeerde de basis van deze theorie weg te trekken van hun gedateerde en stugge concept van maatschappelijke klassen. Daarnaast was Algra het oneens met

88

Köller onderscheidt naast Algra ook J.R.G. Schuur als aanhanger van de Kontinuitätstheorie. Bij het Entwicklungsmodell noemt hij I.H. Gosses en H. van Lengen als belangrijke bijdragers naast Schmidt. Ook Harm Wiemann en Bernhard Slicher van Bath waren in de jaren ’60 aanhangers van dit model. Wiemann had een sociaaleconomische benadering en zag een belangrijke verklaring van de opkomst van hoofdelingen in militair potentieel, onroerend goed, vermogen en economische macht. Slicher van Bath verklaarde het gebrek aan feodalisme door de gezamenlijke strijd tegen het water, de bevolkingsdichtheid en de veehandel. Deze drie oorzaken hadden een vrije economie als gevolg, waarin rijke boeren de politieke macht konden grijpen. Köller, Agonalität und Kooperation, 251-266. 89 Han Nijdam, "Klinkende munten en klinkende botsplinters in de Oudfriese rechtsteksten: continuïteit, discontinuïteit, intertekstualiteit," De Vrije Fries 89 (2009), 45-66, aldaar 46. 90 Köller, Agonalität und Kooperation, 255.

26

enkele voorgangers en tijdgenoten. Hij viel op door zijn ferme bewoording en stellingname. 91 De theorie van Gosses, te zien als een bijdrage aan het Entwicklungsmodell, deed hij bijvoorbeeld af als een romantische pastorale.92 De Friese gemeenschappen en instituties werden volgens Algra mooier voorgesteld dan ze daadwerkelijk waren. 93 Ook Heinrich Schmidt, die sommige argumenten van Gosses volgde, moest het ontgelden. Volgens Algra was de populaire Friese vrijheid een uitvinding van de Friese adel ter versterking van hun positie binnen de samenleving.94 Het Entwicklungsmodell bevat ideeën die werden geïntroduceerd door Isaac Gosses en later verder uitgewerkt door Heinrich Schmidt.95 Het model beargumenteert dat hoofdelingen van origine boeren en handelaars waren die, met gebruik van hun bezit, hun positie en geweld, op een gunstig moment de sociale ladder konden beklimmen.96 De oorspronkelijke adelstand verliet Friesland rond de twaalfde of dertiende eeuw omdat ze de basis voor hun macht, de graaf, hadden verloren. De nieuwe groep van opportunistische boeren werden hoofdelingen en vulden in de eeuwen die volgden het gat dat de oude adel achterliet. Deze nieuwe elite vormde geen stand, maar eerder een sociale klasse. Enkele nieuwe hoofdelingen hadden wel adellijke voorouders, maar dit was geen voorwaarde om gezag te verkrijgen. In plaats van afkomst werden vermogen en aanzien belangrijke voorwaarden voor het krijgen en behouden van macht.97 Schmidt en Van Lengen volgden Gosses hierin en toonden in hun publicaties over Oost-Friesland enkele families die gebruik maakten van de sociale en economische mogelijkheden om hun macht en bezit uit te breiden. 98 Volgens hen was de structuur van de samenleving gedurende de vroege en hoge middeleeuwen niet zo strikt zoals beargumenteerd door Algra en anderen: Trotz Hörigkeitsverhältnissen habe keine strikt hierarchisch-herrschaftliche Struktur mit den friesischen nobiles an der Spitze bestanden. Aufgrund der naturräumlichen Gegebenheiten seien vielmehr gemeindlich-genossenschaftliche Strukturen, in denen die nobiles als wirtschaftlich starke bäuerliche Anführer von Verwandtschaftsverbänden und Abhängigengruppen, nicht aber als „beherrschende[r] Adel binnenländischen Stils“ Führungspositionen einnahmen, seit dem frühen Mittelalter existent gewesen.99

91

Gerrits geeft de discussie over het bestaan van een vetemaatschappij als voorbeeld. Vanwege zijn extreme positionering had Algra hier geen medestanders: Gerrits, "Schieringers, Vetkopers en het einde van de Friese vrijheid," 262. 92 Algra, Zeventien Keuren en Vierentwintig Landrechten, 130. 93 Köller, Agonalität und Kooperation, 256; Gerrits, "Schieringers, Vetkopers en het einde van de Friese vrijheid," 259. 94 Algra, Zeventien Keuren en Vierentwintig Landrechten, 181. De argumentatie van Algra over de Friese vrijheid als uitvinding van de adel is een voorbeeld dat zijn heftige stellingname niet altijd standhield. Hij baseerde deze stelling namelijk op zijn idee van het gefalsifieerde Karelsprivilege. In dit document zou de Frankische koning Karel de Grote de Friezen hun beroemde vrijheid schenken. Hoewel het in Algra’s tijd al lang bekend was dat deze brief ergens in de dertiende eeuw gefabriceerd was, bestond onduidelijkheid over het daadwerkelijke doel van de brief. In 1991, hetzelfde jaar dat Algra’s Zeventien Keuren werd gepubliceerd, schreef mediëvist Antheun Janse een overtuigend artikel over het vermoedelijke doel van de valse brief. Volgens Janse was het Karelsprivilege helemaal niet bedoeld om de positie of de vrijheid van de edelen te verdedigen, maar om de Friezen te mobiliseren voor een gevecht tegen de Hollanders. De brief was zelfs niet geschreven door een Fries: Antheun Janse, "De waarheid van een Falsum. Op zoek naar de politieke context van het Karelsprivilege," De Vrije Fries 71 (1991), 7-28, aldaar 16-19. 95 Köller, Agonalität und Kooperation, 260. 96 Gosses, "De Friesche hoofdeling," 49-60, 74. 97 Schuur, "De Friese Hoofdeling opnieuw bekeken," 4; Köller, Agonalität und Kooperation, 259. 98 Heinrich Schmidt, "Adel und Bauern im friesischen Mittelalter," Niedersächsisches Jahrbuch für Landesgeschichte 45 (1973), 45-93; "Häuptlingsmacht, Freiheitsideologie und bäuerliche Sozialstruktur im spätmittelalterlichen Friesland," in Zwischen Nicht-Adel und Adel, K. Andermann en P. Johanek, eds., Vorträge und Forschungen Konstanzer Arbeitskreis (Stuttgart: 2001); Lengen, Die Friesische Freiheit des Mittelalters - Leben und Legende. 99 Köller, Agonalität und Kooperation, 261.

27

Beide modellen worden nog steeds verdedigd. Recente publicaties van Nederlandse historici neigen, hoewel ze het niet letterlijk benoemen, meer naar de Kontinuitätstheorie dan naar het Entwicklungsmodell. Zij onderscheiden enkele hoofdelingfamilies met een oorsprong die tenminste reikt tot de twaalfde eeuw.100 Van deze groep historici gaat Paul Noomen het verst in zijn aannames. Hij vermoedt een afstammingslijn tot de negende eeuw. De voornaamste kritiek van deze historici met betrekking tot de oorsprong keert zich tegen de ideeën van Gosses. Gedurende de periode waarvan Gosses beweerde dat de hoofdelingen een nieuwe klasse begonnen te vormen, zien deze historici in bepaalde bronnen een gesloten groep hoofdelingen. Deze hoofdelingen hadden in die periode al een hoger weergeld en genoten verschillende voorrechten die in die tijd zeker niet nieuw waren.101 Köller steunt in zijn poging tot synthese bepaalde onderdelen van het Entwicklungsmodell. Hij volgt Heinrich Schmidt in zijn scepsis met betrekking tot de argumenten van de Kontinuitätstheorie. De volgers van deze theorie hebben in zijn ogen problematische en onduidelijke concepten van belangrijke elementen van het debat en een te sterke fixatie op het idee van continuïteit. Köller onderzoekt de hoofdelingen liever op een meer praktische manier, met oog voor hun machtsrelaties, kapitaal en sociale verschillen.102 Dit betekent echter niet dat André Köller een volledige aanhanger is van het Entwicklungsmodell. Hij bekritiseert beide theorieën, die hij ook wel paradigma’s noemt. Köller constateert dat het debat een voorbeeld van de wijze van denken en observeren van negentiende- en twintigste-eeuwse historici is, in plaats van een platform voor discussie waarin men het op duidelijke punten met elkaar oneens is. De oorzaak van dit probleem ligt bij een onduidelijke uitleg van termen als bestuur (Herrschaft), samenwerking (Genossenschaft), stand, vrijheid (Freiheit) en adel.103 Volgens Köller maakt het ontbreken van duidelijke afspraken over de gebruikte termen dat de deelnemers van het debat langs elkaar heen praten. Inderdaad lijkt het debat over de hoofdelingen een discussie zonder einde. Het laat zien dat het formuleren van een duidelijke definitie van een klasse of groep een lastige onderneming is. Toch lijkt het in het geval van Westerlauwers Friesland zo te zijn dat enkele families wel degelijk een afstamming hadden die terugging tot tenminste de twaalfde eeuw, zoals Paul Noomen beschreef.104 Zo blijkt dat beide kanten van het debat, wat Westerlauwers Friesland betreft, een kern van waarheid hebben. Het onderzoek van Noomen naar de stinzen in Friesland toont ook aan dat de locatie van het bezit van hoofdelingen tot nieuwe inzichten in het debat kunnen leiden.

Eigenerfden Essentieel voor het begrijpen van de al dan niet boerenoorsprong van de hoofdelingen is kennis van de vrije boeren, de eigenerfden, ook om het belang van die groep zelf beter te begrijpen. Het bestaan van deze vrije boeren is altijd hoog aangeprezen in oudere publicaties over de Friese geschiedenis, voornamelijk als een belangrijk onderdeel van de Friese cultuur: Een derde kenmerk van de friese [sic] cultuur was de “Friese Vrijheid”. (…) Ontstaan en verbreiding van deze vrijheid berust waarschijnlijk voor een niet onbelangrijk deel op het feit, dat het leenwezen in Friesland geen ingang gevonden heeft, een feit, dat geleid heeft tot het ontstaan en het blijven voortleven van een gemeenschap van vrije boeren. Deze gemeenschap, 100

Noomen, Consolidatie van familiebezit en status, 87-95; Schuur, "De Friese Hoofdeling opnieuw bekeken," 3; Vries, "Frisonica Libertas," 231. 101 Noomen, "Eigenerfd of edel?," 267-271. 102 Köller, Agonalität und Kooperation, 266. 103 Ibid., 265. 104 Noomen, Consolidatie van familiebezit en status, 87-94.

28

trots op haar vrijheid en onafhankelijkheid, heeft die tegen elke bedreiging verdedigd. (…) Telkens weer stieten de ondernemingen, die ten doel hadden zich de heerschappij in het land te verwerven, op heftige tegenstand van de vrije friese boeren.105 Een dergelijk lovend citaat zal men in recente publicaties niet meer vinden. De eigenerfden lijken de laatste jaren de belangstelling te hebben verloren, terwijl ze juist een opvallend onderdeel van de Friese samenleving waren. Met eigenerfde wordt een vrij persoon bedoeld met een eigen allodiaal grondbezit. Allodiaal betekent dat de eigenaar het absolute recht had op de grond en dat zijn kinderen dit konden erven. Vrij betekent in dit geval dat de eigenerfde juridisch niet ‘onder’ een heer stond en geen eigendom van iemand was. Eigenerfden verschilden in deze opzichten van pachters, die grond bewerkten die niet van henzelf was maar overigens vaak wel eigenaar waren van het gebouw dat op de gepachte grond stond. Daarnaast verschilden eigenerfden van ambachtslieden, die weinig tot geen eigen grond bezaten. In kronieken en oorkonden worden de eigenerfden huismannen of huislieden (huysluyden) genoemd. In de oudere rechtsbronnen heten ze liberi (vrijen).106 In deze betekenis vielen hoofdelingen ook onder de groep van eigenerfden. Hoofdelingen hadden eveneens allodiaal grondbezit en stonden niet onder een heer. In de literatuur bedoelt men met eigenerfden echter de niet edele eigenerfden. Hetzelfde wordt in deze scriptie gedaan. Net als voor de hoofdeling was het grondbezit voor een eigenerfde standsbepalend en tevens zijn belangrijkste inkomstenbron.107 De locatie en het aantal boerderijen of landen bepaalden de hoogte van zijn vermogen. Het eigen erfgoed en een wetmatige afstamming (het niet zijn van een bastaard) determineerden de status en de groep waartoe iemand behoorde. Het erfgoed van de familie was daarin het belangrijkst. De kern van dit goed werd gevormd door het hornleger, het erf waarop het huis en de boerderij zich bevonden. Vaak werd dit erf omringd door een gracht en afgesloten met een poort. Het beschikken over een eigen erf, dus het zijn van een eigenerfde, was een voorwaarde voor het recht te kunnen getuigen in de rechtspraak. Gedurende de late middeleeuwen raakten meer rechten erfelijk verbonden aan het hornleger. Het ambt van grietman was daarvan de belangrijkste. In theorie hadden de eigenerfden toegang tot dit ambt. In de praktijk kwam dit maar weinig voor en werd de positie van grietman meestal door edelen bezet.108 Hier doet zich het belangrijkste verschil tussen hoofdelingen en eigenerfden voor. Ondanks een juridische basis van gelijkheid, lijkt in de praktijk het verschil groot. Het systeem van de stem in staat, dus een stem op basis van bezit, is volgens Noomen ingericht om de feitelijke machtsverhouding dienstbaar te zijn. Meer bezit betekende meer macht. In het zand- en veengrondengebied traden wel meer eigenerfden als grietman op. Ook de lagere, meer lokale functies in de kleigebieden werden wel door eigenerfden vervuld.109 Behalve in de Friese landen komen eigenerfden als voorname sociale en politiek actieve groep slechts in Dithmarschen en enkele

105

W. Jappe Alberts, "Frysk en frij," in Geschiedenis van Friesland, J.J. Kalma, J.J. Spahr van der Hoek, en K. de Vries, eds., (Leeuwarden: Laverman, 1968), 150-151. Zoals eerder opgemerkt treedt deze publicatie over de geschiedenis van Friesland in de voetsporen van Blok en zijn volgelingen. 106 Noomen, "Eigenerfd of edel?," 265. 107 Ibid., 272. 108 Ibid., 273. 109 Ibid. ; Volgens Noomen benadrukt de tekst van Kempius de functie van rijke boeren op lager niveau zoals binnen de landsgemeente: Cornelius Kempius, De origine, situ, qualitate et quantitate Frisiae, et rebus a Frisiis olim praeclarè gestis (1588), 103. Hier staat geschreven dat de boeren uit hun midden iemand kiezen die zij meesters van de boeren of mamburnen noemen. Zij onderwijzen anderen in het beter uitvoeren van hun vak en zijn ook bemiddelaars bij contracten of geschillen. Opvallend is ook dat de tekst juist beschrijft dat de mensen die voor deze taak worden gekozen niet uit zijn op winst maken, wellicht een argument dat het niet de rijkste boeren uit hun midden waren?

29

Alpengebieden voor. In deze gebieden hadden eigenerfden toegang tot het lokale bestuur en waren ze in staat zich te onderscheiden door middel van een groepsidentiteit.110 De eigenerfden en hoofdelingen vormden twee afzonderlijke groepen. Hierboven werd al beschreven dat de hoofdelingen een gelaagde groep vormden. Afhankelijk van bezit en status stond men hoger of lager op de sociale ladder binnen de groep. Bij de eigenerfden geldt hetzelfde, ook bij hen bepaalden de omvang en waarde van bezit hun mogelijkheden. Bij beide groepen zijn dus grensgevallen waar te nemen. Ze zijn beiden gelaagd en hebben bepaalde sociale niveaus. Minder vermogende hoofdelingen leken daarom behoorlijk op rijkere eigenerfden. Er bestond ook een mobiliteit tussen de groepen, vaak tussen de zogenoemde grensgevallen. Een hoofdeling kon in de loop der tijd vervallen tot eigenerfde en eigenerfden kon zich opwerken tot hoofdeling. Dat kon bewerkstelligd worden via huwelijksrelaties. Een huwelijk met de lokale hoofdeling kon veel betekenen voor een eigenerfde familie. Zo trouwden families van kleine hoofdelingen, bastaards van grote hoofdelingen, rijkere eigenerfden en kloostermeiers onderling.111 De herkomst van de eigenerfden is net zo omstreden als die van de hoofdelingen. Bij eigenerfden was het lange tijd de vraag of zij de opvolgers waren van de groep die in de vroege middeleeuwen liberi werd genoemd. Een uitgebreide toelichting op het debat moet hier achterwege blijven. Niet alleen lijkt het in veel opzichten op het debat over de herkomst van de hoofdelingen, het is ook door Noomen al uitgebreid beschreven.112 Kort gezegd zijn bij dit debat twee visies te onderscheiden, waarvan één voor en een ander tegen continuïteit pleit.113 Een oorzaak van de onenigheid betreft het weinig voorkomen van de (namen van) standen in juridische bronnen. Dit heeft geleid tot een veelvoud aan interpretaties van die afwezigheid. Noomen is echter vrij zeker van het bestaan van continuïteit tussen de vroeg middeleeuwse liberi en de latere eigenerfden.114 De toegang tot officiële functies, maar vooral de gedeelde afhankelijkheid van bezit en de relationele vermenging tussen eigenerfden en hoofdelingen geeft de suggestie dat zij meer op elkaar leken dan gedacht. Deze gelijkenissen wekken op hun beurt het vermoeden dat deze samenleving relatief gelijkwaardig was, wanneer het gelijk vermogende personen betreft. Een reconstructie van het bezit van de hoofdelingen en eigenerfden zou zomaar nieuw licht kunnen werpen op het idee van een egalitaire samenleving. Op de reconstructie wordt in het vijfde hoofdstuk uitgebreid ingegaan. In het laatste gedeelte van dit hoofdstuk wordt gekeken naar rechten op het bezit en vererving van de landen in middeleeuws Friesland.

Bezit Naast enkele verschillen tussen de hoofdelingen en eigenerfden bestond een duidelijke overeenkomst: het bezit. Voor beide groepen was het bezit essentieel voor het inkomen en de status binnen de maatschappij. Ook gaf het bezit, met name de rechthebbende boerderij, het recht mee te beslissen over rechters en lokale bestuurders. In het geval van de hoofdelingen was een eis verbonden aan de grootte van het bezit: een bepaald minimum aan boerderijen en het bezit van een stins waren noodzakelijk de status van hoofdeling te handhaven. Wanneer dit vermogen ontbrak kon de 110

Ibid., P.N. Noomen, 265. Ibid., 280-285; De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners, 197-198. 112 Ibid., 265-274. 113 Ibid., 265-267. 114 Ibid., 274, 276 en 279. 111

30

hoofdeling geen vetes voeren en geen knechten betalen en liep daarmee een groot risico zijn status te verliezen. Eigenerfden hadden ook hun specifieke kenmerken, maar zijn in de bronnen vooral te herkennen aan hun eigen bezit. Enkele elementen van deze groepen werden dus gedeeld en bezit is daarvan de voornaamste. Aan de hand van testamenten wordt meer duidelijk over de richtlijnen van het bezit.115 Testamenten werden tot de zestiende eeuw meestal opgesteld door geestelijken, aangezien zij konden schrijven en over het algemeen betrouwbaar werden geacht. Gedurende de zestiende eeuw is de invloed van secularisatie te merken. Steeds minder clerici waren sindsdien betrokken bij het opstellen van een testament.116 Specifieke details daargelaten, zijn in de zestiende eeuw twee soorten testamenten te onderscheiden. Een traditionele middeleeuwse vorm en een moderne vorm, die meer neigt naar de juridische gewoonten van het vroegmoderne tijdperk. De meer moderne vorm, ook wel aangeduid als fideicommis, concentreerde zich op het huis en erf en de daarbij behorende rechten. Bepaalde goederen konden aan één zoon of dochter worden overgegeven. Zo kon het bezit van de familie bij elkaar blijven. De traditionele testamenten waren gebaseerd op het oude Friese recht, waar bezit en familie sterk met elkaar verbonden waren. Onroerend goed mocht niet worden verkocht, tenzij de situatie van de betreffende familie zo slecht was dat het de enige optie was. Bij het overdragen van het bezit na overlijden kregen zonen een heel deel en dochters een half deel van de erfenis. Het bezit werd zo opgesplitst binnen de familie. Door de oude vorm van testamenten lijkt het alsof het bezit binnen een familie na enkele generaties volledig opgedeeld en uiteengevallen was. Andere bronnen laten zien dat dit niet het geval was en dat de samenstelling en grootte van bezit in Westerlauwers Friesland redelijk stabiel was.117 Wanneer het verschil tussen de oude en nieuwe vorm van testamenten wordt weggelaten zijn de volgende mogelijkheden zichtbaar. De continuïteit in het bezit werd bewerkstelligd door de voordelen die familieleden hadden na de splitsing van het bezit. Broers, zussen, neven en nichten en zelfs achterneven en achternichten konden roerende en onroerende goederen met voorkeursrecht kopen vanwege het naastingsrecht. Dit recht garandeerde dat delen van bijvoorbeeld het land voor een redelijke prijs kon worden teruggekocht. De hoofderfgenaam, in de meeste gevallen de oudste zoon, had recht op het hornleger (het stemhebbende erf) en de boerderij van het voornaamste familiebezit. Aan het hornleger waren religieuze en juridische rechten verbonden. Dit waren onder andere de mogelijkheid tot rechter te worden gekozen, de stem binnen de grietenij of het dorp uit te oefenen, jachtrecht, zwaanrecht (het recht om zwanen te houden) en rechten binnen de kerk of het patronaat. Deze rechten waren alle belangrijk voor de sociale status van de bezitter. Kortom, het bijeenhouden van het bezit was belangrijk binnen de Friese maatschappij, zowel voor hoofdelingen als eigenerfden.118 Het is in dit hoofdstuk duidelijk geworden dat hoofdelingen herkenbaar waren aan hun afkomst en hun status in de maatschappij. Deze status werd duidelijk door wat ze ondernamen en wat ze hadden. Hoofdelingen namen deel aan vetes met hun eigen kleine strijdgroep. Ze bezaten meerdere boerderijen en een verdedigbare stins. Het werd duidelijk dat in het debat over de oorsprong en

115

G. Verhoeven en J.A. Mol, Friese testamenten tot 1550 (Leeuwarden 1994), IX-XI. G. Verhoeven, "De beoorkonding van testamenten in middeleeuws Friesland," in Zorgen voor zekerheid. Studies over Friese tetamenten in de vijftiende en zestiende eeuw, J.A. Mol, ed. (Leeuwarden: Fryske Akademy, 1994), 13-36. 117 Noomen, Consolidatie van familiebezit en status, 76-78. 118 Ibid., 78-84; De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners, 194. 116

31

continuïteit van de Friese adel voor Westerlauwers Friesland beide zijdes van het debat een kern van waarheid hebben. Eigenerfden en hoofdelingen zijn vandaag de dag voornamelijk traceerbaar middels hun bezit. Het gebrek aan overzichten van dit bezit, voornamelijk voor eigenerfden, zal een reden zijn voor het ontbreken van studies naar eigenerfden. Dit probleem werd al beschreven in de inleiding. Van de Nederlandse historici die zich de afgelopen jaren bezighielden met middeleeuws Friesland heeft tot dusver alleen Paul Noomen zich sterk verdiept in de eigenerfden, wat te zien is aan de voetnoten in de tekst van deze scriptie. De beschrijvingen van zowel landschap als maatschappij en een nadere beschouwing van hoofdelingen en eigenerfden waren de eerste stappen richting het beantwoorden van de hoofdvraag. Naar aanleiding van het werk van Paul Noomen is duidelijk geworden dat een reconstructie van het bezit toegevoegde waarde heeft en nieuw licht kan werpen op de hoofdelingen en eigenerfden.119

119

Ibid., 192.

32

4. Het Register van den Aanbreng Het Register van den Aanbreng (RVDA) uit 1511 moest een overzicht geven van het agrarisch vermogen van Westerlauwers Friesland en diende als basis voor de heffing van grondbelastingen door de Saksen. Het werd later gebruikt als voorbeeld voor de registratie van andere rechten en belastingregisters. In een korte tijd bracht het RVDA een relatief moderne bezitsadministratie in Westerlauwers Friesland, een administratie die ze tot die tijd nooit gekend had. De historicus T.J. de Boer (1866-1942) benadrukte als eerste de wetenschappelijke relevantie van het register voor onderzoek aangaande de Friese maatschappij. Hij kenschetste enkele mogelijkheden van gebruik van het register in een publicatie uit 1907, waarin hij ook benadrukte dat het enige tijd in de vergetelheid was geraakt.120 Delen van het RVDA zijn zowel voor als na dit artikel gepubliceerd. De registers van grietenijen in Oostergo zijn in 1880 in vier delen uitgegeven.121 J.C. Tjessinga (1885-1962) publiceerde de registers van Westergo tussen 1942 en 1954 en gaf daarbij ook enkele toelichtingen.122 Enkele registers van kleine dorpen of regio’s werden nadien nog uitgegeven.123 Het RVDA vormt de belangrijkste bron van deze scriptie. Dit hoofdstuk is de derde stap in de context van de reconstructie van het bezit van eigenerfden en hoofdelingen. Allereerst wordt de oorsprong van het register behandeld. Aangezien het RVDA tot stand kwam in een onrustige periode waarin het Saksische bestuur vernieuwingen invoerde, past het daar enigszins over uit te wijden. Vervolgens komt de inhoud van het register aan bod. Als laatste wordt verteld hoe het register is gebruikt in eerder onderzoek.

Oorsprong Item 124 doe settede die Hartoghe Grietmannen in alle deellen, beide in Oestergoe ende in Westergoe; ende die waerstallen worden vorsettet op ander steden, teghen ons landes olde brieven ende privilegyen; welcke Grietmannen waren die hovelinghen, die den Hertoghe in ghehaelt hadden, ende hoer vrienden nae syner gonste; dat den ghemeenen, eerbaren, rycken hoevelingen ende die meente mishaghede ende vertoernde.125 Het bovenstaande citaat van kroniekschrijver Petrus van Thabor beschrijft de situatie in Friesland in het jaar 1499. Volgens de schrijver was dit een moeilijke en onzekere tijd. Westerlauwers Friesland was nog maar net in Saksische handen en de kapiteins en soldaten van hertog Albrecht waren aanwezig om de orde te handhaven. Hoewel het Saksische bewind in Friesland gedurende de hele periode van 1498 tot 1515 moeilijkheden ondervond, waren vooral de eerste jaren onrustig. Uit de tekst van Petrus van Thabor komt een donker beeld van een gebroken maatschappij naar voren. De Friezen maakten 120

De Boer, "De Friesche grond in 1511," 95. I. Telting, ed. Register van den aanbreng van 1511 en verdere stukken tot de floreenbelasting betrekkelijk, 4 vols. (Leeuwarden: 1880). 122 J.C. Tjessinga, ed. De Aanbreng der Vijf Deelen van 1511 en 1514, 5 vols. (Assen: Van Gorcum, 1942-1954). 123 T.G. de Vries, It boek fan de Swan, Swannejacht en swannemerken yn Fryslan (Drachten 1959) 27-57; N.E. Algra (ed.) “It register fan de Oanbring fan Einjewier (1511)”, Us Wurk 14 (1965) 1-12; Ph.H. Breuker (ed.), “De registers fan de Oanbring út 1511 fan Sleat en Wikel”, Bijdragen ta pleatslike skiednis 1 (1984) 150-175; R. Heeringa en J.A. Mol (ed.) “Oanbringregisters fan Harns en Harnzer Utbuorren (…)”, Bydragen ta pleatslike skiednis 2 (1987) 62-142; H. Halsweer, “De registers fan de Oanbring út 1511 fan Eagmaryp en Ousternijegea”, ibidem 143-158. Dit overzicht van ‘kleine’ registers komt van: J.A. Mol en P.N. Noomen, eds., PKAF: Deel 2 Weststellingwerf ten noorden van de Linde, Prekadastrale atlas fan Fryslân : de pleatsen fan 1700 en 1640 neffens de floreen- en stimkohieren (Leeuwarden: Fryske Akademy, 1989), 22. 124 Item is een woord dat in middeleeuwse bronnen veel voorkomt en wordt gebruikt als aanhef of introductie van een tekst of document. Hoewel item in sommige gevallen iets betekent kan het ook, zoals hier, worden gezien als het begin van een nieuw onderwerp in een tekst. 125 Thaborita, Historie van Vriesland, 2, 145-146. 121

33

bijvoorbeeld afspraken met de hertog over belastingen of het leveren van troepen. Meerdere malen verhoogden de hertog en zijn vertegenwoordigers de eis, waar de Friezen tegen protesteerden. Deze onenigheden liepen uit tot enkele kleine oproeren en een grote opstand, die door de Saksische troepen moest worden neergeslagen. De vergeldingsacties voor de opstanden en andere acties, zoals het weigeren van betaling, bestonden uit plundering en brandstichting. De hoofdelingen die de hertog hadden uitgenodigd en binnengehaald werden beloond met posities in het nieuwe bestuur. Ze werden aangesteld als rechter of grietman,126 posities waar eerder voor werd gestemd.127 Opvallend genoeg waren het dezelfde Friese hoofdelingen die hielpen met het bedreigen en plunderen van de bevolking. Petrus van Thabor schrijft over hen dat zij: ‘die meente mede terchden ende vertoernden’. 128 De hertog verplaatste tegen de gewoonte in de waerstallen, de plekken waar de lokale rechtbanken altijd waren samengekomen.129 Hertog Albrecht van Saksen had drie redenen om Westerlauwers Friesland als heer in bezit te nemen. Allereerst was het weggeven van Friesland een betaling van schuld van Maximiliaan van Oostenrijk, Rooms koning en later keizer van het Heilige Roomse Rijk. Albrecht had in dienst van Maximiliaan verschillende oorlogen uitgevochten en hem grote sommen geld geleend. Deze leningen kon de Rooms koning niet terugbetalen. De hertog had op zijn beurt uitgaven gedaan en kon de uitgestelde terugbetaling niet langer afwachten. De tweede reden was de zoektocht van de hertog naar een tweede gebied voor zijn zoons George (1471-1539, ook wel George met de Baard geheten) en Hendrik (1473-1541, ook bekend als Hendrik de Vrome). Een tweede territorium van aanzienlijke grootte zou de splitsing van het erfdomein voorkomen. Wanneer George en Hendrik bij Albrechts overlijden de erfenis moesten verdelen hadden ze in ieder geval beiden beschikking over een eigen gebied, waardoor onenigheid zou worden voorkomen. Een derde aanleiding voor het einde van de Friese vrijheid was de roep om hulp van enkele Schieringer hoofdelingen. Deze Schieringers wilden een overwinning op de Vetkopers forceren door het veel machtiger Saksen ten hulp te roepen. De gebeurtenissen die waren verbonden met deze drie redenen speelden tussen 1495 en 1498. In 1498 ging de hertog over tot het daadwerkelijk veroveren van Westerlauwers Friesland, met behulp van de aanwezige Duitse huurlingen. Nadat Albrecht officieel was erkend als potestaat van Friesland door de vertegenwoordigers van de dorpen en steden, Maximiliaan en zijn zoon Filips I van Castilië (ook bekend als Filips de Goede, 1478-1506), stelde hij zich twee doelen. Het eerste was genoeg geld uit het gebied te verkrijgen en zo de onbetaalde schuld van Maximiliaan compenseren. Het tweede doel was Westerlauwers Friesland omvormen tot een goed bestuurde regio, geschikt als erfenis voor een van zijn zoons. Het eerste doel bemoeilijkte het tweede. Albrecht probeerde de uitgaven in Friesland zo laag mogelijk te houden, terwijl de implementatie van het nieuwe bestuur juist veel geld kostte.130 De Saksische hertogen, maar voornamelijk hun vertegenwoordigers ter plaatse, stonden voor een moeilijke taak en een constante uitdaging. Deze uitdaging werd deels vergroot door de zojuist genoemde doelen, want veel moeilijkheden hadden voornamelijk te maken met een tekort aan geld. Het centrale Saksische bestuur stelde systematisch te weinig geld beschikbaar voor het bestuur van 126

Een grietman is de voorloper van functies als burgemeester en (kanton)rechter. Schuur, "De Friese Hoofdeling opnieuw bekeken," 7. 128 Thaborita, Historie van Vriesland, 2, 148. 129 Historie van Vriesland, 1, 103. 130 Noomen, De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners, 216; Theissen, Centraal Gezag en Friesche Vrijheid, 1418; Paul Baks, "1499-1515:'gesteld in Freslant dar man hof ende stat onderhalden sal'," in De Heeren van den Raede. Biografieën en groepsportret van de raadsheren van het Hof van Friesland, 1499-1811, Oebele Vries, et al., eds., (Leeuwarden: Hilversum, Verloren, 1999), 17-18. 127

34

Friesland.131 Dit geldgebrek moest ter plaatse door belastingen, accijnzen en diverse heffingen worden opgelost. De organisatie van het belastingstelsel in Westerlauwers Friesland was echter hopeloos ouderwets en voornamelijk lokaal geconcentreerd. Overzichten van handel, bezit of belasting waren slecht, onduidelijk of bestonden gewoonweg niet. Naast deze gebrekkige administratie moesten de Saksische bestuurders met de afgevaardigden van de grietenijen en steden onderhandelen over de nieuwe belastingen. In enkele verslagen van de kroniekschrijvers van Thabor is te lezen dat deze onderhandelingen niet altijd resultaat opleverden. Wanneer men het over een bepaalde belasting wel eens was geworden werd regelmatig betaling geweigerd. De betalingen werden vervolgens afgedwongen door huurlingen, die op hun beurt ook soldij eisten.132 Naast het constante gebrek aan geld waren andere omstandigheden verantwoordelijk voor de moeilijke jaren van Saksisch bewind in Friesland. Na de dood van hertog Albrecht in september 1500 vererfde het potestaatschap van Friesland aan zijn zonen Hendrik en George. Westerlauwers Friesland was bedoeld als erfenis voor de jongere Hendrik, terwijl George over het kerndomein Saksen zou gaan heersen. Het plan dat Albrecht voor zijn zonen had bedacht verliep echter anders. Hendrik was weinig enthousiast over een toekomst als potestaat van Friesland. Aan het beleg van Franeker, in april van 1500, bewaarde hij zulke slechte herinneringen dat hij weigerde het potestaatschap van de regio over te nemen. In plaats daarvan probeerden de twee broers hun kersverse erfenis te verkopen aan Filips de Goede. 133 De twee Saksische hertogen waren voornamelijk afwezig in Friesland en maakten anderen verantwoordelijk voor het bestuur. Vier heren, onder leiding van stadhouder Hugo von Leisnig (1465-1538), vormden het hoogste bestuur. De periode tussen 1500 en 1505 was wellicht de moeilijkste gedurende het Saksische bewind van Friesland. Geldgebrek, dreigende invallen van vijanden van Saksen en de verspreiding van geruchten over de op handen zijnde verkoop maakten het dit bestuur niet gemakkelijk. 134 Dit blijkt ook uit de brieven van stadhouder Hugo von Leisnig aan Hendrik en George. De Duitse burggraaf uit Penig klaagde voortdurend over het gebrek aan middelen en het wegblijven van bestuurlijke specialisten zoals een muntmeester. Von Leisnig’s taak leek een kansloze missie en bereikte wellicht een dieptepunt bij zijn eis voor een hoger loon, die ook geweigerd werd.135 Von Leisnig en zijn opvolgers waren constant in discussie met de vertegenwoordigers van het Friese volk.136 Kort na de verovering voerde het Saksische bestuur enkele belastingen zonder conflict in, maar de uitvoering en de voorstellen voor andere belastingen gaven telkens rede tot onenigheid. Zo ook in het jaar 1500, na twee jaren van verschillende opstanden en algemene onrust in de regio. De steden en dorpen hadden afgesproken twee belastingen te voldoen aan het Saksisch bestuur: de twaalfde penning en de twintigste penning. Het is onduidelijk of ze deze belastingen in 1500 reeds betaalden, of dat ze deze nog moesten voldoen. Tegelijkertijd plande de hertog de bouw van een fortificatie rond Harlingen ter versterking van de Saksische positie in de regio. Een project dat volgens hem uitstekend kon worden gefinancierd door de Friese bevolking zelf. De betaling diende te worden gedaan in stenen.

131

Ibid., J.S. Theissen, 22. Thaborita, Kronijken van Friesland, vijfde boek, bevattende de geschiedenis van het begin der zestiende eeuw, 5-28. 133 Theissen, Centraal Gezag en Friesche Vrijheid, 19. 134 Baks, De Heeren van den Raede, 20-23. 135 J.L. Berns, Verslag aangaande een onderzoek naar archiefstukken, belangrijk voor de geschiedenis van Friesland uit het tijdperk der Saksische hertogen ('s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1891), 100, 102, 104, 105-107, 109, 116. Deze cijfers verwijzen naar de nummers van de documenten en niet naar de paginanummers van Berns. 136 Theissen, Centraal Gezag en Friesche Vrijheid, 50. 132

35

Wanneer deze niet vrijwillig werden gegeven, sneuvelden de huizen van Friese boeren.137 De betaling in stenen maakten de reeds ontevreden hoofdelingen en eigenerfden nog bozer: ‘Dit heuet oeck groet murmuratie ofte auersie onder dye heerschappen tegen den heer gemaeckt.’138 Toch eiste de hertog later in het jaar nog een betaling van enkele honderden goudguldens, terwijl de meeste dorpen al moeite hadden met het betalen van de eerder gevraagde penningen. Het voorstel voor deze nieuwe belasting zou de aanleiding geweest zijn voor de opstand in 1500, die overigens met succes werd neergeslagen door het Saksisch bestuur. 139 Men kan de kroniekschrijver van Thabor bijna horen zuchten wanneer hij schrijft: Ende nu quam de niuwe schattinge daer op, alsoe dat dye Vriesen werden desperaet ende verbaedts ende hebben niet veele van dese niuue gebracht; want aldese voersz. schattingen worden den Vriesen opgelecht buitten haer consent ende sonder redelicke oorsaeck, ende bouen die contracten ende dye eerste ouercomst met hertoch Albert van Sassen aengegaen, doe hy eerste int lant quam.140 Het achterblijven van betalingen, het gebrek aan overzicht en de onzekere schatting van de waarde van het bezit in de regio leidden uiteindelijk tot de opdracht voor het opstellen van het RVDA. Mogelijk zijn omstreeks deze periode de onderhandelingen over de verkoop van Friesland stukgelopen, al zijn de bronnen hier niet duidelijk over. Op 22 september 1504 gaf Hertog George van Saksen de opdracht voor een inventarisatie van de waarde van het land, te gebruiken voor het heffen van belasting.141 Hij schreef dat elke grietman een dag moest uitkiezen waarop alle inwoners van de grietenij werden verzameld. De inwoner diende de grietman eerlijk te vertellen hoeveel land hij bezat of gebruikte, hoeveel huur daarvoor werd betaald en aan wie deze huur werd betaald. Ieder die verhinderd was diende later langs te komen en dit alsnog duidelijk te maken. Elke grietman werd gecontroleerd door een collega om fraude te voorkomen.142 De hertog wilde de lijst in 1505 in bezit hebben. Geheel in de lijn van vorige voorstellen kwam ook op dit voorstel forse kritiek vanuit de Friese gemeenschap. De bevolking was huiverig voor weer een nieuwe belasting. De bezitters van grote stukken grond probeerden met een leugen er onderuit te komen en verklaarden niet te weten hoe groot hun eigendom was. Aangezien de te heffen rente hierop steunde, was het noodzakelijk eerst het bezit op te meten. Vanwege de onrust die het veroorzaakte zagen de Saksische bestuurders in eerste instantie af van het voorstel. Wat in de tussentijd heeft plaatsgevonden is onduidelijk, maar volgens Theissen was het register in 1510 klaar. Uiteindelijk verscheen het RVDA na enkele correcties in 1511.143 Theissen verwijst naar twee bladzijden in het Charterboek, maar ziet pagina 272 over het hoofd.144 In dit stuk staat dat op 20 juni 1511 de opdracht aan de grietmannen werd gegeven alle dorpen langs te gaan en de landen te registeren. Dit overzicht moest de volgende maand af zijn.145 De

137

Thaborita, Kronijken van Friesland, vijfde boek, bevattende de geschiedenis van het begin der zestiende eeuw, 7. Ibid. 139 Ibid., 10-28; Thaborita, Historie van Vriesland, 2, 148-163. 140 Ibid., Worperus Thaborita, 8. 141 Faber, Drie eeuwen Friesland, 21; Berns, Verslag aangaande archiefstukken Friesland, 267. 142 Theissen, Centraal Gezag en Friesche Vrijheid, 50-51. 143 Ibid., 51-52. 144 G.F. Schwartzenberg thoe Hohenlansberg, ed. Groot placaat en charter-boek van Vriesland, 5 vols. (Leeuwarden: 17681793), 13 en 73. 145 Ibid., 272. De aanduiding ‘Jacobi’ doelt waarschijnlijk op 25 juli. 138

36

precieze datering van het register wordt op deze manier wel wat lastig, maar zeker is dat het RVDA in 1511 verscheen.

Inhoud en gebruik Van het RVDA zijn twee steden en 16 van de 30 grietenijen bewaard gebleven. Deze stukken zijn in de negentiende eeuw verzameld en, zoals hierboven beschreven is, in verschillende perioden uitgegeven. De opgaven van de diverse grietenijen verschillen in bepaalde gevallen van inhoud, waarvan het voornaamste de beschrijving van grootte van het bezit betreft. De registers zijn uitgegeven als een lange lijst, ingedeeld per grietenij en binnen de grietenij per dorp. Aangezien een omschrijving zowel een boerderij, een stuk land (perceel) zonder gebouw of alleen een huis kan bevatten, wordt het verder in deze scriptie object of aanbreng genoemd. Van elk object is de gebruiker beschreven. De gebruiker is vaak slechts bekend met een voornaam, zoals Welcka of Rijoerdt. Andere keren is de aanduiding duidelijker en volgt een tweede naam die verwijst naar de betreffende boerderij zoals Sijpka to Hagehuus, of naar de plaats waar het object of de woning van de gebruiker zich bevond, zoals Jesse to Jousum. Ook geestelijken moesten hun land opgeven. Hoewel ze het boeren waarschijnlijk aan anderen overlieten komt de aanduiding pastoor of prebendarius of vicarius ook voor, soms gevolgd door een naam. Enkele malen is de geestelijke alleen te herkennen aan de functie met daarbij de naam van het dorp. In het register van Ferwerderadeel volgt na de naam de grootte van het totale object. Dit is een optelsom van alle percelen, die niet noodzakelijk naast elkaar lagen. In het register van Hennaarderadeel ontbreekt deze omschrijving zeer regelmatig. De grootte van de aanbreng werd voornamelijk opgegeven in pondematen en koegras. Ook komt de aanduiding mad voor. De aanduidingen worden op zeer uiteenlopende wijzen opgeschreven, blijkbaar was consistentie niet gebruikelijk. Pondematen heetten ook pondten, koegras komt voor als schar, gras, gers en gors. Een pondemaat komt overeen met ongeveer 0,4 hectare, maar dit verschilt per regio. De Boer schreef dat de verdeling tussen regio’s met een grote pondemaat en regio’s met een kleine pondemaat gelijk verdeeld zijn, het gemiddelde komt dus overeen met iets minder dan een halve hectare.146 Dat neemt echter niet weg dat de grootte van objecten ondanks een gelijk aantal pondemaat kan verschillen tussen regio’s: bijna letterlijk te hooi en te gras. Een koegras werd gebruikt ter aanduiding voor de grootte van een weiland. Eén koegras kwam overeen met de grootte van een weiland dat één koe in de zomer nodig had om te grazen. Een mad sloeg op de hoeveelheid hooiland dat een man op één dag kon maaien. Hoewel weinig bekend is over de meting van de oppervlakte van alle maten, lijken vooral de laatste twee oppervlaktematen nogal subjectief. Na de beschrijving van de gebruiker en de eventuele grootte in het register, volgen de eigenaren van het object. In de meeste gevallen zijn dit meerdere eigenaren per boerderij, oplopend tot wel acht eigenaren. In het RVDA werd geen onderscheid gemaakt tussen daadwerkelijke betaling voor het pachten en een periodieke betaling (verbonden aan het bezit) aan een pastoor of het kerkgebouw (patroon). Dit geeft in ieder geval het probleem dat iemand die vandaag de dag het register gebruikt zelf een onderscheid moet maken. Voor of na het noemen van de eigenaar volgt de waarde van het

146

De Boer, "De Friesche grond in 1511," 98-102.

37

betreffende deel in florenen en stuivers.147 In de kantlijn staat tenslotte de waarde van het gehele object. Het RVDA vormt een betrouwbaar overzicht. In de opdracht van juni 1511 waren boetes opgenomen voor het geval iemand loog over de grootte of waarde van zijn bezit.148 Volgens Faber verscheen het register in een tijd waarin men meer bereid was met de Saksen samen te werken.149 Dit is een heldere constatering van Faber en goed te volgen. Het Saksische bestuur was in 1511 al enige jaren aan de macht. De tijden van opstanden waren toen voorbij, alleen ten oosten van Westerlauwers Friesland werd gevochten. Ook zal rond deze tijd de speculatie over de verkoop aan Filips de Goede wel zijn afgenomen. Ondanks de betrouwbaarheid van het RVDA is consistentie van de inhoud een groot probleem. Een naam kan op verschillende wijzen zijn gespeld, wat het bijhouden van een persoon bijzonder lastig maakt. Het gebrek aan een duidelijke familie- of herkomstnaam maakt dat personen soms alleen bekend zijn met een voornaam en het dorp waar ze geregistreerd staan. De optelsom van de delen van eigenaren komt enkele malen niet overeen met het bedrag in de kantlijn. Nog ingewikkelder is het gebruik van verschillende munten en schrijfwijzen. Soms wordt anderhalve floreen genoteerd als 1 floreen en 14 stuivers, andere keren staat het als 1,5 floreen genoteerd. Hoewel het merendeel in florenen en stuivers staat genoteerd komen enkele andere munteenheden zoals kronen, schilden en zogenoemde maarscip Suuels voor. De waarde daarvan is echter wel te berekenen aan de hand van het totale bedrag in florenen. Ook bij de oppervlaktematen is niet altijd consistentie. Het register van Ferwerderadeel telt bijvoorbeeld meerdere soorten pondematen. In beide delen worden pondematen en koegrazen door elkaar gebruikt. Ondanks enkele inconsistenties in het overzicht is het RVDA voor de historisch-economische geschiedschrijving van Friesland van groot belang geweest. Bij onderzoekingen op detailniveau bleek het register menigmaal de sleutel tot het beantwoorden van gedetailleerde vragen over een specifieke boerderij of het achterhalen van een bepaald persoon. Op grotere schaal werd het register gebruikt voor studies naar bevolking, maatschappij, (rurale) economie en bezit. 150 J.A. Faber (1925-2007) publiceerde de resultaten van een dergelijk groot onderzoek in het proefschrift Drie eeuwen Friesland.151 Hij onderzocht de demografie, de beroepsstructuur, de landbouw, de nijverheid en de samenhang van verschillende groepen binnen de Friese maatschappij tussen 1500 en 1800. Zijn omvangrijke werk, bestaande uit 760 bladzijden waarvan de helft uit grafieken, kaarten en tabellen, laat de mogelijkheden zien van het gebruik van het register bij onderzoek naar Friesland. Faber gebruikte het RVDA voor het overbruggen van de middeleeuwen naar de vroegmoderne tijd. Zoals gemeld publiceerde De Boer reeds in 1907 een artikel over het RVDA. Hij onderzocht de registers van Leeuwarderadeel en Ferwerderadeel. De Boer concentreerde zich vooral op de oppervlaktematen en de grootte van de bedrijven. Bij deze twee grietenijen maakte hij een inschatting van de oppervlakte van gepacht land en land dat in eigen gebruik was, maar deed dit vooral aan de hand van het geschatte aantal hectare. Zijn studie is later gebruikt als basis voor berekeningen van verdeling van eigendom en 147

De floreen, ook wel bekend als goud- of rijnsgulden was 28 stuivers waard. Schwartzenberg thoe Hohenlansberg, Groot placaat en charter-boek van Vriesland, 272. 149 Faber, Drie eeuwen Friesland, 318. 150 D.J. van der Meer, Boerderijenboek Hennaarderadeel 1511-1698, bezorgd door J. Oostra, geintroduceerd door J.A. Mol and geindexeerd door O. Hellinga (Leeuwarden: Fryske Akademy, 2004); Johannes van Dijk, Van Beijntum Bolleholle en Keallesturt (1993); Van Ter Sted tot Olde Stins (1987); Obe Postma, De Friesche kleihoeve: bijdrage tot de geschiedenis van den cultuurgrond vooral in Friesland en Groningen met veertien kaarten (1934); "Een Friesch dorp in 1546," De Vrije Fries 27 (1924), 8-17. 151 Faber, Drie eeuwen Friesland. 148

38

grootte van de boerenbedrijven.152 Hoewel de schattingen van oppervlakten van De Boer bruikbaar zijn, net als zijn uitleg van de verschillende maten, leunt zijn uitleg over de verdeling van bezit teveel op een subjectieve maatstaf. De pondematen verschillen per grietenij en soms per dorp. De oppervlakten van mad en gras zijn onderhevig aan een schatting. Minder subjectief lijkt de schatting naar het totale bedrag van een object en daarmee de waarde van de delen van iedere eigenaar. De Boer maakte een vergelijking voor pacht of eigen bezit aan de hand van categorieën die werden gebruikt in de landbouwstatistiek van 1902.153 Hij verdeelde Ferwerderadeel in: geheel of meer dan de helft eigenaar (64 of 17,5%) en geen of minder dan de helft eigenaar (301 of 82,5%). Deze verdeling doet af aan de complexiteit van het register. Het gaat ook voorbij aan de verhoudingen tussen de gebruiker en eigenaar en de eerder beschreven mogelijkheden tot het bij elkaar brengen van versnipperd erfgoed. Wanneer het geen kerk of kloostergoed betrof keer De Boer namelijk niet naar de categorie van eigenaren. Een gedeeltelijk eigenaar kon namelijk ook pachten bij een eigenerfde of bij familie. Het geeft een beeld dat een eigenaar die minder dan de helft van zijn land zelf bezat, sociaal of economisch niets te betekenen had. Door De Boer werden eigenaren van zulke kleine bezittingen meteen gedegradeerd tot pachter. De schattingen van De Boer en de historicus Obe Postma (18681963, zie ook het volgende hoofdstuk) leunden zo teveel op de grootte en eventueel de waarde van het bedrijf. Ze gingen voorbij aan maatschappelijke en ruimtelijke factoren zoals de ligging in het landschap, de kwaliteit van de grond of de sociale groep waartoe een eigenaar behoorde. In dit hoofdstuk is de belangrijkste primaire bron van deze scriptie vastgesteld. Het RVDA kwam tot stand na een onrustige periode van het nieuwe Saksische gezag. Na enkele jaren van opstanden en geldgebrek werd de situatie in Friesland stabieler. Hoewel de vertegenwoordigers van de bevolking en de Saksische bestuurders het niet altijd eens werden over de belastingen, werd in 1504 de opdracht gegeven voor het register. Vanwege onbekende redenen verscheen het RVDA pas in 1511. Het register bracht een noodzakelijke vernieuwing binnen de bestuurlijke administratie van de regio en diende als basis voor latere belastingen in de zestiende en zeventiende eeuw. Het RVDA is betrouwbaar, maar inhoudelijk regelmatig inconsistent, een feit waar iedere historicus bij het gebruik van dit register rekening mee moet houden. Het RVDA is door De Boer, Postma en Faber gebruikt voor onderzoek naar de verdeling en grootte van bezit in Westerlauwers Friesland. Het artikel van De Boer was voor latere historici een eerste uitgangspunt voor informatie over het register. Zij deden dit onderzoek niet in alle delen, maar voornamelijk in Leeuwarderadeel, Ferwerderadeel, Hennaarderadeel en Barradeel. De publicaties van deze drie auteurs zijn goed en betrouwbaar maar kennen ook enkele gebreken. Zij stroomlijnen de gegevens in een harde verdeling van pachters en eigenaars en houden daarbij geen rekening met onderlinge verhoudingen van gebruikers en eigenaars. In deze publicaties komen eigenerfden nauwelijks aan bod. Verder valt op dat de auteurs voornamelijk rekenen aan de hand van oppervlaktematen en niet in de aangebrachte waardes van het bezit. Tenslotte lijken zij weinig aandacht te hebben voor ruimtelijke factoren van het landschap.

152

Postma, De Friesche kleihoeve: bijdrage tot de geschiedenis van den cultuurgrond vooral in Friesland en Groningen met veertien kaarten, 45; Faber, Drie eeuwen Friesland, 216; Bas van Bavel, "The emergence and growth of short-term leasing in the Netherlands and other parts of Northwestern Europe (eleventh-seventeenth centuries). A chronology and a tentative investigation into its causes," in The development of leasehold in northwestern Europe, c. 1200 – 1600, Phillipp Schofield en Bas van Bavel, eds., Comparative Rural History of the North Sea Area (Turnhout: Brepols Publishers, 2009), 190-192. 153 De Boer, "De Friesche grond in 1511," 105-106.

39

5. Bezitsreconstructie en analyse De laatste en belangrijkste stap in het beantwoorden van de hoofdvraag bouwt voort op de eerste vier hoofdstukken van deze scriptie. De aanpak, de bron en de context van allerlei elementen rond de hoofdelingen en eigenerfden zijn bekend. In dit hoofdstuk wordt met al deze elementen verder gewerkt. De analyse bestaat uit een beschrijving van het aanpassen van de inhoud van het register voor het gebruik in GIS. Vervolgens worden de boerderijen gelokaliseerd. Tenslotte wordt uitgelegd wat deze reconstructie betekent en welk beeld de reconstructie te zien geeft.

Inhoud register naar database De registers van Ferwerderadeel en Hennaarderadeel zijn handmatig gedigitaliseerd en opgenomen in een database. 154 Dit leidde tot een overzicht van 688 objecten, waarvan de meeste objecten boerderijen zijn en enkele objecten alleen percelen. Alle gegevens uit het register zijn overgenomen in deze database (zie bijlage 7). Er is één verschil tussen beide grietenijen. Van Ferwerderadeel is de grootte van elke aanbreng trouw opgetekend in het RVDA en daarom overgenomen in de database. Bij Hennaarderadeel bleven veel vragen open met betrekking tot de grootte van boerderijen. Aangezien in deze analyse niet wordt gekeken naar het aantal pondematen van elke aanbreng, wordt geen berekening of schatting van de grootte gemaakt aan de hand van de waarde, zoals Faber deed.155 Aan de database is gedurende het onderzoek meer informatie toegevoegd. Die informatie bestaat uit gegevens die zijn afgeleid uit de inhoud van het register, bijvoorbeeld een extra kolom waarin staat of de gebruiker volledig, gedeeltelijk of helemaal niet eigenaar was van de betreffende boerderij (zie bijlage 7). Niet alleen uit het register zelf, maar ook uit andere bronnen is gedurende het onderzoek informatie toegevoegd. Dankzij de uitgebreide onderzoeken van D.J. van der Meer en J. van Dijk kon een deel van deze boerderijen worden verbonden aan gegevens uit de stem- en floreenkohieren. Aangezien beide auteurs voor zoveel mogelijk boerderijen alle bronnen zijn afgegaan, is het mogelijk deze terug te leiden tot het RVDA van 1511.156 De werkwijze van beide auteurs heet retrospectief of retrogressief onderzoek. De Friese historicus Obe Postma beschreef in 1934 deze werkwijze voor Westerlauwers Friesland. Hij liet zien dat het RVDA uit 1511 met een soortgelijk register uit 1546, dat een overzicht gaf van een gedeelte van Westergo, en de Benificiaalboeken uit 1543 kon worden gecombineerd. De volgende stap was het overbruggen van deze periode tot 1700, toen het RVDA opnieuw werd opgezet en geadministreerd. Deze administratie is compleet bewaard gebleven en kreeg de naam floreenregister, ook wel floreenkohieren genoemd. Deze floreenkohieren werden van het jaar 1700 tot 1858 elke tien jaar herzien. De floreenkohieren hebben enige tijd overlap met het vroege Kadaster. Bij de invoer van het Kadaster in 1832 werd in de floreenkohieren het bijbehorende kadasternummer genoteerd. Met gebruik van de oudste kaarten

154

Ferwerderadeel is opgetekend in de publicatie van Telting uit 1880 en online beschikbaar als E-book via Google, waardoor het overnemen van de gegevens sneller ging dan uit een boek: Telting, Register van den aanbreng van 1511 en verdere stukken tot de floreenbelasting betrekkelijk, 91-113. Hennaarderadeel is opgetekend in de uitgaves van Tjessinga en alleen in boekvorm te vinden: Tjessinga, De Aanbreng der Vijf Deelen van 1511 en 1514, Aflevering 3, deel 4. 155 Faber, Drie eeuwen Friesland, 216. 156 Van der Meer, Boerderijenboek Hennaarderadeel 1511-1698; Dijk, Van Beijntum Bolleholle en Keallesturt; Van Ter Sted tot Olde Stins.

40

van het Kadaster, de zogeheten minuutplans, konden deze percelen dus gelokaliseerd worden.157 Bij retrospectief onderzoek voor Friesland wordt vanaf het Kadaster teruggewerkt naar het verleden, met gebruik van zoveel mogelijk beschikbare bronnen. 158 Deze methode is de afgelopen jaren sterk verbeterd dankzij het platform HISGIS van de Fryske Akademy.159 Postma heeft het in zijn publicatie bijvoorbeeld nog niet over de stemkohieren van 1640. In deze overzichten werd het stemrecht van landeigenaars bijgehouden. Dit was de zogeheten ‘stem in staat’, de mogelijkheid personen voor bestuurlijke functies te kiezen. Voor de reconstructie van boerderijen uit 1511 zijn de stemkohieren essentieel gebleken.160 De floreenkohieren en stemkohieren zijn door de Fryske Akademy uitgegeven in de serie Prekadastrale Atlas van Friesland, ook wel afgekort met PKAF. 161 HISGIS heeft deze gegevens gedigitaliseerd en gevectoriseerd. Samen met de gevectoriseerde gegevens van het Kadaster uit 1832 bieden deze bronnen een schat aan informatie.162 Via HISGIS zijn de kohieren te raadplegen en beschikbaar voor eigen gebruik in een GIS. Na het raadplegen van de publicaties van Van der Meer en Van Dijk werden 228 objecten geselecteerd. De selectie bestond voornamelijk uit boerderijen. Van Hennaarderadeel werden 182 objecten gekoppeld aan het RVDA. Het overzicht van deze grietenij in het Boerderijenboek is het grootst in omvang. Van alle dorpen binnen deze grietenij zijn boerderijen gekoppeld en gelokaliseerd. In Ferwerderadeel werden slechts 46 boerderijen in de dorpen Ferwerd en Benthum gekoppeld aan de gegevens van het register. Van deze grietenij is namelijk geen uitgebreid werk dat in grootte vergelijkbaar is met het Boerderijenboek. Dankzij deze literatuur was het mogelijk de boerderijen te koppelen aan het RVDA zonder dat daarvoor een moeilijk en tijdrovend onderzoek in verschillende archieven hoefde te worden gedaan. Voordat een correcte analyse mogelijk was moest nog een stap worden gezet in de voorbereiding van de database: het categoriseren van de boerderijen naar aanleiding van de eigenaar. Wanneer een boerderij volledig of gedeeltelijk in handen was van de kerk (pastoor of patroon) of een klooster was dit duidelijk vast te stellen. Pastoors worden in het register aangeduid met heer, gevolgd met de voornaam, bijvoorbeeld ‘heer Taecko’. Op deze aanduiding volgt soms het woord pastoor en het desbetreffende dorp, zoals ‘heer Taecko pastoor Wommels’. Patroonsgoed, bedoeld voor het onderhouden van het kerkgebouw, was ook eenvoudig te categoriseren. Het woord patroon werd met de naam van het dorp steeds helder aangeduid in het register. De inkomsten van pastoors en patronen bestonden uit opbrengsten uit boerderijen of uit kleine bijdragen (van enkele stuivers) van boerderijen uit het dorp. Bezit van kloosters was ook zonder enige twijfel aan te wijzen, aangezien het woord klooster of de naam van het klooster altijd vermeld wordt. Enkele malen werd verwezen naar de abt of prior van het klooster.

157

Postma, De Friesche kleihoeve: bijdrage tot de geschiedenis van den cultuurgrond vooral in Friesland en Groningen met veertien kaarten, 7-9; J.L.H. Hartmann, De reconstructie van een middeleeuws landschap, nederzettingsgeschiedenis en instellingen van de heerlijkheden Eijsden en Breust bij Maastricht (10e-19e eeuw) (Assen: Van Gorcum, 1986), 4. 158 Ibid., 4. 159 Mol, Noomen, en Strating, Historisch GIS Fryslân. 160 Mol en Noomen, PKAF: Deel 2 Weststellingwerf ten noorden van de Linde, 10-11. 161 PKAF: Deel 8 Hinnaarderadiel, Prekadastrale atlas fan Fryslân : de pleatsen fan 1700 en 1640 neffens de floreen- en stimkohieren (Leeuwarden: Fryske Akademy, 1994); PKAF: Deel 14 Ferwerderadiel, Prekadastrale atlas fan Fryslân : de pleatsen fan 1700 en 1640 neffens de floreen- en stimkohieren (Leeuwarden: Fryske Akademy, 2001). 162 Met de beschikbare gegevens van Kadaster en floreenkohieren neemt HISGIS onderzoekers veel werk uit handen. Mol, Noomen, en Strating, Historisch GIS Fryslân, 3. Zie ook Hartmann, De reconstructie van een middeleeuws landschap, 7.

41

Na het selecteren van de kerk- en kloostergoederen was het zaak de hoofdelingen te identificeren. Dankzij de eerder beschreven adelslijst uit 1505 is bekend wie in deze tijd tot de Friese adel behoorden. 163 Zie voor het volledige overzicht van Friese hoofdelingen bijlage 1. Het bezit van hoofdelingen kon dankzij deze lijst als het ware worden weggestreept. Van de eigenaren die overbleven kon worden uitgegaan dat ze eigenerfden waren. Wanneer een boerderij voor het grootste deel in handen was van één of meerdere eigenerfden, kreeg deze de categorie eigenerfde toegewezen. Om het overzicht te bewaren zijn twee verschillende indelingen gemaakt: een algemene en een gedetailleerde. Voor de algemene indeling is gekozen voor een harde grens, waarbij een object werd ingedeeld bij één van de vijf categorieën. Deze vijf categorieën zijn klooster, pastoor, patroon, hoofdeling en eigenerfde (tabel 1). De eigenaar of de groep van de eigenaar met het grootste aandeel, of gezamenlijk het grootste aandeel, bepaalde de categorie waarbij de boerderij werd ingedeeld. Wanneer een boerderij voor twee derde in handen was van een of meerdere hoofdelingen en voor een derde in handen van een klooster, werd de boerderij ingedeeld in de categorie hoofdeling. Bij de tweede, gedetailleerde indeling, werd gebruik gemaakt van veel meer categorieën. Bij deze indeling is een zachtere grens getrokken, waarbij een boerderij bijvoorbeeld tegelijkertijd eigendom is van een hoofdeling en een kerk. Een voorbeeld biedt de boerderij Roordama (223) in Easterein, die in 1511 40 florenen en 7,5 stuiver waard was. Ongeveer 70% (28 florenen) van deze boerderij was in handen van de hoofdeling Jouw Roorda, in de adelslijst heet hij Juw Roorda, uit Barradeel. Heer Goffa, de pastoor van Easterein had met 7 florenen en een stuiver ongeveer 17,5% van het eigendom in bezit. Voor de analyse van het bezit is gebruik gemaakt van de eerste indeling. De eerste indeling met vijf categorieën maakt een analyse veel overzichtelijker, maar minder genuanceerd. Toch zou de tweede indeling ondanks de nuance de analyse niet beter maken. De 14 verschillende categorieën bestaan voor het grootste gedeelte uit bijzondere combinaties die weinig voorkomen. Aantal objecten H Aantal objecten F Totaal

Klooster 26 17 43

Pastoor 25 3 28

Patroon 17 2 19

Hoofdeling 23 7 30

Eigenerfd 91 17 108

Totaal 182 46 228

Volledig bezit H 0 11 0 2 3 16 Volledig bezit F 0 3 2 2 4 11 Totaal Volledig bezit 0 14 2 4 7 27 Gedeeld bezit H 6 1 2 7 36 52 Gedeeld bezit F 8 0 0 0 6 14 Totaal Gedeeld bezit 14 1 2 7 42 66 Bezit in pacht H 20 13 15 14 52 114 Bezit in pacht F 9 0 0 5 7 21 Totaal bezit in pacht 29 13 15 19 59 135 Tabel 1: Overzicht van objecten (voornamelijk boerderijen) in de reconstructie. De H staat voor Hennaarderadeel, de F voor Ferwerderadeel. Onder de grijze balk wordt een overzicht gegeven van het eigendom ten opzichte van eigenaar en gebruiker. Volledig bezit slaat dus op een gebruiker die volledig eigenaar was van de betreffende boerderij. Gedeeld bezit geeft aan dat de gebruiker voor een gedeelte eigenaar was van het gebruikte goed, de categorie wordt bepaald door de eigenaar of groep eigenaren met het grootste aandeel in de boerderij. Bezit in pacht geeft aan dat de gebruiker geen eigenaar was van het gebruikte land, de categorie slaat in die gevallen dus op de grootste eigenaar. (N.B. Kloosters en patronen zijn nooit gebruiker van boerderijen, maar hebben in het geval van gedeeld bezit het grootste gedeelte in eigendom.)

Lokalisatie boerderijen in GIS Bij Hennaarderadeel werden de boerderijen gekoppeld aan het corresponderende nummer van het stemkohier. Bij Ferwerderadeel werd zowel het floreennummer als het stemkohiernummer toegevoegd. Dankzij de publicaties van D.J. van der Meer en J. van Dijk kon van bijna alle boerderijen ook de naam vastgesteld worden. Dit maakt het overzicht minder abstract en de boerderijen meer dan 163

Winsemius, Chronique ofte historische geschiedenisse van Vrieslant, 401-404.

42

een toegewezen nummer.164 De namen van de boerderijen zijn toegevoegd aan het digitale overzicht. Dankzij de sprongen in de tijd, van het kadaster van 1832, naar de floreenkohieren uit 1700 en vervolgens terug naar de stemkohieren uit 1640 kan voor deze 228 objecten de locatie worden uitgezocht. De belangrijkste bronnen voor dit minutieuze uitzoekwerk waren de gevectoriseerde percelen van de stemkohieren, afkomstig van de Fryske Akademy en de kaarten van beide grietenijen uit de Schotanusatlas.165 Deze atlas werd in 1718 uitgegeven door François Halma en was een nieuwe en bewerkte uitgave van de Friesche Atlas uit 1698. De kaarten uit deze Friesche Atlas waren geproduceerd door Bernardus Schotanus à Sterringa in opdracht van de Gedeputeerde Staten van Friesland.166 De kaarten van de Schotanusatlas zijn voor gebruik in GIS gegeorefereerd. De punten in de kaart werden geprikt op dezelfde punten in een moderne satellietkaart van Google, door gebruik te maken van kerkgebouwen en andere overeenkomende objecten.167

Figuur 6: Voorbeelden van de reconstructie met gebruik van het stemkohier en de kaart van Schotanus. De selectie van stemkohier 32, de boerderij met de naam Sions is te zien in de twee afbeeldingen aan de linkerkant. Linksboven de selectie met alleen de stemkohierlaag. Nummer 32 is geel gemarkeerd. Linksonder wordt de selectie gecombineerd met de kaart van Schotanus. Rechts wordt de boerderij die bekend staat als Sassinga geselecteerd. De naam is duidelijk weergegeven op de Schotanuskaart. Een controle met het corresponderende stemkohiernummer laat zien dat de locatie correct is weergegeven op de kaart. Vervolgens werd een puntlocatie toegewezen.

164

Noomen, De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners, 195. Stemkohieren: http://www.hisgis.nl/hisgis/gewesten/fryslan/Kaartinformatie/stemkohieren Kaarten grietenijen: Bernardus Schotanus à Sterringa, "Ferwerderadeel," in Uitbeeldinge der Heerlijkheid Friesland (Atlas Schotanus), ed. François Halma (1718 (1698)); "Hennaarderadeel," in Uitbeeldinge der Heerlijkheid Friesland (Atlas Schotanus), ed. François Halma (1718 (1698)). 166 Bernardus Schotanus à Sterringa en Menso Alting, Uitbeelding der heerlijkheit Friesland; zoo in 't algemeen, als in haare XXX bijzondere grietenijen, François Halma ed. (Leeuwarden 1718). 167 Andrea Favretto, "Georeferencing Historical Cartography: A Quality-Control Method," Cartographica 47, no. 3 (2012), 161-167. 165

43

Per object werd het corresponderende stemkohiernummer geselecteerd. Dit markeerde een specifiek gebied binnen de grietenij. Vervolgens werd op de Schotanus kaart gekeken naar een boerderijplaats binnen dit gemarkeerde gebied. In veel gevallen kwamen de percelen van het stemkohier en de plaats van de boerderij op de Schotanuskaart overeen (zie figuur 6). Op deze manier kon per boerderij een puntlocatie worden aangewezen. Als stukjes van een puzzel vielen de boerderijen op hun plek. Enkele uitzonderingen daargelaten kon voor de 228 objecten een locatie worden aangewezen die correspondeerde met het stemkohier en een gebouw op de kaart van Schotanus. Zie voor de volledige reconstructie van Hennaarderadeel en Ferwerderadeel de bijlagen 2 en 3. Met deze reconstructie is het eerste gedeelte van de hoofdvraag van deze scriptie beantwoord. Het is inderdaad mogelijk het bezit uit 1511 te reconstrueren met gebruik van GIS. De locatie van de gereconstrueerde boerderijen is in bijna alle gevallen betrouwbaar of zelfs zeer betrouwbaar te noemen. De boerenbedrijven in Friesland kennen verhoudingsgewijs een grote continuïteit vanaf de middeleeuwen tot en met de negentiende eeuw. De hornlegers, de boerderijen die de kern van het bezit vormden, zijn in deze eeuwen vaak op dezelfde plek gebleven. De omliggende bezittingen werden natuurlijk soms verkocht of gesplitst, maar werden na verloop van tijd ook vaak weer samengevoegd bij de boerderij. De continuïteit is te danken aan twee factoren. Allereerst de eerder beschreven bescherming op het erven van bezit en het tegengaan van splitsing van kerngoederen binnen families. 168 De tweede factor heeft te maken met de ouderdom van het kleilandschap. Aangezien het al lange tijd bewoond was, was het land als het ware vol. Elk vruchtbaar stuk land was eigendom van iemand. Er kon in de kleistreken niet door ontginning veel land worden toegevoegd. 169 Naast deze twee factoren geven de achterliggende structuren van stem- en floreenkohieren en de percelen uit 1832 de plaatsbepaling een betrouwbare basis.170

Analyse van bezit, locatie en ruimtelijke factoren Wanneer wordt gekeken naar de ligging van boerderijen is de verwachting dat hoofdelingen, vanwege hun machtspositie en als oudere groep, op of dichtbij de kwelders en oudste terpen hun bezit hebben. Vanwege hun positie en status is de verwachting dat hun inkomsten hoger liggen. Van de eigenerfden is de verwachting dat ze op de minder vruchtbare of minder waardevolle gronden en zich dieper in het land bevinden, verder van de kwelderwallen af. De eigenerfden waren juridisch gezien een groep van lagere status. Men zou vanwege deze positie dus verwachten dat ze lagere inkomsten hadden. Bij deze analyse wordt niet alleen naar de locatie op zichzelf gekeken, bijvoorbeeld op de kaart van de Schotanusatlas. Fysieke kenmerken van het landschap, zoals de bodem, de hoogte en waarden en eigendommen van latere tijd kunnen worden gebruikt voor een verklaring van de spreiding en de locatie.171 Bij de ontleding van de locatie van het bezit valt een aantal zaken op. Allereerst dat de eigendommen van hoofdelingen en eigenerfden zich dicht bij elkaar bevonden. Binnen Hennaarderadeel waren beide groepen door elkaar heen verspreid in het landschap. In het oostelijk gedeelte van de grietenij bevonden zich wel meer eigenerfden dan in de rest van het gebied. Dit is echter de enige opvallende concentratie. Binnen de dorpen en op verschillende terpen was zowel bezit van hoofdelingen als 168

Ook Hartmann geeft aan dat kleine nederzettingen en een gesloten vererving reconstructies als deze perspectief bieden. Hartmann, De reconstructie van een middeleeuws landschap, 6. 169 Mol en Noomen, PKAF: Deel 2 Weststellingwerf ten noorden van de Linde, 11-12. 170 Mol, Noomen, en Strating, Historisch GIS Fryslân, 6. 171 Hartmann, De reconstructie van een middeleeuws landschap, 1-3.

44

eigenerfden naast elkaar te vinden. Op het eerste gezicht was er dus nauwelijks verschil tussen de twee groepen. Met gebruik van de geomorfologische kaart is te zien dat het bezit van hoofdelingen in Hennaarderadeel zich niet perse concentreerde op de kwelderwallen. Ze hadden verspreid door de grietenij hun bezit. In Ferwerderadeel was het bezit sowieso al op of dichtbij de kwelderwal. Van de categorie eigenerfd bevonden zich zes boerderijen op de kweldervlakte en elf op de kwelderwal. Van de hoofdelingen waren zes boerderijen op de kwelderwal en één op de kweldervlakte. In beide grietenijen is tussen deze twee groepen geen groot verschil in locatie waar te nemen, wanneer men kijkt naar de geomorfologie. Het bezit van kloosters laat echter wel een ander beeld zien. De boerderijen die in handen waren van kloosters concentreerden zich rond de hogere gebieden, voornamelijk het zuidelijke gedeelte van Hennaarderadeel, op de kwelderwal. Zie voor het hele overzicht met geomorfologie de bijlagen 4 en 5.

Figuur 7: Detail van reconstructie Hennaarderadeel. In deze kaart is de geomorfologie gecombineerd met de kaart van Schotanus. Het zuidelijkste gedeelte van Hennaarderadeel, met de kwelderwal is zichtbaar. De volledige kaart met legenda is te vinden in bijlage 4.

Een tweede bijzonderheid komt aan het licht bij de vergelijking van het bezit met de grondwaarde van percelen uit 1832. Bij deze kaartlaag is het verschil in kwaliteit van de grond op te maken uit de waarde. Het geeft een globaal idee welke grond in Friesland in 1832 meer waard was. Een verschil met de reconstructie van het RVDA is dat de grondwaarde uit 1832 bestaat uit fysieke percelen, waar het RVDA de totale waarde van verschillende landen bijeenbrengt in een punt. Toch kan deze laag gebruikt worden voor een ruwe schatting van waarde op basis van de locatie.172 Vooral op macroniveau, dus over de gehele provincie, is verschil in waarde te zien, een verschil dat te verklaren is door de invloed

172

Merijn Knibbe, "De kerk, de staat en het vredesdividend," De Vrije Fries 94 (2014), 251-278, aldaar 264.

45

van verschillende landschappelijke eenheden, eerder in deze scriptie beschreven. Zoals te zien in de kaart van bijlage 6 zijn de kwelderwallen van de hoogste waarde, gevolgd door de kweldervlaktes. De tweede en derde landschappelijke eenheid zijn beduidend minder waard. In zowel Hennaarderadeel als Ferwerderadeel is nauwelijks verschil tussen de waarde van de grond van hoofdelingen en eigenerfden waar te nemen, in vergelijking met de grondwaarde van 1832. De grond in Ferwerderadeel was en is over het algemeen gezien meer waard dan die in Hennaarderadeel.

Figuur 8: Detail van reconstructie Ferwerderadeel. In deze kaart is de waarde van percelen in 1832 weergegeven in een kleurovergang van wit naar blauw. Hoe hoger de waarde van het perceel, des te donkerder de kleur blauw. De Kadastergegevens zijn gecombineerd met de gegeorefereerde kaart van Schotanus. De punten zijn de locaties van boerderijen. De volledige kaart is te vinden in bijlage 6.

In de kwaliteit van bezit is dus nauwelijks verschil waar te nemen tussen hoofdelingen en eigenerfden, maar hoe zit het met de kwantiteit? Deze scriptie heeft geen vergelijkend onderzoek met de tabellen en grafieken van De Boer en Faber voor ogen. Hier wordt slechts gekeken naar boerderijen binnen de twee grietenijen die te lokaliseren zijn en niet naar de totale aanbreng van meerdere grietenijen uit het register. Wel kan het onderzoek van beide historici als uitgangspunt worden gebruikt voor een kwantitatieve analyse en een vergelijking van methodiek. De Boer en Faber onderscheidden eigen bezit van een bepaalde groep wanneer meer dan de helft van het bezit in eigendom was. 173 Een gebruiker was volgens hen pachter wanneer hij minder dan de helft van zijn eigendom zelf in handen had. Wanneer deze harde scheidslijn wordt weggelaten, is te zien dat eigenerfden vooral gedeeltelijk eigen bezit hadden en bijna nooit volledig. Faber meldt in zijn onderzoek voor Hennaarderadeel dat 17% van het totaal aantal grondgebruikers de helft of meer in eigen bezit had. Het RVDA telt voor Hennaarderadeel 289 boerderijen, wat maakt dat volgens Faber niet meer dan 49 boerderijen tot die 173

De Boer, "De Friesche grond in 1511," 106; Faber, Drie eeuwen Friesland, 216 en 492.

46

categorie behoren. Wanneer de scheidslijn bijvoorbeeld bij 20% van het eigendom wordt getrokken is te zien dat veel meer eigenerfden voorkomen die een gedeelte bezaten van de grond die ze gebruikten. Voor het aantal gereconstrueerde boerderijen (182 in Hennaarderadeel) van alle categorieën, zijn dat er 46, dus zo’n 25%. Volledig bezit Gedeeld bezit tot 50% Gedeeld bezit 20-49% Totaal

Klooster 0 0 1 1

Pastoor 11 0 1 12

Patroon 0 1 1 2

Hoofdeling 2 3 1 6

Eigenerfd 3 11 11 25

Totaal aantal objecten H 26 25 17 23 91 Tabel 2: Overzicht van gereconstrueerde boerderijen in volledig en gedeeld bezit in Hennaarderadeel.

Totaal 16 15 15 46 182

Een deel van de grond van eigenerfden was in eigen bezit, een ander deel werd gepacht. De eigenaren van deze verpachte gronden waren zelf ook eigenerfd en soms zelfs eigenerfd en deels pachter. Met een blik op de eigenaren is een groot netwerk van eigenaren met kleine stukjes bezit waar te nemen. Vermoedelijk waren deze connecties van bezit binnen families of andere kleine verbanden, vanwege de eerder benoemde bescherming bij het erven van onroerend goed. Veel eigenerfde gebruikers hadden zelf een deel van de grond in handen, maar bijna nooit volledig. Desondanks was de totale waarde van het bezit van eigenerfden in Hennaarderadeel hoger dan die van alle andere groepen, bij elkaar 1884 florenen. De gemiddelde waarde per boerderij lag echter wel lager dan het bezit van hoofdelingen en kloosters, rond de 20 florenen per boerderij.

Figuur 9: Grafieken met de waarde van bezit in Hennaarderadeel. De linker grafiek laat de totale waarde in florenen zien van het gereconstrueerde bezit per categorie. De rechter grafiek toont de gemiddelde waarde in florenen per categorie.

De analyse van het bezit in de beide grietenijen heeft enkele zaken laten zien. Allereerst dat het bezit van hoofdelingen en eigenerfden verspreid door de grietenij lag, wat in eerste instantie niet werd verwacht. Bij de hoofdelingen valt op dat zij zich niet concentreerden als groep en dat hun bezit niet alleen maar op de kwelderwallen of oudste terpen lag. De eigenerfden waren ook verspreid door het land, met een kleine concentratie van eigenerfden in de kweldervlakte van Hennaarderadeel. Bij beide groepen is geen groot verschil in kwaliteit van bezit waar te nemen naar aanleiding van de geomorfologie, de waarde uit het RVDA of het Kadaster van 1832. Bij het bezit van kloosters valt in Hennaarderadeel wel op dat het zich voornamelijk op de kwelderwallen bevond. Bij een kwantitatieve vergelijking valt op dat er veel meer eigenerfden eigenaar waren, maar voornamelijk met kleinere delen van een boerderij. De waarde in florenen van boerderijen die de categorie eigenerfd meekregen, stijgt uit boven de rest. De geringe spreiding en hogere totale waarde van het bezit van eigenerfden is onverwacht. De Boer, Postma en Faber hebben met hun harde scheidslijn een grote groep over het 47

hoofd gezien: eigenerfden met een deel eigen bezit en een deel gepacht bezit. Met het debat over de egalitaire samenleving van middeleeuws Friesland in het achterhoofd geven deze constateringen aan dat eigenerfden en hoofdelingen minder van elkaar verschilden dan tot nu toe is aangenomen. De hoofdelingen hadden geen monopolie op de beste stukken grond. De eigenerfden hadden als groep beschikking over meer vermogen dan alle andere groepen. De toegang tot functies, het bezit van een boerderij met stemrecht en de onafhankelijkheid, gecombineerd met dit gebrek aan een groot verschil in waarde en inkomen, wijzen allen in de richting van een egalitaire samenleving in Westerlauwers Friesland. Een uitbreiding van deze analyse kan hier meer zekerheid over geven. Deze analyse concentreerde zich voornamelijk op de boerderijen. Het doel was deze boerderijen in het landschap te reconstrueren, en dat is gelukt. De analyse levert ook een beter inzicht in de positie van eigenerfden en hoofdelingen in de maatschappij op. Hun bezit, de belangrijkste bron van status en inkomen, lijkt minder van elkaar af te wijken dan gedacht. In totaal opzicht lijkt het bezit van de eigenerfden zelfs boven dat van hoofdelingen uit te stijgen. Hoewel het dat nog zeker niet bewijst, geeft het wel aanwijzingen voor een gelijkwaardige positie in de samenleving. Er zijn echter ook enkele nadelen. De analyse is behoorlijk afhankelijk van de gelokaliseerde boerderij en de aangewezen categorie. Een analyse over grietenijen aan de hand van elke eigenaar en gebruiker-eigenaar kan meer zekerheid geven over de situatie in middeleeuws Friesland. Lokalisatie zou op deze manier ook kunnen plaatsvinden door alleen het dorp, genoemd in het RVDA, te gebruiken. Dit zou betekenen dat alle aangebrachte bedrijven in ieder geval grofweg een locatie krijgen aangewezen. Voor boerderijen waarvan meer bekend is, dankzij publicaties als het Boerderijenboek, zou dan een preciezere locatie kunnen worden aangewezen. Het opnemen van de inhoud van het RVDA in een database, gecombineerd met reconstructie en categorisering van de eigenaren, zou een grootschalige netwerkanalyse van Westerlauwers Friesland in 1511 mogelijk maken. Dit hoofdstuk toont aan dat dit zeker tot de mogelijkheden behoort.

48

Conclusie Meer dan honderd jaar geleden schreef T.J. de Boer over het Register van den Aanbreng dat het ‘een merkwaardige bijdrage tot de landbouwstatistiek’ was.174 Ondanks enkele gebreken in de inhoud en het ontbreken van grietenijen verdiende het register volgens De Boer niet de vergetelheid waarin het in 1907 verborgen lag. Aan zijn oproep is gehoor gegeven. Het RVDA heeft die aandacht gekregen en is nooit meer uit de Friese geschiedschrijving verdwenen, maar juist gebruikt voor allerhande onderzoek naar de vele facetten van de Friese maatschappij. Ondanks de vele mogelijkheden is het register weinig gebruikt voor onderzoek naar het bezit van eigenerfden en hoofdelingen. Vooral over de eigenerfden is bijzonder weinig geschreven, niet alleen met betrekking tot het register, maar tot de hele Friese geschiedenis. Met uitzondering van enkele recente bijdragen van Paul Noomen is deze groep door de wetenschappelijke literatuur wel genoemd, maar weinig onderzocht. De oorsprong van de hoofdelingen en hun rol in de Friese maatschappij is daarentegen al geruime tijd onderwerp van debat. Het debat lijdt echter aan gebrekkige definities en is mede als gevolg daarvan verzand geraakt. Los van dit debat is de situatie van de hoofdelingen nauw verbonden met de hele Friese samenleving in de middeleeuwen. Een samenleving die in veel opzichten nog steeds onbekend is. Deze scriptie heeft een stap gezet naar een oplossing van dit probleem, door aandacht te geven aan eigenerfden en hoofdelingen door middel van hun bezit. Allereerst is het gebruik van GIS behandeld. Deze geografische werkwijze heeft veel raakvlakken met de cartografie en de statistiek. Het gebruik ervan biedt wetenschappers van vele disciplines de mogelijkheid informatie te combineren met een locatie. Op vele manieren kan deze geografische informatie worden gevisualiseerd en geanalyseerd. Ook voor de historische wetenschap kan GIS veel betekenen. Het gebruik van H-GIS is echter nieuw en heeft behoefte aan theoretische en praktische kaders. GIS vereist een bepaalde zekerheid en kwaliteit van datasets, waar historische bronnen meestal niet aan kunnen voldoen. Dit vraagt voorzichtigheid en uitleg van de gebruiker. Een GIS vertelt de gebruiker dat een object zich ergens bevindt, maar niet waarom dit zo is. Een reconstructie van boerderijen vereist daarom meer context. Deze context werd gegeven door drie elementen: het Friese landschap, de Friese maatschappij (met name de hoofdelingen en eigenerfden) en de bron: het RVDA. Het landschap van middeleeuws Westerlauwers Friesland bestond uit drie verschillende landschappelijke eenheden: de kleigronden, de veengronden en de hoger gelegen zandgronden, waarvan de eerstgenoemde het dichtstbevolkt was. De verschillende groepen in de Friese maatschappij werden voor lange tijd beïnvloed door het landschap en met name de strijd tegen het water. De eerste bewoners begonnen al vroeg met het ophogen van hun land, wat leidde tot het karakteristieke terpenlandschap. Ook de aanleg van dijken heeft veel invloed gehad op het landschap en de maatschappij en leidde uiteindelijk tot de ingebruikneming van de tweede landschappelijke eenheid, de veen- en kleigronden. Middeleeuws Friesland was een rurale maatschappij. Het leven concentreerde zich rond het agrarisch bedrijf en de Kerk. Geestelijke instellingen zoals kloosters en kerken bezaten veel grond, wat ze meestal verpachtten. Een flink deel van de grond, maar ook van de macht, lag in handen van de hoofdelingen. Deze lokale leiders vormden de adel van Westerlauwers Friesland. Zij werden het meest gekozen voor bestuurlijke posities. Hoofdelingen bezaten een versterkt stenen huis en konden wanneer nodig een kleine strijdgroep bij elkaar brengen. Dit gebeurde regelmatig, wanneer zij elkaar 174

Ibid., T.J. de Boer, 95.

49

bestreden in het kader van kleine vetes, of in de grotere partijstrijd tussen Schieringers en Vetkopers. Deze gevechten waren mogelijk omdat het in Westerlauwers Friesland ontbrak aan een centraal gezag met een geweldsmonopolie. De hoofdelingen hadden in zekere zin vrij spel. Het bezit was de basis van hun status en positie. Hoofdelingen bezaten meerdere boerderijen, vaak verspreid over meerdere grietenijen. Bezit was ook belangrijk voor een andere groep in deze maatschappij, namelijk de eigenerfden. Deze boeren waren vrij en hadden eigen grond die binnen de familie bleef. De eigenerfden vormden een laag tussen hoofdelingen en pachters en hadden overlap met beide groepen. Er bestonden kleinere (minder vermogende) hoofdelingen, rijke en arme eigenerfden en welvarende pachters. Al deze groepen zijn te vinden in het Register van den Aanbreng (RVDA) uit 1511. Het RVDA kwam tot stand dankzij de Saksische hertogen, die behoefte hadden aan een beter overzicht van de belastbaarheid van hun onderdanen. In dit register is voor zestien grietenijen per aanbreng (een stuk land of een boerderij met land) de waarde, de gebruiker, de eigenaren en de waarde per eigenaar bewaard gebleven. Het RVDA is in het geschiedkundig onderzoek van de afgelopen honderd jaar gebruikt voor enkele diepgravende onderzoeken, onder meer van De Boer, Postma en Faber. Zij deden echter geen gedetailleerd verslag van eigenaren maar gebruikten het register vooral voor grootschalige onderzoeken naar boerderijen of de economie van Friesland, en gingen daarbij niet verder dan het berekenen van waardes en hectares. Het RVDA heeft echter veel meer te bieden, in het bijzonder wanneer de informatie die het bevat kan worden gerelateerd aan een locatie. De bezitsreconstructie, waarin de informatie en locatie werden gekoppeld, laten zien dat in Hennaarderadeel en een deel van Ferwerderadeel er geen kwalitatief verschil van bezit tussen hoofdelingen en eigenerfden was. Er was geen verschil in de spreiding en concentratie van het bezit op de kwelders of binnendijks, in de waarde van de grond, of op de hoogte van het bezit. Het valt juist op dat de eigendommen van hoofdelingen en eigenerfden door elkaar en bij elkaar in de buurt lagen. Het waren de boerderijen van kloosters die zich vooral concentreerden op de kwelderwal en daarmee ook meer kwalitatief betere grond bezaten. In Hennaarderadeel en Ferwerderadeel was ook weinig kwantitatief verschil in bezit tussen hoofdelingen en eigenerfden. De eigenerfden bezaten kleinere delen, maar hadden als groep meer totale waarde in florenen. Het bezit van eigenerfden is door De Boer, Postma en Faber anders geïnterpreteerd. De bezitsreconstructie in deze scriptie laat echter zien dat er meer eigenerfden waren en dat hun bezit als groep kwalitatief en kwantitatief niet onderdeed voor dat van andere groepen. Deze constateringen wijzen naar een egalitaire samenleving. Een verdergaande kwantitatieve vergelijking vereist echter studie naar het gehele RVDA en niet slechts twee grietenijen, aangezien vooral hoofdelingen in meerdere grietenijen hun bezit hadden. Daarnaast werkt de beperkte vorm van deze scriptie, op papier, het correct presenteren van de bezitsreconstructie tegen. Per kaart kan maar één laag van informatie gevisualiseerd worden en de bijlage kan niet eindeloos lang worden. Hopelijk kan dit in de toekomst worden opgelost door het openbaar maken van de dataset, de verschillende lagen in GIS, en een eventuele opname van de resultaten in HISGIS. De reconstructie van het bezit en het inhoudelijk onderzoek naar de inhoud van het RVDA laat zien dat eigenerfden in een andere hoedanigheid meer voorkomen dan tot nu toe werd vermeld in de literatuur. De Boer en Faber maakten een onderscheid tussen pachters en eigenerfden. Wanneer minder dan de helft van de boerderij eigendom was van de gebruiker, werd deze door hen bestempeld 50

als pachter. Wanneer deze methode wordt losgelaten en per boerderij of object wordt gekeken naar de verschillende eigenaren wordt iets anders duidelijk. Eigenerfden hadden in het algemeen minder volledig bezit dan hoofdelingen, maar de delen die ze pachtten behoorden vaak tot het eigendom van andere eigenerfden. Dit lijkt er op te wijzen dat veel bezit in 1511 binnen de familie bleef of in een andere kleine kring. Onduidelijk is de status van de boer met een gedeeld eigen bezit. Hij bezat een deel van een boerderij (sate) met stemrecht, maar bezat hij ook de volledige status die bij dit recht hoorde? Kortom, kan een eigenerfde met een derde van het bezit van een boerderij wel als eigenerfde worden beschouwd? Duidelijkheid rondom de status van eigenerfden vereist echter een onderzoek waarin meer juridische bronnen worden betrokken dan deze scriptie heeft kunnen doen. Deze scriptie beschreef een grijze groep die zich tussen hoofdelingen en eigenerfden bevond. Nu is duidelijk geworden dat dit tussen eigenerfden en pachters vermoedelijk ook het geval was. Naar de Friese maatschappij rond 1511 kan op verschillende manieren worden gekeken. Door middel van de bezitsreconstructie wordt duidelijk waar bezit van bepaalde groepen zich bevond. Het RVDA zelf brengt ook meer informatie naar voren over die groepen, wanneer getracht wordt elke persoon te categoriseren. Het is in deze scriptie duidelijk geworden dat een combinatie van het RVDA met GIS mogelijk is en dat dit nieuwe inzichten geeft. Het doel van deze scriptie was echter een test met twee grietenijen, waarvan van Ferwerderadeel slechts een gedeelte kon worden gereconstrueerd. Een reconstructie van meer, zo niet alle zestien, grietenijen zou veel meer kunnen vertellen over de maatschappij in middeleeuws Westerlauwers Friesland. Deze scriptie heeft laten zien dat dit mogelijk is. Het digitaliseren van het RVDA geeft de optie elke eigenaar of gebruiker-eigenaar te onderzoeken. Digitalisering en opname in een database zal het toekomstig onderzoek helpen, aangezien het RVDA dan niet via de papieren overzichten van Telting en Tjessinga geraadpleegd hoeft te worden, maar direct online kan worden gebruikt. De lokalisatie van elke aanbreng van alle beschikbare grietenijen kan in een volgend onderzoek in ieder geval op dorpsniveau worden gedaan. Een preciezere locatie zou dankzij overzichten, als die van Van der Meers Boerderijenboek, voor een gedeelte van die boerderijen kunnen worden gegeven. De opname van het RVDA in een geografische database, gecombineerd met reconstructie en categorisering van de eigenaren, zou een grootschalige netwerkanalyse van Westerlauwers Friesland in 1511 mogelijk maken. Daarmee zou een grote stap gezet kunnen worden in het onderzoek naar de middeleeuwse samenleving van Friesland en de Friese vrijheid.

51

Bijlagen Bijlage 1: Lijst van adellijke personen in Friesland in 1505.175

175

Winsemius, Chronique ofte historische geschiedenisse van Vrieslant, 401-404.

52

Bijlage 2: Reconstructie Hennaarderadeel op kaart Schotanus

53

Bijlage 3: Reconstructie Ferwerderadeel op kaart Schotanus

54

Bijlage 4: Reconstructie Hennaarderadeel met geomorfologie

55

Bijlage 5: Reconstructie Ferwerderadeel met geomorfologie

56

Bijlage 6: De geschatte huurwaarde van de opbrengst van percelen in Friesland (Kadaster 1832)

57

Bijlage 7: Dataset RVDA 1511

58

59

60

61

Bronnen- en literatuurlijst Gepubliceerde bronnen Kempius, Cornelius. De origine, situ, qualitate et quantitate Frisiae, et rebus a Frisiis olim praeclarè gestis. 1588. Mol, J.A., en P.N. Noomen, eds. PKAF: Deel 2 Weststellingwerf ten noorden van de Linde, Prekadastrale atlas fan Fryslân : de pleatsen fan 1700 en 1640 neffens de floreen- en stimkohieren. Leeuwarden: Fryske Akademy, 1989. ———, eds. PKAF: Deel 8 Hinnaarderadiel, Prekadastrale atlas fan Fryslân : de pleatsen fan 1700 en 1640 neffens de floreen- en stimkohieren. Leeuwarden: Fryske Akademy, 1994. ———, eds. PKAF: Deel 14 Ferwerderadiel, Prekadastrale atlas fan Fryslân : de pleatsen fan 1700 en 1640 neffens de floreen- en stimkohieren. Leeuwarden: Fryske Akademy, 2001. Schotanus à Sterringa, Bernardus. "Ferwerderadeel." In Uitbeeldinge der Heerlijkheid Friesland (Atlas Schotanus), edited by François Halma, 1718 (1698). ———. "Hennaarderadeel." In Uitbeeldinge der Heerlijkheid Friesland (Atlas Schotanus), edited by François Halma, 1718 (1698). Schotanus à Sterringa, Bernardus, en Menso Alting. Uitbeelding der heerlijkheit Friesland; zoo in 't algemeen, als in haare XXX bijzondere grietenijen. edited by François Halma Leeuwarden 1718. Schwartzenberg thoe Hohenlansberg, G.F., ed. Groot placaat en charter-boek van Vriesland. 5 vols. Leeuwarden, 1768-1793. Telting, I., ed. Register van den aanbreng van 1511 en verdere stukken tot de floreenbelasting betrekkelijk. 4 vols. Leeuwarden, 1880. Thaborita, Petrus. Historie van Vriesland. Archief voor Vaderlandse, en inzonderheid Vriesche Geschiedenis, Oudheid- en Taalkunde. edited by H.W.C.A. Visser en H. Amersfoordt3 vols. Vol. 1, Leeuwarden: H. C. Schetsberg, 1824. ———. Historie van Vriesland. Archief voor Vaderlandse, en inzonderheid Vriesche Geschiedenis, Oudheid- en Taalkunde. edited by H.W.C.A. Visser en H. Amersfoordt3 vols. Vol. 2, Leeuwarden: H. C. Schetsberg, 1827. Thaborita, Worperus. Kronijken van Friesland, vierde boek, bevattende de geschiedenis van de vijftiende eeuw. edited by Friesch Genootschap Leeuwarden: G.T.N. Suringar, 1850. ———. Kronijken van Friesland, vijfde boek, bevattende de geschiedenis van het begin der zestiende eeuw. edited by Friesch Genootschap Leeuwarden: H. Kuipers, 1871. Tjessinga, J.C., ed. De Aanbreng der Vijf Deelen van 1511 en 1514. 5 vols. Assen: Van Gorcum, 19421954. Winsemius, Pier. Chronique ofte historische geschiedenisse van Vrieslant. Franeker: Jan Lamrinck, 1622. Literatuur Algra, N.E. Ein. Enkele rechtshistorische aspecten van de grondeigendom in Westerlauwers Friesland. Groningen: P. Noordhoff, 1966. ———. Zeventien Keuren en Vierentwintig Landrechten. 2 ed. Doorn: Graal, 1991. 62

Ayhan, Irem, en K. Mert Cubukcu. "Explaining historical urban development using the locations of mosques: A GIS/spatial statistics-based approach." Applied Geography 30 (2010): 229-238. Bailey, Timothy J., en James B.M. Schick. "Historical GIS. Enabling the Collision of History and Geography." Social Science Computer Review 27, no. 3 (2009): 291-296. Baks, Paul. "1499-1515:'gesteld in Freslant dar man hof ende stat onderhalden sal'." In De Heeren van den Raede. Biografieën en groepsportret van de raadsheren van het Hof van Friesland, 1499-1811, edited by Oebele Vries, B.S. Hempenius - van Dijk, P. Nieuwland en Paul Baks. Leeuwarden: Hilversum, Verloren, 1999. Baks, Paul, Oebele Vries, en P. Nieuwland. "Biografieën." In De Heeren van den Raede. Biografieën en groepsportret van de raadsheren van het Hof van Friesland, 1499-1811, edited by Oebele Vries, B.S. Hempenius - van Dijk, P. Nieuwland en Paul Baks. Leeuwarden: Hilversum, Verloren, 1999. Bavel, Bas van. "The emergence and growth of short-term leasing in the Netherlands and other parts of Northwestern Europe (eleventh-seventeenth centuries). A chronology and a tentative investigation into its causes." Chap. 9 In The development of leasehold in northwestern Europe, c. 1200 – 1600, edited by Phillipp Schofield en Bas van Bavel. Comparative Rural History of the North Sea Area. Turnhout: Brepols Publishers, 2009. Berns, J.L. Verslag aangaande een onderzoek naar archiefstukken, belangrijk voor de geschiedenis van Friesland uit het tijdperk der Saksische hertogen. 's-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1891. Blockmans, Wim. "Van private naar publieke macht in de vijftiende en zestiende eeuw." In Fryslan, staat en macht 1450-1650, edited by J. Frieswijk, A.H. Huussen, Y.B. Kuiper en J.A. Mol. Leeuwarden: Verloren, 1999. Blok, P.J. "Schieringers en Vetkoopers." Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO) 3, no. 7 (1893): 1-40. ———. "Studiën over Friesche toestanden in de middeleeuwen." Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO) 3, no. 6 (1892): 1-56. Boer, T.J. de. "De Friesche grond in 1511." Historische avonden 2 (1907). "Civitas Londinvm (1562?). Interactive edition of the Agas Map." In The Map of Early Modern London, edited by Janelle Jenstad: MoEML, 2012. Dijk, Johannes van. Van Beijntum Bolleholle en Keallesturt. 1993. ———. Van Ter Sted tot Olde Stins. 1987. Faber, J.A. Drie eeuwen Friesland: economische en sociale ontwikkelingen van 1500-1800 in twee delen. Leeuwarden: De Tille, 1972. Favretto, Andrea. "Georeferencing Historical Cartography: A Quality-Control Method." Cartographica 47, no. 3 (2012): 161-167. Frieswijk, J., A.H. Huussen, Y.B. Kuiper, en J.A. Mol. Fryslân, staat en macht 1450-1650. Bijdragen aan het historisch congres te Leeuwarden van 3 tot 5 juni 1998. Leeuwarden: Verloren, 1999. Fyfe, David A., Deryck W. Holdsworth, en Chris Weaver. "Historical GIS and Visualization: Insights From Three Hotel Guest Registers in Central Pennsylvania, 1888-1897." Social Science Computer Review 27, no. 3 (2009): 348-362. Gerrits, Matthijs. "Schieringers, Vetkopers en het einde van de Friese vrijheid. De historiografie van veten en partijen in een overgangssituatie." Tijdschrift voor Geschiedenis 123, no. 2 (2010): 254-267. 63

Gosses, I.H. "De Friesche hoofdeling." Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde 76, no. 3 (1933): 49-122. Gregory, Ian N., en Paul Ell. Historical GIS, Technologies, Methodologies and Scholarship. Cambridge: Cambridge University Press, 2007. Gregory, Ian N., en Richard G. Healey. "Historical GIS: structuring, mapping and analysing geographies of the past." Progress in Human Geography 31, no. 5 (2007): 638-653. Gregory, Ian N., en A.K. Knowles. Using Historical GIS to understand space and time in the social, behavioural and economic sciences: A white paper for the NSF. 2011. Harley, J.B. The new nature of maps : essays in the history of cartography. The Johns Hopkins University Press, 2001. Hartmann, J.L.H. De reconstructie van een middeleeuws landschap, nederzettingsgeschiedenis en instellingen van de heerlijkheden Eijsden en Breust bij Maastricht (10e-19e eeuw). Assen: Van Gorcum, 1986. Janse, Antheun. "De waarheid van een Falsum. Op zoek naar de politieke context van het Karelsprivilege." De Vrije Fries 71 (1991): 7-28. Jappe Alberts, W. "Frysk en frij." Chap. 4 In Geschiedenis van Friesland, edited by J.J. Kalma, J.J. Spahr van der Hoek en K. de Vries, 147-164. Leeuwarden: Laverman, 1968. Jenstad, Janelle. "About MoEML." The Map of Early Modern London (2016). Kalma, J.J., J.J. Spahr van der Hoek, en K. de Vries, eds. Geschiedenis van Friesland. Leeuwarden: Laverman, 1968. Kist, Martha. "Centraal gezag en Friese vrijheid: Jancko Douwama's strijd voor de Friese autonomie." In Fryslan, staat en macht 1450-1650, edited by J. Frieswijk, A.H. Huussen, Y.B. Kuiper en J.A. Mol. Leeuwarden: Verloren, 1999. Knibbe, Merijn. "De kerk, de staat en het vredesdividend." De Vrije Fries 94 (2014): 251-278. Knottnerus, Otto S. "Bauernfreiheit." In Die Friesische Freiheit des Mittelalters - Leben und Legende, edited by Hajo van Lengen. Aurich: Ostfriesische Landschaft, 2003. Köller, André R. Agonalität und Kooperation: Führungsgruppen im Nordwesten des Reiches 12501550. Göttingen: Wallstein Verlag, 2015. Kuppers, Willem. "Upstalsboom - der 'Altar der Freiheit'. Vom Landtagsgelände der Friesen bis zur Thingstätte im Dritten Reich." In Die Friesische Freiheit des Mittelalters - Leben und Legende, edited by Hajo van Lengen. Aurich: Ostfriesische Landschaft, 2003. Langen, G.J. de. Middeleeuws Friesland: De economische ontwikkeling van het gewest Oostergo in de vroege en volle middeleeuwen. Groningen 1992. Langen, G.J. de, en J.A. Mol. "Terpenbouw en dorpsvorming in het Friese kustgebied tussen Vlie en Eems in de volle middeleeuwen." Chap. 6 In Van Wierhuizen tot Achlum: Honderd jaar archeologisch onderzoek in terpen en wierden, edited by A. Nieuwhof. Jaarverslagen van de Vereniging voor Terpenonderzoek, 99-128. Groningen: Vereniging voor Terpenonderzoek, 2016. Lengen, Hajo van. Die Friesische Freiheit des Mittelalters - Leben und Legende. Aurich: Ostfriesische Landschaft, 2003. Martí-Henneberg, Jordi. "Geographical Information Systems and the Study of History." Journal of Interdisciplinary History 42, no. 1 (2011): 1-13.

64

Meer, D.J. van der. Boerderijenboek Hennaarderadeel 1511-1698. bezorgd door J. Oostra, geintroduceerd door J.A. Mol and geindexeerd door O. Hellinga. Leeuwarden: Fryske Akademy, 2004. Mol, J.A. "The Cistercian model? The Application of the Grange System by the Various Religious Orders in the Frisian Coastal Area, 1150-1400." The Medieval Low Countries 1 (2014): 205232. ———. "De middeleeuwse veenontginningen in Noordwest-Overijssel en Zuid-Friesland: datering en fasering." Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 14, no. 2011 (2012): 46-90. ———. "Friezen en de zeggenschap over hun kerken in de Middeleeuwen." edited by Universiteit Leiden, 2004. ———. "Hoofdelingen en huurlingen. Militaire innovatie en de aanloop tot 1498." In Fryslan, staat en macht 1450-1650, edited by J. Frieswijk, A.H. Huussen, Y.B. Kuiper en J.A. Mol. Leeuwarden: Verloren, 1999. ———. "Tussen Staveren en Warns: het Rode Klif. Fries nationalisme.". In Plaatsen van herinnering. Nederland van prehistorie tot Beeldenstorm, edited by Wim Blockmans en H. Pleij. Amsterdam, 2007. Mol, J.A., P.N. Noomen, en S.M. Strating. Het Historisch GIS Fryslân en zijn belang voor het onderzoek naar bezits- en machtsverhoudingen voor 1850. Leeuwarden 2004. Nijdam, Han. "Klinkende munten en klinkende botsplinters in de Oudfriese rechtsteksten: continuïteit, discontinuïteit, intertekstualiteit." De Vrije Fries 89 (2009): 45-66. Noomen, P.N. "Consolidatie van familiebezit en status in laat-middeleeuws Friesland." In Zorgen voor zekerheid. Studies over Friese testamenten in de vijftiende en zestiende eeuw, edited by J.A. Mol. Leeuwarden: Fryske Akademy, 1994. ———. "De Friese vetemaatschappij: sociale structuur en machtsbases." In Fryslan, staat en macht 1450-1650, edited by J. Frieswijk, A.H. Huussen, Y.B. Kuiper en J.A. Mol. Leeuwarden: Verloren, 1999. ———. "De ontwikkeling van het parochiewezen in Oostergo." De Vrije Fries 94 (2014): 133-145. ———. De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners. Leeuwarden: Fryske Akademy & Uitgeverij Verloren Hilversum, 2009. ———. "Eigenerfd of edel? Naar aanleiding van de afkomst van de Aytta's." It Beaken 74, no. 3/4 (2012): 257-302. Postma, Obe. De Friesche kleihoeve: bijdrage tot de geschiedenis van den cultuurgrond vooral in Friesland en Groningen met veertien kaarten. 1934. ———. "Een Friesch dorp in 1546." De Vrije Fries 27 (1924): 8-17. Renes, Hans. "Historic Landscapes Without History? A Reconsideration of the Concept of Traditional Landscapes." Rural Landscapes 2, no. 1 (2015): 1-11. Schmidt, Heinrich. "Adel und Bauern im friesischen Mittelalter." Niedersächsisches Jahrbuch für Landesgeschichte 45 (1973): 45-93. ———. "Häuptlingsmacht, Freiheitsideologie und bäuerliche Sozialstruktur im spätmittelalterlichen Friesland." In Zwischen Nicht-Adel und Adel, edited by K. Andermann en P. Johanek. Vorträge und Forschungen Konstanzer Arbeitskreis. Stuttgart, 2001. Schroor, Meindert. De wereld van het Friese landschap. Wolters-Noordhoff, 1993.

65

Schuur, J.R.G. "De Friese Hoofdeling opnieuw bekeken." BMGN - Low Countries Historical Review 102, no. 1 (1987): 1-28. Slicher van Bath, B.H. Boerenvrijheid. Inaugurele rede hoogleraar sociale en economische geschiedenis Rijksuniversiteit Groningen. Groningen 1948. ———. "Middeleeuwse welvaart." Chap. 7 In Geschiedenis van Friesland, edited by J.J. Kalma, J.J. Spahr van der Hoek en K. de Vries, 201-228. Leeuwarden: Laverman, 1968. Smith, Michael J. de, Paul A. Longley, en Michael F. Goodchild. Geospatial Analysis. A Comprehensive Guide to Principles, Techniques and Software Tools. 5 ed.: The Winchelsea Press, 2007/2015. Smithuis, Justine. "The Imagined Community of Friesland in the Late Middle Ages." In Networks, Regions and Nations: Shaping Identities in the Low Countries, edited by Robert Stein en Judith Pollmann. Leiden: Brill, 2010. Spahr van der Hoek, J.J. Geschiedenis van de Friese Landbouw. 3 vols. Vol. 1, Drachten: Friesche Maatschappij van Landbouw, 1952. Theissen, J.S. Centraal Gezag en Friesche Vrijheid, Friesland onder Karel V. Groningen: Universiteit Leiden, 1907. Tomlinson, Roger F. An Introduction to the Geo-Information System of the Canada Land Inventory. Ottawa 1967. Unwin, David J. "Geographical information systems and the problem of 'error and uncertainty'." Progress in Human Geography 19, no. 4 (1995): 549-558. Verhoeven, G. "De beoorkonding van testamenten in middeleeuws Friesland." In Zorgen voor zekerheid. Studies over Friese tetamenten in de vijftiende en zestiende eeuw, edited by J.A. Mol. Leeuwarden: Fryske Akademy, 1994. Verhoeven, G., en J.A. Mol. Friese testamenten tot 1550. Leeuwarden 1994. Vries, Oebele. "Frisonica Libertas: Frisian freedom as an instance of medieval liberty." Journal of Medieval History 41, no. 2 (2015): 229-248. ———. "Staatsvorming in Zwitserland en Friesland in de late middeleeuwen. Een vergelijking." In Fryslan, staat en macht 1450-1650, edited by J. Frieswijk, A.H. Huussen, Y.B. Kuiper en J.A. Mol. Leeuwarden: Verloren, 1999. Winter, Johanna Maria van. "Adel en Aristocratie in de Middeleeuwen." Tijdschrift voor Geschiedenis 93, no. 3 (1980): 357-376. Woltjer, J.J. "In de Leerschool der Monarchie." Chap. 4 In Geschiedenis van Friesland, edited by J.J. Kalma, J.J. Spahr van der Hoek en K. de Vries, 147-164. Leeuwarden: Laverman, 1968. Websites: http://www.erfgoedgeowiki.nl/index.php/Omgrachte_hoeven_en_moated_sites http://irisharchaeology.ie/2011/11/moated-sites-defended-homesteads-of-the13th-and-14thcenturies/ http://www.hisgis.nl/hisgis/gewesten/fryslan/Kaartinformatie/stemkohieren http://geoplaza.vu.nl/cms/maps/235-kloosterkaart

66

Woord van dank Aan het slot van deze scriptie wil ik graag een aantal mensen bedanken. Thomas Vermaut en Johan Feikens van de Fryske Akademy hielpen mij bij het verkrijgen van verschillende kaarten en onmisbare shapefiles en datasets. Maarten van der Velden vertaalde in een oogwenk een gedeelte van De origine van Kempius. Ik dank Christiaan Harinck en Daan Sanderse voor hun correcties, adviezen, en gesprekken over de historische wetenschap. Tot slot bedank ik Leonie voor haar steun en geduld.

67

Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.