Milieueffectrapport RijnlandRoute (tweede fase), achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie 2.0


1 Milieueffectrapport RijnlandRoute (tweede fase), achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie 2.0 mei 20122 3 Verantwoording Titel Mil...
Author:  Willem de Winter

0 downloads 1 Views 4MB Size

Recommend Documents


Milieueffectrapport RijnlandRoute (tweede fase), achtergrondrapport Oppervlaktewater 2.0
1 Milieueffectrapport RijnlandRoute (tweede fase), achtergrondrapport Oppervlaktewater april 20122 3 Milieueffectrapport RijnlandRoute (tweede fase), ...

2 e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport gezondheidseffectscreening (GES) Achtergrondrapport bij het MER RijnlandRoute 2 e fase
1 2 e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport gezondheidseffectscreening (GES) Achtergrondrapport bij het MER RijnlandRoute 2 e fase 31 maart 20112...

Milieueffectrapport RijnlandRoute (tweede fase) Samenvatting 2.0, mei 2012
1 Milieueffectrapprt RijnlandRute (tweede fase) Samenvatting 2.0, mei 20122 3 Inhud 1 Over de samenvatting 2 2 Wat is een MER en wat staat erin? 4 3 D...

Milieueffectrapport RijnlandRoute (tweede fase) Hoofdrapport 2.0, mei 2012
1 Milieueffectrapport RijnlandRoute (tweede fase) Hoofdrapport 2.0, mei 20122 Colofon Dit is een uitgave van de provincie Zuid-Holland, opgesteld door...

2 e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport Luchtkwaliteit versie 2.0
1 2 e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport Luchtkwaliteit versie april 20122 3 2 e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport Luchtkwaliteit ver...

2e fase MER RijnlandRoute 2.0, achtergrondrapport Externe Veiligheid versie 2.0
1 2e fase MER RijnlandRoute 2.0, achtergrondrapport Externe Veiligheid versie april 20122 3 2e fase MER RijnlandRoute 2.0, achtergrondrapport Externe ...

Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum Milieueffectrapport, deelrapport landschap en recreatie
1 Gbidotwilig Ooij-Waum Miliuffctraort dlraort ladcha rcrati Projctburau Ooij-Waum mi 0 ri 0 9Y3A02 3 HASKONINGDH NEDERLAND B RIERS DELTAS & COAST...

Provinciaal Inpassingsplan en Tracébesluiten RijnlandRoute Achtergrondrapport Luchtkwaliteit
1 Provinciaal Inpassingsplan en Tracébesluiten RijnlandRoute Achtergrondrapport Luchtkwaliteit 21 maart 202 3 Provinciaal Inpassingsplan en Tra...

Leidraad Landschap en Cultuurhistorie
1 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie ONTWIKKELEN MET RUIMTELIJKE KWALITEIT Colofon Uitgave Provincie Noord-Holland Directie Beleid Postbus MD Haarl...

Rapportage Landschap en Cultuurhistorie Inhaalslag Stroomlijn fase 3
1 Rapportage Landschap en Cultuurhistorie Inhaalslag Stroomlijn fase 3 Perceel 1: Zaaknr: Waal/Merwede, Maas Perceel 2: Boven-Rijn, Waal, Zaaknr: Pann...



Milieueffectrapport RijnlandRoute (tweede fase), achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie 2.0

mei 2012

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Verantwoording Titel

Opdrachtgever Projectleider Auteur(s) Projectnummer Aantal pagina's Datum Handtekening

Milieueffectrapport RijnlandRoute (tweede fase), achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie, 2.0 Provincie Zuid-Holland Martijn Gerritsen Bart Gerrits en Martijn Gerritsen 4816120 104 (exclusief bijlagen) mei 2012 Ontbreekt in verband met digitale versie. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon Tauw bv afdeling Ruimte Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht Telefoon (030) 282 48 24 Fax (030) 288 94 84

Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem worden gebruikt voor het doel waarvoor het is vervaardigd met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit de wetgeving op het gebied van het intellectuele eigendom. De auteursrechten van dit document blijven berusten bij Tauw. Kwaliteit en verbetering van product en proces hebben bij Tauw hoge prioriteit. Tauw hanteert daartoe een managementsysteem dat is gecertificeerd dan wel geaccrediteerd volgens: -

NEN-EN-ISO 9001

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

3\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

4\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Inhoud Verantwoording en colofon .......................................................................................................... 3 1 1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding.......................................................................................................................... 7 Aanleiding........................................................................................................................ 7 M.e.r.-procedure .............................................................................................................. 7 Dit achtergrondrapport .................................................................................................... 8 Inhoud van dit achtergrondrapport .................................................................................. 8

2 2.1 2.2 2.3 2.4

De voorgenomen activiteit ........................................................................................... 9 Doelstelling ...................................................................................................................... 9 Plangebied en studiegebied ............................................................................................ 9 Alternatieven en varianten............................................................................................... 9 Toetsingscriteria ............................................................................................................ 14

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.5.1

Aspect 1: landschap.................................................................................................... 17 Inleiding ......................................................................................................................... 17 Wet- en regelgeving ...................................................................................................... 17 Onderzoeksmethodiek .................................................................................................. 22 Huidige situatie en autonome ontwikkelingen ............................................................... 26 Effecten van de varianten.............................................................................................. 34 Variant N11-west 2 ........................................................................................................ 34

3.5.2 3.5.3 3.5.4 3.5.5

Variant N11-west 4 ........................................................................................................ 41 Variant Zoeken naar Balans (ZnB) ................................................................................ 42 Variant Zoeken naar Balans A (ZnB A) ......................................................................... 46 Variant Zoeken naar Balans F (ZnB F) ......................................................................... 48

3.5.6

Effectenoverzicht ........................................................................................................... 55

4

Aspect 2: cultuurhistorie ............................................................................................ 57

4.1 4.2 4.3 4.4 4.4.1

Inleiding ......................................................................................................................... 57 Wet- en regelgeving ...................................................................................................... 57 Onderzoeksmethodiek .................................................................................................. 59 Huidige situatie en autonome ontwikkelingen ............................................................... 62 Historische geografie..................................................................................................... 62

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

5\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

4.4.2 4.5 4.5.1

Historische (stede) bouwkunde ..................................................................................... 69 Effecten van de varianten.............................................................................................. 74 Historische geografie..................................................................................................... 75

4.5.2 4.5.3

Historische bouwkunde ................................................................................................. 77 Effectenoverzicht ........................................................................................................... 82

5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.5.1 5.5.2

Aspect recreatie .......................................................................................................... 83 Inleiding ......................................................................................................................... 83 Wet- en regelgeving ...................................................................................................... 83 Onderzoeksmethodiek .................................................................................................. 86 Huidige situatie en autonome ontwikkeling ................................................................... 88 Effecten van de varianten.............................................................................................. 91 Effecten ......................................................................................................................... 91 Effectenoverzicht ........................................................................................................... 98

6 6.1 6.2

Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA) en mitigerende maatregelen.............. 100 Tracéalternatief CA als basis voor het MMA ............................................................... 100 Mitigerende maatregelen............................................................................................. 100

7

Leemte in kennis en monitoringsprogramma......................................................... 101

Bijlage(n) 1. Literatuurlijst 2. Overzicht bouwhistorische objecten

6\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Om de toekomstige bereikbaarheid, leefbaarheid en economische ontwikkeling in de regio Holland Rijnland en de direct hieraan grenzende gemeenten als Wassenaar en LeidschendamVoorburg te kunnen borgen heeft de provincie Zuid-Holland het voornemen een weg met de naam RijnlandRoute te realiseren. Bij deze route gaat het om verbreding van de Tjalmaweg (N206) en het realiseren van een nieuwe provinciale weg ten zuiden van Leiden en/of om aanpassing van de bestaande N206 (onder meer de Churchilllaan) door Leiden. De realisatie ten zuiden van Leiden wil zeggen dat het tracé hier zowel over het grondgebied van de gemeenten Leiden, Zoeterwoude, Voorschoten als Wassenaar loopt. Daarbij wordt de bebouwde kom van Voorschoten doorsneden en de bebouwde kom van Leiden ten zuiden gepasseerd1. De RijnlandRoute vormt daarmee een nieuwe wegverbinding tussen de kust (Katwijk) en de A4 bij Leiden. Deze nieuwe verbinding is van groot belang voor de regio rondom Leiden en Katwijk. In de komende jaren is daar de bouw van circa 23.000 tot 25.000 woningen gepland. Onderdeel hiervan is de projectlocatie Valkenburg ter plaatse van het voormalige Vliegkamp Valkenburg, met veel ruimte voor wonen, bedrijven en recreatie. Ook liggen drie projecten uit het Randstad Urgentprogramma in deze regio: het BioScience Park in Leiden, de Greenport Duin- en Bollenstreek en de Rijn GouweLijn2. Zonder een goede Oost-West verbinding komt de bereikbaarheid van de regio als gevolg van deze ontwikkelingen onder druk te staan. Voor de realisering van de RijnlandRoute wordt een Provinciaal Inpassingsplan (PIP) opgesteld. Ter ondersteuning van de planontwikkeling en ter onderbouwing van de besluitvorming door Provinciale Staten wordt de procedure voor een milieueffectrapportage (m.e.r.) doorlopen.

1.2

M.e.r.-procedure

De m.e.r.-procedure voor de RijnlandRoute kent twee fases. In het 1e fase Milieueffectrapport (MER) zijn vier tracéalternatieven onderzocht: N11-West, Zoeken naar Balans (ZnB), Spoortracé en het Nulplusalternatief. Deze tracéalternatieven bestonden uit negen varianten. Het tracéalternatief Spoortracé is afgevallen vanwege de substantieel hogere kosten, het ontbreken van een rijksbijdrage voor dit tracéalternatief en de te verwachten problemen met betrekking tot de maakbaarheid. Het Nulplusalternatief is met het besluit van Provinciale Staten op 24 februari 2010 vervangen door het tracéalternatief Churchill Avenue, voortkomend uit een burgerinitiatief.

1

In dit rapport wordt deze ligging kortweg afgekort met ‘ten zuiden van Leiden’

2

De RijnlandRoute is zelf ook als project benoemd in het Randstad Urgentprogramma

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

7\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Vervolgens zijn in de 2e fase van de m.e.r.-procedure in 2010 in totaal zeven varianten opgesteld voor de drie overgebleven tracéalternatieven. Deze varianten en de bijbehorende verkeers- en milieueffecten zijn in april 2011 gerapporteerd in het 2e fase MER (1.0) inclusief bijbehorende thematische achtergrondrapporten. In de zomer van 2011 heeft de provincie besloten om geactualiseerde ontwerpen voor de zeven varianten op te nemen in een nieuwe versie van het 2e fase MER (2.0). Dit besluit vloeide voort uit:  Een afspraak van de provincie met het Team Churchill Avenue (burgerinitiatief) om een gewijzigd ontwerp van de varianten Churchill Avenue (hierna: CA) en Churchill Avenue gefaseerd (hierna: CA-G) mee te nemen in de besluitvorming  Het tussentijds toetsingsadvies van de Commissie voor de milieueffectrapportage d.d. 24 augustus 2011 om het MER en de achtergrondrapporten op een aantal onderdelen uit te breiden en aan te passen Het voorliggende rapport betreft het achtergrondrapport Landschap, cultuurhistorie en recreatie (2.0) behorend bij het 2e fase MER (hoofdrapport 2.0). Het eerder opgestelde achtergrondrapport Landschap, cultuurhistorie en recreatie (1.0) komt hiermee te vervallen.

1.3

Dit achtergrondrapport

In het MER zijn de milieueffecten van de varianten voor de (nieuwe) wegverbinding beschreven voor alle relevante milieuthema’s. Mede op basis van het MER neemt de provincie Zuid-Holland in overleg met haar partners een besluit over het tracé en de uitvoeringswijze voor de RijnlandRoute. Als basis voor het MER zijn er verschillende thematische achtergrondrapporten opgesteld. Hierin is per (milieu)aspect een effectbeschrijving opgenomen inclusief een overzicht van mogelijke mitigerende en compenserende maatregelen. Voor een uitgebreidere toelichting op de achtergrond van het project, de varianten et cetera wordt verwezen naar het 2e fase MER (hoofdrapport 2.0).

1.4

Inhoud van dit achtergrondrapport

De voorgenomen activiteit en de beschouwende varianten zijn beschreven in hoofdstuk 2. De daarop volgende hoofdstukken beschrijven de effecten van de beschouwende varianten. De laatste twee hoofdstukken bevatten de effecten van het Meest Milieuvriendelijk alternatief(MMA), de leemten in kennis en de voorzet voor het evaluatieprogramma

8\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

2 De voorgenomen activiteit 2.1

Doelstelling

De RijnlandRoute heeft een drieledige doelstelling: het significant verbeteren van de oost-west verbinding voor het autoverkeer, het verbeteren van de leefbaarheid in de regio Holland Rijnland (en aangrenzende gemeenten) en het mogelijk maken van ruimtelijk-economische ontwikkelingen in deze regio3. De subdoelen zijn:  De bereikbaarheid verbeteren van de Leidse regio en de Duin- en Bollenstreek  De doorstroming tussen Leiden en de kust verbeteren  Het sluipverkeer in de oost-west relaties verminderen  Het verbeteren van de robuustheid van het verkeerssysteem  De leefbaarheid op de bestaande oost-westverbinding (N206-Churchilllaan) verbeteren  Het ontsluiten van de projectlocatie Valkenburg  Het verbeteren van de bereikbaarheid en ruimtelijk-economische ontwikkelingsmogelijkheden, zoals Greenport, Bio Science Park en ESA/ESTEC

2.2

Plangebied en studiegebied

Het plangebied is weergegeven in figuur 2.1. Het plangebied is het gebied waarop het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) van toepassing zal zijn, te weten het gebied waarbinnen fysieke ingrepen plaatsvinden om het voornemen mogelijk te maken. Voor de RijnlandRoute betreft het plangebied dus het wegtracé met daaromheen een 'werkgebied'. Dit gebied wordt bepaald door de ligging van de 3 tracéalternatieven en de varianten. De tracéalternatieven zijn weergegeven in figuur 1.2. Afbeeldingen van de varianten zijn opgenomen in het 2e fase MER (hoofdrapport 2.0). Naast het plangebied is ook het begrip studiegebied van belang. Het studiegebied is het gebied waar significante effecten als gevolg van de voorgenomen activiteit, in dit geval de aanleg van de RijnlandRoute, kunnen optreden. Het betreft het plangebied en de omgeving daarvan. Het studiegebied zal per milieueffect verschillen. Voor het thema landschap, cultuurhistorie en recreatie is het studiegebied in grote lijnen weergegeven in figuur 2.2.

2.3

Alternatieven en varianten

Er is sprake van een referentiesituatie, drie tracéalternatieven met zeven varianten en het Meest Milieuvriendelijke Alternatief (MMA). De drie tracéalternatieven zijn weergegeven in figuur 2.1. Voor een uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar het 2e fase MER (hoofdrapport 2.0).

3

Doelstellingen conform Startnotitie RijnlandRoute, december 2008

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

9\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Referentiesituatie Een MER kijkt altijd in de toekomst. Voor dit MER geldt het jaar 2020 als referentiesituatie. De toestand van het milieu in de referentiesituatie 2020 is gebaseerd op de bestaande situatie van het milieu, samen met de gevolgen van de zogenaamde autonome ontwikkeling. Voorbeelden van dergelijke autonome ontwikkelingen zijn de uitbreiding van het BioScience park en de ontwikkeling van de projectlocatie Valkenburg Tracéalternatieven/varianten Voor de RijnlandRoute is sprake van drie tracéalternatieven met totaal zeven varianten (zie figuur 2.1 en tabel 2.1). Tabel 2.1 Tracéalternatieven met varianten

Tracéalternatief

Variant

Afkorting

Toelichting

Tracé ter hoogte van Leiden

Bypass Oostvlietpolder

N11-West

N11-west 2

N11-W2

Eindoplossing

Ten zuiden van Leiden

Nee

N11-west 4

N11-W4

Eindoplossing

Ten zuiden van Leiden

Nee

Zoeken naar

ZnB

ZnB

Eindoplossing

Ten zuiden van Leiden

Ja

Balans

ZnB A

ZnB A

Faseringsvariant

Door Leiden

Ja

ZnB F

ZnB F

Faseringsvariant

Ten zuiden van Leiden

Ja

Churchill Avenue

CA

Eindoplossing

Door Leiden

Ja

Faseringsvariant

Door Leiden

Ja

Churchill Avenue

Churchill Avenue gefaseerd CA-G

4

De bypass Oostvlietpolder betreft een verbinding tussen de bestaande aansluiting A4 Zoeterwoude-Dorp / Europaweg en de aansluiting Churchilllaan. De bypass ontlast hiermee het Lammenschansplein.

10\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

4

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 2.1 Tracéalternatieven (plangebied) inclusief topologie.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

11\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 2.2 Studiegebied voor thema landschap, cultuurhistorie en recreatie

N11-west 2 Deze variant kenmerkt zich door een ligging ten zuiden van Leiden met 2x2 rijstroken en een parallelstructuur langs de A44. Enkele kenmerken zijn:  Verbreding van de Tjalmaweg (N206) tot 2x2 rijstroken met twee aansluitingen op projectlocatie Valkenburg  De capaciteit van Knoop Leiden West wordt vergroot  Parallelstructuur langs de A44 middels aparte rijbaan ten westen van de A44 met 2x2 rijstroken  Een verdiepte ligging ten zuiden van Leiden naar de A4 met een halve aansluiting op de Voorschoterweg (N447)  Halve aansluiting op de A44 bij Maaldrift en een volledige aansluiting met de A4 (onderlangs)  Doortrekken parallelstructuur langs de A4 tot en met knooppunt A4 (zuidelijke aansluiting van de RijnlandRoute op de A4) N11-west 4 Variant N11-west 4 heeft hetzelfde ontwerp als N11-west 2 maar dan met een tunnel vanaf de spoorkruising tot aan de Leidseweg (ter hoogte van Voorschoten). Daarnaast kent de variant N11-west 4 in de Oostvlietpolder een noordelijkere ligging en aansluiting op de A4 dan de variant N11-west 2.

12\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Zoeken naar Balans (ZnB) Dit is de variant naar aanleiding van het onderzoek dat het Rijk, de provincie en de regio Holland Rijnland gezamenlijk hebben uitgevoerd en dat geresulteerd heeft in het IBHR5-rapport (oktober 2009). Deze variant ligt ongeveer op hetzelfde tracé als de N11-West varianten. Enkele kenmerken zijn:  Verbreding van de Tjalmaweg (N206) tot 2x2 rijstroken met twee aansluitingen op projectlocatie Valkenburg  De capaciteit van Knoop Leiden West wordt vergroot  Verbreding van de A44 tot 2x4 rijstroken met weefvakken  Aansluiting op de A44 bij Maaldrift en de A4 (onderlangs)  Een half verdiepte ligging ten zuiden van de wijk Stevenshof  Een verdiepte ligging vanaf het spoor naar de A4  Tunnel van 600 meter vanaf Landgoed Berbice tot voorbij de Vliet  Ontsluiting van Leiden door middel van een bypass door de Oostvlietpolder op maaiveldniveau ZnB A (faseringsvariant) In deze variant is geen sprake van een nieuwe verbinding tussen de A4 en A44. ZnB A betreft een faseringsvariant van het eindbeeld ZnB. Wel wordt een aantal maatregelen uitgevoerd aan de oost- en westzijde van Leiden:  Verbreding van de Tjalmaweg (N206) tot 2x2 rijstroken  De capaciteit van Knoop Leiden West wordt vergroot  Ontsluiting van Leiden door middel van een bypass door de Oostvlietpolder op maaiveldniveau ZnB F (faseringsvariant) ZnB F betreft een faseringsvariant van het eindbeeld ZnB. De belangrijkste verschillen met ZnB betreffen:  Eén aansluiting voor projectlocatie Valkenburg  Een halve aansluiting van de RijnlandRoute op de A44 bij Maaldrift  Aansluiting op de A44 bij Maaldrift en de A4 ( bovenlangs)  Tweemaal één rijstrook tussen de A4 en A44. De tunnel, de verdiepte bak en de viaducten worden wel gedimensioneerd op een toekomstige uitbreiding naar tweemaal twee rijstroken

5

IBHR: Integrale Benadering Holland Rijnland

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

13\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Churchill Avenue Dit is de variant via de bestaande route door Leiden (N206). Enkele kenmerken zijn: 

Aan de westzijde van Leiden wordt de Tjalmaweg (N206) verbreed tot 2x2 rijstroken met twee aansluitingen op projectlocatie Valkenburg

 

De capaciteit van Knoop Leiden West wordt vergroot Er is voorzien in een tunnel onder de Lelylaan en de Churchilllaan. De tunnel heeft twee ingangen: bij de Haagweg en de Voorschoterweg en drie uitgangen: bij de Haagse Schouwweg, de Haagweg en de Voorschoterweg De Churchilllaan krijgt bovengronds een wegprofiel van 2x1 rijstroken Extra capaciteit voor de aansluitingen van de RijnlandRoute op de Haagweg en de A4 Tevens wordt er een bypass door de Oostvlietpolder gerealiseerd, grotendeels vormgegeven als tunnel

  

Churchill Avenue gefaseerd CA gefaseerd betreft een 1e fase van de volledige Churchill Avenue. De verschillen met CA betreffen:  Eén aansluiting voor projectlocatie Valkenburg  Lelylaan niet als tunnel maar met 2x2 rijstroken op maaiveld Meest Milieuvriendelijke Alternatief (MMA) Het Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA) is het tracéalternatief met de minste negatieve milieueffecten en/of de meeste positieve milieueffecten. In hoofdstuk 5 is het MMA nader toegelicht.

2.4

Toetsingscriteria

Dit achtergrondrapport beschrijft de effecten op de aspecten landschap (inclusief aardkundige waarden), cultuurhistorie en recreatie. Voor het onderdeel landschap worden de effecten op drie schaalniveaus beschreven. Op het bovenregionale schaalniveau wordt beoordeeld in hoeverre de nieuwe weg invloed heeft op het landschappelijk hoofdpatroon. Het regionale schaalniveau beoordeelt de invloed op de gebiedskarakteristiek (landschappelijk structuren en patronen, silhouetten, zichten). Het lokale schaalniveau zoomt in op landschappelijke effecten (bijvoorbeeld specifieke zichtlijnen, waardevolle landschappelijke elementen, et cetera) in- of in de directe nabijheid van het plangebied. Daarnaast wordt de fysieke aantasting van aardkundige waarden beschreven. Voor het aspect cultuurhistorie worden de effecten van de weg op de onderdelen historische (stede) bouwkunde en historische geografie beoordeeld. Hierbij wordt gekeken naar de invloed op inhoudelijke, fysieke en beleefde kwaliteit.

14\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Het aspect recreatie wordt beoordeeld op de mate van doorsnijding van recreatieve routes en gebieden, bereikbaarheid van gebieden, recreatiekwaliteit (geluidsbelasting) en sociale veiligheid in recreatiegebieden. Tabel 2.4 Aspecten en toetsingscriteria voor thema landschap, cultuurhistorie en recreatie

Aspect

Toetsingscriterium

landschap

Effecten boven regionaal schaalniveau Effecten regionaal en lokaal schaalniveau Effect op aardkundige waarden

Cultuurhistorie (muv archeologie)

Effecten historische geografie Effecten historische (steden) bouwkunde

Recreatie

Effecten sociale veiligheid, bereikbaarheid, areaal en recreatiekwaliteit en sterke afname van doorsnijding recreatieve routes

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

15\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

16\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

3 Aspect 1: landschap 3.1

Inleiding

De verschillende definities van ‘landschap’ die bestaan, hebben gemeen dat het gaat om het ‘waarneembare deel’ van de aarde. Het landschap geeft uiting aan de verschillende lagen uit het zogenaamde lagenmodel (ondergrond, natuur en occupatie). Om vervolgens landschapstypen en bijhorende waarden te bepalen en te beschrijven is een analyse op verschillende schaalniveaus (nationaal-, regionaal- en lokaalniveau) nodig. De ordening van de verschillende zichtbare elementen, patronen en structuren uit de lagen van het lagenmodel op verschillende schaalniveaus bepaalt het ’type’ landschap. Bijvoorbeeld veenweidelandschap (open, veel water), landschap op de strandwallen (kleinschalig), polderlandschap (rationele patronen), et cetera. Het aspect landschap wordt voor dit achtergrondrapport beschreven volgens deze indeling. Onderdeel van het thema landschap is het criterium aardkundige waarden. De aardkundige waarden in het gebied vormen de basis voor de verschijningsvorm van het landschap, in dit geval de opeenvolgende strandwallen en laagten. De effecten op de uiterlijke verschijningsvorm worden beschreven onder de landschappelijke criteria. De fysieke doorsnijding van het gebied wordt beschreven onder het criterium aardkundige waarden.

3.2

Wet- en regelgeving

Structuurvisie infrastructuur en ruimte De definitieve Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld en is de opvolger van de Nota Ruimte. Ten opzichte van de Nota Ruimte zijn voor ondermeer landschap en cultuurhistorie in de SVIR een aantal relevante wijzigingen te benoemen. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Hieronder vallen ook de nationale landschappen. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los. Alleen in de stedelijke regio’s rondom de mainports zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van de verstedelijking. Wel heeft de SVIR expliciet als nationaal belang opgenomen: ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. Omdat de Rijksbufferzones en nationale landschappen vanaf nu een plek moeten krijgen in het provinciale - en gemeentelijk beleid worden ze in dit achtergrondrapport kort beschreven.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

17\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Overigens hebben deze gebieden in het plangebied ondermeer een plek gekregen in het provinciaal beleid met betrekking tot de regioparken (Duin, Horst en Weide). Nationaal landschap Het Groene Hart Nationale Landschappen zijn gebieden met een unieke combinatie van natuur, cultuur en geschiedenis. Bij Nationale Landschappen is er een samenhang tussen het behoud en de ontwikkeling van natuur (planten en dieren), reliëf (bijvoorbeeld beekdalen en terpen), grondgebruik (agrarisch, recreatief) en bebouwing (zoals dorpsgezichten en forten).In Nederland zijn twintig gebieden aangewezen als Nationaal Landschap. De nationale landschappen zijn verankerd in de Nota Ruimte (2006). De genoemde kwaliteiten moeten worden behouden, duurzaam beheerd en waar mogelijk versterkt. Het nationaal landschap Het Groene Hart (zie figuur 3.1) is het grootste nationaal landschap van Nederland. Het gebied kent vier kernkwaliteiten: een gevarieerd landschap, (veen-) weidekarakter, openheid en rust en stilte. Belangrijke kwaliteiten voor het gebied langs de Gouwe zijn (kwaliteitatlas Groene Hart):  Historische ontginningslinten met besloten, groen karakter  Zeer open achterland met graslanden en weidevogels  Eeuwenoude verkaveling met vaak zeer langgerekte percelen  Zichtbaarheid van het water: brede sloten met een hoge waterstand  Historische landschapslijnen: achterweteringen, tiendwegen, houtkaden, dwarskaden, kerkenpaden et cetera

Figuur 3.1 Nationaal landschap Het Groene Hart

18\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Rijksbufferzones In de Nota Ruimte zijn naast nationale landschappen ook rijksbufferzones aangewezen. Rijksbufferzones zijn open groene gebieden met veelal landbouw en natuur tussen steden. Deze zones hebben twee belangrijke functies: behoud van het open landschap en ruimte voor recreatie. Als open landschap zorgen deze zones ervoor dat steden niet aan elkaar groeien (buffer tussen steden). Daarnaast bieden deze zones mensen uit de stad een plek om van dat open landschap te genieten, te ontspannen en hun vrije tijd te besteden. In de Nota Ruimte is als doelstelling opgenomen dat de dagrecreatieve functie van de bufferzones versterkt wordt. De bufferzones zullen daarmee transformeren tot relatief grootschalige, groene gebieden met diverse mogelijkheden voor ontspanning en dagrecreatie. In het studiegebied is de Rijksbufferzone Den Haag- Leiden - Zoetermeer gelegen (zie figuur 3.4). Structuurvisie Zuid Holland, actualisering 2011 Zuid-Holland wil dat de afwisseling in landschappen en de kenmerkende waardevolle landschappen behouden blijven. Op grond van de verschillen in bodem, ontstaansgeschiedenis, het huidige gebruik en de verschijningsvorm is een onderscheid gemaakt. Voor het veenweidelandschap worden als karakteristieken benoemd de verschillende (regelmatige) verkavelingspatronen met smalle kavels en veel sloten met hoog waterpeil en de aanwezigheid van kades, lintdorpen, oude dorpskernen, kronkelende veenriviertjes, openheid, grasland, vee, (weide) vogels, en hier en daar rietlanden en moeras. Het studiegebied maakt onderdeel uit van het provinciaal landschap Duin, Horst en Weide Dit is bij uitstek een kustlandschap. met een unieke en gave opeenvolging van jonge duinen, beboste strandwallen, open strandvlakten en de Vliet (Rijn- Schiekanaal). Parallel aan de kustlijn is de ontstaansgeschiedenis nog zeer herkenbaar. Deze landschapsstructuur wordt in hoge mate versterkt door de omvangrijke landgoederenzone tussen Den Haag en Leiden. Het gebied vormt ecologisch en landschappelijk een belangrijke verbinding tussen de kustzone en het Groene Hart. Ondanks de nabijheid van de stad is de invloed van het stedelijk gebied relatief beperkt. De gebiedsopgaven zijn ondermeer bescherming en versterking van het duingebied en de landgoederenzone, goede inpassing van de bouwlocatie Valkenburg en de RijnlandRoute, ervan uitgaande dat de ontwikkeling van de bouwlocatie start in het noorden (N206). In het landelijk gebied is het van belang het landschap ook vanaf bovenregionale infrastructuur te kunnen beleven. Doorzichten vanaf (snel)wegen en spoorlijnen (voorheen snelwegpanorama’s) worden behouden. Waaronder het zicht op Duin, Horst en Weide. Ontwikkelingen in deze zones zijn alleen mogelijk als zij geen afbreuk doen aan de kwaliteit van openheid en de zichtlijnen vanuit de infrastructuur.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

19\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020 Het regionaal structuurplan, opgesteld door het stadsgewest Haaglanden, geeft vorm aan de samenwerking tussen alle negen gemeenten6 in de regio Haaglanden. Dit plan zet de lijnen uit voor de ontwikkeling van de regio tot 2020 met een doorkijk naar 2030. Met betrekking tot het onderdeel landschap is het streven de bestaande groengebieden zoveel mogelijk te behouden en te beschermen. Om behoud van de gebieden zeker te stellen moet ingezet worden op een grotere functie voor recreatie. Een netwerk van verbindingen moet de groengebieden beter gaan ontsluiten en daarmee ook de stad- land relaties verbeteren. Om het weidelandschap te behouden (Groene Hart), is het belangrijk dat de melkveehouderij kan blijven bestaan. Pact van Duivenvoorde (strategische samenwerking) Het pact van Duivenvoorde heeft betrekking op de groene zone tussen de plaatsen Leiden, Den Haag en Zoetermeer. Het pact is vernoemd naar het Kasteel Duivenvoorde. De zone vormt een verbinding tussen het natte Groene Hart in het oosten en de drogere bossen en duinen langs de kust bij Wassenaar. Een unieke waarde is de opeenvolging van landschappen in combinatie met hoge cultuurhistorische waarden die op korte afstand naast elkaar gelegen zijn (zie ook figuur 3.2). Het Pact van Duivenvoorde is een samenwerkingsverband tussen de gemeenten Voorschoten, Leidschendam-Voorburg en Wassenaar. Deze drie gemeenten werken sinds geruime tijd (vanaf 2004) samen en verrichten tal van inspanningen voor hun gezamenlijk buitengebied, met als missie het behoud en versterking van de (landschappelijke / ruimtelijke) openheid in de meest brede zin van het woord, het verbeteren en versterken van de natuurlijke en landschappelijke waarden, de cultuurhistorische waarden en een verbetering van de waterkwaliteit en zo nodig en waar mogelijk vergroten van de waterkwantiteit in de groene zone. Het pact heeft voor de zone verschillende documenten opgesteld. Ondermeer de cultuurhistorische impuls Duin, Horst & Weide, visiedocument Duin, Horst & Weide en het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) Duin, Horst & Weide. De cultuurhistorische impuls beschrijft maatregelen voor het behouden en versterken van cultuurhistorie in het gebied. In de visie zijn doelstellingen geformuleerd om de corridor te ontwikkelen tot een regiopark. Dit zijn ondermeer het behoud en versterking van de openheid en de landelijke identiteit, versterken van gebruiksmogelijkheden en het versterken van bereikbaarheid vanuit de steden. Het LOP geeft een visie op de aanwezige waarden en landschappelijke samenhang in het gebied. Daarnaast heeft dit plan tot doel de relatie stad - landschap te verbeteren met behoud van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

6

Stadsgewest Haaglanden omvat de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westlanden en Zoetermeer

20\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.2 Reeks van 6 waardevolle Hollandse landschappen (bron: Landschapsontwikkelingsplan Duin, Horst & Weide, Brons en partners)

Bodemvisie Zuid Holland (aardkundige waarden) Het beleid met betrekking tot aardkundige waarden heeft een plek gekregen in de bodemvisie Zuid - Holland. In de bodemvisie wordt de bodem op integrale wijze beschouwd met boven- en ondergronds ruimtegebruik. In de visie worden de bodemthema’s besproken die zijn verdeeld in vier groepen die gebaseerd zijn op: processen, eigenschappen, toestand van de bodem en ingrepen in de bodem. Voor de thema’s zijn concrete doelen en ambities geformuleerd. Aardkundige waarden vallen onder eigenschappen van de bodem: geomorfologische, geologische, bodemkundige en geohydrologische verschijnselen die samen verwijzen naar de ontstaanswijze van een landschap. De ambities moeten ingebed worden in ruimtelijke plannen. De ambitie voor aardkundige waarden:  Binnen de provincie Zuid-Holland dienen de (inter)nationale aardkundige waarden behouden te worden  Verder is het streven om aardkundige waarden te benutten, ook die met een provinciale of regionale betekenis, in ruimtelijke planvorming. Zo kan bijgedragen worden aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de versterking van de identiteit van een gebied  Ten slotte heeft het geven van (publieks)informatie over de aardkundige waarden prioriteit

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

21\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Beeldkwaliteitsplan landelijk gebied Zoeterwoude (januari 2012) Het Beeldkwaliteitplan Landelijk gebied Zoeterwoude benoemt de aanwezige landschappelijke kwaliteiten binnen de gemeente en legt richtlijnen vast hoe met die kwaliteiten moet worden omgegaan wanneer zich ontwikkelingen voordoen. Onder de noemer beeldkwaliteit worden alle ruimtelijke aspecten gerekend die van invloed zijn op de uitstraling van een polder als geheel, een bebouwingslint of een afzonderlijk erf. In het beeldkwaliteitsplan worden ondermeer De Grote Polder en de Westbroekpolder beschreven (gelegen aan de oostzijde van de A4). Als kwaliteit wordt ondermeer genoemd de openheid en de vele parallelle sloten (slagenverkaveling).

3.3

Onderzoeksmethodiek

Zoals genoemd worden voor het onderdeel landschap drie schaalniveaus onderscheiden. De effectbeoordeling wordt naast een beschrijving begeleid met visualisaties van de varianten met daarbij aandacht voor de bijhorende voorzieningen (zoals geluidwerende voorzieningen, tunnels en viaducten, aansluitende wegen, verlichting en overige inpassingsmaatregelen) voor zover deze bekend zijn. Hierbij worden de specifieke kenmerken van het stedelijk en het landelijk gebied, natuur-landschappelijke en geomorfologische kenmerken, reliëf en waterlopen en de visueel-ruimtelijke structuur (openheid, zichtlijnen en beelddragers) betrokken7. Bovenregionale schaalniveau (landschappelijke hoofdpatroon) Op het bovenregionale schaalniveau worden de belangrijkste kenmerken van het landschap beschreven waar het plangebied in gelegen is inclusief de aangrenzende landschappen (open / gesloten, bosrijk en/of agrarisch). Daarnaast worden de (historische) verbanden tussen de verschillende landschappen en de belangrijke verbindende netwerken / structuren (snel- en provinciale wegen, rivieren, spoorwegen, et cetera) op dit schaalniveau beschreven. Ook de (beleidsmatige) betekenis van het landschap is van belang. Wat betreft gebieden wordt bij het boven regionale schaalniveau gelet op de volgende aspecten:  Beïnvloeding landschappelijk hoofdpatroon  Doorsnijding van landschappen met grote betekenis (Groene Hart, Nationale landschappen, et cetera) Regionale schaalniveau Op het regionale schaalniveau richt de analyse zich op de kenmerken en karakteristieken van het landschap waar het plangebied in gelegen is en de direct aangrenzende landschappen. Beschreven worden de belangrijke landschappelijke structuren, patronen en lijnen (zoals bebouwingslinten, dorpsranden, dijken, wegen, houtwallen, verkavelingspatronen, et cetera).

7

22\102

Advies voor richtlijnen voor het milieueffectrapport 2e fase, juni 2010

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Wat betreft gebieden wordt bij het regionale schaalniveau gelet op de volgende aspecten:  Beïnvloeding specifieke landschapspatronen (bijvoorbeeld dorpslinten, landgoederenzone) 

Beïnvloeding landschappelijke eenheden (bijvoorbeeld open poldergebied of besloten bosgebied)

Schaalniveau plangebied/ directe omgeving Op het lokale schaalniveau wordt op basis van de voorgaande analyse ingezoomd op het plangebied en de directe omgeving. Wat zijn de specifieke kwaliteiten / waarden van het gebied (zichtlijnen, afwisseling, kleinschalig versus grootschalig, et cetera). Wat betreft gebieden wordt bij het lokale schaalniveau gelet op de volgende aspecten:  Beïnvloeding belangrijke zichtlijnen in het gebied  Beïnvloeding beeldbepalende landschappelijke lijnen, zoals houtwallen, dijken en bomenlanen in de nabijheid van het gebied Aardkundige waarden Nieuwe ontwikkelingen kunnen (negatieve) effecten teweegbrengen in aardkundig waardevolle gebieden. Bij dit criterium worden de effecten op de aardkundige waarden op kwalitatieve wijze inzichtelijk gemaakt:  De doorsnijding van het gebied wordt als negatief beoordeeld.  Geen doorsnijding krijgt een neutrale beoordeling Tabel 3.1 Criteria voor landschap

Beoordeling

Aspect landschap, drie schaalniveaus

++

Groot positief effect

Sterk positieve invloed

+

Positief effect

Positieve invloed

0

Neutraal effect of een verwaarloosbaar klein effect

Geen beïnvloeding

-

Negatief effect

Negatieve invloed

--

Groot negatief effect

Sterk negatieve invloed

Mitigerende maatregelen (geluidsschermen) In het kader van het Provinciaal Inpassingsplan worden voor de Voorkeursvariant opnieuw geluidsberekeningen uitgevoerd. Op basis van deze berekeningen zal bepaald worden waar langs het tracé geluidswerende voorzieningen (geluidsschermen) nodig zijn en welke afmetingen deze moeten krijgen. In de onderbouwing van het Provinciaal Inpassingsplan zal aandacht besteed worden aan de landschappelijke inpassing van de geluidsschermen. De beschouwing in deze paragraaf over de mogelijke mitigerende maatregelen is gebaseerd op de uitkomsten van het geluidsonderzoek in het kader van het 2e fase MER.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

23\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Bij diverse varianten is het toepassen van stil asfalt als mitigerende maatregel op sommige trajecten wellicht onvoldoende en worden er aanvullend ook geluidsschermen geplaatst. Plekken waar de afweging met betrekking tot geluidsschermen naar verwachting speelt zijn:  

 

Langs delen van de bypass Oostvlietpolder (alle varianten m.u.v. N11-W2 en N11-W4) In het ontwerp van de varianten ZnB en ZnB F is voorzien in een grondwal van 2 meter hoog op het tracégedeelte tussen de spoorlijn Den Haag-Leiden en de A44 (knoop Maaldrift). Deze wal fungeert als geluidswerende voorziening. In N11-W2 en N11-W4 is geen aarden wal opgenomen in het ontwerp, en is in delen van het gebied tussen de A4 en de Knoop Leiden West een scherm van 1 meter tot lokaal maximaal 4 meter hoog een mogelijke maatregel. Ondermeer langs de afslagen van de aansluiting Voorschoterweg Langs delen van de N206 tussen Knoop Leiden West en Katwijk (alle varianten) Door de ontwikkelingen van projectlocatie Valkenburg kan het ook wenselijk/noodzakelijk zijn om aan de zuidzijde van de N206 lokaal een geluidscherm te plaatsen (alle varianten)

Op basis van het geluidsonderzoek8 wordt ervan uitgegaan dat kan worden volstaan met geluidafschermende elementen met een hoogte tot maximaal 4 meter.. Een nadeel van geluidsschermen is dat ze zichtlijnen dwars op de weg wegnemen. Door te kiezen voor (duurzaam) transparante constructies kunnen zichtlijnen dwars op de weg blijven bestaan. Een dergelijk scherm kan echter kunstmatig ogen wat in een natuurlijk of cultuurhistorisch landschap een verstorend effect kan geven. In dit kader kan een grondwal of een begroeid scherm minder verstorend zijn. In de effectbeoordeling op landschap worden de effecten van twee typen schermen beschreven en verbeeld: een kunstmatig scherm en een grondwal/ begroeid scherm (ter illustratie zie figuur 3.3). Daarnaast is inzichtelijk gemaakt wat het effect is van de weg indien geen scherm wordt geplaatst. Voor de uiteindelijke beoordeling wordt uitgegaan van het zogenaamde “worst - case scenario” inclusief een geluidsscherm. Indien de keus tussen grondwal/ begroeid scherm en kunstmatig scherm onderscheidend is dan wordt in de beoordeling uitgegaan van het type welk het meest negatief scoort.

8

24\102

Achtergrondrapport geluid versie 2.0 bij het 2e fase MER RijnlandRoute versie 2.0, Tauw 2012

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.3 Kunstmatig ogend scherm versus “groen” scherm

Ook voor overige kunstwerken (buiten geluidsschermen dus) die onderdeel uitmaken van de weg moet rekening worden gehouden met de visueel ruimtelijke inpassing. Hierbij kan worden gedacht aan de vormgeving van viaducten en bruggen. Naast de vormgeving is ook het materiaalgebruik van belang voor het landschappelijke beeld.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

25\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Zo kan worden gekozen voor materiaal dat sterk contrasteert, waardoor het kunstwerk (en daarmee de weg) een opvallend en herkenbaar element in het landschap vormt. Een andere mogelijkheid is om juist te kiezen voor optimale inpassing van het viaduct in de omgeving, door met de materiaalkeuze hier op aan te sluiten. Ook kunstwerken langs de weg, zoals lantaarnpalen kunnen, vooral in open gebied, een verstorende werking hebben. Voor de effectbeoordeling gaan we er vanuit dat de varianten niet vanuit voorgenoemde punten zijn geoptimaliseerd. We gaan dus uit van een weg inclusief verlichting en een standaard (niet geoptimaliseerd) ontwerp van materiaal en kunstwerken.

3.4

Huidige situatie en autonome ontwikkelingen

Bovenregionale schaalniveau (landschappelijke hoofdpatroon) In het studiegebied zijn verschillende landschappen te onderscheiden (zie afbeelding 3.4). In het oosten is het kenmerkende open veenweidegebied gelegen wat onderdeel uit maakt van het nationaal landschap het Groene Hart. Aan de zuidzijde van het studiegebied is het strandwallen en strandvlakten landschap gelegen. Gekenmerkt door noord-zuid gerichte strandwallen en strandvlakten. Dit landschap maakt onderdeel uit van het provinciale landschap Duin, Horst en Weide. De strandwallen worden gekenmerkt door bebouwing, bossen en landgoederen. De strandvlakten worden gekenmerkt door openheid. Aan de westzijde van het gebied is langs de kust een duingebied gelegen. Het vierde landschap binnen het studiegebied is de Oude Rijnzone. Dit gebied, met centraal de Oude Rijn, bevat de bebouwing van de kernen Leiden, Leiderdorp, Katwijk en Valkenburg.

Figuur 3.4 Boven regionale schaalniveau (studiegebied)

26\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Van zuidwest naar noordoost lopen twee grote infrastructurele verbindingen, de A4 en de A44. Vanuit Voorburg loopt in de lengte richting van de strandwal de provinciale weg N447. De N11 volgt in grote lijnen de Oude Rijn en eindigt in Leiden. Het stedelijk gebied van Leiden wordt doorsneden door verschillende noord - zuid en west - oost lopende doorgaande wegen. De spoorlijn Den Haag - Leiden volgt eveneens de noord- zuidrichting van de strandwal. De andere spoorlijn in het gebied volgt de N11 en de Oude Rijn. Regionale schaalniveau / gebiedskarakteristiek Voor de beschrijving van het regionale schaalniveau worden de in de vorige paragraaf benoemde landschapstypen nader beschreven.

Figuur 3.5 Regionale schaalniveau / gebiedskarakteristiek (studiegebied)

Veenweidegebied Het veenweidegebied bevindt zich aan de oostzijde van het studiegebied en wordt aan de noordzijde globaal begrensd door de N11, de spoorlijn Leiden - Alphen aan de Rijn en de bebouwing langs de Oude Rijn. De westzijde wordt gevormd door de stadsrandzone van Leiden en Voorschoten, grofweg het gebied tussen de A4 en het Rijn - Schiekanaal. Het landschap aan de oostzijde van de A4 wordt gevormd door het karakteristieke open veenweide landschap van de Grote Polder en de Grote Westeindse Polder (zie figuur 3.6). De openheid van de polders wordt doorsneden door infrastructuur en door voor dit gebied karakteristieke bebouwingslinten (Westeinde) . Dit geldt vooral voor de A4 die de polder in het westen begrenst en in mindere mate voor de N206 die het gebied doorsnijdt.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

27\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Deze weg vormt eveneens de grens tussen de bebouwing van Zoeterwoude - Dorp en het open landschap. Vanuit het gebied zijn op de achtergrond de silhouetten van de bebouwing (hoogbouw) van Leiden zichtbaar. Nabij Zoeterwoude - Dorp staan langs de A4 twee dominante windturbines.

Figuur 3.6. Zicht vanuit het open veenweidegebied op de rijksweg A4, rechts op de foto is molen Zelden van Passe zichtbaar en op de achtergrond het recreatiegebied Vlietland

Het gebied aan de westzijde van de A4 maakt onderdeel uit van een zogenaamde stedelijke randzone welke wordt gevormd door recreatiegebieden en volktuinen afgewisseld met stukken open weidelandschap. Het gebied Oostvlietpolder zal in de autonome ontwikkeling9 de bestemming bedrijven / recreatie en groen krijgen. De noordzijde van de polder krijgt de bestemming bedrijventerrein. De zuidzijde krijgt de bestemming agrarisch en natuur. Van noord naar zuid komt door de gehele polder een groene verbinding te lopen. Daarnaast zal het bungalowpark Vlietpark uitbreiden. Er zijn echter sterke signalen dat het bedrijventerrein niet ontwikkeld zal worden, en de Oostvlietpolder een recreatieve / landschappelijke functie blijft houden. In het Collegeakkoord van de gemeente Leiden (maart 2010) staat dat “de gehele Oostvlietpolder duurzaam groen moet blijven. Het geplande bedrijventerrein wordt niet gerealiseerd”. In dit geval zal het gebied haar open karakter behouden. Voor deze MER en achtergrondstudie wordt uitgegaan van vigerend beleid en dus ook van de ontwikkeling van de Oostvlietpolder. In de effectbeoordeling in paragraaf 3.5 zal wel kort worden toegelicht wat het effect is indien het bedrijventerrein niet wordt ontwikkeld. Het weidegebied aan de zuidzijde van de polder zal een agrarisch karakter houden. Aan de zuidzijde van de Oostvlietpolder is het recreatiegebied Vlietland gelegen. Het gebied kent een besloten karakter door verschillende bosschages met centraal een open recreatieplas. De Oostvlietpolder en Vlietland worden begrensd door een lint, langs het Rijn - Schiekanaal, van historische woonbebouwing en boerderijen. Aan de noordzijde van de Oostvlietpolder is het meer besloten recreatiegebied Polder Cronestein gelegen.

9

28\102

Autonome ontwikkeling op basis van bestemmingsplan Oostvlietpolder (2003).

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Strandwallen en -vlaktelandschap Dit landschap bestaat uit een stelsel van strandwallen (de oude duinen) en strandvlakten (de venige laagten tussen de voormalige duinen) dat min of meer evenwijdig aan de kust loopt. De hoger gelegen, meer zandige strandwallen zijn vanouds meer geschikt voor bewoning. Op de strandwallen treft men de dorpen, landgoederen en buitenplaatsen (Zuydwijk, Berbice) aan en de voornaamste (historische) verbindingswegen. In de loop der tijd zijn de verschillende dorpskernen (Wassenaar, Voorschoten, Leiden, Leidschendam - Voorburg) en landgoederen naar elkaar toe gegroeid. De strandwal van Voorschoten kent één centraal van noord naar zuid lopend lint, de huidige Leidseweg, waar langs op organische wijze de ontwikkeling van (woon)bebouwing en landgoederen heeft plaatsgevonden. Aan weerzijden van de weg heeft in de twintigste eeuw de verdere verstedelijking van de strandwal plaatsgevonden. Ter plaatse van landgoed Berbice ligt van oost naar west een groenzone met sportvelden (voetbal, golf), landgoed en park. De strandwal wordt aan de westzijde begrensd door de spoorlijn Den Haag - Leiden en aan de oostzijde door het recreatiegebied Vlietland en de Oostvlietpolder. De strandwal van Wassenaar is eveneens in de twintigste eeuw verdicht met bebouwing. De verschillende historische landgoederen (zoals Raaphorst en Zuydwijk) liggen nog zichtbaar op de wal. De oostgrens van de strandwal wordt gevormd door de A44, de westgrens gaat over in het jonge duinlandschap. Tussen de ’groene rand’ van Wassenaar en het Valkenburgse meer ligt het gebied de Groene buffer. In het open gebied zijn ondermeer een camping, het defensieterrein Maaldrift en een woonwijkje gelegen. In 2008 is een inrichtingsplan voor het gebied opgesteld. Waarin een aantal maatregelen zijn geformuleerd10. Dit betreft ondermeer het versterken van de openheid door het verplaatsen van de camping naar het meer besloten gebied Maaldrift. Verder wordt voorzien in een ecoduct over de A44. In dit achtergrondrapport is door het ontbreken van een vastgesteld bestemmingsplan(wijziging), en formeel dus geen autonome ontwikkeling, nog geen rekening gehouden met dit ecoduct. Tussen de oude strandwallen liggen grote langgerekte laagten, dit zijn voormalige strandvlakten. Vanaf het moment dat de zee geen toegang meer tot deze laagten had, begon daar veenvorming op gang te komen. Nu liggen er dikke veenpakketten die plaatselijk met een kleilaagje zijn afgedekt. In het oosten van plangebied, tussen de strandwal Voorschoten en de A44 ligt de Papenwegse polder. De polder kent een open karakter met verspreid liggende bosschages waardoor sommige delen een meer besloten karakter kennen. De wegen in het gebied worden begeleid met (laan) beplanting. Vanuit het gebied is de bebouwingsrand van Leiden (Stevenshof), de rijksweg A44 en de bebouwing van Voorschoten goed zichtbaar. Het gebied wordt doorsneden door twee brede wateringen (Dobbewatering en Veenwatering).

10

Inrichtingsplan De Groene Buffer, locatie nieuw Valkenburg, oktober 2008

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

29\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.7 Bebouwingsrand van Leiden vanuit de Papenwegse polder gezien

Ten westen van de A44 ligt het open weidegebied van de Ommedijksche Polder. De polder wordt doorsneden door de Wassenaarse Watering. De noordzijde van de polder wordt begrensd door het Valkenburgse meer, recreatiegebied en -plas, wat wordt omgeven door verschillende bosschages. De westzijde van de polder grenst aan vliegveld Valkenburg wat in de toekomst zal verdichten met ondermeer woningbouw. Een gedetailleerde invulling voor het gebied Valkenburg moet nog worden vastgesteld. Aan de west- en noordwestzijde van vliegveld Valkenburg ligt een poldergebied welke voornamelijk agrarisch in gebruik is. Langs de wegen in het gebied liggen agrarische bebouwing, sportvelden, voormalige kazerne gebouwen en enkele kassen. De hoge toppen en bossen van de jonge duinen aan de westzijde van de polder zijn duidelijk zichtbaar in de open polder. Ook de bebouwing van Valkenburg en Katwijk is duidelijk zichtbaar. Aan de noordzijde van de polder ligt de N206. De weg ligt iets verdiept waardoor deze minder opvalt.

Figuur3.8 Zicht vanuit de polder op Valkenburg met op de voorgrond de N206

Stedelijk gebied / Oude Rijnzone Haaks op het duin- en strandwallenlandschap stroomt de rivier de Oude Rijn. De rivier rijgt het stedelijk gebied van Leiden, Oegstgeest, Valkenburg, Rijnsburg en Katwijk aaneen. Deze steden en dorpen zijn gelegen op de voormalige overstromingsvlakten (kleigebied) aan weerszijden van de Oude Rijn.

30\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Aan de zuidzijde van het centrum van Leiden, liggen naoorlogse uitbreidingswijken (Haagwegkwartier, Boshuizen en Fortuinwijk). Deze wijken zijn ruim opgezet en kennen veel hoogbouw. Centraal door de wijk loopt met een breed profiel de N206. Langs de weg zijn verschillende groen- en sportvoorzieningen gelegen. De wijken worden begrensd door de Oude Rijn aan de noordwestzijde. Langs de Oude Rijn is een historisch bebouwingslint gelegen.

Figuur 3.9 Oude Rijnzone met op de achtergrond de passage van de N206 middels een brug

Aan de noordzijde van de Oude Rijn liggen de woonwijken, oostzijde centrum, Lage en Hoge Mors. De N206 loopt hier eveneens doorheen middels een breed groen profiel welke aansluit op sportvelden en een parkstructuur (park Kweeklust). Aan de westzijde van voorgenoemde woonwijken ligt de begraafplaats Rhijnhof. Ten oosten van Valkenburg en ten westen van de A44 ligt een stedelijke randzone / half besloten gebied. Gedomineerd door glastuinbouw, stukken agrarisch gebied, verschillende infrastructurele verbindingen, losliggende bebouwing en industrie langs de oude Rijnzone. Eveneens aan de oostzijde van Valkenburg wordt de woonwijk ’t Duyfrak ontwikkeld. De huidige glastuinbouw zal hier verdwijnen. Schaalniveau plangebied / directe omgeving In de beschrijving op dit schaalniveau wordt het plan- en studiegebied van oost naar west beschouwd. Zelden van Passe Vanaf de A4 zijn er verschillende zichtlijnen het Groene Hart in. Als belangrijk landmark staat langs de A4 de molen Zelden van Passe (zie figuur 3.10). De specifieke historische waarde van de molen wordt nader beschreven in hoofdstuk 4.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

31\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.10 De windmolen Zelden van Passe langs de A4

Bebouwingslint Rijn - Schiekanaal Langs het Rijn - Schiekanaal is een karakteristiek lint gelegen met historische bebouwing. Landgoed Berbice Vanaf het landgoed Berbice lopen verschillende zichtlijnen (panorama) het buitengebied in (zie hiervoor figuur 3.11). Vanaf de zuid- oostzijde is dit het zicht over het weiland naar de Vliet. Ten noordwesten is dit het zicht vanaf het landgoed over de sportvelden en omgekeerd (blikveld).

Figuur 3.11 Langoed Biotoop en bijhorende zichtlijnen landgoed Berbice en Beresteijn (bron: Cultuurhistorische waardenkaart Zuid – Holland)

32\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.12 Zicht vanaf de rand (Leidseweg) van landgoed Berbice het buitengebied in

Leidseweg De Leidseweg vormt een historische verbindende route over de strandwal met historische bebouwing / landgoederen. Wateringen Papenwegse polder Door de Papenwegse polder lopen twee beeldbepalende wateringen (Veen- en Dobbewatering). Stevenshofjesmolen Langs de bebouwingsrand van de wijk Stevenshof op de grens met de Papenwegsepolder is de beeldbepalende Stevenshofjesmolen gelegen (zie figuur 3.13).

Figuur 3.13 Zicht op de Stevenshofjesmolen

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

33\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Historische bebouwing langs de Oude Rijn De oude Rijnzone vormt een lint met verschillende historische woonbebouwing, bedrijvigheid en doorzichten. Aardkundige waarden De strandwallen van Wassenaar vormen een aardkundig waardevol gebied binnen het studiegebied. De ontwikkeling van de kustlijn is in dit gebied goed te herkennen. Achter de Jonge Duinen die gedeeltelijk op de strandwallen van de Oude Duinen liggen, ligt een gebied met parallelle strandwallen met laagten ertussen. In deze laagten heeft zich veen kunnen ontwikkelen. Deze serie parallelle strandwallen heeft zich gevormd in een periode van zeespiegelstijgingen tussen 8000 en 4800 jaar geleden. Het gebied is nog redelijk gaaf en geeft een goede indruk van de ontwikkeling van het kustgebied. Het aardkundig waardevolle gebied in het studiegebied is gelegen in de Papenwegse polder, één van de laagten tussen de strandwallen.

3.5

Effecten van de varianten

Deze paragraaf beschrijft de effecten van de varianten op het aspect landschap voor de drie onderscheiden schaalniveaus: landschappelijk hoofdpatroon, gebiedskarakteristiek en het niveau van het plangebied plus directe omgeving. Het eindresultaat hiervan is weergegeven in tabel 3.1. De letters en cijfers bij de beschrijvingen van de effecten verwijzen naar locaties op de kaart welke is opgenomen na de beschrijving (bijvoorbeeld figuur 3.20). 3.5.1

Variant N11-west 2

Boven regionale schaalniveau (landschappelijke hoofdpatroon) De variant doorsnijdt in het oostelijk deel van het plangebied in oost-westrichting de overwegende noord-zuidstructuur van het strandwallen en - vlaktenlandschap. Dit is een negatief effect. De nieuwe weg reageert in de Papenwegse polder op de zuidelijke stadsrand van Leiden en vormt hiermee een afhechting van het stedelijk gebied. De weg volgt eveneens de noordelijke rand van recreatiegebied Vlietland. Dit geeft een neutraal effect. De weg doorsnijdt in dit deel echter wel de Rijksbufferzone. Ter hoogte van het Valkenburgse meer tot aan de voormalige aansluiting N441 volgt de verbinding het bestaande landschappelijk hoofdpatroon. Dit geeft een neutraal effect.

34\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Beoordeling Het volgen van het bestaande landschappelijk hoofdpatroon geeft een neutraal effect. Het feit dat de Rijksbufferzone en de kenmerkende noord – zuid structuur van strandwallen en vlaktenlandschap wordt doorsneden maakt de totale beoordeling voor deze variant negatief (-).

Figuur 3.14 Tracéalternatieven RijnlandRoute (in geel) als onderdeel van het landschappelijke hoofdpatroon

Regionale schaalniveau/ gebiedskarakteristiek A4 – A44 (via Voorschoten) De variant kent vanaf de aansluiting van de RijnlandRoute op de A4 tot aan knooppunt Maaldrift A44 en een verdiepte ligging. Dit betekent een bak van circa 6 meter onder maaiveld. Vanaf de ‘zijkant’ zal de rand van de bak zichtbaar zijn evenals eventuele lichtmasten wat als storend wordt ervaren. In de gebieden waar geluidsschermen, vooral het kunstmatige scherm, geplaatst worden zal deze zichtbaarheid groter zijn. Wanneer haaks op de weg wordt gekeken zal de bak uiteraard beter zichtbaar zijn en loopt de verbinding als duidelijke zichtbare lijn door het landschap (zie figuur 3.15).

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

35\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.15 Zicht op en over de nieuwe weg (tunnelbak) in open gebied waar geen geluidsschermen nodig zijn

Het zicht vanuit het Groene Hart op deze variant zal door de verdiepte ligging niet wijzigen. De aansluiting ligt verdiept en gaat onder de snelweg door (knooppunt A4). In de Oostvlietpolder zal door de verdiepte ligging de karakteristiek niet wijzigen. Er vanuit gaande dat hierdoor het beperkt aantal “gehinderde” geen schermen worden geplaatst. Vanaf de linten en doorgaande wegen zal de nieuwe weg wanneer deze in de nabijheid komt goed zichtbaar zijn (zie figuur 3.15). Deze effecten worden beschreven op het lokale schaalniveau. De karakteristiek van het lint langs het Rijn – Schiekanaal zal niet wijzigen. Aan de westzijde van de Vliet is een restant van een stukje open weidegebied gelegen. Dit smalle gebied is gelegen tussen een recent gebouwde woonwijk (Krimwijk II), landgoed Berbice, de voormalige boerderij Allemansgeest en een aantal (historische) loods gebouwen. Deze laatste zullen door de aanleg van de weg en bijhorende afslagen verdwijnen. De weg zal in dit gebiedje nadrukkelijk aanwezig zijn en de karakteristiek negatief beïnvloeden (1). De karakteristiek van de Leidseweg zal slechts op lokaal niveau worden beïnvloed. De ligging van de weg in het besloten agrarische gebiedje ten noorden van landgoed Berbice zal een sterk negatieve beïnvloeding hebben. De weg zal nadrukkelijk aanwezig zijn (2, zie figuur 3.16). Het huidige gebruik van het gebied kan niet worden voortgezet. Ook in het (sport)park gebied ten westen van landgoed Berbice is de weg van negatieve invloed (zie figuur 3.17). De weg zal ook hier nadrukkelijk, mede vanwege de mogelijke geluidsschermen, aanwezig zijn. De huidige sportvelden komen te vervallen (3). In de Papenwegse Polder zal de weg eveneens zichtbaar zijn. In het gebied worden daarnaast verschillende landschapselementen doorsneden, zoals het bosje ten zuiden van de wijk Stevenshof (4), dit zal de karakteristiek van voornamelijk het noordelijk deel van de Papenwegse polder negatief beïnvloeden.

36\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

A44 en Katwijk – A44 In het gebied ten westen van de Papenwegse Polder (Na Knooppunt Maaldrift A44) zal de karakteristiek gering worden beïnvloed. De aansluiting Valkenburg II zal door ligging tussen een bedrijventerrein en een glastuinbouwgebied geen invloed hebben de landschappelijke karakteristiek. Ten noordwesten van vliegveld Valkenburg komt een afslag te liggen met verhoogde toe- en afritten (5, aansluiting Valkenburg I). Het zicht vanuit het open gebied ten westen van locatie Valkenburg zal niet tot beperkt verstoord worden gezien het achterliggende stedelijke silhouet van Valkenburg. De karakteristiek van het gebied wordt daarom niet negatief beïnvloed. Beoordeling De beoordeling van deze variant op dit aspect is zeer negatief (--). Dit negatieve effect wordt vooral veroorzaakt door de verschillende negatieve effecten van de weg tussen de kruising Rijn – Schiekanaal (de Vliet) en de knoop Maaldrift A44.

Figuur 3.16 Fotoinpassing van de weg door het groene gebied ten noorden van landgoed Berbice.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

37\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.17 Fotoinpassing van de weg door de sportvelden/ parkzone ten westen van landgoed Berbice. De weg (tunnelbak) is duidelijk zichtbaar en heeft een grote invloed op de karakterstiek van dit gebied.

Schaalniveau plangebied / directe omgeving Effecten op dit schaalniveau treden op langs de Vlietweg. Dit is een lint van boerderijen en historische bebouwing met verschillende doorkijken het open weidegebied in. Ter plaatse van de doorsnijding van de weg zal bebouwing en beplanting geamoveerd worden en zal de doorkijk gedomineerd worden door het zicht op de open bak (a). De historische zichtlijn vanaf landgoed Berbice richting het oosten wordt verstoord door infrastructuur. Vanaf het landgoed is er een zicht op de open bak al dan niet met geluidsscherm langs de twee afslagen (b). Door de aanleg van de weg zullen echter een aantal panden welke nu in het zicht staan geamoveerd worden. Dit heeft een positief effect op de zichtlijn richting het oosten (zie figuur 3.18). Langs de Leidseweg wordt verschillende karakteristieke bebouwing geamoveerd om de aanleg van de weg mogelijk te maken en is er een direct zicht op de bak (c). De belangrijke zichten op de Stevenhofjesmolen en langs de wateringen worden in deze variant niet verstoord. Langs de Ommedijkseweg (westzijde A44) zal de laanbeplanting verdwijnen (d). Het zicht vanuit de verschillende aan het nieuwe tracé grenzende woonwijken van Valkenburg op het open gebied (ten westen en noordwesten van het voormalige vliegveld Valkenburg) zal bij het plaatsen van geluidsschermen verstoord worden (e). Ook de verhoogde aansluiting Valkenburg I heeft een negatief effect op dit zicht. Wat een negatief effect heeft (zie ook figuur 3.19). De beoordeling De negatieve beïnvloeding is per saldo groter dan de positieve beïnvloeding, dit aspect is daarom negatief (-) beoordeeld.

38\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.18 Fotoinpassing van het zicht vanaf de rand van landgoed Berbice richting het oosten (bovenste afbeelding is de huidige situatie, midden de situatie met wal en onder met scherm). In de nieuwe situatie worden een aantal gebouwen geamoveerd waardoor de zichtlijn wordt versterkt. In het beeld zal echter ook de tunnelbak en de aansluiting op de Voorschoterweg zichtbaar inclusief scherm zichtbaar zijn, dit is een verstorende toevoeging.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

39\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.19 Het zicht vanaf de Valkenburg het op het open gebied in. De bovenste afbeelding geeft de situatie zonder scherm weer, de middelste met kunstmatig scherm en de onderste afbeelding een meer natuurlijke afscherming.

40\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.20 Effecten op regionale / gebiedsniveau en lokale schaalniveau N11-west 2

3.5.2

Variant N11-west 4

Boven regionale schaalniveau (landschappelijke hoofdstructuur) Deze variant volgt grotendeels, met uitzondering van een iets noordelijkere ligging in de Oostvlietpolder, het zelfde tracé als variant N11-west 2. De effecten op het landschappelijk hoofdpatroon zijn dan ook vergelijkbaar, negatief (-). Regionale schaalniveau / gebiedskarakteristiek Deze variant is grotendeels vergelijkbaar met variant N11-west 2. Het verschil is de iets noordelijke ligging van de aansluiting op de A4. Hierdoor komt de verbinding centraler en prominenter in het open weidegebied te liggen, wat een negatiever effect heeft. Daarnaast is een verschil een tunnel (passage Voorschoten) in de plaats van een verdiepte ligging in een open bak. Hierdoor zullen een deel van de effecten zoals beschreven bij variant N11-west 2 minder sterk optreden. Door het graven van de tunnel zal een deel van de effecten welke optreden bij N11-West 2 tijdelijk ook optreden bij N11-West 4. De overall beoordeling van deze variant op dit aspect ten opzichte van de referentiesituatie is negatief (-).

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

41\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Schaalniveau plangebied / directe omgeving Hiervoor geldt een zelfde redenering als bij het regionale schaalniveau / gebiedskarakteristiek. Doordat de aansluiting van de RijnlandRoute in vergelijking met de N11 west 2 naar het noorden wordt verlegd (blijft wel verdiept) zal het zicht op de molen Zelden van Passe op korte afstand worden verstoord. De beoordeling van deze variant op dit aspect is negatief (-). 3.5.3

Variant Zoeken naar Balans (ZnB)

Boven regionale schaalniveau (landschappelijke hoofdstructuur) De variant Zoeken naar Balans volgt grotendeels een gelijk tracé als de varianten N11-west 2 en N11-west 4 (beoordeling negatief). Ter plaatse van de Oostvlietpolder (passage Oostvlietpolder) volgt de variant op grotere afstand de rand van het recreatiegebied Vlietland. Ter plaatse van de Europaweg wijkt deze variant met een bocht af van het bestaande landschappelijke hoofdpatroon (bypass Oostvlietpolder) dit is echter op het bovenregionale schaalniveau maar een beperkte afwijking. Beoordeling De beoordeling op dit aspect is negatief (-). Het effect is vergelijkbaar met de varianten N11-west 2 en 4. Regionaal schaalniveau A4 – A44 (via Voorschoten) Deze variant kent in tegenstelling tot beide N11-west varianten als uitgangspunt een verdiepte ligging (-2 meter) in een grondwerk in de Papenwegsepolder en een gedeelte van Oostvlietpolder. Van een afstand valt deze wal weg in open landschap. Een geluidscherm is in dit geval niet nodig. Van kortere afstand wordt de wal al dan niet in combinatie met lichtmasten als visueel storend ervaren (zie figuur 3.21).

Figuur 3.21 Zicht op grondwal langs tunnelbak

42\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.22 Fotoinpassingen van de grondwal langs de verdiepte RijnlandRoute in de Papenwegse polder over de landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle Veenwatering. Hierbij is de bovenste afbeelding de ontwerpsituatie. De onderste afbeelding geeft weer wat het effect is wanneer wordt gekozen voor een brug over de watering.

Evenals bij beide N11-West varianten verandert het zicht vanuit het Groene Hart richting de A4 niet. De aansluiting RijnlandRoute – A4 verdiept. Ook in de Oostvlietpolder zal de karakteristiek zowel bij het instand houden van de huidige situatie als bij het realiseren van het bedrijventerrein niet wijzigen. Ter plaatse van de Vlietweg verdwijnt de weg in een tunnel tot aan de Leidseweg. Het stukje open weidegebied aan de westzijde van het Rijn - Schiekanaal blijft hierdoor gespaard.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

43\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

In het gebiedje ten westen van de Leidseweg en ten noorden van landgoed Berbice, waar het tracé in een verdiepte open bak is gelegen, wordt de karakteristiek negatief beïnvloed (1). Het zelfde gaat op voor het (sport)parkgebied ten westen van de Beethovenlaan (2, zie ook beschrijving N11-west 2). In de Papenwegsepolder wordt de verdiepte ligging begeleid door een grondwal. Van afstand zal deze wal wegvallen tegen het achterliggende landschap. Vanuit de bebouwingsrand van Leiden wordt het zicht op het buitengebied echter visueel verstoord. De variant doorsnijdt ondermeer de landschappelijke en cultuurhistorisch karakteristieke Veenwatering. Dit heeft een negatief effect. Wanneer wordt gekozen voor een brug blijft de watering gespaard en blijft er een (beperkte) landschappelijke relatie tussen beide zijden van de nieuwe weg in stand. (3, zie figuur 3.22). De aansluiting op de A44 ligt deels verdiept (Knooppunt Maaldrift A44). Door het relatief grote ruimtebeslag van het knooppunt zal de karakteristiek van het gebied echter wijzigen. Dit heeft een negatief effect (4). A44 en A44 - Katwijk Dit deel kent een vergelijkbare beoordeling als de variant N11 west 2 (5). Bypass Oostvlietpolder De bypass Oostvlietpolder zal een extra doorsnijding geven van de Oostvlietpolder (7). De weg ligt grotendeels op maaiveld. Wanneer de huidige situatie behouden blijft zal dit een verstorend effect geven. Bij de realisatie van een bedrijventerrein zullen de effecten echter beperkt blijven. De Bypass gaat door middel van een brug door het lint langs het Rijn - Schiekanaal (zie figuur 3.23). De continuïteit van het lint wordt hierdoor verstoord, wat een negatief effect heeft (8). Beoordeling De beoordeling van deze variant op dit aspect is zeer negatief (--). Dit negatieve effect wordt veroorzaakt door de verschillende negatieve effecten van de variant in het gebied tussen landgoed Berbice en de aansluiting Maaldrift A44. Verder treedt een negatief effect op door de bypass Oostvlietpolder indien het bedrijventerrein niet wordt gerealiseerd. Het uitgangspunt is echter wel realiseren en effect zal zich daarom beperken tot de doorsnijding van het lint langs het Rijn – Schiekanaal.

44\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.23 Bypass Oost Vlietpolder doorsnijding Vlietkanaal

Schaalniveau plangebied / directe omgeving Op het lokale schaalniveau heeft de variant ZnB een effect op de molen Zelden van Passe. De molen zal in deze variant aan alle zijden omgeven worden door infrastructuur. Dit verstoort de samenhang van de molen met het omliggende landschap (a). Langs de Vlietweg zal ter plaatse van de doorsnijding van de weg bebouwing en beplanting geamoveerd worden en zal de doorkijk gedomineerd worden door het zicht op de open bak (b). Ook langs de Leidseweg wordt verschillende karakteristieke bebouwing geamoveerd om de aanleg van de weg mogelijk te maken en is er een direct zicht op de bak (c). De belangrijke zichten op de Stevenhofjesmolen en langs de wateringen worden in deze variant verstoord (zie figuur 3.22). Langs de Ommedijkseweg (westzijde A44) zal de laanbeplanting verdwijnen (d). Het zicht vanuit de verschillende aan het nieuwe tracé grenzende woonwijken van Valkenburg op het open gebied zal bij het plaatsen van geluidschermen verstoord worden (e). Ook de verhoogde aansluiting Valkenburg I heeft een negatief effect op dit zicht (zie ook figuur 3.19). Beoordeling De negatieve beïnvloeding is per saldo groter dan de positieve beïnvloeding dit aspect is daarom negatief (-) beoordeeld.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

45\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.24 Effecten variant Zoeken naar Balans (ZnB)

3.5.4

Variant Zoeken naar Balans A (ZnB A)

Boven regionale schaalniveau (landschappelijke hoofdstructuur) Deze variant kent maar een beperkte afwijking van het huidige landschappelijke hoofdpatroon (bypass Oostvlietpolder) en wordt neutraal (0) beoordeeld. Regionale schaalniveau Deze variant kent dezelfde effecten als de variant ZnB wat betreft de bypass Oostvlietpolder en het deel A44 - Katwijk. Verder kent deze variant geen negatieve effecten. De beoordeling van deze variant op dit aspect is neutraal (0).

46\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.25 Fotoinpassing van de aansluiting Valkenburg II. De effecten van de nieuwe aansluiting blijven in dit gebied beperkt

Figuur 3.26 Fotoinpassing van het zicht op de aansluiting Valkenburg I vanuit verschillende posities. Van grotere afstand is de verhoogde aansluiting nauwelijks waarneembaar. Vanaf de rand van het gebied is de aansluiting logischerwijs duidelijker zichtbaar .

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

47\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Schaalniveau plangebied / directe omgeving Het zicht vanuit de verschillende aan het nieuwe tracé grenzende woonwijken van Valkenburg op het open gebied zal bij het plaatsen van geluidschermen verstoord worden. Ook de verhoogde aansluiting Valkenburg I heeft een negatief effect op dit zicht (zie ook figuur 3.18). Voor het overige deel zijn geen specifieke effecten te benoemen. De beoordeling van deze variant op dit aspect is neutraal (0). 3.5.5

Variant Zoeken naar Balans F (ZnB F)

Boven regionale schaalniveau (landschappelijke hoofdstructuur) Deze variant kent een gelijk tracé als de variant ZnB en kent zodoende een negatieve (-) beoordeling. Regionale schaalniveau A4 – A44 (via Voorschoten) Het zicht vanuit het Groene Hart richting de snelweg A4 wordt in deze variant verstoord door de nieuwe verhoogde aansluiting. De molen Zelden van Passe (en bijhorende molenbiotoop11) wordt in deze variant aan verschillende kanten omgeven door een talud. Het karakteristieke beeld vanuit zowel het Groene Hart als vanaf de snelweg wordt verstoord (1, zie figuren 3.27, 28 en 3.29). Het tracé in de Oostvlietpolder ligt deels op maaiveld dit geeft een storend effect in het geval (in dit deel van de Oostvlietpolder zal in het nieuwe bestemmingsplan een groen karakter behouden). Na het kruising Rijn – Schiekanaal ligt het tracé in een tunnel. Het stuk open weidegebied ten westen van de Vliet zal hierdoor niet verstoord worden.

11

De omgeving waarmee een molen in relatie staat wordt een molenbiotoop genoemd. De biotoop wordt vastgesteld op basis van windvang. In bestemmingsplannen kunnen beschermende regels worden opgenomen. Doorgaans zijn deze van toepassing tot op een afstand van 400 meter van de molen

48\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.27 Fotoinpassing van het zicht vanuit het Groene Hart richting de A4 en de molen Zelden van Passe

Figuur 3.28 Fotoinpassing van het zicht vanaf de Vlietweg richting de nieuwe weg. De verbinding is nauwelijks zichtbaar. Alleen de afslagen ter hoogte van de molen Zelden van Passe zijn zichtbaar

Figuur 3.29 Visualsatie van het zicht vanaf de op de molen Zelden van Passe

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

49\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

De karakteristiek van de Leidseweg zal slechts op lokaal niveau worden beïnvloed. De ligging van de weg in het besloten agrarische gebiedje ten noorden van landgoed Berbice zal een sterk negatieve invloed hebben. De weg zal nadrukkelijk aanwezig zijn (2). Het huidige gebruik kan niet worden voortgezet. Ook in het (sport)park gebied ten westen van landgoed Berbice is de weg van negatieve invloed. De weg zal ook hier nadrukkelijk aanwezig zijn. De huidige sportvelden komen te vervallen (3). In de Papenwegsepolder wordt de verdiepte ligging begeleid door een grondwal. Een geluidscherm is in dit geval niet nodig. Van afstand zal deze wal wegvallen tegen het achterliggende landschap. Vanuit de bebouwingsrand van Leiden wordt het zicht op het buitengebied echter visueel verstoord (4, zie figuur 3.30 en 3.31). De aansluiting op de A44 ligt verhoogd en zal in deze hoek van het gebied goed, ondermeer vanuit de Groene Buffer, zichtbaar zijn (5, zie figuren 3.32 en 3.33).

Figuur 3.30 Zicht vanaf de zuidelijke bebouwingsrand van Leiden richting het zuiden (nabij de Dobbewatering). De weg komt hier uit een tunnelbak welke onder het spoor loopt

50\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.31 Zicht vanaf de zuidelijke bebouwingsrand van Leiden richting het zuiden (appartementen Lotte Beesestraat). De wal zal in vergelijking met de refrentiesituatie een visueel verstorend effect hebben

Figuur 3.32 Fotoinpassing van het zicht vanaf de zuidelijke bebouwingsrand van Leiden richting de aansluiting op de A44. De afslagen structuur heeft een verstorende werking in dit deel van Papenwegse Polder

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

51\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.33 Fotoinpassing van het zicht vanaf de Nieuwe weg langs de Veenwatering richting de stadsrand van Leiden. De aansluiting op de A44 is ook vanaf hier goed zichtbaar

A44 en A44 - Katwijk De aansluiting op de Valkenburg II is gelegen in een relatief besloten glastuinbouwgebied (waar in de toekomst woningbouw wordt ontwikkeld) de effecten blijven hier beperkt (6, zie figuur 3.24). Bypass Oostvlietpolder De bypass Oostvlietpolder zal een extra doorsnijding geven van de Oostvlietpolder (7). De weg ligt grotendeels op maaiveld. In het gebied zal dit indien het bedrijventerrein niet wordt ontwikkeld een visueel verstorend effect geven. Bij het wel ontwikkelen van het bedrijventerrein (uitgangspunt) zullen de effecten beperkt zijn .De Bypass gaat doormiddel van een brug door het lint langs de Vliet. De continuïteit van lint wordt hierdoor verstoord, wat een negatief effect heeft (8). Beoordeling De beoordeling van deze variant op dit aspect is negatief (--). Dit negatieve effect wordt veroorzaakt door de verschillende negatieve effecten van de weg in het gebied tussen landgoed Berbice en de aansluiting Maaldrift A44. Verder treedt een negatief effect op door de bypass Oostvlietpolder indien het bedrijventerrein niet wordt gerealiseerd. Het uitgangspunt is echter wel realiseren en effect zal zich daarom beperken tot de doorsnijding van het lint langs het Vlietkanaal. Schaalniveau plangebied / directe omgeving Op het lokale schaalniveau heeft de variant een effect op de molen Zelden van Passe en bijhorende biotoop. De molen zal in deze variant aan alle zijden omgeven worden door infrastructuur. Dit verstoort de samenhang van de molen met het omliggende landschap (a). Langs de Vlietweg zal ter plaatse van de doorsnijding van de weg bebouwing en beplanting geamoveerd worden en zal de doorkijk gedomineerd worden door het zicht op de open bak (b). Ook langs de Leidseweg wordt verschillende karakteristieke bebouwing geamoveerd om de aanleg van de weg mogelijk te maken en is er een direct zicht op de bak (c). De belangrijke zichten op de Stevenhofjesmolen en langs de wateringen worden in deze variant verstoord.

52\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Langs de Ommedijkseweg (westzijde A44) zal de laanbeplanting verdwijnen (d). In het overige deel van het gebied treden geen significante negatieve of positieve effecten op ten opzichte van de referentiesituatie. Het zicht vanuit de verschillende aan het nieuwe tracé grenzende woonwijken van Valkenburg op het open gebied zal bij het plaatsen van geluidschermen verstoord worden (e). Wat een negatief effect heeft (zie ook figuur 3.19). Beoordeling De negatieve beïnvloeding is per saldo groter dan de positieve beïnvloeding. Dit aspect is daarom negatief (-) beoordeeld.

Figuur 3.34 Effecten variant ZnB F

Variant Churchill Avenue (CA) en variant Churchill Avenue gefaseerd (CA gefaseerd) Boven regionale schaalniveau (landschappelijke hoofdstructuur) Deze varianten kennen maar een beperkte afwijking, bypass Oostvlietpolder, van het huidige landschappelijke hoofdpatroon en wordt neutraal (0) beoordeeld.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

53\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Regionaal schaalniveau Bypass Oostvlietpolder Een effect voor beide varianten treedt op ter plaatse van de Bypass Oostvlietpolder. De afslagenstructuur die hier gerealiseerd wordt zal nadrukkelijk in het open gebied aanwezig zijn. Wanneer echter het bedrijventerrein wordt gerealiseerd zal dit effect beperkt blijven. Lint langs het Rijn – Schiekanaal zal door het aanleggen van een tunnel niet worden vestoord. De continuïteit van het lint blijft behouden. A4 – A44 (Via Churchillaan) Dit deel van de variant loopt door het stedelijk gebied van Leiden. Bij de delen van deze varianten die als tunnel worden aangelegd kan op de langere termijn sprake zijn van een positief effect. Dit komt doordat de delen boven de tunnel (met uitzondering van de delen waar ruimte in beslag wordt genomen door afslagen) een groener profiel kunnen krijgen (smallere weg). Daarmee sluit de verbinding beter aan op de verschillende parken langs het lint. Dit positieve effect is in de variant CA groter dan in de variant CA-G als gevolg van de langere tunnel. Overigens vergt het wel 5-10 jaar voordat het groene profiel daadwerkelijk is bereikt in verband met de benodigde groei van het nieuw aan te planten groen. In het overige deel van het binnenstedelijk gebied is geen sprake van landschappelijke effecten. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat het plaatsen van schermen in het stedelijk gebied niet nodig is. Katwijk – A44 De aansluitingen Valkenburg 1 en 2 zullen door de ligging in of langs de stadsrand een beperkt effect hebben (variant Churchill Avenue). De variant Churchill Avenue gefaseerd kent één aansluiting (Valkenburg II) de effecten hiervan zijn echter niet onderscheidend. Beoordeling De beoordeling is gezien de neutrale beoordeling in de Oostvlietpolder en in het binnenstedelijke gebied in Leiden neutraal (0) . Schaalniveau plangebied / directe omgeving Het zicht vanuit de verschillende aan het nieuwe tracé grenzende woonwijken van Valkenburg op het open gebied zal bij het plaatsen van geluidschermen verstoord worden (e). Wat een negatief effect heeft (zie ook figuur 3.19). In de verdere variant zijn op dit schaalniveau geen specifieke effecten te benoemen. De beoordeling is neutraal (0). Aardkundige waarden De varianten N11 west 2 en 4, ZnB en ZnB F kennen alle vier een verdiepte ligging en zodoende een fysieke aantasting van de aanwezige aardkundige waarden. Zie figuur 3.35. De varianten worden negatief beoordeeld. De variant ZnB A en beide varianten Churchill avenue scoren neutraal.

54\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 3.35 Doorsnijding gebiedmet aardkundige waarden. Linksboven het totale aardkundig waardevolle gebied, rechtsboven de doorsnijding van de varianten N11 West, linksonder de variant ZnB en rechtsonder variant ZnB F.

3.5.6 Effectenoverzicht Onderstaande tabel geeft een overzicht van de in de voorgaande paragraaf beschreven effecten. Ook is een totaal beoordeling weergegeven. In deze beoordeling weegt het criterium regionaal schaalniveau het zwaarst. Dit criterium heeft betrekking op grote gebieden waarbij de effecten goed zichtbaar zijn vanuit verschillende perspectieven/locaties. Daarbij komt dat deze effecten moeilijker zijn te mitigeren/compenseren dan de effecten op lokaal schaalniveau. Ter illustratie: een nieuwe weg op maaiveld in een open polder (regionaal effect) is vrijwel niet te mitigeren/compenseren. Het lokale zicht vanuit een bebouwingslint op een tunnelbak is gedeeltelijk te mitigeren/compenseren met bijvoorbeeld bijpassende beplanting. Het bovenregionale schaalniveau weegt eveneens minder zwaar dan het regionale schaalniveau omdat deze eerste een beschouwing betreft op een hoger abstractieniveau en dus minder zichtbaar is voor bewoners en passanten.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

55\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Tabel 3.2 Effecten landschap

Boven regionale schaalniveau

-

-

-

0

-

0

0

Regionaal schaalniveau

--

-

--

0

--

0

0

Lokaal schaalniveau

-

-

-

0

-

0

0

Aardkundige waarden

-

-

-

0

-

0

0

Totaal

--

-

--

0

--

0

0

6: Churchill Avenue

5: ZnB F

3: ZnB

1: : N11-west 2

7: Churchill Avenue gefaseerd

Landschap

4: ZnB A

Toetsingscriterium

2: N11-west- 4

Aspect

Samengevat kan worden gesteld dat de varianten Churchill Avenue en ZnB A vanuit landschappelijk oogpunt het meest gunstig zijn. ZnB, ZnB F en N11 West 2 zijn het meest ongunstig, dit komt vooral vanwege de doorsnijding van verschillende landschappelijk waardevolle gebieden in het trajectdeel kruising Rijn – Schiekanaal tot aan Knooppunt Maaldrift A44. De combinatie met schermen of grondwal legt hierboven op een extra accent op de doorsnijding en verstoord verschillende visuele relaties. De variant N11 West 4 kent iets gunstiger effecten door het aanleggen van een tunnel ter hoogte van het landschappelijk waardevolle gebied landgoed Berbice. Voor de Bypass Oostvlietpolder geldt dat de effecten in de verschillende varianten, met uitzondering van de doorsnijding van het Rijn – Schiekanaal, beperkt zijn. Dit is vooral te wijten aan de realisatie van het bedrijventerrein ter plaatse van Oostvlietpolder ter hoogte van de doorsnijding. Indien realisatie niet plaatsvindt, zullen de effecten groter zijn. Het landschap zal dan een open karakter behouden waar door de ingrepen opvallen en verstorend werken.

56\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

4 Aspect 2: cultuurhistorie 4.1

Inleiding

Cultuurhistorie kan worden beschouwd als datgene wat door de mens in het verleden is gemaakt en bewerkt in het landschap. Niet alles wat door de mens is gemaakt is cultuurhistorie. Om te begrijpen wanneer iets cultuurhistorie is wordt een onderscheid gemaakt in de (wetenschappelijke) driedeling archeologie, historische geografie en historische (stede)bouw. Deze aspecten zijn nauw verwant met elkaar. In dit achtergrondrapport worden de onderdelen historische geografie en (stede) bouw beschreven. Het onderdeel archeologie komt in een apart achtergrondrapport aan de orde.

4.2

Wet- en regelgeving

Modernisering Monumentenwet (MoMo) Op 1 januari 2009 is de Monumentenwet aangepast voor wat betreft de beperking van de adviesplicht van de RCE en de vereenvoudiging van de vergunningsprocedure voor alle situaties waarin de RCE niet meer adviseert. Per 1 oktober 2010 vallen de meeste monumentenvergunningen onder de Wabo (geldt voor een: a) rijks- of gemeentelijk gebouwd monument; b) gemeentelijk archeologisch monument, c) beschermd stads- of dorpsgezicht . Alleen voor rijksbeschermde archeologische monumenten blijft de monumentenvergunning gelden zoals geregeld in de Monumentenwet 1988.) Op 1 januari 2012 is de Momo in werking getreden met de wijziging van de het BRO, Wabo en bouwbesluit met verder aanpassing van de vergunningsvrije werkzaamheden aan monumenten en beschermde dorpsgezichten, de monumentenwet voor wat betreft de 50-jaren grens, de beperking van de aanwijzingsverzoeken door derden, de beschermde dorpsgezichten,de beperking van aanwijzing van rijksmonumenten van voor WOII. Topgebieden en regioprofielen De provincie Zuid-Holland heeft binnen haar provincie zogenaamde regioprofielen opgesteld. Deze regioprofielen geven de identiteit en kenmerken van een bepaalde regio weer. Deze regioprofielen zijn een uitwerking van het cultuurhistorisch belang uit de provinciale structuurvisie. Ze bevatten naast gebiedsspecifieke richtlijnen ook een korte beschrijving van cultuurhistorische kenmerken, waarden en ontstaansgeschiedenis per gebied. Die zijn ontleend aan de al bestaande Cultuurhistorische kaart . Deze cultuurhistorische kaart is tevens de basis voor selectie van provinciale topgebieden en kroonjuwelen voor cultureel erfgoed.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

57\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

In de provinciale structuurvisie zijn de zogenaamde topgebieden reeds genoemd, dit zijn dezelfde gebieden als de regioprofielen. Daarnaast worden binnen de topgebieden zogenaamde kroonjuwelen onderscheiden. De topgebieden en regioprofielen binnen het plangebied van de RijnlandRoute zijn Den Haag / Wassenaar een Zoeterwoude / Stompwijk. De kroonjuwelen zijn de landgoederenzone en weipoort. De bescherming in topgebieden richt zich op de continuïteit van het karakter, door behoud en versterking van de structuur. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, binnen randvoorwaarden vanuit cultuurhistorie. Binnen de kroonjuwelen zijn ruimtelijke ontwikkelingen die strijdig zijn met het cultuurhistorisch belang in principe niet mogelijk. Beleidskader historische landgoederen 2009-2012 De provincie Zuid-Holland heeft in 2009 het beleidskader voor Historische Landgoederen vastgesteld. In dit beleidskader wordt het kader, ambities en visie voor het provinciale beleid tot instandhouding en ontwikkeling van de historische landgoederen in Zuid-Holland voor jaren 2009 tot en met 2012 gegeven. Het doel hiervan is tweeledig; enerzijds om de ruimtelijke bescherming te waarborgen en anderzijds om cultuurparticipatie te bevorderen. In het beleid worden historische buitenplaatscomplexen, kasteellocaties, landgoederenzones en visueel verdwenen buitenplaatscomplexen onderscheiden. Een zestal punten geven invulling aan het beleid, het gaat om behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, vergroting en recreatieve toegankelijkheid en beleefbaarheid, advisering vergunningverlening aan gemeenten, projecten ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en recreatieve mogelijkheden, het oprichten van een kennisnetwerk en het bevorderen van samenwerking tussen verschillende partijen. In totaal zijn er in Zuid-Holland 223 locaties met buitenplaatsen of restanten daarvan opgenomen in het rapport ‘ruimtelijke kwaliteit kastelen en historische buitenplaatsen Zuid-Holland’. Berbice en Beresteyn maken bijvoorbeeld onderdeel uit van deze lijst. Uit het vigerend beleidskader historische landgoederen 2009-2012 blijkt onder meer dat buitenplaats Berbice een landgoedbiotoop is en daarmee een bijzondere status heeft. Zie voor ligging en begrenzing van de landgoedbiotoop Berbice ook figuur 3.11. Landgoederenzones Een concentratie van buitenplaatsen en landgoederen kan aangeduid worden als landgoederenzones. Het gaat dan om een element/structuur van enige omvang (weg en/of water) waaraan een aantal buitenplaatsen is gekoppeld. In het kader van de definitie van de landgoedbiotoop is een dergelijke weg of waterloop aangeduid als de basisstructuur. De koppeling is ruimtelijk aanwijsbaar. De buitenplaatsen liggen direct aan de weg of op enige afstand, maar zijn dan met oprijlaan of zichtlijn(en) ermee verbonden. De weg zelf is vanaf de Middeleeuwen een belangrijke doorgaande route en als zodanig aantrekkelijk voor het stichten van buitenplaatsen. Bovendien ligt de weg op een strandwal, waardoor het gebied aan weerszijden natuurlijke gradiënten heeft die in tuin- en parkaanleg benut kunnen worden.

58\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

In essentie is een landgoederenzone een serie landgoedbiotopen, waarbij de basisstructuur steeds hetzelfde landschappelijke gegeven is (weg, water). Voor alle landgoederenzones geldt dat de provincie Zuid-Holland ontwikkelingen die afbreuk doen aan de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van de betreffende zone niet zal toestaan.

4.3

Onderzoeksmethodiek

De criteria voor het beoordelen van de effecten op cultuurhistorie sluiten grotendeels aan op de criteria uit de 1ste fase MER (2010). Er vindt echter een nuancering op de criteria plaats. Deze nuancering sluit aan op de methodiek die Tauw heeft ontwikkeld voor het beoordelen van effecten op cultuurhistorie. De betreffende methodiek geeft invulling aan de handreiking die de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) heeft opgesteld. Het gaat hierbij om het beschrijven van de effecten op beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteit. In het toetsingskader zijn de toetsingscriteria voor cultuurhistorie en landschap benoemd, gebaseerd op de Startnotitie en het Advies voor richtlijnen voor het 2e fase MER. De criteria worden in tabel 4.1 weergegeven. De beoordeling is kwalitatief. In de waarderingssystematiek wordt uitgegaan van een waardering door middel van vijf klassen: van een sterke verbetering tot een sterke aantasting ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie plus autonome ontwikkelingen. Evenals de waardering in de 1ste fase MER is de waardering dus kwalitatief. Op kaart worden de cultuurhistorische objecten, structuren en patronen weergegeven. Voor het aspect cultuurhistorie zijn de gegevens over monumenten, rijksbeleid en de provinciale cultuurhistorische hoofdstructuur geïnventariseerd en op kaart gezet. De varianten zijn hier overheen geprojecteerd (zie figuren 4.2 tot en met 4.4). Aan de hand van deze figuren is gekeken in welke mate de varianten cultuurhistorisch waardevolle objecten, structuren of gebieden doorsnijden, zoals aantasting van de oevers van de Oude Rijn, doorsnijding van watersystemen, aantasting van historische kavelstructuren of de noodzaak tot verwijderen van monumenten. Daarnaast is gekeken in hoeverre de relatie van deze structuren en objecten met de omgeving wordt verstoord.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

59\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Criteria Voor het aspect cultuurhistorie worden volgende criteria gehanteerd:  



60\102

Beleefde kwaliteit; deze kwaliteit gaat over het beleven van bepaalde objecten. Het gaat dan om zichtbaarheid / herkenbaarheid of herinnerbaarheid Fysieke kwaliteit; het gaat hierbij om de fysieke conditie van een gebied of object. Bepalend daarvoor zijn hoe “gaaf” het gebied of object is, en of het al dan niet goed en duurzaam “geconserveerd” is Inhoudelijke kwaliteit; hierbij gaat het om de informatie waarde over het verleden. Maatgevend hiervoor zijn zeldzaamheid, informatiewaarde, samenhangendheid / ensemblewaarde en representativiteit

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Tabel 4.1 Criteria voor historische geografie en historie (stede) bouw

Beoordeling

Aspecten historische geografie en historie (stede) bouw

++

Groot positief effect

De nieuwe weg heeft een groot positief effect op de zichtbaarheid van elementen/ eenheden (beleefde kwaliteit), gaafheid van elementen/ eenheden (fysieke kwaliteit) en zeldzaamheid en representativiteit van elementen/ eenheden (inhoudelijke kwaliteit).

+

Positief effect

De nieuwe weg heeft een positief effect op de zichtbaarheid van elementen/ eenheden (beleefde kwaliteit), gaafheid van elementen/ eenheden (fysieke kwaliteit) en zeldzaamheid en representativiteit van elementen/ eenheden (inhoudelijke kwaliteit).

0

Neutraal effect of een verwaarloosbaar klein effect

Geen of nauwelijks kwalitatieve veranderingen

-

Negatief effect

De nieuwe weg geeft een verstoring van de zichtbaarheid van elementen/ eenheden (beleefde kwaliteit), gaafheid van elementen/ eenheden (fysieke kwaliteit) en zeldzaamheid en representativiteit van elementen/ eenheden (inhoudelijke kwaliteit).

--

Groot negatief effect

De nieuwe weg geeft een sterke verstoring (op meerdere plekken in eenheid vindt een verstoring plaats tot en met het geheel verdwijnen van een element of eenheid) van de zichtbaarheid van elementen/ eenheden (beleefde kwaliteit), gaafheid van elementen/ eenheden (fysieke kwaliteit) en zeldzaamheid en representativiteit van elementen/ eenheden (inhoudelijke kwaliteit).

Mitigerende maatregelen Als mitigerende maatregel bij dit onderdeel kan gedacht worden aan het verplaatsen van bepaalde waardevolle elementen. Ook het restaureren / terugbrengen van een bepaalde structuur kan een mitigerende maatregel zijn. Het aanbrengen van de tunnel kan hiervoor mogelijkheden bieden. Indien hiervan sprake kan zijn wordt dit meegenomen in de effectbeschrijving. Daarnaast geldt dat mitigerende maatregelen voor geluid net als bij het onderdeel landschap van invloed zijn op de beleefde kwaliteit.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

61\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

De effecten van eventuele schermen worden meegenomen in de effectbeoordeling. Daarbij wordt ingezoomd op locaties waar gezien de berekende geluidsbelasting een scherm één van de opties is om te mitigeren. Net als bij landschap wordt uitgegaan van een ‘worst case’-hoogte van maximaal 4 meter. Zie ook de beschrijving in de paragraaf 3.3.

4.4

Huidige situatie en autonome ontwikkelingen

In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie en autonome ontwikkeling voor historische geografie en historische (stede)bouw beschreven aan de hand van de in de vorige paragraaf beschreven criteria. 4.4.1

Historische geografie

Beleefde kwaliteit De beleefde kwaliteit van het gebied wordt bepaald door de zichtbaarheid en herinnerbaarheid. Het gaat hierbij om afwisselendheid van de verschillende cultuurlandschappen en de passendheid (match met de omgeving), daarnaast onderscheiden we de verbondenheid met een gebeurtenis, evenals de zichtbaarheid van landschapselementen. In het plangebied zijn in die hoedanigheid vijf cultuurlandschappen te onderscheiden; de duinen, de strandwallen en vlakten, de Oude Rijnzone, het stedelijk gebied en het veenweidelandschap. Om aansluiting te houden met de discipline landschap is de landschapsbenadering aangehouden en is ervoor gekozen om niet een historische-geografische benadering van het cultuurlandschap toe te passen. Dit vormt tevens de structuur om de beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteit te beschrijven. Binnen het duinen gebied worden verschillende historisch geografische patronen onderscheiden. Als deel van de kustverdedigingslinie is de Atlantikwall door de Duitsers in de periode 1940-’45 aangelegd. Er is een groot aantal bunkercomplexen gebouwd in de duinen. Met de aanleg van het vliegveld Valkenburg werd in 1937 gestart, het vliegveld werd in WOII zwaar gebombardeerd. Het eigenlijke vliegveld lag in de Ruijgelaanse- en Zonneveldspolder op Valkenburgs grondgebied tussen de Wassenaarse Watering en de Wassenaarse weg. Het vliegveld heeft een militair historische waarde en is zeldzaam in Nederland. Vanaf de huidige N206 is het voormalige vliegveld goed zichtbaar, evenals de objecten gelegen aan de Katwijkse weg. In de autonome situatie zal het vliegveld worden ingericht tot woongebied. Het vliegveld van Valkenburg is nu nog zichtbaar en herkenbaar evenals de Atlantikwall, in de autonome situatie kan dit mogelijk veranderen door de ontwikkeling van het gebied. Binnen het strandwallen en strandvlakten gebied worden verschillende historisch geografische patronen onderscheiden. Ten westen van de Groote of Valkenburgsche Watering is de polder Molenblok zichtbaar. De beleefde kwaliteit van deze polder is matig, in de referentiesituatie zal deze mogelijk veranderen door de ontwikkeling van vliegveld Valkenburg.

62\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Aan de westkant van de A44 is het Landlust Maaldrift zichtbaar, het is gelegen in de Ommedijksche polder. Het als militair terrein in gebruik zijnde Maaldrift herbergt nog verschillende bunkers van de Atlantikwall. In 1850 bestond de kern uit enkele huisjes aan een nu historische weg. Na de aanleg van de trambaan door Maaldrift ontstond hierlangs wat bebouwing. Even ten noorden van het Landlust is een historische grenspaal aanwezig. Ten oosten van de A44 valt de structuur van een oude sloot op. De sloot wordt ter plekke begeleid door een aantal bomen. Uit de historische kaart valt af te leiden dat het een restant van Landlust Maaldrift is. Dit wordt bevestigd door de nog aanwezige landgoed palen daar. De beleefde kwaliteit van het Landlust Maaldrift en de aan de oostkant gelegen sloot is matig omdat de geschiedenis niet goed is af te lezen. Een stuk ten zuiden van Maaldrift is het landgoed Zuydwyk een grote historisch geografische eenheid. Vroeger was Maaldrift onderdeel van Zuydwyk. De beleefde kwaliteit van Zuydwyk is hoog omdat het landgoed als zodanig herkenbaar is. De Papenwegse polder is een groot historisch geografische eenheid met de kenmerkende slagenverkaveling. Ontwatering van de polder vindt plaats door de Dobbewatering en de Veenwatering. De historische Polderweg heette vroeger de Nieuwe weg. De beleefde kwaliteit van de Papenwegse polder is hoog, evenals de in de polder gelegen wateringen en wegen.

Figuur 4.1 Panorama richting de Papenwegse polder

Ten westen van de Voorschoterweg ligt buitenplaats Berbice. Het huis Berbice is gebouwd in 1670 ter plaatse van een boerderij. De buitenplaats is in 1690 vergroot en voorzien van een aantal bijgebouwen. Momenteel bestaat Berbice uit een landhuis, tuin, park, vijver, orangerie, een tuinmanshuis, tuinmuren en een boerderij (Allemansgeest). In dit verband is ook de relatie met de boerderij Allemansgeest, de zilverfabriek en de arbeiderswoningen. Een groot deel van de objecten gelegen op het landgoed zijn aangewezen als rijksmonument (zie historische (stede)bouw). Het park Beresteyn maakte vroeger deel uit van Berbice. Het totale landgoed Berbice heeft een hoge beleefde kwaliteit omdat het totale landgoed nog een grote samenhang vertoont. Binnen het veenweidelandschap zijn verschillende historische geografische patronen te onderscheiden. De grote patronen in het veenweidelandschap zijn de Oostvlietpolder, de

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

63\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Hofpolder en de Groote Westeindsche polder. De polders werden afgewaterd via een molen op de Oude Rijn. In de Oostvlietpolder en de Hofpolder valt het boerderijlint van de Vlietweg op, de structuur van historische boerderijen is zichtbaar en herkenbaar. De polder is aan drie zijden omgeven door boezemwater. Aan de noordwestzijde door de Trekvliet, aan de noordoostzijde door de Vrouwenvaart en aan de zuidoostzijde door de Meerburgerwatering. De polder wordt in het westen van de Hofpolder gescheiden door de voormalige Hofweg. Deze oude route was van oudsher als waterkering in gebruik. De hofweg loopt van zuidwest naar de Delftse Schouw (Vlietweg 72). Behalve de voormalige Hofweg lopen door de polder diverse wegen, de Vrouwenweg langs de Vrouwenvaart en de Vlietweg langs de Vliet. Deze laatste is vanaf 1906 verhard met grind.

Figuur 4.2 Landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

64\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Op de kruising van de Hofweg en de Vlietweg bevond zich van oudsher de Jacob Claesz wedde; een ondiepe oversteekplaats in de Vliet. De Jaep Cleasz wedde raakte in 1636 in onbruik toen de Vliet werd verdiept en verbreed in verband met de aanleg van de trekvaart van Leiden naar Delft. De Delftse schouw is het commissarishuis van de Heren van de Trekvaart. In het meest noordelijke deel van de Vlietpolder heeft huize ’t Sijs gestaan. De molen in de Vlietpolder stond in het noordelijke deel van de Boezemsloot, tussen Volkstuinencomplex Oostvliet en Roomburg. De oorspronkelijke functie, en tevens huidige functie is nog goed zichtbaar en daarom is de beleefde kwaliteit van de beide polders hoog. Dit geldt ook voor de Groote Westeindsche polder. Dit wordt bekrachtigd door de visuele doorsnijding van gooiwatering en het boerderijlint Westeinde.

Figuur 4.3 Nederzettingskenmerken en waarden

Binnen het Oude Rijnzone gebied zijn verschillende historische geografische patronen te onderscheiden. De trekvaart de Vliet is gegraven in het jaar 47 na Christus in opdracht van de Romeinse veldheer Corbulo12. Later werd het een belangrijke verbinding tussen de Oude Rijn en de Maas.

12

http://www.genietvandevliet.nl/, geraadpleegd op 5 november 2010

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

65\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Allerlei activiteiten vonden plaats rondom de Vliet, later werden er buitenplaatsen aangelegd voor de rijkeren. De trekvaart van Leiden naar Delft is tussen 1636 en 1638 tot stand gekomen door de inrichting van een reeds bestaande vaart, de Vliet. In 1638 verzocht Den Haag om met deze vaart te worden verbonden door een reeds bestaand kanaal. Het begin van de trekvaart onder Leiden vangt aan bij het Galgewater (aan de westzijde van de oude stad). Dit gedeelte wordt op de Kaart van Rijnland van Dou en Brouckhuysen (1647) 'Nieuwe Trekvaart' genoemd. Het gedeelte van de Lammebrug (onder Leiden) en de Hoornbrug bij Rijswijk is in het laatste deel van de 19e eeuw verruimd en vergraven in het Rijn-Schiekanaal. De beleefde kwaliteit van de trekvaart is matig omdat de vaart niet goed als zodanig herkenbaar is. Het Delfste jaagpad is een historisch relict, het diende ervoor om de trekschuit richting Delft tot aan de Witte poort in Leiden voort te trekken. Dit pad is aangelegd in 163713, en is nu matig waarneembaar. Binnen het stedelijk gebied zijn verschillende historische geografische patronen te onderscheiden. Het Rijn-Schiekanaal is sinds 1893 de complete waterverbinding tussen de Schie en de Oude Rijn bij Leiden. Onderdelen van het kanaal hebben hun eigen namen en geschiedenis. Bij het varen van Overschie naar Leiden worden de Delftse Schie, Delftsche Vliet, de Trekvliet en de Vliet gebruikt14. Het Rijn-Schiekanaal heeft een hoge beleefde kwaliteit. Fysieke kwaliteit De fysieke kwaliteit wordt bepaald hoe gaaf en geconserveerd bepaalde landschapselementen en -patronen zijn. In de beschrijving wordt ingegaan op de al bij de beleefde kwaliteit genoemde aspecten. Om het overzichtelijk te houden en omdat de aspecten al in de voorgaande paragraaf zijn gepresenteerd, worden de aspecten van de fysieke kwaliteit in een tabel gepresenteerd. De aspecten die zijn genoemd bij de beleefde kwaliteit worden hier in dezelfde volgorde gepresenteerd.

13 14

66\102

http://www.hollebeek.nl/leiden/ldnlijn.html geraadpleegd op 5 november 2010 http://nl.wikipedia.org/wiki/Rijn-Schiekanaal geraadpleegd op 5 november 2010

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Tabel 4.2 Fysieke kwaliteit historsche geografie

Landschap

Aspect

Waardering

Motivatie

Duinengebied

Atlantikwall

Hoog

Verschillende delen van de Atlantikwall zijn nog

Polder Molenblok

Matig

Verstoord door verspreid liggende objecten in

gaaf

de polder Vliegveld Valkenburg

Hoog

Een deel van het vliegveld en gebouwen is nog gaaf

Strandwallen en vlakten Groote of Valkenburgsche Hoog

De watering is nog in gebruik

Watering Landlust Maaldrift

Laag

Slechts enkele landschapselementen zijn nog aanwezig, waaronder een grenspaal en oude loop

Landgoed Zuydwyk

Hoog

Landhuis en bijbehorend landgoedbos

Papenwegse polder

Hoog

Weinig verstorende elementen in de polder

Dobbewatering

Hoog

Nog oorspronkelijk functie en ensemble met

Veenwatering

Hoog

Nog oorspronkelijke functie

Polderweg

Matig

Een oude landweg die nog originele breedte

Buitenplaats Berbice

Hoog

Het landgoed is nog compleet.

Oostvlietpolder en

Hoog

Nog gave polder, behalve de aanwezig

aanwezig

Stevenhofjesmolen

heeft.

Veenweidelandschap

hofpolder

volkstuinen

Groote

Hoog

Nog gave polder

Westeindschepolder

Oude Rijnzone

Stedelijk gebied

Westeinde

Hoog

Uniek boerderijlint

Polderlint

Hoog

Zeldzaam boerderijlint

Trekvaart de Vliet

Matig

Niet meer de originele breedte

Delfts jaagpad

Matig

Op onderdelen nog gaaf

Rijn-Schiekanaal

Hoog

In gebruik als vervoersader

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

67\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Inhoudelijke kwaliteit De inhoudelijke kwaliteit in het plangebied wordt bepaald door de zeldzaamheid en informativiteit van landschapselementen en- patronen, objecten en complexen. In de beschrijving van de kwaliteiten wordt ingegaan op de al bij de beleefde kwaliteit genoemde aspecten. Om het overzichtelijk te houden en omdat de aspecten al in de voorgaande paragraaf zijn gepresenteerd, worden de effecten van de inhoudelijke kwaliteiten gepresenteerd in een tabel. Tabel 4.3 Inhoudelijke kwaliteit historische geografie

Landschap

Aspect

Waardering

Motivatie

Duinengebied

Atlantikwall

Hoog

Zeldzaam voor de regio

Polder Molenblok

Laag

Niet zeldzaam

Vliegveld Valkenburg

Hoog

Zeer zeldzaam en hoge informatiewaarde

Strandwallen en

Groote of Valkenburgsche Matig

vlakten

Watering

Zeldzame wateringen voor de regio

Landlust Maaldrift

Matig

Matige afleesbaarheid van de geschiedenis

Landgoed Zuydwyk

Matig

Landschap is afleesbaarheid, representatief

Papenwegse polder

Hoog

voor omgeving Zeldzame polder voor de omgeving in stedelijke omgeving Dobbewatering

Hoog

Kenmerkende watering

Veenwatering

Hoog

Samenhangendheid en ensemblewaarde met Stevenhofjesmolen

Veenweidelandschap

Polderweg

Laag

Doorsnee polderweg

Buitenplaats Berbice

Hoog

Representatief landgoed voor de regio

Oostvlietpolder en

Hoog

Laatste polder binnen de gemeente Leiden en

hofpolder Groote

binnen deze landschappelijke context Matig

Meerder van deze polders in de omgeving

Westeinde

Hoog

Zeldzaam boerderijlint in de omgeving

Westeindschepolder

Oude Rijnzone

Stedelijk gebied

Polderlint

Hoog

Zeldzaam polderlint

Trekvaart de Vliet

Hoog

Unieke trekvaart in Nederland

Delfts jaagpad

Matig

Samenhang met trekvaart

Rijn-Schiekanaal

Matig

Van betekenis voor de ontwikkeling voor de stad Leiden.

68\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

4.4.2

Historische (stede) bouwkunde

De beleefde kwaliteit van Historische bouwkunde wordt bepaald door de zichtbaarheid en de herinnerbaarheid. Het gaat hierbij dan om de esthetische kwaliteit (de zichtbare uitingen), de match met de omgeving (passendheid), de verbondenheid met de historische gebeurtenis en ouderdom. Voor het aspect Historische (stede) bouw wordt ingegaan op gebouwde monumenten alsmede beschermde stads- en dorpsgezichten. Voor de gebouwde monumenten worden onderscheiden: gemeentelijke monumenten15, rijksmonumenten, Monumenten Inventarisatie Project (MIP)- panden en overige gebouwen16. Binnen het duinen gebied worden verschillende bouwhistorische objecten onderscheiden. Het gaat hierbij om een aantal panden gelegen aan de N441. Binnen het strandwallen en strandvlakten gebied worden verschillende bouwhistorische objecten onderscheiden. De Papenwegse polder is grotendeels gelegen in de landgoederenzone Wassenaar - Voorschoten - Leidschendam. De landgoederenzone is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. In figuur 4.4 is de begrenzing van de in november 2007 aangewezen landgoederenzone Wassenaar - Voorschoten - Leidschendam - Voorburg te zien. Op de randen van de strandwallen, ten oosten van rijksstraatweg liggen diverse boerderijplaatsen, dit zijn bijvoorbeeld Zuidhof, Zuydwyk en Oostdaal. In het buurtschap Oostdaal liggen twee rijksmonumenten, ten zuiden van het buurtschap is het rijksmonument Zonneveld gelegen. Het is een boerderij met topgevel voorzien van een langhuis met opkamer. De boerderij is aangekleed met rooms-katholieke symbolen en het gebouw dateert uit de 17e eeuw. Het bouwwerk is van belang uit oogpunt van oudheidkundige en volkskundige waarde. Aan de noordkant van de polder is de Stevenhofjesmolen gelegen. De molen bemaalde de Stevenshofjespolder (circa 150 hectare) tussen Wassenaar en Leiden bij de Haagse Schouw en werd in 1797 gebouwd als vervanging van een afgebrande wipmolen. Door de bouw van de nieuwbouwwijk ‘Stevenshof’ werd de molen overbodig. In 1976 werd de Rijnlandse molenstichting eigenaar van de molen en liet in de jaren 1987 tot 1989 diverse omvangrijke werkzaamheden aan de molen verrichten. De molen heeft een hoge beleefde kwaliteit17. Binnen het veenweidelandschap worden verschillende bouwhistorische objecten onderscheiden. Een van de meest in het oogspringende bouwhistorische objecten is de Molen Zelden van Passe. De molen ‘Zelden van Passe’ of ‘De Grote Westeinder’ is een poldermolen van 1642 en gelegen aan de Meerburger Watering en rijksweg A4 en circa 1200 meter ten westen van het dorp Zoeterwoude. De molen was oorspronkelijk als binnenkruier uitgevoerd. In 1641 werden negen kleine poldertjes samengevoegd en werd in 1642 een ‘bequame’ molen gebouwd. 15

Op basis van gegevens van de gemeenten Voorschoten, Leiden en Oegstgeest In bijlage 2 is een overzicht opgenomen van de bouwhistorische objecten http://www.molens.nl/site/dbase/molen.php?v=1&naam=steven&mid=976&toonoverzicht=1&page=1 geraadpleegd op 8 november 2010

16 17

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

69\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Deze molen moest in staat zijn de gehele polder droog te houden18. De molen heeft een hoge beleefde kwaliteit. Aan de Vlietweg liggen diverse karakteristiek panden. Vlietweg 7, 44, 70, 72, 80 en 82 zijn rijksbeschermd. De panden aan de Vlietweg 13 en 28A, B, C en 30 zijn gemeentelijk monument. Binnen het Oude Rijnzone gebied worden verschillende bouwhistorische objecten onderscheiden. Aan de Rhijnhofweg binnen de gemeenten Oegstgeest liggen twee karakteristieke panden. Het pand gelegen aan de Rhijnhofweg 7 is een gemeentelijk monument en gebouwd in 1700 en had een functie als schuur. Momenteel is het een bijgebouw van een internaat. Een stuk richting het noorden ligt een industrieel pand aan de Rhijnhofweg 9. Dit pand heeft geen wettelijke status. Het heeft een hoge beleefde kwaliteit omdat de geschiedenis van handel in relatie tot de Oude Rijn nog te herkennen is. Daarnaast liggen er een aantal waardevolle gebouwen rondom buitenplaats Berbice, op de bijgevoegde detailkaart figuur 4.4 is een overzicht van de daar aanwezige gebouwen te vinden. De buitenplaats Berbice zelf is beschermd. Het huis Berbice is gebouwd in 1670 ter plaatse van een boerderij. De buitenplaats - eerder Allemansgeest geheten - wordt in 1690 vergroot en voorzien van een groot aantal bijgebouwen. Nu bestaat Berbice uit een landhuis, tuin en park, vijver, orangerie, langs de weg gelegen tuinmanshuis, tuinmuren en een boerderij (aan de Vliet). Het servituut voor vrij uitzicht aan de voorzijde tot de Vliet is nog van kracht. Het park van Beresteyn en de tuin van het tussen beide huizen gelegen complex van Van Kempen en Begeer maakten ooit deel uit van het park van Berbice. Het huidige huis Beresteyn is gebouwd eind 19de eeuw. Achter het huis ligt een parkbos met folly19. Aan de Leidseweg 206 tot en met 218 liggen verschillende arbeiderswoningen van de zilverfabriek welke gemeentelijk monument zijn. Aan de zuidkant van de Voorschoterweg ligt het rijksmonument Allemansgeest (Hofweg 55). Dit monument heeft een hoge beleefde kwaliteit. Aan de noordzijde is de overtuin gelegen van Berbice (voormalige buitenplaats Vredenhoef) met nog een resterende waterpartij. In de nabijheid ligt een eveneens karakteristiek pand, het gaat om de botenloods aan de Hofweg. Eveneens gelegen aan de zuidkant van de Voorschoterweg ligt de boerderij (MIP 202), het is geen gemeentelijk monument. Binnen het stedelijk gebied heeft de houtzaagmolen, gelegen aan de Oude Rijn een hoge cultuurhistorische waarde. Het gaat onder andere om de houtzaagmolen en de daarbij behorende houtloods.

18

http://www.molens.nl/site/dbase/molen.php?pagina=algemeen&mid=955&toonoverzicht=1 geraadpleegd op 8 november 2010 Een folly is een gebouw ter huisvesting of andere functies en dient geen ander doel dan decoratie. Folly's werden in het verleden veel gebruikt voor toevoegingen aan landgoederen

19

70\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 4.4 Overzichtskaart van de effecten voor historische (stede) bouwkunde. De kaders geven detailopnames aan die bij de effectbepaling verder aan bod komen

Fysieke kwaliteit De fysieke kwaliteit wordt bepaald door hoe gaaf en geconserveerd bepaalde elementen zijn. In de beschrijving wordt ingegaan op de al bij de beleefde kwaliteit genoemde aspecten. Om het overzichtelijk te houden en omdat de aspecten al in de voorgaande paragraaf zijn gepresenteerd, worden de effecten van de fysieke kwaliteiten in een tabel gepresenteerd. De aspecten die zijn genoemd bij de beleefde kwaliteit worden hier in diezelfde volgorde gepresenteerd.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

71\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Tabel 4.4 Fysieke kwaliteit historische (stede) bouwkunde

Landschap

Aspect

Waardering

Motivatie Bouwkundig gebruik niet meer

Duinengebied

Gebouwen Atlantikwall

Hoog

Strandwallen en

landgoederenzone

Hoog

vlakten

Wassenaar - Voorschoten -

authentiek Oorspronkelijk gebruik nog grotendeels aanwezig

Leidschendam. Buurtschap Oostdaal

Matig

Bouwkundige staat voor zover te

Stevenhofjesmolen

Matig

Niet meer in oorspronkelijk gebruik

Matig

Niet meer in oorspronkelijk gebruik

Panden aan de Vlietweg

Hoog

Oorspronkelijk boerderijen nog

Rhijnhofweg

Matig

Pand nummer 9 niet in oorspronkelijk

beoordelen matig

Veenweidelandschap Zelden van Passe

grotendeels boerderijen. Oude Rijnzone

gebruik Buitenplaats Berbice en

Matig

bijhorende bijgebouwen

Grotendeels oorspronkelijk gebruik, echter het hoofdgebouw verkeerd in een staat waarvan duidelijk is dat onderhoud gepleegd moet worden.

Allemansgeest

Hoog

Goed geconserveerd, niet in oorspronkelijk gebruik

Botenloods

Matig

Matig geconserveerd, niet oorspronkelijk gebruik

Stedelijk gebied

Haagweg 61 (MIP)

-

Chaletstijl

Haagweg 57 (RM)

-

Houtmolen (25653)

Haagweg 57a (MIP)

-

Houtloodsen

Haagweg 59 (RM)

-

Monumentnummer 24709, 24710 bijgebouwen

72\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Inhoudelijke kwaliteit De inhoudelijke kwaliteit in het plangebied wordt bepaald door de zeldzaamheid en informativiteit van monumenten en gebouwen. In de beschrijving van de kwaliteiten wordt ingegaan op de al bij de beleefde kwaliteit genoemde aspecten. De aspecten die zijn genoemd bij de beleefde kwaliteit worden hier in dezelfde volgorde gepresenteerd.

Figuur 4.5 Cultuurhistorische waardevolle gebouwen zonder een monumentale status (links het pand langs de Rhijnhofweg en rechts de botenloods nabij de Hofweg)

Figuur 4.6 Cultuurhistorische waardevolle gebouwen met een monumentale status (links buitenplaats Berbice en rechts de Stevenhofjesmolen)

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

73\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Tabel 4.5 Inhoudelijke kwaliteit historische (stede) bouwkunde

Landschap

Aspect

Waardering

Motivatie Zeldzaam voor militaire geschiedenis

Duinengebied

Gebouwen Atlantikwall

Hoog

Strandwallen en

landgoederenzone

Hoog

vlakten

Wassenaar - Voorschoten -

Grote samenhang van verschillende landgoederen

Leidschendam buurtschap Oostdaal

Matig

Representatief voor buurtschappen in de omgeving

Stevenhofjesmolen Veenweidelandschap Zelden van Passe

Hoog Hoog

Samenhang met polder Samenhang met polder (rijksmonument 41059 en 41061)

Panden aan de Vlietweg

Hoog

Hoog aantal samenhangende bouwwerken (rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en overige waardevolle panden)

Oude Rijnzone

Rhijnhofweg

Hoog

Twee representatieve panden op korte afstand van elkaar

Stedelijk gebied

Buitenplaats Berbice

Hoog

Grote samenhang

Allemansgeest

Hoog

Representatief voor omgeving

Botenloods

Matig

Representatief voor omgeving

Haagweg 61 (MIP)

-

Chaletstijl

Haagweg 57 (RM)

-

Houtmolen (25653)

Haagweg 57a (MIP)

-

Houtloodsen

Haagweg 59 (RM)

-

Monumentnummer 24709, 24710 bijgebouwen

4.5

Effecten van de varianten

Deze paragraaf beschrijft de effecten van de varianten op het aspect cultuurhistorie. Achtereenvolgens wordt ingegaan op historische geografie (4.5.1) en vervolgens historische bouwkunde (4.5.2) Het eindresultaat hiervan is weergegeven in tabel 4.6 en tabel 4.7.

74\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

4.5.1

Historische geografie

Variant N11-west 2 Beleefde kwaliteit Ter plaatse van het voormalige vliegveld Valkenburg zijn geen effecten te verwachten. Bij de variant verandert de beleefde kwaliteit doordat de zichtbaarheid van de Papenwegse polder verandert, evenals de zichtbaarheid van Landlust. Dit geeft een negatief effect. Daarnaast verandert de beleefde kwaliteit doordat de zichtbaarheid van buitenplaats Berbice negatief vermindert. Ook het zicht vanaf het boerderijlint Westeinde is negatief. Door de verschillende negatieve effecten op dit criterium is de overall effect zeer negatief (--). Fysieke kwaliteit De fysieke kwaliteit bij de variant N11-west 2 verandert doordat de redelijk gave Papenwegse polder doorsneden wordt. Een deel van de Westeindsche polder wordt doorsneden bij deze variant omdat een toe- en een afrit in de polder wordt aangelegd (aansluiting RijnlandRoute op de A4). Het overall effect voor deze variant is zeer negatief (--). . Inhoudelijke kwaliteit De Papenwegse polder wordt doorsneden, de inhoudelijke kwaliteit verandert. De inhoudelijke kwaliteit verandert ook doordat de samenhangen bij Allemansgeest en de botenloods verandert. Het effect is negatief.. Daarnaast verandert de inhoudelijke kwaliteit door de wegaanpassingen in de Westeindsche polder. Het overall effect voor deze variant is zeer negatief (--). Variant N11-west 4 Beleefde- ,fysieke en inhoudelijke kwaliteit Deze variant kent nagenoeg een gelijktracé als variant N11 west 2. Onderscheidend is echter de meer noordelijk ligging van de aansluiting van RijnlandRoute op de A4. Hierdoor komt de molen Zelden van Passe in de afslagenstructuur te liggen. Het effect hierop wordt beschreven bij het aspect historische bouwkunde. Daarnaast kent deze variant een tunnel tussen het Rijn – Schiekanaal en de Papenwegse polder (passage Berbice en Noord – Hofland). Hierdoor zullen verschillende van de hiervoor beschreven negatieve effecten niet optreden. De overall beoordeling is negatief (-).

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

75\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Variant Zoeken naar Balans (ZnB) Beleefde- ,fysieke en inhoudelijke kwaliteit Deze variant kent een gelijke beoordeling voor alle drie de kwaliteiten als de variant N11-west 2 met dien verstande dat de tunnel ter hoogte van Voorschoten enigszins effecten beperkt. De grondwal ter plaatse van de Papenwegse polder heeft daarnaast echter een extra negatief op de beleefde kwaliteit. Ook de doorsnijding van de verschillende Veenwatering en de Dobbewatering zonder te voorzien in een brug heeft verder een sterk negatief effect. Ook het relatief grote ruimtebeslag van de het knooppunt Maaldrift A44 heeft een negatief effect op de kwaliteiten van de Papenwegse polder. De doorsnijding van het historisch lint langs het Rijn – Schiekanaal heeft een verstorend effect op de beleefde kwaliteit. Het overall effect voor deze variant is zeer negatief (--). Variant Zoeken naar Balans A (ZnB A) Beleefde- ,fysieke en inhoudelijke kwaliteit Deze variant kent in vergelijking met de variant ZnB een korter tracé. De beleefde kwaliteit in het tracédeel Bypass Oostvlietpolder verandert ter hoogte van de doorkruising van het RijnSchiekanaal en het daar gelegen polderlint. In het overige deel van het tracé treden geen effecten op. Het effect op de beleefde kwaliteit is negatief (-). De effecten voor de inhoudelijke kwaliteit en fysieke kwaliteit zijn neutraal (0). Variant Zoeken naar Balans F (ZnB F) Beleefde- ,fysieke en inhoudelijke kwaliteit De effecten van deze variant zijn vergelijkbaar met de variant ZnB. Belangrijk onderscheid is het effect van de verhoogde afslagenstructuur ter plaatse van de aansluiting RijnlandRoute op de A4. Dit heeft een extra negatief effect op de beleefde kwaliteit van de Westeindsepolder. De overall beoordeling is zeer negatief (--). Variant Churchill Avenue Beleefde- ,fysieke en inhoudelijke kwaliteit Bij de variant Churchill Avenue worden geen effecten verwacht als gevolg van de doorsnijding van de Oostvlietpolder. De beleefde kwaliteit van het lint langs het Rijn – Schiekanaal wordt door de doorsnijding verstoord. Dit heeft een negatief effect op de beleefde kwaliteit. Voor het overige deel van de variant worden geen effecten verwacht. Het effect op de beleefde kwaliteit is negatief (-). De beoordeling voor de fysieke en inhoudelijke kwaliteit is neutraal (0). Variant Churchill Avenue gefaseerd

76\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Beleefde- ,fysieke en inhoudelijke kwaliteit Gelijke effecten als bij de variant Churchill Avenue. Effectenoverzicht Onderstaande tabel geeft een overzicht van de in voorgaande paragraaf beschreven effecten. De effecten wegen voor het bepalen van de overall beoordeling even zwaar. Tabel 4.6 Effecten historische geografie.

Beleefde kwaliteit

--

-

--

-

--

-

-

6: Churchill Avenue

5: ZnB F

3: ZnB

1: : N11-west 2

7: Churchill Avenue gefaseerd

Cultuurhistorie

4: ZnB A

Toetsingscriterium

2: N11-west- 4

Aspect

Fysieke kwaliteit

--

-

--

0

--

0

0

Inhoudelijke kwaliteit

--

-

--

0

--

0

0

Totaal

--

-

--

0

--

0

0

Samengevat zijn de varianten Churchill Avenue en Churchill Avenue gefaseerd het meest gunstig. Aandachtspunt vormt de beleefde kwaliteit vanwege de doorsnijding met het Rijn – Schiekanaal. Het meest ongunstig zijn de variant N11 West 2, ZnB en ZnB F. Deze varianten doorsnijden of komen in de nabijheid van verschillende cultuurhistorisch waardevolle gebieden waaronder de Westeindsepolder, buitenplaats Berbice en de Papenwegse polder. Voor de bypass Oostvlietpolder geldt dat wanneer het bedrijventerrein niet wordt gerealiseerd de effecten op de beleefde kwaliteit groter zijn. 4.5.2 Historische bouwkunde Om het beoordelingskader voor historische bouwkunde in te kunnen vullen (tabel 4.7 ) wordt eerst een beschrijving per variant gegeven van de effecten.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

77\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Variant N11-west 2 Beleefde kwaliteit De beleefde kwaliteit verandert ter hoogte van de aansluiting met de A44 voor het pand Rhijnhofweg 9 (2) dat wordt geamoveerd. Daarnaast wordt de beleefde kwaliteit aangetast bij de Stevenhofjesmolen en de twee rijksmonumenten 32 en 61. Bij buitenplaats Berbice verandert de beleefde kwaliteit door aanleg van de aansluitingen op de Voorschoterweg. De effecten zijn negatief (-). Fysieke en inhoudelijke kwaliteit De fysieke en inhoudelijke kwaliteit verandert door het amoveren van de botenloods en het pand aan de Rhijnhofweg 9. Eveneens wordt het waardevolle pand (nummer 40 op figuur 4.10) aan de Voorschoterweg geamoveerd bij de aansluiting van deze variant op de Voorschoterweg. De effecten zijn zeer negatief. Het overall effect is zeer negatief (--). Variant N11-west 4 Voor de variant N11-west 4 zijn de effecten gelijk aan de variant N11-west 2. Door de meer noordelijke ligging van het knooppunt A4 is daarnaast het effect op de samenhang van de molen Zelden van Passe een extra negatief (zie figuur 4.7). De effecten op beleefde kwaliteit zijn negatief (-). De effecten op de fysieke en inhoudelijke kwaliteit zijn zeer negatief (--).

Figuur 4.7 Detail molen Zelden van Passe (nummers 35 en 36 corresponderen met de monumentenlijst opgenomen in bijlage 2)

78\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Variant Zoeken naar Balans (ZnB) De beleefde kwaliteit De beleefde kwaliteit verandert ter hoogte van de aansluiting met de A44 voor het pand Rhijnhofweg 9 (2) dat wordt geamoveerd. De beleefde kwaliteit wordt aangetast bij de Stevenhofjesmolen en de twee rijksmonumenten gelegen in het buurtschap Oostdaal (nummers 32 en 61) door de realisatie van de weg op maaiveldniveau. Bij buitenplaats Berbice verandert de beleefde kwaliteit deels door aanleg het passeren van de weg over de Voorschoterweg. Bij deze variant ligt het talud van de weg tegen de molen Zelden van Passe. Dit verstoort de beleefde kwaliteit (zie ook figuur 4.7). De effecten zijn negatief (-).

Figuur 4.8 Detailkaart knoop Leiden West (nummers corresponderen met de monumentenlijst opgenomen in bijlage 2)

Fysieke en inhoudelijke kwaliteit De fysieke en inhoudelijke kwaliteit verandert door de vernietiging van de botenloods en het pand aan de Rhijnhofweg 9, het effect is negatief. Daarnaast is het effect op de samenhang van de molen Zelden van Passe met de directe omgeving negatief. Het overall effect komt daarmee op negatief (-).

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

79\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 4.9 Detail Oostdaal en 4.10 detail Berbice en Oostvlietpolder (nummers corresponderen met de monumentenlijst opgenomen in bijlage 2)

Variant Zoeken naar Balans A (ZnB A) Beleefde- ,fysieke en inhoudelijke kwaliteit De effecten voor deze variant zijn voor het deel Katwijk – A44 en de bypass Oostvlietpolder gelijk met de variant ZnB. Het deel A4 – A44 (via Voorschoten) wordt in deze variant niet gerealiseerd. De beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteit verandert ter hoogte van de aansluiting met de A44 voor het pand Rhijnhofweg 9 (2) dat wordt geamoveerd. Dit is een negatief effect. Door het verder uitblijven van negatieve effecten is het overall effect neutraal (0). Variant Zoeken naar Balans F (ZnB F) Beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteit De effecten voor deze variant zijn gelijk met de variant ZnB. Het overall effect is negatief (-). Variant Churchill Avenue Beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteit Bij deze variant zijn geen effecten te verwachten voor de beleefde kwaliteit. Aan de noordkant van de brug over de Oude Rijn ligt een aantal waardevolle panden (zie figuur 4.11), waarvan een aantal rijksmonumenten (bijvoorbeeld de Houtzaagmolen).

80\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Ter plaatse van de passage met het Rijn-Schiekanaal zullen geen effecten optreden. Het gaat hierbij om het zicht op de nummers 13, 11, 69 en 71 (zie detailkaart 4.10). Het effect is neutraal. Voor de inhoudelijke en fysieke kwaliteit zijn er geen effecten te verwachten. De beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteit verandert ter hoogte van de aansluiting met de A44 voor het pand Rhijnhofweg 9 (2) dat wordt geamoveerd. Dit is een negatief effect. Door het verder uitblijven van negatieve effecten is het overall effect neutraal (0).

Figuur 4.11 Detail oversteek Oude Rijn(nummers corresponderen met de monumentenlijst opgenomen in bijlage 2)

Variant Churchill Avenue gefaseerd Beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteit Voor deze variant zijn de effecten gelijk met die van de variant Churchill Avenue voor het onderdeel historische bouwkunde.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

81\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

4.5.3

Effectenoverzicht

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de in voorgaande paragraaf beschreven effecten. De effecten wegen voor het bepalen van de overall beoordeling even zwaar.

Cultuurhistorie

7: Churchill Avenue gefaseerd

6: Churchill Avenue

5: ZnB F

4: ZnB A

3: ZnB

Toetsingscriterium

2: N11-west- 4

Aspect

1: : N11-west 2

Tabel 4.7 Effecten historische bouwkunde

Beleefde kwaliteit

-

-

-

0

-

0

0

Fysieke kwaliteit

-

-

-

0

-

0

0

Inhoudelijke kwaliteit

--

--

-

0

-

0

0

Totaal

-

-

-

0

-

0

0

Samengevat zijn de varianten Churchill Avenue en Churchill Avenue gefaseerd het meest gunstig. Het meest ongunstig zijn de variant N11 West 2 en 4. Deze varianten doorsnijden een historische botenloods waardoor deze geamoveerd dient te worden.

82\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

5 Aspect recreatie 5.1

Inleiding

Onder recreatie verstaat men alle vormen van vrijetijdsbesteding, alle activiteiten die kunnen worden gedaan naast de dagelijkse verplichtingen als werken, huishouden, financiën en zorg voor anderen. Recreëren doet men voor ontspanning en vermaak. Het woord op zich, 'recreatie' duidt op vernieuwing, verfrissing; de bedoeling van recreëren is het opladen van de persoonlijke actieradius, het vernieuwen van de energie, het verzetten van de zinnen en het ontladen van opgelopen spanning. Dit achtergrondrapport richt zich op ‘terreinen’ en routes bestemd voor recreatie. Onder terreinen vallen:  Sportterreinen (zoals voetbalvelden en golfterreinen)  Openbare groengebieden (parken, landgoederen)  Dagrecreatieterreinen (volkstuincomplexen, zwemplas en pretpark)  Verblijfsrecreatieterreinen (bungalowparken, campings en jachthavens) Onder routes vallen:  Wandelen  Fietsen (skeeleren)  Varen en kanovaren Voor het in kaart brengen van nieuwe en bestaande routes is gebruik gemaakt van de wandelroutekaart en het fietsplan van de provincie Zuid-Holland (inclusief de landelijke LAW-routes), het fietsknooppuntennetwerk en het toervaartnetwerk (Beleidsvisie Recreatietoervaart Nederland). Voor kanoroutes is gebruik gemaakt van de routes zoals in kaart gebracht in de studie recreatief routenetwerk Randstad. Routes en ontsluitingen in en rondom recreatieterreinen worden bij het onderdeel ‘terreinen’ meegenomen.

5.2

Wet- en regelgeving

Provinciale structuurvisie Zuid-Holland actualisatie (2011) De provincie heeft als ambitie het versterken van de recreatieve functie en groenstructuur. Voor recreatie zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd:  Ontwikkelen van een volledig en gevarieerd recreatieaanbod binnen en buiten de stad  Ontwikkelen en compleet maken van een aantrekkelijk en veilig recreatief netwerk (fiets- en wandelpaden, wegen, waterwegen, recreatietransferia) dat zowel stad en land als groengebieden onderling verbindt  Versterken van culturele en toeristische voorzieningen

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

83\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Nota wandelroute netwerk Zuid-Holland (2010) In de nota van de provincie Zuid-Holland wordt nut en noodzaak beschreven van wandelen in het landelijk gebied. Daarnaast worden de belangrijkste bestaande routes beschreven evenals de mogelijke ligging van nieuwe routes, de planning van realisatie en de beschikbare en benodigde middelen hiervoor. Fietsplan 2008 provincie Zuid-Holland (2008) Het fietsplan heeft als doel om binnen de kaders van Provinciale Staten de koers te bepalen van het fietsbeleid voor de periode 2008 tot en met 2011 en geeft een doorkijk voor de periode erna. Het fietsplan is verder de basis voor een gedetailleerde uitwerking in de jaarlijks op te stellen Meerjarenprogramma Provinciale Infrastructuur (MPI) programma fiets. Onderdeel van het fietsplan is een kaart met daarop de verschillende gewenste en nader uit te werken routes. Structuurvisie Leiden 2025 (2005) Door nieuwe of verbeterde groene en recreatieve fietsroutes van Leiden naar het omliggende Groene Hart, terwijl met nieuwe routes naar de kust ook de te bouwen wijk op het voormalige vliegkamp Valkenburg goed en aantrekkelijk wordt ontsloten. Het water in Leiden wordt intensief gebruikt voor recreatie. Door diverse verbeteringen in het watersysteem kunnen de toeristische mogelijkheden van Leiden verder worden uitgebouwd. De oostflank van Leiden heeft als opgave om een continue groene recreatieve route te worden van de Boterhuispolder naar Vlietland, waar ook aansluitende wijken goed op aantakken. Op die manier wordt het buitengebied als het ware de stad in getrokken (zie figuur 5.1). De Zijl en het Rijn-Schiekanaal fungeren als de blauwe ruggengraat van deze route, die verder een ontspannen en veilige verbinding moet vormen. Als de verbinding gestalte krijgt dan zal rekening moeten worden gehouden met een ondertunneling van de RijnlandRoute. De tunnelingang voor de tunnel onder de Vliet zal dan bij voorkeur zo worden aangelegd dat zo veel mogelijk groengebied vrij doorloopt over de weg heen.

84\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 5.1 Structuurvisie Leiden 2025

Brede StructuurVisie Katwijk, onderbouwing en visie toerisme en recreatie De brede structuurvisie kent een aantal specifieke uitwerkingen en aandachtspunten op het gebied van recreatie. De volgende ambities zijn geformuleerd:  Het Valkenburgse Meer als recreatief en sportief gebied ontwikkelen (haven, evenementen, watersport, smalspoormuseum)  Bevorderen waterrecreatie Oude Rijn. Ter bevordering van de waterrecreatie is het wenselijk om meer aanlegplekken, vaarroutes en havens te creëren. Te denken valt aan de uitbreiding van de haven in Middelmors, maar ook een haven in het Valkenburgse meer  Creëren van voldoende wandel-, fiets-, kano- en ruiterpaden. In Katwijk ontbreekt het aan aantrekkelijke, veilige en doorgaande regionale langzaam verkeersroutes

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

85\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 5.2 Visiekaart recreatie Katwijk

5.3

Onderzoeksmethodiek

Voor het onderdeel recreatie wordt getoetst op de invloed van de verschillende varianten op recreatieve routes en gebieden. De volgende aspecten zijn hierbij van belang:  Verlies aan recreatieareaal en doorsnijding van interne verbindingen (barrièrewerking)  Mate van doorsnijding van overige belangrijke vaar-, wandel- en fietsverbindingen in het studiegebied  Mate van aantasting recreatiekwaliteit (toe- / afname van geluidsbelasting in de recreatiegebieden)  Bereikbaarheid van recreatiegebieden (mogelijke doorsnijding van routes naar recreatiegebieden). Hiervoor is mede gebruik gemaakt van de verkeersonderzoek tweede fase m.e.r. RijnlandRoute (Goudappel Coffeng, 2012)  Sociale veiligheid in recreatiegebieden en verbindingen Bovenstaande punten worden kwalitatief beoordeeld. Voor het aspect sociale veiligheid wordt gekeken naar de mogelijkheid tot sociale controle, overzichtelijkheid (zicht vanaf wegen, huizen, ontstaan tunneltjes, en dergelijke) en het ontstaan van geïsoleerde gebieden (restruimten).

86\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Voor het aspect recreatiebeleving wordt gelet op de toename van geluidsbelasting in recreatiegebieden. Geluidhinder heeft doorgaans een grotere invloed op de belevenis van recreanten dan hinder als gevolg van licht of verminderde luchtkwaliteit. De geluidhinder wordt gemeten aan de hand van de gebieden die binnen de 50 dB contouren vallen. Recreatiegebieden (of gedeelten hiervan) binnen deze geluidscontour ondervinden significante geluidshinder20. In het achtergrondrapport Geluid zijn de berekeningen van de geluidscontouren van de verschillende varianten gedetailleerd gespecificeerd. Beoordeling ++

Aspecten recreatie Groot positief effect

Sterke toename sociale veiligheid, bereikbaarheid, areaal en recreatiekwaliteit en sterke afname van doorsnijding recreatieve routes

+

Positief effect

Sterke toename sociale veiligheid, bereikbaarheid, areaal en recreatiekwaliteit en afname van doorsnijding recreatieve routes

0

Neutraal effect of een verwaarloosbaar Geen of nauwelijks kwalitatieve veranderingen klein effect

-

Negatief effect

Afname sociale veiligheid, bereikbaarheid, areaal en recreatiekwaliteit en toename doorsnijding routes

--

Groot negatief effect

Zeer sterke afname sociale veiligheid, bereikbaarheid, areaal en recreatiekwaliteit en toename doorsnijding routes

Mitigerende maatregelen Geluidsschermen Mitigerende maatregelen vanuit geluid, het plaatsen van geluidsschermen of het aanleggen van stil asfalt, kan een positief effect hebben op de recreatiekwaliteit. In de effectbeschrijving worden de gebieden waar mogelijk schermen worden geplaatst benoemd. Het plaatsen van schermen kan echter een negatief effect hebben op de sociale veiligheid. Een scherm ontneemt het overzicht en versterkt de geïsoleerde ligging van gebieden. Overige maatregelen De sociale veiligheid kan verbeterd worden door meer verlichting en het verwijderen van beplanting/ opgaande elementen (creëren van voldoende zicht vanuit de omgeving). Op een aantal plaatsen worden recreatiegebieden doorsneden. Hierdoor worden interne routes afgesneden en verdwijnt in sommige gevallen de functie van het gebied (bijvoorbeeld de doorsnijding van een sportveld).

20

Ministerie van LNV 1997, Maatregelen voor geluidhinder op recreatiegebied, Den Haag

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

87\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Als mitigerende maatregel kunnen interne verbindingen verlegd worden. Ook kan het recreatiegebied in zijn geheel heringericht worden zodat het ook met doorsnijding bruikbaar blijft. Deze maatregelen worden in deze studie niet verder beoordeeld omdat ze niet van doorslaggevend belang zijn bij de vergelijking van de varianten. Ze vormen aandachtspunten voor een nadere uitwerking.

5.4

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

In deze paragraaf worden de huidige situatie en autonome ontwikkeling voor het aspect recreatie beschreven. Hiervoor worden de bestaande recreatieve terreinen en routes beschreven evenals de toekomstige situatie (autonome ontwikkeling). Recreatieterreinen huidige situatie Polderpark Cronesteyn Het park (aangelegd begin jaren 80 van de vorige eeuw) is gelegen aan de oostzijde van Leiden tussen de Rijksweg A4, de spoorlijn naar Alphen aan de Rijn, het Rijn-Schiekanaal en de N206. In het park zijn diverse wandel- en fietspaden aangelegd. Daarnaast bevinden zich op het terrein een moerastuin, een waterspeelplaats, een bezoekerscentrum (Het Reigerbos), een landgoedbos en een camping. Vlietland Vlietland is een groot recreatiegebied (circa 300 hectare) aan de oostzijde van Voorschoten en de westzijde van de A4. Het gebied bestaat uit een centrale recreatieplas met daar om heen bossages met ligweiden, strandjes, camping, jachthaven, watersportcentrum, horeca en verschillende recreatieve routes en verbindingen. Het gebied kent een besloten karakter. Het vigerende bestemmingsplan voor Vlietland maakt de ontwikkeling van ondermeer circa 220 extra recreatiewoningen en -appartementen mogelijk. Oostvlietpolder Gebied waar natuurgebied en recreatiegebied wordt gerealiseerd en volkstuinencomplexen en recreatiewoningen (Vlietpark) behouden blijven en uitgebreid worden. Diverse stadsparken en sportvelden Verspreid over het studiegebied liggen diverse stads/ wandelparken en sportvelden. Dit betreft ondermeer de volgende sportverenigingen:  Voetbalvereniging Leidsche Boys  Voetbal en atletiek Voorschoten ’97  Voorschotense Golfclub  Leidsche Rugbyclub

88\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

 

Sportpark Boshuizerkade Manege aan de Nieuwe weg



Dorpsweide

Parken zijn ondermeer:  

Park Hooghkamer Park Kweeklust

Valkenburgse Meer Het Valkenburgse Meer is ontstaan uit een voormalige zandwinning en is gelegen ten westen van de Rijksweg A44 en ten oosten van het voormalige Vliegveld Valkenburg. Het gebied bestaat voornamelijk uit een grote recreatieplas met daarom heen strandjes, lig- en speelweiden, wandelen fietspaden, parkeervoorzieningen en biedt plek aan het Nationaal Smalspoormuseum. Ten zuidwesten van het Valkenburgse Meer is de camping Maaldrift gelegen. Recreatie terreinen autonome ontwikkeling In de autonome ontwikkeling wordt een recreatieve groenstructuur aangelegd aan de oostzijde van Leiden (structuurvisie Leiden 2025). Ook komt er een recreatieve groenstructuur aan de zuidzijde van Leiden door de Papenwegse polder. Vanuit de structuurvisie Katwijk is de polder ten westen van voormalig vliegveld Valkenburg aangewezen voor buitenactiviteiten (Mient kooltuin). Een meer gedetailleerde invulling van de in deze paragraaf beschreven gebieden is nog niet vastgesteld. Wat betreft de autonome ontwikkeling geluidsbelasting (recreatiekwaliteit) liggen verschillende gebieden al binnen de 50 dB21 contour en in sommige gevallen binnen de 60 dB contour. Gebieden met een hoge geluidsbelasting zijn (> 50 dB):  Cronesteyn  Vlietland  Groenstructuur Leiden-Oost  Parken en sportvoorzieningen langs de Churchill Avenue  Recreatieplas Valkenburg  Camping aan de Maaldrift  Vlietpark  Overige stadsparken

21

Bron: geluidsonderzoek MER RijnlandRoute, Tauw 2012

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

89\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Gebieden die niet of maar ten delen binnen de 50 dB contour vallen zijn: 

Buitenplaats Berbice en omgeving



Voetbal en atletiek Voorschoten ’97, volkstuinen en de Voorschotense Golfclub (ten westen van buitenplaats Berbice)



De groenstructuur (in de Papenwegse polder) aan de zuidzijde van de stadsrand van Leiden (autonome ontwikkeling) en het recreatiegebied aan de westzijde van Vliegveld Valkenburg (Mient kooltuin)

Huidige situatie en autonome ontwikkeling routes Fietsroutes Op basis van de fietsknooppunten kaart (zie figuur 5.3) zijn de fietsroutes in het studiegebied in beeld gebracht. De kaart is aangevuld met de kaart fietsplan 2008 van de provincie Zuid-Holland. Daarnaast is een fietsverbinding uit het bestemmingsplan Oostvlietpolder overgenomen.

Figuur 5.3 Fietsroutenetwerk

Wandelroutes (LAW) Op basis van de wandelroute netwerkkaart zijn de verschillende bestaande en nieuwe wandelroutes (zie figuur 5.5) in beeld gebracht.

90\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Vaarroutes / kano Op basis van de beleidsvisie recreatietoervaart zijn de verschillende vaarroutes (zie figuur 5.5) in beeld gebracht. Voor de vaarverbinding Vliet en Oude Rijn geldt een maximale masthoogte van 30 meter. Recreatietransferium In de oksel van de afslag Zoeterwoude van de A4 richting Amsterdam wordt momenteel gedacht aan een recreatief transferium. De ideeën hiervoor zijn nog niet uitgewerkt. In het bestemmingsplan Dorp West 2011 van de gemeente Zoeterwoude wordt dit plan daarom mogelijk gemaakt via een wijzigingsbevoegdheid.

5.5

Effecten van de varianten

5.5.1 Effecten Deze paragraaf beschrijft de effecten van de varianten op het aspect recreatie. Het eindresultaat hiervan is weergegeven in tabel 5.1. In figuur 5.4 en figuur 5.5 staan de verschillende recreatieve gebieden en - routes weergegeven in het gebied met daarover heen de varianten voor de RijnlandRoute.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

91\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 5.4 Recreatiegebieden binnen studiegebied RijnlandRoute

92\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Figuur 5.5 Recreatieve routes binnen studiegebied RijnlandRoute

Variant N11-west 2 Verlies aan recreatieareaal en doorsnijding van interne verbindingen (barrièrewerking) Deze variant doorsnijdt het groengebied aan de noordzijde van buitenplaats Berbice, de sportvelden ten westen hiervan (Sport en atletiek Voorschoten ’97), de Voorschotense Golfclub en het sportveldencomplex Adegeest. Van de sportclub gaan drie velden verloren. Het golfveld zal in het geheel verloren gaan.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

93\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Van Volkstuinencomplex Adegeest zal het noordelijk blok worden doorsneden. Het deel van het complex aan de noordzijde van de nieuwe verbinding zal onbruikbaar worden (restruimte). In totaal wordt circa een halve hectare onbruikbaar. Van de nieuw te ontwikkelen gebieden wordt de recreatieve groenstructuur aan de oostzijde van Leiden doorsneden en de groenzone aan de zuidzijde van Leiden in de Papenwegse polder. Het verlies aan areaal zal in ieder geval de nieuwe weg betreffen en bijhorende af- en opritten. In overige gebieden zal geen areaal verloren gaan. De beoordeling voor deze variant is zeer negatief (--). Mate van doorsnijding van overige belangrijke vaar-, wandel- en fietsverbinding In deze variant worden diverse wandel-, fiets- en vaarroutes doorsneden waarvoor in het ontwerp nog geen oplossing is geboden. Dit betreft ondermeer de fietsroute langs de A4, de fietsroute langs de spoorverbinding van Leiden naar Voorschoten, de fietsroute van Leiden naar Katwijk en de nieuwe fietsverbinding van Wassenaar naar Leiden (langs de A44). De beoordeling voor deze variant is zeer negatief (--). Mate van aantasting recreatiekwaliteit De variant zal ten opzichte van de referentiesituatie vooral voor de buitenplaats Berbice, de sportvelden (Sport en atletiek Voorschoten ’97), het golfcomplex ten oosten hiervan en de groenzone ten zuiden van de stadsrand van Leiden extra geluidsbelasting geven. De gebieden vallen in deze variant, in tegenstelling tot de huidige situatie, binnen de 50 dB contour. Geluidsmaatregelen (stilasfalt) langs het tracédeel A44 – Rijn - Schiekanaal zullen deze effecten echter grotendeels compenseren. Het recreatiegebied Vlietland kent in de autonome ontwikkeling al een geluidsbelasting van meer dan 50 dB. Dit wordt neutraal (0) beoordeeld. Bereikbaarheid van recreatiegebieden De bereikbaarheid van de parkeerplaatsen voor de recreatieplas Valkenburgse Meer wordt minder goed. De bereikbaarheid van de Mient Kooltuin, westelijk van voormalig vliegveld Valkenburg, en het landgoed Berbice zal worden verbeterd. Voor de overige recreatiegebieden worden geen effecten verwacht. De beoordeling is neutraal (0). Sociale veiligheid in recreatiegebieden en verbindingen Deze variant zal grotendeels een verdiepte ligging kennen. Hiermee blijft een overzichtelijke situatie behouden. De totale beoordeling is neutraal (0).

94\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Variant N11-west 4 Verlies aan recreatieareaal en doorsnijding van interne verbindingen (barrièrewerking) Deze variant kent dezelfde effecten als de variant N11-west 2. Na het realiseren van de tunnel zal het oude gebruik wellicht kunnen terugkeren. Nader onderzocht zou moeten worden wat de mogelijkheden hiervoor zijn. De beoordeling voor deze variant is zeer negatief (--). Mate van doorsnijding van overige belangrijke vaar-, wandel- en fietsverbinding Deze variant kent dezelfde effecten als de variant N11-west 2. De beoordeling voor deze variant is zeer negatief (--). Mate van aantasting recreatiekwaliteit Deze variant kent dezelfde effecten als de variant N11-west 2, het effect is neutraal (0). Bereikbaarheid van recreatiegebieden De variant kent dezelfde effecten als N11-west 2. De beoordeling is neutraal (0). Sociale veiligheid in recreatiegebieden en verbindingen De variant kent dezelfde effecten als N11-west 2. De beoordeling is neutraal (0). Variant Zoeken naar Balans (ZnB) Verlies aan recreatieareaal Deze variant kent de dezelfde effecten als de variant N11-west 4. Daarnaast wordt door de bypass Oostvlietpolder een extra deel van de recreatieve groenzone ten oosten van Leiden doorsneden. De beoordeling voor deze variant is zeer negatief (--). Mate van doorsnijding van overige belangrijke vaar-, wandel- en fietsverbinding In deze variant wordt de fietsverbinding langs de A4 doorsneden, evenals de fietsverbinding langs de spoorlijn Den Haag - Leiden. Voor de wandelverbinding langs de Dobbewatering wordt voorzien in een loopbrug. De aansluiting op de A44 doorsnijdt de fietsroute vanaf Wassenaar naar Leiden. De fietsroute van Leiden naar Katwijk wordt doorsneden ter plaatse van de Rhijnhofweg. De bypass Oostvlietpolder doorsnijdt het Rijn – Schiekanaal. Hier wordt voorzien in een beweegbare brug waardoor de vaarroute beperkt wordt verstoord. De beoordeling is negatief (-).

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

95\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Mate van aantasting recreatiekwaliteit In deze variant zal in vergelijking met de referentiesituatie vooral het landgoed Berbice, de sportvelden, het golfcomplex ten oosten hiervan en de groenzone ten zuiden van de stadsrand van Leiden extra belast worden met geluid. De gebieden vallen in deze variant binnen de 50 dB contour. Geluidsmaatregelen langs het tracédeel A44 – Rijn - Schiekanaal zullen deze effecten echter grotendeels mitigeren. Dit wordt neutraal (0) beoordeeld. Bereikbaarheid van recreatiegebieden De variant kent op dit criterium dezelfde effecten als N11-west 2. De totale beoordeling is neutraal (0). Sociale veiligheid in recreatiegebieden en verbindingen Deze variant kent ter plaatse van Papenwegse Polder een grondwal langs de weg. De wal zal gelegen zijn in het nieuw aan te leggen groengebied aan de zuidzijde van Leiden. Het zicht wat nu vanuit de aanliggende bebouwing op het gebied bestaat zal door de wal verstoord worden wat een negatief effect heeft op de sociale veiligheid. Dit wordt negatief (-) beoordeeld. Variant Zoeken naar Balans A (ZnB A) Verlies aan recreatieareaal In deze variant gaat geen recreatie areaal verloren. De beoordeling voor deze variant is neutraal (0). Mate van doorsnijding van overige belangrijke vaar-, wandel- en fietsverbinding De bypass Oostvlietpolder doorsnijdt het Rijn – Schiekanaal. Hier wordt voorzien in een beweegbare brug waardoor de vaarroute beperkt wordt verstoord. De fietsroute van Leiden naar Katwijk wordt doorsneden ter plaatse van de Rhijnhofweg. De beoordeling voor deze variant is neutraal (0). Mate van aantasting recreatiekwaliteit In deze variant worden geen extra recreatiegebieden belast met geluidsoverlast. Dit wordt neutraal (0) beoordeeld. Bereikbaarheid van recreatiegebieden Deze variant kent geen negatieve effecten op de bereikbaarheid van recreatiegebieden. De variant wordt neutraal (0) beoordeeld.

96\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Sociale veiligheid in recreatiegebieden en verbindingen De variant kent geen negatieve effecten wat betreft sociale veiligheid. De variant wordt neutraal (0) beoordeeld. Variant Zoeken naar Balans F (ZnB F) Verlies aan recreatieareaal Deze variant kent dezelfde effecten als de variant Zoeken naar Balans. De beoordeling voor deze variant is sterk negatief (--). Mate van doorsnijding van overige belangrijke vaar-, wandel- en fietsverbinding Deze variant kent de dezelfde effecten als de variant Zoeken naar Balans. De beoordeling is negatief (-). Mate van aantasting recreatiekwaliteit In deze variant zal in vergelijking met de referentiesituatie vooral het landgoed Berbice, de sportvelden, het golfcomplex ten oosten hiervan en de groenzone ten zuiden van de stadsrand van Leiden extra belast worden met geluid. De gebieden vallen in deze variant binnen de 50 dB contour. Geluidsmaatregelen langs het tracédeel A44 – Rijn - Schiekanaal zullen deze effecten echter grotendeels mitigeren. Dit wordt neutraal (0) beoordeeld. Bereikbaarheid van recreatiegebieden De variant kent dezelfde effecten als ZNB De totale beoordeling is neutraal (0). Sociale veiligheid in recreatiegebieden en verbindingen Deze variant kent dezelfde effecten als de variant ZnB. Dit wordt negatief (-) beoordeeld. Variant Churchill Avenue en variant Churchill Avenue gefaseerd Verlies aan recreatieareaal Recreatie areaal zal niet tot zeer beperkt verloren gaan. De beoordeling voor deze varianten is neutraal (0). Mate van doorsnijding van overige belangrijke vaar-, wandel- en fietsverbinding De bypass Oostvlietpolder doorsnijdt het Vlietkanaal. Hier wordt voorzien in een beweegbare brug waardoor de vaarroute beperkt wordt verstoord. De fietsroute van Leiden naar Katwijk wordt doorsneden ter plaatse van de Rhijnhofweg. De beoordeling voor deze varianten is neutraal (0)

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

97\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

Mate van aantasting recreatiekwaliteit Voor zowel de CA als de CA gefaseerd zal geen toename zijn van de geluidsbelasting. Daarnaast zal de afname van geluid in recreatiegebieden niet beneden de 50 dB contour komen. De beoordeling voor beide varianten is neutraal (0). Bereikbaarheid van recreatiegebieden Deze variant kent een negatiefeffect op de bereikbaarheid van Klein Cronestein/Knotterpolder. Op de bereikbaarheid van de Mientkooltuin wordt daarentegen verbeterd. De beoordeling is neutraal (0). Sociale veiligheid in recreatiegebieden en verbindingen Door realisatie van de tunnelbak onder een groot deel van de bestaande infrastructuur wordt de oversteekbaarheid van deze wegen verbeterd. Ook de zichtbaarheid tussen de verschillende gebieden onderling wordt versterkt. Dit speelt vooral bij de variant Churchill avenue en in mindere mate bij Churchill Avenue gefaseerd. Voor de Churchill Avenue wordt dit als zeer positief (++) beoordeeld voor Churchill Avenue gefaseerd wordt als positief (+) beoordeeld. 5.5.2 Effectenoverzicht Onderstaande tabel geeft een overzicht van de in voorgaande paragraaf beschreven effecten. De effecten wegen voor het bepalen van de overall beoordeling even zwaar.

98\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

--

--

--

0

--

0

--

--

-

0

-

0

gefaseerd

7: Churchill Avenue

2: N11-west- 4

6: Churchill Avenue

Verlies aan

5: ZnB F

Recreatie

3: ZnB

Toetsingscriterium 1: : N11-west 2

Aspect

4: ZnB A

Tabel 5.1 Effecten recreatie

0

recreatie areaal Doorsnijding routes

0

Recreatiekwaliteit

0

0

0

0

0

0

0

Bereikbaarheid

0

0

0

0

0

0

0

0

0

gebieden Sociale veiligheid Totaal

-

-

-

0

-

-

0

-

++

+ 0

0

Samengevat zijn de varianten Churchill Avenue, Churchill Avenue gefaseerd en ZnB A het meest gunstig. Het meest ongunstig zijn de variant N11 West 2 en 4, ZnB en ZnB F. Dit is vooral toe te schrijven aan de doorsnijding van verschillende recreatiegebieden.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

99\102

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

6 Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA) en mitigerende maatregelen 6.1

Tracéalternatief CA als basis voor het MMA

Het Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA) is het tracéalternatief met de minste negatieve milieueffecten en/of de meeste positieve milieueffecten. Uit een vergelijking van alle milieueffecten blijkt dat het tracéalternatief Churchill Avenue hieraan het beste voldoet (zie MER).

6.2

Mitigerende maatregelen

De negatieve effecten op het tracéalternatief Churchill Avenue, en op de andere varianten, kunnen verder worden beperkt door het nemen van mitigerende maatregelen. De mogelijke mitigerende en compenserende maatregelen voor het milieuaspect landschap, cultuurhistorie en recreatie zijn in de voorgaande effecthoofdstukken behandeld. Voor CA (het MMA) betreffen het de volgende maatregelen: Indien gebruik wordt gemaakt van geluidsreducerende maatregelen dient dit bij voorkeur te gebeuren in de vorm van stiller asfalt. Indien gekozen wordt voor een scherm dient de afweging te worden gemaakt welk type het meest passend is binnen de landschappelijke context (kunstmatig scherm dan wel een meer natuurlijk scherm zoals een grondwal) Naast de vormgeving is ook het materiaalgebruik van belang voor het landschappelijke beeld. Zo kan worden gekozen voor materiaal dat sterk contrasteert, waardoor het viaduct (en daarmee de weg) een opvallend en herkenbaar element in het landschap vormt. Een andere mogelijkheid is om juist te kiezen voor optimale inpassing van het viaduct in de omgeving, door met de materiaalkeuze hier op aan te sluiten. Door een juiste vormgeving en materiaalkeuze kan bijvoorbeeld de verstoring van de brug welke het lint langs de Vliet doorsnijdt worden verzacht Ook kunstwerken langs de weg, zoals lantaarnpalen kunnen, vooral in open gebied, een verstorende werking hebben. Het zoeken naar alternatieven hiervoor kan een verzachtende werking hebben op de landschappelijke effecten Als mitigerende maatregel voor het onderdeel cultuurhistorie kan gedacht worden aan het restaureren / terugbrengen van het bepaalde historische patroon. In het tracéalternatief Churchill avenue zijn hiervoor echter geen directe aanleidingen gevonden Voor het aspect recreatie zijn eveneens voor CA geen specifieke maatregelen te benoemen voor mitigatie dan wel compensatie

100\102

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

Kenmerk R002-4816120EMG-cri-V01-NL

7 Leemte in kennis en monitoringsprogramma In de verschillende effectbeoordelingen is rekening gehouden met de aanwezigheid van geluidsschermen. Op het moment van schrijven was de precieze hoogte van schermen echter nog niet duidelijk. Hierover zijn aannamen gedaan zoals beschreven in paragraaf 3.3. Omdat de aanpak per variant hetzelfde is wordt aangenomen dat een goed beeld wordt verkregen van de verschillen tussen de varianten. Ook wat betreft materiaalgebruik, vormgeving en het plaatsen van kunstwerken moet een en ander nog nader worden uitgewerkt. Het verdwijnen van de groenstructuur in het stedelijk gebied kan worden hersteld door deze terug te brengen op het tunneldak. Het aanbrengen van een grondlaag op het tunneldak is hiervoor noodzakelijk. De precieze dikte van deze laag en het type bomen wat geschikt is moet nog nader worden uitgewerkt. In het MER is uitgegaan van het vigerende bestemmingsplan voor de Oostvlietpolder. Naar verwachting zal dit echter wijzigen maar hierover heeft nog geen finale besluitvorming plaatsgevonden. Indien geen ontwikkeling plaatsvindt (behoud open gebied), zullen de effecten in de Oostvlietpolder wijzigen. Vooral ter hoogte van de Bypass Oostvlietpolder. Vooral de visuele impact van de varianten zal hierdoor groter zijn.

2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport landschap, cultuurhistorie en recreatie

101\102

Bijlage

1

Literatuurlijst



Gemeente Katwijk, 2006, Brede StructuurVisie Katwijk, onderbouwing en visie toerisme en recreatie



Gemeente Leiden, 2003, bestemmingsplan Oostvlietpolder

 

Gemeente Leiden, 2005, Nota Cultureel Erfgoed 2005 - 2015 Gemeente Leiden, 2005, Structuurvisie 2025



Gemeente Leidschendam - Voorburg, Voorschoten, Wassenaar, 2007, Duin, horst en weide



Van Rijksbufferzone tot regiopark Landschapsbeheer Nederland, Leestekens van het Landschap

               

Pact van Duivenvoorde, 2007, Duin, horst & weide, van Rijksbuffer tot regiopark Projectbureau locatie Valkenburg, 2008, Inrichtingsplan De Groene Buffer (concept) Projectbureau locatie Valkenburg, 2008, Integraal Structuurplan Nieuw Valkenburg Provincie Zuid - Holland, 2010, Actualisatie buitenplaatsen Provincie Zuid - Holland, 2009, Beleidskader Historische Landgoederen 2009-2012 Provincie Zuid – Holland, 2005, cultuurhistorische impuls Duin, Horst en Weide Provincie Zuid - Holland, 2010, 1e Fase MER RijnlandRoute Provincie Zuid – Holland, 2010, 2e fase MER RijnlandRoute, achtergrondrapport Archeologie (concept) Provincie Zuid – Holland, 2008, Zuid-Holland méér op de fiets, fietsplan 2008 Provincie Zuid - Holland, 2010, Nota wandelroute netwerk Zuid Holland Provincie Zuid - Holland, 2010, Structuurvisie Zuid – Holland Provincie Zuid – Holland, 2010, verkeersonderzoek tweede fase m.e.r. Rijnlandroute (concept) Projectlocatie Valkenburg, 2008, Integraal Structuurplan Nieuw Valkenburg Stadsgewest Haaglanden, 2008, Regionaal Structuurplan 2020 VROM, 2006, Nota Ruimte VROM, 2008, Structuurvisie voor de snelwegomgeving “Zicht op mooi Nederland”

Bijlage

2

Overzicht bouwhistorische objecten

Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.