No title


...
Author:  Guest

0 downloads 4 Views 15MB Size

Recommend Documents


No title
1 2 3 4 5 6 7 8 9 Jaargang 42 nr 9 september 2009 Ere -VOORZITTER: Rik De Wolf, VOORZITTER: Chris Eurlings St.-Sebastiaansstraat Westerlo 014/ SECRETA...

No title
1 2 3 4 5 6 7 8 9 Bestemmingsplan Hoorn en De Duunt V A S T G E S T E L D10 Bestemmingsplan Hoorn en De Duunt V A S T G E S T E L D Inhoud Toelichting...

No title
1 رسالة البحث العلمي2 3 رسالة البحث العلمي4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 ABSTRACT Haikal, Hauli, The Strategy of Teaching Arabic Grammar by Using Oral Expres...

No title
1 2 3 4 5 6 1 Buku Komunikasi dan Konflik di Indonesia. Chapter : Akar Konflik, Penerbit Showcase Dotcom, Fikom Untar, Puskombis dan ASPIKOM) Jakarta ...

No title
1 BABAD KARTASURA II PUPUH I D U R M A 1. Garwakandha kang dadya ngarsa para lurah nambungi ing Gandara desa miwah Ki Anggendara Jaladara lawan malih ...


t

6rs,z. ..oq.d:

i

t

fln

I

i F I

urcnogrËLE VOEDSELVER.ONTRETI{IG INC

NRlo-rapport

Instituut

voor

l,[. Mieras H. Sas F. Verberne

Milieu- en Systeenanalyse

nr,

89/L4

(II,ISA) :

6*Ë §

BtBLrorïtEEK

2

i sEP. ts89

§§,*s,rur

NatÍ-onale Raad voor LandbouwkundÍg Onderzoek Postbus 20401 2500 EK 's-Gravenhage Tel-.: 070 - 793654/793653

naarL

1989

É\ré

?o

I!IHOf,'DSOPGAVE

blz.

vooRI^iooRD

SAI'ÏENVATTING

]-. INLEIDING 3

2. PERCEPTIES OP DE I.{ICROBIELE VOEDSELVERONTREINIGING

2-l-. Vtsies van de versshlllende 2.2. Besehouwing

4

beLangengroepen

7

9

3. KENNIS V'ÀN DE UICROBIELE VERONTREÏNIGING

3.1. 3.2.

Een nodel voor de microbiële voedselverontreiniging; 'de causale verbarrden

I

Meetgegevens en hun onzekerheden

13

3.2,L. Systeen-externe besmetting 3 .2. 2. GrondsËofbesmetting 3.2.3. ProcesbesmeÈtlng

1-3

3.2.1+. Besmetting door de

L7

L4 t_5

rnens

4.

PROBLEEMANALÏSE

23

5.

AANBE\TELINGEN

29

LTTERAÏUUR

31

I: APPENDIX ïI: APPENDIX III: APPENDIX

AchtergrondÍnformatie proJect Lijst van gelítervÍ.ew.de personen DeelnemersliJst workshop 26 Janr-rari

33

35

L989

37

VOORIIOORD

De problernatiek van de Ínieróbièle lroedselverontreinlgíng werd eind 1986 op

een NRl*O-themadag aan de orde gesteld. BiJ de verdere diseussie over dit qnderwerp hleek er enerzijds behoefte te bestaan aàR l[eer inzicht in de önvang èn de onËwlkkelÍng van de nierobiëIe voed§elverontreinÍging erl anderziJds aan de visles hierop van de versehillende belangengroepenDoor het ïnstituut voor l'Iilieu- en Systeenanalyse (IMSA) werd hiernaar een studie verrlehÈ. De studle is gesubsidi.eerd door Ahold NV, Unil-ever Be' search Laboratorlum en NRI,O,

resultateÍr van de studie §amengevat, Het ra?poÍt wor-dt afgesloten met enkele conclusie§ en aanbevelíngen. Ik hoop dat de etudie een bÍjdrage zal. leveren tot het snLwikkelen van acties ter vertuinderíng van de mierobië}e voedseiveronlteLniging.

In het hier vosrliggende rapport

woï-den de

Dr.Ir, A.P. Verkaik, secretarls Nationale Raad yoor Landbourrrl«:nrllg Ondefzoek

SA},IENVATTING

Microbiële verontreiniging van voedsel is een complex en omvangrijk probleem dat continu aandacht verdient. Hierover zíjn alle betrokkenen producenten, detailhandel, horeca, consumeÍrten, wetenschap, overheid - het eens. Primair staat hierbij de zorg voor de volksgezondheid en daarnaast die voor de publiciteÍt rond incidenten, die kan leiden toL vraaguitval' Om na te gaan of, eÍr zo ja, welke additionele beleidsmaatregelen ter beperking van de besmetting nodig zi.jn, heeft het Instituut voor Milieu- en Systeemanalyse (IMSA) de standpunten van de verschillende belangengroepen over de aard en de omvang van het probleem geinventarÍseerd. De overheersende indruk is dat de microbiële voedselcontaminatie op het ogenblik redelijk onder controle is. De onzekerheden zLjn echter groot, met name door de afwezigheid van systematisch en algemeen beschikbaar cijfermateriaal dat een goed inzicht geeft in de omvang van de huidige problematiek als geheel, hoewel op deelgebieden wel cijfermateriaal voorhanden is. De zoxg over toekomstige ontwikkelingen is unaniem groot' Enerzijds is de hygiëne bij met name de verwerking en distributie van voedingsmiddelen verbeterd, maar daar tegenover staan ontwikkelingen die juist risico's in de hand werken, zoals veranderingen in het voedselconcept (meer veranderde omstandigheden in de voedselproduktiekolom, "natuurlijk'), vergrijzing van de bevolkÍng en gedragsverandering in horeca, grootkeuken en privéhuishoudens.

belangrijkste oorzaak voor het algemene gebrek aan duidelijkheid is dat de onderlinge communicatie tussen de verschillende schakels van de voedselproduktiekolom vrijwel ontbreekt. Over de te treffen maatregelen bestaat hierdoor in het geheel geen overeenstemming. De

Aanbevolen wordt daarom om een systeem van overleg over en bewaking van de rnicrobiële verontreiniging van de gehele voedselproduktiekolom in het leven

te roepen. In dit overleg moeten veevoederfabrikanten, landbouworganisaties, slachterijen, verwerkende industrie, detailhandel, horeca, wetensehap en overheid participeren. Onderwerpen van gesprek dienen xe zLjn: "codes of practice" en normstelling voor de microbiële besmetting, het systematiseh verzamelen van cijfermateriaal, afspraken over wederzijdse controle en de aard van de te treffen maatregelen.

basís van dit bewakingssystèc& dlent eéÍi oolilmunlcatÍeprogranna te wotden opgeeet ile.L consunenËenvertegenwoordigende organioatÍes. Dlt is van belang Op

aatigezÍen:

- de eonsument een proddkt aangeleverd krXjgt dat eén aeker risÍcE

met

eloh mee,brengL; de behandeling door de consunent hieraan nog belangriJke risico's toevoegt;,

-

open

voorltchtlng op den duur den remedie wordt tegen conmotie bii inci-

denten.

Gezlen de eomple-xiteit yatt de probleinatiel wordË voorgesLeLd on het bewakÍngssys.tsem eD de coinmu.nieatie daarover uit te werkeu Ín een speerpuntPro-

Ject.

]NLEID]NG

verbetering van de hygiëne bij met name verl^rerking en distributie van voedingsmiddelen, lijkt de microbiologische verontreiniging van ons voedsel vanaf de jaren zestig niet te zíjn afgenomen. Daarmee blijven de potentiële risico's voor de volksgezondheid bestaan en kan negatieve publiciteit - die bij incidenten soms extreme vormen aanneemt - leiden tot vraaguitval en daardoor tot vermindering van de afzet. Alvorens maatregelen te treffen om iets te doen aan het probleem zelf of de berichtgeving erover, is het zinvol om na te gaan wat de standpunten zijn van de verschillende belangengroepen over: r de aard en omvang van het probleem op dit moment; ! de te ver\^Tachten toekomstige ontwikkelingen; t de onderdelen die prioriteit moeten krijgen bij het treffen van maatOndanks

r

regelen. de aard van de te treffen maatregelen.

Hiermee laat zich de opdracht omschrijven die verstrekt werd aan het Instituut voor Milieu- en Systeemanalyse (IMSA). Gedurende het onderzoek is de

aandacht vooral uitgegaan naar de sectoren vlees en pluimveevlees, die a1s voorbeeld d.ienden voor andere sectoren. Het onderzoek bestond uit achttien interviews (zie Appendix II), discussies met de stuurgroep van het onder-

zoek (zte Appendix I), een beknopt literatuuronderzoek en een discussieworkshop (d.d. 26 januari 1989; lijst van deelnemers: Appendix ITI).

het rapport is a1s volgt: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de verschillende visies van de belangengroepen. In hoofdstuk 3 wordt een poging gedaan om de beschikbare meetgegevens en de onzekerheden die daaraan gekoppeld zt-jn, op een rij te zetten. Op basis van de verschillende gesignaleerde visies en de verzamelde meetgegevens wordt vervolgens een analyse gegeven (hoofdstuk 4). Ter afsluiting volgen in hoofdstuk 5 aanbevelingen om te komen tot een nieuwe strategie. De opbouw van

De in dit rapport \,veergegeven conclusies en aanbevelingen zijn geheel voor rekening van de onderzoekers van IMSA.

2,

PERCEPTIES VAN DE MICROBIELE VOEDSELVERONTREINIGING

De verkenning van het probleemgebied werd in de eerste plaats uitgevoerd door middel van een aan de journalistiek verwante benadering. Er werden interviews gehouden met sleutelpersonen, die te zamen eeít zo volledig mogelijk beeld van het probleem scheppen. Op deze manier \^/erd niet alleen

gedetailleerde inhoudelijke kennÍs verzameld, maar ook een beeld opgebouwd van de onder betrokkenen heersende percepties van deze kennis, de maLe van overeenstemming die hierover bestaat en de wij ze waaxop verschillen van inzicht \{orden beoordeeld. Deze waarnemingen werden vervolgens getoetst in de afsluitende workshop. De inhoudelijke kennis, met name die over de omvang van het probleem, ulerd apart getoetst met een 1Íteratuuronderzoek. Gesprekken en workshop lIezen op een globaal eensluÍdende mening van de betrokkenen over de volgende punten: r l[icrobièle voedselverontreiniging is een omvangrijk probleem dat continue aandacht verdient.

r Microbiële voedselverontreiniging is een zeet complex probleem, zowel waar het herkenning als bestrijding betreft. I Er bestaan ontwikkelingen uraardoor het aantal voedselinfectiesl kan toenemen.

t

ZoweL agrarische sector en voedingsmiddelenindustrie a1s horeca en consument spelen een rol bij het ontstaaÍr van microbiële voedselver-

ontreiniging. r Er is behoefte aan additionele instrumenten ter bestrijding of voorkoming.

Er mag echter worden concludeerd dat op een aantal essentiële punten geen overeenstemming bestaat. Deze punten z]-jn:. I De kwantitatieve omvang van de mierobiële besmetting van het voedsel. I De ontwikkeling van de kwantitatieve besmetting in verleden en toekomst. 1 Orrdur microbiële voedselinfectie wordt in dit rapport verstaan zowel ziekte ten gevolge van pathogenen die via het voedsel in het maag-darmkanaal terecht komen (infectie) a1s ziekte ten gevolge van door pathogenen geproduceerde toxinen die voor consumptie reeds in het voedsel aanwezi.g waren (vergiftiging).

I I

die moeten worden getroffen. !traar maatregelen moeten worden getroffen. De maatregelen

2.1. Visies van de verschillende belangengroepen Geordend naar de belangengroepen geeft deze paragtaaf een kort overzicht

van de meningen die uit de interviews naar voren Voe

dingsmidde lenindus

kwamen.

tr ie

Binnen de voedingsmiddelenindustrie v/ordt het ervaren als een beroepsplicht om voedselÍnfectie tot het uÍterste te beperken. De ter besehikking staande maatregelen (GMP, IKB)2 vormen een stap in de goede riehting maar zu1len

daarbij slechts gedeeltelijk soelaas kunnen bieden. Het bedrijfsleven meent dat microbiele voedselverontreiniging en ongezond eten (te veel, te vet, geen goede voedingsbalans, etc.) de grootste voedselgebonden volksgezondheidsrisico's zi.jn, terwijl de consumenc zict:. dat niet realÍseert. Er heerst in het algemeen zorg over de huidige situatie. Men ís bevreesd dat voedselinfecties aanleiding zu1len zi-jn tot commotie die het merk, het concern, de bedrijfstak en zelfs de natie (export) in diskrediet kan brengen.

Over het algemeen heerst, meL name binnen de onderzoeksafdelingen van de levensmiddelenindustríe, de mening dat de potentiële risico's op microbiële voedselverontreiniging groeien. Argumenten daarvoor berusten enerzijds op veranderende omstandigheden binnen de voedselproduktiekolom, lraar men door de ontwikkelÍngen in fok- en teeltmethoden van de afgelopen deeennia hogere besmettingskansen signaleert (zie paragraaf 3.1.) en anderzijds oP veranderende voedselconcepten, de vergrijzing van de bevolking en het verande-

GMP: Good

Manufacturing Practices

IKB: Integrale Ketenbewaking

rende gedrag in horeca- en consumentenkeuken. Ook bestaat er vrees voor de opkomst van "nieurre" pathogarraar3. Ondanks de potentieel toegenomen risieo's stelt men niet te verwachten dat de besmettingsgraad van het voedsel dat de consument bereikt daadwerkelijk is toegenomen, omdat er in het verleden wel gaandeweg veel maatregelen (betere hygiëne bij de slacht, koelketenbewaking e.d.) zijn genomen die een positieve uitwerking hebben. De waargenomen weerstand van de kant van de consument tegen mogelijke maatregelen van de industrie (additieven, doorstraling, etc.) wordt voor de toekomst echter wel a1s een groot probleem gezi-en. Men voelt zich aldus ingeklemd tussen de primaire produktiesector aan de ene kant en de mogelijke reacties van de consument aan de andere kant. Voorlichting aan consument en horeca wordt vaak gezi-en als een belangrijke pijler voor het beleid. Men verwacht echter dat volledige openheid van zaken, onder meer door het publiceren van harde cijfers over besmettingsniveaus, door de consument niet goed begrepen zal worden en negatief zal

uitwerken op de afzetmarkt. Opgemerkt werd dat wat dit betreft de industrie "op een vulkaan leeft" (zíe het voorbeeld van SaTmoneTTa in eieren Ín Engeland). Wetenschap

Ook onafhankelíjke onderzoekers ziert mierobiele verontreiniging als een groot probleem. Enkelen uit dit circuit stellen dax zíj een toename in de besmetting constateren. Anderen spreken zo'n ontwikkeling met stelligheid tegen.

De eerstgenoemden zijn evenals het bedrijfsleven van mening dat microbiële voedselverontreiniging een grote risicofactor is (\íheelock, 1988 en Kampelmacher, 1985) rond voedsel.

3 De ver\,irachting is dat het aantal infecties dat aan Campy"lgemene lobacter wordt toegeschreven zal toenemen. Een mogelijke opkomst van "nieuvre" of terugkeer van "oude" pathogenen wordt als een grote dreiging gezlen. Verbetering van de diagnostische technieken zal volgens sommigen ook leiden tot toenemende aandacht voor virale besmetting.

Overheid

en L&V zijn de meest betrokken ministeries bij deze problematiek. Het aantal voedselinfecties víordt ervaren a1s een probleem dat aangepakt dient te worden, ondanks onduídelijkheden over de omvang. De overheid houdt er rekening mee dat de aantallen voedselinfecties veel hoger liggen dan de registratie weergeeft. De kwaliteit en de veiligheid van het voedsel blijven volgens de overheid in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van heE bedrijfsleven. tr'IVC

stelt dat, ondanks verbetering van de hygiëne in de voedselproduktiekolom, voedselinfecties een blijvend probleem zijn (Ministerie van I4IVC, 1983). Doorgaans veronderstelt men dat het aantal gevallen tegenwoordig stationair is, hoewel er in het verleden mogelijk bij bepaalde produkten een systemaÈische toename ge\^reest kan zijn. Het minÍsterie streeft in de eerste plaats naar introductie en het bevorderen van GMP in het bedrijfsleven en streeft naar goede voorlichting aan consument en horeca. WVC

L&V waakt ervoor dat de voedselvoorziening van de Nederlandse bevolking

kwalitatief goed ís; zowel veiligheid (vrij van pathogenen) als houdbaarheid spelen hierbij een ro1. Met name de export is erg gevoelig voor negatieve publiciteit over microbiele verontreiniging. Incidenten kunnen ingrijpende gevolgen hebben. Het ministerÍe is daarom terughoudend met het naar buiten brengen van informatie die de Nederlandse exportbelangen zou kunnen schaden. In het algemeen stelt men dat het probleem redelijk onder controle is. Het ministerie stimuleert en subsidieert projeeten en onderzoek die moeten leiden tot een betere kwaliteitsbeheersing. I"laatsshappe

1

ij ke organisat ies

Het standpunt dat de consument niet in staat zou zijn de risico's op hun juiste waarde te schatten en door "onnozelheid" nieuwe maatregelen in de ureg zou staan, wordt door consumentenorganisaties en milieubeweging ervaren als een lobby voor ní-euwe additieven en doorstraling; de consument is vo1gens hen wel degelijk in staat de gevaren van microbiële verontreiniging te overzien.

Zij plaatsen vraagtekens bij vergelijkingen met andere voedselgebonden risico's zoals die van chemische contaminanten. Men wijst erop dat prioriteitsvolgorden, met een hoge notering voor mierobië1e verontreiniging, steeds afkomstig zijn van mensen die specifiek met voedselbesmetting te maken hebben (onderzoek, bestrijding). Regelmatíg hoort men van de kant van milieu- en consumentenorganisaties dat men aan de consument het recht voorbehoudt om een incidentele voedselinfeetie minder belangrijk te vinden dan de onbekende effecten van chemische additieven of maatregelen a1s voedse ldoors tral ing4, Op zic1nzelf wordt microbiële voedselverontreiniging echter als een serieus probleem beschouwd, zeker als de omvang een toenemende tendens blijkt te vertonen. De voedingsmiddelenindustrie moet- en kan de situatie verbeteren door hygiënischer te werken en zorgvuldiger met het produkt om te gaan. 2.2.

Beschouwine

In het voorgaande overzicht valt op hoe sterk de standpunten over een aantal belangrijke onderdelen van het probleem uiteenlopen. Alhoewel er overeenstemming over bestaat dat de omvang van het probleem ernstíg moeL worden genomen, lopen de meningen reeds uiLeen over de absolute omvang en de ontwikkeling van het probleem in de toekomst en het gewicht van de verschillende onderdelen van de voedselproduktiekolom en van de verschillende produkten daarbij. Ook over verantwoordelijkheid en de benadering van de eonsument en de horeca bestaan duidelijk verschillende standpunten' Uit de verschillende interviewronden bleek bovendien dat de deskundigen vaak slechts zeer gedeeltelijk op de hoogte uraren van hun onderlinge verschillen van inzicht. Dat was met name het geval met betrekking tot de ontwikkeling van de besmettingsgraad.Zij die op het standpunt stonden dat er sprake is van een stationaire situatie meenden vaak ook dat iedereen het "vanzelfsprekend" daarover met ze eens !ías. En zij die meenden dat de besmettingsgraad uit de hand aan het lopen is dachten dat veelal ook. 4 Of a. consument deze afweging maakt valt te betwijfelen. In diverse onderzoeken (Feenstra e.a., 1988a en Feenstra e.a.,1988b) blijkE niet dat bij de consument het probleem van microbiele voedselverontreiniging uberhaupt leeft.

Kennel"lJk hpersr èr, merkwaardigerwiJs, blnnen de krlng vafl deskundigen zelfs geen overeenstemming over de onderlinge meningsverschillen. Voor de^ buitenwereld ont-staat er daardoor een inooherenË b.eeldi waË de ene .zèg§nan CIpr{erp.L wordÈ door de àndere weer ondergeseh.offeld.

De hr,ridige overeensEermÍng bepaalt zleh toË zeét algemè'në vfagen; over cpëeifie.ke *rresrias heersen versehillen varl lnzieht waardoor het moeillJk trs eenduidíB priorÍLèiteti te etellen: waar zit het probleem efi hóe vattèn W,e

het

aafr?

Aangezíen de intervLewe geen eenduldig beel-d gaven over omveng eir ontlqikkel.lng van het problee& wordË ln hoofdstuk drie nader ingegaan oP de aanwezige .kennis hierover. in hoofdstuk 4 wordt verder i.ngegaan op hat gebrek aan eensgeztrrdheid eo coÍimunicatle tussen deskundigen.

3.

KENNIS VAN DE MICROB]ELE VERONTREINIGING

De interviews leveren, zoals uit het voorgaande blijkt, een nogal bonte collage van meningen en standpunten. Door een gebrek aan overeenstemming over de interpretatÍe van de feitelijke gegevens is het mogelijk dat deskundigen over de ernst van het probleem en de gewenste oplossingen tot vaak zeer verschillende standpunten komen. Ingenomen standpunten over de besmettingsgraad van het voedsel kunnen \,vorden onderbouwd door middel van zowel causale redeneringen als empirische gegevens. De eerste betreffen vooral r^iaargenomen veranderingen in het systeem \,íaarvan op algemene gronden invloed op het besmettingsniveau kan worden verwacht . Ze worden in paragraaf 3.1 beschreven. De empirische onderbouwing gaat uit van concrete meetgegevens; hierop wordt in paragraaf

3.2 ingegaan. 3.1. Een model voor de microbiëIe verontreiniging: causale verbanden verspreidingscyclus van de microben kan van soort tot soort verschÍ11en. Alleen van Sa-lmone77a is dit patroon redelijk nauwkeurig bekend (Ede1 ë.à., 1913). Kenmerkend zijn een aantal kringlopen waardoor de besmetting van het systeem zichzelf in stand houdt. Daarnaast kunnen "nieuwe" pathogenen via een aantal poorten toegang tot het systeem krijgen. De

Algemeen wordt aangenomen dat geimporteerd veevoer en exotische voedselprodukten, evenals besmet urater dat via de rivieren ons land binnenkomt,

Dieren raken hierdoor of via kruisbesmetting geinfecteerd. De mest van de besmette dieren vormt later een besmettingsbron voor andere dieren en planten. Via dierlijke en plantaardige produkten kan tenslotte de mens worden geinfecteerd. Vervolgens ontstaat een kringloop als via de riolering besmetting van het oppervlaktewater kan optreden. Ook via afvalwater van de landbouwsector, de slachterijen en de verwerkende industrie ontstaan kringlopen die de voedselketen opnieuw besmettingsbronnen kunnen zijn.

kunnen besmetten.

10

vogels

knaagdieren voedermeel

^--'--

insekten

-

----1,

oppervlakte water

+-=--_ à

vleesen zuivel-

produklen

Figuur 1: De besmettingskringloop van Salmonella. Uitspraken over de omvang van het probleem hebben betrekking op grofweg vier niveaus (Figuur 2)5: 1. systeem-externe besmetting (besmetting van veevoeder en van het milieu in brede zin: bodem, 1ucht, |n het wild levende dieren, oppervlakter^7ater, drinkwater, enz.) ; 2. grondstofbesmettinB (besmetting tijdens de pfimaire produktie); 3. procesbesmetting (de besmetting op diverse plaatsen in de keten vanaf slacht of vefwerklng anderszins en distributie tot het moment van afle-

vering + geïmporteerde voedingsmiddelen) ; lr. besmetting door de mens (besmetting van het voedsel tijdens de bereiding in horeca, grootkeukens of de privékeuken, resulterend in voedselÍnfecties). De manier Í/aarop ieder van deze niveaus op het volgende doorwerkt wordt beinvloed door een aantal technische en maatschappelijke factoren, die

hieronder beschreven

5 oit

I,\Iorden.

is een stroomdiagram aan de hand \,ilaarvan de diverse besmettingsniveaus besproken worden en geeft geen verspreÍdingscYclus van pathogenen.

schema

11

MILIEU

- bodem - !Íater - mest - veevoeder

SYSTEEM-EXTERNE BESMETTING

Y

PIé.NTEN

en

GRONDSTOFBESMETTING

DIEREN I I I

Y

SLACHT/ VERWERKING I

PROCESBES},TETTING

I I

V

DISTRIBUTIE I I I

v

BEREIDING

-

horeca grootkeukens privéhuishoudens

BESMETT]NG DOOR DE },IENS

I I

V

},1ENS

aantallen voedselinfecties Figuur 2: De verschillende niveaus in de voedselketen waar microbiële besmetting plaatsvindt.

Systeem-

externe besmettÍng

Diverse ontwikkelingen hebben de laatste decennia het aantal besmettingsbronnen verhoogd. De uitbreiding van de wereldhandel in voedsel- en veevoedergrondstoffen en het sterk toegenomen verkeer van personen over de gehele wereld (Ministerie van líVC, 1983) maken dat de besmettingsdruk van over de grens groter \^rordt. Het rioolwater raakt besmet door faeces van mens en dier en door het afvalwater van slachterijen. Een deel van de microben overleeft de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Besmetting van oppervlakterrrater en zuiveringsslib

T2

zorgt er ïreer voor dat de bodem (en daarmee de landbouwgewassen) en allerlei in het wild levende dieren (vogels, insekten en knaagdieren) besmet kunnen raken. Ook de mest van de landbouwhuisdie:rerr zotgt voor verspreiding van pathogenen in het milÍeu. Het veevoeder kan besmet raken door heL gebruik van besmette grondstoffen, vooral uranneer deze bij de verwerking onvoldoende zijn verhit. Door een de veestapel aanhoudende import van veevoeders vanuit het buitenland blijft blootgesteld aan het risieo van nieuwe pathogenen. De microbiële kwaliteit van geimporteerde plantaardige en dierlijke produkten en voedingsmiddelen beinvloedt natuurlijk eveneens de kwaliteit van het aangeboden voedselpakket

.

Grondstofbesmetting De landbouwhuisdieren kunnen besmet \^rorden door veevoeder en via het drink\^rater en contact met de bodem, insekten, knaagdieren etc. De ontwikkeling

van de intensieve veehouderij heeft geleid tot een verhoogde kans op kruisbesmetting bij de levende dieren, onder andere door verminderde vleerstand van het vee, door huisvestingssystemen en tijdens transport. Planten kunnen blootstaan aan pathogenen in mest, bodem, zwi,vetingsslib en in oppervlaktewater tijdens kunstmatige beregening. Procesbesmetting

Kruisbesmetting en groei van het aantal micro-organismen tijdens slacht, verwerking en distributie van vlees-, kiP-, vis- en allerlei plantaardige produkten is afhankelijk van de genomen technische en procedurele maatregelen in de keten van grondstofproducent tot consument. Door de verlenging van deze keten is het proces moeilijker beheersbaar geworden. De consument wil vers voedsel en kant-en-klaarprodukten, maar dit stelt ook extra hoge eisen aan de distributie (koeling). Er is voorts een toenemende vraag naar gezond en "natuurlÍ-jk" voedsel en dat betekent de introductie van nieuwe voedselconcepten, met daarin minder zotlx, suiker, vet en nitríet en een hogere pH, hetgeen weer hogere eÍsen stelt aan de bewaarcondities. De schaalgrootte van produktie en distributie heeft bovendien invloed op de omvang van incÍdenten. Zo veroorzaakte in maart '85 de besmetting van een Amerikaanse zuivelfabriek bij 14.000 mensen salmonellose.

13

Besmetting door de

mens

De mate waarin besmetting van voedingsmiddelen tot infectie van mensen leidt, is mede afhankelijk van de hygiëne tijdens de bereiding van voedsel in de horeca, in grootkeukens en bij de privéhuishoudens. De keuze van het voedsel is eveneens van invloed op de kans op besmetting. Het risico is tevens toegenomen door veranderde eetpatronen, zoals het meer buitenshuis eten en het langer bewaren van voedsel op onge\^renste temperatuur (Ministerie van WVC, 1983). De eonsument lijkt ook minder ingesteld op microbiële verontreinigingen dan in het verleden. De gevolgen van de infectie van de mens zijn gewoonlijk niet desastreus. De infectie hoeft niet tot langdurige ziekte te leiden, maar kan wel degelÍjk meer of minder ernstige maag-darmtoornissen tot gevolg hebben. Bij de meer kwetsbare bevolkingsgroepen is de kans op ernstige ziekten en complicaties groter. 3. 2 . ltleetgegevens

en hun onzekerheden

De gezondheidskundige en economische schade die optreedt door microbiële

voedselverontreiniging vormt het zichtbare maatschappelÍjke probleem. Echter, de andere ni-veaus in figuur L zijn van belang omdat deze ons iets vertellen over de wortels van de besmetting, zonder welke het nauwelijks mogelijk is iets Xe zeggerr over de ontwikkeling onder verschillende omstandigheden en effecten van eventuele maatregelen. In deze paragraaf komen de meetgegevens aan de orde r,iraarmee veronderstelde causale verbanden zouden kunnen worden geverifieerd. Gepoogd \rordt om een zo compleet mogelijk overzicht te geven van het materiaal dat in openbare bronnen aanwezig is. Hiermee krijgx d.eze paragraaf een enigszins fxagmentarisch karakter. 3.2.1. Systeem-externe besmetting De besmettingsdruk vanuit het buitenland is nauwelijks grijpbaar. Veevoeders zijn veelal mengvoeders van plantaardige en dÍerlijke componenten.

Voor plantaardÍge produkten, de belangrijkste grondstof, bestaat geen regeling. Grondstoffen in de vorm van dierlijke eiwitten moeten Ín het land

L4

van herkomst een hittebehandelÍng ondergaan en zijn daardoor in princÍpe SaTmoneTTa-vrij. Er is echter wel kans op nabesmetting. SalmoneTTa lijkt niet toe te nemen in het in Nederland geproduceerde diermeel.6 Veevoeders worden vaak nog verhit bij het pelleteren en de besmetting schijnt dan ook minimaal te zijn. dat de invloed van de systeem-externe besmetting op de contamj-natie in het sysÈeem gering is. Over de besmettingsdruk vanuit ons eigen milieu is echter weinig bekend, omdat epidemiologisch onderzoek naar paEhogeneÍl naul^Ielijks is gedaan.T Du relaties zijn nooit gek\dantificeerd'

Aangenomen \ÀIordt

1 , )

Grandsfnfhosmettíns

Concrete gegevens omErent de besmetting van planten en dieren l,'Torden vooralsnog in de open literatuur nauwelijks aangetroffen. Het Campylobacterrapport (Gezondheidsraad, 19B8) geeft enkele cijfers over de besmetting van het levende varken en de kip met pathogenen. Een ontwikkeling in de tijd van deze besmetting - van belang om aan te geven of het probleem in de toekomst zal toe- of afnemen - wordc nÍet gegeven.

Het verbeteren van de microbiologische conditie van levende slachtkuikens door behandeling met een KR-microflora (KR: kolonisatie-resistent) v/ordt onderzocht. In de loop van 1983 werd begonnen met een onderzoek "Bewakingsprogramtra Salmonella bij varkens[ (SLaatstoeziclr1t op de Volksgezondheid, 1986). Naar aanleiding van de besmetting van eieren in de Verenigde Staten en Groot-Brittannie heeft het Produktschap voor Pluimvee en Eieren onlangs 6 D" Veterinaire Hoofdinspectie (VHI) voert a1 gedurende een groot aantal jaren een microbiologisàh bewakingsprogramma uit in de Nederlandse destructoren, teneinde een eventuele SaTmoneTLa-besmetting van het in Nederland geproduceerde diermeel (een veevoedergrondstof) zo gering mogelijk te doen zijn (sraatstoezicht op de volksgezondheid, 1987). Sinds 1973 fijtt de aanwezigheid van Enterobacteríaceae en SalmoneTTa in meel en stof in bedrijfruÍmten van Nederlandse destructoren naur^/elijks te veranderen. neemt aan dat sinds SalmoneTTa er in is geslaagd zich in ons ecosysteem te nestelen, de besmeËtingsdruk van dit organisme aanzienlijke vormen heeft aangenomen. Voor Salmoneí7a rdas er het llalcheren-project (Edel €.8., Lg73), daJinformatie gaf over de verspreidingscyclus van het pathogeen. Hierdoor ontstond duid;lijkheid over een aantal relaties, maar niet over de sterkte van de verbanden. Ook de ontwikkeling van de besmetting van de diverse onderdelen van het systeem í-n de tijd werd nÍ-et gemeten. 7

1"1*r,

15

besloten alle circa 750 reproduktiebedrijven te onderzoeken op het voorkomen van de bacterie SaTmonelTa enteritidis.

3.2.3.

Procesbesmetting

de overdracht van infectieziekten via groenten en fruit van minder belang en worden meestal produkten van dierlÍjke oorsprong aanger{rezen als voornaamste oorzaak. Rauwe kip wordt algemeen a1s het meest rískant besehouwd. De Keuringsdiensten van Waren nemen selectief monsters van de voedselprodukten. Er kan dus niet van een a-selecte steekproef gesproken worden en het is daarom riskant op basis van deze cijfers bepaalde voedingsmiddelen aan te wijzen als belangrijke besmettingsbron (Figuur 3a). Deze cijfers hebben bovendien alleen betrekking op die gevallen waarbij de ootzaak van de infectie kan worden achterhaald. Deze is slechts in 308 van de gevallen Momenteel lijkt

bekend.

Overzichtsonderzoeken die vanuit Rijswijk gecoördineerd worden zijn vaak eenmalig of zijn niet te vergelijken met eerdere onderzoeken.S Zelfs bij langdurige onderzoeksprogramma's kunnen vraagtekens worden ge-

zet.'o

8 Eun voorbeeld is de statusopname van de kwaliteit van filet americain in 1985 (Arkesteijn, 19BB). De microbiologische gesteldheid lijkt verbeterd sinds een onderzoek in l9B2 (Beumer €.8., l9B2). De methoden van onderzoek verschillen echter. 9 H"t zogenaamde "jaarlijkse

gehaktonderzoek" naar de aanwezigheid van van de besmetstingsgraad van SaTmoneTTa in gehakt dient ter illustratie bepaalde voedingsmiddelen. Dit onderzoek \^rerd gestart in L959 en is na 1983 niet voortgezet. Er lijkt een toename van het percentage gehakt besmet met Sa7mone77a, maar opgemerkt wordt dat de methoden in de loop van het onderzoek gewijzigd zijn, zodat de jaarcijfers niet vergelijkbaar ztjn (Staatstoezicht op de Volksgezondheid, 1986) .

L6

Vls€s, vl9,

Ohlne€s vo€dsel

23%

35%

V€rzorgende

Horcca 74*

ins

Kl6ins.l.m.lnd Groots.l.m.ind

5%

S%

4%

Parlic. huish.14% Andsr vo€dsel 15%

Hol,maaltljdon B%

figuur

3a

figuur 3b

Figuur 3: Incidentie van voedselinfecties in de jaren'79-'86 naar bekende bacteriële aetiologie (naar Beckers , 1987). a. (vermoedelijk) erbij betrokken voedingsmiddel en besmettingsplaats (n : 2020). b. plaats \.raar het voedingsmiddel (vermoedelijk) onjuist r^rerd behandeld (n : 1349).

Kip wordt steeds vaker aangeï^rezen als de oorzaak van infectiezíekten. Meetgegevens hierover geven geen uitsluits.l.10 Het is mogelijk dat de besmetting van kipprodukten met SaTmoneTTa Ls toegenomen, maar een sterke toename van de kipconsumptie kan evengoed een verklaring zLjn. Er is wel veel bekend uit onderzoek zoa1s uÍtgevoerd door WDO (o.a. Snijders, 1988), maar dic is voornamelíjk gericht op de vraag welke specifieke maatregelen in de (varkens)slachtsector effect hebben. Voor kippenslachterijen wordt dergelijk onderzoek ook gedaan (Mulder e.a. 1988). In het algemeen wordt er in de voedingsmiddelenindustrie we1 veel onderzoek gedaan naar algemene hygiëne en lijkt het weinig gericht op de monitoring van de ontwikkeling van de besmettíng in de tijd en op speeifieke pathogenen. Het onderzoek is ger:icht op dat deel van het proces dat men zelf kan 10 tr, 1981 heeft het RIVM de besmettingsgraad van kippen onderzocht (Notermans e.a., 1981). Dit is onlangs herhaald. De conclusie kan worden getrokken dat de SaTmoneTTa-besmettingsgraad hetzelfde is gebleven in de loop van zes jaar; de StaphyTococcus-besmetLing (die als een maat voor de hygiëne kan worden beschouwd) is enigszins verminderd. Het aantal CampyTobacter-kiemen daarentegen is duidelijk toegenomen (RIVM-rapport is in voorbereiding). Hiernaast kan echter ook worden gevrezen op meetgegevens van Het Spelderholt, die wijzen op een afnemende besmetting van kip. Verschil1en in bemonsteringsmethoden zijn waarschijnlijk de verklaring voor dit gebrek aan overeenstemming.

t7

beheersen. Als de grondstof toch al besmet is kan een goede algemene hygierae zorgen dat de besmetti-ngsgraad zo laag mogelijk wordt gehouden. Andere rnogelijkheden zijn verhittÍng en doorstraling. Om de hygiëne te controleren wordt het totale kiemgetal of het aantal enterobacteriën gemetenl, deze

gegevens of procesteehnische gegevens zoals de temperatuur worden dan direet gebruikt voor bijregeling van het vervíerkingsproces. Statistisch onderzoek van de ontwikkeling in de tijd lijkt dus te ontbreken. Meetgegevens over de microbiële toestand zijn er voor veel exportprodukten

niet. In de EG zijn er geen normen voor produkten als kip. i{el is er een norm voor bewerkte produkten; deze mogen geen pathogene micro-organismen bevatten.

Systematisch (statistisch)

onderzoek van importprodukten ontbreekt even-

eens.

3.2.4. Besmetting door de

mens

Het grootste aantal incidenten blijkt vooral daar te worden veroorzaakt waar voedsel voor directe consumptie wordt bereid (762), zoals thuis, in verzorgende instellingen en in de horeca (Figuur 3b). Men wijt dit onder andere aan de deprofessionalisering van de horeca; het om economische redenen niet willen of kunnen naleven van de in de opleiding opgedane hygiënische kennis en de opkomst van cafetaria' s v/aarvoor geen horecadiploma vereist is. Als kanttekening moet vrorden opgemerkt daÈ rapportage van voedselinfectie vanuit partÍculiere huishoudens minder snel zal plaatsvinden dan bij eten "buitenshuis". Ook zijn deze meetgegevens gebaseerd op dat deel van de meldingen waarvan de oorzaak achterhaald kan hTorden; meetgegevens zijn op dit gebied zeer schr.rs.11 11 N. melding bij de Keuringsdienst van Waren \íorden de monsters van voedingsmiddelen uitgebreid onderzocht, met name oP de aanwezigheid van pathogene bacteriën. In de meeste gevallen zijn echter geen restanten van voedingsmiddelen aanwezig, zodat de mogelíjke oorzaak van de voedselinfectie of -vergiftiging achterhaald moet roorden door o.a. enquéteren van patiënten en bemonstering in het betrokken restaurant, bedrijf, etc. In 70? van de gevallen kan geen oorzaak gevonden \^/orden. Uitspraken over de belangrijkste pathogenen en hun ontwikkeling, over de betrokken voedingsmiddelen en de plaats waar de voedingsmiddelen onjuist \Àrerden behandeld, worden gedaan op basis van de 30t waarvan men wel de oorzaak achterhaalt. Welke ontwikkeling plaatsvindt in het resterende grijze segment blijft

18

Veranderende eetgeÍroonten zoa1-s het toenemende gebruik van gereehten met

rauwe ingrediënten en kant-en-klaarmaaltijden kunnen nieuwe problemen opleveren. De gevolgen van veranderingen in de privéhuishoudingen (zoals de opkomst van de magnetron) en de effecten van voorlichting over hygiëne in de keuken zijn niet in cijfers uitgedrukt. Aantn 1 rroedse'l í nf eot i es

Wanneer het vermoeden bestaat dat voedsel de oorzaak is van een zí-ekxe kunnen mensen zich wenden tot een Keuringsdienst van Ï,Iaren. Het RIVM verza-

melt deze geregistreerde meldingen. Het aantal gemelde incidentenl2 is in de jaren Lg71-1981 toegenomen van 33 tot 415 (Beckers, 1984) en ldeer afgenomen tot L66 in 1986 (Figuur 4). Als belangrijkste veroorzakers vTorden gevonden Sa7mone77a, CTostrídium perfrin7,ens, StaphyTococcus auteus, BaciT7us cereus en CampyTobacter jejuni (Figuur 5). Besmetting met Campylobacter jejunÍ neemt toe in de periode L97l-L982. In Nederland \,íorden voorts j aarlijks zo'rr 6 .000 tot 9 .000 gevallen van microbië1e voedselÍnfectie gemeld bij de Geneeskundige Hoofdinspectie (GHI). Deze meldingen zijn gebaseerd op faecesonderzoek na een bezoek aan de huisarts. Dit aantal lijkt enigszÍns toe te neÍnen (Tabel 1) tot 1983' De getallen geven wel een flinke toename van CampyTobacËer-besmetting xe zien. Verbetering van de detectiemethoden in de periode L977'L982 vrordt als verklaring voor deze toename aangedragen. Volgens de gegevens van de GHI is SalmoneTTa in 848 van de gevallen de verwekker van voeselinfectie. De discrepantie met de eerder genoemde meetgegevens kan het gevolg zijn van een selectie-effect. Huisarts en keuringsdienst krijgen verschillende groepen mensen langs de deur. Is er sprake van een voedselvergiftiging dan treden de effecten binnen relatief korte tijd

onbekend en kan door selectie-effecten

surveys geen indicatie geven over de besmettingsgraad van het voedsel.

sterk afwijken. Daarom kunnen en de ontwikkeling van

omvang

12 E.., incident is een voedselinfectie of -vergiftiging, of meer personen betrokken zljn.

waarbij

de de

een

\9

350 300

200 150 100

ö0 o '77

ffi N

'78 ',79 ',80 ',81 '82 ',83 '.84 ',85 Andersinds

% vtraal

Bacl€rie€l I

Sl

',80

ohsmlsch

onb6ksnd

Figuur 4: Aantal incidenten van voedselinfectie Ln L9l9-1986 geregistreerd naar aetiologie (naar Beckers, 1984; de gegevens van 1983 x/n L986 zijn ter beschikking gesteld door het RM) .

'77 '78 '79 ',80 ',81 ',82 ',83 ',84 ',85 ',86 Is

91 Nop

%sa

Mec

r:lo

Figuur 5: Aantallen incidenten van voedselinfectie in L977-1986, geregistreerd naar bacteriéle aetiologie. (S : SaÍmone77a, Cj : CampyTobacter jejuni, Cp CTostridíum perfringens, Sa StaphyTococcus aureus, Bc : BaciTTus cereus, O : Overige)

20

Aantallen bij

Tabel 1:

de

GHI aangegeven patienten lijdend aan door voed-

se1 overgebrachte infectieziekten.'t

Etiologie

1919 L980 1981 1982 1983 1984 L985 L986 L987

SalmonelTa

6L74 6347 7496 6195 6083 5593

jejuni Y ers inia enterocol it ica

Campylobacter

C

7os t r id

ium perf r ingens

202 s31 116 264 6t9

StaphyTococcus aureus

BacilTus cereus

_1

Overigen/onbekend

Totaal

6498

tt69

270 170 1496 L72B 2406 lls 115 6L 31 262 27 t+ 284 4

13 22 66 2826 21 323

52

L4s

57

1683 100

9322 8824 8868 s821

492 337

200 54 2

94

350

L979-L982: Staatstoezicïtt op de Volksgezondheid, 1986. 1983-L987l. Cijfermateriaal ter beschikking gesteld door de GHI. Opm: per 1 januari 1984 is de aangifteplicht voor voedselvergiftigingen afgeschaft.

op, is de relatie met het geconsumeerde voedsel soms drridelijker en kan de keuringsdienst gewaarschuwd worden. De huisarts zal waarschijnlijk meer bezoek krijgen van mensen die het slachtoffer zijn van een voedselinfectie, meÈ name r^Ianneer de ziekteverschijnselen langer aanhouden. Bij de meetgegevens van GHf en RIVM worden vaak een aantal kanttekeningen gemaakt die betrekking hebben op de meldingsdisciplinel3, de verandering 13 H"t aantal meldingen wordt beinvloed door meer factoren (bereidheid tot melding aan de Keuringsdiensten van Waren of bezoek aan de huisarts) dan het werkelijke aantal voedselinfecties en -vergiftigingen. De consument ziet symptomen vaak aan voor een "buikgrÍepje". Er is sprake van een flinke

onderrapportage. lJat er allemaal in de privéhuishoudens gebeurt, valt moeilijk na te gaan. Schattingen van het werkelijke aantal microbiële voedselinfecties gaan in de richtÍng van enige honderdduizenden per jaat (Ministerie van WVC, 1983). Het is echter maar zeer de vraag of bij a1le minder ernstige en niet geregistreerde gevallen de oorzaak wel gezocht moet worden bij microbië1e voedselcontarninanten en niet bij virussen,

2t

van de aangifteplichtl4, zoeksinspanningen. l5

verbeterde detectiemethoden en wisselende onder-

In Engeland en Schotland is in tegenstelling tot Nederland het registrati-esysteem van voedselinfecties in de laatste jaren niet veranderd. Hoewel op de bestaande manier van registreren (onderzoek na melding) kritÍek bestaat, kan men toch enige conclusies trekken over de veranderingen in de tijd. Een toename van het aantal CampyTobacter-infecties wordt geconstateerd in Sehotland (Sharp, 1988). Dit gegeven wordt ondersteund door het feit dat de jaar niet verbeterd detectiemethode voor CampyTobacter de laatste vijf schijnt te zijn. Over effecten die de besmetting op de mens heeft is, afgezien van maag- en darmstoornissen, weínig bekend; bij de zwakke bevolkingsgroepen en bij

complicaties optreden. Er wordt gesproken van jaarlijks 25-30 sterfgevallen met als officiële doodsoorzaak een door voedsel overgebrachte infectieziekte (Beckers, 1984) toenemend medicamentengebruik kunnen allerlei

.

Naast de schade aan de menselijke gezondheid is ook de economische schade van belang.16 Publiciteit over infectieziekten door voedselverontreiniging kan leiden tot vraaguitval en daardoor tot vermindering van de afzett zoure1in binnen- als buitenland.17

allergieën, etc. 14 P". 1 januari 1984 i-s de aangifteplicht voor voedselvergiftigingen afgeschaft. Met ingang van 1 januari 1985 is de aangifteplicht voor salmonellose als zod.anig komen te vervallen. Hoe groot het artefact van de registratie is, blijkt uit het feit dat na de afschaffÍng van de meldingsplicht voor salmonellose de aangifte met een factor 20 is gedaald15 Orrd.rroeksinspanningen wisselen van aandachtsveld. Registratie van de mogelijke veroorzaker is weer afhankelijk van onderzoeksinspanning en 1 ab orato r iumte chniek .

16 t, de VS wordt geschat daE acute maag- en darmaandoeningen het land per jaar 40 miljard dollar aan kosten opleveren (Haberstroh, 1987). De SalmoneTTa-explosie bij de Eurotop te Maastricht in 1981 bracht ongeveer één miljoen gulden aan kosten met zich mee (Beckers, L984). 17 al" gevolg van de shigeltose-explosie in 1984 daalde de omzet van garnalen en stegen de kosten voor opslag: sehade 10 miljoen gulden (Beckers, 1984). De eier-affaire in Engeland heeft geweldige financiële gevol-

22

Na

axtrapolatie varr neétgegevens uir de Verenigde §taten naar de Nederland-

se siÈuaËie,, kolnt Beekers (1984) tot een riuulng van hond,erd Íli{oen gulden per jaar vooÍ de medisehe koEten en een veelvoud hlervan voof kosten vo'or handel en ind.ustrie.

Het 1s níet mogelljk op basis vàn

gefioemde meetgegevens gefundeerde

uit-

spraken Le drren over de wefkellJke om:íA-ng en de ontwikkeling van voedselinfecElee 14 de tljd. Iíe1níg is bekend ovetr de wíJze van besrpeÈting en de relatie tussea de hoog,te van de. besmetting van het voedsel en de potentièle

rrislco'ig voot de coneument.

gen geha voetÍ dÉ bedriJfetak, Ook incÍdentën rond. chemische conta.minatie ín het. verle;d€n (I9lo, Cinimex) hebben duidel-iJk gemaakt hoe aa,nzienl-ijk de gevólgen van een c,alamitelt kunnen zlJn.

23

4.

PROBLEEMANALYSE

De door experts gesignaleerde ontwikkelingen

Ín het voedselproduktiesysteem

geven aanleiding tot zorg. Door toedoen van:

t systeem-externe veranderingen (pathogenen-kringlopen via het milieu, de vergrote Ímport); I interne veranderingen in de voedselproduktiekolom (met name in de veehouderij ) ; r veranderingen van het voedselconcept (meer "natuurlijk"); r veranderende behandelÍng in de horeca, de grootkeuken en het privéhuishouden,

is het potentië1e risico op microbiële voedselverontreiniging in het nabije verleden toegenomen en neemt het mogelijk in de toekomst nog verder toe. Deze risico's laten zich echter beslist niet direct vertalen in een daadwerkelijke toename van de besmettingsgraad, aangezien in de voedselproduktiekolom tegelijkertijd sprake is van toegenomen bewaking en verbeterde produktie- en bewaarmethoden. Ter verificatie van mogelijke trends in de besmettingsgraad is het dus nodig toevlucht te zoeken tot empirische gegevens. Het blijkt echter dat de beschikbare meetgegevens zeer fragmentarisch zijn: metingen uit de verschillende niveaus van de voedselproduktiekolom sluiten niet op elkaar aan en tijdseries zijn te kort en bieden daardoor geen uitsluitsel. Ook bieden ze geen houvast voor het stellen van beleÍdsprioriteiten. De afwezigheid van systematiseh en algemeen beschikbaar cijfermateriaal, mede veroorzaakt door de afschaffing van de aangifteplicht voor voedselvergiftigingen, is opvallend gezien de grote behoefte die eraan blijkt te bestaanl8. Een terecht argument tegen een systematisch meetprogramma is de moeilijke technisch/biologische uitvoerbaarheid (naar welk pathogeen moet 18 D.r" behoefte wordt verwoord in de aanbevelingen van het Campylobacter-rapport (Gezonciheidsraad, 19BB): "Om goed inzícht te verkrijgen ín de CampyTobacter-problematÍek in Nederland is het volgens de commissie ge\^/enst in een samenwerkingsverband van deskundigen een bewakingssysteem op te zetten voor periodiek onderzoek naar het voorkomen van CatnpyTobacter bij patiënten met enteritis, in levensmiddelen, bij gedomesticeerde en in het wild levende dieren en in het milieu. Een dergelijk systeem zou niet al1een voor CampyTobacter moeten gelden, maar ook aandacht moeten besteden aan verwekkers van verwante infectieziekten als salmone11ose, yersiniose en

listeriose".

24

worden gekeken, hoe en hoe vaak?), de hoge kosten en de onzekerheid over de

effectiviteit. Het gebrek aan meetgegevens valt echter ook te verklaren vanuit verschillende beweegredenen van de belangengroepen. De primaire produktiesector en de voedingsmÍddelenindustrie menen dat absolute cijfers door de publieke opinie niet juist zullen worden opgevat. Voorts acht men zich niet verant\^/oordelijk voor het scheppen van het overzicht over het systeem als geheel of van gedeelten ervan, door het koppelen van de eigen meetgegevens aan die van andere onderdelen van het systeem. Van overheidszijde zijn aetiviteiten traditioneel niet op het verwerven van dit soort meetgegevens gericht geweest. De controle van de overheid is bedoeld om voedselinfeeties zoveel mogelijk te voorkomen. De Keuringsdiensten van Waren hadden traditíoneel a1s belangrijkste taakstelling de bewaking van de volksgezondheid en de handhaving van de veÍligheid van het voedsel middels het opsporen van verooxzakers van Íncidenten. De diensten Írerkten bovendien louter regionaal. Statistisch onderzoek biedt geen directe oplossingen voor het optreden van incidenten en vindt dan ook niet plaats. Aan de andere kant zijn er daardoor ook Seen meetgegevens om het beleid te ondersteunen of op basis \taatvan de effectiviteit van de overheidsbemoeienis (b.v. door de overheid gesubsidieerde maatregelen) kan worden geëvalueerd. Nu de Keuringsdienst Rijksdienst gel^rorden is, zal meer systematisch onderzoek kunnen rrrorden opgezet. Concrete plannen zijn er eehter rrag zeer weinig. Tenslotte waren de onderzoeksinstellingen tot nog toe voornamelijk geinteresseerd in onderdelen van heE probleem, bepaalde relaties in de verspreidingseyclus van pathogenen, bepaalde produkten of onderdelen van de produktieketen. Beschouwing van dit systeem als geheeT behoort meestal niet tot de onderzoeksopdracht en is voor individuele instituten ook een te grote oPgave.

Het gevolg van het gebrek aan cijfermaterÍaal is dat uitspraken over de absolute omvang en de eventuele verandering van de besmettingsgraad nauwelijks gebaseerd zíjn op meetgegevens, maar veel meer op eigen ervaring, Índrukken en veronderstelde causale verbanden. Bij dit alles is steeds slechts een bepaald aspect (een segment van de produktiekolom, het eigen bedrijf, een specifÍek produkt of pathogeen) het referentiekader. Hierbij wordt de eventuele oorzaak (toename besmettingsgraad) verr^rard met de uit-

25

eindelijke effecten (infecties en vergiftigingen) of worden de laatste aangehaald om een eventuele toename van de besmettingsgraad, ook tn zeer vroege stadia van de totale produktieketen, te ontkennen. Het staat daarbij vrijwel vast dat er meer cijfennateriaal bestaat dan er voor dit onderzoek ter beschikking is gekomen. Geconstateerd mag liorden dat de uitwisseling van cijfers (zoweL intern, binnen groepen van dezelfde bedrijven als extern, in nog bredere kring) vrij gering is. Hieraan lÍjkt naast de corporatistísche structuur van de voedingsmiddelensector (met name de agrarische tak ervan) een algemene onzekerheid over het effect van het naar buiten brengen van meetgegevens over de besmettingsgraad debet te z:-jn. De belangrijkste componenLen hÍervan zijn: I Onzekerheid over de reactie van de consument; r Onzekerheid over de invloed op de concurrentieverhouding tot andere voedselprodukten;

I Onzekerheid over de invloed op de exportpositie. In de probleemperceptie van bedrij fsleven en overheid spelen angst en onzekerheid daarom een overheersende ro1. Bij gevolg probeert iedere sector, en daarbinnen ieder bedrijf, zijn eígen tuintje voor de buitenwereld af te schermen. Het gebrekkige overzicht van het probleemveld heeft een drietal nadelige consequenties:

r Er is geen oog op de ontwikkeling binnen de voedselproduktíekolom als geheel;

r De voedselproduktiekolom mist een gemeenschappelijke probleemdefinitie voor gezamenlijk beleid; r Voorlichting van het publiek is onduidelijk, riaardoor de parLÍcipatie van de consument gering bfijft. De t\.{ee eerstgenoemde punten zij1. in het voorgaande genoegzaaífl geillustreerd. Het laatste punt verdient nadere toelichting' De enigszins stroeve verhoudir-rg met het pubtiek wordt dikwijls geweten aan de journal.istiek, die zich te weinig constructief en te veel via incidenten met het onderwerp zou bezighouden. Juist om de ro1 van de journalistiek beter te kunnen begrijpen is de bij dit onderzoek gehanteerde methodiek

26

bijzonder geëígend. Het resultaat is ondubbelzinnig: het blijkt voor een buitenstaander buitengewoon moeilíjk te zijn zích van het probleemveld een eenduidig beeld Èe vormen. Incidenten, die wel eenduidig en goed verifieerbaar zijn, voorzien in de daardoor ontstane leemte en L{Iorden dientengevolge relatief overbelicht. Voor de buitenwereld lijkt het alsof ealamiteiten a1s spoken uit het niets te voorschijn komen, \ÀTaardoor ze niet in het juiste perspectief kunnen worden geplaatst. De journalist verwijten daarmee een onzorgvuldige wedstrijd te spelen is onterecht, aangezLen de verslaggever zelf speelbal is te midden van de gebrekkige consensus binnen de kring van deskundigen.

het risico van voedselverontreiniging lijkt op zijn minst voor een deel veroorzaakt te worden doordat confrontatie met het probleem alleen bij wijze van incident plaatsvindt. Het aantal in de pers besproken incidenten van voedselverontreiniging is echter gering en het zelf slachtoffer zijn wordt vaak niet onderkend. Alleen duidelijke publieke aandacht voor de systematiek van microbiële voedselverontreiniging zou kunnen zorgen voor veranderingen in de publieke opinie. Een dieper gravende, minder incidentele en bredere berichtgeving over microbië1e voedselveronEreiniging zou daarom heel nuttig zíjn om de consument met het probleem vertrouwd te maken. Dit zou ook kunnen bíjdragen aan een betere opname van gerichte voorlichting over de hygiëne bij de bereiding van voedsel. De publieke onderwaardering van

Van belang daarvoor is niet alleen de coherentie maar ook de volledigheid van de berichtgeving. Het gesloten karakter van landbouw en voedingsmiddelenindustrie wekt argldaan en urantroul^7en \^Taarin berichten over incidenten een willige voedingsbodem vinden. Incidenten wekken dan veel commotie, want

waar rook is, is ook vuur.

Angst voor de gevolgen van grotere openheid zijn begrijpelijk. Incidentele berichten over besmettingen leiden in de huidige situatie tot negatieve publiciteit. Dat betekent echter niet dat groËere openheÍd op de wat langere termijn ook tot meer nadelige berichtgeving za| leiden. Ervaring mer chemÍsche eoncerns die circa een decennium geleden voor hetzelfde dilemma stonden, leren dat zich snel een voor de betrokken partij voordelig evenwicht instelt, mits men kan aantonen dat de "eigen keuken" schoon Ís of

27

althans maatregelen getroffen zijn die dit op korte termijn bewerkstelligen. Het is dus aan de voedingsmiddelenseetor om een gefaseerde aanpak te kiezen, waarvoor in hoofdstuk 5 een aanzet wordt gegeven.

29

5.

MNBEVEL]NGEN

De geschetste problematiek geeft aanleiding tot de volgende overwegingen, die men kan zien als aanbevolen actiestappen.

op het gebied van de microbíele voedselcontaminanten belast te zíjn met het toezicht op de hele voedselproduktiekolom. De verschillende wel bestaande toezichtsystemen communiceren onvoldoende met elkaar. Niettemin leven overheden, bedrijven en consumenten met de idee dat de hele kolom permanent en goed bewaakt wordt. Teneinde hierin een verandering ten goede te brengen stellen wij voor dat een systeern in het leven geroepen wordt van overleg over en bewaking van de gehele produktiekolom (Íntegrale ketenbewaking). Hierin participeren veevoederfabrikanten, landbouworganisaties, slachterijen, verwerkende industrie, detailhandel, horeca, \^/eLenschap en overheid. Men gaat daarbij niet uit van het reguliere overleg, maar van de noodzaak om op hoger niveau greep te krijgen op de microbiële voedselverontreiniging. Concrete gespreksthema's van dit overleg dienen te zijn: r Integratie van "codes of practice" zoa]rs die momenteel uitgevoerd of ontwikkeld worden voor de opeenvolgende schakels in de kolom. Via deze r-rormen voor behandeling kan aan bepaalde microbiologische normen worden voldaan. Ook de microbiële normstelling is onderwerp van overNiemand blijkt

1.9.

I Het systematisch verzamelen van rneetgegevens over de besmettingsgraad (indien mogelijk van specÍfieke pathogenen) in elk van de schakels als functie van de tijd. Deze integrale ketenbewaking kan gebaseerd zijn op meetgegevens uit regelmatige steekproeven of uit de controlemetingen van "eodes of practice"; in het laatste geval is afstemming noodzakel ij k. Onderzoek naar de technische, biologische en statistische eisen die gesteld moeten worden aan een dergelijke verticale kolombewaking. Berekening van de financiëIe consequenties van te nemen bewakingsmaatregelen.

I Bij geconstateerde problemen: forrnulering van maatregelen die daar aangrijpen l^raar ze het meest effectief zijn.

30

2.

Ten aanzien van 1. dient een programma te worden opgezet van communicatie met externe groepen zoal.s de consumentenbonden en de milÍeubeweBing, in nauw overleg met het Voorlichtingsbureau voor de Voeding, de Stichting lJetenschappelijk Onderzoek Consumentenaangelegenheden, etc. Belangrijke punten hierbij zíjn; r Risico's die de consument nu loopt en de verwachtingen voor de toekomst pet produkt/produktsoort

;

r Achtèrgronden vafi. dëze risico's en informatie over de maatregelen contrcile-activiteiten die de sector uitvoert; r Wat de consuihent zelf aan het probleem kan doen (etikettering).

en

de ingewikkeldheid van het probleem en de veelomvattendheid van de aanbevelingen ls het zinvol 1. en 2. eerst uit te voeren in eeri speerpuntpfoject: in één sector die volgens de huidige inzichten relatief grote potentiële rlsico's draagt.

3. Gezien

reeds initiatieven te nemen om de toeleveranciers te dwingen tot het terugdringen van de microbiële besmetting van het aangeleverde produkt. Het verdient aanbeveling om, als functie van 1., dit eisenpakket te standaardiseren. De produkt- en bedrijfschappen dienen hierbij een leidehde rol op zich te nemen.

4. Individuele afnemers blijken in de praktijk

31

L]TEMTUUR

Arkesteijn, G.J.I,l.lí., 19BB De kwaliteit van fílet americaín in NederTand. Een statusopname door KeuringsdÍenst van Waren, VoedÍngsmiddelentechnologie, 2L:43-47

Beckers, H.J. , L984 VoedseTinfecties en -vergiftigíngen

de

.

in Nederland, Voeding , 45,LA:326-

331.

Beckers, H.J. , LgBl

Voedselinfecties en -vergíftígingen ín Nederland, 1985 en 7986, overzicht over de periode 1979-1986, intern rapport RIVM.

Een

Beumer, R.R., S. Tammi4ga & E.H. Kampelmacher, L982

ITicrobioTogisch onderzoek van filet LOl :821 - 834

annericain, Tijdschr. Diergeneesk.,

.

Edel, W., P.A.IÍ. Guinee, M. van Sehothorst & E.K. Kampelmacher, 1973 SaTmoneTTa cycTes in foods wíth special reference to the effects of envíronmentaT factors, incTuding feeds, Can. Inst. Food Sci. Technol. J. , 6,2:64-67 . Feenstra, M.H. , G. Janmaat & I'{.A.M. Wagemakers, l9BBa Opvattingen over de veíTigheid van ons voedseT, SIíOKAtern, no. 4, 'sGravenhage.

Feenstra, M.H., G.J. Schep & I. Spijkerman-van Zon, 19BBb Door straTing houdbaar?, Apvattingen van consumenten over voedseldoorstraling, SLiOKAtern, no. 7, 's-Gravenhage. Gezondheidsraad, 1988

jejuni infecties in Nederland, Advies uitgebracht door een commissie van de Gezondheidsraad, No L7BB/L3, 's-Gravenhage, 10 oktober

CampyTobacter 1988.

Haberstroh, C.J., L987 CTose Ís not good enough at any time, Food Engineering, L2:97-98,103.

E.H., 1985 Díe Teute sagen immer , Iíageningen, Landbouwuniversiteit, Rede uitgesproken op 6 juni 1985 bij afscheid als buitengewoon hoogleraar in de Levensmiddelenmicrobiologie en -hygiène.

Kampelmacher,

Ministerie van i{e1zíjn, Volksgezondheid en Cultuur, 1983 Nota Voedingsbeleid, Tweede Kamer, vergaderiaar 1983-L984, 18156, nrs. t-2. llulder, R.W.A.ií., N.M. Bolder & M.C. van der Hu1st, 1988 Onderzoek naar hygiëne in pTuimveesTachterijen, In: Lezingen gehouden tijdens kontaktdag Verwerkende Industrie, 3 november 1988, Centrum voor Onderzoek en Voorlichting voor de Pluimveehouderij; 23-31.

32

§., E,H.W. van Erne, H,J. tseckers & J. Oosterorn, L981 Beurteifumg des ba.kteríologisehen §ÈaEu e fríschen Gef Ttlga1s Ín Làden und .auÍ Nërkten, Fleis,ahwirËsehafu, 61(1-) : 131-134.

I{ote'rnan'sn

§harp, J-.C.M-, 1"988 6as,tta- ínËésÈÍnal Í.nfacr.íons ln .9coË Íand, l-9&0- 1987. Coururunicable Diseases Scotland Articles B8/L9 :5-7 .

§niJders, J. ,

1.988

Gpsd tïapu 4cturiag Ptaetiees aÍL ScbTachtliníefi, Fleisctryirtschaft, 68(6):709-717.

SÈaatqtoezíeht op de folksgezondheld, 1986 Sewakíngaprögrdrrtra "'meas en vaeding"; ResuX-taten echendem"

qaqït

tot en fieË 1983, Leid-

1q86.

Staptstqeslsht op de Volksgezondheid, 1987 Eewakingepragrgrtuva "treïts en voeding"; Resu.ltaren tot e:2 rÍet voorjaat

RÍjswiJ!, Juli Iíheelock, V., 1988 1986t

1987.

Bacteri-al f,ood-boste dígea.se; a wajor issu€ for the f,oad í$dustties,

Food marketing, 90,2:58-64.

33

APPEND]X

I:

ACHTERGRONDINFORMATIE PROJECT

Projecttitel: Microbiele voedselverontreiniging; een forumstudie Uitvoering:

Instituut voor Milieu- en Systeemanalyse, Amsterdam Uitvoerinesperiode eerste fase:

1 augustus 1988 tot 1 februari

1989

Subsidieverleners: Ahold NV, Zaandam Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek,'s-Gravenhage Unílever Research Laboratorium, Vlaardingen Onderzoeksteam:

Drs. H. Sas (projectleider) Drs. M. lulieras Ir. F. Verberne Stuurgroep:

Dr. P.J. Anema

Hoofdinspectie van de volksgezondheid voor de levensmiddelen en de keuring van waren' l"linisterie van Iíe1zíj n, Volksgezondheid en Cultuur

Dr. S. A. Bouwer-Hertzbergex Kwaliteitsadviesdienst, Albert Heijn B.V. itï. van Dieren Instituut voor Milieu- en Systeemanalyse Dr. M.H. de Jong Directie voedings- en kwaliteitsaangelegenheden, Ministerie van Landbouw en Visserij (voorz itter scuurgroep) Dr. O. Korver Unilever Research Laboratorium Prof .dr. ir. F.M. Rombouts Vakgroep Levensmiddelenteehnologie, Landbouwuniversiteit líageningen Ir. P.L. Slis Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek

35

APPENDIX

II:

LIJST VAN

GE]NTERVIEWDE PERSONEN

Aalbersberg, dr. W.IJ

Nederlands fnstituut

voor Zuivelonder-

zoek Anema,

dr.

Hoofdinspectie van de volksgezondheid voor de levensmiddelen en de keuring van hTaren, Ministerie van Welzijn, Volksge-

P.J.

zondheid en Cultuur

Beckers, ir. H.J

Nestlé laboratorium

Boer, ir. E.

Rijkskeuringsdienst van Waren voor het gebied Zutphen, Ministerie van Welzijn,

de

Volksgezondheid en Cultuur

Bont, ir.

G.

L.A.M.

Totaal Hygiëne Keur

de

Bouwer-Hertzberger, dr. S.A. Gerats

, drs . íng.

Albert Heijn B.V. Vakgroep Voedingsmiddelen van Dierlijke Oorsprong, Faculteit der Diergeneeskun-

G. E.

de, Rijksuniversiteit

Laboratoriurn voor Water en Levens -mw. middelenmi-crobiologie, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne

- Verde gaal, A.M.M.

Hoo genboom

ir. drs.

Utrecht

Jansen, drs. J.T.

Algemene Directie Rijkskeuringsdienst van Waren, Ministerie van líe1zijn, Volksgezondheid en Cultuur

Jong, dr. M.H.

Direetie voedings- en kwaliteitsaangelegenheden, l,Iinisteríe van Landbouw en Vis serij

de

Kampelmacher, prof

Klapwijk, dr.

.dr.

E.H.

P.M.

Logtestijn, prof.dr. J.G. van

Gezondheidsraad

Unilever Research Laboratorium Vakgroep VoedingsmÍddelen van Dierlijke Oorsprong, Faculteit der Diergeneeskun-

de, RijksuniversiEeit Utrecht

Mulder, dr. ir. R.lÍ.A.W.

Centrum voor Onderzoek en Voorlichting voor de Pluimveehouderij, Het Spelderholt

Reijnders, dr. L.

Stichting Natuur en Milieu

Schuttelaar, ir.

M.

Stichting Konsumenten Kontakt

36

Snijders, dr. J.M.A.

Vakgroep Voedingsmiddelen van Dierlijke Oorsprong, Faculteit der Diergeneeskun-

de, Rijksuniversiteit

Stegeman, ir.

H.

Utrecht

Rijks-Kwaliteitsinstituut Tuinbouwprodukten

voor Lirnd-

en

37

APPENDIX

III:

DEELNEMERSLIJST IíORKSHOP

26 JANUARI 1986,

DEN HAAG

Rijswijk

1. Anema, dr. P.J.

Hoofdinspectie van de volksgezondheid voor de levensmiddelen en de keuring van \^raren, Ministerie van WVC

2. Baalen, drs. W.J. van

Stichting gezondheidszorg Den Haag voor dieren

3. Beckers, ir.

Nestlé Laboratorium

NunsPeet

Melkunie Holland BV

Woerden

Produktschap voor Vee en Vlees

Rijswijk

Rijkskeuringsdienst van

Zutphen

H.J.

4. Berg, prof.ir.

M.G. van den

5. Beurden, ing. J.N.M. van 6. Boer, ir. E. de 1

Waren, Ministerie van

. Bouwer-Herxzberger, dr. S.A.

B. Dieren, W. van

WVC

Albert Heijn B.V.

Zaandam

Instituut voor Milieu- en

Amsterdam

Systeemanalyse

9. Feenstra. ir. M.H.

Stichting Wetenschappe- Den Haag lijk Onderzoek Konsumentenaangelegenheden

10. Genderen, dhr.

A.i^I

. van

Stichting Keur Alternatief Driebergen voortgebrachte Landbouwprodukt-en

11. Hartog, drs. J.M.P. den

Rijks-Kwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouw-

ldageningen

produkten

12. Hekkens-Klaassen, mv/. J. van

Voorlichtingsbureau voor

Den Haag

de Voeding

13. Hoogenboom-Verdegaal, mw.ir.drs. A.M.M. 14. Houwing, ing. H

voor Volks- Bilthoven gezondheid en Milieuhygiène

Rijksinstituut

Instituut voor Visserij-

IJmuiden

produkten/TNO

15. Huis in 't VeId, dr. J.H.J.

Centraal Instituut Voedings- ZeLst Onderzoek/TNO

16. Jansen, drs. J.T.

Directie Rijkskeuringsdienst van Waren, MinisLerie van IíVC Algemene

Rijswijk

38

17. Jong, dr. M.H. de

Directie voedings- en

Den Haag

kwal i te i ts aange Ie genheden,

Ministerie van I§V 18. Korver, dr. O.

Unilever Research

Vlaardingen

Laboratorium

19. Michels, drs. M.J.M.

Unilever Research

Vlaardingen

Laboratorium

20. Mieras, drs. M.

Instituut voor Milieu- en

Amsterdam

Systeemanalyse

21. Mys, Ír. A.

ProdukEschap

voor Pluimvee Zeisx

en Eieren

22" Nieuwl4nd, ir. L.R. van

23. Pluimers, drs. F,H. 24. Postema, drs. C.A.

Consumentenbond

Den Haag

RijksflÍenst voor de

Den Haag

Keuring van Vee en Vlees, Ministerie van l§V

Rijswijk

inspectie van de Volksgezondheid, Ministerie van

25. Rombouts, prof.dr.ir. F.M.

Hoofd-

Geneeskundige

IíVC

Vakgroep Levensmiddelen- Wageningen

technologie,

Landbouw-

univers i teit Wageningen

26. Rossem, mr^r. drs. F. van 27. Sas, drs. H.

Bedrijfschap Slagersbedrij f

Rijswijk

Instituut voor Milíeu- en

Amsterdam

Systeemanalyse

28- Slis, ir. P.L.

Nationale Raad voor Land- Den Haag bouwkundig Onderzoek

29. Snijders, dr. J.M.A.

Vakgroep Voedingsmiddelen Utrecht van Dierlijke Oorsprong, RÍj ksunivers iteit Utrecht

30. Stegeman, ir. H.

Rijks-Kwalíteitsinstituut

Wageningen

voor Land- en Tuinbouwprodukten

31. Verberne, ir. F.

InstifuuE voor Milieu- en

Amsterdam

Systeemanalyse

32. Vinkhuyzen, mw. W.

Delta Daily Food

33. Wijga, mw. A.

Rijksinstituut voor Volks- Bilthoven gezondheid en Milieuhygiène

Nieuw-Vennep

39

34. I,rlinter, ir. K. de

Stichting Konsumenten

Den Haag

Kontakt

35. iíouters, dr. J.T.M.

Nederlands Instituut voor Zuivelonderzoek

Ede

Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.