Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest


1 2 Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Maart 20043 4 Het Brussels Observatorium van de Arbeidsmarkt en d...
Author:  Ine van Beek

0 downloads 0 Views 2MB Size

Recommend Documents


De arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Situatie 2013
1 De arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Situatie 2013 Met de steun van het Europees sociaal fonds2 3 Redactie Khadija Senhadji 02/ Sep...

De arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
1 De arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest SITUATIE 2014 Met de steun van het Europees sociaal fonds2 Het Brussels Observatorium voor de ...

De arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
1 De arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 20162 Verantwoordelijke uitgever Grégor Chapelle Directeur-generaal van Actiris, Gewest...

De luchtkwaliteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
1 Lucht > Professionelen De luchtkwaliteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Zomerperiode 211 November 211 Meer informatie : > Professione...

De luchtkwaliteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
1 Lucht > Professionelen De luchtkwaliteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Zomerperiode 21 December 21 Meer informatie : > Professionele...

Brussels Hoofdstedelijk Gewest ****** Vereniging van de Stad en de Gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Mobiliteitscel
1 Koninklijk Besluit van 9 oktober 1998 tot bepaling van de vereisten voor de aanleg van verhoogde inrichtingen op de openbare weg en van de technisch...

De Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,
1 ARRETE DU GOUVERNEMENT DE LA REGION DE BRUXELLES-CAPITALE OUVRANT LA PROCEDURE DE CLASSEMENT COMME SITE ARCHEOLOGIQUE DE LA VILLA GALLO-ROMAINE DU L...

DE CONJUNCTUURBAROMETER VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
1 Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse Trimestrieel april 2008 DE CONJUNCTUURBAROMETER VAN ...

DE CONJUNCTUURBAROMETER VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
1 Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse Trimestrieel DE CONJUNCTUURBAROMETER VAN HET BRUSSEL...

DE CONJUNCTUURBAROMETER VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
1 Gewestelijke overheidsdienst Brussel Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse Semestrieel DE CONJUNCTUURBAROMETER VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELI...



Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Maart 2004

Het Brussels Observatorium van de Arbeidsmarkt en de Kwalificaties is opgericht in 1995 en wordt gecofinancierd door het Europees Sociaal Fonds in het kader van Doelstelling 3. Het heeft tot doel de evolutie van de werkgelegenheid en de werkloosheid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te volgen. Op basis van thematische analyses worden de vragen naar veranderingen en verschuivingen met betrekking tot jobs, beroepen en kwalificaties onderzocht.

Medewerkers: verantwoordelijke:

Stéphane THYS (fr) 02/505.14.54 e-mail: [email protected] Amandine BERTRAND (fr) 02/505.78.76 e-mail: [email protected] Paul CLERBAUX (fr) 02/505.14.14 e-mail: [email protected] Bénédicte DECKER (fr) 02/505.16.07 e-mail: [email protected] Mourad DE VILLERS (fr) 02/505.14.14 e-mail: [email protected] Chantal JACQUEMART (fr) 02/505.16.07 e-mail: [email protected] Jean-François ORIANNE (fr) 02/505.78.76 e-mail: [email protected] Véronique VALLE (fr) 02/505.16.07 e-mail: [email protected] Sandy VAN RECHEM (nl) 02/505.14.56 e-mail: [email protected] Patricia VROMAN (nl) 02/505.14.56 e-mail: [email protected]

secretariaat:

Xavier BERCKMANS (fr) 02/505.14.49 e-mail: [email protected] Alexandra DE WIT (nl) 02/505.14.53 e-mail: [email protected]

Lay-out: Alexandra DE WIT - cover: B. REUMONT

Anspachlaan 65 - 1000 Brussel Fax: 02/505.78.19 (e-mail [email protected] - site Observatorium www.bgda.be)

Maart 2004

Inhoudstafel

Inleiding ........................................................................................................................................1 1. Theoretische elementen en inleidende beschouwingen.................................................................3 1.1.

Terminologie....................................................................................................................3

1.2.

Context van het gelijkekansenbeleid..................................................................................4

1.3.

Debat feminisering van de beroeps- en functienamen ........................................................7

2. Socio-demografische gegevens.................................................................................................10 2.1.

Bevolking.......................................................................................................................10

2.2.

Leeftijdsstructuur ...........................................................................................................12

2.3.

Huishoudens ..................................................................................................................13

2.4.

Armoede........................................................................................................................16

2.5.

Besluit ...........................................................................................................................18

3. Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking.......................................................................19 3.1.

Bevolking op arbeidsleeftijd ............................................................................................19

3.2.

Beroepsactieve bevolking................................................................................................22 3.2.1.

Activiteitsgraad.............................................................................................................. 24

3.2.2.

Werkzaamheidsgraad..................................................................................................... 26

3.2.3.

Werkloosheidsgraad....................................................................................................... 33

3.3.

Niet-beroepsactieve bevolking.........................................................................................37

3.4.

Dynamiek tussen de verschillende segmenten van de arbeidsmarkt...................................42

3.5.

Besluit ...........................................................................................................................44

4. Interne werkgelegenheid .........................................................................................................46 4.1.

Bezoldigde werkgelegenheid ...........................................................................................46 4.1.1.

4.2.

4.3.

Activiteitensectoren en beroepen .................................................................................... 47

4.1.2.

Private en openbare werkgelegenheid ............................................................................. 51

4.1.3.

Beroepsstatuut .............................................................................................................. 54

4.1.4.

Bedrijfsgrootte .............................................................................................................. 56

4.1.5.

Ruimtelijke spreiding...................................................................................................... 58

Zelfstandige arbeid.........................................................................................................59 4.2.1.

Evolutie van de zelfstandige arbeid ................................................................................. 60

4.2.2.

Activiteitensector ........................................................................................................... 61

4.2.3.

Leeftijdsklasse............................................................................................................... 63

4.2.4.

Inkomensklasse............................................................................................................. 64

4.2.5.

Stopzetting en opstarting van activiteiten......................................................................... 64

4.2.6.

Ruimtelijke spreiding...................................................................................................... 65

Uitzendarbeid.................................................................................................................66

4.4.

Pendelverkeer ................................................................................................................69 4.4.1.

Inkomend pendelverkeer................................................................................................ 70

4.4.2.

Uitgaand pendelverkeer ................................................................................................. 72

4.5.

Knelpuntberoepen vanuit een genderperspectief ..............................................................73

4.6.

Besluit ...........................................................................................................................75

5. Werkende beroepsbevolking.....................................................................................................77 5.1.

Evolutie van de werkende beroepsbevolking ....................................................................77

5.2.

Studieniveau van de werkende beroepsbevolking .............................................................78

5.3.

Segregatie .....................................................................................................................80

5.4.

5.3.1.

Horizontale segregatie ................................................................................................... 80

5.3.2.

Verticale segregatie ....................................................................................................... 85

Jobkenmerken ...............................................................................................................86 5.4.1.

5.5.

Loonvoorwaarden .......................................................................................................... 86

5.4.2.

Precaire werkgelegenheid............................................................................................... 89

5.4.3.

Arbeidstijd .................................................................................................................... 91

5.4.4.

Beroeps- en gezinsarbeid ............................................................................................... 95

5.4.5.

Werk en gezondheid .................................................................................................... 100

Besluit ......................................................................................................................... 105

6. Werkloosheid ........................................................................................................................ 108 6.1.

Evolutie van de werkloosheid ........................................................................................ 108

6.2.

Kenmerken van de werkloosheid ................................................................................... 109

6.3.

6.4.

6.2.1.

Leeftijd, studieniveau en inactiviteitsduur....................................................................... 109

6.2.2.

Nationaliteit ................................................................................................................ 114

6.2.3.

Beroepen .................................................................................................................... 116

6.2.4.

Werkloosheidscategorie................................................................................................ 117

6.2.5.

Ruimtelijke spreiding.................................................................................................... 119

Dynamiek van de werkloosheid ..................................................................................... 122 6.3.1.

Instroom in de werkloosheid......................................................................................... 122

6.3.2.

Uitstroom uit de werkloosheid....................................................................................... 123

6.3.3.

Instroom in de langdurige werkloosheid......................................................................... 131

6.3.4.

Uitsluiting uit de werkloosheid ...................................................................................... 132

6.3.5.

Schoolverlaters............................................................................................................ 133

Besluit ......................................................................................................................... 138

7. Algemeen besluit ................................................................................................................... 140 Bijlagen ..................................................................................................................................... 145 Verklarende woordenlijst............................................................................................................. 149 Bibliografie................................................................................................................................. 152

Lijst met tabellen

Tabel 1:

Evolutie van het aantal inwoners in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (1980-2003)..................................... 10

Tabel 2:

Leeftijdsstructuur in de drie gewesten (in %) (1990-2003) ........................................................................... 12

Tabel 3:

Types van huishoudens volgens gewest - 1/01/2003.................................................................................... 14

Tabel 4:

Types van huishoudens en het aantal kinderen - 31/12/1999 ....................................................................... 15

Tabel 5:

Belastingplichtigen die recht hebben op een verhoogde terugbetaling van het ziekenfonds in het Brussels

Tabel 6:

Studieniveau van de bevolking in de drie gewesten volgens leeftijd en gender - 2002.................................... 20

Tabel 7:

Activiteitsgraad, werkzaamheidsgraad en werkloosheidsgraad in de drie gewesten en de EU - 2002 ............... 22

Tabel 8:

Activiteitsgraad in de drie gewesten en de EU volgens leeftijd en gender - 2002............................................ 24

Gewest - 1/01/2001 ................................................................................................................................... 17

Tabel 9:

Activiteitsgraad in het Brussels Gewest en België volgens nationaliteit en studieniveau - 2002........................ 25

Tabel 10:

Werkzaamheidsgraad in de drie gewesten en de EU volgens leeftijd en gender - 2002................................... 27

Tabel 11:

Werkzaamheidsgraad in de drie gewesten volgens studieniveau - 2002......................................................... 29

Tabel 12:

Werkzaamheidsgraad van de jongeren (< 25 jaar) in de drie gewesten volgens studieniveau - 2002 .............. 30

Tabel 13:

Werkzaamheidsgraad in het Brussels Gewest volgens nationaliteit en studieniveau - 2002 ............................. 31

Tabel 14:

Werkzaamheidsgraad in de drie gewesten bij de 25-49-jarigen volgens huishoudtype - 2000 ......................... 32

Tabel 15:

Werkloosheidsgraad in de drie gewesten en de EU volgens leeftijd en gender - 2002..................................... 34

Tabel 16:

Werkloosheidsgraad in de drie gewesten volgens studieniveau - 2002 .......................................................... 35

Tabel 17:

Werkloosheidsgraad in het Brussels Gewest en België volgens nationaliteit en studieniveau - 2002................. 36

Tabel 18:

Werkloosheidsgraad in de drie gewesten bij de 25-49-jarigen volgens huishoudtype - 2000 ........................... 37

Tabel 19:

Niet-beroepsactieve bevolking in de drie gewesten - 2002............................................................................ 38

Tabel 20:

Niet-beroepsactieve bevolking in de drie gewesten volgens socio-economisch statuut (in %) - 2002............... 39

Tabel 21:

Niet-beroepsactieve bevolking in het BHG volgens sociaal-economisch statuut en leeftijd (in %) - 2002.......... 39

Tabel 22:

Niet-beroepsactieve bevolking in het BHG volgens sociaal-economisch statuut en studieniveau (in %) - 2002 . 40

Tabel 23:

Niet-beroepsactieve bevolking in het BHG en in België die niet op zoek is naar een job volgens leeftijd en

Tabel 24:

Dynamiek tussen de verschillende segmenten op de Brusselse arbeidsmarkt (in %) - 2001-02 ....................... 43

Tabel 25:

Loontrekkenden in het Brussels Gewest volgens activiteitensector en gender (in %) - 2002 ........................... 48

Tabel 26:

Werkgelegenheid in de Brusselse non-profitsector - 2002............................................................................. 50

gender (in %) - 2002 ................................................................................................................................. 41

Tabel 27:

Loontrekkenden in het Brussels Gewest volgens beroepsgroep en gender (in %) - 2002 ................................ 51

Tabel 28:

Loontrekkenden in de privé- en openbare sector volgens gender in het Brussels Gewest (in %) ..................... 52

Tabel 29:

Proportie vrouwen in de overheidsdiensten volgens niveau (in %) - 1/01/2001 ............................................. 53

Tabel 30:

Proportie vrouwen in de overheidsdiensten volgens statuut (in %) - 1/01/2001............................................. 54

Tabel 31:

Bezoldigde arbeid in de drie gewesten volgens beroepsstatuut en gender - 2002........................................... 55

Tabel 32:

Evolutie van de bezoldigde arbeid in het Brussels Gewest volgens bedrijfsgrootte (1992-2002) ...................... 57

Tabel 33:

Personen die vallen onder het sociaal statuut van de zelfstandigen in de drie gewesten - 2002 ...................... 60

Tabel 34:

Evolutie van de zelfstandige arbeid volgens gender (in %) (1992-2002)........................................................ 60

Tabel 35:

Zelfstandige arbeid in hoofdberoep volgens activiteitensector en gender - 2002 ............................................ 61

Tabel 36:

Sectorale evolutie van de zelfstandige arbeid volgens gender (in %) (1992-2002) ......................................... 62

Tabel 37:

Evolutie van de zelfstandige arbeid volgens leeftijdsklasse en gender (in %) (1997-2002).............................. 63

Tabel 38:

Stopzetting en opstarting van activiteiten in Brussel volgens gender - 2002................................................... 64

Tabel 39:

Stopzettting en opstarting van activiteiten in Brussel volgens sector en gender - 2002 ................................... 65

Tabel 40:

Stopzetting en opstarting van activiteiten in Brussel volgens leeftijd en gender - 2002 ................................... 65

Tabel 41:

Uitzendarbeid volgens gender - 2002 .......................................................................................................... 66

Tabel 42:

Uitzendarbeid in de drie gewesten volgens beroepsstatuut en gender - 2002 ................................................ 67

Tabel 43:

Evolutie van de uitzendarbeid volgens beroepsstatuut en gender (in %) (1992-2002).................................... 68

Tabel 44:

Intergewestelijke arbeidskrachten en pendelaars - 2002 .............................................................................. 69

Tabel 45:

Interne Brusselse werkgelegenheid volgens woonplaats en gender - 2002 .................................................... 70

Tabel 46:

Inkomend pendelverkeer volgens leeftijd en gender - 2002 .......................................................................... 70

Tabel 47:

Brusselse interne werkgelegenheid volgens woonplaats, sector en gender - 2002 .......................................... 72

Tabel 48:

Uitgaande pendel volgens leeftijd en gender (1992-2002) ............................................................................ 72

Tabel 49:

Vrouwelijke arbeidsreserve voor de knelpuntberoepen - 2002....................................................................... 73

Tabel 50:

Evolutie van de werkende beroepsbevolking in de drie gewesten (1992-2002) .............................................. 77

Tabel 51:

Vrouwelijke werkende beroepsbevolking volgens beroep (ISCO-88 2 digits) - 2002........................................ 81

Tabel 52:

Brusselse werkende beroepsbevolking volgens sector en gender - 2002........................................................ 84

Tabel 53:

Indeling van de sociale tijd in België volgens werksituatie en gender - 1999.................................................. 96

Tabel 54:

Indeling van de sociale tijd in België volgens gezinssituatie en gender - 1999................................................ 97

Tabel 55:

Indeling van de sociale tijd volgens diploma en gender - 1999 .................................................................... 98

Tabel 56:

Indeling van de activiteiten volgens gewest en gender - 1999 ..................................................................... 99

Tabel 57:

Indeling van de arbeidsongevallen in de privésector in België volgens gender - 2002 ....................................101

Tabel 58:

Indeling van de beroepsziekten in België volgens diagnose en gender - 2002 ...............................................103

Tabel 59:

Proportie personen die verklaren een slechte gezondheid te hebben volgens gewest en gender - 2001..........103

Tabel 60:

Evolutie van de NWWZ in het BHG volgens leeftijd, studieniveau en inactiviteitsduur (in %) .........................110

Tabel 61:

Niet-werkende werkzoekenden in het BHG volgens leeftijd en studieniveau (in %) - juni 2003 ......................111

Tabel 62:

Niet-werkende werkzoekenden in het BHG volgens leeftijd en inactiviteitsduur (in %) - juni 2003 .................112

Tabel 63:

Niet-werkende werkzoekenden in het BHG volgens studieniveau en inactiviteitsduur (in %) - juni 2003 .........113

Tabel 64:

Evolutie van de niet-werkende werkzoekenden in het BHG volgens nationaliteit (in %) (juni 1992-2003) .......114

Tabel 65:

NWWZ in het BHG volgens studieniveau en nationaliteit (in %) - juni 2003 ..................................................115

Tabel 66:

Niet-werkende werkzoekenden in de drie gewesten volgens categorie - juni 2003 ........................................118

Tabel 67:

Evolutie van de NWWZ in het BHG volgens statuut in de werkloosheid (in %) (juni 1992-2003) ....................119

Tabel 68:

Werkloosheidsgraad in de 19 gemeenten volgens gender - 2003 .................................................................121

Tabel 69:

Instroom in de Brusselse werkloosheid volgens categorie en gender - 2002 .................................................122

Tabel 70:

Ingeschreven vrouwen (< 30 jaar) volgens studieniveau, inactiviteitsduur en kinderen - januari 2002 ...........129

Tabel 71:

Aantal beslissingen tot uitsluiting van de werkloosheid (volledige of gedeeltelijke uitsluiting) - 2003 ..............132

Tabel 72:

Evolutie van het aantal inschrijvingen van schoolverlaters (1998-2002)........................................................134

Bijlagen

Tabel 1:

Evolutie van de activiteitsgraad in de drie gewesten (1992-2002) ................................................................145

Tabel 2:

Evolutie van de werkzaamheidsgraad in de drie gewesten (1992-2002) .......................................................145

Tabel 3:

Evolutie van de werkloosheidsgraad in de drie gewesten (1992-2002) .........................................................145

Tabel 4:

Bezoldigde arbeid en bevolking per gemeente - 2002..................................................................................146

Tabel 5:

Zelfstandige arbeid per gemeente - 2002 ...................................................................................................146

Tabel 6:

Inkomen van de zelfstandigen volgens gender (in euro/jaar) - 2002 ............................................................147

Tabel 7:

Brusselse interne werkgelegenheid volgens woonplaats, sector en gender (in %) - 2002 ..............................147

Tabel 8:

Evolutie van de werkzoekenden volgens gemeente en gender (1992-2003)..................................................148

Lijst met grafieken

Grafiek 1:

Evolutie van het aantal Belgen en vreemdelingen in het Brussels Gewest volgens gender (1980-2003) ........... 11

Grafiek 2:

Leeftijdspiramide van het Brussels Gewest - 2002........................................................................................ 13

Grafiek 3:

Brusselse bevolking op arbeidsleeftijd naar activiteit (in %) - 2002 ............................................................... 20

Grafiek 4:

Studieniveau van de 25-29-jarigen in de drie gewesten (in %) - 2002........................................................... 21

Grafiek 5:

Evolutie van de werkzaamheidsgraad voor vrouwen en mannen in het BHG en België (1992-2002) ................ 26

Grafiek 6:

Genderkloof in de werkzaamheidsgraad in de drie gewesten volgens studieniveau - 2002 .............................. 29

Grafiek 7:

Evolutie van de werkloosheidsgraad voor vrouwen en mannen in het BHG en België (1992-2002) .................. 34

Grafiek 8:

Reden voor het niet-zoeken naar een betrekking in het Brussels Gewest volgens gender (in %) - 2002 .......... 41

Grafiek 9:

Evolutie van de bezoldigde werkgelegenheid in het Brussels Gewest (1990-2002) ......................................... 47

Grafiek 10:

Tewerkstelling in Brusselse scholen volgens onderwijsniveau en gender (in %) - 2002................................... 49

Grafiek 11:

Vrouwelijke werkgelegenheid volgens sector en gewest (in %) - 2002 .......................................................... 53

Grafiek 12:

Bezoldigde arbeid in het Brussels Gewest volgens beroepsstatuut en activiteitensector (in %) - 2002 ............. 56

Grafiek 13:

Bezoldigde arbeid in het Brussels Gewest volgens bedrijfsgrootte en gender (in %) - 2002 ............................ 57

Grafiek 14:

Bezoldigde arbeid volgens gemeente en gender (in %) - 2002 ..................................................................... 58

Grafiek 15:

Inkomen van de zelfstandigen volgens gender (1.000 euro/jaar) - 2002 ....................................................... 64

Grafiek 16:

Evolutie van de uitzendarbeid in het BHG volgens gender (1992-2002) ......................................................... 68

Grafiek 17:

Ingevulde werkaanbiedingen voor de knelpuntberoepen volgens gender (in %) - 2002.................................. 74

Grafiek 18:

Studieniveau van de Brusselse werkende beroepsbevolking volgens gender (in %) - 2002. ............................ 78

Grafiek 19:

Studieniveau van de vrouwelijke werkende beroepsbevolking in de drie gewesten (in %) - 2002.................... 79

Grafiek 20:

Werkende beroepsbevolking volgens studieniveau en leeftijdsklasse in het BHG (in %) - 2002 ....................... 79

Grafiek 21:

Brusselse werkende beroepsbevolking volgens beroep en gender (ISCO-88 3 digits) - 2002 ........................... 82

Grafiek 22:

Werkende beroepsbevolking in de overheidssector volgens gewest en gender (in %) - 2002.......................... 84

Grafiek 23:

Proportie vrouwen volgens beroepsstatuut en gewest (in %) - 2002 ............................................................. 85

Grafiek 24:

Maandelijks nettoloon volgens woonplaats en gender (in € - voltijdse job) - 2001.......................................... 86

Grafiek 25:

Maandelijks nettoloon in België volgens behaald diploma en gender (in € - voltijdse job) - 2001..................... 88

Grafiek 26:

Maandelijks nettoloon in België volgens leeftijd en gender (in €- voltijdse job) - 2001.................................... 88

Grafiek 27:

Werknemers met een tijdelijke overeenkomst in de drie gewesten volgens gender (in %) - 2002 ................... 89

Grafiek 28:

Werknemers met een tijdelijke arbeidsovereenkomst in het BHG volgens leeftijd en gender (in %) - 2002...... 90

Grafiek 29:

Redenen waarom Belgische werknemers een andere job zoeken (in %) - 2002 ............................................. 90

Grafiek 30:

Proportie deeltijdse werknemers in de drie gewesten volgens gender (in %) - 2002 ...................................... 91

Grafiek 31:

Evolutie van het aantal deeltijds werkende vrouwen in de drie gewesten (1992-2002) ................................... 91

Grafiek 32:

Proportie deeltijdse werknemers in het BHG volgens leeftijd en gender (in %) - 2002.................................... 92

Grafiek 33:

Redenen van deeltijdse arbeid in het Brussels Gewest volgens gender (in %) - 2002 ..................................... 93

Grafiek 34:

Brusselaars met atypische werktijden volgens gender (in %) - 2002 ............................................................. 93

Grafiek 35:

Brusselse werkende beroepsbevolking volgens effectieve werktijd en gender (in %) - 2002 ........................... 94

Grafiek 36:

Indeling van de activiteiten in een fictieve week in het Brussels Gewest volgens gender (in %) - 1999 ..........100

Grafiek 37:

Trimestriële evolutie van het aantal niet-werkende werkzoekenden in het Brussels Gewest ..........................108

Grafiek 38:

Verhouding vrouwen-mannen in de Brusselse werkloosheid volgens beroepencode - juni 2003 .....................117

Grafiek 39:

Verhouding vrouwen-mannen in de werkloosheid volgens gemeente - juni 2003 ..........................................120

Grafiek 40:

Uitstroomgraad uit de Brusselse werkloosheid volgens leeftijd, studieniveau en gender (in %) - 2002 ...........124

Grafiek 41:

Uitstroomgraad uit de Brusselse werkloosheid volgens leeftijd, inactiviteitsduur en gender (in %) - 2002.......125

Grafiek 42:

Uitstroomgraad uit de Brusselse werkloosheid volgens studieniveau, inactiviteitsduur en gender - 2002.........126

Grafiek 43:

Uitstroomgraad uit de Brusselse werkloosheid volgens werkloosheidscategorie en gender (in %) - 2002........126

Grafiek 44:

Uitstroomgraad uit de Brusselse werkloosheid volgens nationaliteit, leeftijd en gender (in %) - 2002.............127

Grafiek 45:

Uitstroomgraad

uit

de

Brusselse

werkloosheid

volgens

nationaliteit,

inactiviteitsduur

en

gender

(in %) - 2002 ...........................................................................................................................................128

Grafiek 46:

Uitstroomgraad van jonge vrouwen met en zonder kinderen volgens studieniveau (in %) - 2002...................129

Grafiek 47:

Uitstroomgraad van jonge vrouwen met en zonder kinderen volgens inactiviteitsduur (in %) - 2002..............130

Grafiek 48:

Evolutie van de cohorte werkzoekenden (in %) (december 1999-2003) .......................................................131

Grafiek 49:

Evolutie nog werkzoekende schoolverlaters na 1 jaar (in %) (1998-2002) ....................................................134

Grafiek 50:

Nog werkzoekende schoolverlaters na 1 jaar volgens studieniveau en gender (in %) - 2002 .........................136

Grafiek 51:

Dynamiek van de schoolverlaters volgens gender (2002-2003) ....................................................................137

In het kader van het Sociaal Pact voor de Werkgelegenheid van de Brusselaars engageerden de sociale partners zich om de tewerkstelling van de Brusselaars te bevorderen door alle vormen van discriminatie tegen te gaan, onder andere op het gebied van de gelijke kansen van vrouwen en mannen. Dit is de reden waarom het Brussels Observatorium van de Arbeidsmarkt en de Kwalificaties, op vraag van de Economisch en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de situatie van de Brusselse vrouwen op de arbeidsmarkt bestudeerd hebben. Deze eerste studie schetst een algemeen beeld van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Na deze algemene analyses zullen meer thematische onderzoeken volgen. Twee onderwerpen werden reeds bepaald: de eerste studie zal het werkgelegenheidsbeleid vanuit een genderperspectief benaderen, terwijl de tweede het belang van de ontwikkeling van buurt- en nabijheidsdiensten bestuderen. Deze studie, "Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest", vestigt de aandacht op het voortbestaan van ongelijkheden tussen vrouwen en mannen in het licht van de recente evolutie. Verschillende thema's zijn vanuit een genderperspectief benaderd via een uitgebreide reeks van indicatoren en commentaren. Zowel de beleidsmakers, de sociale partners als andere personen geïnteresseerd in dit onderwerp zullen in deze studie een gedetailleerde analyse vinden betreffende de positie van de vrouwen op de Brusselse arbeidsmarkt. Het Territoriaal Pact voor de Werkgelegenheid dat een ontmoetingsplaats wil zijn waarbij verschillende partners nieuwe denkpistes uitwerken en ideeën uitwisselen om de werkgelegenheid in Brussel te stimuleren, heeft een werkgroep betreffende de ongelijkheid tussen vrouwen en mannen opgericht. Deze werkgroep vormde het Begeleidingscomité van deze studie.

Eddy COURTHEOUX

Coördinator van het Territoriaal Pact voor de Werkgelegenheid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Directeur-generaal van de BGDA

Op 11 juni 2002 werd het Sociaal Pact voor de Werkgelegenheid van de Brusselaars afgesloten, dat een versterking van de sociale dialoog en een bevordering van de werkgelegenheid van de Brusselaars nastreeft. In het kader van dit Pact heeft de Economische en Sociale Raad zich ertoe verbonden om een toekomstgerichte studie te voeren naar de ongelijke behandelingen tussen mannen en vrouwen op de Brusselse arbeidsmarkt. Deze studie past tevens in het kader van de nauwere betrokkenheid van de Economische en Sociale Raad bij het Territoriaal Pact voor de Werkgelegenheid. De Raad heeft de uitvoering van deze studie toevertrouwd aan het Brussels Observatorium van de Arbeidsmarkt en de Kwalificaties, waarvan de expertise buiten kijf staat. De studie komt in twee fasen tot stand. Ten eerste dient men over te gaan tot een beschrijving van de toestand van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (dit is de studie die u in handen heeft). Vervolgens dient men een thematische analyse te verrichten, die steunt op "het gewestelijk beleid inzake werkgelegenheid en beroepsopleiding vanuit de invalshoek van de genderproblematiek", evenals op "vrouwen en de ontwikkeling van de buurtdiensten". Deze thematische analyse zal het eerste meer algemene luik verder uitdiepen. Er bestaat immers heel wat literatuur, waarin het thema van vrouwen en werkgelegenheid aan bod komt. Er bestond evenwel geen recente studie, waarin alle gegevens van de arbeidsmarkt in het Brussels Gewest werden vervat. Deze analyse wil een dergelijke leemte opvullen. Een eerste vaststelling is dat de verschillen tussen mannen en vrouwen op de Brusselse arbeidsmarkt uitgesprokener lijken dan het beeld, dat men zich hierover doorgaans vormt. Een andere les is dat de fenomenen, waarop men de aandacht heeft gevestigd, niet altijd eigen zijn aan Brussel. De studie brengt evenwel enkele typisch Brusselse ongelijkheden aan het licht. Zo staat de uitbreiding van de tertiaire sector van de Brusselse economie niet onpartijdig tegenover de genders. 95 % van de bezoldigde vrouwen in Brussel werken in de sectoren van de administratie en dienstverlening, tegenover 84 % voor mannen. Deze wijziging in de economische structuur biedt nieuwe tewerkstellingsmogelijkheden en gaat gepaard met een toename van de kwalificatievereisten. Het gemiddeld opleidingsniveau van de Brusselse vrouwen is verbeterd. Dit is evenwel in hoofdzaak toe te schrijven aan de uitgesproken aanwezigheid van vrouwen met een universitair diploma. Brussel wordt immers ook gekenmerkt door een hoog percentage laaggeschoolde vrouwen. Net zoals in de andere Gewesten neemt ook in Brussel een lager percentage vrouwen dan mannen deel aan de arbeidsmarkt. Vrouwen die tewerkgesteld zijn werken in de sectoren van de gezondheid, de sociale actie en de huishouddiensten, evenals in de opvoedingssector waar ze in de meerderheid zijn tegenover mannen. Er bestaat wel degelijk een fenomeen van horizontale segregatie op de Brusselse arbeidsmarkt. Maar zelfs in de sterk vrouwelijke sectoren doet zich een andere vorm van segregatie voor : de verhouding vrouwen neemt af naarmate het functieniveau toeneemt, hetgeen de eigenschap van een verticale segregatie is.

De analyse van de eigenschappen van de banen toont eveneens aan dat er voor de voltijds werkende vrouwen een loondiscriminatie bestaat, gelet op het feit dat geen enkel loonverschil kan worden verklaard door de sector, het behaalde diploma, de leeftijd, enz. Bovendien worden vrouwen vaker dan mannen tewerkgesteld onder een contract van bepaalde duur en zet deze tendens zich nog sterker door bij de jongeren van minder dan 25 jaar. Andere ongelijkheid : er nemen minder Brusselse laaggeschoolde vrouwen dan mannen deel aan de arbeidsmarkt. Vaak worden ze geconfronteerd met werkloosheid en de aanwezigheid van jonge kinderen lijkt voor deze vrouwen, meer dan in de andere Gewesten, een belangrijk obstakel te vormen om uit de werkloosheid te geraken. Op het vlak van de werkloosheid zijn de genderverschillen evenwel groter. Hoewel vrouwen immers iets minder dan de helft van de niet-werkende werkzoekenden uitmaken, worden bepaalde groepen meer door de werkloosheid getroffen : niet-Europese vrouwen, paradoxaal hooggeschoolde vrouwen en vrouwen met vooral jonge kinderen. Ondanks het feit dat ze een beter opleidingsprofiel hebben, zijn vrouwen langer inactief. Vrouwen vertegenwoordigen minder dan de helft van de instroomgraad in de werkloosheid, maar hebben in vergelijking met mannen een lagere uitstroomgraad, ongeacht hun studieniveau, leeftijd, duur van inactiviteit of nationaliteit. Ten slotte dient men op te merken dat vrouwen met een niet-Europese nationaliteit ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt, hetgeen men kon veronderstellen. Het tewerkstellingspercentage van hooggeschoolde nietEuropese vrouwen ligt evenwel de helft lager dan geschoolde Belgische vrouwen en hun werkloosheidspercentage ligt vijfmaal hoger. Zonder te beweren dat in deze fase het thema van de studie, waartoe de Economische en Sociale Raad de opdracht heeft gegeven, tot op de bodem werd geledigd, roepen dit paar vaststellingen reeds een aantal pistes op waarover men kan nadenken. Daarbij zullen nog de gezichtspunten van de aanvullende studies van het tweede luik komen. De Economische en Sociale Raad zal dan in staat zijn om een actieplan te formuleren teneinde de ongelijke behandelingen tussen mannen en vrouwen op de Brusselse arbeidsmarkt te bestrijden.

Christian FRANZEN

Voorzitter van de ESRBHG

Inleiding Deze studie over de vrouwen op de Brusselse arbeidsmarkt vertrekt vooral van bestaande gegevens maar wil niet enkel een compilatie van deze gegevens zijn. In heel wat (gepubliceerde) statistieken wordt enkel het totaal opgesplitst naar man - vrouw. Maar wat de participatie op de arbeidsmarkt betreft, spelen ook factoren als opleiding, leeftijd, ervaring, beroepskeuze,… een rol. In analyses of statistieken worden meestal een beperkt aantal variabelen gekruist en gender durft daar nogal eens bij uit de boot vallen. De huidige verplichting om statistieken op basis van gender te produceren waarborgt niet noodzakelijk de analyse van deze variabele. In dit rapport zullen alle factoren die de participatie op de arbeidsmarkt bepalen volgens gender bespoken worden en zullen meerdere variabelen ook gecombineerd worden. Wie het over vrouwen heeft, bestudeert nooit vrouwen op zichzelf. Het gaat steeds om vrouwen binnen hun maatschappelijke context en dus ook in verhouding met mannen. De vergelijking tussen vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt staat dan ook centraal in deze studie. De Brusselse arbeidsmarkt vormt het vertrekpunt. Zijn vrouwen en mannen in gelijke mate vertegenwoordigd? Merken we hierin een evolutie? In welke sectoren werken meer mannen/vrouwen? De cijfergegevens zullen zich evenwel niet beperken tot de Brussels Gewest, maar zullen ook de Brusselse vrouwen vergelijken met de Vlaamse en de Waalse vrouwen. Het Brussels Gewest en zijn inwoners onderscheiden zich immers in bepaalde opzichten van de andere twee gewesten. Zo is de gemiddelde leeftijd het laagst in het Brussels Gewest en is het klassieke gezin sterk op de terugweg. In het eerste hoofdstuk gaan we kort in op een aantal veel gebruikte termen en schetsen kort we de tendensen op wetgevend en wetenschappelijk vlak. Ook het debat over de vervrouwelijking van beroepsnamen wordt hier aangehaald. In het tweede hoofdstuk wordt kort de demografische context van het Brussels Gewest besproken. Zowel qua leeftijd als gezinsstructuur onderscheidt het Brussels Gewest zich van de andere gewesten. Deze factoren spelen een rol bij de participatie op de arbeidsmarkt. Dit hoofdstuk dient dan ook vooral ter ondersteuning van de volgende hoofdstukken. Het derde hoofdstuk analyseert de bevolking in de categorie 15-64 jaar. Deze leeftijdscategorie wordt internationaal gezien als de beroepsactieve leeftijd. Dit hoofdstuk zal zowel de beroepsactieve als de nietberoepsactieve bevolking belichten. In welke mate participeren de Brusselse vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt? Wat zijn de specifieke kenmerken van het Brussels Gewest? Wie participeert niet op de arbeidsmarkt? Het vierde hoofdstuk gaat dieper in op de interne werkgelegenheid. Het Brussels Gewest is het grootste tewerkstellingsbekken van het land en dagelijks pendelen heel wat werknemers en werkneemsters uit de andere gewesten naar de hoofdstad. De plaats van tewerkstelling staat dan ook centraal in dit hoofdstuk. Hierbij worden niet enkel de loontrekkenden maar ook de zelfstandigen en de uitzendkrachten besproken. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een analyse van de knelpuntberoepen vanuit genderperspectief. In hoofdstuk vijf staat de woonplaats centraal in de analyse van de tewerkgestelde (vrouwelijke) beroepsbevolking. In welke sectoren en beroepen zijn de Brusselse vrouwen tewerkgesteld? Onder welk statuut werken ze? Werken ze vaker deeltijds? Hoe groot zijn de loonsverschillen tussen vrouwen en mannen?

Hoofdstuk zes biedt een analyse van de werkzoekende beroepsbevolking. Zowel de evolutie en de kenmerken van de vrouwelijke werkzoekenden staan hierbij centraal. Een dynamische analyse van de werkloosheid laat zien welke kenmerken de uitstroom uit de werkloosheid bevorderen of belemmeren. Ook de instroom in de langdurige werkloosheid en de transitie van schoolverlaters naar de arbeidsmarkt worden besproken.

2

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Deze studie zal door middel van bestaande gegevens een beeld schetsen van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Deze gegevens zijn enerzijds de administratieve bronnen, zoals de data van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ), de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling (BGDA),… De beschikbare statistieken van deze instellingen zijn onderworpen aan de verplichting om het onderscheid tussen vrouwen en mannen te maken. Deze gegevens worden echter zelden vanuit een genderperspectief geanalyseerd. Anderzijds vormt de Enquête naar de Arbeidskrachten van het Nationaal Instituut voor de Statistiek (NIS-EAK) een belangrijke bron van informatie. Deze gegevens worden via een enquête verzameld wat het mogelijk maakt om in te gaan op een aantal kwalitatieve aspecten van de arbeidsmarkt en het ook mogelijk maakt om de werkgelegenheid in de Europese en internationale instellingen in rekening te brengen. Dit soort informatie is niet steeds voorhanden in de administratieve bronnen. Een nadeel bij het gebruik van gegevens afkomstig uit een enquête is echter de representativiteit, zeker voor het Brussels Gewest dat zich op een aantal vlakken van de andere gewesten onderscheidt. In een aantal gevallen is het dan ook niet mogelijk om de gegevens op gewestniveau te analyseren. Zoals uit de studie zal blijken is het gebruik van deze bestaande gegevens niet voldoende om alle vragen inzake vrouwen en de arbeidsmarkt te beantwoorden maar geeft het reeds een goede aanzet om de verschillende puzzelstukjes samen te brengen.

1.

Theoretische elementen en inleidende beschouwingen

Aangezien we in deze studie de Brusselse arbeidsmarkt vanuit een genderperspectief bekijken is het belangrijk om een aantal gebruikte begrippen, zoals gender, gendermainstreaming,… te duiden. Hierna schetsen we in een tweede deel, zowel op wetgevend als op wetenschappelijk gebied, een belangrijke ontwikkeling inzake de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met het debat rond de al dan niet vervrouwelijking van beroepsnamen. Hierbij is het niet de bedoeling om deze elementen exhaustief te behandelen maar enerzijds om de studie in een breder geheel te kaderen en anderzijds een aantal keuzes die zich opdrongen bij de redactie van dit rapport te duiden.

1.1. Terminologie1 Een belangrijk onderscheid is het verschil tussen sekse/geslacht en gender. Waar sekse of geslacht enkel de biologische en dus aangeboren verschillen aanduiden tussen vrouwen en mannen, verwijst gender naar de culturele en sociale identiteit van vrouwen en mannen. De culturele definitie van mannelijkheid en vrouwelijkheid varieert in tijd en ruimte, terwijl de sociale definitie naar de relaties tussen vrouwen en mannen verwijst. Deze worden bepaald door de taken, functies en waarden die aan vrouwen en mannen worden toegeschreven. Wat in de sociologie gevat wordt door het concept van rol. Zowel vrouwen als mannen hebben meerdere posities in de maatschappij en bijgevolg ook meerdere rollen. Hoewel een rol zekere verplichtingen en verwachtingen inhoudt hebben individuen een bepaalde mate van vrijheid om deze in te vullen. Wanneer een persoon er niet in slaagt om zijn verschillende rollen in overeenstemming te brengen spreken we van rolspanning. Aangezien men één enkele rol ook ten opzichte van meerdere mensen uitoefent kunnen ook zij tegengestelde verwachtingen hebben. Door de beperking in tijd, energie en middelen waarover een persoon beschikt, kan de persoon op meerdere manieren omgaan met deze rolspanning. In de eerste plaats kan hij een kleiner aantal rollen gaan vervullen of het aantal verplichtingen binnen één bepaalde rol beperken. De persoon kan ook de zichtbaarheid van de tegengestelde eisen veranderen. Ofwel zorgt hij ervoor dat de personen met tegengestelde verwachtingen zien dat ze teveel van de persoon verwachten, zodat zij hun verwachtingen gaan bijstellen2. Het type-voorbeeld hierbij is een werkende vrouw die kinderen krijgt. Om haar beroeps- en gezinsleven te combineren kan ze beroep doen op kinderopvang of haar betaalde arbeid terugschroeven. Het begrip gender maakt het dus mogelijk om het biologisch determinisme te omzeilen. Afwijken van sociale regels mag dan wel negatief beoordeeld en zelfs gesanctioneerd worden, de sociaal geconstrueerde verschillen zijn niet onontkoombaar zoals biologische verschillen. Het belang van de biologische verschillen tussen vrouwen en mannen verdeelt het feministische kamp (het zogenaamde gelijkheid-verschildebat. De aanhangers van het gelijkheidsdenken zien geen onoverkomelijke verschillen tussen vrouwen en mannen. Ze hebben gelijke rechten en plichten. Het beleid dient dan ook alle discriminaties weg te werken waardoor vrouwen en mannen een gelijke uitgangspositie hebben. De aanhangers van het verschildenken zien daarentegen wel fundamentele (biologische) verschillen tussen vrouwen en mannen. Gezien de aard van de verschillen dient het beleid dan ook rekening te houden met de verschillende behoeften van vrouwen en mannen. Wanneer iemand benadeeld wordt op grond van zijn geslacht spreken we van seksuele discriminatie, deze kan rechtstreeks of onrechtstreeks zijn. In het laatste geval gaat het bijvoorbeeld om een regelgeving of een praktijk die op het eerste gezicht genderneutraal lijkt, maar in werkelijkheid toch verschillende gevolgen voor vrouwen en mannen heeft. Een bekend voorbeeld is het toewijzen van promotie of premies op basis van het aantal gepresteerde uren. Aangezien vrouwen vaker deeltijds werken komen zij proportioneel gezien minder in 1

2

Hierbij maakten we gebruik vooral van de volgende twee documenten: Europese Commissie Werkgelegenheid & Sociale Zaken, 1998, 100 woorden voor gelijkheid. Glossarium van termen over gelijkheid tussen vrouwen en mannen en RoSa, 2002, Genderterminologie, RoSa-factsheet nr. 17 - 2002. Merton R.K., 1957, The role-set: problems in sociological theory, In: Coser L.A en L.K. Rosenberg, 1989, Sociological theory: a book of readings (fifth edition), Waveland Press Inc - Illinois, pp. 282-291.

4

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

aanmerking om een premie of promotie te ontvangen. Conventie nr. 111 van de Internationale Arbeidsorganisatie3 definieerde rechtstreekse en onrechtstreekse discriminatie op het gebied van tewerkstelling als de ongelijkheid inzake toegang tot opleiding, beroepsopleiding en -vorming, toegang tot een job (zowel als loontrekkende in de privé- of openbare sector als zelfstandige), toegang tot de bemiddelingsdiensten, toegang tot werknemers- en werkgeversorganisaties, carrièrekansen, jobzekerheid, collectieve onderhandelingen, gelijk loon voor gelijkwaardig werk, toegang tot de sociale zekerheid, de collectieve voorzieningen en andere voordelen gelinkt aan tewerkstelling, andere arbeidsvoorwaarden zoals veiligheid en gezondheid op de werkvloer, arbeidsuren en rustperiodes en vakantie. Het streven naar gelijkheid tussen vrouwen en mannen impliceert een analyse van de maatschappelijke structuren en de manier waarop deze ongelijke machtsverhoudingen tussen de geslachten veroorzaken en instandhouden. We willen erop wijzen dat het streven naar gelijkheid tussen vrouwen en mannen geen pleidooi voor éénvormigheid is, waarbij de levensstijl van de man als norm beschouwd wordt. Het uiteindelijke doel is een volwaardige deelname van vrouwen en mannen aan de samenleving, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende levensvoorwaarden van vrouwen en mannen (o.a. door de rol van de vrouw in de voortplanting)4. Deze verschillen mogen de kansen van vrouwen niet op een negatieve manier beïnvloeden. Waar vroeger via positieve discriminatie of acties specifiek gericht werd op de vrouwen (zonder rekening te houden met de behoeften van de mannen) wint langzaam maar zeker de idee van een geïntegreerde aanpak aan terrein. Positieve acties beperken zich immers tot het wegwerken van ongelijkheden binnen het bestaande kader, wat niet langer past binnen de heersende idee van het gelijkheidsprincipe. Gelijkheid tussen vrouwen en mannen wordt steeds meer gezien als het bereiken van een beter evenwicht tussen mannelijke en vrouwelijke prioriteiten, waardoor het streven naar gelijkheid ook een mannenzaak wordt. Het begrip gender mainstreaming stond centraal tijdens de Vierde Vrouwenconferentie in Peking (1995) georganiseerd door de Verenigde Naties. Sinds de ratificatie van het Verdrag van Amsterdam in 1997 behoort mainstreaming ook uitdrukkelijk tot het beleid van de Europese Unie. Een Europese expertengroep definieerde gender mainstreaming als volgt: "De geïntegreerde aanpak bestaat in de (re)organisatie, verbetering, ontwikkeling en evaluatie van beleidsprocessen, teneinde het perspectief van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen op alle terreinen en op alle niveaus in te bouwen via de actoren die doorgaans bij de besluitvorming betrokken zijn"5. De mannelijke polarisering en het structureel karakter van ongelijkheid wordt in deze definitie duidelijk ter discussie gesteld. Een belangrijke voorwaarde voor een gender mainstreaming benadering is de beschikbaarheid van statische gegevens en analyses i.v.m. de ongelijkheid tussen vrouwen en mannen waartoe deze studie een bijdrage wil leveren.

1.2. Context van het gelijkekansenbeleid In dit onderdeel willen we wijzen op een evolutie inzake de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, en dit op wetgevend en wetenschappelijk gebied. Op deze manier willen we onze studie kaderen in een breder geheel zonder evenwel in detail te treden. Geïnteresseerde lezers verwijzen we dan ook graag door naar meer gespecialiseerde literatuur. Vrouwen hebben steeds bijgedragen tot het economische leven, maar hun participatie op de arbeidsmarkt was lange tijd beperkt tot de lagere klassen, de ongehuwde vrouwen,… Met de toename van het aantal vrouwen op de arbeidsmarkt zocht de wetgever naar manieren om een betere bescherming van de werkneemsters te 3

International Labour Office, 2003, Time for equality at work. Global report under the follow-up to the ILO Declaration on

4

Raad van Europa, Comité van Ministers, Rapporteur Group on Equality between Women and Men, 1998, Gender

5

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2001, Gender mainstreaming. Een geïntegreerde aanpak van de gelijkheid tussen

fundamental principles and rights at work. International Labour Conference 91st Session 2003.

mainstreaming. Conceptual framework, methodology and presentation of good practices.

vrouwen en mannen. Definitie, methodologie en stand van zaken in Vlaanderen. Verslag aan het Vlaams Parlement 1999-2000.

Theoretische elementen en inleidende beschouwingen

5

garanderen. We denken hierbij aan het verbod op nachtarbeid voor vrouwen, de bescherming van zwangere vrouwen,… Daarnaast werden maatregelen genomen om de gelijke behandeling van vrouwen en mannen in het arbeidsproces te bevorderen. Reeds in het Europees Verdrag van Rome (1957) werd het beginsel van "gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid" vooropgesteld. In het Verdrag van Amsterdam (1997, Artikels 2, 3 en 23) engageert de Europese Gemeenschap zich om "de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen". Wanneer in 1998 de eerste werkgelegenheidsrichtsnoeren worden aangenomen is de vierde pijler gericht op "de versterking van het gelijkekansenbeleid voor mannen en vrouwen door de bestrijding van discriminatie tussen mannen en vrouwen op het gebied van werkgelegenheid en werkloosheid en door een betere verzoening tussen gezin en beroepsleven" 6. Via de Nationale en Gewestelijke Actieplannen worden deze richtsnoeren vertaald in het Belgisch en Brussels beleid. De notie van gendermainstreaming kende een snelle evolutie binnen de Europese Werkgelegenheidsstrategie. Hierbij veronderstelt men dat gelijke kansen voor vrouwen en mannen niet enkel van een specifiek beleid afhangen. Een transversale en globale aanpak blijkt noodzakelijk. Op Europees niveau bestaat ook een ruimere strategie voor de gelijkheid tussen vrouwen en mannen die andere domeinen dan de werkgelegenheid inhoudt7. In België is sinds 7 mei 1999 een wet van kracht die de gelijke behandeling van vrouwen en mannen in het volledige arbeidsproces verplicht. De wet is van toepassing op de toegang tot het arbeidsproces, de gelegenheid tot promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep, de arbeidsvoorwaarden en de aanvullende regelingen voor de sociale zekerheid. De anti-discriminatiewet van 2002 definieert duidelijk discriminatie, breidt de bescherming uit en verlaagt de drempel om klacht in te dienen bij de rechtbank. Op wetenschappelijk gebied worden in deze periode de interdisciplinaire centra voor vrouwenstudies opgericht en zagen verschillende theorieën betreffende de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt het licht. Voordien vormden mannelijke industriearbeiders het voornaamste studieonderwerp. In eerste instantie werd vooral gefocust op de segregatie van vrouwen en mannen. Vrouwen oefenen andere beroepen uit, werken in andere sectoren (horizontale segregatie) en werken in lagere functies (verticale segregatie). Niettemin werd snel duidelijk dat de participatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt duurzaam is en ook meer gediversifieerd wordt, maar dat belangrijke verschillen tussen vrouwen en mannen blijven bestaan. De verklaringen die hiervoor aangereikt worden zijn heel divers. Sommigen concentreren zich op het rollenpatroon dat van kinds af aan wordt meegegeven door het gezin, het onderwijs, de media,… (de socialisatietheorieën8). Daarnaast is er de sterk economische visie op onderwijs en arbeidsmarkt, waarbij individuen hun investeringen in het onderwijs afwegen in functie van de positie die ze later denken te hebben op de arbeidsmarkt (menselijk kapitaal theorie van Becker9). Ook hier speelt beeldvorming een belangrijke rol. Andere theorieën gaan uit van de kenmerken van de arbeidsmarkt, zoals de theorie van de dubbele arbeidsmarkt of de segmentatietheorie. De arbeidsmarkt bestaat uit een primair deel met goedbetaalde, rechtszekere, stabiele, aantrekkelijke banen en een secundair deel met juist tegenovergestelde karakteristieken. Aangezien vrouwen in grotere mate tewerkgesteld zijn in het secundaire deel van de arbeidsmarkt, verdienen ze minder, hebben ze vaker een tijdelijk contract,… Ten slotte kunnen we ook de de discriminatietheorieën10 aanhalen. Werkgevers en werknemers vormen zich op basis van onvolledige informatie een beeld van de capaciteiten van vrouwen voor het uitoefenen van hun job. Vaak worden eigenschappen van een individuele vrouw toegeschreven aan de volledige groep van vrouwen waardoor andere vrouwen geweerd worden uit die functie of sector. Op juridisch vlak is een belangrijke vooruitgang geboekt op het gebied van gelijke behandeling van vrouwen en mannen, maar desondanks blijven verschillen bestaan. In belangrijke mate worden deze geassocieerd aan de rol

6

7 8

9

10

Territoriaal Pact voor de Werkgelegenheid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2003, Europa en werkgelegenheid… dat gaat ook mij aan, www.pactbru.irisnet.be. Meer info op http://europa.eu.int/comm/employment_social/. Roussel V., 2003, Onderwijs- en arbeidsmarktsegregatie tussen mannen en vrouwen. Wat is de relatie tussen beide?, Over.Werk, Tijdschrift van het Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming nr. 3/2003. Fletcher C., 2002, Formation continue à la française et système de laissez-faire britannique: quelles chances pour les femmes? In: Formation Emploi nr. 78. Roussel V., 2003.

6

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

die de vrouw speelt in het gezinsleven. Haar (potentiële) rol als moeder heeft de aandacht gevestigd op de combinatie van het beroeps- en gezinsleven. Deze thematiek beperkt zich echter niet tot vrouwen, de maatregelen richten zich ook op mannen. Op wettelijk vlak kunnen we dit terug vinden in het concept van gender mainstreaming, dat sinds het Verdrag van Amsterdam ook uitdrukkelijk tot het beleid van de Europese Unie wordt gerekend. De Europese expertengroep wijt het feitelijk ontbreken van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, ondanks de vele juridische maatregelen, gedeeltelijk aan de methodes om het gelijkekansenbeleid vorm te geven die te sterk op de vrouwen gericht zijn. Ook de dominantie van het mannelijke model en de ongelijke vertegenwoordiging van vrouwen in wetgevende organen zien zij als belangrijke obstakels. Op Belgisch niveau kunnen we verwijzen naar de verklaringen en de maatregelen van de federale regering op het belang van de combinatie arbeids- en gezinsleven voor de actieve welvaartstaat11. Schippers12 wijst in dit verband op het belang van de differentiatie in het arbeidsmarktbeleid. Niet enkel zijn de rollen van vrouwen (en mannen) sterk geëvolueerd, ook de combinatie van de rollen is sterk toegenomen. Dit hoeft echter niet te betekenen dat individuen die een meer individuele invulling aan hun loopbaan wensen te geven niet langer geconfronteerd worden met vooroordelen. "Waar mannen dus moeten vechten tegen het beeld dat je ook als deeltijder een volwaardig werknemer en zelfs serieuze leidinggevende kunt zijn, moeten vrouwen nog altijd vechten tegen het beeld dat zij primair en potentieel moeder zijn en hun professionele carrière er slechts 'bij' doen"13. Op wetenschappelijk gebied vormt onderzoek naar de tijdsbesteding van vrouwen en mannen een belangrijke manier om op een objectieve manier de verschillende bijdrage van vrouwen en mannen tot het huishouden te meten. België heeft een eerder beperkte traditie op het gebied van tijdsregistratie, maar de ervaring in andere Europese landen toont het belang van dit soort onderzoeken aan. De activiteiten worden gewoonlijk opgesplitst in 4 hoofdactiviteiten (beroepsarbeid, gezinsarbeid14, persoonlijke verzorging en vrije tijd), waarbij de bijdrage van elk (volwassen) lid van het huishouden kan berekend worden. Zo toont onderzoek naar de tijdsbestedingen van Belgische gezinnen15 aan dat de uren die vrouwen aan beroepsarbeid besteden toegenomen zijn maar dat vrouwen nog steeds meer huishoudelijke taken voor hun rekening nemen. Enkel in gezinnen waar de vrouw beroepsarbeid verricht en de man werkzoekend is, verricht de man iets meer gezinsarbeid dan de vrouw. Dit type gezinnen komt eerder zelden voor. De tijd die de vrouw binnen dit type gezin besteedt aan beroepsarbeid wordt evenwel niet echt door de man gecompenseerd door extra huishoudelijk werk en kinderzorg, waardoor de totale werklast toch ongelijk verdeeld is. De tijdsbesteding weerspiegelt het waardenpatroon, de persoonlijke keuze van beide partners, hun respectievelijke onderhandelingspositie,... Men neemt aan dat hoger geschoolde vrouwen hun positie binnen het gezin versterken. Een hoger scholingsniveau gaat immers vaak samen met een hoger loon, wat de inbreng van de vrouw in het gezinsinkomen verhoogt, waardoor ze een hogere bijdrage van de partner kan verlangen of een deel van de huishoudelijke taken kan uitbesteden. Dit type van onderzoek vertrekt van het "klassieke patroon" (ouders en kinderen) maar beperkt zich niet tot dit gezinstype. Alleenstaande ouders met kinderen, samenwonende koppels zonder kinderen, huishoudens met personen van vreemde nationaliteit/origine,… en de tijd die ze besteden aan de verschillende activiteiten worden door dit soort onderzoek eveneens in beeld

11

12

13 14

15

o.a. Verhofstadt G., 1999, Beleidsverklaring van de federale Belgische regering november 1999, Federale Regering, Brussel. Van Dongen W., Beck M. en E. Vanhaute (red), 2001, Beroepsleven en gezinsleven. Het combinatiemodel als model voor een actieve welvaartsstaat?, CBGS-Publicaties, Garant, Leuven-Apeldoorn. Schippers J., 2001, Arbeidsmarkt- en emancipatiebeleid: de vraag naar diversiteit, Universiteit Utrecht - Economisch Instituut. Schippers J., 2001, p. 10-11. Door het onderscheid tussen beroeps- en gezinsarbeid wordt het debat over zorg en zorgarbeid vermeden. Binnen de beroepsarbeid worden verschillende soorten zorg op professionele basis, zoals de bejaardenzorg, de kinderopvang, gehandicaptenzorg,… ingedeeld. De zorgverstrekker wordt hiervoor financieel vergoed. Binnen de gezinsarbeid bestaat deze vergoeding niet. Glorieux I. en J. Vandeweyer, 2002, Het egalitaire gezin: nog niet voor morgen. Bevinden uit het Belgsiche tijdsbudgetonderzoek, Over.Werk, Tijdschrift van het Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming nr. 3/2002

Theoretische elementen en inleidende beschouwingen

7

gebracht. In hoofdstuk vijf worden enkele resultaten uit het Belgische tijdsbestedingsonderzoek verder uitgewerkt.

1.3. Debat feminisering van de beroeps- en functienamen In dit hoofdstuk is een opmerking over de gebruikte functiebenamingen op zijn plaats. In België bestaat sinds 1978 een wetgeving die seksediscriminatie in advertenties voor vacatures verbiedt. Deze kaderde in het maatschappelijk debat omtrent het gebruik van mannelijke en vrouwelijke functiebenamingen. Het taalgebruik evolueert namelijk en volgt sterk de maatschappelijke evoluties. De gevolgen van de vervrouwelijking van de arbeidsmarkt op de functiebenamingen kunnen in drie categorieën worden ingedeeld: 1. de mannelijke functiebenaming wordt genderneutraal, 2. er ontstaat een vrouwelijk equivalent voor de oorspronkelijk mannelijke functiebenaming, 3. een nieuwe genderneutrale functiebenaming wordt gebruikt. Het maatschappelijk debat hieromtrent wordt gevoerd door enerzijds de voorstanders van een neutralisering van de functiebenamingen en anderzijds de voorstanders van een differentiëring van de beroepsnamen. De eersten pleiten voor het gebruik van één enkele functiebenaming waarbij geen onderscheid wordt gemaakt naar het geslacht van de persoon die dit beroep uitoefent. In een aantal gevallen pleiten zij voor de creatie van nieuwe genderneutrale functiebenamingen om oorspronkelijk mannelijke of vrouwelijke benamingen te "neutraliseren". Een voorbeeld hiervan is het gebruik van manager assistant voor directiesecretaresse. De voorstanders van een differentiëring van de functiebenamingen pleiten voor een duidelijk onderscheid in de functiebenaming van het geslacht van de persoon die dit beroep uitoefent. Zij vinden de neutralisering van de beroepsnamen in strijd met de realiteit en negatief voor de gelijke kansen. De zogenaamde genderneutrale namen zijn in oorsprong vaak mannelijk en hun verder gebruik bestendigt de heersende stereotypen. In 1988 formuleerde de Commissie Vrouwenarbeid een eerste advies hieromtrent deze problematiek. In 1993 vaardigde de Franse Gemeenschap een decreet "relatif à la féminisation des noms de métier, fonction, grade ou titre" uit (21/06/1993). De regels betreffende de vervrouwelijking van de beroepsnamen moeten toegepast worden in de wetgeving, de overheidscommunicatie, de contracten en de handboeken in het onderwijs. In het algemeen vormt men de vrouwelijke beroepsnaam door het toevoegen van een -e aan de mannelijke vorm. Wanneer de mannelijke vorm reeds op een klinker eindigt, wordt deze eveneens voor de vrouwen gebruikt. Het geslacht van de betrokkene wordt dan duidelijk door het lidwoord (vb. le/la comptable). Nicole Delbecque16 wijst op de vormstructuur van de Romaanse talen die een feminisering van de beroepsnamen bevordert. Vrouwelijke vormen kunnen zowel op het niveau van de uitgang als op niveau van het lidwoord gemarkeerd worden. Anderzijds wijst ze er op dat de e-muet normaal niet hoorbaar is. Bovendien is in heel wat contexten het gebruik van de functie- of beroepsnamen niet referentieel, waardoor het gebruik van de vrouwelijke vorm een (negatieve) bijklank krijgt. In 1994 formuleerde de Vlaamse Overlegcommissie van de SERV een advies betreffende de feminisering van de beroepsnamen (13/10/1994). Zij is van oordeel dat het vermijden van seksistische taalstructuren en seksistisch taalgebruik slechts één van de vele stappen op weg naar meer gelijke kansen is. Het streven naar een genderneutraal taalgebruik wordt als waardevol beschouwd maar de impact ervan, zeker op een betere toegang voor vrouwen op de arbeidsmarkt, wordt evenwel gerelativeerd. De vervrouwelijking van beroepsnamen moet gezien worden in het kader van de bestrijding tegen taalseksismen. De Overlegcommissie wijst er op dat vrouwenberoepen waarin mannen hun intrede maken onmiddellijk een mannelijke naam krijgen, wat de vrouwen in deze beroepen onzichtbaar maakt. Niettemin is de Overlegcommissie zich bewust van het feit dat een consequente toepassing van de vervrouwelijking van de beroepsnamen tot een ridiculisering kan leiden, wat ten 16

Delbecque N., 1998, Feminisering in Romaans perspectief: structurele en functionele analyse van de Franse en Spaanse functie- en beroepsnamen, in: Lutjeharms M. (red.), Feminisering van beroepsnamen: een juiste keuze? Handelingen van een colloquium aan de VUB 28/3/1998, VUB - Instituut voor Taalonderwijs.

8

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

allen koste vermeden moet worden. Per geval dient vastgesteld te worden wat de meest aanvaardbare en praktische oplossing is. Hierbij geeft de Overlegcommissie een voorkeur voor gemeenkundige of onzijdige vormen in de plaats van exclusief mannelijke of vrouwelijke beroepsnamen en pleit bovendien voor acties voor de bekendmaking van lijsten van beroepsnamen. Na het advies van de beide gemeenschappen formuleerde de Raad van de Gelijke Kansen voor Mannen en Vrouwen eveneens een advies betreffende de problematiek van de feminisering van de beroepsnamen om een regeling uit te werken voor de federale overheidsdiensten (9/12/1994). Hierin wijzen ze op de verschillen tussen het Nederlands en het Frans. Terwijl het gemakkelijk is om door een kleine aanpassing het geslacht van de beoefenaar in het Frans aan te duiden, is dit in het Nederlands niet het geval. In het Nederlands heeft de mannelijke term vaak geen uitgang en wordt de term eveneens in neutrale context gebruikt. Daarom pleit de Raad van de Gelijke Kansen voor een strikte toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschap in het juridisch taalgebruik en de communicatie van de openbare diensten. Wat het Nederlands betreft, pleit de Raad van de Gelijke kansen voor de oprichting van een taalcommissie belast met de problematiek. Daarnaast pleit ze voor een genderneutrale benaming wanneer deze mogelijkheid bestaat. Hierbij kunnen we het empirisch onderzoek van Gerlinde Huybrecht17 aanhalen. Zij stelt dat één vorm om een beroep aan te nemen de meest vrouwvriendelijke oplossing is. Door het bestaan van een vrouwelijke vorm naast een mannelijke, wordt de mannelijke term niet als neutraal beschouwd. Bovendien blijkt er een correlatie te bestaan tussen de status van een beroep en de mannelijke vorm van een beroep. Waar een secretaresse een administratieve kracht aanduidt, is secretaris een functieniveau in de ambtenarij. Het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie heeft op 22 oktober 1996 een besluit aangenomen waarin zij beslissen om geen voorschriften voor het gebruik van functienamen op te stellen. Een publicatie over de vervrouwelijking van de beroepen zou de discussie toelichten en in een bredere maatschappelijke context kaderen18. Qua betekenis maken zij een onderscheid tussen genderneutrale, specifiek mannelijke en specifiek vrouwelijke functiebenamingen. De eerste worden voor beide geslachten gebruikt en de taalgebruiker denkt niet automatisch aan een man of vrouw (voorbeeld: bediende). Specifiek mannelijke of vrouwelijke functiebenamingen verwijzen duidelijk naar de man of vrouw die dit beroep uitoefent. De auteurs stellen dat er slechts een twintigtal exclusief mannelijke functiebenamingen in het Nederlands bestaan. Veel beroepen met een eerder "mannelijke" benaming worden immers ook gebruikt om een vrouw die dit beroep uitoefent aan te duiden (voorbeeld: psycholoog, coördinator, ombudsman,...). Dit is niet het geval voor de specifiek vrouwelijke functiebenamingen (voorbeeld: secretaresse, verpleegster,...). De Nederlandse Taalunie laat de taalgebruiker de keuze om het geslacht van de persoon die het beroep uitoefent aan te duiden in zijn functiebenamingen en verwijst hiervoor naar het maatschappelijk debat. Tijdens een colloquium aan de Vrije Universiteit Brussel19 werd gepleit voor een onderscheid tussen de functie en de persoon. Waar het beroep best met een genderneutrale vorm wordt aangeduid, kunnen de personen die het beroep uitoefenen met een seksespecifieke term aangeduid worden. Ook in de ons omringende landen wordt het debat gevoerd. De 'circulaire du 11 mars 1986 relative à la féminisation des noms de métier, fonction, grade ou titre' uitgevaardigd door de toenmalige Franse premier is het sluitstuk van een reeks van initiatieven om de vrouwen zichtbaarder te maken in de verschillende beroepen. Om hiertoe bij te dragen werd eveneens een commissie samengesteld die de vrouwelijke vorm van de beroepen zou vastleggen en de overheid verbond zich ertoe om in alle documenten naar de burger of de overheidsdiensten deze te respecteren. In 1998 verscheen een nieuwe circulaire waarbij verwezen werd naar dit engagement, maar waar weinig gebruik van werd gemaakt. 17

18

19

Huybrecht G., 1998, Eén of twee benamingen per beroep? Een empirisch onderzoek, in: Lutjeharms M. (red.), Feminisering van beroepsnamen: een juiste keuze? Handelingen van een colloquium aan de VUB 28/3/1998, VUB - Instituut voor Taalonderwijs. De Caluwe J. en A. van Santen, 2001, Gezocht: functiebenamingen (m/v). Wegwijzer voor vorming en gebruik van Nederlandse functiebenamingen, Nederlandse Taalunie, Sdu Uitgevers, Den Haag. Lutjeharms M. (red.), 1998, Feminisering van beroepsnamen: een juiste keuze? Handelingen van een colloquium aan de VUB 28/3/1998, VUB - Instituut voor Taalonderwijs.

Theoretische elementen en inleidende beschouwingen

9

De Duitse taal biedt, net als de Franse taal ruime mogelijkheden om het sekse-onderscheid te maken. In Duitsland wordt het gebruik van de specifiek vrouwelijke functiebenamingen niet opgelegd door de overheid maar wordt in de praktijk vaak de vrouwelijke vorm naast de in principe genderneutrale vorm gebruikt, waardoor deze laatste als mannelijk wordt ervaren. In de "Grundsätze für die geslechtergerechte Gestaltung van Gesetzetexte" wordt geadviseerd om in juridische teksten zo weinig mogelijk dubbele vormen te gebruiken, terwijl in formulieren beter de mannelijke en de vrouwelijke vorm gebruikt wordt20. De Engelse taal daarentegen beschikt bijna uitsluitend over genderneutrale functiebenamingen. Dit betekent echter niet dat de Angelsaksische wereld ongevoelig blijft voor de genderproblematiek. Aan vele teksten gaat de opmerking vooraf dat de beroepen zowel naar mannen als naar vrouwen kunnen verwijzen. Daarnaast worden dubbele persoonlijke voornaamwoorden (he/she) of de meervoudsvorm gebruikt. In advertenties wordt de geïnteresseerde kandidaat ook vaak rechtstreeks aangesproken. In deze studie waarin de Brusselse arbeidsmarkt vanuit een genderperspectief geanalyseerd wordt zijn we niet ongevoelig voor de problematiek van de feminisering van de beroepsnamen. Concreet betekent dit dat in het Nederlands de voorkeur zal gegeven worden aan genderneutrale beroepsnamen. Ook het gebruik van het woord "hij" of "hem" impliceert eveneens "zij" en "haar". In de Franstalige versie zullen de regels opgesteld door de Franse Gemeenschap toegepast worden voor zover dit niet in strijd is met het dagelijks taalgebruik.

20

Lutjeharms M., 1998, Het Nederlands tussen het Engels en het Duits, in: Lutjeharms M. (red.), Feminisering van beroepsnamen: een juiste keuze? Handelingen van een colloquium aan de VUB 28/3/1998, VUB - Instituut voor Taalonderwijs.

2. Socio-demografische gegevens Dit hoofdstuk wil kort de demografische context van het Brussels Gewest schetsen. In vergelijking met de andere gewest telt Brussel meer vrouwen. Daarnaast kent het Gewest proportioneel ook meer personen van vreemde nationaliteit op zijn grondgebied dan de andere gewesten. Ook de leeftijdsstructuur en de huishoudensstructuur onderscheiden zich duidelijk van de andere gewesten. Deze demografische kenmerken van de Brusselse bevolking moeten gezien worden als achtergrond bij de participatie op de arbeidsmarkt.

2.1. Bevolking Het officieel bevolkingscijfer (NIS) omvat de personen die ingeschreven zijn in de gemeentelijke bevolkingsregisters (Belgen en vreemdelingen) en de vreemdelingen die werkzaam zijn bij een instelling van de Europese Unie en de niet-Belgische leden van hun huishouden. Hoewel deze groep niet verplicht is om zich in te schrijven in het bevolkingsregister van hun gemeente, wordt hun aantal geraamd op basis van een lijst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken21. In 1968 telde het Brussels Gewest een maximum aantal inwoners met 1.079.181 personen ingeschreven in één van de 19 gemeenten. Daarna volgde een bevolkingsafname die in 1992 stagneerde. In de tweede helft van de jaren 90 kende het Gewest een lichte bevolkingstoename. In 2002 en 2003 is het aantal inwoners op jaarbasis telkens met 1,4% gestegen. Op 1 januari 2003 telde het Brussels Gewest 992.041 inwoners, 515.349 vrouwen (52%) en 476.692 mannen (48%). De proportie vrouwen is hiermee het hoogst in Brussel. Vlaanderen en Wallonië hebben respectievelijk 50,7% en 51,5% vrouwen. Bij de vrouwen is de proportie personen met de Belgische nationaliteit iets hoger dan bij de mannen (75% ten opzichte van 72%).

Tabel 1:

Evolutie van het aantal inwoners in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (1980-2003)

Belgen

Bron:

Vrouwen

Mannen

Totaal

Vreemdelingen

Vreemdelingen

Vreemdelingen

Totaal

Belgen

Totaal

Belgen

Totaal

1980

424 971

109 956

534 927

349 469

124 319

473 788

774 440

234 275

1 008 715

1985 1990 1995

402 595 382 292 362 326

118 925 128 266 137 682

521 520 510 558 500 008

325 343 314 324 303 583

133 333 139 503 147 989

458 676 453 827 451 572

727 938 696 616 665 909

252 258 267 769 285 671

980 196 964 385 951 580

1980-95

-62 645

27 726

-34 919

-45 886

23 670

-22 216

-108 531

51 396

-57 135

2000 2001

366 287 373 012

135 179 130 328

501 466 503 340

319 418 328 622

138 434 132 443

457 852 461 065

685 705 701 634

273 613 262 771

959 318 964 405

2002 2003

380 575 386 450

129 086 128 899

509 661 515 349

337 769 345 322

130 954 131 370

468 723 476 692

718 344 731 772

260 040 260 269

978 384 992 041

1995-03

24 124

-8 783

15 341

41 739

-16 619

25 120

65 863

-25 402

40 461

NIS (situatie op 1 januari)

In absolute cijfers nam in de periode 1980-95 het totaal aantal vrouwen sterker af dan het aantal mannen. Deze evolutie is uitsluitend op naam van de inwoners met een Belgische nationaliteit toe te schrijven. Het aantal vrouwen met een vreemde nationaliteit kende evenwel een sterkere toename dan het aantal mannen met een vreemde nationaliteit in de periode 1980-1995, waardoor het aanvankelijk mannelijk overwicht bij de bevolking met een vreemde nationaliteit afgenomen is.

21

Henau A., 2002, De recente demografie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Directie Studiën en Regionale Statistiek, Dossiers 2002, nr. 38.

Demografische gegevens

11

De negatieve evolutie van de bevolkingsgroei werd in de periode 1995-2003 omgebogen in een positieve groei. Vooral in de periode 2000-2003 kende het Gewest een sterke toename (+32.723 inwoners). Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest registreerde in deze periode een groei van de bevolking met 3,4%, tegenover slechts 0,9% in Vlaanderen en Wallonië. Het Gewest kende bovendien een sterkere aantrekkingskracht op de mannen (+25.000 t.o.v. +15.000 bij de vrouwen). Dit maakt dat in 2003 het aantal mannen bijna 3.000 eenheden hoger is dan in 1980, terwijl het aantal vrouwen 19.500 eenheden lager is. Het Brussels Gewest blijft niettemin de grootste proportie vrouwen van het land kennen (53% in 1980 en 51,9% in 2003). Het overwicht van de vrouwen stellen we vooral vast bij de Belgische vrouwen, maar het aanvankelijk mannelijk overwicht bij personen met een vreemde nationaliteit is reeds sterk afgenomen. In 1980 was 54,9% van de inwoners met een Belgische nationaliteit een vrouw. Bij de inwoners met een vreemde nationaliteit was dit 46,9%. In 2003 bedraagt de proportie vrouwen bij de Belgen 52,8% en 49,5% bij de inwoners met een vreemde nationaliteit. De evolutie van het bevolkingsaantal in het Brussels Gewest wordt in hoofdzaak bepaald door de migratiebewegingen22. De natuurlijke aangroei van de bevolking is te klein in verhouding tot de in- en uitwijking. Gedurende de jaren 1990 bleef het interne migratiesaldo23 negatief, wat betekende dat meer mensen de hoofdstad verlieten dan er mensen zich kwamen vestigen. Dit deficit verminderde echter in de loop van het decennium. Het externe migratiesaldo24 was enkel begin jaren 90 negatief, vanaf 1994 is dit saldo positief.

Grafiek 1:

Evolutie van het aantal Belgen en vreemdelingen in het Brussels Gewest volgens gender (1980-2003) 450.000 400.000 350.000 300.000 250.000 200.000 150.000 100.000 50.000 0 1980

1985 Belgen - V

Bron:

1990 Vreemdelingen - V

1995 Belgen - M

2000 Vreemdelingen - M

NIS

Het aantal vreemdelingen in het Brussels Gewest is proportioneel hoger dan in de andere Gewesten. Terwijl het Brussels Gewest 9,6% van alle inwoners van België vertegenwoordigt, woonde 30,6% van de vreemdelingen op 1 januari 2003 in het Gewest. Hierbij merken we weinig verschil tussen de vrouwen en mannen: 31,4% van de vrouwen van vreemde nationaliteit en 29,9% van de mannen van vreemde nationaliteit woont in het Brussels Gewest. Bij de interpretatie van het aantal Belgen en vreemdelingen25 moet rekening gehouden worden met de evolutie van de nationaliteitswijzigingen die sterk beïnvloed werden door de drie belangrijke wetswijzigingen inzake 22

23

24 25

De Lannoy W. et al., 1999, Brussel in de jaren negentig en na 2000: een demografische doorlichting. In: Witte E., Alen A., Dumont H. en R. Ergec (red.), Het statuut van Brussel, Larcier, Brussel. Dit is het verschil tussen de personen die vanuit een Belgische gemeente buiten het Brussels Gewest naar een gemeente binnen het Brussels Gewest (interne immigratie) en de personen die vanuit het Brussels Gewest verhuizen naar een Belgische gemeente buiten het Brussels Gewest (interne emigratie). Het verschil tussen de immigratie vanuit het buitenland en de emigratie naar het buitenland. Deze statistiek wordt opgesteld op basis van het juridische criterium van de nationaliteit. Statistisch gezien worden personen die enkel een buitenlandse nationaliteit hebben als vreemdeling beschouwd. Personen met een dubbele nationaliteit (Belgische en buitenlandse nationaliteit) worden als Belg beschouwd.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

12

naturalisatie in de periode 1980 tot 200126. Vooral bij de laatste wetswijziging waarbij de naturalisatieprocedure sterk vereenvoudigd werd, nam het aantal Belgen toe en daalde hiermee parallel het aantal vreemdelingen in het Brussels Gewest. In de periode 1990-2001 werden 125.409 inwoners van het Brussels gewest genaturaliseerd. De nationaliteitswijzigingen hebben eveneens een invloed op het aandeel van de Belgische en vreemde bevolking in de natuurlijke bewegingen. Op 100 geboorten in 1990 werden 66 Belgen en 34 vreemdelingen geboren. In 2000 was de verhouding: 77 Belgen en 23 vreemdelingen. Anderzijds stijgt het aandeel van de vreemdelingen in het aantal overlijdens: 7,7% in 1990 naar 10,5% in 200027. Het Brussels Gewest kent de hoogste proportie geboorten per 1000 inwoners van het land (15 tegenover 10,2 in Vlaanderen en 11,7 in Wallonië)28.

2.2. Leeftijdsstructuur Om de arbeidsparticipatie van een bevolking te evalueren is het belangrijk om de leeftijdsstructuur en zijn evolutie te analyseren. Brussel heeft in vergelijking met de andere gewesten een jongere leeftijdsstructuur. Bovendien hebben projecties van het Planbureau en het NIS uitgewezen dat de Brusselse bevolking een lagere vergrijzingsgraad zal kennen dan de twee andere gewesten, wat betekent dat Brussel het jongste gewest van België zou worden. De gemiddelde leeftijd29 voor vrouwen en mannen is reeds de laagste: 40,5 jaar voor vrouwen en 36,7 jaar voor mannen in 2003. Dit blijkt ook uit de onderstaande tabel waar de leeftijdsstructuur in 1990 en 2003 voor de drie gewesten wordt weergegeven. Bij de Brusselse vrouwen is 22,2% jonger dan 20 jaar. Bij de mannen is dit een vierde. 19% van de vrouwen en 12,4% van de mannen behoort tot de leeftijdsklasse van de 60-plussers, de laagste proporties van het land.

Tabel 2:

Leeftijdsstructuur in de drie gewesten (in %) (1990-2003) 1990

2003

V

M

V

M

Brussels Gewest

0 - 19 jaar 20 - 59 jaar 60 jaar en ouder

21,5 51,7 26,8

25,2 56,4 18,4

22,2 58,7 19,0

25,0 62,5 12,4

Vlaams Gewest

0 - 19 jaar 20 - 59 jaar 60 jaar en ouder

23,7 54,1 22,2

25,5 57,3 17,1

21,7 58,7 19,7

23,3 61,8 15,0

Waals Gewest

0 - 19 jaar 20 - 59 jaar 60 jaar en ouder

24,3 51,5 24,2

27,2 55,3 17,6

23,3 57,0 19,6

25,9 60,4 13,7

België

0 - 19 jaar 20 - 59 jaar 60 jaar en ouder

23,7 53,0 23,3

26,0 56,6 17,4

22,3 58,1 19,6

24,3 61,4 14,3

Bron:

NIS-Bevolkingsstatistieken

Waar we in het Vlaams en Waals Gewest een afname zien van het aantal jongeren (< 20 jaar) is hun proportie in het Brussels Gewest ongeveer gelijk gebleven. In vergelijking met de andere gewesten kent de Brusselse bevolking in de categorie 20-59 jaar een belangrijke toename. Anders gezegd, groeit in het Brussels Gewest het aantal mensen dat kan participeren op de arbeidsmarkt. Ten opzichte van 1990 is de proportie vrouwen in deze 26

27 28 29

1 januari 1985 (als gevolg van de wet van 28/06/1984), 1 januari 1992 (wet van 13/06/1991) en 1 mei 2000 (wet van 1/03/2000). Henau A., 2002. Bron: NIS - Bevolkingsstatistieken, 2001. Vloeberghs E., 2001, Belg is gemiddeld 39,8 jaar oud, NIS-Nieuwsflits nr.2 (aanvraag voor gegevens 2003).

Demografische gegevens

13

leeftijdscategorie met 7 procentpunten toegenomen en is de proportie mannen met 6,1 procentpunten toegenomen. In het Vlaams Gewest is dit respectievelijk 4,6 en 4,5 procentpunten, terwijl het Waals Gewest een toename met 5,5 procentpunten bij de vrouwen en 5,1 procentpunten bij de mannen kent. De belangrijke toename in de periode 2000-03 wordt niet in alle leeftijdsklassen op dezelfde manier gevoeld. De klasse van de 65-jarigen is zelfs afgenomen. De grootste afname wordt bij de vrouwen opgetekend (-3% t.o.v. -1%). Bij de personen ouder dan 65 jaar blijven vrouwen evenwel in de meerderheid (62,3%). In de leeftijdsklasse van de 20-65 jaar nam het aantal mannen met 5,2% toe, terwijl het aantal vrouwen in deze leeftijdsklasse met 4,2% is toegenomen. In de jongste leeftijdsklasse steeg het aantal vrouwen en mannen met 4,2%. De leeftijdspiramide van het Brussels Gewest illustreert het belang van de bevolking met een vreemde nationaliteit in de totale bevolking maar vooral in de bevolking op beroepsactieve leeftijd. In de leeftijdsklasse van de 25-29-jarigen heeft 37% van de vrouwen en de mannen een vreemde nationaliteit. Tussen 30 en 34 jaar is dit respectievelijk 39,3% en 40,3%. Ook in de leeftijdsklasse van 35-39 jaar is meer dan een derde van vreemde nationaliteit (36,9% van de vrouwen en 38,6% van de mannen). Het is juist in deze leeftijdsklassen dat de leeftijdspiramide van het Brussels Gewest breder is dan de leeftijdspiramide voor België. De jongere leeftijdsstructuur van het Brussels Gewest blijkt ook uit de leeftijdspiramide. De smallere basis wordt in het Gewest gecompenseerd door de slanke top, terwijl op Belgisch niveau deze top steeds breder wordt. Bij de vrouwen is het aantal ouderen groter dan bij de mannen, wat hun langere levensduur illustreert.

Grafiek 2:

Leeftijdspiramide van het Brussels Gewest - 2002

90 - 94 j.

90 - 94 j.

80 - 84 j.

80 - 84 j.

70 - 74 j.

70 - 74 j.

60 - 64 j.

60 - 64 j.

50 - 54 j.

50 - 54 j.

40 - 44 j.

40 - 44 j.

30 - 34 j.

30 - 34 j.

20 - 24 j.

20 - 24 j.

10 - 14 j.

10 - 14 j. < 5 j.

< 5 j. 50.000 Mannen

Bron:

40.000

30.000 Belgen

20.000 Vreemdelingen

10.000

0

5.000

10.000 15.000 20.000 25.000 30.000 35.000 40.000 45.000 Belgen

vreemdelingen

Vrouwen

NIS-Bevolkingsstatistieken

2.3. Huishoudens In tegenstelling tot het bevolkingsaantal dat in de periode 1970-1995 daalde is het aantal private huishoudens in het Brussels Gewest steeds blijven toenemen. Deze toename gaat uiteraard gepaard met een afname van de gemiddelde omvang van de huishoudens, de zogenaamde gezinsverdunning. In 1970 telde een gemiddeld Brussels huishouden 2,39 personen, in 1981 was dit 2,17 en in 2003 was dit nog 2,04 personen. Deze evolutie werd ook in de andere gewesten vastgesteld maar daar is de gemiddelde omvang van de huishoudens groter dan in het Brussels Gewest. In het Waals Gewest telt een gemiddeld huishouden 2,34 personen, terwijl de gemiddelde grootte van een huishouden in het Vlaams Gewest 2,40 personen is30. Wanneer we de opsplitsing naar Belgische en vreemde huishoudens maken, zien we dat in beide groepen sprake is van gezinsverdunning. De

30

Bron: NIS Volks- en Woningtelling (tot 1991), Rijksregister (vanaf 1998), berekeningen NIS.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

14

omvang van de huishoudens met een vreemde nationaliteit31 is evenwel groter dan de omvang van de Belgische gezinnen32. De helft van de Brusselse huishoudens bestaat uit één persoon: 128.647 vrouwen en 116.235 mannen wonen alleen. De mannelijke alleenwonenden zijn het sterkst vertegenwoordigd in de leeftijdgroepen 25-29 jaar en 30-34 jaar, terwijl de alleenwonende vrouwen proportioneel talrijker zijn in de leeftijdsklassen tussen 65 en 84 jaar. Dit verschil kan verklaard worden door de langere levensduur van de vrouwen en het feit dat mannen na een echtscheiding of als weduwnaar vaker hertrouwen of gaan samenwonen. Bovendien gaan jonge mannen eerder gaan alleenwonen dan jonge vrouwen33. Bij de Belgische alleenstaanden merken we een overwicht van vrouwen, terwijl bij de alleenstaanden met een vreemde nationaliteit mannen in de meerderheid zijn34. Zowel in het Vlaams als in het Waals Gewest is de proportie alleenwonenden kleiner (respectievelijk 28,4% en 33,1%). In deze Gewesten is het traditionele gezinspatroon (echtpaar met ongehuwde kinderen) nog steeds dominant. In het Vlaams Gewest is hun aandeel 30,5% en in het Waals Gewest 26,3%. In het Brussels Gewest vormen echtparen met ongehuwde kinderen slechts 17,8% van de huishoudens.

Tabel 3:

Types van huishoudens volgens gewest - 1/01/2003 Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

116 235

316 752

213 772

646 759

23,9 128 647 26,5

12,9 381 491 15,5

15,1 255 889 18,0

14,8 766 027 17,6

22 327 4,6

132 193 5,4

69 587 4,9

224 107 5,1

Echtparen zonder kinderen Aandeel in het totaal (%)

66 506 13,7

601 306 24,5

276 983 19,5

944 795 21,7

Echtparen met ongehuwde kinderen Aandeel in het totaal (%) Moeders met ongehuwde kinderen Aandeel in het totaal (%) Vaders met ongehuwde kinderen Aandeel in het totaal (%)

86 507 17,8 48 946 10,1 13 727 2,8

750 539 30,5 185 353 7,5 69 142 2,8

372 920 26,3 160 655 11,3 56 026 4,0

1 209 966 27,7 394 954 9,1 138 895 3,2

Huishoudens met meer familiekernen

2 981

19 892

11 700

34 573

0,6 221 0,0

0,8 1 119 0,0

0,8 483 0,0

0,8 1 823 0,0

486 097 100 11,1

2 457 779 100 56,3

1 418 009 100 32,5

4 361 885 100 100

Niet-familiale huishoudens Alleenwonende mannen Aandeel in het totaal (%) Alleenwonende vrouwen Aandeel in het totaal (%) Personen die geen familiekern vormen* Aandeel in het totaal (%) Huishoudens met één familiekern

Aandeel in het totaal (%) Type huishouden onbekend Aandeel in het totaal (%) Totaal Aandeel in het totaal (%) Aandeel Belgische gezinnen (%) *

Bijvoorbeeld twee mensen van gelijk of verschillend geslacht die officieel samenwonen, of 2 broers of zussen die onder hetzelfde dak wonen. Bron: NIS-Bevolkingsstatistieken

Meer dan 62.000 huishoudens in het Brussels Gewest zijn eenoudergezinnen. Een op tien Brusselse huishoudens is een moeder met kinderen en amper 3% van de huishoudens is een alleenstaande vader. Wanneer we dit vergelijken met de andere gewesten stellen we vast dat het Brussels Gewest proportioneel meer eenoudergezinnen telt dan het Vlaams Gewest (10,3%), maar minder dan het Waals Gewest (15,3%). Deze groep is relatief heterogeen (gescheiden, nooit gehuwd, weduwe/weduwnaar). 31

32

33 34

De opdeling van de huishoudens in Belgen en niet-Belgen door het NIS gebeurt op basis van de nationaliteit van de referentiepersoon. Steegmans N. en E. Valgaeren, 2001, Mannen en vrouwen op de drempel van de 21ste eeuw. Een gebruikershandboek genderstatistieken. LUC-SEIN, in opdracht van de Federale Diensten voor Wetenschappelijke, Technische en Culturele Aangelegenheden en het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en Gelijke Kansen. De Lannoy W. et al. 1999. Steegmans N. en E. Valgaeren, 2001.

Demografische gegevens

15

Ten opzichte van 1991 merken we in België een toename van het aantal alleenwonenden, een afname van het aantal gezinnen met kinderen en een toename van de alleenstaande ouders, vooral het aantal alleenstaande vaders kende een opmerkelijke stijging. In het Brussels Gewest waren de niet-traditionele gezinnen reeds sterk aanwezig en hoewel hun aantal nog toegenomen is, is in relatieve cijfers de toename minder groot. Wat de alleenwonenden betreft, stellen we een genderverschil tussen het Brussels Gewest en België vast. Ten opzichte van 1991 is het aantal alleenwonende mannen op Belgisch niveau met 39% gestegen en het aantal alleenwonende vrouwen met 17%. In het Brussels Gewest nam het aantal alleenwonende mannen met een vijfde toe, terwijl het aantal alleenwonende vrouwen relatief stabiel bleef (+0,7%). Hoewel de aanwezigheid van kinderen de arbeidsmarktparticipatie van de vrouwen minder gaat bepalen dan dit vroeger het geval is, betekent hun aanwezigheid toch een verandering in het beroepsleven van vrouwen35. Om deze gegevens te benaderen maken we gebruik van de ontsluiting van het rijksregister op 31/12/1999 door het Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudie (CBGS)36. De methode van het CBGS verschilt in een aantal aspecten van deze van het NIS. Zo spoort het CBGS ook de ongehuwde paren op en wordt het merendeel van de huishoudens zonder referentiepersoon door het CBGS wel geklasseerd. Bovendien houdt het CBGS ook rekening met collectieve huishoudens (rusthuizen, gevangenissen,…). In de onderstaande tabel worden de huishoudens met kinderen opgesplitst naar het aantal kinderen en de burgerlijke staat van de ouders. In de drie gewesten bestaat bijna de helft van de huishoudens met kinderen uit slechts één kind. In het Brussels Gewest is het aantal huishoudens met drie of meer kinderen proportioneel sterker vertegenwoordigd: 21% van de Brusselse huishoudens met kinderen telt drie of meer kinderen, terwijl dit in het Vlaams en Waals Gewest respectievelijk 15,9% en 17,7% is.

Tabel 4:

Types van huishoudens en het aantal kinderen - 31/12/1999

Huishoudens met kinderen37 Gehuwd paar met kinderen: 1 kind 2 kinderen 3 en + kinderen Ongehuwd paar met kinderen: 1 kind 2 kinderen 3 en + kinderen Alleenstaande moeders met: 1 kind 2 kinderen 3 en + kinderen Alleenstaande vaders met: 1 kind 2 kinderen 3 en + kinderen Huishoudens zonder kinderen Totaal Bron:

Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

145 210

1 029 971

596 866

1 772 047

33 856 30 852 24 141

336 575 325 237 141 411

165 698 153 290 82 601

536 129 509 379 248 153

5 678

29 175

25 884

60 737

3 162 1 139

15 301 5 968

14 843 7 228

33 306 14 335

24 575 10 890 4 917

89 924 39 672 14 423

77 343 33 981 13 910

191 842 84 543 33 250

4 107 1 369 524

22 665 7 309 2 311

15 768 4 711 1 609

42 540 13 389 4 444

328 348

1 370 228

786 646

2 485 222

473 558

2 400 199

1 383 512

4 257 269

CBGS

De sterke verscheidenheid van de huishoudens en de relatieve ondervertegenwoordiging van het traditionele gezinspatroon (koppel met kinderen) in het Brussels Gewest is reeds uit de gegevens van het NIS gebleken. De 35

36

37

Van Dongen W., Malfait D. en K. Pauwels, 1995, De dagelijkse puzzel “gezin en arbeid”, Centrum voor bevolkings- en Gezinsstudie. Lodewijckx E., 2001, Types van huishoudens op 31/12/1999, www.cbgs.be. Vernaillen N. en E. Lodewijckx, 2002, Kinderen en het type huishouden waarvan ze deel uitmaken op 31/12/1999, www.cbgs.be. Het betreft hier zowel de eigen kinderen als de kinderen van de partner gaan. Er wordt geen rekening gehouden met de leeftijd of de burgerlijke staat van de kinderen.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

16

gegevens van het CBGS die in tabel 4 gebruikt worden maken, in tegenstelling tot de gegevens van het NIS, wel het onderscheid naar ongehuwde ouders met kinderen. Ten opzichte van de gegevens van het NIS betekent dit een lichte afzwakking van het aantal alleenstaande ouders. Het Brussels Gewest kent een oververtegenwoordiging van alleenstaande moeders, vooral van alleenstaande moeders met 2 of meer kinderen. Terwijl de Brusselse huishoudens slechts 11% van de Belgische huishoudens vertegenwoordigen, woont 13% van alle alleenstaande moeders in het Brussels Gewest. Bij de alleenstaande vrouwen met drie of meer kinderen loopt dit op tot 15%. Ongeveer 10% van de alleenstaande vaders woont in het Brussels Gewest. Bijna een derde van de moeders in het Brussels Gewest is alleenstaand (29% t.o.v. 14,4% in het Vlaams en 21,8% in het Waals Gewest). Van de Brusselse vaders is 5,7% alleenstaand (t.o.v. respectievelijk 3,6% en 4,7%). Wanneer dezelfde opsplitsing naar nationaliteit wordt gemaakt, komt het traditionele gezinspatroon bij de personen van Marokkaanse en Turkse nationaliteit duidelijk naar voren. Bovendien gaat het bij Marokkanen en Turken vaker om huishoudens met meerdere kinderen. Alleenwonenden zijn bij Turken en bij Marokkanen vooral alleenwonende mannen. Hoewel deze kenmerken van de huishoudens van vreemde nationaliteit opgaan voor het hele land, is de proportie alleenwonende mannen bij de Marokkanen en Turken hoger in het Brussels Gewest dan in de rest van het land: 23,8% van de Marokkaanse en Turkse huishoudens bestaat uit een alleenwonende man tegenover respectievelijk 14,7% en 21,4% in het Vlaams en Waals Gewest. Hoewel alleenstaande moeders binnen de Turkse en Marokkaanse gemeenschappen eerder zeldzaam zijn, komen zij in het Brussels Gewest proportioneel gezien vaker voor.

2.4. Armoede Het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting38 omschrijft armoede als de uitsluiting op verschillende levensdomeinen als onderwijs, arbeid, justitie, cultuur, gezondheid,… Vaak versterken verschillende problemen zich waardoor armoedebestrijding een complex gegevens is. Een laag scholingsniveau leidt tot mindere kansen op de arbeidsmarkt, wat gevolgen heeft voor het inkomen, wat de keuze van de huisvesting beperkt,… Een slechte huisvesting heeft vaak gevolgen voor de gezondheid van de bewoners en gezondheidsproblemen kunnen de tewerkstellingskansen verlagen, waarmee de cirkel rond is… Het meten van armoede is een complex gegeven. Hiervoor worden verschillende gegevens gebruikt die niet steeds vanuit een genderperspectief bekeken kunnen worden. Een eerste belangrijke variabele is het netto belastbaar inkomen dat door het NIS gepubliceerd wordt. Terwijl het mediaan inkomen per aangifte39 18.957 euro in België bedraagt, is het mediaan inkomen per aangifte in het Brussels Gewest met 17.741 euro de laagste van het land. Deze gegevens kunnen niet vanuit een genderperspectief geanalyseerd worden. Ook het Panel van de Huishoudens laat door zijn beperkte steekproef voor Brussel niet toe om hierover meer gegevens te verzamelen. Uit de gegevens van het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn40 blijkt de relatief sterke stijging van het aantal dossiers van alleenstaande vrouwen met kinderen voor het bestaansminimum en het equivalent bestaansminimum over een periode van vijf jaar. Zij vertegenwoordigen bijna een vierde van de dossiers. De grootste groep vormen echter de alleenstaande mannen, die bijna een derde van de dossiers uitmaken. De afhankelijkheid van het OCMW wordt in belangrijke mate bepaald door de leeftijd; in die zin dat jongeren een relatief hoge in- en uitstroom kennen. De jonge gerechtigden op het bestaansminimum zijn hoofdzakelijk mannen. De proportie vrouwen neemt echter met de leeftijd toe, aangezien zij veel meer ten gevolge van gezinsontbinding bij het OCMW terechtkomen. 38 39

40

www.armoedebestrijding.be Het mediaan inkomen per aangifte geeft het inkomen per aangifte weer voor de helft van de aangiften; 50% van de aangiften bevinden zich onder dit bedrag, 50% erboven. Observatorium voor Gezondheid en Welzijn, 2002, 8ste rapport over de staat van de armoede in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.

Demografische gegevens

17

In de onderstaande tabel wordt de verhoogde terugbetaling van het ziekenfonds weergegeven. Via een programma van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid kon het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn inschatten hoeveel Brusselse huishoudens van deze verhoogde terugbetaling genieten. Het is echter niet mogelijk om het aantal personen die ten laste zijn in te schatten en de gegevens stemmen niet helemaal overeen met andere bronnen.

Tabel 5:

Belastingplichtigen die recht hebben op een verhoogde terugbetaling van het ziekenfonds in het Brussels Gewest - 1/01/2001 Vrouwen

Weduwnaars en weduwen, invaliden, gepensioneerden en volle wezen

Mannen

Totaal

% totaal

% vrouwen

30 215

16 684

46 899

55,2

64,4

Gerechtigden op het BM41 en personen die steun ontvangen van een OCMW die geheel of gedeeltelijk ten laste wordt genomen door de federale staat

6 183

7 599

13 782

16,2

44,9

Gerechtigden op een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of personen die het recht op rentebijslag behouden

5 973

2 081

8 054

9,5

74,2

Gerechtigden aan wie een tegemoetkoming voor gehandicapten wordt verleend

5 347

4 737

10 084

11,9

53,0

Gerechtigden die ten minste 50 jaar zijn en sedert ten minste één jaar de hoedanigheid van volledig werklozen hebben zoals bedoeld in de werkloosheidsreglementering

2 199

3 941

6 140

7,2

35,8

49 917

35 042

84 959

100

58,8

Totaal Bron:

Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, Observatorium voor Gezondheid en Welzijn

Zes op de tien belastingplichtigen die recht hebben op een verhoogde terugbetaling van het ziekenfonds zijn vrouwen. Meer dan de helft van de gerechtigden zijn weduwnaar of weduwe, invalide, gepensioneerd of wees. Deze categorie bestaat voor bijna twee derde uit vrouwen. Bij de gerechtigden op een gewaarborgd inkomen of rentebijslag bedraagt de proportie vrouwen bijna 75%. Enkel bij de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen ouder dan 50 jaar en de gerechtigden op het bestaansminimum of andere steun van het OCMW maken vrouwen minder dan de helft van de gerechtigden uit. De administratieve gegevens leggen niet enkel een aantal beperkingen op voor wat de opdeling in vrouwen en mannen betreft, maar bepaalde categorieën van personen komen niet voor in deze gegevens. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om het aantal huishoudens te tellen dat zonder inkomen leeft, zoals de thuislozen en de illegalen. Daarnaast merkt het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn op dat een belangrijke groep van huishoudens in het BHG verblijft maar een minimumuitkering ontvangt buiten het Gewest. Ook de personen die omwille van allerlei drempels geen beroep doen op de sociale zekerheid of het OCMW, ondanks het feit dat ze er recht op hebben, vallen buiten de gegevens.

41

Bestaansminimum, wat in 2002 vervangen werd door het leefloon.

18

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

2.5. Besluit De demografische context van het Brussels Gewest verschilt van deze van de andere gewesten op meerdere aspecten. Het Brussels Gewest kent de hoogste proportie vrouwen van het land. Door de langere levensduur van de vrouwen is de gemiddelde leeftijd van de vrouwen iets hoger dan deze van de mannen. Maar de Brusselse vrouwen zijn in vergelijking met de Vlaamse en Waalse vrouwen jonger. Op middellange termijn wordt een verdere verjonging van de Brusselaars verwacht. Wat de toegang tot de arbeidsmarkt betreft, kunnen we nu reeds twee belangrijke knelpunten aanhalen. Deze zullen in de volgende hoofdstukken verder uitgewerkt worden. Ten eerste is er de concentratie van inwoners van een vreemde nationaliteit: 31,4% van de vrouwen en 29,9% van de mannen van vreemde nationaliteit woont in het Brussels Gewest. Ook het aantal naturalisaties hebben in grote mate betrekking op de inwoners van de hoofdstad. Zoals we zullen zien blijft de toegang tot de arbeidsmarkt voor deze bevolkingsgroep van vreemde nationaliteit en/of origine moeilijk. Hoewel vrouwen ongeveer de helft van de Brusselse bevolking met een vreemde nationaliteit uitmaken, zullen we zien dat hun deelname op de arbeidsmarkt beperkter is. Het tweede knelpunt vormen de eenoudergezinnen. Zij vormen een omvangrijke groep in het Brussels Gewest en vrouwen zijn hier meer betrokken dan mannen: 87% van de gezinshoofden in eenoudergezinnen zijn vrouwen. Daarenboven woont 29% van de moeders alleen met haar kinderen. Deze gezinnen zijn financieel meer afhankelijk en hebben een grotere behoefte aan ondersteuning om beroepsactief te (kunnen) zijn. In het Brussels Gewest woont bijna één op vier kinderen jonger dan 12 jaar in een eenoudergezin. Het tekort aan kwaliteitsvolle kinderopvang en het ontbreken van een informeel netwerk in het Brussels Gewest vormen voor deze groep een belangrijke drempel. Maar ook andere huishoudens met kinderen worden beperkt in hun toegang tot de arbeidsmarkt.

3. Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking Dit derde hoofdstuk gaat dieper in op de bevolking in de leeftijdscategorie 15-64 jaar. Deze categorie wordt internationaal beschouwd als de beroepsactieve leeftijd. Het Belgische onderwijssysteem met leerplicht tot 18 jaar en de mogelijkheden om de arbeidsmarkt vervroegd te verlaten zorgen echter voor een beperkte participatie op de arbeidsmarkt in de uiterste leeftijdsgroepen. We kunnen eveneens wijzen op de wettelijke verschillen tussen vrouwen en mannen (zoals de pensioenleeftijd) die een gedeelte van de genderverschillen in activiteits- en werkzaamheidsgraad kunnen verklaren. Via drie kernindicatoren zal de beroepsbevolking besproken worden: de activiteitsgraad, de werkzaamheidsgraad en de werkloosheidsgraad. Leeftijd, studieniveau en het huishouden waartoe men behoort spelen een rol bij de participatie op de arbeidsmarkt. Niet iedereen tussen 15 en 64 jaar kan of wenst te participeren op de arbeidsmarkt. Deze niet-beroepsactieve bevolking komt ook aan bod. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een analyse van de mobiliteit tussen de verschillende arbeidssegmenten.

3.1. Bevolking op arbeidsleeftijd In 2002 telt het Brussels Gewest 642.297 personen in de leeftijdscategorie 15-64 jaar. Hiervan is bijna twee derde beroepsactief (werkend of werkzoekend). Hoewel de proportie vrouwen en mannen op arbeidsleeftijd gelijk is, biedt slechts 56,4% van de Brusselse vrouwen zich aan op de arbeidsmarkt tegenover 71,6% bij de mannen. De onderstaande grafieken geven de Brusselse bevolking op arbeidsleeftijd weer volgens leeftijdsklasse en activiteit. Via de activiteiten werkend en werkzoekend kunnen we de beroepsactieve bevolking onderscheiden. De categorieën "student of in opleiding" en "inactief" typeren de niet-beroepsactieve bevolking. Hoewel het verleidelijk is om de onderstaande grafieken te interpreteren als een evolutie, gaat het om een dwarsdoorsnede van de Brusselse bevolking. Vrouwen en mannen jonger dan 25 jaar vertonen een zelfde profiel inzake studeren en werken. Iets minder dan zes jongeren op tien studeert nog (57,5% bij de vrouwen en 57,3% bij de mannen). Daarnaast is één vijfde reeds aan het werken (21% bij de vrouwen en 22,8% bij de mannen). Terwijl jonge vrouwen proportioneel gezien sterker vertegenwoordigd zijn in de niet-actieve bevolking, zijn jonge mannen eerder werkloos42: 11,6% van de jonge vrouwen is inactief en 9,9% is werkloos tegenover respectievelijk 8,2% en 11,7% bij de mannen. Vanaf de leeftijd van 25 jaar neemt de werkloosheid bij de mannen af. In de leeftijdscategorie 30-45 jaar is meer dan drie vierde van de mannen tewerkgesteld. Tot de leeftijd van 45 jaar blijft de proportie werkende vrouwen relatief stabiel (iets meer dan 60%). Vanaf 45 jaar neemt de proportie inactieve vrouwen en mannen toe. In de categorie 50-54 jaar is een vierde van de Brusselse mannen inactief, wat in de leeftijdscategorie 55-59 jaar 39,4% is. Bij de vrouwen is een vierde vanaf de leeftijd van 25 jaar inactief en deze proportie neemt geleidelijk toe met de leeftijd: in de leeftijdsklasse 45-49 jaar is 35% inactief. Vanaf 55 jaar is meer dan de helft van de vrouwen inactief. We merken op dat vrouwen die nu 25 jaar zijn een grotere participatie op de arbeidsmarkt kennen dan de vrouwen in dezelfde leeftijdsklasse begin jaren 70. Bovendien zullen zij waarschijnlijk in grotere mate blijven participeren43.

42

43

Volgens de definitie van het Internationaal ArbeidsBureau (IAB) die in de Enquête naar de Arbeidskrachten van het Nationaal Instituut van de Statistiek (NIS-EAK) gebruikt wordt, is iemand werkloos wanneer hij in de 4 weken voor de enquête geen betaalde job uitoefende, actief op zoek was naar werk en binnen de twee weken beschikbaar om een job uit te oefenen. Een vergelijking van deze gegevens met de administratieve gegevens betreffende de werkloosheid tonen een onderschatting van de werkzoekenden en bijgevolg een overschatting van de niet-actieve bevolking aan. Van Dongen W., 1993, Nieuwe krijtlijnen voor gezin, markt en maatschappij, Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudiën, Garant-Leuven.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

20

Grafiek 3:

Brusselse bevolking op arbeidsleeftijd naar activiteit (in %) - 2002 a) Vrouwen

b) Mannen

100%

100%

80%

80%

60%

60%

40%

40%

20%

20%

0% 15-19 20-24 25-29 30-34 35-39 40-44 45-49 50-54 55-59 60-64

0% 15-19 20-24 25-29 30-34 35-39 40-44 45-49 50-54 55-59 60-64

Student o f in o pleiding

Student o f in o pleiding

Bron:

Werkend

IA B - werklo o s

Inactief

Werkend

IA B - werklo o s

Inactief

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

In de onderstaande tabel wordt de verdeling van de bevolking tussen 15 en 64 jaar volgens studieniveau44 weergegeven. In vergelijking met de andere gewesten kent het Brussels Gewest de hoogste proportie hooggeschoolden. 33% van de vrouwen in het Brussels Gewest beschikt over een diploma hoger onderwijs. In het Vlaams en Waals Gewest is dit een vierde. Ook bij de mannen vinden we de grootste proportie hooggeschoolden in Brussel (30,9% t.o.v. 24% en 21,3%). De vrouwen kennen in de drie gewesten een hoger opleidingsprofiel.

Ten opzichte van 1992, is het aandeel van de laaggeschoolden zowel bij de vrouwen als bij de mannen gedaald. In 1992 had 51,2% van de vrouwen en 49,2% van de mannen in het Brussels Gewest geen diploma hoger secundair onderwijs. Ongeveer een vierde van de vrouwen en mannen hadden een diploma hoger onderwijs.

Tabel 6:

Studieniveau van de bevolking in de drie gewesten volgens leeftijd en gender - 2002 Vrouwen

Brussels Gewest

25-49 j.

50-64 j.

Totaal

15-24 j.

25-49 j.

50-64 j.

Laaggeschoold

48,4

32,5

47,9

39,1

57,4

33,1

45,7

40,4

Middengeschoold Hooggeschoold

40,5 11,2

24,4 43,1

26,2 25,9

27,8 33,0

36,5 6,0

28,1 38,7

23,7 30,6

28,7 30,9

Aantal %

Vlaams Gewest

186 070 57,5

77 009 23,8

323 824 100

58 705 18,4

188 658 59,2

71 112 22,3

318 475 100

39,6

27,4

60,1

38,4

45,5

30,8

51,5

39,0

Middengeschoold Hooggeschoold

45,1 15,3

37,9 34,7

24,2 15,8

35,5 26,1

45,2 9,3

39,3 29,9

26,5 22,0

37,0 24,0

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold Aantal %

Bron:

60 745 18,8

Totaal

Laaggeschoold

Aantal %

Waals Gewest

Mannen

15-24 j.

350 775 1 070 034 18,0 55,0 46,9 42,4 10,8 201 766 18,6

34,3 34,5 31,2 596 030 54,9

524 538 1 945 347 27,0 100 58,6 23,2 18,2

43,1 33,0 24,0

287 921 1 085 717 26,5

100

364 768 1 104 477 18,3 55,3 54,5 38,4 7,1 209 317 19,2

37,5 36,6 25,9 601 547 55,3

527 307 1 996 552 26,4 100 53,9 24,1 22,1

44,9 33,8 21,3

277 309 1 088 173 25,5

100

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

De leeftijdsklasse van de 15-24-jarigen vertoont een vertekening door de omvangrijke groep jongeren die nog schoolloopt. Niettemin merken we hier reeds een belangrijk verschil tussen vrouwen en mannen. Meer mannen

44

We definiëren een laaggeschoolde als een persoon die hoogstens een diploma lager secundair heeft. Middengeschoolden hebben een diploma hoger secundair onderwijs, terwijl hooggeschoolden een diploma hoger onderwijs, al dan niet universitair, hebben.

Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking

21

dan vrouwen zijn laaggeschoold. Dit verschil is het grootst in het Brussels Gewest: de proportie laaggeschoolde mannen is 9 procentpunten hoger dan de proportie laaggeschoolde vrouwen in de leeftijdsklasse 15-24-jaar. In het Vlaams Gewest is dit 5,9 procentpunten, terwijl de proportie laaggeschoolde mannen 7,6 procentpunten hoger is dan de proportie laaggeschoolde vrouwen in het Waals Gewest. In vergelijking met de andere gewesten kent Brussel echter de hoogste proportie laaggeschoolde vrouwen in deze leeftijdsklasse. In de leeftijdsklasse van 25-49 jaar merken we in het Brussels Gewest een belangrijke tweedeling tussen enerzijds een relatief omvangrijke groep laaggeschoolden en anderzijds de hooggeschoolden die eveneens een belangrijke groep uitmaken. In vergelijking met de andere gewesten is de middengroep eerder klein. In deze leeftijdsklasse is de proportie laaggeschoolde vrouwen en mannen ongeveer gelijk in het Brussels Gewest. In de twee andere gewesten zijn proportioneel meer laaggeschoolde mannen dan vrouwen. De proportie hooggeschoolden is in de drie gewesten in het voordeel van de vrouwen; deze is ongeveer 5 procentpunten hoger dan de proportie hooggeschoolde mannen. Zowel bij de vrouwen als bij de mannen is de proportie hooggeschoolden het hoogst in het Brussels Gewest. In de leeftijdsklasse van 50-64 jaar zijn de laaggeschoolden proportioneel sterker vertegenwoordigd. Bovendien is de proportie laaggeschoolde vrouwen hoger dan de proportie laaggeschoolde mannen. In vergelijking met de andere gewesten kent het Brussels Gewest meer hooggeschoolde 50-plussers. De verschillen tussen de gewesten komen het sterkst tot uiting bij de vrouwen: 25,9% van de Brusselse vrouwen in deze leeftijdsklasse is hooggeschoold tegenover 15,8% en 18,2% in het Vlaams en Waals Gewest. De sterke concentratie laag- en hooggeschoolden die het Brussels Gewest kenmerkt wordt niet waargenomen in de jongste leeftijdsklasse. Dit wordt in grote mate verklaard door de ondervraagde populatie. In de leeftijdsklasse van de 15-24-jarigen bevindt zich een belangrijke proportie jongeren die nog schoolloopt. Een respondent die hoger onderwijs volgt zal op basis van zijn reeds behaald studieniveau geregistreerd worden. Gezien de langere schoolloopbaan van de Brusselaars brengt dit een grotere vertekening met zich mee. In de volgende grafieken geven we het studieniveau van de 25-29-jarigen in de drie gewesten weer.

Grafiek 4:

Studieniveau van de 25-29-jarigen in de drie gewesten (in %) - 2002 a) Vrouwen

b) Mannen

100% 13,3 27,1 80% 4,3 60%

40%

20%

6,2 28,6

10,8 3,1 28,7

4,8

12,7 6,6 15,4

11,8 3,4 16,5

11,9 60%

36,4

40%

33,8

40,3 45,9

38,8

12,4 11,2

8,2 4,9

BHG

VG

0%

23,2 80%

18,4

26,7

100%

14,2 6,8 WG

20%

15,1

19,6 14,5

11,2 0% BHG

4,9

8,5

VG

WG

Lager of geen diploma

Lager secundair

Hoger secundair

Lager of geen diploma

Lager secundair

Hoger secundair

Hoger niet-univ. korte type

Hoger niet-univ. lange type

Universitair

Hoger niet-univ. korte type

Hoger niet-univ. lange type

Universitair

Bron:

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

In deze leeftijdsklasse heeft een belangrijk deel van de bevolking zijn studies wel afgerond en stellen we in het Brussels Gewest de grootste proportie laag- en hooggeschoolden vast. De helft van de Brusselse vrouwen in deze leeftijdsklasse heeft een diploma hoger onderwijs. In het Vlaams en Waals Gewest is dit respectievelijke 48,1% en 42,6%. Bijna één vierde van de Brusselse vrouwen is laaggeschoold (23,6%) tegenover 13,1% in Vlaanderen en 21% in Wallonië. De proportie laaggeschoolden is hoger bij de mannen: 26,3% in Brussel, 19,4% in Vlaanderen en 28,1% in Wallonië.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

22

Wat de hooggeschoolden in deze leeftijdsklasse betreft, stellen we een belangrijke proportie universitairen vast in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Vooral bij de Brusselse vrouwen merken we deze sterke proportie aan universitairen (27,1% ten opzichte van 13,3% in Vlaanderen en 10,8% in Wallonië). Bovendien is hun aantal relatief groter dan de proportie mannen in deze leeftijdsklasse met een universitair diploma (23,2%). De proportie 25-29-jarigen met een diploma van het hoger onderwijs van het korte type is kleiner in het Brussels Gewest dan in de andere twee gewesten en dit zowel bij de vrouwen als bij de mannen.

3.2. Beroepsactieve bevolking De beroepsactieve bevolking is de bevolking in de leeftijdscategorie 15-64 jaar die zich op de arbeidsmarkt aanbiedt. Drie arbeidsmarktindicatoren beschrijven deze groep. De activiteitsgraad geeft de proportie van de beroepsactieve bevolking, zowel werkend als werkzoekend, ten opzichte van de totale bevolking in de leeftijdscategorie 15-64 jaar. In 2002 waren in het Brussels Gewest 182.563 vrouwen en 228.002 mannen beroepsactief. Hiervan waren 155.980 vrouwen en 194.104 mannen effectief tewerkgesteld. De werkzaamheidsgraad geeft de proportie werkenden ten opzichte van de totale bevolking op arbeidsleeftijd weer. In het Brussels Gewest waren 26.582 vrouwen en 33.989 mannen werkloos (volgens de definitie van het IAB). De werkloosheidsgraad is de proportie van het aantal werkzoekenden ten opzichte van de beroepsactieve bevolking.

Tabel 7:

Activiteitsgraad, werkzaamheidsgraad en werkloosheidsgraad in de drie gewesten en de EU - 2002 Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

EU

56,4 71,6 63,9

58,5 74,9 66,8

52,2 70,6 61,4

56,3 73,2 64,8

60,8 78,3 69,6

48,2 61,0 54,5

55,2 71,7 63,5

45,6 64,2 54,9

51,4 68,3 59,9

55,5 72,9 64,2

Activiteitsgraad Vrouwen Mannen Totaal Werkzaamheidsgraad Vrouwen Mannen Totaal Werkloosheidsgraad Vrouwen

14,6

5,7

12,7

8,7

8,7

Mannen Totaal

14,9 14,7

4,3 4,9

9,1 10,6

6,7 7,6

6,9 7,7

Bron:

NIS-EAK, Eurostat

De activiteitsgraad in België bevindt zich onder het Europees gemiddelde: 56,3% van de vrouwen tussen 15 en 64 jaar participeert op de arbeidsmarkt. Bij de mannen is dit 73,2%. De activiteitsgraad van de vrouwen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is van dezelfde orde als het Belgisch gemiddelde, terwijl de mannen in het Brussels Gewest een activiteitsgraad hebben die onder het Belgisch gemiddelde ligt. In het Waals Gewest noteren we zowel bij de vrouwen als bij de mannen de laagste activiteitsgraad van het land. Hoewel de activiteitsgraad van de Brusselse mannen 15 procentpunten hoger is dan de activiteitsgraad van de Brusselse vrouwen, is de genderkloof in dit gewest de kleinste van het land. In het Vlaams en Waals Gewest bedraagt het verschil tussen vrouwen en mannen respectievelijk 16,4 en 18,4 procentpunten. In de Europese Unie is dit 17,5 procentpunten. In de Europese werkgelegenheidsrichtsnoeren werden een aantal streefcijfers m.b.t. de werkzaamheidsgraden van 2010 vastgelegd. Meer bepaald dient tegen 2010 in de Europese Unie gemiddeld 70% van de totale bevolking op arbeidsleeftijd aan het werk te zijn. Bovendien moet de werkzaamheidsgraad in 2010 voor vrouwen 60 % bedragen en die voor de 55-64-jarigen 50%. Om deze cijfers te halen werden ook tussentijdse streefcijfers aangenomen: een totale werkzaamheidsgraad van 67% in 2005 en 57% voor de vrouwen.

Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking

23

De Hoge Raad voor de Werkgelegenheid45 wijst er op dat de doelstellingen inzake de werkzaamheidsgraden werden vastgelegd op basis van een ambitieuze veronderstelling inzake de economische groei. Hoewel aan het eind van de jaren negentig en in 2000 inderdaad dergelijke hoge groeicijfers en hiermee gepaard gaande werkgelegenheidscreatie werden opgetekend, is dit niet langer het geval in de ongunstige economische conjunctuur die we vanaf 2001-2002 waarnemen. De Hoge Raad wijst er bovendien op dat het bereiken van hogere werkzaamheidsgraden impliceert dat een groter aantal personen actief aan de arbeidsmarkt moet deelnemen, zodat een deel van de momenteel werkloze of inactieve bevolking werkzaam zou worden. In 2002 haalde de totale werkzaamheidsgraad in België net geen 60%. Het Brussels Gewest haalt met een totale werkzaamheidsgraad van 54,5% het niveau van de Waalse werkzaamheidsgraad (54,9%), terwijl Vlaanderen een werkzaamheidsgraad van 63,6% laat optekenen. Gezien de ongunstige economische conjunctuur is het weinig waarschijnlijk dat één van de drie gewesten de Europese streefcijfers zal halen. Niettemin hebben de drie Gewesten zich geëngageerd om het verhogen van de werkzaamheidsgraad, en dit vooral voor de groepen die nu een lagere werkzaamheidsgraad kennen, als centrale pijler in hun werkgelegenheidsbeleid te maken. Het is belangrijk om op te merken, zeker in het kader van de analyse van de arbeidsmarkt vanuit een genderperspectief dat een persoon die deeltijds gaat werken na een periode van inactiviteit of werkloosheid hetzelfde gewicht heeft in de berekening van de werkzaamheidsgraad als een persoon die voltijds aan de slag gaat. Zo kan de stijging van de vrouwelijke werkzaamheidsgraad in Vlaanderen grotendeels verklaard worden door een toename van het aantal vrouwen die na een periode van inactiviteit of werkloosheid deeltijds gaat werken (zie ook hoofdstuk 5). Vrouwen in de drie gewesten en in de Europese Unie laten een lagere werkzaamheidsgraad dan mannen optekenen. In de Europese Unie bedraagt het verschil tussen vrouwen en mannen 17,4 procentpunten. In België wordt het kleinste verschil tussen vrouwen en mannen opnieuw in het Brussels Gewest opgetekend (12,8 procentpunten). Dit is echter voornamelijk te wijten aan de lage werkzaamheidsgraad van de mannen in het Brussels Gewest. Deze is 7,3 procentpunten lager dan het Belgisch gemiddelde en daarmee de laagste van het land. Bij de vrouwen op arbeidsleeftijd is 48,2% effectief tewerkgesteld, wat 3,2 procentpunten onder het Belgisch gemiddelde ligt. De laagste werkzaamheidsgraad bij de vrouwen wordt echter in het Waals Gewest opgetekend. De werkloosheidsgraad is het hoogst in het Brussels Gewest. Maar in tegenstellingen tot de andere Gewesten en de Europese Unie kennen vrouwen hier een werkloosheidsgraad die in dezelfde orde ligt van deze van de mannen. Terwijl de werkloosheidsgraad in het Vlaams Gewest 1,4 procentpunten hoger ligt bij de vrouwen, is dit in het Waals Gewest 3,6 procentpunten. Op Europees niveau is de werkloosheidsgraad bij de vrouwen bijna 2 procentpunten hoger dan de werkloosheidsgraad bij de mannen. De werkloosheidsgraad die in dit hoofdstuk gebruikt wordt is gebaseerd op de definitie van werklozen van het IAB. Ten opzichte van de administratieve gegevens die in hoofdstuk 6 gebruikt zullen worden is dit een onderschatting van de werkloosheid. Bovendien is het verschil in werkloosheidsgraad tussen vrouwen en mannen gebaseerd op de administratieve gegevens groter. De enge definitie van werklozen die bovendien de onmiddellijke beschikbaarheid veronderstelt kan een onderschatting van het aantal werkloze vrouwen en bijgevolg een overschatting van het aantal niet-beroepsactieve vrouwen betekenen. Het hebben van kinderen kan de onmiddellijke beschikbaarheid van vrouwen op de arbeidsmarkt verhinderen.

45

Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, juni 2003, Advies betreffende het Belgische werkgelegenheidsbeleid in het kader van de Europese werkgelegenheidsstrategie, Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

24

3.2.1.

Activiteitsgraad

De participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt is lange tijd afhankelijk geweest van het gevoerde beleid. Maruani46 wijst er op dat sinds het begin van de jaren 60 de positie van de vrouwen op de arbeidsmarkt veranderd is. Niet enkel betraden ze in grote getale de arbeidsmarkt. Ze worden niet langer ingezet als een "reserveleger aan arbeidskrachten, dus als een mobiele groep arbeidskrachten met een eerder precair statuut die in tijden van economische expansie en arbeidskrapte opgeroepen wordt en bij crisis en hoge werkloosheid van de arbeidsmarkt verdreven worden"47. Zoals reeds uit de grafieken 3 a) en b) is gebleken wordt de activiteitsgraad of de mate waarin men bereid is te participeren op de arbeidsmarkt bepaald door de leeftijd. De loopbaan van de Belgen wordt meestal aangeduid als een samengedrukte loopbaan. Jongeren lopen langere tijd school (en dit voltijds), terwijl ouderen de arbeidsmarkt vroegtijdig verlaten. In de leeftijdsklasse van 25-49 jaar is de totale activiteitsgraad hoger dan het Europees gemiddelde.

Tabel 8:

Activiteitsgraad in de drie gewesten en de EU volgens leeftijd en gender - 2002 Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

EU

30,9 34,5 32,7

35,7 41,9 38,9

27,2 34,8 31,1

32,4 38,9 37,5

43,7

74,8 93,2 84,1

< 25 jaar Vrouwen Mannen Totaal

51,0 47,4

25-49 jaar Vrouwen

70,4

80,4

71,0

76,4

Mannen Totaal

88,3 79,4

95,2 87,9

90,9 81,0

93,2 84,9

Vrouwen Mannen

42,6 57,8

29,1 55,1

30,9 53,4

30,9 54,8

Totaal

49,9

42,1

41,9

42,7

50 en + jaar

Bron:

44,2 66,0 55,0

NIS-EAK, Eurostat

De activiteitsgraad van de Brusselse jongeren is lange tijd lager geweest dan de activiteitsgraad van de Vlaamse of Waalse jongeren. In 2002 is de activiteitsgraad van de vrouwen jonger dan 25 jaar 3,7 procentpunten hoger dan de activiteitsgraad van de Waalse jonge vrouwen. De activiteitsgraad van de Brusselse jonge mannen benadert deze van de Waalse -25-jarigen. Ten opzichte van het Vlaams Gewest en het Europees gemiddelde scoren de Brusselse jongeren minder goed. Slechts een derde van de Brusselse jongeren participeert op de arbeidsmarkt. De verklaring hiervoor kan in de langere schoolloopbaan van de Brusselse jongeren gezocht worden. Over een periode van vijf jaar liet het Brussels Gewest de belangrijkste toename van de activiteitsgraad bij de jongeren optekenen: 5,8 procentpunten bij de vrouwen en 6,8 procentpunten bij de mannen. In het Vlaams Gewest was dit respectievelijk 1,9 en 4,1 procentpunten. Het Waals Gewest kende als enige gewest een sterkere toename in de activiteitsgraad van de vrouwen jonger dan 25 jaar (2,5 ppn. t.o.v. 1,6 ppn.) Qua leeftijd merken we dat de 25-49-jarigen de hoogste activiteitsgraad laten optekenen en dit zowel bij de mannen als bij de vrouwen. Van de 100 Brusselse vrouwen tussen de 25 en 49 jaar zijn er 70 beroepsactief (tewerkgesteld of werkzoekend). Hiermee benadert hun activiteitsgraad deze in het Waals Gewest, maar ten opzichte van de Vlaamse vrouwen in deze leeftijdsklasse bedraagt het verschil in activiteitsgraad 10 procentpunten. De activiteitsgraad bij de Brusselse mannen tussen 25 en 49 jaar is met 88,3% de laagste van het land.

46 47

Maruani M., 2000, Travail et emploi des femmes, La découverte-Repères, Parijs. Maruani M., 2000, p.6.

Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking

25

Over een periode van vijf jaar is de activiteitsgraad in deze leeftijdsklasse zowel bij de vrouwen als bij de mannen licht gedaald. Dit kan evenwel verklaard worden door een sterkere toename van de bevolking in deze leeftijdsklasse dan de toename van het aantal personen die participeren op de arbeidsmarkt. In hoofdstuk 5 zullen we aantonen dat het aantal werkenden in deze leeftijdsklasse gestegen is. Grafiek 3 toonde een belangrijke daling vanaf de leeftijd van 50 jaar wat de participatie op de arbeidsmarkt betreft, maar deze is minder belangrijk in het Brussels Gewest dan in de andere gewesten. Het Brussels Gewest kent de hoogste activiteitsgraad in deze leeftijdsklasse. Bijna 43% van de vrouwen ouder dan 50 jaar en 58% van de mannen in deze leeftijdsklasse participeert op de arbeidsmarkt. De activiteitsgraad ligt niettemin 1,6 procentpunten onder het Europees gemiddelde voor de vrouwen en 8,2 procentpunten voor de mannen. De activiteitsgraad wordt ook bepaald door het studieniveau. Hooggeschoolden participeren meer op de arbeidsmarkt dan laaggeschoolden. Maar de invloed van een hoger diploma is niet hetzelfde voor vrouwen als voor mannen. In beide gevallen heeft een hooggeschoolde een hogere activiteitsgraad, maar de activiteitsgraad van een hooggeschoolde vrouw is niettemin lager dan deze van een hooggeschoolde man (81,1% t.o.v. 89,7%). Bij de laaggeschoolden is het verschil tussen vrouwen en mannen groter. Een laaggeschoolde vrouw in het Brussels Gewest heeft een activiteitsgraad van 35,2% tegenover 57,6% bij de mannen. Daarnaast oefent ook de nationaliteit een invloed uit op de activiteitsgraad van vrouwen en mannen. Ongeacht de nationaliteit hebben vrouwen een lagere activiteitsgraad dan mannen, maar bij een vreemde nationaliteit wordt het genderverschil groter. In de volgende tabel worden beide variabelen gecombineerd.

Tabel 9:

Activiteitsgraad in het Brussels Gewest en België volgens nationaliteit en studieniveau - 2002 Brussels Gewest

België

Laag

Midden

Hoog

Laag

Midden

Hoog

38,0 56,2 47,2

58,5 71,8 65,0

83,1 89,3 86,1

35,5 58,6 47,3

61,3 78,7 70,2

83,9 89,7 86,7

43,3 67,7 56,3

58,3 75,3 67,3

81,7 95,1 88,1

36,1 63,9 51,4

58,7 81,9 71,4

78,1 90,1 84,5

20,5 54,5 36,6

42,9 68,0 56,8

55,9 84,5 71,3

21,5 59,1 38,8

47,7 72,6 61,0

53,4 77,8 66,3

Belg Vrouwen Mannen Totaal EU Vrouwen Mannen Totaal NEU Vrouwen Mannen Totaal Bron:

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Uit de tabel blijkt duidelijk dat de activiteitsgraad van de niet-Europeanen steeds lager is dan de activiteitsgraad van de Belgen en dit ongeacht het studieniveau. Terwijl 38 van de 100 laaggeschoolde vrouwen met een Belgische nationaliteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zich aanbiedt op de arbeidsmarkt is dit slechts het geval voor een vijfde van de laaggeschoolde vrouwen met een niet-Europese nationaliteit. Het verschil in activiteitsgraad tussen een hooggeschoolde vrouw met een Belgische nationaliteit en een hooggeschoolde vrouw met een nationaliteit van buiten de Europese Unie bedraagt 27,2 procentpunten, wat hoger is dan het verschil bij de laaggeschoolde vrouwen (17,5 procentpunten). Ook bij de mannen is het verschil in activiteitsgraad volgens nationaliteit groter bij de hooggeschoolde mannen dan bij de laaggeschoolden. Dit verschil is echter veel kleiner dan bij de vrouwen: 4,8 procentpunten bij de hooggeschoolden en slechts 1,7 bij de laaggeschoolde mannen. Gezien het belang van de inwoners met een vreemde nationaliteit in het Brussels Gewest weegt hun lagere activiteitsgraad zwaarder door in de totale activiteitsgraad van het Gewest dan in de andere gewesten. We merken bovendien op dat het Brussels Gewest verhoudingsgewijs een belangrijke proportie genaturaliseerden kent. De gegevens van de EAK laten niet toe om een onderscheid te maken tussen genaturaliseerde en nietgenaturaliseerde Belgen. Verschillende studies hebben echter aangetoond dat de activiteitsgraad van de

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

26

genaturaliseerde bevolking lager is dan deze van de autochtone bevolking48. De Belgische nationaliteit beschermt hen niet tegen discriminatie bij aanwerving. Bovendien verklaren ook andere factoren zoals sociale afkomst, sociale netwerken, toegang tot informatie,… de lagere participatie op de arbeidsmarkt van personen met een vreemde nationaliteit of origine. Naar de toekomst toe kunnen we een verdere toename van deze participatie op de arbeidsmarkt verwachten, waarbij de participatie van de vrouwen dichter gaat aanleunen bij deze van de mannen.

3.2.2.

Werkzaamheidsgraad

De onderstaande grafiek geeft de evolutie van de Brusselse en Belgische werkzaamheidsgraad in de periode 1992-2002. Algemeen merken we een stijging van de werkzaamheidsgraad bij de vrouwen terwijl de mannen eerder een stagnatie van hun werkzaamheidsgraad kenden.

Grafiek 5:

Evolutie van de werkzaamheidsgraad voor vrouwen en mannen in het BHG en België (1992-2002) (Index 100 = 1992) 120 115 110 105 100 95 90 85 80 1992

1993

1994

1995

BHG - V Bron:

1996

1997

BHG - M

1998 België - V

1999

2000

2001

2002

België - M

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Over een periode van 10 jaar is de werkzaamheidsgraad van de Brusselse vrouwen met 3,3 procentpunten toegenomen, terwijl de werkzaamheidsgraad bij de mannen licht is afgenomen (-0,6 ppn). Op Belgisch niveau bedraagt de toename voor de vrouwelijke werkzaamheidsgraad 6,8 procentpunten en 0,6 procentpunten voor de mannelijke werkzaamheidsgraad. Het verschil tussen de werkzaamheidsgraad van de vrouwen en de mannen is dan ook licht afgenomen, een evolutie die zich verder zal zetten, waarbij de werkzaamheidsgraad van de vrouwen deze van de mannen zal benaderen. In het Vlaams Gewest is het aantal werkende vrouwen het sterkst toegenomen in de periode 1992-2002. Hun werkzaamheidsgraad steeg van 46% tot 55,2%, wat een toename van 9,2 procentpunten betekent. Net zoals de activiteitsgraad afhankelijk is van de leeftijd en het studieniveau is dit ook het geval bij de werkzaamheidsgraad. In de onderstaande tabel wordt de werkzaamheidsgraad volgens leeftijdsgroep en gender weergegeven.

48

We kunnen de lezer onder andere naar de volgende studie verwijzen: Verhoeven H. en A. Martens, Arbeidsmarkt en diversiteit…Over de vreemde eend in de bijt. De werkgelegenheid van moeilijk af te bakenen doelgroepen: migranten, KUL, meta.fgov.be/pdf/pc/nlcee13b.pdf.

Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking

27

Tabel 10: Werkzaamheidsgraad in de drie gewesten en de EU volgens leeftijd en gender - 2002 Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

EU

< 25 jaar Vrouwen

21,0

31,6

19,2

26,5

37,2

Mannen

22,8

37,0

26,4

32,2

Totaal

21,9

34,4

22,9

29,4

43,7 40,5

25-49 jaar Vrouwen

60,5

76,3

62,3

70,2

68,7

Mannen

75,8

91,9

83,3

87,6

Totaal

68,2

84,2

72,9

79,0

87,6 78,2

50 en + jaar Vrouwen

39,7

27,8

29,4

29,3

41,4

Mannen

53,0

53,3

51,3

52,6

Totaal

46,1

40,6

40,2

40,9

62,2 51,7

Bron:

NIS-EAK, Eurostat

De werkzaamheidsgraad volgens leeftijd en gender vertoont sterke gelijkenissen met de activiteitsgraad (tabel 8). De algemene werkzaamheidsgraad van de Brusselse jongeren is sinds lange tijd de laagste van het land. Niettemin zien we bij de vrouwen jonger dan 25 jaar een werkzaamheidsgraad die bijna twee procentpunten hoger is dan de werkzaamheidsgraad bij de Waalse vrouwen in dezelfde leeftijdsklasse. De werkzaamheidsgraad bij de Brusselse mannen jonger dan 25 jaar is daarentegen de laagste van het land. Slechts iets meer dan een vijfde van de jonge vrouwen en mannen in het Brussels Gewest zijn tewerkgesteld. Ten opzichte van 1997 kenden de vrouwen jonger dan 25 jaar de belangrijkste toename van de werkzaamheidsgraad in het Brussels en Waals Gewest (+6 ppn. tegenover +2,3 ppn. in het Vlaams Gewest). Bij de mannen jonger dan 25 jaar nam de werkzaamheidsgraad ten opzichte van 1997 in mindere mate toe: 3,8 procentpunten in het Brussels Gewest tegenover 2,4 ppn. in het Vlaams en 3,1 ppn. in het Waals Gewest. Ondanks deze relatief sterke toename blijft de werkzaamheidsgraad bij Brusselse mannen jonger dan 25 jaar de laagste van het land. De verklaring van de lage werkzaamheidsgraad moet in de lange schoolloopbaan van de Belgische jongeren gezocht worden. Immers, wanneer de werkzaamheidsgraad in de leeftijdscategorie 15-24 jaar berekend wordt zonder de studenten in rekening te brengen bedraagt deze 71,4% op Belgisch niveau. Het Brussels Gewest heeft dan een werkzaamheidsgraad van 50,3%, waarbij het verschil tussen de mannen en de vrouwen eerder beperkt is (51,7% tegenover 49%). In het Vlaams en Waals Gewest liggen de werkzaamheidsgraden hoger en is de genderkloof eveneens groter. Van de 100 Vlaamse mannen in deze leeftijdsklasse is 83,6% tewerkgesteld tegenover 79,9% van de Vlaamse vrouwen jonger dan 25 jaar. In het Waals Gewest is dit respectievelijk 63,8% en 51,9%. De leeftijdsklasse 25-49 jaar kent de hoogste werkzaamheidsgraad. In het Brussels Gewest hebben zowel de vrouwen als de mannen de laagste werkzaamheidsgraad van het land. Van de 100 vrouwen in de leeftijdsklasse 25-49 jaar in het Brussels Gewest zijn bijna 61 tewerkgesteld. In het Vlaams Gewest is dit 76,3% en in het Waals Gewest is dit 62,3%. In het Brussels Gewest stellen we de grootste genderkloof vast in deze leeftijdsklasse: de werkzaamheidsgraad van de mannen is 15,3 procentpunten hoger. Dit verschil tussen de vrouwen en mannen is evenwel lager dan de genderkloof in de werkzaamheidsgraad in de andere twee gewesten. Terwijl in het Vlaams Gewest de vrouwen tussen 25 en 49 jaar een werkzaamheidsgraad hebben die 15,4 procentpunten lager is dan de mannen in deze leeftijdsklasse, is dit in het Waals Gewest meer dan 20 procentpunten. Ten opzichte van 1997 is de werkzaamheidsgraad van de Brusselse vrouwen in deze leeftijdscategorie met bijna 3 procentpunten afgenomen, terwijl de werkzaamheidsgraad van de Vlaamse vrouwen dankzij de toename van de deeltijdse arbeid met bijna 5 procentpunten gestegen is. De werkzaamheidsgraad bij de Waalse vrouwen in deze leeftijdscategorie is stabiel gebleven in deze periode. In hoofdstuk 5 zullen we echter zien dat het aantal werkende vrouwen en mannen in deze leeftijdsklasse toegenomen is. Deze toename is evenwel minder groot dan de toename van de bevolking in deze leeftijdsklasse. De afname van de werkzaamheidsgraad blijkt duidelijk in de leeftijdsklasse van de 25-29-jarigen, waar ook het aantal werkenden is afgenomen.

28

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

In het Vlaams en Waals Gewest wordt de grootste genderkloof vastgesteld bij de 50-plussers. Iets meer dan de helft van de mannen ouder dan 50 in de drie gewesten is tewerkgesteld. Bij de vrouwen is de werkzaamheidsgraad sterk gedaald ten opzichte van de werkzaamheidsgraad in de leeftijdsgroep van de 25-49 jaar. Terwijl de Vlaamse vrouwen tussen de 25 en 49 jaar de hoogste werkzaamheidsgraad in België kennen, is de werkzaamheidsgraad voor de vrouwen ouder dan 50 jaar de laagste van het land. De werkzaamheidsgraad van de vrouwen in deze leeftijdsgroep is het hoogst in het Brussels Gewest waar 39,7% van de vrouwen ouder dan 50 jaar werkt. Geurts wijst in deze context op de typische Belgische situatie. Door een historisch eerder late toetreding van de vrouwen op de arbeidsmarkt en het nagenoeg ontbreken van de herintrede bij de Vlaamse en Waalse vrouwen met oudere kinderen is de werkzaamheidsgraad bij de vrouwen ouder dan 50 jaar aan de lage kant. Het Brussels Gewest kent daarentegen wel een herintrede van moeders met oudere kinderen49. Dit kan verklaard worden door de stedelijke context en de sterker uitgebouwde tertiaire sector. Ook het relatief hogere opleidingsniveau van de Brusselse 50-plussers, meer in het bijzonder van de vrouwen, verklaren hun hogere werkzaamheidsgraad. Bovendien kende de werkzaamheidsgraad bij de vrouwen in deze leeftijdsklasse de hoogste toename over een

periode van vijf jaar in het Brussels Gewest (+9 ppn. tegenover +6,3 ppn. in het Vlaams en +3,4 ppn. in het Waals Gewest). Bij de mannen wordt het Brussels Gewest voorgegaan door het Waals Gewest. Bij de mannen ouder dan 50 jaar is de werkzaamheidsgraad over een periode van vijf jaar in het Waals Gewest toegenomen met 4,1 procentpunten (t.o.v. +3,1 ppn. in het Brussels en +1,4 ppn. in het Vlaams Gewest). Wanneer de 50-plussers meer in detail worden geanalyseerd, merken we dat in het Vlaams Gewest de belangrijkste daling van de werkzaamheidsgraad plaats vindt in de leeftijdsgroep 50-54 jaar en dit zowel bij de mannen als bij de vrouwen. Bij de vrouwen kent de werkzaamheidsgraad tussen de leeftijdsgroep 55-59 jaar en 60-64 jaar een verdere daling, terwijl bij de mannen de werkzaamheidsgraad ongeveer hetzelfde niveau heeft. In het Brussels en Waals Gewest kent de werkzaamheidsgraad bij de 50-plussers de belangrijkste daling tussen de leeftijdsgroepen 55-59 en 60-64 jaar, m.a.w. in het Vlaams Gewest verlaten de 50-plussers vroeger de arbeidsmarkt. Ongeacht de leeftijd kennen de Brusselse 50-plussers een hogere werkzaamheidsgraad dan hun leeftijdsgenoten in de andere gewesten. In de leeftijdsklasse 60-64 werkt 12,2% van de vrouwen en 26,9% van de mannen. We merken op dat er een belangrijke vertekening bestaat wanneer de werkzaamheidsgraad van de oudere bevolking wordt vergeleken. De wettelijke pensioenleeftijd is immers verschillend voor vrouwen en voor mannen. In 2002 bedroeg deze 62 jaar voor vrouwen en 65 jaar voor mannen50. Naast leeftijd vormt het studieniveau een belangrijke determinant in de mate waarin iemand tewerkgesteld is. Door de band kennen hoger opgeleiden een hogere werkzaamheidsgraad. De volgende tabel geeft de werkzaamheidsgraad in de drie gewesten volgens gender en volgens studieniveau. Hoewel een hoger studieniveau, zowel voor vrouwen als voor mannen, een positieve invloed heeft op de werkzaamheidsgraad hebben vrouwen bij gelijk studieniveau een lagere werkzaamheidsgraad dan mannen. In het Brussels Gewest heeft een hoogopgeleide man een werkzaamheidsgraad die bijna dubbel zo hoog is als de werkzaamheidsgraad van een laagopgeleide man en 22,7 procentpunten hoger dan een gemiddeld opgeleide man. Bij de Brusselse vrouwen is de invloed van het studieniveau op de werkzaamheidsgraad nog groter: een laagopgeleide vrouw heeft een werkzaamheidsgraad die 28,5 procentpunten lager is dan die van de gemiddeld opgeleide vrouw. Ten opzichte van een hoogopgeleide vrouw is de werkzaamheidsgraad drie maal zo laag. Slechts één op vier laagopgeleide vrouwen in het Brussels Gewest is tewerkgesteld tegenover drie op vier hooggeschoolde vrouwen. We willen ten slotte opmerken dat de Brusselse vrouwen in elke categorie minder gunstig resultaat dan de Vlaamse en Waalse vrouwen kennen.

49

50

Geurts K., 2002, Minder gezin, meer arbeid. De arbeidsdeelname van de bevolking naar gezinspositie. Een situering van Vlaanderen in Europa. De Arbeidsmarkt in Vlaanderen, jaarreeks 2002, deel 2, Steunpunt WAV - Viona Stuurgroep.

Vanaf 1 januari 2003 is de persioenleeftijd gestegen naar 63 jaar voor de vrouwen. Vanaf 1 januari 2006 zal hij 64 jaar bedragen en 65 jaar vanaf 1 januari 2009.

Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking

29

Tabel 11: Werkzaamheidsgraad in de drie gewesten volgens studieniveau - 2002 Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

Vrouwen

25,9

32,9

26,0

29,8

Mannen

43,5 34,8

56,8 45,1

49,4 38,0

53,0 41,7

Laaggeschoold

Totaal Middengeschoold Vrouwen

47,0

60,0

48,4

55,3

Mannen

61,0 54,0

77,1 68,8

71,1 59,9

74,0 64,9

Totaal Hooggeschoold Vrouwen

75,5

81,4

76,9

79,3

Mannen

83,7 79,4

87,2 84,2

84,4 80,4

86,0 82,5

Totaal Bron:

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

De verschillen in werkzaamheidsgraad tussen vrouwen en mannen met eenzelfde studieniveau wordt in de volgende grafiek weergegeven. Globaal is de genderkloof het kleinst bij de hoogopgeleiden, terwijl het verschil tussen vrouwen en mannen het grootst is bij de laaggeschoolden. Met uitzondering van de hooggeschoolden is de genderkloof in het Brussels Gewest relatief kleiner dan in de andere gewesten. Deze vaststelling moet echter genuanceerd worden door de lage werkzaamheidsgraad bij de Brusselse mannen. In het Waals Gewest is de genderkloof tussen de middengeschoolden bijna even groot als de genderkloof bij de laaggeschoolden, terwijl in de andere gewesten de genderkloof duidelijk afneemt.

Grafiek 6:

Genderkloof in de werkzaamheidsgraad in de drie gewesten volgens studieniveau - 2002 30 25 20 15 10 5 0 Brussels Gewest

Vlaams Gewest Laag

Bron:

Waals Gewest Midden

België

Hoog

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Over een periode van vijf jaar merken we een lichte toename van de genderkloof bij de laaggeschoolden in het Brussels Gewest. Bij de middengeschoolden is de genderkloof met 1,3 procentpunten afgenomen, terwijl de genderkloof bij de hooggeschoolden stabiel is gebleven. In het Vlaams Gewest merken we ongeacht het studieniveau een daling van de genderkloof met 3 procentpunten. In het Waals Gewest merken we een afname van de genderkloof bij de hoger opgeleiden met bijna 3 procentpunten, terwijl het verschil in werkzaamheidsgraad tussen de laaggeschoolde vrouwen en mannen met bijna een procentpunt afgenomen is. Bij de middenopgeleide vrouwen en mannen is het verschil in werkzaamheidsgraad licht toegenomen. Bij de jongeren merken we eveneens een stijging van de werkzaamheidsgraad bij een hoger studieniveau. In het Brussels Gewest zijn de verschillen tussen laag- en hooggeschoolden bij de jongeren kleiner dan bij de volwassenen. Maar merken we een belangrijk verschil tussen de vrouwen en de mannen. Slechts 10,1% van de laaggeschoolde vrouwen jonger dan 25 jaar is tewerkgesteld, terwijl 56,3% van de hoogopgeleide vrouwen werkt. Bij de mannen is het verschil in werkzaamheidsgraad tussen de hoog- en laagopgeleiden minder extreem

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

30

door de lagere werkzaamheidsgraad bij de hoogopgeleide mannen: 19,8% van de laaggeschoolde mannen werkt tegenover 49,5% van de hooggeschoolden in deze leeftijdsklasse.

Tabel 12: Werkzaamheidsgraad van de jongeren (< 25 jaar) in de drie gewesten volgens studieniveau - 2002 Laaggeschoold

Middengeschoold

Hooggeschoold

Totaal

Brussels Gewest Vrouwen Mannen

10,1 19,8

21,5 24,9

56,3 49,5

21,0 22,8

Totaal

15,2

23,1

54,0

21,9

Vlaams Gewest Vrouwen

12,4

33,3

74,8

31,6

Mannen

19,5

50,3

67,3

37,0

Totaal

16,3

42,1

71,9

34,4

Vrouwen

7,1

20,9

69,1

19,2

Mannen

17,9

36,2

59,3

26,4

Totaal

13,0

28,4

65,1

22,9

Waals Gewest

België Vrouwen

10,3

28,2

71,7

26,5

Mannen Totaal

19,0 15,0

44,0 36,1

63,8 68,7

32,2 29,4

Bron:

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

De kloof tussen de werkzaamheidsgraden van laag- en hoogopgeleiden in het Vlaams en Waals Gewest is groter bij de jongeren dan bij de volwassenen. Een laagopgeleide vrouw jonger dan 25 jaar heeft in het Vlaams en Waals Gewest een werkzaamheidsgraad die 62 procentpunten lager ligt dan de werkzaamheidsgraad van een hoogopgeleide vrouw in dezelfde leeftijdsklasse. Bij de mannen is het verschil minder extreem. In het Vlaams Gewest heeft een hoogopgeleide man een werkzaamheidsgraad die 47,8 procentpunten hoger is dan een laagopgeleide, terwijl in het Waals Gewest dit verschil 41,4 procentpunten bedraagt. We merken op dat de werkzaamheidsgraad bij de hooggeschoolde vrouwen jonger dan 25 jaar hoger is dan bij de mannen en dit in de drie gewesten. Ten slotte hebben we kunnen vaststellen dat hoewel de werkzaamheidsgraad van de vrouwen systematisch lager is dan deze van de mannen (met uitzondering van de hooggeschoolde vrouwen jonger dan 25 jaar), een hoger opleidingsniveau een grotere stijging van de werkzaamheidsgraad teweegbrengt bij de vrouwen dan dit bij de mannen het geval is. We kunnen stellen dat een hoger diploma een positieve invloed heeft op de werkzaamheidsgraad. Dit effect is evenwel lager bij de vrouwen dan bij de mannen. Ook bij de jongeren hebben vrouwen, met uitzondering van de hooggeschoolde vrouwen, een lagere werkzaamheidsgraad dan de mannen. Net zoals bij de activiteitsgraad heeft de nationaliteit ook een invloed op de werkzaamheidsgraad. Vrouwen hebben ongeacht hun nationaliteit echter een lagere werkzaamheidsgraad dan mannen. Bij niet-Europeanen is het genderverschil het grootst. De positieve invloed van een hoger diploma geldt evenwel niet voor vrouwen en mannen op dezelfde wijze. Wanneer het onderscheid naar gender wordt gemaakt, merken we de weinig gunstige positie van de laaggeschoolde vrouwen met een niet-Europese nationaliteit. Minder dan 10% van de laaggeschoolde vrouwen met een niet-Europese nationaliteit is tewerkgesteld, terwijl dit bij de laaggeschoolde Belgische vrouwen 30% is. Bij hooggeschoolde vrouwen bedraagt het verschil tussen de werkzaamheidsgraad van Belgen en nietEuropeanen zelfs meer dan 40 procentpunten.

Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking

31

Tabel 13: Werkzaamheidsgraad in het Brussels Gewest volgens nationaliteit en studieniveau - 2002 Laaggeschoold

Middengeschoold

Hooggeschoold

Totaal

Belgische nationaliteit Vrouwen

29,5

50,0

78,3

52,8

Mannen

44,4

62,3

84,1

62,8

Totaal

37,1

56,1

81,1

57,7

Europese nationaliteit Vrouwen

34,7

47,1

77,7

53,3

Mannen

55,9

68,3

89,0

69,3

Totaal

46,0

58,3

83,1

61,5

Vrouwen

8,3

23,7

37,7

16,7

Mannen

29,8

45,7

71,6

42,4

Totaal

18,4

35,9

56,0

29,7

Niet-Europese nationaliteit

Bron:

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

De toegang tot de arbeidsmarkt voor personen met een vreemde nationaliteit of origine wordt bemoeilijkt door discriminatie maar eveneens door minder toegang tot kennis over het functioneren van de arbeidsmarkt, minder ontwikkelde sociale netwerken, de sociale afkomst,… Op basis van de vaststellingen van Jennes51 naar het profiel van geschoolde allochtone vrouwen op de arbeidsmarkt kunnen we veronderstellen dat allochtone vrouwen zich in de toekomst meer zullen aanbieden op de arbeidsmarkt. Ze wijst hierbij op het feit dat de tweede generatie relatief minder inschakelingsproblemen ondervindt dan de eerste generatie. Een belangrijke factor voor een geslaagde inschakeling op de arbeidsmarkt is het hebben van een buitenshuis tewerkgestelde moeder. Volgens de onderzoekster zou de rol van de vader hier eerder te verwaarlozen zijn. Uit tabel 14 blijkt bovendien de invloed van het huishouden waar iemand toe behoort op zijn werkzaamheidsgraad. Bij de werkzaamheidsgraad wordt geen rekening gehouden met deeltijds werk. De kenmerken van de job en de combinatie arbeid en gezin zullen in hoofdstuk 5 aan bod komen. Bij de interpretatie van de resultaten is het bovendien belangrijk om het specifieke profiel van de Brusselse huishoudens in gedachten te houden (zie hoofdstuk 2). Terwijl op Belgisch niveau alleenstaande vrouwen en mannen een vergelijkbare werkzaamheidsgraad hebben, is dit niet het geval in het Brussels en Waals Gewest. In het Brussels Gewest hebben alleenstaande vrouwen een hogere werkzaamheidsgraad, terwijl in het Waals Gewest de alleenstaande mannen een hogere werkzaamheidsgraad hebben. We herinneren aan het belang van de alleenstaanden in het profiel van de Brusselse huishoudens, de helft van de huishoudens in het Brussels Gewest bestaat uit slechts één persoon (zie ook hoofdstuk 2). Wanneer vrouwen een partner hebben, verandert dit weinig aan hun werkzaamheidsgraad, terwijl mannen met een partner een hogere werkzaamheidsgraad hebben dan de alleenstaande mannen. In de drie gewesten is de werkzaamheidsgraad van mannen met een partner 14 procentpunten hoger dan alleenstaande mannen.

51

Jennes A., 1995, Profielen van geschoolde allochtone vrouwen op de arbeidsmarkt. In: Welzijn, vol.6, nr.1, pp10-15.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

32

Tabel 14: Werkzaamheidsgraad in de drie gewesten bij de 25-49-jarigen volgens huishoudtype - 2000 Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

Thuiswonend Vrouwen

53

63

53

59

Mannen

40

73

54

64

Vrouwen

73

82

62

74

Mannen

69

81

69

75

Vrouwen

73

78

67

75

Mannen

83

95

86

92

66 83

78 97

66 92

74 94

Vrouwen

64

77

69

74

Mannen

86

97

94

95

Vrouwen

33

63

51

56

Mannen

75

92

92

90

Alleenstaand

Met partner52

Met partner en 1 kind Vrouwen Mannen Met partner en 2 kinderen

Met partner en 3 of meer kinderen

Eenoudergezin Vrouwen

55

68

50

59

Mannen

Nb

Nb

Nb

Nb

75 87

72 91

65 86

70 89

Vrouwen

63

75

62

69

Mannen

76

92

85

88

Ander Vrouwen Mannen Totaal

Bron:

Eurostat LFS, Steunpunt WAV

Het hebben van kinderen heeft een negatieve invloed op de werkzaamheidsgraad van de vrouwen, terwijl mannen met kinderen een lichte toename van de werkzaamheidsgraad kennen ten opzichte van mannen zonder kinderen. In het Vlaams en Waals Gewest heeft een vrouw met een partner en één kind een vergelijkbare werkzaamheidsgraad als een vrouw met enkel een partner. In het Brussels Gewest daalt de werkzaamheidsgraad van vrouwen met een partner en een kind 7 procentpunten: 73% van de vrouwen met een partner is tewerkgesteld terwijl dit bij een vrouw met partner en één kind nog 66% is. De belangrijkste afname van de werkzaamheidsgraad bij vrouwen wordt vastgesteld bij huishoudens met drie kinderen: nog slechts één derde van de Brusselse vrouwen met drie kinderen is tewerkgesteld. Deze gegevens illustreren wat Van Haegendoren op treffende wijze formuleerde als "… het huwelijk houdt mannen uit de werkloosheid, terwijl vrouwen - zeker wanneer er kinderen zijn - naar de werkloosheid voert"53. Hoewel we in de twee andere gewesten ook een belangrijke afname van de werkzaamheidsgraad vaststellen is 63% van de Vlaamse en 51% van de Waalse vrouwen met partner en drie kinderen tewerkgesteld. We wijzen eveneens op de correlatie tussen het aantal kinderen en de origine/nationaliteit. Belgische vrouwen hebben gemiddeld minder kinderen, wat gedeeltelijk de lagere werkzaamheidsgraad van vrouwen met meerdere kinderen zou kunnen verklaren. Deze gegevens worden eveneens bevestigd door de Fertility and Family Survey (FFS)54. De afwezigheid van kinderen gaat gepaard met een maximalisering van de arbeidsparticipatie bij Belgische vrouwen, maar niet bij Turkse en Marokkaanse vrouwen. De aanwezigheid van kinderen leidt tot een daling van de arbeidsparticipatie. Bij de mannen daarentegen leidt de aanwezigheid van een partner en kinderen tot een hogere tewerkstelling en dit onafhankelijk van hun nationaliteit.

52 53 54

Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt naar gehuwd en ongehuwd samenwonen. Van Haegendoren M., 1998, Van huisvrouwen tot uitzendkrachten. Arbeid in België sinds 1945, Davidsfonds, Leuven. Schoenmaeckers R.C. en M. Callens (red.), 1999, Gezinsvorming in Brussel. Resultaten van de ‘Fertility and Family Survey' (FFS) in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, CBGS-Publicaties, Garant.

Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking

33

Een analyse van de werkzaamheidsgraad bij de 25-39-jarigen in het Vlaams Gewest55 toont duidelijk de invloed van het studieniveau op de werkzaamheidsgraad voor vrouwen met en zonder kinderen aan. Hieruit blijkt dat hooggeschoolde vrouwen met inwonende kinderen meestal een betaalde baan hebben. Middengeschoolde moeders blijven vaker thuis en worden met andere woorden voltijds huisvrouw. In vergelijking met de hooggeschoolde moeders vinden we bij de tewerkgestelden meer deeltijds werkenden terug. Hoewel laaggeschoolde vrouwen ongeacht hun gezinstype een lagere werkzaamheidsgraad kennen, stelt de onderzoekster niettemin dat de gezinspositie sterker doorweegt bij de laaggeschoolde vrouwen. Laaggeschoolde moeders zullen eerder de arbeidsmarkt verlaten.

Alleenstaande moeders in het Brussels Gewest hebben een hogere werkzaamheidsgraad dan Waalse alleenstaande moeders. Hun werkzaamheidsgraad is echter lager dan deze in het Vlaams Gewest. Van de 100 alleenstaande Brusselse moeders zijn er 55 tewerkgesteld, wat lager is dan de werkzaamheidsgraad van vrouwen met een partner en 2 kinderen (64%).

In de periode 1990-2000 merken we een algemene toename van de werkzaamheidsgraad bij de vrouwen. Vooral in het "traditionelere" Vlaanderen is deze toename belangrijk. Zowel in het Vlaams als in het Waals Gewest merken we de sterkste toename in de werkzaamheidsgraad bij de vrouwen met 2 en meer kinderen. In het Brussels Gewest daarentegen merken we een afname van de werkzaamheidsgraad van de alleenstaande moeders (-12 procentpunten). De belangrijkste toename in de werkzaamheidsgraad merken we bij de Brusselse vrouwen met partner (+13 procentpunten). Bij de mannen is de werkzaamheidsgraad volgens huishoudtype relatief gelijk gebleven. Enkel de thuiswonende mannen laten een belangrijke afname in de werkzaamheidsgraad optekenen en dit in de drie gewesten.

3.2.3.

Werkloosheidsgraad

Als laatste indicator van de arbeidsmarkt wordt de werkloosheidsgraad besproken. Deze geeft de verhouding tussen het aantal werkzoekenden en het aantal personen dat zich aanbiedt op de arbeidsmarkt. In dit onderdeel zal de definitie van het Internationaal Arbeidsbureau (cf. supra) gebruikt worden, terwijl in hoofdstuk 6 de werkzoekenden ingeschreven bij de BGDA geanalyseerd zullen worden. Zoals eerder vermeld kan het aantal IABwerklozen als een onderschatting van het aantal werkzoekenden beschouwd worden. Bij vrouwen betekent dit een onderschatting van 29,5% tegenover 14,3% bij de mannen. Dit verschijnsel wordt ook in het Vlaams en Waals Gewest vastgesteld56. Dit belangrijke verschil tussen vrouwen en mannen kan verklaard worden door de gebruikte definitie. Uit de overzichtstabel (tabel 7) is reeds gebleken dat het Brussels Gewest de hoogste werkloosheidsgraad van het land heeft. Anderzijds is de werkloosheidsgraad voor vrouwen en mannen van dezelfde grootorde, terwijl in de andere gewesten de vrouwen een hogere werkloosheidsgraad kennen. Grafiek 7 illustreert dit beperkte verschil in werkloosheidsgraad tussen de vrouwen en mannen in het Brussels Gewest. Op Belgisch niveau zien we een duidelijk verschil tussen de werkloosheidsgraad bij de vrouwen en mannen. In 1992 was de Belgische werkloosheidsgraad van de vrouwen 5 procentpunten hoger dan deze van de mannen. Vanaf 1997 is dit verschil langzaam afgenomen. In 2001 was de werkloosheidsgraad van de vrouwen nog slechts anderhalf procentpunt hoger. In 2002 is dit licht toegenomen tot bijna 2 procentpunten. We merken bovendien dat de werkloosheidsgraad bij de Brusselse mannen reeds een aantal keren iets hoger was dan de werkloosheidsgraad bij de Brusselse vrouwen. Het verschil in werkloosheidsgraad schommelt over de bestudeerde periode rond het 1 procentpunt. 55

56

Geurts K., 2003, Werk, gezin of beide? Verschillen tussen laag- en hooggeschoolden. In: De arbeidsmarkt in Vlaanderen. Jaarboek 2003, Steunpunt WAV, VIONA Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek. Voor het jaar 2002 was het aantal ingeschreven vrouwelijke werkzoekenden in het Vlaams Gewest 35% hoger dan de gegevens uit de EAK. Bij de mannen was dit 25%. In het Waals Gewest gaat het om respectievelijk 42% en 31% meer ingeschreven werkzoekenden.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

34

Grafiek 7:

Evolutie van de werkloosheidsgraad voor vrouwen en mannen in het BHG en België (1992-2002) 18 16 14 12 10 8 6 4 2 0 1992

1993

1994

1995

1996

BHG - V Bron:

1997

BHG- M

1998

1999

België - V

2000

2001

2002

België - M

NIS-EAK

Hoewel vrouwen en mannen een werkloosheidsgraad hebben die in dezelfde grootorde ligt, verdoezelt deze "gelijkheid" belangrijke verschillen tussen vrouwen en mannen. Net zoals bij de werkzaamheidsgraad zullen we de werkloosheidsgraad volgens leeftijd en studieniveau bespreken. Ook het type huishouden zal in dit verband besproken worden. In elke leeftijdsklasse is de werkloosheidsgraad van de Brusselse vrouwen lager dan deze van de mannen. De hoogste werkloosheidsgraad wordt bij de -25 jarigen genoteerd. In het Brussels Gewest is één derde van de jongeren die zich op de arbeidsmarkt aanbieden werkloos. Bij de jongeren in het Waals Gewest bedraagt de werkloosheidsgraad 26,5%. In het Vlaams Gewest is slechts 11,6% van de jongeren op de arbeidsmarkt werkloos. Enkel in het Waals Gewest is de werkloosheidsgraad van de jonge vrouwen hoger dan deze van de jonge mannen.

Tabel 15: Werkloosheidsgraad in de drie gewesten en de EU volgens leeftijd en gender - 2002 Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

31,9 33,8 32,9

11,5 11,7 11,6

29,4 24,3 26,5

België

EU

18,3 17,2 17,7

15,0 14,3 14,6

< 25 jaar Vrouwen Mannen Totaal 25-49 jaar Vrouwen

14,0

5,1

12,2

8,0

8,2

Mannen Totaal

14,2 14,1

3,5 4,2

8,4 10,1

6,0 6,9

6,0 7,0

Vrouwen

6,9

4,7

4,8

5,0

6,4

Mannen Totaal

8,3 7,7

3,3 3,8

4,0 4,3

3,9 4,3

5,7 6,0

50 en + jaar

Bron:

NIS-EAK, Eurostat

De grootste genderkloof qua werkloosheidsgraad wordt in het Waals Gewest opgetekend, waar vrouwen algemeen een werkloosheidsgraad hebben die 3,6 procentpunten hoger is dan de werkloosheidsgraad bij mannen. Qua leeftijd merken we het grootste verschil bij de jongeren: de werkloosheidsgraad van de Waalse vrouwen jonger dan 25 jaar is 5,1 procentpunten hoger dan deze van de mannen in dezelfde leeftijdsklasse. Bij een gelijk studieniveau kennen de vrouwen een hogere werkloosheidsgraad dan de mannen en dit in de drie gewesten. Ten opzichte van de eerder gepresenteerde werkloosheidsgraad volgens leeftijd lijkt deze vaststelling paradoxaal. Maar het is belangrijk om het opleidingsprofiel van de verschillende leeftijdsgroepen in het achterhoofd te houden bij het interpreteren van tabel 16.

Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking

35

Tabel 16: Werkloosheidsgraad in de drie gewesten volgens studieniveau - 2002 Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

Laaggeschoold Vrouwen

26,3

9,2

20,4

14,5

Mannen

24,5

6,0

13,4

10,1

Totaal

25,1

7,2

15,8

11,7

Middengeschoold Vrouwen

17,4

5,9

14,3

9,2

Mannen

15,0

4,1

8,0

6,0

Totaal

16,0

4,9

10,6

7,4

Vrouwen

6,9

3,4

5,7

4,5

Mannen

6,7

2,8

4,7

3,8

Totaal

6,8

3,1

5,2

4,1

Hooggeschoold

Bron:

NIS-EAK

Meer dan een vierde van de laaggeschoolde vrouwen in het Brussels Gewest die zich aanbieden op de arbeidsmarkt is werkloos, in het Waals Gewest is dit een vijfde en in het Vlaams Gewest bedraagt hun werkloosheidsgraad 9,2%. Zoals bij de werkzaamheidsgraden, stellen we een sterk verband tussen het studieniveau en de werkloosheidsgraad vast. Een Brusselse laaggeschoolde vrouw heeft een werkloosheidsgraad die bijna 9 procentpunten hoger is dan de werkloosheidsgraad van een gemiddeld geschoolde vrouw. Ten opzichte van een hooggeschoolde vrouw bedraagt dit verschil 19,4 procentpunten. Bij de mannen is dit respectievelijk 9,5 en 17,8 procentpunten. In de andere gewesten is de invloed van het studieniveau op de werkloosheidsgraad kleiner. Het verschil in werkloosheidsgraad tussen een hooggeschoolde en een laaggeschoolde is kleiner, maar dit geldt in mindere mate voor de vrouwen. Met andere woorden, een hoger diploma betekent voor vrouwen in het Vlaams en Waals Gewest minder bescherming tegen werkloosheid dan dit voor de mannen betekent. De eerder vastgestelde minder gunstige positie op de arbeidsmarkt van de vrouwen met een niet-Europese nationaliteit vinden we ook terug in de werkloosheidsgraad. Bovendien stellen we eveneens vast dat de werkloosheidsgraad die algemeen slechts weinig genderverschillen vertoont in het Brussels Gewest, wel belangrijke verschillen tussen vrouwen en mannen vertoont wanneer de werkloosheidsgraad volgens nationaliteit wordt opgesplitst. Bij een gelijk studieniveau merken we een hogere werkloosheidsgraad bij de personen met een niet-Europese nationaliteit. Terwijl een vijfde van de laaggeschoolde vrouwelijke beroepsbevolking met de Belgische nationaliteit in Brussel werkloos is, bedraagt de werkloosheidsgraad bij de laaggeschoolde vrouwen met een nationaliteit van buiten de Europese Unie bijna 60%. De werkloosheid bij laaggeschoolde niet-Europese vrouwen in het Brussels Gewest is dus bijna drie keer zo hoog als deze bij laaggeschoolde vrouwen met een Belgische nationaliteit. We kunnen hier spreken van een dubbele discriminatie, zowel omwille van het vrouw-zijn als omwille van de nationaliteit. De relatie tussen het studieniveau en de werkloosheidsgraad is negatief: hoe hoger het studieniveau, hoe lager de werkloosheidsgraad. De werkloosheidsgraad bij de hooggeschoolde vrouwen met een Belgische nationaliteit bedraagt een vierde van de laaggeschoolde vrouwen in deze categorie. Bij de hooggeschoolde vrouwen met een niet-Europese nationaliteit is de werkloosheidsgraad de helft van deze bij de laaggeschoolde vrouwen, maar niettemin vijf maal zo hoog als deze van een hooggeschoolde vrouw met de Belgische nationaliteit.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

36

Tabel 17: Werkloosheidsgraad in het Brussels Gewest en België volgens nationaliteit en studieniveau - 2002 BHG

Laag

Midden

Vrouwen Mannen

22,2 21,0

Totaal

België

Hoog

Laag

Midden

Hoog

14,5 13,1

5,7 5,9

12,9 8,5

8,5 5,5

3,9 3,4

21,5

13,7

5,8

10,1

6,8

3,7

Vrouwen

19,8

19,3

4,9

22,7

12,9

7,2

Mannen Totaal

17,5 18,3

9,4 13,4

6,4 5,7

14,8 17,3

7,9 9,8

5,1 6,0

Belg

EU

NEU Vrouwen

59,8

44,9

32,6

47,1

39,3

32,8

Mannen Totaal

45,3 49,6

32,8 36,9

15,2 21,5

38,8 41,3

27,1 31,5

16,7 22,8

Bron:

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Het beperkte verschil in werkloosheid tussen vrouwen en mannen dat we terugvinden bij de Brusselaars met een Belgische nationaliteit, vinden we niet terug bij de Brusselaars met een vreemde nationaliteit. Niet-Europese laaggeschoolde vrouwen in het Brussels Gewest hebben een werkloosheidsgraad die 14,5 procentpunten hoger is dan deze van de laaggeschoolde mannen. Bij de hooggeschoolde niet-Europeanen bedraagt deze genderkloof 17 procentpunten. Op Belgisch niveau is de genderkloof in de werkloosheidsgraad bij de bevolking met een nationaliteit van buiten de Europese Unie minder uitgesproken (8 procentpunten bij de laaggeschoolden en 16 procentpunten bij de hooggeschoolden), maar niettemin groter dan bij de bevolking met een Belgische nationaliteit (respectievelijk 4 en 0,5 ppn.). We zagen eerder de invloed van kinderen op de werkzaamheidsgraad van de vrouwen. Wat de werkloosheidsgraad betreft, merken we dit verband echter niet. Het verschil in werkloosheidsgraad tussen een vrouw met partner en een vrouw met partner en kind bedraagt in het Brussels Gewest slechts twee procentpunten. In de andere twee gewesten is dit slechts 1 procentpunt. De hoogste werkloosheidsgraad bij de vrouwen vinden we in de eenoudergezinnen. In het Brussels Gewest is 28% van de alleenstaande moeders werkloos. In het Vlaams en het Waals Gewest is dit respectievelijk 16% en 31%. De hoogste werkloosheidsgraad bij de mannen vinden we in de drie gewesten bij de alleenstaande mannen. In het Brussels en Waals Gewest is één vijfde van de alleenstaande mannen werkloos en in het Vlaams Gewest bedraagt hun werkloosheidsgraad 11%.

Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking

37

Tabel 18: Werkloosheidsgraad in de drie gewesten bij de 25-49-jarigen volgens huishoudtype - 2000 Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

Thuiswonend Vrouwen

nb

12

27

18

Mannen

nb

8

30

18

14 20

6 11

23 20

13 15

Alleenstaand Vrouwen Mannen Met partner57 Vrouwen

9

5

10

7

Mannen

11

2

8

4

11 12

4 1

11 5

7 3

Vrouwen

11

3

9

6

Mannen

10

2

4

3

Nb 17

5 3

12 3

9 5

Vrouwen

28

16

31

24

Mannen

Nb

5

nb

10

9

6

8

3

11 7

8 5

Vrouwen

15

6

15

9

Mannen

15

3

8

6

Met partner en 1 kind Vrouwen Mannen Met partner en 2 kinderen

Met partner en 3 of meer kinderen Vrouwen Mannen Eenoudergezin

Ander Vrouwen Mannen Totaal

Bron:

Eurostat LFS, Steunpunt WAV

3.3. Niet-beroepsactieve bevolking Niet alle personen in de leeftijdsklasse 15-64 jaar zijn beroepsactief (werkend of werkzoekend). Iemand wordt als niet-beroepsactief beschouwd in de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) als hij niet als economisch actief kan beschouwd worden, m.a.w. personen die niet tewerkgesteld zijn en niet als werkzoekende beschouwd worden volgens de definitie van het IAB. Zo vinden wij in de niet-beroepsactieve bevolking huisvrouwen en -mannen (die geen job zoeken of niet onmiddellijk beschikbaar zijn), de vrijwilligers (idem), de studenten en de gepensioneerden. We merken op dat deze definitie geen rekening houdt met een eventuele inschrijving als werkzoekende bij de openbare instelling voor arbeidsbemiddeling (de BGDA in Brussel). In het Brussels Gewest participeert 43,6% van de vrouwen en 28,4% van de mannen op beroepsactieve leeftijd niet op de arbeidsmarkt. Hiermee situeert het Gewest zich tussen de andere Gewesten: respectievelijk 41,5% en 47,8% van de Vlaamse en Waalse vrouwen tegenover respectievelijk 21,7% en 29,4% van de mannen participeren niet. Op Europees niveau bedraagt de proportie niet-beroepsactieven 39,2% bij de vrouwen en 21,7% bij de mannen.

57

Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt naar gehuwd en ongehuwd samenwonen.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

38

Tabel 19: Niet-beroepsactieve bevolking in de drie gewesten - 2002 Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

Totale bevolking 15-64 jaar Vrouwen Mannen

323 822 318 475

1 945 348 1 996 553

1 085 715 1 088 172

3 354 885 3 403 200

Totaal

642 297

3 941 901

2 173 887

6 758 085 1 076 765

Niet-beroepsact. bev. 15-64 jaar Vrouwen

103 127

588 264

385 374

Mannen

53 328

293 833

191 057

538 218

156 455

882 097

576 431

1 614 983

Totaal Studenten Vrouwen

38 179

218 637

133 228

390 044

Mannen

37 145

207 790

129 120

374 055

Totaal

75 325

426 427

262 348

764 100

Inactiviteitsgraad Vrouwen

43,6

41,5

47,8

43,7

Mannen

28,4

25,1

29,4

26,8

Totaal

36,1

33,2

38,6

35,2

Inactiviteitsgraad (zonder studenten) Vrouwen

31,8

30,2

35,5

32,1

Mannen Totaal

16,7 24,4

14,7 22,4

17,6 26,5

15,8 23,9

Bron:

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Studenten worden niet als beroepsactief beschouwd, maar de lange schoolloopbaan van de Belgen zorgt voor een vertekening. In die zin dat wanneer gesproken wordt over het laten participeren van de inactieven om de Europese doelstellingen inzake werkzaamheidsgraad te halen, de studenten niet als doelgroep beschouwd worden. Wanneer de studenten buiten beschouwing worden gelaten, is 31,8% van de Brusselse vrouwen en 16,7% van de Brusselse mannen niet-beroepsactief. In het Vlaams Gewest is de proportie niet-beroepsactieven lager (30,2% bij de vrouwen en 14,7% bij de mannen), terwijl het aantal inactieven relatief hoger is in het Waals Gewest (respectievelijk 35,5% en 17,6%). In 2002 zijn in het Brussels Gewest 103.127 vrouwen tussen de 15 en 64 jaar inactief, waarmee ze 65,9% van alle inactieve personen uitmaken. In de andere twee gewesten is de proportie vrouwen iets hoger (66,7% in Vlaanderen en 66,9% in Wallonië). We merken op dat de volgende gegevens gebaseerd zijn op de niet-beroepsactieve bevolking ouder dan 15 jaar. Dit is de definitie die door het NIS gebruikt wordt in overeenstemming met de gegevens van het Instituut voor de Nationale Rekeningen bij de berekening van het bruto nationaal product. Dit betekent dat ook personen ouder dan 65 jaar en de studenten deel uitmaken van de gegevens. We zullen de niet-beroepsactieve bevolking indelen volgens socio-economisch statuut waardoor het mogelijk wordt om deze twee relatief belangrijke groepen te onderscheiden van de andere niet-beroepsactieve bevolking. Men kan immers omwille van meerdere reden niet participeren op de arbeidsmarkt. Bij de vrouwen merken we een grotere proportie huisvrouwen. In het Brussels Gewest is een vijfde van de niet-actieve vrouwen huisvrouw tegenover 28,3% van de Vlaamse en 24,9% van de Waalse vrouwen. De proportie vrouwen die ingeschreven zijn als werkzoekende maar door het NIS niet als werkloos beschouwd worden is iets hoger in het Brussels Gewest. Bij de mannen vormen de (brug)gepensioneerden de grootste categorie bij de niet-actieve bevolking en dit zowel bij de vrouwen als bij de mannen. In het Vlaams en Waals Gewest is de proportie (brug)gepensioneerden hoger bij de mannen dan bij de vrouwen. In het Brussels Gewest daarentegen vinden we een gelijkaardige proportie bij de vrouwen als bbij de mannen. Wat de mannen betreft, is de proportie evenwel het laagst in het Brussels Gewest, wat nauw samenhangt met de hogere werkzaamheidsgraad van deze leeftijdsgroep. Ten slotte merken we op dat de proportie arbeidsongeschikten hoger is bij de mannelijke niet-beroepsactieve bevolking dan bij de vrouwen.

Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking

39

Tabel 20: Niet-beroepsactieve bevolking (15 jaar en +) in de drie gewesten volgens socio-economisch statuut (in %) - 2002 Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

Vrouwen Student of in opleiding

16,0

15,7

15,5

Loopbaanonderbreking

0,5

0,7

0,6

0,7

Huisvrouw Arbeidsongeschikt

20,7 4,7

28,3 4,4

24,9 3,6

26,4 4,1

Met pensioen of brugpensioen Ingeschreven als werkzoekende

44,6 8,3

43,7 5,3

43,7 7,9

43,8 6,5

Heeft een nog niet begonnen job Andere situatie

0,1 5,1

0,1 1,8

0,1 3,6

0,1 2,7

238 887

1 394 310

857 009

2 490 206

Student of in opleiding

25,0

22,4

24,0

23,2

Loopbaanonderbreking

0,5

0,3

0,5

0,4

Huisman Arbeidsongeschikt

1,2 8,3

0,4 7,8

0,9 6,7

0,6 7,5

Met pensioen of brugpensioen Ingeschreven als werkzoekende

47,5 9,6

61,7 5,2

55,1 7,6

58,2 6,4

Heeft een nog niet begonnen job Andere situatie

0,1 7,6

0,1 2,1

0,3 4,8

0,2 3,5

148 471

926 428

537 470

1 612 369

Totaal vrouwen

15,7

Mannen

Totaal mannen Bron:

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Net zoals de activiteitsgraad in grote mate bepaald wordt door het opleidingsniveau en de leeftijd stellen we vast dat de niet-beroepsactieve bevolking een specifiek opleidings- en leeftijdsprofiel heeft. We merken een aantal verschillen qua reden om niet te participeren op de arbeidsmarkt naargelang de leeftijd of het studieniveau. Ook gender speelt een belangrijke rol ter verklaring van de non-participatie.

Tabel 21: Niet-beroepsactieve bevolking in het BHG volgens sociaal-economisch statuut en leeftijd (in %) - 2002 Vrouwen

15-24 j. Student of in opleiding Loopbaanonderbreking

25-49 j.

Mannen

50 en +

15-24 j.

25-49 j.

50 en +

83,2 0,0

5,6 1,6

0,1 0,3

87,5 0,2

15,9 1,4

0,0 0,3

Huisvrouw/man Arbeidsongeschikt Met pensioen of brugpensioen Ingeschreven als werkzoekende

7,0 0,3 0,0 3,7

47,5 11,6 0,9 22,5

14,4 3,2 74,7 4,1

0,4 1,0 0,0 3,7

4,9 23,5 0,7 27,5

0,7 7,7 80,0 7,8

Heeft een nog niet begonnen job Andere situatie

0,2 5,5

0,1 10,1

0,0 3,1

0,3 6,9

0,3 25,8

0,0 3,4

Totaal Bron:

41 976

55 080

141 831

38 461

22 002

88 008

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Volgens leeftijd merken we een duidelijk patroon: jonge niet-beroepsactieven situeren zich vooral in de categorie student, de middencategorie (25-49 jaar) bestaat voornamelijk uit huisvrouwen/-mannen, arbeidsongeschikten en een restcategorie, terwijl de 50-plussers vooral met (brug)pensioen zijn. Het eerder vastgestelde overwicht van de vrouwen in de categorie huisvrouw/-man en het overwicht van de mannen in de categorie arbeidsongeschikt wordt hier bevestigd. 22,5% van de vrouwen en 27,5% van de mannen tussen 25 en 49 jaar zijn ingeschreven als werkzoekenden maar worden door het NIS niet als werkloos beschouwd. De verklaring hiervoor kan het niet actief zoeken naar werk of het niet beschikbaar binnen de 2 weken zijn. Qua studieniveau merken we in de drie gewesten dat de laaggeschoolden de grootste groep van de nietberoepsactieven uitmaken en dit zowel bij de vrouwen als bij de mannen. Verhoudingsgewijs telt het Brussels Gewest echter meer hooggeschoolden en minder laaggeschoolden onder de niet-beroepsactieve bevolking.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

40

13,2% van de niet-beroepsactieve vrouwen en 15,4% van de niet-beroepsactieve mannen in het Brussels Gewest is hooggeschoold. Bij de niet-beroepsactieve bevolking in het Vlaams Gewest is dit 8,3% van de vrouwen en 10,3% van de mannen. In het Waals Gewest bedragen deze proporties respectievelijk 7,7% en 9,4%. Deze sterkere vertegenwoording van de hooggeschoolden merken we bij de vrouwen vooral in de leeftijdsklasse van de 25-49-jarigen. Dit kan verklaard worden door de manier waarop vrouwen de combinatie arbeid-gezin in deze leeftijdsklasse aanpakken.

Tabel 22: Niet-beroepsactieve bevolking in het BHG volgens sociaal-economisch statuut en studieniveau (in %) 2002 Laaggeschoold

Middengeschoold

Hooggeschoold

Totaal

Vrouwen Student of in opleiding Loopbaanonderbreking

50,9 42,9

40,6 20,3

8,5 36,8

38 179 1 308

Huisvrouw Arbeidsongeschikt

67,0 64,7

18,8 19,4

14,2 15,9

49 483 11 119

Met pensioen of brugpensioen Ingeschreven als werkzoekende

61,8 60,7

25,1 28,0

13,1 11,3

106 502 19 839

Heeft een nog niet begonnen job

0,0

40,0

60,0

187

Andere situatie

54,6

24,0

21,3

12 269

Totaal vrouwen

60,7

26,2

13,2

100

56,4

36,8

6,7

37 145

56,9 60,0 70,5 57,9 67,3 100,0 57,1

12,2 7,8 21,4 20,1 21,7 0,0 29,9

31,0 32,2 8,1 22,1 10,9 0,0 12,9

687 817 377 584 324 183 11 354

59,5

25,1

15,4

100

Mannen Student of in opleiding Loopbaanonderbreking Huisman Arbeidsongeschikt Met pensioen of brugpensioen Ingeschreven als werkzoekende Heeft een nog niet begonnen job Andere situatie Totaal mannen Bron:

1 12 70 14

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Twee derde van de huisvrouwen zijn laaggeschoold. 14,2% heeft een diploma hoger onderwijs. Bij de inactieve personen omwille van arbeidsongeschiktheid zien we een hoge proportie laaggeschoolden. De lagere participatie van de niet-Europese vrouwen op de arbeidsmarkt verklaart het hoge aandeel van de nietEuropeanen in de niet-beroepsactieve bevolking. Bij de vrouwen beschikt een vijfde van de niet-actieven niet over de Belgische nationaliteit. Bij de mannen is dit 17%. Waar bij de Belgen de 50-plussers meer dan een derde van de niet-beroepsactieven uitmaken, is de helft van de niet-Europese mannen tussen 25 en 49 jaar oud. Bij de vrouwen is dit zelfs 63,1%. In de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) wordt een onderscheid gemaakt tussen de inactieve personen die wel een job willen en zij die momenteel geen job willen. Bovendien kunnen de respondenten ook de redenen aanduiden waarom ze momenteel hun zoektocht naar een job gestaakt hebben ondanks het feit dat ze er wel één willen.

Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking

41

Tabel 23: Niet-beroepsactieve bevolking in het BHG en in België die niet op zoek is naar een job volgens leeftijd en gender (in %) - 2002 Brussels Gewest

15-24 j.

25-49 j.

België

50 en +

15-24 j.

25-49 j.

50 en +

Maar zou een job willen Vrouwen

5,1

13,2

3,9

8,0

8,5

2,5

Mannen

4,1

23,8

7,7

9,9

16,9

6,4

94,9 95,9

86,8 76,2

96,1 92,3

92,0 90,1

91,5 83,1

97,5 93,6

En zou momenteel geen job willen Vrouwen Mannen Bron:

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Vooral in de leeftijdsklasse van 25-49 jaar merken we de wens om tewerkgesteld te zijn. In het Brussels Gewest is de proportie inactieven die een job wenst uit te oefenen groter dan de proportie op Belgisch niveau. Bijna een vierde van de mannen tussen 25 en 49 jaar die momenteel niet-beroepsactief zijn wenst een job tegenover 13,2% van de vrouwen. Op Belgisch niveau is dit respectievelijk 16,9% en 8,5%. Ook bij de vijftigplussers in het Brussels Gewest merken we een grotere proportie inactieven die een job zou willen. De volgende grafiek geeft een beeld van de redenen waarom men, ondanks de wens om tewerkgesteld te zijn, op het moment van de bevraging toch niet op zoek was naar een job.

Grafiek 8:

Reden voor het niet-zoeken naar een betrekking in het Brussels Gewest volgens gender (in %) - 2002 100% 90%

Andere 18,6

25,7

80% 70%

26,5

60%

5,3 19,7

50%

11,1

40%

11,9

11,6 8,8

30% 20% 10%

24,9

25,8

Vrouwen

Mannen

0%

Bron:

Persoonlijke of familiale redenen Ziekte Te oud Geen geschikte kwalificaties of onvoldoende ervaring Geen betrekking in de omgeving Wacht resultaten eerdere zoekactie af Volgt een opleiding

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

De belangrijkste reden om niet op zoek te zijn naar een job is bij de mannen het volgen van een opleiding. Een vierde van de inactieve mannen volgde op het moment van de bevraging een opleiding. Ook een vierde van de inactieve vrouwen is in opleiding. De belangrijkste reden om niet op zoek te zijn naar een job is bij de vrouwen evenwel van persoonlijke of familiale aard. Een reden die bij de mannen slechts in 5,3% van de gevallen wordt aangeduid. Ziekte vormt voor 19,7% van de inactieve mannen een hinderpaal bij het zoeken naar werk, terwijl dit bij de vrouwen slechts in 11,1% van de gevallen aangehaald wordt. 8,8% van de mannen wacht op de resultaten van eerdere zoekacties tegenover 1,2% bij de vrouwen. Enkel de vrouwen halen als reden aan het niet vinden van een job in de omgeving (1,8%), wat nogmaals bevestigt dat de combinatie arbeid-gezin vooral een vrouwenzaak is.

42

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

De Hoge Raad voor Werkgelegenheid58 besteedde in zijn jaarverslag van 2002 aandacht aan de specifieke situatie van de thuisblijvende vrouwen in de leeftijdsklasse van 25 tot 44 jaar. Hoewel de door hen gebruikte gegevens niet beschikbaar zijn op gewestelijk niveau, kunnen deze ons niettemin een idee geven over de situatie in het Brussels Gewest. Wat de herintrede op de arbeidsmarkt betreft wijst de Hoge Raad op het feit dat ongeveer 35% van de thuisblijvende vrouwen helemaal geen beroepservaring heeft. Dit percentage stijgt zelfs tot 45% bij de laaggeschoolden. Bij de hooggeschoolden verkeert 14% in deze situatie. Ook de duidelijke relatie tussen het statuut van thuisblijvende vrouw en het moederschap wordt aangetoond. De resultaten van een Europese Enquête uitgevoerd door de Dublin Foundation in 1998 inzake de herintrede op de arbeidsmarkt worden door de Hoge Raad geconfronteerd met de situatie op de arbeidsmarkt om een aantal aanbevelingen hieromtrent te formuleren. Gezien het belang dat de thuisblijvende vrouwen aan de combinatie beroeps- en gezinsleven hechten spreken zij duidelijk de wens uit om hun buitenshuis werk te kunnen combineren met thuiswerk. Daarnaast spreken zij ook een duidelijkere voorkeur voor deeltijdse arbeid uit dan de werkende vrouwen.

3.4. Dynamiek tussen de verschillende segmenten van de arbeidsmarkt De tot nu behandelde gegevens (activiteitsgraad, werkzaamheidsgraad en werkloosheidsgraad) beschrijven een momentopname van de arbeidsmarkt. In dit onderdeel zal aan de hand van de Enquête naar de Arbeidskrachten geanalyseerd worden wat de positie van de respondent één jaar voor de bevraging was. Hoewel deze gegevens ons een beeld geven van de dynamiek van de arbeidsmarkt moet rekening gehouden worden met het feit dat personen die regelmatig tewerkstelling en werkloosheid afwisselen zich niet steeds zullen herinneren wat het segment van de arbeidsmarkt is waar ze één jaar geleden toe behoorden. In vergelijking met de andere gewesten kent het Brussels Gewest een belangrijkere in- en uitstroom in de werkgelegenheid59. In 2002 was 8,4% van de Brusselse werkende vrouwen en 6,5% van de werkende mannen een jaar voor de bevraging niet tewerkgesteld. In het Vlaams Gewest was dit voor 6,4% van de werkende vrouwen en 6,9% van de werkende mannen het geval. De instroom van de Waalse vrouwen in de tewerkstelling was met 7,2% beduidend hoger dan de instroom in de werkgelegenheid bij de mannen (4,9%). Wat de uitstroom uit de werkgelegenheid betreft, is 8,4% van de vrouwen en 8% van de mannen niet meer werkzaam op het moment van de enquête terwijl ze dit één jaar voordien wel waren. Hiermee is de uitstroom uit de werkgelegenheid relatief gelijklopend voor vrouwen en mannen in het Brussels Gewest. Zowel in het Vlaams als in het Waals Gewest kennen de vrouwen een grotere uitstroom dan de mannen (respectievelijk 5,9% en 6,6% t.o.v. 4% en 4,8%). In het Brussels Gewest merken we dus voor de mannen een uitstroom uit de werkgelegenheid die de instroom in de werkgelegenheid overtreft. De uit- en instroom in de werkgelegenheid bij de vrouwen houdt elkaar in evenwicht. Ook bij de Waalse mannen is dit het geval. In het Vlaams Gewest en bij de Waalse vrouwen merken we een instroom in de werkgelegenheid die groter is dan de uitstroom. Tabel 24 geeft volgens segment van de arbeidsmarkt (tewerkgesteld, werkzoekend, student of in opleiding, andere niet-actief) de proportie van het segment waartoe de respondenten één jaar voor de enquête behoorden. Zo zien we dat 42,3% van de vrouwen die in 2002 werkloos waren dit ook in 2001 waren. Ongeveer een vijfde van de werkloze vrouwen was in 2001 tewerkgesteld. Bij de mannelijke werklozen is de proportie die werkloos is gebleven hoger. Deze vaststelling gaat ook op voor de mannen die in 2001 tewerkgesteld maar in 2002 werkloos waren.

58 59

Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, Verslag 2002, Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Het betreft hier de stroom van de verschillende arbeidssegmenten naar het segment van de werkenden.

Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking

43

Tabel 24: Dynamiek tussen de verschillende segmenten op de Brusselse arbeidsmarkt (in %) - 2001-02 Situatie in 2001

Situatie in 2002

Tewerkgesteld

Werkloos IAB

Student of in opleiding

Andere niet-actief

Vrouwen Tewerkgesteld

91,6

21,5

1,0

Werklozen IAB

2,5

42,3

0,7

8,7

Student of in opleiding

3,3

13,2

96,8

1,9

Andere niet-actief

23,0

1,5

85,8

157 415

26 580

38 179

200 710

Tewerkgesteld

93,5

28,3

0,4

5,5

Werklozen IAB

2,1

45,4

0,0

11,4

Student of in opleiding Andere niet-actief

2,4 2,0

11,5 14,8

98,9 0,7

2,7 80,4

33 945

37 147

111 326

Totaal vrouwen

2,5

3,6

Mannen

Totaal mannen Bron:

195 519

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Meer dan negen van de tien personen die in 2002 tewerkgesteld zijn waren dit eveneens in 2001. Een meer gedetailleerde analyse volgens leeftijd leert ons echter dat de proportie jonge mannen die zowel in 2002 als in 2001 tewerkgesteld zijn hoger is dan de proportie jonge vrouwen (respectievelijk 67,9% en 60,7%). Bij de vrouwen jonger dan 25 jaar merken we een hogere proportie tewerkgestelden die één jaar voor de enquête tot een ander segment behoorden, voornamelijk de niet-beroepsactieven. Hoewel het segment werkenden dus relatief stabiel lijkt, verbergen deze cijfers een andere dynamiek, namelijk de

jobmobiliteit (de dynamiek binnen het segment van de werkenden). Algemeen had 7,1% van de werkende mannen en 6,7% van de werkende vrouwen één jaar voor de afname van de enquête een andere functie (al dan niet binnen hetzelfde bedrijf). De jobmobiliteit in het Brussels Gewest situeert zich op hetzelfde niveau als in het Vlaamse Gewest (6,9% zowel voor mannen als voor vrouwen). In het Waals Gewest is de jobmobiliteit lager: slechts 3,4% van de tewerkgestelde vrouwen oefende een jaar voor de enquête een andere job uit. Bij de mannen was dit 4,3%. Gezien de slechte economische conjunctuur in deze periode ligt de jobmobiliteit lager dan bij een gunstigere conjunctuur. In de Enquête naar de Arbeidskrachten van 2000 had 8,1% van de werkende mannen en 7,8% van de werkende vrouwen in het Brussels Gewest een andere job dan een jaar voordien. Iets meer dan 1.500 tewerkgestelde vrouwen (of 1%) was één jaar voor de enquête huisvrouw. In de andere gewesten bedraagt de proportie ex-huisvrouwen 0,6% in het Vlaams en 1% in het Waals Gewest. Ook hier kunnen we een evolutie volgens de conjunctuur veronderstellen: in 2000 bedroeg hun proportie immer 1,5% in het Brussels en 0,9 % in het Vlaams Gewest. Bij een betere economische conjunctuur zetten huisvrouwen dus meer de stap naar een job. In het Waals Gewest bedroeg de proportie tewerkgestelde vrouwen in 2000 die een jaar voor de enquête huisvrouw waren 0,7%. Wat de werklozen volgens de IAB-definitie betreft, was 42,3% van de vrouwen en 45,4% van de mannen één jaar voor de enquête reeds werkloos. De proportie werkloze mannen die in 2001 tewerkgesteld was is hoger dan de proportie vrouwen (respectievelijk 28,3% en 21,5%), terwijl we bij de vrouwen een grotere proportie nietactieven vaststellen die werkloos geworden zijn (23% tegenover 14,8%). Qua leeftijd zien we bij de vrouwen jonger dan 25 jaar een belangrijke groep werklozen die een jaar voor de bevraging nog studeerde (40,2% ten opzichte van 35,7% bij de mannen). In de leeftijdsgroep van de 25-49jarigen was 25,9% van de werklozen vrouwen één jaar eerder inactief (t.o.v. 15,3% bij de mannen), terwijl 30,2% van de werkloze mannen één jaar voor de enquête tewerkgesteld was (t.o.v. 25,6% bij de vrouwen). Bij de werkloze vrouwen ouder dan 50 jaar was bijna drie vierde reeds werkloos. Bij de mannen is dit 58,9%. Meer dan één vijfde van de werkloze mannen ouder dan 50 was in 2001 tewerkgesteld (21,8% t.o.v. 8,4% bij de vrouwen). Één jaar voor ze werkloos zijn waren bijna 3.000 vrouwen in het Brussels Gewest huisvrouw. In het totaal aantal werkloze vrouwen bedraagt hun proportie 11,1%. In het Vlaams en Waals Gewest was respectievelijk 7,3% en 8,9% van de werkloze vrouwen één jaar voor de bevraging huisvrouw.

44

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Uit de tabel blijkt dat de overgang van een ander segment dan student of in opleiding naar dit segment niet evident is. Bijna iedereen die in 2002 studeerde deed dit reeds een jaar eerder. Ook in de andere gewesten merken we dat de instroom in dit arbeidssegment heel beperkt is. Dit kan verklaard worden door de ondervraagde populatie. De respondenten zijn tussen de 15 en 64 jaar oud. Gezien de leerplicht tot 18 jaar en het relatief weinig voorkomen van de combinatie arbeid - opleiding is de instroom in dit segment beperkt. Binnen het segment van de inactieven lijken we ook een dergelijke stabiliteit vast te stellen: 85,8% van de inactieve vrouwen en 80,4% van de inactieve mannen was een jaar voor de enquête ook inactief. Niettemin leert een meer gedetailleerde analyse volgens leeftijd en gender ons dat een belangrijke groep van de jonge inactieve vrouwen één jaar voor de enquête studeerde (37,3%). De belangrijkste groep was echter inactief (44,7%). Bij de mannen was de grootste proportie van de niet-actieve jongeren een jaar voor de bevraging student of in opleiding (45,5%). Iets meer dan een vierde was reeds inactief. Zeven op de tien vrouwen tussen de 25 en 49 jaar die in 2002 inactief zijn was dit reeds in 2001. Bij de mannen is dit slechts 57,1%. Meer dan een vierde van de inactieve mannen was een jaar eerder werkzoekend. Bij de vrouwen is dit één vijfde. Het genderverschil in deze leeftijdsgroep kan verklaard worden door het aantal vrouwen die loopbaanonderbreking nemen om de zorg voor de kinderen op zich te nemen. Niet-beroepsactieve mannen zijn dit eerder omwille van gezondheidsredenen.

3.5. Besluit Het Brussels Gewest kent de laagste werkzaamheidsgraad en de hoogste werkloosheidsgraad. In vergelijking met de andere gewesten kent Brussel evenwel een beperkte genderkloof. De participatie van de Brusselse vrouwen op de arbeidsmarkt, wat uitgedrukt wordt door de activiteitsgraad, kent een positieve evolutie en situeert zich rond het Belgisch gemiddelde. De activiteitsgraad van de Brusselse mannen is evenwel de laagste van het land, maar is niettemin hoger dan de activiteitsgraad bij de vrouwen. In de leeftijdsklasse 25-49 jaar tekenen we de hoogste activiteitsgraad op. Van de 100 vrouwen in deze leeftijdsklasse zijn er 70 beroepsactief, bij de mannen zijn dit er 88. De werkzaamheidsgraad bij de Brusselse vrouwen bedraagt 48,2%, wat 3,2 procentpunten onder het Belgisch gemiddelde ligt. De Waalse vrouwen kennen de laagste werkzaamheidsgraad. Met 7,3 procentpunten onder het Belgisch gemiddelde kennen de Brusselse mannen de laagste werkzaamheidsgraad. De werkloosheidsgraad in het Brussels Gewest is de hoogste van het land en dit zowel bij de vrouwen als bij de mannen. Gedurende de periode 1992-2002 schommelt het verschil in werkloosheidsgraad tussen vrouwen en mannen in het Brussels Gewest rond een procentpunt. Op Belgisch niveau merkten we in dezelfde periode een belangrijke afname van de genderkloof. Het belangrijkste pijnpunt bij de Brusselse beroepsactieve bevolking zijn de jongeren. Enerzijds laten zij de laagste werkzaamheidsgraad van het land noteren. Anderzijds is één derde van de Brusselse jongeren op de arbeidsmarkt werkloos. Wanneer deze indicatoren vanuit een genderperspectief geanalyseerd worden, merken we dat jonge vrouwen, ondanks hun gunstiger opleidingsprofiel, een lagere werkzaamheidsgraad kennen dan de jonge mannen. Deze laatste kennen de laagste werkzaamheidsgraad van het land. Hoewel de werkloosheidsgraad van de Brusselse vrouwen iets lager is dan deze van de mannen, is de werkloosheidsgraad bij vrouwen in deze leeftijdsklasse de hoogste van het land. Het relatief gunstigere opleidingsprofiel van de jonge vrouwen mag evenwel de belangrijke tweedeling tussen de hoog- en laaggeschoolde vrouwen in deze leeftijdsklasse niet verdoezelen. In vergelijking met de rest van België kent het Brussels Gewest een relatief goed resultaat wat de 50-plussers betreft. De werkzaamheidsgraad in deze leeftijdscategorie is het hoogst in Brussel: 39,7% van de vrouwen en 53% van de mannen ouder dan 50 jaar is tewerkgesteld.

Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking

45

Bij de bespreking van de 3 kerncijfers van de arbeidsmarkt bleek het belang van het studieniveau in het Brussels Gewest. Hoewel een hoger opleidingsniveau een positieve invloed heeft op de werkzaamheidsgraad, gaat dit niet in dezelfde mate op voor mannen als voor vrouwen. Bij een gelijk studieniveau is de werkzaamheidsgraad van de Brusselse vrouwen niet enkel lager dan deze van de Brusselse mannen, maar ook van de Vlaamse en Waalse vrouwen. Slechts één vierde van de laagopgeleide vrouwen is tewerkgesteld tegenover drie op vier hooggeschoolde vrouwen. Bij de werkloosheidsgraad stellen we vast dat een hoger diploma vrouwen minder tegen de werkloosheid beschermt dan dit voor mannen het geval is. Het verschil in werkloosheidsgraad tussen hoog- en een laagopgeleide vrouw is het hoogst in het Brussels Gewest. Meer dan een vierde van de laaggeschoolde vrouwen in het Brussels Gewest die zich aanbiedt op de arbeidsmarkt is werkloos, bij de hooggeschoolde vrouwen is dit 6,9%. We merken in het bijzonder de ongunstige positie van de vrouwen met een niet-Europese nationaliteit op. Minder dan 10% van de laaggeschoolde vrouwen met een niet-Europese nationaliteit is tewerkgesteld, terwijl dit bij de laaggeschoolde Belgische vrouwen 30% is. Bij de hooggeschoolde vrouwen is 78,3% van de Belgen tewerkgesteld t.o.v. 37,7% van de hooggeschoolde niet-Europese vrouwen. Het verschil in werkzaamheidsgraad tussen vrouwen en mannen komt het sterkst tot uiting bij de niet-Europeanen. Ook wat de werkloosheidsgraad betreft, komen de verschillen tussen vrouwen en mannen scherper tot uiting bij de niet-Europeanen. De werkloosheidsgraad bij de vrouwen met een niet-Europese nationaliteit is ongeacht hun studieniveau steeds hoger dan de werkloosheidsgraad bij de vrouwen met een Belgische nationaliteit. De laaggeschoolde niet-Europese vrouwen hebben een werkloosheidsgraad die drie maal zo hoog is als de laaggeschoolde vrouwen met een Belgische nationaliteit. Bij de hooggeschoolde vrouwen is de verhouding 1 tot 6. Ook bij de mannen met een niet-Europese nationaliteit stellen we een minder gunstige positie vast ten opzichte van mannen met een Belgische nationaliteit. Hun situatie is evenzeer zorgwekkend maar minder ongunstig als bij de vrouwen. Ongeacht hun nationaliteit kennen vrouwen immers een hogere werkloosheidsgraad. Wat de samenstelling van het gezin betreft, worden de stereotypen bevestigd. De laagste werkzaamheidsgraad wordt opgetekend bij de alleenstaande mannen terwijl de vrouwen in dezelfde situatie de hoogste werkzaamheidsgraad kennen. De verantwoordelijkheid voor een gezin betekent voor een man een stijging van zijn werkzaamheidsgraad maar brengt voor de vrouw een afname van de tewerkstelling met zich mee. De hoogste werkloosheidsgraad bij de mannen wordt opgetekend bij de alleenstaanden, terwijl dit bij de vrouwen in de eenoudergezinnen is. We merken een belangrijke concentratie van vrouwen in de niet-beroepsactieve bevolking. In de drie gewesten maken vrouwen ongeveer twee derde van de inactieven tussen 15 en 64 jaar uit. Naar statuut merken we een concentratie van huisvrouwen in de categorie 25-49 jaar. Deze categorie wordt het meest geconfronteerd met moeilijkheden inzake de combinatie arbeid en gezin. Dit wordt geïllustreerd door de reden om niet werkzoekend te zijn: persoonlijke en familiale redenen worden bij Brusselse vrouwen het meest aangehaald ter verklaring van het niet participeren op de arbeidsmarkt.

4. Interne werkgelegenheid In dit gedeelte wordt de Brussels interne werkgelegenheid bestudeerd in het licht van het genderperspectief. Deze interne werkgelegenheid heeft betrekking op het geheel van de arbeidsplaatsen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, ongeacht of ze al dan niet worden ingevuld door de inwoners van het gewest. Met andere woorden, de Brusselse interne werkgelegenheid weerspiegelt het aantal bezoldigde of zelfstandige arbeidsplaatsen dat wordt gegenereerd door de economische activiteit van de bedrijven die gevestigd zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zonder rekening te houden of ze worden ingenomen door Brusselaars of door pendelaars. In hoofdstuk 5 daarentegen wordt de tewerkstelling van de Brusselaars besproken. In 2002 bedraagt de interne werkgelegenheid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest meer dan 650.000 arbeidsplaatsen (zowel deeltijds als voltijds), waarvan 45,7% is ingenomen door Brusselaars, 35,3% door inwoners van Vlaanderen en 19,1% door inwoners van Wallonië. Dit hoofdstuk behandelt in een eerste deel de evolutie en structuur van de bezoldigde werkgelegenheid in het Brussels Gewest, vervolgens wordt de zelfstandige arbeid en de uitzendarbeid besproken. In een vierde deel wordt een analyse van het pendelverkeer gegeven. Deze analyse zal enerzijds de intraregionale mobiliteit van de Brusselaars beschrijven en anderzijds zal de druk, veroorzaakt door de pendelaars, op de tewerkstelling van de inwoners van het Brussels Gewest besproken worden. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een analyse van de knelpuntberoepen volgens gender.

4.1. Bezoldigde werkgelegenheid Op basis van de RSZ-gegevens is het mogelijk de evolutie van de bezoldigde werkgelegenheid in het Brussels Gewest te analyseren. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen voltijdse en deeltijdse tewerkstelling, dit komt wel aan bod in hoofdstuk 5. In 2002 telt het Brussel Gewest 602.571 loontrekkenden, of 17,2% van de totale bezoldigde werkgelegenheid in België60. De vrouwelijke loontrekkenden vertegenwoordigen 45,6% van de totale bezoldigde werkgelegenheid in Brussel, voor België bedraagt dit aandeel 44,1%. Ten opzichte van 1990 is de bezoldigde werkgelegenheid in Brussel gestegen met 3,4% of 19.842 arbeidsplaatsen. Men kan deze periode opdelen in twee fasen. De eerste fase, van 1990-1996, wordt gekenmerkt door een daling van de bezoldigde werkgelegenheid met 4,4% of met andere woorden door een verlies aan 25.701 arbeidsplaatsen in het Brussels Gewest. Vanaf 1997, dat de tweede fase inleidt, is er een heropleving merkbaar. Tussen 1997 en 2002 neemt de bezoldigde werkgelegenheid toe met bijna 40.000 eenheden of 7%. De evolutie van de bezoldigde werkgelegenheid sinds 1990 wordt weergegeven in onderstaande grafiek. Over de periode 1990-2002 is het verschil tussen de procentuele verdeling van de mannelijke en vrouwelijke loontrekkenden steeds kleiner geworden ten gunste van de vrouwen. Ook de onderlinge verschillen tussen de gewesten zijn kleiner geworden. In 1990 werd 43,3% van de arbeidsplaatsen in Brussel ingevuld door vrouwen, terwijl het verschil met Vlaanderen en Wallonië respectievelijk 4,5 en 2,1 procentpunten bedroeg. Op het einde van de bestudeerde periode, in 2002, bedraagt dit verschil ten opzichte van het Vlaamse en Waalse Gewest respectievelijk nog slechts 2,3 en 0,8 procentpunten. In het Vlaamse Gewest is 43,3% van de loontrekkenden een vrouw, in het Waalse Gewest is dit 44,8%.

60

Het Brussels Gewest vertegenwoordigt 17,9% van de bezoldigde arbeidsplaatsen voor vrouwen en 16,8% van de arbeidsplaatsen voor mannen in België.

Interne werkgelegenheid

Grafiek 9:

47

Evolutie van de bezoldigde werkgelegenheid in het Brussels Gewest (1990-2002) 340.000 320.000 300.000 280.000 260.000 240.000 220.000 200.000 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 Vrouwen

Bron:

Mannen

RSZ

De toegenomen bezoldigde werkgelegenheid over de periode 90-02 kan volledig worden toegeschreven aan de vrouwelijke loontrekkenden (+9%), terwijl het aantal mannelijk loontrekkenden relatief constant bleef ten opzichte van 1990. Voornamelijk in de eerste fase is er een sterk verschil in de evolutie tussen vrouwen en mannen merkbaar. Tussen 1990 en 1996 daalde het aantal mannelijke loontrekkenden in het Brussels Gewest fors met 7%, terwijl de daling bij de vrouwelijke loontrekkenden 1,1% bedroeg. Vanaf '97 laten zowel de mannen als de vrouwen een positieve evolutie van het aantal loontrekkenden optekenen, maar procentueel kende de vrouwelijke bezoldigde werkgelegenheid een sterkere groei kende tussen 1997 en 2002.

4.1.1.

Activiteitensectoren en beroepen

Slechts 10,6% van de arbeid in loondienst wordt in het Brussels Gewest gerealiseerd in de secundaire sector, de overige 89,4% in de tertiaire sector. De primaire sector kan dan ook verwaarloosd worden in Brussel. Traditioneel zijn er een aantal belangrijke verschillen bij de verdeling van de bezoldigde arbeid naar gender volgens activiteitensector. In 2002 is 15,6% van de mannelijke loontrekkenden terug te vinden in de secundaire sector, deze zijn voornamelijk tewerkgesteld in de industrie en de bouw, terwijl slechts 5 op 100 vrouwen in loondienst terug te vinden zijn in de secundaire sector. Vooral de bouw is bij uitstek een mannelijke sector, met ruim 93% mannelijke loontrekkenden stelt deze sector proportioneel het grootst aantal mannen te werk. Het afgelopen decennia is het aantal loontrekkenden in de secundaire sector verder gedaald ten gunste van de tertiaire sector. Dit fenomeen is zowel bij de mannen als de vrouwen terug te vinden, hoewel in de industrie het aantal vrouwelijke loontrekkenden sterker daalde ten opzichte van de mannelijke loontrekkenden. Iets meer dan 84% van de mannen en ruim 95% van de vrouwen in loondienst zijn in Brussel tewerkgesteld in de tertiaire sector. Hoofdzakelijk de overheidsdiensten, de diensten aan bedrijven, de handelssector en de financiële instellingen vertegenwoordigen een belangrijk aandeel van de Brusselse bezoldigde arbeid. Deze sectoren zijn in termen van tewerkstelling voor vrouwen en mannen vrijwel even belangrijk. Toch is de proportie tewerkgestelde vrouwen binnen de diensten aan bedrijven en de handel erg verschillend. Zo bedraagt de proportie vrouwen in de informaticadiensten, welke een subsector is van de diensten aan bedrijven, 26,4%, terwijl in de verhuur en handel in onroerende goederen de proportie vrouwen gelijk is aan 58%. Ook binnen de handelssector is er een opmerkelijk verschil tussen de groot- en kleinhandel. In de kleinhandel worden 61,9% van de arbeidsplaatsen ingevuld door vrouwen, tegenover slechts 35,5% in de groothandel.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

48

A.

Horizontale segregatie

De horizontale of beroepensegregatie61, dit is de concentratie van vrouwen in specifieke sectoren of beroepen, toont aan dat de vrouwen meer tewerkgesteld zijn in de gezondheidszorg en sociale dienstverlening en onderwijs. Ongeveer een vierde van de vrouwen is in deze sectoren tegewerkgesteld (tegenover 10% van de mannen). Bijna drie vierde van de bezoldigde arbeid in de gezondheidszorg en sociale dienstverlening wordt uitgeoefend door vrouwen. Het aantal mannelijke loontrekkenden is daarentegen oververtegenwoordigd in de sector vervoer en communicatie. Deze sector vertegenwoordigt zo'n 10% van de arbeidsplaatsen uitgeoefend door mannen. De belangrijkste tewerkstellingssector, zowel voor vrouwen als voor mannen vormen de overheidsdiensten.

Tabel 25: Loontrekkenden in het Brussels Gewest volgens activiteitensector en gender (in %) - 2002 Verdeling naar sector

V

M

Verdeling naar gender

T

V

M

Landbouw en visvangst

0,0

0,1

0,0

14,8

85,2

Winning van delfstoffen Industrie Electriciteit, gas en water Bouw

0,0 3,7 0,4 0,4

0,0 9,6 1,2 4,8

0,0 6,9 0,9 2,8

34,0 24,7 22,5 6,9

66,0 75,3 77,5 93,1

Handel Hotels en restaurants Vervoer en communicatie Financiële instellingen Diensten aan bedrijven Overheidsdiensten Onderwijs Gezondheidszorg en soc. dienstverlening Gemeenschapsvoorzieningen Particuliere huishoudens Extraterritoriale organisaties Slecht gedefinieerde activiteiten

11,2 3,3 4,7 11,3 14,9 16,7 11,3 14,3 6,2 0,3 0,8 0,3

12,1 3,9 10,4 11,8 13,1 16,9 5,9 4,1 5,7 0,1 0,3 0,1

11,7 3,6 7,8 11,6 13,9 16,8 8,4 8,8 5,9 0,2 0,6 0,2

43,8 41,6 27,7 44,7 48,8 45,4 61,9 74,5 47,7 69,8 66,6 71,6

56,2 58,4 72,3 55,3 51,2 54,6 38,1 25,5 52,3 30,2 33,4 28,4

Totaal

100

100

100

45,6

54,4

Primaire sector Secundaire sector Tertiaire sector

0,0 4,6 95,4

0,1 15,6 84,3

0,0 10,6 89,4

14,8 19,8 48,7

85,2 80,2 51,3

Bron:

RSZ, berekeningen Observatorium

Wat de oververtegenwoordiging van de vrouwen in het onderwijs betreft, dient echter opmerkt te worden dat naarmate het onderwijsniveau toeneemt, men minder vrouwelijke leerkrachten aantreft. Dit wordt geïllustreerd in onderstaande grafiek. In het basisonderwijs is het aandeel van de vrouwelijke leerkrachten indrukwekkend (82,6%). Hoewel in het secundair onderwijs de vrouwen nog steeds in de meerderheid zijn (63,9%), is het genderratio ten gunste van de mannen gestegen. Bij de docenten in het hoger onderwijs moeten de vrouwen (44,1%) echter plaats maken voor de mannen. Bovendien wijzen Steegmans et al.62 dat vrouwen meer kans hebben dan mannen om niet vast benoemd te geraken in het basis- en secundair onderwijs. Ze stellen eveneens vast dat naarmate het schoolniveau stijgt ook het aantal mannen in bestuursfuncties toeneemt. In aparte kleuterscholen is het bestuurspersoneel haast uitsluitend vrouwelijk, terwijl 65% van het bestuurspersoneel in het basisonderwijs mannen zijn en dit ondanks het feit dat 80% van het personeel vrouwelijk is.

61 62

Steegmans N. en E. Valgaeren, 2001. Steegmans N. et al., 2002, Gelijke kansenindicatoren in Vlaanderen. Statistieken en indicatoren voor een gelijke kansenbeleid voor mannen en vrouwen, SEIN - LUC, Diepenbeek.

Interne werkgelegenheid

49

Grafiek 10: Tewerkstelling in Brusselse scholen volgens onderwijsniveau en gender (in %) - 2002 100

82,6

80

63,9

55,9

60 36,1

40 20

44,1

17,4

0 Basisonderwijs

Secundair onderwijs Vrouwen

Bron:

Hoger onderwijs

Mannen

RSZ, berekeningen Observatorium

Ten opzichte van het begin van de jaren 90 is de handel de enige tertiaire sector die een daling van het aantal loontrekkenden laat optekenen, waarbij de mannelijke loontrekkenden zwaarder worden getroffen. Een meer gedetailleerde analyse toont aan dat dit verschil te wijten is aan een afname in de groothandel en niet in de kleinhandel. Gezien het grotere aantal mannen in de groothandel verklaart dit het genderverschil (zie hierboven). Het stijgende aantal loontrekkenden in de financiële instellingen en in de overheidsdiensten kan voor deze bestudeerde periode bijna volledig worden verklaard door de toename van de vrouwen in deze sectoren. In tegenstelling hiermee is de toename van het aantal loontrekkenden in de sector diensten aan bedrijven bijna volledig toe te schrijven aan de stijging van de mannelijke werknemers in dienst. De non-profitsector63 kende, over een periode van 10 jaar, een positieve evolutie van het aantal loontrekkenden. In het Brussels Gewest zijn 152.421 loontrekkenden tewerkgesteld in de non-profitsector, waarvan 62% vrouwelijk is. Met andere woorden, ruim 1 op 3 vrouwen in Brussel werkt in de non-profit, bij de mannen komt dit overeen met nog geen 1 op 5 werknemers. De grootste rubriek is onderwijs en onderzoek met 51.057 loontrekkenden, waarvan 31.536 vrouwen (61,8%). De eerdere vaststellingen i.v.m. het onderwijs, dat naarmate het onderwijsniveau stijgt het aantal vrouwelijke loontrekkenden daalt, worden ook hier bevestigd. De rubriek maatschappelijke dienstverlening is net iets kleiner met 40.325 jobs in loondienst of ongeveer 27% van de nonprofitsector. De derde grootste rubriek bij de vrouwen is de gezondheidszorg (totaal aantal loontrekkenden: 28.591 waarvan 75% vrouwelijke is); bij de mannen is dit de rubriek recreatie, cultuur en sport. Deze rubriek telt 21,6% van de mannelijke loontrekkenden uit de non-profitsector, dit is de enige rubriek in de non-profitsector die meer mannen dan vrouwen telt.

63

Marée M. en S. Mertens, Contours et statistisues du non-marchand en Belgique, ULG. Naast de rubrieken onderwijs, gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening omvat de non-profitsector een rubriek recreatie, cultuur en sport en een rubriek belangenorganisaties Bij de afbakening van de non-profitsector maken we hier geen onderscheid tussen de privé- en openbare sector.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

50

Tabel 26: Werkgelegenheid in de Brusselse non-profitsector - 2002 Vrouwen

AW Cultuur Sport Recreatie Cultuur, sport en recreatie Basis- en secundair onderwijs Hoger onderwijs en onderzoek Andere opleidingen Onderwijs en onderzoek Gezondheidszorg met huisvesting Gezondheidszorg zonder huisvesting Andere gezondheidsactiviteiten Gezondheid Instellingen voor kinderen Instellingen voor gehandicapte personen Rusthuizen voor bejaarden Andere sociale diensten Maatschappelijke dienstverlening Bedrijfs-, werkgevers- en beroepsorganisaties Vakverenigingen Politieke organisaties Religieuze verenigingen Belangenorganisaties

7 646 745 3 077 11 468 22 563 7 676 1 297 31 536 18 086 2 655 669 21 410 3 213 1 823 6 628 13 545 25 209 3 080 896 232 465 4 673

Totaal A. Activiteiten binnen de non-profit Alg. administratie, gemeenschapsvoorzieningen, soc. zekerh. OCMW Mutualiteiten Totaal B. Openbaar bestuur Gemeenschapsvoorzieningen Openbaar transport Totaal C. Andere gemeenschapsvoorzieningen Totaal D. Commerciële activiteiten

94 42 1 2 46 9 2 11 116

Totaal E.

Diverse

TOTAAL Bron:

296 128 748 127 003 218 669 887 455

Mannen

%

AW

66,7 6,5 26,8

12,2 71,5 24,3 4,1

33,4 84,5 12,4 3,1

22,7 12,7 7,2 26,3 53,7

26,7 65,9 19,2 5,0 10,0

5,0 34,3 91,6 3,8 4,6 16,7 77,5 22,5 4,3 42,3

9 195 1 487 1 883 12 565 8 837 9 449 1 235 19 521 6 046 628 507 7 181 383 1 649 1 598 11 486 15 116 1 962 883 217 680 3 742 58 52 1 1 55 23 12 36 174

125 498 253 663 414 099 972 071 045

Totaal

%

AW

73,2 11,8 15,0

21,6 45,3 48,4 6,3

33,6 84,2 8,7 7,1

12,4 2,5 10,9 10,6 76,0

26,0 52,4 23,6 5,8 18,2

6,4 17,7 94,7 2,3 3,0 16,9 64,0 36,0 11,0 53,1

16 841 2 232 4 960 24 033 31 400 17 125 2 532 51 057 24 132 3 283 1 176 28 591 3 596 3 472 8 226 25 031 40 325 5 042 1 779 449 1 145 8 415 152 94 3 3 101 32 15 47 290

421 626 001 790 417 317 641 958 500

%V

% 70,1 9,3 20,6

5,5

45,4 33,4 62,0 47,7 71,9 44,8 51,2 61,8 74,9 80,9 56,9 74,9 89,3 52,5 80,6 54,1 62,5 61,1 50,4 51,7 40,6 55,5

25,3 93,3 3,0 3,7 16,8 67,4 32,6 8,0 48,2

61,9 44,5 58,2 56,1 45,4 28,5 17,1 24,8 40,1

15,8 61,5 33,5 5,0

33,5 84,4 11,5 4,1

18,8 8,9 8,6 20,4 62,1

26,5 59,9 21,1 5,3 13,6

6 392

2,3

3 883

1,2

10 275

1,7

62,2

275 033

100

327 538

100

602 571

100

45,6

RSZ, berekeningen Observatorium

Tussen 1992 en 2002 is het aantal arbeidsplaatsen in Brussel toegenomen met 31.774 eenheden, waarvan 22.231 of 70% zich situeert binnen de non-profitsector. Procentueel groeide de tewerkstelling in deze sector met 17%. Bijna drie vierde van deze arbeidsplaatsen werd ingevuld door vrouwen. Dit illustreert de belangrijke rol van deze sector in de jobcreatie de jongste decennia en de rol die deze sector speelt voor de tewerkstelling van vrouwen. Bovendien heeft de non-profitsector ongetwijfeld nog een groeipotentieel, onder meer door de vergrijzing van de bevolking. De rubriek commerciële activiteiten daarentegen, die bijna de helft van de Brusselse werkgelegenheid telt, kende voor deze periode een daling van de werkgelegenheid van om en bij de 5%. Een rubriek waar slechts 4 op 10 loontrekkenden een vrouw is.

B.

Verticale segregatie

Op basis van de EAK-gegevens is het mogelijk om het aantal loontrekkenden per beroepsgroep te bepalen. Uit deze gegevens blijkt de verticale of functiesegregatie64. In die zin dat het aandeel van de vrouwen daalt wanneer het functieniveau stijgt. Zo worden leidinggevende en kaderfuncties nog steeds minder vaak door vrouwen (29,7%) ingevuld dan door mannen (70,3%). Ook in de intermediaire beroepen, die onder meer technische en financiële beroepen omvatten, zijn vrouwen ondervertegenwoordigd. Daartegenover zijn er een aantal beroepsgroepen waar vrouwen sterker vertegenwoordigd zijn, zoals administratieve functies en dienstverlenend en verkooppersoneel. Vaak beschouwen werkgevers het als een risico om te investeren in begeleiding en scholing van de vrouwelijke werknemers. Daarnaast wordt er nog steeds door werkgevers aangenomen dat vrouwen minder lang op de arbeidsmarkt zullen verblijven dan mannen doordat ze betaalde arbeid combineren met de zorg voor kinderen. Deze algemene beeldvorming, zonder rekening te houden met de vooropleiding en 64

Steegmans N. en E. Valgaeren, 2001.

Interne werkgelegenheid

51

werkmotivatie, dupeert de individuele vrouwen65. Ook worden door sommige mannelijke collega's vooroordelen geuit ten aanzien van de leidinggevende capaciteiten van vrouwen.

Tabel 27: Loontrekkenden in het Brussels Gewest volgens beroepsgroep en gender (in %) - 2002 Beroepsgroep

Bron:

Vrouwen

Mannen

Totaal

Leden uitvoerende macht, bedrijfsleiders en hoger kader Intellectuele en wetenschappelijke beroepen Intermediaire beroepen Bedienden in administratieve functies Dienstverlenend en verkoopspersoneel Landbouwers en geschoolde arbeiders in landbouw en visserij Ambachtslieden en ambachtelijke vakarbeiders Machine- en installatiebestuurders, montagearbeiders Overige (ongeschoolde arbeiders en bedienden,...) Strijdkrachten

29,7 47,4 39,5 57,8 54,8 10,7 8,5 8,6 46,8 5,3

70,3 52,6 60,5 42,2 45,2 89,3 91,5 91,4 53,2 94,7

13,7 23,1 11,4 27,3 8,3 0,4 5,2 2,9 6,6 1,1

Totaal

43,7

56,3

100

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Deze vormen van discriminatie houden een onzichtbare barrière in stand, het zogenaamde glazen plafond, welke is opgebouwd uit een complex van factoren die elkaar wederzijds versterken en beïnvloeden. Het glazen plafond beperkt niet enkel de doorstroom van vrouwen naar hogere functies maar verkleint ook de loopbaankansen in het algemeen. Een éénduidige verklaring voor het bestaan van het glazen plafond bestaat niet. Hoewel er tal van mogelijke verklaringen bestaan kunnen deze grotendeels ingedeeld worden in drie categorieën66. Een eerste reeks verklaringen is dat het gewoon een kwestie van tijd is. Door de meer recentere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt vergt het enige tijd om door te stromen naar leidinggevende functies. In de zachte sectoren, waar traditioneel meer vrouwen zijn tewerkgesteld, worden 56% van de leidinggevende functies in het onderwijs ingevuld door vrouwen en 42% ervan in de gezondheidszorg. Hoewel de sterke vertegenwoordiging van de vrouwen in deze sectoren (zie tabel 26) verloopt de doorstroming naar leidinggevende functies niet evenredig. Andere verklaringen steunen op het feit dat de oorzaak bij de keuzes van de vrouwen zelf liggen. Vrouwen wensen een beter evenwicht tussen hun werk en privé-leven en kiezen daarom voor deeltijds werk, minder overuren,… waardoor hun promotiekansen dalen. Ten derde situeren de verklaringen zich op het niveau van de bedrijfsorganisatie of bedrijfscultuur. In een sterk mannelijk gecoördineerde cultuur worden de doorgroeimogelijkheden en ontplooiingskansen van vrouwen eerder beperkt, typisch vrouwelijke waarden worden minder gevaloriseerd.

4.1.2.

Private en openbare werkgelegenheid

In 2002 was 62,2% van de loontrekkenden in het Brussels Gewest tewerkgesteld in de privésector. Terwijl dit cijfer voor geheel België 69,3% bedroeg. Het aandeel van de private werkgelegenheid is gedurende het laatste decennia relatief stabiel gebleven. Sinds 1992 is de bezoldigde arbeid in het Brussels Gewest met 31.774 arbeidsplaatsen of 5,6% gestegen ten opzichte van 2002. De openbare sector kende proportioneel een sterke groei dan de privésector (+7,3% t.o.v. +4,5%). Tussen 1992 en 1997 is de werkgelegenheid in Brussel gedaald met 1,4%. Voornamelijk de privésector kende een forse daling van 5,2%, terwijl de werkgelegenheid in de openbare sector gedurende deze periode met 5% steeg. Deze gegevens illustreren de gevoeligheid van de privésector aan economische schommelingen. Gedurende de periode van economische heropleving (1997-2002) steeg het aantal loontrekkenden in de

65

66

van Hoof J. en J. Van Ruysseveldt, 1996, Sociologie en de moderne samenleving. Maatschappelijke veranderingen van de industriële revolutie tot in de 21ste eeuw, Open Universiteit, Heerlen. Draulans V., 2002, Glazen plafond: realiteit of mythe? In: RoSa, 2002, Vrouwen naar de top. Uitgelezen, jaargang 8 nr. 4.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

52

privésector (+10,2%) sterker dan in de openbare sector (+2,2%). Deze gegevens illustreren de gevoeligheid van de privésector aan de conjuntuurschommelingen. Het aandeel van de vrouwen is over een periode van 10 jaar in de privésector lichtjes toegenomen, terwijl het in de openbare sector relatief stabiel is gebleven. Gedurende de eerste fase is de daling van de werkgelegenheid in de privésector in Brussel vooral terug te vinden bij de mannen. In de openbare sector daarentegen stijgt het aandeel van de mannelijke loontrekkenden iets meer ten opzichte van de vrouwelijke loontrekkenden (+5,4% t.o.v. 4,6% bij de vrouwen). In de tweede fase zijn het vooral de vrouwen die het meest genieten van de economische heropleving. Zowel in de privé- als openbare sector stijgt het aantal arbeidsplaatsen ingevuld door vrouwen sterker. Niettegenstaande de vrouwelijke opmars blijft het aantal mannelijke loontrekkenden in beide sectoren nog steeds hoger in het Brussels Gewest.

Tabel 28: Loontrekkenden in de privé- en openbare sector volgens gender in het Brussels Gewest (in %) Evolutie 92-02

Evolutie 92-97

Evolutie 97-02

1992

1997

2002

150 770 207 778 358 548 42,1

148 347 191 702 340 049 43,6

165 944 208 838 374 782 44,3

15 174 1 060 16 234

10,1 0,5 4,5

-2 423 -16 076 -18 499

-1,6 -7,7 -5,2

17 597 17 136 34 733

11,9 8,9 10,2

100 323 111 926 212 249 47,3

104 902 117 966 222 868 47,1

109 089 118 700 227 789 47,9

8 766 6 774 15 540

8,7 6,1 7,3

4 579 6 040 10 619

4,6 5,4 5,0

4 187 734 4 921

4,0 0,6 2,2

253 249 309 668 562 917 45,0

275 033 327 538 602 571 45,6

23 940 7 834 31 774

9,5 2,5 5,6

2 156 -10 036 -7 880

0,9 -3,1 -1,4

21 784 17 870 39 654

8,6 5,8 7,0

AW

%

AW

%

AW

%

Privé Vrouwen Mannen Totaal % vrouwen Openbaar Vrouwen Mannen Totaal % vrouwen

Privé + Openbaar Vrouwen Mannen Totaal % vrouwen Bron:

251 093 319 704 570 797 44,0

RSZ, berekeningen Observatorium

Het verschil tussen het percentage vrouwelijke loontrekkenden in de privésector en in de openbare sector is het geringst in het Brussels Gewest. Ten opzichte van de andere twee gewesten is het procentueel aantal vrouwen die tewerkgesteld zijn in de openbare sector lager (grafiek 11). Men dient bovendien rekening te houden met de procentuele verdeling van de loontrekkenden over de verschillende activiteitssectoren per gewest. In het onderwijs, waar een belangrijk deel van de loontrekkenden in de openbare sector zijn tewerkgesteld, zijn de vrouwen oververtegenwoordigd. Deze activiteitensector telt in Brussel echter procentueel minder loontrekkenden dan in de twee andere gewesten. Ook in de zorgsector, een andere zogenaamde zachte sector, zijn er procentueel minder loontrekkenden dan in Vlaanderen en Wallonië. De sector vervoer en communicatie daarentegen, die we eerder hebben aangeduid als een sector waar de mannen oververtegenwoordigd zijn, telt in het Brussels Gewest procentueel meer loontrekkenden in de openbare sector door de aanwezigheid van de maatschappelijke hoofdzetel van de NMBS en MIVB.

Interne werkgelegenheid

53

Grafiek 11: Vrouwelijke werkgelegenheid volgens sector en gewest (in %) - 2002 60 50

44,3

53,8

47,9

40

52,6

39,7

52,1 40,5

39,9

30 20 10 0 Brussels Gewest

Vlaams Gewest Privé

Bron:

Waals Gewest

België

Openbaar

RSZ, berekeningen Observatorium

Wanneer de werkgelegenheid in de openbare sector geanalyseerd wordt op basis van het niveau merken we een belangrijk onderscheid tussen vrouwen en mannen. Voor deze analyse baseren we ons op gegevens van de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie die de personeelsgegevens van de verschillende overheidsinstellingen groepeert67. Zoals uit de onderstaande tabel blijkt is de proportie vrouwen bij de hogere niveaus kleiner.

Tabel 29: Proportie vrouwen in de overheidsdiensten volgens niveau (in %) - 1/01/2001 Niveau 168

Niveau 2+

Niveau 2

Niveau 3

Niveau 4

Federale overheid Brussels Gewest Vlaamse Gemeenschap en Gewest Franse Gemeenschap Waals Gewest

32,4 36,9 31,4 34,9 32,5

39,9 47,2 63,4 74,3 57,2

56,6 54,5 54,7 63,5 45,4

54,6 22,1 46,4 66,7 48,3

72,9 9,8 48,7 60,3 44,2

Totaal

32,5

49,9

55,5

52,2

55,9

Voor de TEC, MIVB, GIMB, VGC, CoCof, GGC zijn de gegevens niet beschikbaar. Bron: FOD Personeel en Organisatie

Slechts een derde van de werknemers in de overheidsdiensten van niveau 1 zijn vrouwen. In het Brussels Gewest is deze proportie iets hoger. De hoge proportie vrouwen in de niveaus 2+ en 2 in de Franse Gemeenschap zijn te verklaren door de werknemers in de "Office de la Naissance et de l'Enfance de la Communauté française (ONE)" en het universitair ziekenhuis van Luik waar veel vrouwen tewerkgesteld zijn. De hoge proportie vrouwen met een niveau 4 in de federale instellingen is te wijten aan een belangrijke proportie vrouwen met dit niveau in de FOD Financiën, terwijl de, voornamelijk mannelijke, werknemers van Net Brussel en het Brussels Instituut voor Milieubeheer (BIM) sterk doorwegen in de proportie vrouwen met dit niveau tewerkgesteld in de Brusselse overheidsinstellingen. Een tweede belangrijk verschil tussen vrouwen en mannen in de openbare sector situeert zich in het onderscheid tussen contractuelen en statutairen. De proportie vrouwen bij de statutairen is algemeen lager terwijl de vrouwen eerder in de meerderheid zijn bij de contractuelen.

67

68

Ministerie van het Openbaar Ambt, 2001, Overzicht van de personeelssterkte in de overheidssector. Situatie op 30 juni 2000

en 1 januari 2001.

Onze gegevens maken nog gebruik van de verouderde niveau-indeling. Niveau 1 (nu: A) vereist een universitair diploma of een diploma hoger onderwijs van het lange type. Niveau 2+ (B) vereist een diploma van het hoger onderwijs van het korte type. Niveau 2 (C) komt overeen met een diploma hoger secundair en wat niveau 3 en 4 (D) betreft, worden geen specifieke diploma-eisen gesteld.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

54

In het Brussels Gewest vallen de instellingen van openbaar nut uit de toon door hun lage proportie vrouwen en dit zowel bij de statutairen als bij de contractuelen. Deze resultaten zijn toe te schrijven aan de sterke proportie mannelijke werknemers bij Net Brussel en het BIM.

Tabel 30: Proportie vrouwen in de overheidsdiensten volgens statuut (in %) - 1/01/2001 Statutair

Contractueel

Federale overheid Ministeries Wetenschappelijke instellingen Instellingen van Openbaar Nut

42,9 34,2 52,4

68,1 59,6 73,7

Brussels Gewest Ministerie Instellingen van Openbaar Nut

41,9 14,4

67,5 25,3

Vlaamse Gemeenschap en Gewest Ministerie Wetenschappelijke instellingen Instellingen van Openbaar Nut

32,4 34,6 46,1

57,2 37,5 63,3

Franse Gemeenschap Ministerie Instellingen van Openbaar Nut

50,2 54,9

61,5 72,4

Waals Gewest Ministerie Instellingen van Openbaar Nut

29,2 37,8

57,3 60,1

Totaal

42,5

63,5

Voor de TEC, MIVB, GIMB, VGC, COCOF, GGC zijn de gegevens niet beschikbaar. Bron: FOD Personeel en Organisatie

4.1.3.

Beroepsstatuut

De verdeling van de bezoldigde werkgelegenheid volgens beroepsstatuut in 2002 toont aan dat het Brussels Gewest zich onderscheidt van de andere gewesten door het hoge aandeel van de bezoldigde hoofdarbeid (81%). Het aandeel van de hoofdarbeiders in Vlaanderen en Wallonië bedraagt respectievelijk 56,7% en 62,6%. Van de vrouwen die in het Brussels Gewest zijn tewerkgesteld heeft 86,7% het statuut van bedienden, terwijl 76,2% van de mannelijke loontrekkenden een bediendenstatuut heeft. Ook in de andere gewesten hebben vrouwen meer een bediendenstatuut dan de mannen. In het Vlaamse Gewest heeft bijna 70% van de vrouwen een bediendenstatuut tegenover 47% bij de mannen. Voor het Waalse Gewest bedraagt dit respectievelijk 76% en 52%.

Interne werkgelegenheid

55

Tabel 31: Bezoldigde arbeid in de drie gewesten volgens beroepsstatuut en gender - 2002 Handarbeiders

Brussels Gewest

V M T

%V Vlaams Gewest

V M T

%V Waals Gewest

V M T

%V België

V M T

%V Bron:

36 567 78 019 114 586

Hoofdarbeiders 238 466 249 519 487 985

31,9

48,9

259 602 600 849 860 451

600 352 527 298 1 127 650

30,2

53,2

97 247 240 401 337 648

306 888 257 960 564 848

28,8

54,3

393 416 919 269 1 312 685

1 145 706 1 034 777 2 180 483

30,0

52,5

% hoofdarbeiders 86,7 76,2 81,0 69,8 46,7 56,7 75,9 51,8 62,6 74,4 53,0 62,4

RSZ, berekeningen Observatorium

Het Brussels Gewest kent net als de andere twee gewesten een stijging van het aantal loontrekkenden met een bediendenstatuut tussen 1992 en 2002 (+11,9% in Brussel). De stijging is in alle gewesten groter bij de vrouwen dan bij de mannen (+14,9% bij de vrouwen en +9,2% bij de mannen in Brussel). Brussel is het enige Gewest waar het aantal loontrekkenden met een arbeidersstatuut is gedaald met 15%, zowel bij de vrouwen (-15,9%) als bij de mannen (-14,5%). Deze continue achteruitgang van het aantal arbeidsplaatsen voor handarbeiders is des te nadeliger voor het Brussels Gewest omdat 55,2% van het aantal werklozen ingeschreven is als arbeider69. Op 100 arbeidsplaatsen in Brussel worden er 19 ingevuld door handarbeiders (waarvan 6 door vrouwen en 13 door mannen), de andere 81 worden ingevuld door werknemers met een bediendenstatuut (40 vrouwen - 41 mannen). Zoals blijkt uit onderstaande grafiek verschilt de verdeling van de bezoldigde werkgelegenheid volgens beroepsstatuut en gender sterk van sector tot sector. Logischerwijs is het aantal bedienden die tewerkgesteld zijn in de tertiaire sector hoger dan in de twee andere sectoren. Binnen deze sector is de verdeling tussen de mannelijke en vrouwelijke bedienden quasi gelijk.

69

Jaargemiddelde 2002.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

56

Grafiek 12: Bezoldigde arbeid in het Brussels Gewest volgens beroepsstatuut en activiteitensector (in %) - 2002 Totaal Primair Secundair Tertair Handel Hotels en restaurants Vervoer en communicatie Financiële instellingen Diensten aan bedrijven Overheidsdiensten Onderwijs Gezondheidszorg Gemeenschapsvoorzieningen 0%

20% Arbeiders - V

Bron:

40% Bedienden - V

60% Arbeiders - M

80%

100%

Bedienden - M

RSZ, berekeningen Observatorium

De subsector hotels en restaurants is de enige in de tertiaire sector waar meer werknemers worden tewerkgesteld met een arbeidsstatuut dan met een bediendenstatuut, zowel bij de vrouwelijke als de mannelijke werknemers waarbij 40% van de arbeiders een vrouw is. In tegenstelling hiermee hebben de meeste werknemers in de financiële instellingen een bediendenstatuut (hiervan is 45% een vrouw). In de subsector onderwijs en gezondheidszorg worden respectievelijk 95 en bijna 83 arbeidsplaatsen op 100 ingevuld door loontrekkenden met een bediendenstatuut. Van deze arbeidsplaatsen worden er in het onderwijs en in de gezondheidszorg respectievelijk 60% en 80% ingevuld door vrouwen.

4.1.4.

Bedrijfsgrootte

In 2001 is 28,5% van de bezoldigde arbeid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest terug te vinden in de kleine en middelgrote ondernemingen (met minder dan 50 werknemers). Dit percentage is opmerkelijk lager dan in de andere twee gewesten (41% in Vlaanderen en 41,5% in Wallonië). Deze vaststelling is deels te verklaren door de aanwezigheid van omvangrijke administratieve diensten in Brussel, maar ook door de aanwezigheid van maatschappelijke zetels van grote privé-ondernemingen. In onderstaande grafiek wordt de verdeling van de bezoldigde arbeid weergegeven volgens bedrijfsgrootte en gender. Uit deze grafiek blijkt dat er een verband bestaat tussen de grootte van de onderneming en de genderratio. Kleinere bedrijven stellen relatief meer vrouwelijke loontrekkenden tewerk. Naarmate de omvang van de bedrijven toeneemt, daalt de verhouding van het aantal vrouwelijke loontrekkenden. Binnen de bedrijven met 200 tot 499 werknemers is de genderratio bijna gelijk aan één (49% vrouwen - 51% mannen). Dit kan verklaard worden doordat binnen deze bedrijfsgrootte vele bedrijven actief zijn uit het onderwijs en de gezondheidszorg. Die, zoals we eerder gezien hebben, proportioneel meer vrouwen dan mannen tewerkstellen.

Interne werkgelegenheid

57

Grafiek 13: Bezoldigde arbeid in het Brussels Gewest volgens bedrijfsgrootte en gender (in %) - 2002

1-4

45,2

54,8

5-9

51,2

48,8

10-19

46,8

53,2

20-49

46,8

53,2

50-99

46,7

53,3

100-199

46,1

53,9

200-499

50,9

49,1

500-999

41,1

58,9

1000 en +

41,3

58,7

Totaal

54,4

45,6

0%

20%

40%

60%

Vrouwen Bron:

80%

100%

Mannen

RSZ, berekeningen Observatorium

De evolutie van de bezoldigde arbeid in het Brussels Gewest tussen 1992 en 2002 wordt enerzijds gekenmerkt door een geringe toename (+0,6%) van het aantal arbeidsplaatsen in de kleine en middelgrote ondernemingen, anderzijds door een sterkere toename (+8,1%) in de grotere ondernemingen. Deze evolutie verschilt sterk met de algemene evolutie voor België. In België zijn het voornamelijk de ondernemingen met 50 tot 199 werknemers die een sterke groei laten optekenen. De middelgrote tot grote ondernemingen daarentegen kennen slechts een toename van het aantal arbeidsplaatsen van 5,1%. Zowel voor de kleine als de grote tot zeer grote ondernemingen is de evolutie van het aantal arbeidsplaatsen ingevuld door vrouwen groter dan door mannen.

Tabel 32: Evolutie van de bezoldigde arbeid in het Brussels Gewest volgens bedrijfsgrootte (1992-2002) 1992

V 1-4 5-9 10-19 20-49

Bron:

21 14 17 26

M 479 700 507 568

17 16 21 35

T 464 439 210 334

Evolutie 1992-2002 in %

2002

38 31 38 61

V 943 139 717 902

20 14 18 30

M 443 778 465 337

16 15 20 34

T 870 475 972 464

37 30 39 64

V

M

T

313 253 437 801

-4,8 0,5 5,5 14,2

-3,4 -5,9 -1,1 -2,5

-4,2 -2,8 1,9 4,7

<50

80 254

90 447

170 701

84 023

87 781

171 804

4,7

-2,9

0,6

50-99 100-199

22 619 25 768

28 139 31 585

50 758 57 353

23 786 29 607

27 183 34 550

50 969 64 157

5,2 14,9

-3,4 9,4

0,4 11,9

50-199

48 387

59 724

108 111

53 393

61 733

115 126

10,3

3,4

6,5

200-499 500-999 1000 en +

36 110 26 654 59 688

45 887 34 058 89 588

81 997 60 712 149 276

45 812 26 206 65 599

47 433 37 533 93 058

93 245 63 739 158 657

26,9 -1,7 9,9

3,4 10,2 3,9

13,7 5,0 6,3

>200

122 452

169 533

291 985

137 617

178 024

315 641

12,4

5,0

8,1

Totaal

251 093

319 704

570 797

275 033

327 538

602 571

9,5

2,5

5,6

RSZ, berekeningen Observatorium

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

58

4.1.5.

Ruimtelijke spreiding

Ongeveer 40% van de bezoldigde arbeid in het Brussels Gewest, zowel voor vrouwen als mannen, situeert zich in de gemeente Brussel-Stad. Terwijl Brussel-Stad slechts 13,5% van de vrouwelijke en 14,6% van de mannelijke bevolking vertegenwoordigt. Verder onderscheiden de gemeenten Anderlecht, Elsene en Schaarbeek zich als belangrijke, zij het in mindere mate, tewerkstellingskernen voor zowel vrouwen als mannen. Naast Brussel-Stad tellen de gemeenten Sint-Joost en Sint-Lambrechts-Woluwe in verhouding meer bezoldigde banen ingevuld door vrouwen dan vrouwelijke inwoners. Voor de mannen vinden we deze vaststelling uiteraard terug in Brussel-Stad en in de gemeente Evere70. Onderstaande grafiek geeft de verdeling van de werkgelegenheid per gemeente volgens gender weer. Het aandeel van de vrouwen in de bezoldigde arbeid varieert tussen 27,2% en 58% in de Brusselse gemeenten. In 6 gemeenten (Jette, Ukkel, Ganshoren, Sint-Agatha-Berchem, Sint-Joost en Sint-Lambrechts-Woluwe) wordt meer dan de helft van de bezoldigde arbeid door vrouwen verricht. In Koekelberg is het aandeel van de vrouwen en de mannen relatief gelijk. Terwijl in Evere en Vorst het aandeel van de vrouwen in de bezoldigde arbeid minder dan twee derde bedraagt. Uiteraard vormt de structuur van de werkgelegenheid in de gemeenten een belangrijke verklaring voor de verschillen in gender. Zo wordt de structuur van de bezoldigde arbeid in Vorst sterk beïnvloed door de aanwezigheid van de industrie. In deze activiteitensector wordt (zoals we eerder zagen in tabel 25) namelijk slechts één vierde van de arbeidsplaatsen ingevuld door vrouwen. Daarentegen verklaart de relatief sterke aanwezigheid van de gezondheidszorg en het onderwijs in de gemeenten Jette, Ganshoren en Ukkel het grote aantal vrouwelijke loontrekkenden.

Grafiek 14: Bezoldigde arbeid volgens gemeente en gender (in %) - 2002 Jett e

42,0

58,0

Ukkel

45,5

54,5

Ganshoren

53,1

St-Agat ha-Berchem

53,0

47,0

St-Joost-ten-Node

52,1

47,9

46,9

48,3

51,7

St-Lambrecht s-Woluwe

49,7

50,3

Koekelberg St-Piet ers-Woluwe

49,9

50,1

Wat ermaal-Bosvoorde

49,7

50,3

Elsene

48,8

51,2

Et terbeek

48,0

52,0

Brussel Brussels Gewest

46,2

53,8

45,6

54,4

St -Gillis

44,5

55,5

Schaarbeek

44,0

56,0 56,6

43,4

M olenbeek

58,9

41,1

Anderlecht Oudergem

59,8

40,2

Evere

67,1

32,9

Vorst

72,8

27,2 0%

10%

20%

30%

40%

50% Vrouwen

Bron:

70

RSZ, berekeningen Observatorium

Zie bijlage.

60% M annen

70%

80%

90%

100%

Interne werkgelegenheid

59

4.2. Zelfstandige arbeid De gegevens die in dit onderdeel gebruikt worden zijn afkomstig van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ)71. Deze gegevens hebben betrekking op de verzekeringsplichtigen. Dit zijn de personen waarop het sociaal statuut van zelfstandige van toepassing is wegens de uitoefening van een beroepsactiviteit als zelfstandige of helper. Dit kan zowel betrekking hebben op een persoon met een hoofd- als met een bijberoep72. Een zelfstandige wordt gedefinieerd als iemand zonder arbeidsovereenkomst die op regelmatige basis een economische activiteit uitoefent waar hij een inkomen uit put. In tegenstelling tot bij bezoldigde arbeid is het inkomen bij zelfstandige arbeid rechtstreeks afhankelijk van de winst die wordt gemaakt en is de zelfstandige vaak zelf verantwoordelijk voor de goede werking van de onderneming. Ook op het niveau van het arbeidsrecht, de sociale zekerheid en het fiscaal statuut wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen bezoldigde en zelfstandige arbeid. Een helper is een persoon die een zelfstandige in de uitoefening van zijn beroep bijstaat of vervangt, zonder tegenover hem door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden en hierdoor onder toepassing van het sociaal statuut van de zelfstandigen valt. De echtgenote-helpster of echtgenoot-helper valt niet onder het statuut van helper, waardoor ze ook niet opgenomen is in de statistieken. Sinds 1 januari 1990 kan de meewerkende echtgenoot (M/V) zich vrijwillig aansluiten op het statuut van zelfstandige. Op die manier heeft de echtgenoothelper enkel recht op de uitkeringsregeling voor ziekte en invaliditeit. Er moet wel een bijdrage betaald worden. De echtgenoot-helpers worden in de statistieken ondergebracht bij de helpers. Vanaf 1 januari 2003 zijn alle meewerkende echtgenoten verplicht zich in te schrijven in het zogenaamde mini-statuut, wat een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid en invaliditeit inhoudt. Het is reeds mogelijk om zich aan te sluiten voor het volledige statuut van zelfstandige. Vanaf 1 januari 2006 zal dit verplicht worden. Zoals we reeds gezien hebben in de analyse van de bezoldigde arbeid ligt de arbeidsmarktparticipatie bij vrouwen lager dan bij mannen: 45,6% van de werknemers in loondienst zijn vrouwen. Het verschil tussen beide geslachten is nog groter in de categorie van de zelfstandigen, die slechts voor 29,5% uit vrouwen bestaat. De zelfstandige arbeid kent dan ook een grotere segregatie tussen vrouwen en mannen. In tabel 33 wordt voor de drie gewesten het aantal ingeschrevenen volgens statuut weergegeven. Hier wordt het onderscheid gemaakt tussen hoofd-, bijberoep en activiteit na pensioenleeftijd. In de rest van dit onderdeel zullen enkel de zelfstandigen in hoofdberoep besproken worden. In 2002 tellen we in België 789.056 zelfstandigen, waarvan 29,3% vrouwen. In de drie gewesten schommelt het percentage vrouwen rond de 30%, maar bij een opsplitsing naar hoofd- en bijberoep merken we een duidelijker verschil tussen de gewesten. Bij de zelfstandigen in hoofdberoep is de proportie vrouwen het laagst in het Brussels Gewest, maar zijn de verschillen eerder beperkt. Brussel kent daarentegen een belangrijkere proportie vrouwen in bijberoep: 34% van de Brusselse zelfstandigen in bijberoep is een vrouw, in het Vlaams en Waals Gewest is dit respectievelijk 25,7% en 24,6%. Gezien het statuut van helper tot en met 2002 op vrijwillige basis was laten deze nog niet toe om de proportie vrouwen in het statuut van helper te evalueren. We verwachten evenwel een hoge proportie vrouwen in dit statuut.

71

72

De geografische spreiding van de zelfstandigen en helpers is gebaseerd op de woonplaats. Het RSVZ beschikt niet over het adres waar de activiteit wordt uitgeoefend. Een bijberoep als zelfstandige is de beroepsactiviteit die als zodanig gelijktijdig wordt uitgeoefend met een andere, gewoonlijke en hoofdzakelijke beroepsbezigheid onder gezag. Onder bepaalde voorwaarden kan men dit bijberoep ook combineren met het statuut van student of werkloze.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

60

Tabel 33: Personen die vallen onder het sociaal statuut van de zelfstandigen in de drie gewesten - 2002 Brussels Gewest

M

28,9 27,9

102 812 8 597

225 661 21 919

37 039

28,9

111 409

3 268 29 3 297

6 365 29 6 394

33,9 50,0 34,0

Zelfstandigen Helpers

1 364 28

3 656 54

Totaal

1 392 19 442 320 19 762

Totaal

M

14 810 263

36 359 680

15 073

Vlaams Gewest

V

Hoofdberoep Zelfstandigen Helpers

V

%V

Waals Gewest

%V

V

M

%V

31,3 28,2

48 163 1 909

110 833 5 476

30,3 25,8

247 580

31,0

50 072

116 309

30,1

23 855 584 24 439

69 040 1 722 70 762

25,7 25,3 25,7

11 032 296 11 328

34 221 478 34 699

24,4 38,2 24,6

27,2 34,1

8 568 332

26 784 1 244

24,2 21,1

5 268 88

13 018 251

28,8 26,0

3 710

27,3

8 900

28 028

24,1

5 356

13 269

28,8

46 380 763 47 143

29,5 29,5 29,5

135 235 9 513 144 748

321 485 24 885 346 370

29,6 27,7 29,5

64 463 2 293 66 756

158 072 6 205 164 277

29,0 27,0 28,9

Bijberoep Zelfstandigen Helpers Totaal Actief na pensioenleeftijd

Totaal Zelfstandigen Helpers Totaal Bron:

4.2.1.

RSVZ, berekeningen Observatorium

Evolutie van de zelfstandige arbeid

Op tien jaar tijd is het aantal zelfstandigen in België met 10% gestegen. Wanneer we echter een onderscheid maken tussen de zelfstandigen in hoofdberoep en de andere zelfstandigen (bijberoep, activiteit na de pensioenleeftijd), dan stellen we vast dat de zelfstandigen in hoofdberoep in werkelijkheid slechts met 5,9% is toegenomen, terwijl de andere vormen van zelfstandige activiteit met 23,2% zijn gestegen. Op het eerste gezicht lijkt deze evolutie over het algemeen gunstiger voor de vrouwen (stijging van 19,5% over een periode van tien jaar). De groei van de vrouwelijke zelfstandigen is beperkter dan de algemene groei (+7,4%), maar hoger dan de groei van de mannelijke zelfstandigen in hoofdberoep (+5,2%). In termen van genderratio kan deze inhaalbeweging van de vrouwen duidelijk gerelativeerd worden. We onderscheiden twee verschillende fasen in de evolutie van de zelfstandige hoofdberoepen in België: een groeifase tot in 1997 (+8%) en een lichte daling tussen 1997 en 2002 (-2%). In de groeifase was de toename van de mannelijke zelfstandigen in hoofdberoep groter dan deze van de vrouwen. De afname van de zelfstandigen in hoofdberoep in de periode 1997 en 2002 is echter uitsluitend op rekening van de mannen te schrijven.

Tabel 34: Evolutie van de zelfstandige arbeid volgens gender (in %) (1992-2002) 1992-97

1997-02

Totaal

Hoofdberoep

4,6 -0,8 0,7 14,5 6,9 9,0

1992-02

Totaal

Hoofdberoep

Totaal

Hoofdberoep

-8,5 -9,0 -8,8

3,2 0,8 1,5

1,4 -0,4 0,1

8,0 -0,1 2,2

-7,2 -9,4 -8,8

5,4 9,1 8,0

4,4 -0,4 0,9

1,9 -3,6 -2,0

19,5 6,5 10,0

7,4 5,2 5,9

Brussels Gewest Vrouwen Mannen Totaal België Vrouwen Mannen Totaal Bron:

RSVZ, berekeningen Observatorium

Interne werkgelegenheid

61

Het Brussels Gewest vertegenwoordigt 8,5% van het totale aantal zelfstandigen in België. Over tien jaar beschouwd, stellen we vast dat het aantal zelfstandigen in het BHG lichtjes gestegen is (+2,2%), maar dat de zelfstandige activiteit in hoofdberoep aanzienlijk gedaald is (-8,8%). Hoewel het aantal vrouwelijke zelfstandigen in het Brussels Gewest toenam terwijl het aantal mannelijke zelfstandigen stagneerde, is de evolutie voor de vrouwen niet zo rooskleurig. Het aantal vrouwelijke zelfstandigen in hoofdberoep is over een periode van 10 jaar immers met 7,2% afgenomen in het Brussels Gewest. Ook bij de mannelijke zelfstandigen in hoofdberoep is de evolutie negatief.

4.2.2.

Activiteitensector

In 2002 situeert 93,7% van de Brusselse zelfstandige arbeid in hoofdberoep zich in drie sectoren: de handel (43,1%), de vrije beroepen (32,4%) en de nijverheid (18,1%). Op nationaal niveau vertegenwoordigen deze drie sectoren 81,7% van de zelfstandige activiteiten: het relatieve aandeel van de vrije beroepen is duidelijk kleiner in België dan in Brussel (20,4% tegen 32,4%). Het gewicht van de vrije beroepen binnen de zelfstandige arbeid in Brussel is een typisch kenmerk van het Gewest73. Op dit ogenblik wordt 40% van de zelfstandige betrekkingen in de sector van de vrije beroepen en in de dienstensector74, die in Brussel weinig ontwikkeld is, door vrouwen ingenomen. Tot slot onthouden we dat vrouwen in Brussel in verhouding minder actief zijn in de handelssector dan over heel België gezien (25,1% tegenover 33,5%).

Tabel 35: Zelfstandige arbeid in hoofdberoep volgens activiteitensector en gender - 2002 Brussels Gewest

Vrouwen

Mannen

België

%V

Vrouwen

Mannen

%V

Landbouw en visvangst

100

309

24,4

10 954

43 246

20,2

Industrie en ambachten

1 365

8 089

14,4

16 972

102 225

14,2

Handel

5 649

16 821

25,1

78 650

156 078

33,5

Vrije beroepen

6 812

10 093

40,3

47 064

70 633

40,0

Diensten

1 121

1 655

40,4

22 613

27 779

44,9

Diverse

26

72

26,5

301

967

23,7

Totaal

15 073

37 039

28,9

176 554

400 928

30,6

Bron:

RSVZ, berekeningen Observatorium

Een meer gedetailleerde analyse laat toe om enkele subsectoren waar Brusselse vrouwen sterker vertegenwoordigd zijn te identificeren. In de handelssector, een sector die 37,5% van de vrouwelijke zelfstandigen telt, vinden we drie representatieve subsectoren waar de proportie vrouwen hoger is dan het gemiddelde in de handel. In afnemende volgorde gaat het om de groot- en kleinhandel (29%), de handelstussenpersonen (28,8%) en de horeca (32,2%). 45,2% van de vrouwelijke zelfstandigen oefenen een vrij beroep uit, waarvan 16,1% als paramedicus, 16,7% als dokter en 18,7% als advocaat. Niettemin weerspiegelt zich dit niet steeds in de proportie vrouwen in deze beroepen: 62,3% van de paramedici is een vrouw, tegenover 40,2% bij de dokters en 45,3% van de advocaten is een vrouw. In andere vrije beroepen, die minder arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, is de proportie vrouwen hoger: de apothekers (61%), het privé-onderwijs (57%), de journalisten en vertalers (47,3%),… De hogere proportie vrouwen in de diensten wordt vooral verklaard door de vrouwelijke zelfstandigen actief in de schoonheidszorg; 62,4% van de zelfstandigen in hoofdberoep zijn vrouwen.

73

74

Degadt J., 1994, De vrije beroepen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Directie Studiën en Regionale Statistiek, BRES nr. 22, IRIS Uitgaven. In de statistieken van de RSZV omvat de dienstensector de schoonheidszorg (kappers, manicure, pedicure, sauna, …) en diverse manuele beroepen (garagisten, herstellers van radio's en televisies, diverse diensten).

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

62

De studie van Lambrecht et al.75 leert ons dat de structuur van de zelfstandige arbeid sterk varieert naargelang de nationaliteit en de oorspronkelijke nationaliteit: zo zien we dat de vrouwelijke zelfstandigen met een Belgische nationaliteit of diegene van buurlanden hun activiteit vooral in de sector van de vrije beroepen uitoefenen (tussen 44 en 46% van de vrouwen), terwijl vrouwen met een Marokkaanse, Turkse, Italiaanse, Zuid-Europese of andere nationaliteit of origine vooral in de handelssector actief zijn (tussen 41 en 69% van de vrouwen). Wanneer we de sectorale evolutie van de totale zelfstandige arbeid76 in Brussel vergelijken met die op nationaal niveau, dan zien we in de eerste plaats dat de zelfstandige werkgelegenheid in de andere twee gewesten over het algemeen meer groeit (+10% in België) dan in Brussel (+2,2%). Behalve voor de handelssector, die een nagenoeg gelijklopende evolutie kent (tussen 17 en 18%), zijn de sectorale verschillen van deze evolutie duidelijk: zowel de nijverheids- als de dienstensector kennen een sterke terugval in Brussel (respectievelijk 26,4% tegen -1,3% in België en -20% tegen een stijging van 21,8% op nationaal niveau). De sector van de vrije beroepen in Brussel groeit in verhouding minder sterk (+23,1%) dan over het hele land beschouwd (+40,6%). In dit verband dient het fenomeen van de perifere deconcentratie van de vrije beroepen te worden aangehaald: de demografische evolutie in de periferie, die ook nieuwe behoeften meebrengt, kan de recente ontwikkeling van de vrije beroepen deels verklaren. In de onderstaande tabel wordt de sectorale evolutie van de zelfstandige arbeid vanuit een genderperspectief belicht. Behalve voor de handelssector, waar de groei vooral betrekking heeft op mannen (+23% tegen slechts +3,7% voor de vrouwen) lijkt de evolutie steeds gunstiger (of minder ongunstig) voor de vrouwen. Zo is de groei van de sector van de vrije beroepen in de eerste plaats toe te schrijven aan de vrouwen (+38,9% tegen +14,5% voor de mannen) en treft de terugval van de nijverheidssector minder vrouwen (-20,6%) dan mannen (-27,3%). Hetzelfde geldt voor de dienstensector.

Tabel 36: Sectorale evolutie van de zelfstandige arbeid volgens gender (in %) (1992-2002) 1992-1997

1997-2002

1992-2002

Vrouwen

Mannen

Vrouwen

Mannen

Vrouwen

Mannen

-6,0 4,4 19,9 -10,8 -77,1

-13,2 13,7 4,3 -9,7 -76,4

-15,5 -0,7 15,8 -7,7 -55,8

-16,3 8,3 9,8 -13,1 -55,0

-20,6 3,7 38,9 -17,7 -89,9

-27,3 23,0 14,5 -21,5 -89,4

4,6

-0,8

3,2

0,8

8,0

-0,1

Industrie en ambachten Handel Vrije beroepen Diensten Diverse

12,6 11,9 43,3 10,7 -75,0

1,6 20,4 14,8 25,1 -76,8

3,4 -1,7 19,9 4,2 -48,6

-5,2 1,8 9,9 1,2 -40,1

16,4 10,0 71,9 15,4 -87,2

-3,7 22,6 26,1 26,5 -86,1

Totaal België

14,8

7,4

4,4

-0,4

19,8

6,9

Brussels Gewest Industrie en ambachten Handel Vrije beroepen Diensten Diverse Totaal BHG België

Bron:

RSVZ, berekeningen Observatorium

Op Belgisch niveau zien we andere evoluties tussen vrouwen en mannen: de handels- en dienstensectoren laten een groter groeipercentage optekenen voor de mannen, terwijl de nijverheidssector en de vrije beroepen hogere groeicijfers voor de vrouwen aantonen. Daar waar de vrouwelijke zelfstandige activiteit in de sector van de vrije beroepen in het hele land met 71,9% is gestegen, bedraagt deze groei in Brussel 38,9%. De proportie vrouwen in deze sector is in Brussel niettemin hoger gebleven dan op Belgisch niveau. 75

76

Lambrecht H., Verhoeven H. en A. Martens, 1999, Ondernemende allochtonen … of allochtone ondernemers? Ondernemers! Een kwantitatief en kwalitatief verkennend onderzoek naar allochtone ondernemers in Vlaanderen, VIONA arbeidsprogramma 1999, KUL. De publicatie van het RSVZ laat niet toe om de sectorale evolutie van de zelfstandige arbeid in hoofdberoep te schetsen.

Interne werkgelegenheid

63

Met 39% in het BHG en 72% in België zijn het de vrije beroepen die voor de vrouwen de hoogste groeicijfers laten optekenen. Twee mogelijke verklaringen kunnen hier naar voren geschoven worden. Enerzijds is er de sterke stijging van het aantal vrouwen met een universitair diploma, en meer specifiek in de medische beroepen, het recht,… Anderzijds kunnen we de verschillende obstakels waarmee men bij een vestiging als zelfstandige te maken krijgt niet uit het oog verliezen, zoals bijvoorbeeld financiële belemmeringen (een lening aanvragen bij een bank), die voor vrouwen blijkbaar zwaarder doorwegen dan voor mannen. Bij afwezigheid van beschikbare gegevens, kunnen we veronderstellen dat de obstakels om zich als zelfstandige in een vrij beroep te vestigen mogelijk minder groot zijn.

4.2.3.

Leeftijdsklasse

In 2002 is de indeling van de zelfstandigen in hoofdberoep volgens leeftijdsklasse in Brussel en over het hele land bijna identiek: ongeveer een vierde is jonger dan 35 jaar (respectievelijk 26,4% en 23,5%). 16,2% van de Brusselse zelfstandigen en 16,5% van de Belgische is ouder dan 55 jaar. De meerderheid is tussen de 35 en de 54 jaar oud (respectievelijk 57,3% en 60%). De gegevens van het RSVZ, vanaf 1997, maken het mogelijk om de leeftijd van de zelfstandigen te analyseren vanuit een genderperspectief. Zowel in Brussel als in het hele land is het relatieve aandeel van de vrouwen omgekeerd evenredig met de leeftijd: hoe jonger, hoe meer vrouwen als zelfstandige werken. 35,7% van de Brusselse zelfstandigen tussen 25 en 29 jaar is een vrouw, in de leeftijdsklasse van de 40-44-jarigen is dit 26,9%. Deze tendens heeft zich tussen 1997 en 2002 zowel in Brussel als in België lichtjes versterkt en is het meest uitgesproken op nationaal niveau.

Tabel 37: Evolutie van de zelfstandige arbeid volgens leeftijdsklasse en gender (in %) (1997-2002) 2002

Vrouwen Brussels Gewest < 25 jaar 25-29 jaar 30-34 jaar 35-39 jaar 40-44 jaar 45-49 jaar 50-54 jaar 55-59 jaar 60 en +

499 796 057 153 149 134 962 580 743

3 5 5 5 5 4 3 2

Evolutie 1997-2002

%V

Vrouwen

Mannen

Totaal

959 229 238 854 840 123 651 737 408

34,2 35,7 28,2 26,9 26,9 29,4 29,7 29,7 23,6

-15,4 -8,6 -11,8 -9,5 -5,2 -2,0 4,6 33,0 725,6

-18,8 -16,6 -10,2 -2,9 5,0 -0,6 7,5 16,4 19,9

-17,7 -13,9 -10,7 -4,7 2,1 -1,0 6,6 20,9 50,3

Totaal BHG

15 073

37 039

28,9

1,4

-0,4

0,1

België < 25 jaar 25-29 jaar 30-34 jaar 35-39 jaar 40-44 jaar 45-49 jaar 50-54 jaar 55-59 jaar 60 en +

6 16 24 28 28 25 21 17 8

10 28 48 63 66 59 52 43 26

489 736 875 908 806 693 168 743 509

38,1 36,6 33,2 30,8 30,2 29,7 29,1 28,0 23,6

-33,8 -26,5 -11,1 -1,8 9,7 5,4 8,5 28,2 572,0

-36,6 -29,2 -19,0 -4,9 7,1 4,6 7,3 15,9 -6,9

-35,5 -28,2 -16,6 -3,9 7,9 4,9 7,7 19,1 16,9

400 927

30,6

1,9

-4,3

-2,5

Totaal België Bron:

1 2 2 2 2 1 1

Mannen

454 589 321 442 936 206 393 015 198

176 554

RSVZ, berekeningen Observatorium

De vergelijking van de groeipercentages volgens gender en leeftijdsklasse toont aan dat het aantal jonge zelfstandigen in hoofdberoep (jonger dan 35 jaar) daalt. Deze tendens is minder duidelijk in Brussel dan over het hele land beschouwd en lijkt zowel in Brussel als op nationaal niveau meer mannen dan vrouwen te treffen. Anderzijds zien we dat het aantal vrouwelijke zelfstandigen ouder dan 55 jaar zowel in Brussel als in heel België heel sterk gestegen is.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

64

4.2.4.

Inkomensklasse

De volgende grafiek geeft een overzicht van het inkomen van de zelfstandigen in hoofdberoep. Uit een vergelijking van de inkomensklassen in Brussel en op nationaal niveau blijkt een duidelijk onderscheid tussen vrouwen en mannen: hoe hoger de inkomensklasse, hoe minder vrouwen.

Grafiek 15: Inkomen van de zelfstandigen volgens gender (1.000 euro/jaar) - 2002 a) Vrouwen

b) Mannen

3.000

3.000

2.500

2.500

2.000

2.000

1.500

1.500

1.000

1.000

500

500

0

0

Bron:

RSVZ, berekeningen Observatorium

4.2.5.

Stopzetting en opstarting van activiteiten

In het jaar 2002 werden in het BHG 5.789 zelfstandige activiteiten opgestart (waarvan 79,2% als hoofdactiviteit) en werden 3.380 activiteiten stopgezet (waarvan 75,5% hoofdactiviteiten). 33,2% van de stopgezette activiteiten en 32,3% van de opgestarte activiteiten betreffen vrouwen. Verder noteren we dat de gedifferentieerde verhouding "opstarting/stopzetting": 1,66 voor de vrouwen en 1,73 voor de mannen.

Tabel 38: Stopzetting en opstarting van activiteiten in Brussel volgens gender - 2002 Stopzettingen Hoofdberoep Bijberoep Activiteit na pensioen(leeftijd) Totaal Bron:

%

% vrouwen

Opstartingen

%

% vrouwen

2 519 583 278

74,5 17,2 8,2

32,4 41,3 24,1

4 587 1 146 56

79,2 19,8 1,0

30,5 39,5 28,6

3 380

100

33,2

5 789

100

32,3

RSVZ, berekeningen Observatorium

De opstarting en stopzetting van activiteiten concentreert zich voornamelijk in drie activiteitensectoren: de handel (49,3% van de stopzettingen en 54,1% van de opstartingen), de vrije beroepen (29,6% van de stopzettingen en 29,5% van de opstartingen) en de sector van de nijverheid en de ambachten (15,1% van de stopzettingen en 10,4% van de opstartingen). Het aandeel van de vrouwen in de opstarting en stopzetting van activiteiten varieert naargelang de betrokken activiteitensector: zij vertegenwoordigen respectievelijk 49,8% van de stopzettingen en 47,8% van de opstartingen in de sector van de vrije beroepen; in de dienstensector is dit respectievelijk 39,8% en 39,9%, in de handelssector gaat het om respectievelijk 27,8% en 26,5%.

Interne werkgelegenheid

65

Tabel 39: Stopzettting en opstarting van activiteiten in Brussel volgens sector en gender - 2002 Stopzettingen

AW

% totaal

Opstartingen

% vrouwen

AW

% totaal

% vrouwen

Landbouw en visvangst Industrie en ambachten Handel Vrije beroepen Diensten Diverse

25 509 1 665 1 001 171 9

0,7 15,1 49,3 29,6 5,1 0,3

48,0 15,9 27,8 49,8 39,8 11,1

33 603 3 131 1 710 311 1

0,6 10,4 54,1 29,5 5,4 0,0

33,3 14,4 26,5 47,8 39,9 0,0

Totaal

3 380

100

33,2

5 789

100

32,3

Bron:

RSVZ, berekeningen Observatorium

De onderstaande tabel verdeelt de opstarting en stopzetting van activiteiten volgens gender en leeftijd. Bij de stopzetting van activiteiten zien we een sterke aanwezigheid van vrouwen in de leeftijdsklassen van minder dan 25 jaar (39,9%) en 25-30 jaar (42%). Wat de opstarting van activiteiten betreft, onthouden we dat de vrouwen het sterkst vertegenwoordigd zijn in de leeftijdsklassen minder dan 25 jaar (35,6%) en 55-60 jaar (42,4%)

Tabel 40: Stopzetting en opstarting van activiteiten in Brussel volgens leeftijd en gender - 2002 Stopzettingen

AW < 25 jaar 25 - 30 jaar 30 - 35 jaar 35 - 40 jaar 40 - 45 jaar 45 - 50 jaar 50 - 55 jaar 55 - 60 jaar 60 en + Totaal Bron:

4.2.6.

% totaal

Opstartingen

% vrouwen

AW

% totaal

% vrouwen

153 552 607 488 346 283 263 213 475

4,5 16,3 18,0 14,4 10,2 8,4 7,8 6,3 14,1

39,9 42,0 36,6 30,3 32,4 30,7 32,3 33,3 22,1

716 1 465 1 241 860 647 370 252 139 99

12,4 25,3 21,4 14,9 11,2 6,4 4,4 2,4 1,7

35,6 35,2 29,7 29,1 29,7 32,4 33,7 42,4 23,2

3 380

100

33,2

5 789

100

32,3

RSVZ, berekeningen Observatorium

Ruimtelijke spreiding

Daar waar vrouwen gemiddeld 29,5% van de zelfstandige arbeid vertegenwoordigen, varieert dit cijfer tussen de gemeenten van 24,8% (Anderlecht) tot 33,7% (Watermaal-Bosvoorde). De lezer vindt een meer gedetailleerde tabel in bijlage. In de gemeenten in het zuidoosten van Brussel (Watermaal-Bosvoorde, Sint-Pieters-Woluwe, Sint-LambrechtsWoluwe, Oudergem, Ukkel en Elsene), evenals in Etterbeek en Vorst, maken de vrouwen meer dan 30% van de zelfstandige arbeid uit. Dit zijn de gemeenten waar de vrije beroepen het best ontwikkeld zijn.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

66

4.3. Uitzendarbeid Uitzendarbeid vormt één van de meest flexibele vormen van arbeid in loondienst. De recente ontwikkeling van de uitzendarbeid past binnen een geheel van diepgaande transformaties op de arbeidsmarkt. Hoewel uitzendarbeid, in theorie, wordt voorgesteld als een overgang naar een stabielere arbeidsvorm, is de realiteit van de uitzendarbeid vaak anders: een woekering van atypische arbeidsvormen voor een bepaald segment van de beroepsbevolking. In welke mate zijn vrouwen aanwezig in dit type van werkgelegenheid77 ? Drie statistische bronnen geven een zicht op de uitzendarbeid in België: de RSZ, de Enquêtes naar de Arbeidskrachten (NIS-EAK) en de gegevens van FEDERGON. We herinneren eraan dat de gegevens van de RSZ naast de uitzendkrachten ook de personeelsleden van de uitzendkantoren omvatten. Het gaat hierbij om de gegevens op 30 juni. De gegevens van FEDERGON en van de RSZ hebben betrekking op de uitzendarbeid die in Brussel wordt verricht, ongeacht of dit door Brusselaars gebeurt. De gegevens van de EAK verstrekken van hun kant informatie over de Brusselse werknemers die als uitzendkracht werken (in Brussel of elders). Op basis van de gegevens van de RSZ werkten op 30 juni 2002, 11.094 uitzendkrachten in Brussel en 108.101 in heel België: zij zouden respectievelijk 1,8% en 3,1% van de bezoldigde arbeid vertegenwoordigen. Volgens de gegevens van de EAK waren in 2002, 3.415 Brusselse uitzendkrachten actief en 47.533 in het hele land, wat respectievelijk een aandeel van 1,1% en 1,4% van de totale arbeid in loondienst zou betekenen.

Tabel 41: Uitzendarbeid volgens gender - 2002 Brussels Gewest

Uitzend

Tot. loontr.

België

% U/L

Uitzend

Tot. loontr.

% U/L

RSZ Vrouwen Mannen Totaal

5 861 5 233 11 094

275 033 327 538 602 571

2,1 1,6 1,8

43 201 64 900 108 101

1 539 122 1 954 046 3 493 168

2,8 3,3 3,1

1 463 1 952 3 415

139 521 158 747 298 268

1,0 1,2 1,1

21 421 26 112 47 533

1 507 506 1 935 843 3 443 349

1,4 1,3 1,4

EAK Vrouwen Mannen Totaal

% U/L: de proportie uitzendkrachten ten opzichte van het totaal aantal loontrekkenden Bron:

RSZ, NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Volgens de gegevens van de RSZ verschilt de verdeling volgens gender in Brussel lichtjes van die in het hele land. Over heel België beschouwd zijn vrouwen goed voor 40% van de uitzendbanen, een cijfer dat de laatste 10 jaar zo goed als onveranderd is gebleven. In Brussel nemen vrouwen meer dan 50% van de uitzendbanen in: 55% in 1992, 52% in 1997 en 53% in 2002. De gegevens van de Enquêtes naar de Arbeidskrachten leveren duidelijk verschillende resultaten op: in 2002 zouden de vrouwen in heel België 45% van het totale aantal uitzendkrachten vertegenwoordigen, tegenover 43% in Brussel. Nog andere gegevens, die door IDEA CONSULT78 op vraag van FEDERGON werden verzameld, zouden de indeling van de EAK bevestigen: in 2002 zou de indeling van de uitzendkrachten volgens gender, met 44% vrouwen, in Brussel en in heel België identiek zijn.

77

78

Broze L., Gavray C. en C. Ruyters, 2000, Dualisme, mobilité et déterminants familiaux: une analyse des transitions sur le marché du travail, 14de Congres van Belgische Franstalige Economisten, Commissie 1, CIFOP, p.125-147. IDEA CONSULT, 2003, Uitzendkrachten in 2001: profiel- en tewerkstellingskenmerken. De analyse van IDEA CONSULT is gebaseerd op twee bronnen: enerzijds een administratief bestand van het Sociaal Fonds voor de Uitzendkrachten (376.718 personen in 2001) en anderzijds een enquête die in juni 2002 per telefoon werd afgenomen bij een representatieve steekproef van uitzendkrachten (1.503 individuen).

Interne werkgelegenheid

67

De overwaardering van het aantal vrouwen in de uitzendarbeid door de RSZ is wellicht te verklaren doordat deze gegevens geen onderscheid maken tussen de uitzendbanen en de, vooral vrouwelijke werkgelegenheid, in de uitzendkantoren zelf. Op basis van een enquête uitgevoerd in 2002 bij de uitzendkrachten79 kunnen we veronderstellen dat 46,6% van de Brusselse uitzendkrachten slechts één opdracht heeft uitgevoerd in 2001 (50% in België) en 78,6% van de Brusselse uitzendkrachten heeft maximum drie verschillende opdrachten uitgevoerd gedurende het jaar (83% voor België). Deze gegevens kunnen echter niet volgens gender opgesplitst worden. Een derde van de opdrachten duurt minder dan een maand en twee derde minder dan 4 maanden. Hier merken we weinig verschillen tussen de gewesten en de gegevens volgens gender ontbreken opnieuw. De indeling van de uitzendarbeid volgens het beroepsstatuut (handen- / intellectuele arbeid) verschilt sterk tussen Brussel en België in zijn geheel. We herinneren eraan dat uitzendarbeid op nationaal niveau vooral handenarbeid betreft (66% in 2002), terwijl het in Brussel hoofdzakelijk over geestelijke arbeid gaat (71% in 2002). In 2002 werd handenarbeid in uitzendverband in Brussel voor 24,5% door vrouwen uitgevoerd. Deze indeling ligt zeer dicht bij die op landelijk niveau. Intellectuele interimarbeid daarentegen werd in Brussel in 2002 voor 64,5% door vrouwen verricht en voor 35,5% door mannen. Over heel België beschouwd was dit respectievelijk 67,5% en 32,5%.

Tabel 42: Uitzendarbeid in de drie gewesten volgens beroepsstatuut en gender - 2002 Handenarbeid Brussels Gewest

V M T

%V Vlaams Gewest

V M T

%V Waals Gewest

België

Hoofdarbeid 5 066 2 788 7 854

24,5

64,5

14 000 37 723 51 723

14 445 6 926 21 371

% hoofdarbeid 86,4 53,3 70,8 50,8 15,5 29,2

27,1

67,6 5 586 2 386 7 972 70,1

62,8 15,9 33,3

%V

3 309 12 632 15 941 20,8

V M T

18 104 52 800 70 904

25 097 12 100 37 197

58,1 18,6 34,4

25,5

67,5

V M T

%V Bron:

795 2 445 3 240

RSVZ, berekeningen Observatorium

Zoals we reeds gezien hebben, is de verdeling van de uitzendarbeid volgens gender en beroepsstatuut zeer verschillend van de indeling van de volledige bezoldigde arbeid. Zo vertegenwoordigen vrouwen 48,9% van de intellectuele en 31,9% van de handenarbeid in loondienst. De onderstaande tabel geeft de evolutie van de interimarbeid volgens gender in het BHG weer. Over een periode van tien jaar registreren we een globale groei van 5%: het aantal uitzendkrachten daalt tot in 1994, evolueert positief tussen 1994 en 1999 en neemt gevoelig af sinds 1999.

79

IDEA CONSULT, 2003.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

68

Op Belgisch niveau heeft de uitzendarbeid in tien jaar tijd globaal gezien met een groei van 65,7% een belangrijkere evolutie gekend. We zien een sterke groei tot in 1997 (+50,4%) en een vertraging van de groei tussen 1997 en 2002 (+10,1%): deze bewegingen zijn vergelijkbaar bij de mannen en de vrouwen. De "intellectuele" uitzendarbeid is sterker gegroeid (+76%) dan de "handenarbeid" door uitzendkrachten (+61%). De grootste groei betreft de intellectuele arbeid door mannelijke uitzendkrachten (+95,1%).

Tabel 43: Evolutie van de uitzendarbeid volgens beroepsstatuut en gender (in %) (1992-2002) Vrouwen

Handenarb.

Hoofdarbeid

-9,3 4,3 -5,4

3,8 -2,6 1,1

63,0 0,4 63,7

42,7 18,2 68,6

Mannen

Totaal

Totaal

Handenarb.

Hoofdarbeid

Totaal

1,9 -1,7 0,2

5,5 -13,7 -8,9

33,8 2,9 37,7

17,7 -5,6 11,1

9,0 -3,6 5,1

51,3 10,0 66,5

46,4 8,9 59,5

67,9 16,2 95,1

49,8 10,2 65,1

50,4 10,1 65,7

Brussels Gewest 1992-1997 1997-2002 1992-2002 België 1992-1997 1997-2002 1992-2002 Bron:

RSZ, berekeningen Observatorium

In Brussel zien we een zwakke groei van de uitzendarbeid tot in 1997 (+9%) en een lichte inkrimping tussen 1997 en 2002 (-3,6%). Deze bewegingen zijn niet identiek voor de mannen en de vrouwen, noch voor de handen- en de hoofdarbeid. In werkelijkheid is de uitzendarbeid bij vrouwen in 10 jaar tijd kwantitatief nauwelijks geëvolueerd (0,2%), terwijl we bij de mannen een stijging van 11,1% registreren. De "intellectuele" uitzendarbeid heeft een gunstige evolutie gekend (+12%), terwijl de "manuele" uitzendarbeid gevoelig is gedaald (-8%). De hoofdarbeid door mannelijke uitzendkrachten neemt het sterkst toe (+37,7%), maar dit type van uitzendarbeid blijft hoofdzakelijk vrouwelijk.

Grafiek 16: Evolutie van de uitzendarbeid in het BHG volgens gender (1992-2002) 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 1992

1993

1994

1995

1996

1997

Vro uwen

Bron:

RSZ, berekeningen Observatorium

1998 M annen

1999

2000

2001

2002

Interne werkgelegenheid

69

4.4. Pendelverkeer De analyse van het pendelverkeer kadert eveneens binnen een analyse van de vormen van flexibiliteit op de arbeidsmarkt. Deze flexibiliteit legt werknemers een toegenomen mobiliteit op en zet sommige werknemers aan om in een ander gewest te gaan werken dan dat van de woonplaats (uitgaand pendelverkeer). In het Brussels Gewest verbergt deze mobiliteit nog een andere problematiek: de stijgende druk op de Brusselse werknemers door Vlaamse en Waalse werknemers die in Brussel komen werken (inkomende pendel). In 2002 zijn de Brusselse arbeidsplaatsen slechts voor 46% door Brusselaars ingenomen. 35% van de betrekkingen wordt ingevuld door Vlamingen en 19% door Walen80. Daarentegen wordt de werkgelegenheid in Vlaanderen voor 97% door Vlamingen ingenomen en die in Wallonië voor 96% door Walen. Toch zien we dat het pendelverkeer naar Brussel sinds 1999 is afgenomen. Daar waar de pendelgraad in 1999 nog 56% bedroeg, is dit cijfer in 2002 gedaald tot 54,2%. Deze daling is te verklaren door een vermindering van bijna 16.000 pendelaars uit Vlaanderen, een stagnatie van het aantal Waalse pendelaars en een stijging van het aantal Brusselaars dat in Brussel is tewerkgesteld81. De onderstaande tabel geeft een zicht op de intergewestelijke mobiliteit van de Belgische arbeidskrachten. Uit de tabel blijkt dat de proportie vrouwen die in het zelfde gewest als de woonplaats werken hoger is dan de proportie mannen. Bijgevolg is de proportie pendelaars dan ook duidelijk hoger bij de mannelijke werknemers. Ongeveer een vijfde van de Brusselse en Waalse mannen werkt in een ander gewest tegenover slechts 10,2% van de Brusselse vrouwen en 14,1% van de Waalse vrouwen. In het Vlaams gewest is de proportie uitgaande pendelaars bijna identiek voor de vrouwen als voor de mannen. De schijnbaar lagere mobiliteit van de Brusselse vrouwen moet gerelativeerd worden door het type van activiteitensectoren buiten Brussel waar men Brusselse werknemers vindt.

Tabel 44: Intergewestelijke arbeidskrachten en pendelaars - 2002 Intragewestelijke werknemers

AW

%

Pendelaars

AW

Totaal

%

AW

%

Brussels Gewest Vrouwen Mannen Totaal

141 432 156 771 298 202

89,8 80,2 84,5

15 981 38 748 54 731

10,2 19,8 15,5

157 413 195 519 352 933

100 100 100

955 687 1 262 945 2 218 632

88,8 87,7 88,3

120 516 177 027 294 543

11,2 12,3 11,7

1 076 203 1 439 972 2 513 175

100 100 100

426 852 565 081 991 933

85,9 80,3 82,6

70 188 138 604 208 791

14,1 19,7 17,4

497 040 703 685 1 200 724

100 100 100

Vlaams Gewest Vrouwen Mannen Totaal Waals Gewest Vrouwen Mannen Totaal Bron:

80

81

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Van de 100 arbeidsplaatsen ingenomen door vrouwen, zijn er 50 ingenomen door Brusselaars, 34 door inwoners van het Vlaams Gewest en 16 door inwoners van het Waals Gewest. Van de 100 arbeidsplaatsen ingenomen door mannen zijn er 43 Brusselaars, 36 Vlamingen en 21 Walen. Lees in dit verband: Brussels Observatorium van de Arbeidsmarkt en de Kwalificaties, 2003, Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt: tussen dynamisme en dualiteit, November 2003, Brussel, p18.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

70

4.4.1.

Inkomend pendelverkeer

In de volgende tabel bekijken we de interne Brusselse werkgelegenheid volgens woonplaats vanuit een genderperspectief. We stellen vast dat de interne werkgelegenheid ingenomen door Brusselaars vrouwelijker is (47,4%) dan de arbeidsplaatsen ingenomen door pendelaars (40,6%). Niet alleen zijn vrouwen kwantitatief gezien minder vertegenwoordigd in de pendel, Broze et al.82 wezen bovendien reeds op de genderverschillen in transportmiddelen voor het woon-werkverkeer: heel wat vrouwen maken gebruik van het openbaar vervoer, rijden met iemand mee als passagier of combineren vaak verscheidene vervoermiddelen (wat het meeste tijd vergt), terwijl mannen meestal met de eigen wagen gaan werken.

Tabel 45: Interne Brusselse werkgelegenheid volgens woonplaats en gender - 2002 Vrouwen Brussels Gewest Pendelaars Vlaams Gewest Waals Gewest Totaal

% pendelaars Bron:

Mannen

141 432 144 142 98 107 46 035

156 771 210 518 132 108 78 410

285 574

367 289

50,5

Totaal

% Vrouwen

298 354 230 124

47,4 40,6 42,6 37,0 43,7

203 660 215 445

652 863

57,3

54,3

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Zo'n 7% van de vrouwen die naar het Brussels Gewest pendelen is jonger dan 25 jaar, 16% is ouder dan 50 jaar. Bij de mannen zijn de 50-plussers iets beter vertegenwoordigt (20,4%). Uit tabel 46 blijkt de omgekeerd evenredige relatie tussen de leeftijd en de proportie vrouwen bij de inkomende pendelaars. Terwijl 44,8% van de pendelaars jonger dan 25 jaar een vrouw is, bedraagt hun aandeel bij de pendelaars ouder dan 50 jaar nog 35,1%. Deze hogere proportie vrouwen bij de jongeren kan verklaard enerzijds verklaard worden door hun hoger opleidingsniveau. De Brusselse economie vraagt immers steeds hoger geschoolde werknemers en deze zijn bereid om langere afstanden af te leggen. Anderzijds willen we ook wijzen op het feit dat deze jonge vrouwen vaak geen of een beperkte gezinslast hebben. Pendelen is immers niet steeds compatibel met de "gezinsuren", waardoor vrouwen met (meerdere) kinderen kunnen opteren voor een arbeidsplaats dichter bij de woonplaats of een grotere inbreng van de partner verlangd worden. Beck herinnert eraan dat "het onmogelijk is om gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bereiken in institutionele structuren die de ongelijkheid tussen man en vrouw vooronderstellen83".

Tabel 46: Inkomend pendelverkeer volgens leeftijd en gender - 2002 2002

< 25 jaar

25-49 jaar

Vrouwen Mannen Totaal

10 408 12 845 23 253

110 450 154 712 265 162

% vrouwen

44,8

Bron:

41,7

Evolutie 1992-2002

50 en + 23 284 42 960 66 244

35,1

Totaal

< 25 jaar

25-49 jaar

50 en +

Totaal

144 142 210 517 354 659

-26,9 -24,6 -25,6

10,6 7,9 1,9

152,6 13,7 41,3

16,9 6,2 4,8

40,6

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Ten opzichte van 1992 stellen we een toename van 5% van het aantal inwoners uit Vlaanderen en Wallonië die in Brussel werken vast: 6% voor de mannen en 17% voor de vrouwen. De toename varieert volgens de leeftijd: het aantal jonge pendelaars is sinds 1992 met 26% gedaald, terwijl het aantal pendelaars ouder dan 50 jaar met 41% is gestegen. Net zoals bij het uitgaand pendelverkeer is het aantal pendelende vrouwen ouder dan 50 jaar

82

83

Broze L., Steinauer M. en I. Thomas, 1999, Discrimination spatiale des femmes et ségrégation sur le marché du travail: l'exemple de Bruxelles, Universiteit van Rijsel (GREMARS) en UCL (CORE- Departement Geografie). Beck U., 2001,The risk society. Towards a new modernity, Sage Publications , Londen, p.244.

Interne werkgelegenheid

71

in 10 jaar tijd sterk gestegen: +153%. Deze opvallende stijging wordt verklaard door de belangrijke stijging van de vrouwelijke werkende bevolking in deze leeftijdsklasse (zie hoofdstuk 5). Deze relatieve toename van het aantal vrouwelijke pendelaars gaat samen met de ontwikkeling van de werkgelegenheid in de tertiaire sector, en meer specifiek bij de overheidsdiensten, het onderwijs, gezondheidszorg en sociale dienstverlening. De meeste vrouwelijke Vlaamse en Waalse pendelaars in Brussel zijn immers actief in de tertiaire sector84, en meer specifiek in de overheidsdiensten, waar 20,3% van de Vlaamse en 22,1% van de Waalse vrouwen werken. De sector van de financiële instellingen is zowel voor de Vlaamse als de Waalse vrouwen de tweede belangrijkste sector van tewerkstelling in Brussel. 12,5% van de Vlaamse vrouwen en 10,1% van de Waalse vrouwen werken respectievelijk in de diensten aan bedrijven en het onderwijs. Voor de Vlaamse en Waalse mannen stellen we vast dat dezelfde Brusselse sectoren een belangrijke aantrekkingskracht uitoefenen. Ook de sector van het vervoer en de communicatie, een typische "mannelijke" sector vormt een belangrijke bron van tewerkstelling voor de mannelijke pendelaars. In de volgende tabel zien we welke concurrentiedruk het inkomend pendelverkeer op de Brusselse werknemers en werkneemsters uitoefent. Wie wordt het meest onder druk gezet door de pendelaars, de mannen of de vrouwen? Hoewel de concurrentiedruk veroorzaakt door de pendel ook tussen vrouwen en mannen speelt, is het ook interessant om dit vanuit een genderperspectief te bestuderen in die zin dat bepaalde sectoren eerder vrouwelijk en andere eerder mannelijk zijn. Op het eerste gezicht lijkt het dat de Brusselse mannen de gevolgen van het pendelverkeer sterker voelen dan de vrouwen. In de sector gezondheidszorg en sociale dienstverlening, waar het personeelsbestand voor 74,5% uit vrouwen bestaat, woont 60,8% van deze vrouwen in Brussel. Hetzelfde geldt voor de onderwijssector, waar 62% van de loontrekkenden vrouw zijn: 57,2% woont in Brussel. We stellen dus vast dat de Brusselse vrouwen in deze hoofdzakelijk "vrouwelijke" sectoren in de meerderheid zijn. Deze relatief beperkte concurrentiedruk moet echter in relatie gebracht worden met de (negatieve) waardering van deze activiteiten ten opzichte van de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden binnen deze sectoren. Wanneer we omgekeerd bijvoorbeeld de vervoer- en communicatiesector onder de loep nemen, stellen we vast dat slechts 31,7% van de mannelijke werknemers in Brussel woont. 72,3% van de werknemers in deze sector zijn mannen. Ook in de industrie (met een proportie van 75,3% mannelijke werknemers), is slechts 34,9% van de mannelijke personeelsleden in Brussel gehuisvest. Anderzijds is de proportie Brusselse vrouwen bij de vrouwelijke werknemers ook beperkt. De bouwsector lijkt een uitzondering te zijn. In deze hoofdzakelijk mannelijke sector (93,1% mannen) blijven de Brusselse mannen ten opzichte van de pendelaars in de meerderheid (58% van de mannen in deze sector zijn Brusselaars). In de "gemengde" activiteitensectoren, waar het aandeel van de vrouwen ongeveer gelijk is aan het gemiddelde percentage vrouwen in loondienst (45,6%), lijkt de concurrentiedruk van de pendelaars ongeveer even groot voor de Brusselse mannen als vrouwen, of iets minder ongunstig voor deze laatsten. In de sector van de diensten aan ondernemingen (waaronder de schoonmaak) bijvoorbeeld, bestaat 48,8% van de personeelsleden uit vrouwen en woont 56,2% van deze vrouwen in Brussel, tegenover 52,7% van de mannen. Hetzelfde geldt voor de handelssector, die 43,8% vrouwelijke werknemers telt: 57% van de vrouwen en 50,1% van de mannen zijn Brusselaars.

84

De lezer vindt een meer gedetailleerde tabel in bijlage.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

72

Tabel 47: Brusselse interne werkgelegenheid volgens woonplaats, sector en gender - 2002 Vrouwen

BHG Primaire sector

Bron:

4.4.2.

.

VG

Mannen

WG

.

BHG

.

VG

WG

%V

36,9

50,1

13,0

14,8

Secundaire sector Winning van delfstoffen Industrie Electriciteit, gas en water Bouw Tertiaire sector Handel Hotels en restaurants Vervoer en communicatie Financiële instellingen Diensten aan bedrijven Overheidsdiensten Onderwijs Gezondheidszorg en soc. Dienstverlening Gemeenschapsvoorzieningen

42,8 100 42,2 9,4 70,2 50,0 57,0 73,5 31,8 29,6 56,2 40,3 57,2 60,8

36,5 0,0 36,2 50,2 29,8 34,2 31,5 18,2 46,0 46,9 32,1 39,5 26,7 25,5

20,8 0,0 21,6 40,4 0,0 15,8 11,5 8,3 22,2 23,5 11,8 20,2 16,1 13,7

41,1 0,0 34,9 20,6 58,1 43,0 50,1 76,1 31,7 23,7 52,7 32,9 53,9 58,9

34,3 0,0 39,2 48,9 21,8 36,3 32,2 15,3 41,7 53,1 30,8 42,4 25,6 21,3

24,6 100 25,9 30,5 20,2 20,7 17,7 8,6 26,6 23,2 16,5 24,7 20,5 19,8

19,8 34,0 24,7 22,5 6,9 48,7 43,8 41,6 27,7 44,7 48,8 45,4 61,9 74,5

47,4

41,6

11,1

48,1

33,4

18,4

47,7

Totaal

49,5

34,4

16,1

42,7

36,0

21,3

45,6

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Uitgaand pendelverkeer

Zoals reeds werd gezegd werken bijna 9 op de 10 Brusselse vrouwen in het Brussels Gewest. Onder de uitgaande pendelaars tellen we 29,2% vrouwen, deze proportie is lager dan het aandeel van de vrouwen in de binnenkomende pendel. Meer dan drie vierde van de vrouwelijke pendelaars is tewerkgesteld in Vlaams of Waals Brabant (76,2%), bij de mannen is dit 68,1%. Dit wordt verklaard door de relatief hogere proportie vrouwen die in Vlaams Brabant tewerkgesteld zijn (57,6% t.o.v. 49,9% bij de mannen). Zo'n 18% van de vrouwelijke en mannelijke pendelaars werkt in Waals Brabant. In tegenstelling met de inkomende pendel stellen we niet dezelfde relatie met de leeftijd vast bij de uitgaande pendel. 29,2% van de uitgaande pendelaars zijn vrouwen en deze proportie blijft relatief stabiel in de verschillende leeftijdsklassen. Een mogelijke verklaring kan hier gezocht worden in de socio-demografische samenstelling van het Brussels Gewest. Over een periode van 10 jaar stellen we een toename van 39% vast: 30,2% voor de vrouwen en 47,7% voor de mannen. De toename varieert in functie van de leeftijd: voor de 50plussers is de toename sterker (+52%).

Tabel 48: Uitgaande pendel volgens leeftijd en gender (1992-2002) 2002

< 25 jaar

25-49 jaar

Vrouwen Mannen Totaal

1 210 2 768 3 979

11 908 29 554 41 462

% Vrouwen

30,4

28,7

Bron:

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Evolutie 1992-2002

50 en +

Totaal

< 25 jaar

25-49 jaar

50 en +

Totaal

2 863 6 427 9 290

15 981 38 749 54 731

119,9 -18,9 44,6

49,0 21,5 35,9

24,9 191,3 51,6

47,7 30,2 39,0

30,8

29,2

Interne werkgelegenheid

73

4.5. Knelpuntberoepen vanuit een genderperspectief Zoals blijkt uit dit hoofdstuk is het Brussels Gewest het grootste tewerkstellingsbekken van het land, toch wordt het Gewest geconfronteerd met een hoge werkloosheid. Deze ruime arbeidsreserve betekent echter niet dat de Brusselse bedrijven niet geconfronteerd kunnen worden met aanwervingsproblemen voor bepaalde beroepen. Sinds 1998 stelt het Observatorium een lijst op van knelpuntberoepen85. De werkaanbiedingen die de BGDA voor deze beroepen ontvangt zijn moeilijker in te vullen, waardoor ze een langere looptijd en een lagere invullingsgraad hebben dan het geheel van ontvangen werkaanbiedingen. In 2002 werden 78 knelpuntberoepen vastgesteld. Deze betroffen 30,4% van alle werkaanbiedingen die de BGDA ontving. Slechts een vijfde van de werkzoekende arbeidsreserve86 die in 2002 beschikbaar was op de Brusselse arbeidsmarkt was ingeschreven in een beroepscode van een knelpuntberoep. De oorzaken van de rekruteringsmoeilijkheden mogen echter niet gelijkgesteld worden aan een tekort aan beschikbare kandidaten (kwantitatief tekort). Een discrepantie van het profiel van de werkzoekende en de gestelde eisen door de bedrijven vormen eveneens een verklaring. Ten slotte worden de arbeidsomstandigheden soms als ongunstig ervaren, waardoor de ingeschreven werkzoekenden te kennen geven niet langer in dit beroep of deze sector tewerkgesteld willen zijn. Vaak gaat het om een interactie van deze drie oorzaken. In het kader van deze studie zal de arbeidsreserve voor de knelpuntberoepen van 2002 vanuit een genderperspectief benaderd worden waarbij het accent zal liggen op de proportie vrouwen ingeschreven in een knelpuntberoep en de dynamiek van deze (vrouwelijke) werkzoekenden. Uit de analyse van de knelpuntberoepen is reeds gebleken dat de arbeidsreserve voor knelpuntberoepen een hogere rotatie kent. Enerzijds kent deze arbeidsreserve een hogere proportie aan werkzoekenden die zich gedurende het jaar komen inschrijven en anderzijds verlaten relatief meer werkzoekenden de werkloosheid. De volgende tabel geeft een overzicht van de knelpuntberoepen volgens beroepscategorie en de beschikbare (vrouwelijke) arbeidsreserve in het jaar 2002. Daarnaast wordt de dynamiek van de vrouwelijke en mannelijke arbeidsreserve weergegeven door middel van de proportie nieuw ingeschreven werkzoekenden in de arbeidsreserve en de uitstroom uit deze arbeidsreserve.

Tabel 49: Vrouwelijke arbeidsreserve voor de knelpuntberoepen - 2002

Diensten aan personen Onderwijzend personeel Beroepen in de med., soc. en hulpverlenende sector Administratieve beroepen Commerciële beroepen

Totale arbeidsreserve

% vrouwen

1 399 601 743 6 704 6 241

Divers Kaderfuncties en beroepen in de communicatie Beroepen in het toerisme en de horeca Beroepen in de informatica Technische beroepen Beroepen in transport en logistiek Beroepen in de bouw Totaal knelpuntberoepen

1 2 1 2 2

Vrouwen

Mannen

% nieuw ingeschreven

% niet meer ingeschreven

% nieuw ingeschreven

% niet meer ingeschreven

88,3 79,7 79,0 70,7 61,4

46,6 76,0 63,2 49,7 41,2

40,8 68,5 54,3 43,9 38,7

50,9 75,4 55,1 52,6 46,8

42,9 57,4 53,2 44,2 43,5

484

39,5

35,1

26,2

52,6

42,0

490 375 369 788 379 889

38,9 33,9 19,4 2,5 2,5 0,3

59,7 46,1 53,8 54,9 36,7 66,7

57,1 45,1 45,1 33,8 41,7 66,7

58,7 47,2 58,8 49,3 43,6 52,0

50,9 45,1 44,2 43,9 43,7 40,3

27 462

46,8

48,5

43,8

50,0

44,4

Totaal niet-knelpuntberoepen

111 100

48,3

44,4

39,5

45,9

40,9

Totaal alle beroepen

138 562

48,0

45,2

40,3

46,8

41,6

Bron:

BGDA, Observatorium

85

Brussels Observatorium van de Arbeidsmarkt en de Kwalificaties, 2003, Analyse van de knelpuntberoepen in het Brussels

86

De arbeidsreserve is een dynamische manier om de werkzoekenden bij het begin van het jaar en degene die zich in de loop van het jaar komen (her)inschrijven in kaart te brengen. Hierbij worden werkzoekenden die zich meerdere malen per jaar komen inschrijven slechts één maal gerekend tot de arbeidsreserve.

Hoofdstedelijk Gewest in 2002.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

74

In 2002 maakten vrouwen 48% uit van de totale arbeidsreserve. Wat de arbeidsreserve voor knelpuntberoepen betreft, ligt hun proportie in dezelfde lijn (46,8%). De proportie vrouwelijke werkzoekenden beschikbaar op de arbeidsmarkt van 2002 schommelt naargelang de beroepscategorie, maar laat weinig verrassingen zien: weinig vrouwen in de informatica, in de technische beroepen, het transport en logistiek en in de bouw, terwijl vrouwen sterker vertegenwoordigd zijn in de diensten aan personen87, het onderwijs, de medische, sociale en hulpverlenende sector en in de administratieve beroepen. Zowel bij de vrouwen als bij de mannen merken we dat de arbeidsreserve voor de knelpuntberoepen een hogere proportie nieuw ingeschreven werkzoekenden telt dan de arbeidsreserve voor de niet-knelpuntberoepen. Bijna de helft van de vrouwelijke arbeidsreserve voor knelpuntberoepen was nieuw ingeschreven in 2002 ten opzichte van 44% van de vrouwelijke arbeidsreserve voor niet-knelpuntberoepen. De uitstroom uit de werkloosheid is hoger voor de arbeidsreserve voor de knelpuntberoepen dan voor de niet-knelpuntberoepen. 44% van de vrouwelijke arbeidsreserve voor knelpuntberoepen was eind december 2002 niet meer ingeschreven88. Vertrekkend vanuit de vraag naar arbeidskrachten, de werkaanbiedingen, blijkt dat 53,8% van de door de BGDA ontvangen werkaanbiedingen ingevuld werd door een vrouw. Bij de ontvangen werkaanbiedingen voor knelpuntberoepen bedraagt dit percentage 55,9%. Het percentage werkaanbiedingen ingevuld door vrouwen is sterk verschillend per beroepscategorie. Merk op dat voor de beroepscategorieën met een hoge vrouwelijke arbeidsreserve, ook proportioneel meer werkaanbiedingen ingevuld worden door vrouwen. Enerzijds hebben we de beroepscategorieën waarbij meer dan 75% van de werkaanbiedingen voor de knelpuntberoepen ingevuld wordt door vrouwen. Bijvoorbeeld 83,3% van de werkaanbiedingen voor de beroepscategorie diensten aan personen wordt ingevuld door vrouwen, terwijl 88,3% van de arbeidsreserve vrouwelijk is. Ook voor de beroepscategorie onderwijs en gezondheid vinden we dergelijke percentages terug (respectievelijk 83% tegenover 79,7% en 79,4% ten opzichte van 79%). Anderzijds zijn er werkaanbiedingen voor knelpuntberoepen waarvan slechts 5% ingevuld wordt door vrouwen. Voorbeelden hiervan zijn de werkaanbiedingen voor de beroepscategorieën van de technische beroepen, de transport en de bouw waarbij slechts tussen de 2,5% en 0,3% van de arbeidsreserve vrouwelijk is.

Grafiek 17: Ingevulde werkaanbiedingen voor de knelpuntberoepen volgens gender (in %) - 2002 Dienst en aan personen Onderwijzend personeel Beroepen in de med., soc. en hulpverlenende sect or Administrat ieve beroepen Commerciële beroepen Beroepen in het t oerisme en de horeca Kaderfuncties en beroepen in de communicatie Beroepen in de informat ica Divers Technische beroepen Beroepen in t ransport en logist iek Beroepen in de bouw Totaal knelpunt beroepen Totaal niet -knelpunt beroepen Totaal alle beroepen 0%

10%

20%

30%

40%

50%

Vrouwen

Bron:

87

88

60%

70%

80%

90%

100%

M annen

BGDA, Observatorium

Deze beroepscategorie omvat volgende knelpuntberoepen: kapper voor dames, kapper voor dames en heren en schoonheidsspecialist. Wanneer iemand niet meer ingeschreven staat als werkzoekende betekent dit niet noodzakelijk dat de persoon in kwestie werk gevonden heeft. Hij kan eveneens een voltijdse opleiding volgen, in ziekteverlof zijn,…

Interne werkgelegenheid

75

4.6. Besluit In 2002 wordt 45,6% van de bezoldigde arbeid in het Brussels Gewest ingenomen door vrouwen, tegenover 43,3% in het Vlaamse Gewest en 44,8% in het Waalse Gewest. Ten opzichte van 1990 is het aantal vrouwelijke loontrekkenden in Brussel gestegen met 9%, terwijl het aantal mannelijke loontrekkenden relatief constant bleef (-0,9%). De periode kan echter ingedeeld worden in twee fasen. De periode 1990-1996 laat een daling van de bezoldigde werkgelegenheid optekenen die minder gunstig is bij de mannen, terwijl de groei vanaf 1997 sterker is bij de vrouwen dan bij de mannen. Ruim 95% van de vrouwen in Brussel zijn tewerkgesteld in de tertiaire sector. Waarbij in termen van tewerkstelling de overheidsdiensten, de diensten aan bedrijven, de handelssector en de financiële instellingen een belangrijk deel van de bezoldigde arbeid vertegenwoordigen. Toch is de proportie vrouwen erg verschillend per sector. De horizontale segregatie toont aan dat in bepaalde sectoren of beroepen meer vrouwen zijn tewerkgesteld, dit is het geval in de gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening en het onderwijs. In de secundaire sector en in de sector vervoer en communicatie daarentegen is het aantal vrouwen ondervertegenwoordigd. Daartegenover geeft de verticale of functiesegregatie weer dat het aandeel van de vrouwen daalt wanneer het functieniveau stijgt. Zo wordt slechts 30% van de leidinggevende of kaderfuncties uitgeoefend door een vrouw. Vaak is er sprake van het zogenoemde glazen plafond op de arbeidsmarkt die de doorstroom van vrouwen naar hogere functies beperkt. In de privésector wordt 44,3% van de arbeidsplaatsen in Brussel ingevuld door vrouwen, tegenover 47,9% in de openbare sector. Ten opzichte van 1992 is het aantal arbeidsplaatsen in de privésector toegenomen met 16.234 arbeidsplaatsen, hiervan werd 93% ingevuld door vrouwen. In de openbare sector steeg het aantal arbeidsplaatsen met 15.540 eenheden waarvan meer dan helft (56%) werd ingevuld door vrouwen. Het Brussels Gewest onderscheidt zich door het hoge aandeel van de bezoldigde hoofdarbeid. Van de vrouwelijke tewerkgesteld in Brussel heeft ruim 86% het statuut van bediende. Bij de zelfstandigen is de segregatie tussen de geslachten veel groter dan bij de bezoldigde arbeid. Daar waar 45,6% van de arbeid in loondienst door vrouwen wordt verricht, wordt slechts 30% van de zelfstandige banen door vrouwen ingenomen. Uit een indeling naar activiteitensector blijkt dat vrouwen momenteel 40% van de zelfstandige arbeid in de sector van de vrije beroepen verrichten, en eveneens 40% in de dienstensector, die in Brussel weinig ontwikkeld is. Wanneer we de leeftijd van de zelfstandigen analyseren vanuit een genderperspectief stellen we vast dat het relatieve aandeel van de vrouwen zowel in Brussel als over het hele land omgekeerd evenredig is met hun leeftijd: hoe jonger de vrouwen, hoe sterker zij vertegenwoordigd zijn. Verder blijkt het inkomen van vrouwen met een zelfstandige hoofdactiviteit lager te zijn dan dat van hun mannelijke collega's. Wanneer we de inkomens van vrouwelijke en mannelijke zelfstandigen in het BHG en in het hele land vergelijken, wordt dit zeer duidelijk: hoe hoger de inkomensklasse, hoe minder vrouwen.

Uitzendwerk is ongetwijfeld één van de meest flexibele vormen van bezoldigde arbeid. Op een periode van tien jaar tijd is de uitzendarbeid in het BHG globaal gezien met 5% en in het hele land met 65,7% gestegen. Op nationaal niveau betreft uitzendwerk vooral handenarbeid (66% in 2002), terwijl het in Brussel voornamelijk om intellectuele arbeid gaat (71% in 2002). Zowel op Belgisch als op Brussels niveau wordt de handenarbeid voornamelijk door mannen verricht, terwijl de hoofdarbeid hoofdzakelijk door vrouwen uitgeoefend wordt. Algemeen kunnen we stellen dat vrouwen en mannen proportioneel volgens hun belang in de beroepsbevolking vertegenwoordigd zijn in deze vorm van arbeid in het Brussels Gewest. De analyse van het pendelverkeer kadert eveneens binnen een analyse van de vormen van arbeidsflexibiliteit. Kwantitatief gezien kunnen we stellen dat vrouwen minder pendelen dan mannen. Maar kwalitatief gezien is er een belangrijk verschil tussen vrouwelijke en mannelijke pendelaars (duur, transportmiddel,…). Wie lijdt nu het meest onder de druk van de pendelaars, de Brusselse mannen of de Brusselse vrouwen? Het lijkt

76

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

dat dit de Brusselse mannen zijn: in sectoren waar vrouwen in de meerderheid zijn (gezondheidszorg en sociale dienstverlening en onderwijs) is het aandeel van de Brusselse vrouwen immers groter dan van de Brusselse mannen in hoofdzakelijk mannelijke sectoren (zoals de secundaire sector, de energiesector, het vervoer en de communicatie). Niettegenstaande is de concurrentiedruk vanwege de vrouwelijke pendelaars op de Brusselse vrouwen in bepaalde, voornamelijk mannelijke sectoren enorm groot: in sectoren zoals de energie- en vervoersector, waar vrouwen ondervertegenwoordigd zijn, is het aandeel van de Brusselse werkneemsters zeer klein. De arbeidsreserve voor de knelpuntberoepen van 2002 bestaat voor 46,8% uit vrouwen. Deze proportie schommelt sterk naargelang de beroepscategorie. Zo bestaat de arbeidsreserve voor de diensten aan personen, het onderwijzend personeel en de gezondheidszorg voor meer dan drie vierde uit vrouwen; terwijl er zeer weinig vrouwen terug te vinden zijn in de arbeidsreserve voor de technische beroepen, de beroepen in de transport en communicatie en voor de beroepen in de bouw. De werkaanbiedingen voor de knelpuntberoepen met een hoge vrouwelijke arbeidsreserve worden proportioneel meer ingevulde door vrouwen.

5. Werkende beroepsbevolking In dit vijfde hoofdstuk gaat onze aandacht uit naar de werkende Brusselse vrouwen. Bij een bespreking van de situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt kan men zich niet beperken tot een analyse van de vrouwelijke arbeidsparticipatie aan de hand van de activiteits- en werkzaamheidsgraad. Het is ook belangrijk om de kenmerken van de jobs die door vrouwen worden uitgeoefend te onderzoeken. In dit gedeelte bestuderen we de gendersegregatie van de arbeidsmarkt en onderzoeken we de arbeidsomstandigheden. Alvorens tot de kern van dit hoofdstuk door te dringen, bespreken we kort de evolutie van de werkende beroepsbevolking tussen 1992 en 2002 en maken we vervolgens een vergelijking van de studieniveaus van deze groep volgens gender.

5.1. Evolutie van de werkende beroepsbevolking In tien jaar tijd is de werkende beroepsbevolking positief geëvolueerd. Deze groei is meer uitgesproken bij de vrouwen (+10,6%) dan bij de mannen (+3,7%). Niettegenstaande blijft de werkende beroepsbevolking voor het grootste deel uit mannen bestaan (55,4%). Uit de analyse van de werkende beroepsbevolking blijken grote verschillen tussen de leeftijdscategorieën. Terwijl het aantal jonge werkende vrouwen is afgenomen (-8%), zien we een zeer sterke stijging van het aantal werkende vrouwen ouder dan 50 (+72,6%). De toegenomen scholingsgraad die we de laatste decennia bij de vrouwen vaststellen, verklaart niet alleen dat zij later tot de arbeidsmarkt toetreden, maar ook dat zij deze later verlaten. Deze evolutie duidt op een meer continue beroepsloopbaan bij de vrouwen, ongeacht of er kinderen zijn of niet. Zo gebeurde het vroeger veel vaker dat de vrouwelijke loopbaan onderbroken werd op het moment dat de vrouw moeder werd. Het is dus precies in de leeftijdscategorieën die vroeger de "zwakke categorieën" van de vrouwelijke activiteit vormden dat we op dit ogenblik de grootste activiteitsgroei zien89. Hetzelfde fenomeen - een duidelijke daling bij de jonge vrouwen en een sterke stijging bij de oudere vrouwen - zien we ook in de twee andere gewesten. Wel kan men preciseren dat de sterkere groei van de vrouwelijke werkende beroepsbevolking in Vlaanderen (+21,2%) te verklaren is door de sterke uitbreiding van de deeltijdse vrouwelijke arbeid in het Vlaams Gewest, zoals we verder in dit hoofdstuk zullen zien.

Tabel 50:

Evolutie van de werkende beroepsbevolking in de drie gewesten (1992-2002) Evolutie 1992-2002 1992

2002

Brussels Gewest AW

Vlaams Gewest

%

Waals Gewest

België

Vrouwen < 25 jaar

13 897

12 783

-1 114

-8,0

-16,5

-27,6

-18,9

25 - 49 jaar 50 jaar en +

109 371 17 707

112 640 30 558

3 269 12 851

3,0 72,6

21,7 77,8

7,0 65,5

15,4 73,0

Totaal

140 975

155 981

15 006

10,6

21,2

9,5

16,6

Mannen < 25 jaar

12 838

13 404

566

4,4

-2,5

-13,3

-5,3

25 - 49 jaar 50 jaar en +

137 946 36 379

143 005 37 695

5 059 1 316

3,7 3,6

-0,5 13,2

-1,5 31,4

-0,5 17,3

Totaal

187 163

194 104

6 941

3,7

1,7

2,6

2,2

< 25 jaar 25 - 49 jaar 50 jaar en +

26 735 247 317 54 086

26 187 255 645 68 253

-548 8 328 14 167

-2,0 3,4 26,2

-9,4 8,3 29,2

-19,8 1,9 42,3

-11,8 5,9 32,7

Totaal

328 138

350 085

21 947

6,7

9,2

5,3

7,8

Vrouwen + Mannen

Bron: 89

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Margaret Maruani, 2000, p.10.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

78

In het Vlaams en het Waals Gewest is de mannelijke werkende beroepsbevolking op een gelijkaardige manier geëvolueerd, hoewel de verschillen minder uitgesproken zijn: het aantal jonge werkende jonge mannen is gedaald, terwijl het aantal werkende oudere mannen is gestegen. De Brusselse mannen vormen hierop een uitzondering: in elke leeftijdsklasse is het aantal werkende mannen met ongeveer 4% gestegen.

5.2. Studieniveau van de werkende beroepsbevolking De onderstaande grafiek toont aan dat de Brusselse tewerkgestelde vrouwen over het algemeen een hogere scholingsgraad hebben dan de mannen. Zo zien we bijvoorbeeld dat 13,1% van de Brusselse mannelijke werkende beroepsbevolking zeer laag geschoold is (lager onderwijs of geen diploma). Bij de vrouwen is dit 9%. Wanneer we de studieniveaus samen nemen, dan stellen we vast dat 42,4% van de werkende Brusselse mannen en 51,8% van de werkende Brusselse vrouwen een niveau heeft dat hoger is dan het secundair. Wel is er een verschil qua type hogere studies: daar waar de mannen iets vaker een universitair diploma hebben, hebben de vrouwen vaker een hogeschoolopleiding gevolgd. Deze laatste vaststelling vervaagt echter wanneer we dezelfde vergelijking maken volgens gender en leeftijdscategorie (zie grafiek 20): in de lagere leeftijdsklassen stijgt het aantal universitair gevormde vrouwen aanzienlijk. Deze grafieken tonen dan ook aan dat de scholingsgraad van de vrouwen de laatste decennia sterk verbeterd is, zoals reeds in hoofdstuk 3 werd toegelicht.

Grafiek 18: Studieniveau van de Brusselse werkende beroepsbevolking volgens gender (in %) - 2002. 35 27,1

30

28,7

27,7

24,1 25,1

25 15 10

17,4

15,7

20 13,1 9,0

12,0

5 0 LO

LSO

HSO Vrouwen

Bron:

Hoger niet-univ.

Universitair

Mannen

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

De volgende grafiek vergelijkt de situatie van de Brusselse werkende vrouwen met die van de Vlaamse en de Waalse vrouwen. Hieruit blijkt vooral dat het Brussels Gewest in vergelijking met de andere gewesten veel meer vrouwen met een universitair diploma telt (respectievelijk 24% tegen 9%). Andersom zien we echter dat de Brusselse vrouwen in de categorie van zeer laaggeschoolden (lager onderwijs of geen diploma) ook het hoogste scoren, ook al zijn de verschillen kleiner. Deze kenmerken weerspiegelen de duale structuur van het Brussels Gewest, met in dit geval een deel van de Brusselse bevolking dat hooggeschoold is en een ander deel dat laaggeschoold is.

Werkende beroepsbevolking

79

Grafiek 19: Studieniveau van de vrouwelijke werkende beroepsbevolking in de drie gewesten (in %) - 2002 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0 LO

LSO

HSO BG

Bron:

VG

Hoger niet-univ.

Universitair

WG

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

De twee volgende grafieken geven een overzicht van het studieniveau volgens leeftijdscategorie (jonger dan 35 jaar, 35 tot 44 jaar en ouder dan 45 jaar) en volgens gender. Hieruit blijkt duidelijk dat de scholingsgraad bij de vrouwelijke werkende beroepsbevolking toeneemt. Deze stijging is het duidelijkst bij de vrouwen jonger dan 35 jaar. Daar waar het studieniveau bij de vrouwen vooral naar het hoogste niveau verschuift (universiteit), zien we bij de mannen een stabilisatie of zelfs een lichte daling bij de hogere studies en een stijging in de categorie hoger secundair. 30% van de Brusselse werkende vrouwen jonger dan 35 jaar is universitair geschoold, tegen 25% bij de mannen. Wanneer we de hogere studieniveaus samen nemen, dan zien we dat 58% van de tewerkgestelde beroepsactieve vrouwen jonger dan 35 een studieniveau heeft hoger dan het secundair onderwijs, terwijl dit cijfer voor de mannen in dezelfde leeftijdsklasse 42% bedraagt. Dit betekent dat de vrouwen in de lagere leeftijdscategorieën in verhouding hoger opgeleid zijn (ook bij de universitairen). Toch is het nuttig te herhalen dat laaggeschoolde vrouwen duidelijk minder aan de arbeidsmarkt deelnemen dan mannen met een vergelijkbaar studieniveau (zie hoofdstuk 3). Dit genderverschil geldt voor alle studieniveaus, maar is minder treffend bij de hoger geschoolden, wat de oververtegenwoordiging van de hoogst geschoolde vrouwen op de arbeidsmarkt versterkt.

Grafiek 20: Werkende beroepsbevolking volgens studieniveau en leeftijdsklasse in het BHG (in %) - 2002 a) Vrouwen

b) Mannen

35

35

30

30

25

25

20

20

15

15

10

10

5

5

0

0 LO

LSO

< 35 jaar

Bron:

HSO

35-44 jaar

Ho ger nietuniv. 45 en +

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Universitair

LO

LSO

< 35 jaar

HSO

35-44 jaar

Ho ger nietuniv. 45 en +

Universitair

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

80

5.3. Segregatie Ondanks de toegenomen vrouwelijke arbeidsparticipatie blijven de verschillen tussen vrouwen en mannen op de werkvloer bestaan. Dit fenomeen wordt ook wel de "gendersegregatie op de arbeidsmarkt" genoemd. Deze segregatie uit zich in twee vormen: horizontale en verticale segregatie. Waar horizontale segregatie verwijst naar de concentratie van vrouwen/mannen in bepaalde activiteitensectoren/beroepen, verwijst verticale segregatie naar de beperkte aanwezigheid van vrouwen in hogere en directiefuncties. In het eerste hoofdstuk hebben wij de belangrijkste theorieën die dit fenomeen verklaren reeds kort vermeld. Ook al legt elke theorie afzonderlijk het accent op de ene of de andere oorzaak, er is geen enkele theorie die het belang van de opleiding ontkent. Zo wordt de ongelijkheid tussen vrouwen en mannen in een bepaald beroep of in een bepaalde sector traditioneel verklaard als een reproductie van de segregatie die reeds vóór de toetreding tot de arbeidsmarkt bestaat, nl. op het niveau van het onderwijs. Men zou dus kunnen spreken van een voorsortering in het onderwijs. Ondanks de spectaculaire stijging van het studieniveau bij vrouwen sinds een aantal decennia, is de segregatie op het niveau van de opleidingstrajecten nog steeds reëel. Hoewel het aantal vrouwelijke inschrijvingen aan universiteiten bijvoorbeeld aanzienlijk is gestegen, met zelfs een zekere "oververtegenwoordiging" van vrouwen op de universitaire instellingen tot gevolg90, zijn de verschillen bij de keuze van de studierichting nog steeds zeer duidelijk. Zo zijn de sectoren van de letteren, de gezondheid, de psychologie en de sociale wetenschappen eerder vrouwelijk. Omgekeerd zijn de sectoren van de wetenschappen en de toegepaste wetenschappen merendeels mannelijk. Toch biedt deze voorsortering op de schoolbanken geen afdoende verklaring voor het hele segregatieverschijnsel. Ook het proces van de nasortering of posteducatieve segregatie speelt een rol. Zo kan een nieuw segregatieproces op het ogenblik van de toetreding tot het beroepsleven de beroepssegregatie van educatieve oorsprong versterken91. Er betaan immers mechanismen die het traject in bepaalde beroepen, bij dezelfde opleiding, afhankelijk van het geslacht anders gaan sturen. De beroepen kunnen ingedeeld worden op basis van het soort segregatie: segregatie die een hoofdzakelijk educatieve oorsprong heeft, segregatie die een hoofdzakelijk posteducatieve oorsprong heeft en segregatie die het resultaat is van beide processen. Zo wordt de segregatie versterkt wanneer - bij een zelfde opleiding - jongens typisch "mannelijke" beroepen kiezen en meisjes eerder "vrouwelijke" beroepen kiezen of in die richting worden gestuurd. Zo geven adminsitratieve opleidingen bijvoorbeeld toegang tot verschillende soorten beroepen (marketing, boekhouding, secretariaat,…) en gaat de oriëntering naar het ene dan wel het andere beroep vaak nauw samen met het geslacht. De ongelijke verdeling is dus het resultaat van een proces dat in twee etappen verloopt: een voorsortering in het onderwijs en een posteducatieve segregatie. Een empirisch onderzoek92 toont aan dat de voorsortering een grotere invloed heeft op de horizontale segregatie en de posteducatieve segregatie op de verticale segregatie. Factoren die in verband met de verticale segregatie door de socialisatietheorieën naar voren worden geschoven, zoals het imago, de rolpatronen, … uiten zich reeds op zeer jonge leeftijd en spelen een rol in het schooltraject en de beroepscarrière.

5.3.1.

Horizontale segregatie

De indeling van de werkgelegenheid volgens sector is nog sterk afhankelijk van het geslacht. Het concept van de horizontale segregatie verwijst naar de hoge concentratie vrouwen in bepaalde activiteitensectoren of beroepen.

90

91

92

Voor het schooljaar 1999-2000 was het aantal ingeschreven vrouwen voor het eerst groter dan het aantal ingeschreven mannen. Voor het academiejaar 1999-2000 waren 65.197 vrouwen en 63.037 mannen in Belgische universiteiten ingeschreven (Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Dienst Studies en Regionale Statistiek, 2002, Statistische indicatoren van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest). Couppié T. en D. Epiphane, 2003, Ségrégation professionnelle des hommes et des femmes: entre héritage éducatif et construction sur le marché du travail, Cereq. Roussel V., 2003.

Werkende beroepsbevolking

A.

81

Horizontale segregatie volgens beroep

De onderstaande tabel geeft weer hoe de mannen en de vrouwen die in het Brussels Gewest wonen over de verschillende beroepscategorieën verdeeld zijn en geeft een zicht op de onder- of oververtegenwoordiging van de vrouwen in deze beroepen. Hierbij werd uitgegaan van de tweecijferige internationale classificatie ISCO-88, die de beroepen in 26 grote subgroepen indeelt.

Tabel 51: Vrouwelijke werkende beroepsbevolking volgens beroep (ISCO-88 2 digits) - 2002 Brussels Gewest

Vrouwen 1. Leden uitvoerende macht, bedrijfsleiders en hoger kader Hoger kader van de openbare administratie Bedrijfsdirecteurs Leiders en zaakvoerders 2. Intellectuele en wetenschappelijke beroepen

Mannen

%V

VG

WG

België OESO*

13 312

32 383

29,1

29,8

32,7

30,5

30,0

882 8 480 3 951

1 076 21 118 10 189

45,0 28,6 27,9

23,0 25,1 38,4

19,8 28,9 39,6

25,5 26,4 37,8

32,0 29,0 35,0

39 914

40 322

49,7

54,3

54,3

53,8

48,0

Ingenieurs, informatici en wetenschappelijke specialisten Specialisten in gezondheidswetenschappen

2 989 12 283

16 320 4 815

15,5 71,8

17,5 72,5

15,2 70,1

16,5 71,6

16,0 64,0

Onderwijzend personeel Andere intellectuele en wetenschappelijke beroepen

11 537 13 105

6 281 12 906

64,7 50,4

67,6 47,4

68,7 46,9

67,7 47,6

65,0 48,0

3. Beroepen van het tussenkader Tussenkader wetenschappelijk personeel & technici Tussenkader gezondheidswetenschappen Tussenkader onderwijzend personeel Ander tussenkader

16 1 3 2 8

19 7 1 1 8

145 787 740 231 387

46,4 18,2 68,0 70,0 49,5

37,5 16,8 80,5 70,8 43,3

38,2 17,0 66,5 63,5 40,8

38,4 16,9 75,4 67,6 43,4

54,0 21,0 83,0 76,0 56,0

4. Bedienden in administratieve functies Bureelbedienden Receptionisten, onthaalhostessen, loketbedienden

47 749 45 723 2 026

33 031 31 703 1 328

59,1 59,1 60,4

62,1 60,9 77,6

58,5 57,8 73,1

60,7 59,8 75,2

68,0 67,0 77,0

5. Dienstverlenend en verkoopspersoneel Dienstverlenend personeel Modellen, verkopers, demonstrateurs

550 736 706 875 233

19 503

16 632

54,0

69,2

62,3

65,7

69,0

11 847 7 656

12 770 3 862

48,1 66,5

64,4 75,9

55,8 74,0

60,0 74,7

66,0 73,0

6. Landbouwers en geschoolde arbeiders in landbouw en visserij

248

1 993

11,1

27,6

28,9

27,6

27,0

7. Ambachtslieden en ambachtelijke vakarbeiders Bouwvakkers Ambachts- en vaklui in de metallurgie en de metaalconstructie

2 362 286 192

18 827 9 349 5 009

11,1 3,0 3,7

8,6 1,3 2,1

6,1 0,6 3,2

7,9 1,2 2,6

12,0 3,0 4,0

266 1 618

1 284 3 186

17,1 33,7

24,7 31,3

11,7 24,3

18,7 29,4

31,0 43,0

832 0 409 423

11 992 383 1 232 10 377

6,5

18,0

9,9

0,0 24,9 3,9

10,5 29,0 3,6

7,6 23,5 4,9

15,6 9,0 28,3 4,1

13,0 35,0 4,0

16 889 14 822 0

19 811 9 295 79

46,0 61,5 0,0

52,5 79,4 27,7

48,5 75,5 0,0

50,7 76,3 18,4

52,0 68,0 37,0

Ambachtslui van de preciesiemechaniek en drukwerk Andere ambachtelijke vakarbeiders 8. Machine- en installatiebestuurders, montagearbeiders Bedieners van vaste installaties Bedieners van machines en montagearbeiders Bestuurders van voertuigen en bedieners van graaf- en hefwerktuigen 9. Overige (ongeschoolde arbeiders en bedienden,...) Ongeschoolde bedienden in de diensten en de verkoop Ongeschoolde arbeiders in de landbouw, visvangst en andere Ongeschoolde arb. in de bouw, openbare werken, ind. en transport Totaal

19,0

2 067

10 437

16,5

15,8

12,7

14,9

28,0

157 360

195 387

44,6

42,8

41,4

42,5

..

* Gemiddelde OESO (1998-2000) Bron: NIS-EAK, OESO, Werkgelegenheidsperspectieven OESO, berekeningen Observatorium

De vaststellingen voor de landen van de OESO gelden eveneens voor het Brussels Gewest. Brusselse vrouwen vervullen hoofdzakelijk administratieve functies of werken in de verkoop, de gezondheidssector en het onderwijs. Omgekeerd is het aandeel van de mannen groter in de categorieën leden uitvoerende macht, bedrijfsleiders en hoger kader, ingenieurs, informatici en technici. Er zijn geen grote verschillen met de twee andere gewesten. In de categorie "leden uitvoerende macht, bedrijfsleiders en hoger kader" in zijn geheel is het aandeel van de vrouwen in de drie gewesten van het land vergelijkbaar: 29,1% in Brussel, 29,8% in Vlaanderen en 32,7% in Wallonië. Op het niveau van de subgroepen zijn de Brusselse vrouwen in verhouding sterker vertegenwoordigd in de leidinggevende functies in de openbare sector dan in deze functies in de privésector.

82

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

De onderstaande tabel geeft een meer gedetailleerde indeling van de mannen en de vrouwen op het niveau van de subberoepengroepen (ISCO-88 met 3 digits - 116 beroepen) dan de vorige tabel (ISCO-88 met 2 digits). Alleen de 30 meest frequente beroepen zijn in deze grafiek opgenomen (een aantal zeer gelijkaardige beroepen werden samengevoegd).

Grafiek 21: Brusselse werkende beroepsbevolking volgens beroep en gender (ISCO-88 3 digits) - 2002 Verzorgend personeel (kinderopvang, thuisverzorging) Secretariaat Gediplomeerde verplegers, vroedvrouwen - kaderpersoneel Leerkracht en lager en kleut eronderwijs M edisch personeel (behalve verplegend) Tussenkader administ rat ief beheer Specialist en sociale wetenschappen Huishoudhulp, schoonmaak bureau & hot els, onderhoud linnen Verkopers en demonstrat eurs voor winkels Leerkracht en secundair onderwijs Andere bureelbedienden Juristen Bedienden van boekhouding- en f inanciële diensten M edische beroepen Werkers voor onderhoud van gebouwen Journalist en en art iesten Restaurat iepersoneel (koks, opdieners) Leidinggevende kaderleden Boekhouders, personeelsbeleid, kaders en administ ratieve f unct ies Tussenkader f inanciën en verkoop Handlangers voor het t ransport en de behandeling van goederen Direct eurs en kader Technici van de nat uurwet enschappen Personeel van veiligheids- en beschermingsdiensten Inf ormatici Archit ecten, ingenieurs en anderen Best uurders van mot orvoert uigen Bouwvakkers 0%

20%

40% M annen

Bron:

60%

80%

100%

Vrouwen

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Deze grafiek geeft een nog duidelijker zicht op de genderverschillen in beroep. De "vrouwelijkste" beroepen situeren zich in de gezondheidssector, het onderwijs, de administratie (secretariaat, kantoorbedienden) en de schoonmaak. Wel dient opgemerkt te worden dat er grote verschillen zijn in de beroepen in de gezondheidssector. Daar waar het verzorgend personeel voor 94% uit vrouwen bestaat, de gediplomeerde verpleegkundigen en de vroedvrouwen voor 91% en het medisch tussenkader voor 72%, is dit bij de medische beroepen nog maar 46%. Bij de "mannelijkste" beroepen gaat het vaak om arbeidersfuncties - zoals bouwvakker, bestuurder van motorvoertuigen, handlanger voor het transport en de behandeling van goederen -, beroepen in de veiligheids-

Werkende beroepsbevolking

83

en beschermingsdiensten en hooggekwalificeerde beroepen, zoals ingenieur, informaticus, fysicus, kaderlid financiële diensten, leidinggevend kaderlid, kaderlid, directeur… Verder stellen we vast dat de vrouwen ten opzichte van de mannen in een kleiner aantal beroepen geconcentreerd zijn. Wanneer we immers voor beide geslachten de meest frequente beroepen onderzoeken, dan zien we dat 50% van de Brusselse vrouwen in 7 verschillende beroepen werken, terwijl 50% van de mannelijke werknemers in 12 verschillende beroepen werken. Wel is het zo dat de beroepenclassificatie over het algemeen de "typisch mannelijke" beroepen nauwkeuriger in subcategorieën opdeelt dan de "typisch vrouwelijke" beroepen. Evenmin is het systeem voor de classificatie van de beroepen aangepast aan de belangrijke evolutie van de tertiaire sector en zijn nieuwe beroepen, waar hoofdzakelijk vrouwen werken. Het onderstaande schema geeft een overzicht volgens gender van de 10 meest voorkomende beroepen in de Brusselse werkende bevolking.

Figuur 2: Top 10 van de meest voorkomende beroepen bij de Brusselse werkende beroepsbevolking voor vrouwen en mannen - 2002 Vrouwen

Mannen

1

Andere bureelbedienden

2

Werksters en schoonmaaksters

Leidinggevenden en zaakvoerders

2

3

Verpleegkundigen en vroedvrouwen

Chauffeurs

3

4

Leerkrachten secundair onderwijs

Andere kaderleden

4

5

Secretaressen

Directeurs

5

6

Verkoopsters

Informatica-specialisten

6

7

Administratieve bedienden

Architecten, ingenieurs en soortgelijken

7

8

Werkneemsters horeca

Werknemers horeca

8

9

Andere kaderleden

Handlangers en schoonmakers

9

10

Leidinggevenden en zaakvoersters

Handarbeiders in het vervoer en logistiek

10

Bron:

Andere bureelbedienden

1

NIS-EAK, berekeningen Observatorium (ISCO-88 - details met 3 digits)

5 beroepen uit dit schema staan zowel bij de mannen als bij de vrouwen in de top 10: het gaat om bureelbediende (op de 1ste plaats bij de vrouwen en bij de mannen), werker - schoonmaker (2de plaats bij de vrouwen en 9de plaats bij de mannen), werknemer horeca (8ste plaats voor beide geslachten), kaderlid (9de plaats bij de vrouwen en 4de bij de mannen) en leidinggevende en zaakvoerder (10de plaats bij de vrouwen en 2de bij de mannen). 5 beroepen uit de top 10 vinden we alleen bij de vrouwen terug: verpleegkundige en vroedvrouw, leerkracht secundair onderwijs, secretaresse, verkoopster en administratief bediende. Omgekeerd zijn er ook 5 beroepen die we alleen bij de mannen terugvinden, zijnde chauffeur, directeur, informatica-specialist, architect - ingenieur en handarbeider in het vervoer.

B.

Horizontale segregatie volgens sector

Na de bespreking van de beroepen bestuderen we hier kort de horizontale segregatie op het niveau van de activiteitensectoren. Dit thema kwam al aan bod in hoofdstuk 4, maar dan op het niveau van de interne werkgelegenheid. De volgende tabel geeft de indeling van de Brusselse bevolking volgens activiteitensector weer.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

84

Tabel 52: Brusselse werkende beroepsbevolking volgens sector en gender - 2002 Vrouwen

AW

Mannen

%

AW

Totaal

%

AW

% vrouwen

Industrie Bouw Handel Horeca Vervoer en communicatie Financiële instellingen Diensten aan bedrijven Overheidsdiensten Onderwijs Gezondheidszorg en sociale dienstverlening Gemeenschapsvoorz. en diensten aan pers. Andere

9 148 1 487 21 228 6 757 5 438 8 970 25 559 20 744 17 920 30 054 7 847 2 261

5,8 0,9 13,5 4,3 3,5 5,7 16,2 13,2 11,4 19,1 5,0 1,4

18 579 15 205 26 881 12 092 18 545 10 156 39 377 21 108 9 481 11 262 9 222 3 611

9,5 7,8 13,7 6,2 9,5 5,2 20,1 10,8 4,8 5,8 4,7 1,8

27 727 16 692 48 109 18 849 23 983 19 126 64 936 41 852 27 401 41 316 17 069 5 872

33,0 8,9 44,1 35,8 22,7 46,9 39,4 49,6 65,4 72,7 46,0 38,5

Totaal

157 413

100

195 519

100

352 932

44,6

Bron:

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

De sectoren waar we verhoudingsgewijs de minste vrouwen aantreffen, zijn de bouwsector, de sector vervoer en communicatie en de industrie. Omgekeerd vinden we de meeste vrouwen terug in de sector van de gezondheidszorg en sociale dienstverlening en het onderwijs. De 5 sectoren waar we in absolute waarde de meeste werkneemsters uit het Brussels Gewest tellen, zijn in dalende volgorde: de sector van de gezondheidszorg (19%), de diensten aan bedrijven (16%), de handel (13,5%) de overheidsdiensten (13,2%) en het onderwijs (11,4%). Bij de mannen nemen de sector vervoer en communicatie en de industrie de plaats van de gezondheidszorg en het onderwijs in. Deze resultaten liggen in dezelfde lijn als de vaststellingen in hoofdstuk 4. Ook op sectoraal gebied zijn de vrouwen sterker geconcentreerd: 73,4% van de vrouwen werkt in 5 verschillende sectoren tegen 63,7% bij de mannen. Meer algemeen kunnen we eveneens uit de tabel afleiden dat 93,3% van de Brusselse vrouwen in de tertiaire sector werkt, tegen 82,7% bij de mannen.

C.

Horizontale segregatie: overheid - privésector

In België werkt 29,9% van de vrouwen en 19,5% van de mannen in de overheidssector. Dit is een genderverschil van meer dan 10 procentpunten. De volgende tabel geeft voor de drie gewesten een overzicht volgens gender van de werkende beroepsbevolking in de openbare sector.

Grafiek 22: Werkende beroepsbevolking in de overheidssector volgens gewest en gender (in %) - 2002 40 35 30 25 20 15 10 5 0

33,2 27,0

28,8

29,9

17,8

Vrouwen Brussels Gewest Bron:

27,3 21,9

23,1

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

18,0

19,5

Mannen Vlaams Gewest

22,6

Totaal Waals Gewest

België

23,9

Werkende beroepsbevolking

85

Hoewel de vrouwen in de drie gewesten verhoudingsgewijs in de meerderheid zijn in de overheidssector, blijkt uit de tabel dat hun aandeel in Brussel lager ligt dan in de andere gewesten. Hetzelfde geldt voor de mannen die in Brussel wonen. Deze vaststelling weerspiegelt meer algemeen de paradoxale situatie van het Brussels Gewest: hoewel Brussel op zijn grondgebied een groot aantal administraties en openbare diensten concentreert, zijn in verhouding minder Brusselaars in overheidsdiensten tewerkgesteld. Dit kan verklaard worden door het zwakke aandeel van Brusselaars in bepaalde federale overheidsdiensten enerzijds, maar ook door de aanwezigheid van een betrekkelijk hoog percentage pendelaars in de Brusselse gewestelijke en gemeentelijke administraties anderzijds.

5.3.2.

Verticale segregatie

In dit gedeelte gaan we dieper in op de verticale segmentatie, die ook al aan bod kwam bij de analyse van de beroepssegregatie, waaruit bleek dat vrouwen in het bijzonder in directiefuncties ondervertegenwoordigd zijn. In het vorige onderdeel (horizontale segregatie), dat de indeling van de beroepen per gender behandelde, hebben we reeds gezien dat vrouwen in het beroep van directeur ondervertegenwoordigd zijn (zie tabel 51). In de drie gewesten van het land bedraagt hun aandeel ongeveer 30%. Voor vrouwen die in Brussel gehuisvest zijn, lijkt de situatie minder ongunstig voor de directieplaatsen in overheidsdiensten en in kleine ondernemingen, wat echter niet wegneemt dat het aandeel van de vrouwen op de hoogste trappen van de administratie vaak zeer klein is. Ook algemeen gezien geldt deze vaststelling: niet alleen zijn vrouwen in directieplaatsen ondervertegenwoordigd, maar bovendien groeit deze ondervertegenwoordiging evenredig met de verantwoordelijkheid. De volgende grafiek geeft de arbeidsmarktsegmentatie volgens het beroepsstatuut weer, d.w.z. werknemer in overheids- of privédienst, zelfstandige en werkgever.

Grafiek 23: Proportie vrouwen volgens beroepsstatuut en gewest (in %) - 2002 60 50

55,0 54,4

50,4 53,1 43,9 40,1 38,8 40,1

40

32,9 33,8 32,1 33,1

30

22,9 20,2 18,9 20,1

20 10 0 Loontrek. - openbaar

Loontrek. - privé

Brussels Gewest Bron:

Vlaams Gewest

Zelfstandigen Waals Gewest

Werkgever België

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

De indeling blijkt in de drie gewesten ongeveer gelijk te zijn: de meeste vrouwen werken in overheidsdienst (meer dan 50%), gevolgd door de private loondienst, met ongeveer 40%; bij de zelfstandigen bedraagt hun aandeel ongeveer 33% en bij de werkgevers daalt dit tot 20%. In drie statuten, werknemer in de openbare sector, werknemer in de privésector en werkgever, ligt het aandeel van de vrouwen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hoger dan in de twee andere gewesten. Dit komt doordat het genderverschil in de werkzaamheidsgraad in Brussel kleiner is dan in de andere gewesten. Het percentage vrouwen in de werkende beroepsbevolking is met 44,6% dan ook het hoogst in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Daarna volgt Vlaanderen met 42,2% en tot slot Wallonië met 41,4%. Men mag echter niet vergeten dat de Enquête naar de Arbeidskrachten met betrouwbaarheidsintervallen werkt, die bovendien groter zijn voor de kleine categorieën (bijvoorbeeld voor de werkgevers). De analyse van de

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

86

voorgaande jaren heeft aangetoond dat het aandeel van de vrouwelijke werkgevers in het Brussels Gewest nogal schommelt93, wat betekent dat de regionale verschillen met een zekere omzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden. Het gaat bijgevolg eerder om een grootteorde. Wel moet benadrukt worden dat de vrouwen onder de werkgevers duidelijk ondervertegenwoordigd zijn: ongeveer één werkgever op vijf is een vrouw (20%). Toch dient opgemerkt te worden dat hun aantal groeit, aangezien de vrouwen in het begin van de jaren 1990 over heel België slechts 12% van de werkgevers vertegenwoordigden.

5.4. Jobkenmerken In dit gedeelte bespreken we een aantal jobkenmerken, zoals de loonvoorwaarden, de precaire werkgelegenheid, de werkuren en -roosters, gezondheidsfactoren,... Arbeidsomstandigheden gaan vaak nauw samen met wat we de kwaliteit van het werk noemen. Deze kwaliteit hangt af van een hele reeks uiteenlopende en complexe factoren. In dit gedeelte bespreken we de voornaamste dimensies van de kwaliteit van het werk aan de hand van een aantal indicatoren.

5.4.1.

Loonvoorwaarden

In het begin van de 21ste eeuw worden mannen en vrouwen nog steeds niet gelijk verloond, ondanks de sterke stijging van het scholingsniveau van de vrouwen, wat maakt dat ze vandaag over het algemeen hoger gediplomeerd zijn dan de mannen. De ad hoc module van de Enquête naar de Arbeidskrachten van 2001 geeft informatie over de verloning van de loontrekkenden in België volgens woonplaats (en plaats van de arbeid)94. Het NIS heeft 32.209 loontrekkenden tussen 15 en 64 jaar in de loop van het jaar 2001 ondervraagd. Deze gegevens werden door het NIS gecorrigeerd om de invloed van de non-respons (ongeveer 47%) af te zwakken. De onderstaande grafiek geeft het gemiddelde maandelijkse nettoloon van voltijds werkende mannen en vrouwen weer volgens het gewest van de woonplaats.

Grafiek 24: Maandelijks nettoloon volgens woonplaats en gender (in € - voltijdse job) - 2001 1.800 1.600 1.400 1.200 1.000 800 600 400 200 0 Brussels Gewest

Vlaams Gewest Vrouwen

Bron:

Waals Gewest

België

Mannen

NIS-EAK

Enerzijds stellen we vast dat mannen en vrouwen die in het Brussels Gewest wonen globaal gezien een hoger loon krijgen. De verklaring hiervoor is tweeledig: aan de ene kant liggen de lonen van werknemers in het Brussels 93

94

Volgens de resultaten van de Enquête naar de Arbeidskrachten in 2001 bedroeg het aantal vrouwelijke werkgevers in het Brussels Gewest 17%. In hoofdstuk 4 worden de loonsverschillen bij vrouwelijke en mannelijke zelfstandigen besproken.

Werkende beroepsbevolking

87

Gewest gemiddeld hoger (concentratie van hooggekwalificeerde werknemers en arbeidsplaatsen met verantwoordelijkheid in het Brussels Gewest95) en aan de andere kant heeft de Brusselse werkende beroepsbevolking gemiddeld een hoger opleidingsniveau. Anderzijds zien we vooral dat vrouwen in de drie gewesten een lager nettoloon ontvangen dan mannen. Op nationaal niveau bedraagt het verschil 10,8%, in Brussel is de loonkloof het kleinst (6,9%). Deze beperktere loonafwijking in het Brussels Gewest t.o.v. de twee andere gewesten vindt zijn verklaring in het verschil in kwalificatiestructuur tussen de gewesten. Zo telt het Brussels Gewest in vergelijking met de twee andere gewesten een groter aantal hoger gediplomeerde werkneemsters, waardoor het gemiddelde vrouwelijke loon er hoger is dan in Vlaanderen en Wallonië. Meerdere factoren kunnen deze loonkloof tussen vrouwen en mannen verklaren. Allereerst dient opgemerkt te worden dat deze verschillen met omzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden. Het gaat immers om een globaal loongemiddelde, dat bijgevolg de verschillende situatie van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt reflecteert en meer specifiek de horizontale en verticale gendersegregatie, die eerder reeds werd besproken. Over de verschillen in verloning tussen vrouwen en mannen zijn tal van publicaties verschenen. Globaal gezien kunnen de verklaringen die voor het fenomeen worden aangereikt in twee groepen worden opgedeeld: de neoklassieke economische benadering (rationeel gedrag van de individuen) en een meer sociologische benadering (sociale, culturele, structurele factoren die de loonkloof verklaren). Een analyse van de oorzaken is complex, maar de verschillende benaderingen zijn het erover eens dat een deel van de verschillen verklaard kan worden (theorie van het menselijk kapitaal), maar dat een ander deel objectief niet verklaard kan worden en bijgevolg beschouwd moet worden als een vorm van discriminatie van de vrouw. Tal van factoren kunnen de loonverschillen verklaren: beroep, opleiding, beroepservaring, arbeidstijd, activiteitensector, "inzet", "verantwoordelijkheid", "moeilijkheidsgraad van de taken",… Bovendien kunnen sommige van deze factoren moeilijk in cijfers weerspiegeld worden en kan men moeilijk achterhalen hoe deze verschillende elementen bij de bepaling van het loon tegenover mekaar staan. De volgende twee grafieken geven de loonverschillen volgens diploma en leeftijd weer96. Zoals uit de grafieken blijkt, hebben beide factoren een zekere invloed op het loon, maar zijn zij ontoereikend om de genderverschillen te verklaren. De onderstaande grafiek geeft het verschil tussen vrouwen en mannen volgens het behaalde diploma weer. Enerzijds stellen we vast dat het loon, zowel bij de vrouwen als bij de mannen, met het diploma meer dan verhoudingsgewijs stijgt. Anderzijds zien we dat vrouwen, ongeacht het studieniveau, minder verdienen dan mannen. Dit betekent dat de factor studieniveau, hoewel hij algemeen gezien een rol speelt in de loonverschillen, op zich geen afdoende verklaring vormt voor de loonkloof.

95

96

Daar waar het Brussels Gewest 16% van het totale aantal Belgische arbeidsplaatsen concentreert, ligt dit percentage nog hoger voor de arbeidsplaatsen die worden ingenomen door werknemers met een diploma van het hoger onderwijs. Zo werkt 31% van de universitair geschoolden in België in het Brussels Gewest. Op het niveau van de directieplaatsen concentreert het Brussels Gewest 21% van de beroepen van het type "leden uitvoerende macht, bedrijfsleiders en hoger kader" op zijn grondgebied (bron: NIS-EAK, 2001). De resultaten in beide grafieken hebben betrekking op heel België.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

88

Grafiek 25: Maandelijks nettoloon in België volgens behaald diploma en gender (in € - voltijdse job) - 2001 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0 LO

Bron:

LSO

HSO

Hoger kort

Vrouwen

Mannen

Hoger lang

Universitair

NIS-EAK

De volgende grafiek toont de genderverschillen in het nettoloon volgens leeftijd.

Grafiek 26: Maandelijks nettoloon in België volgens leeftijd en gender (in €- voltijdse job) - 2001 2.000 1.500 1.000 500 0 20-24 j.

25-29 j. 30-34 j.

35-39 j.

40-44 j. 45-49 j.

Vrouwen Bron:

50-54 j. 55-59 j.

60-64 j.

Mannen

NIS-EAK

Uit de grafieken blijkt dat het loon zowel bij de vrouwen als bij de mannen toeneemt met de leeftijd. Niettegenstaande stellen we vast dat de stijging van het loon zwakker is bij de vrouwen dan bij de mannen. Dit betekent dat de loonkloof tussen vrouwen en mannen minder groot is bij jongeren, maar toeneemt met de leeftijd. Dit is deels te verklaren door het feit dat mannen in verhouding een duidelijkere loopbaanevolutie kennen dan vrouwen. De gegevens van beide grafieken zijn ontoereikend om de loonverschillen tussen vrouwen en mannen te verklaren. Bovendien blijkt uit de cijfers van de EAK dat de loonkloof tussen vrouwen en mannen ook varieert volgens activiteitensector en beroep. Een econometrische analyse op basis van gegevens over de loonverschillen tussen vrouwen en mannen op Belgisch niveau bevestigt enerzijds dat de theorie van het menselijk kapitaal op zich alleen de verschillen in verloning voor mannen en vrouwen in België niet kan verklaren en anderzijds dat vrouwen op de arbeidsmarkt qua loon gediscrimineerd worden97. Een andere studie uitgevoerd door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid98 heeft aangetoond dat iets meer dan de helft van de loonsverschillen niet verklaard kan 97

98

I. Bah et al., 2002-2003, Etude en panel des disparités salariales entre hommes et femmes: une comparaison européenne, seminarie ULB. Federal Public Service, Employment, Labour and Social Dialogue, 2003, Equal Pay in Belgium – Discussion Paper.

Werkende beroepsbevolking

89

worden door de klassieke factoren. Het gedeelte dat niet verklaard kan worden, kan in grote mate als discriminatie beschouwd worden.

5.4.2.

Precaire werkgelegenheid

Precaire werkgelegenheid wordt gedefinieerd als werkgelegenheid van tijdelijke duur. In deze categorie vinden we de arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur, uitzendarbeid, PWA-contracten99,… Algemeen kunnen we stellen dat tijdelijke werkgelegenheid een vorm van onstabiele arbeid is: zij geeft geen grip op de toekomst en brengt daardoor een soort van onzekerheidsgevoel teweeg. Bovendien kan onstabiele arbeid een negatief effect hebben op het algemene niveau van de verloning en op de mate waarin een onderneming bereid is in een opleiding te investeren. De volgende grafiek toont aan dat vrouwen in de drie gewesten van het land vaker tijdelijke arbeid verrichten dan mannen. Zo werkt 10,3% van de Brusselse vrouwen met een tijdelijke arbeidsovereenkomst, tegen 6,9% van de Brusselse mannen. In de twee andere gewesten zijn de verschillen nog groter.

Grafiek 27: Werknemers met een tijdelijke overeenkomst in de drie gewesten volgens gender (in %) - 2002 14 12 10 8

12,4

10,8 10,3 6,9

6,8 5,1

6 4 2 0 Brussels Gewest

Vlaams Gewest Vrouwen

Bron:

Waals Gewest

Mannen

NIS-EAK

De notie "tijdelijke arbeidsovereenkomst" dekt verscheidene soorten contracten. Naargelang het type overeenkomst is er een duidelijk verschil tussen vrouwen en mannen. 66,1% van de werknemers met een overeenkomst van bepaalde duur (op nationaal niveau100 goed voor 45% van de tijdelijke contracten) zijn vrouwen. In de uitzendarbeid daarentegen zijn vrouwen iets minder aanwezig dan mannen (45,1%101). In de PWA-banen, die 10% van de tijdelijke overeenkomsten vertegenwoordigen, werken verhoudingsgewijs de meeste vrouwen: maar liefst 84,7% van de PWA-werknemers zijn vrouwen. Hoewel occasionele arbeid slechts een miniem deel van de tijdelijke arbeid uitmaakt (1,4%) zijn ook hier de vrouwen in de meerderheid (52,5%).

99

100

101

Bevers T., 2004, Inégalités salariales entre les femmes et les hommes en Belgique, Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociale Concertatie, slides gepresenteerd op de studieavond "les femmes et l’emploi dans la Région de Bruxelles-Capitale", georganiseerd door CFFB. Hoewel een PWA-contract werklozen of leefloners betreft die een aantal uren per maand mogen werken, worden deze contracten hier als precaire werkgelegenheid beschouwd. We hernemen hier de indeling van de EAK die zich baseren op een internationale definitie van arbeid. Personen met een werkloosheidsuitkering die werken worden hier als werknemer beschouwd en niet als werkloze. Gezien de beperkte omvang van de steekproef in het Brussels Gewest voor bepaalde types tijdelijke overeenkomsten gebruiken we hier de nationale gegevens. Niettegenstaande blijft dit aandeel groter dan dat van de vrouwen met een overeenkomst voor onbepaalde duur (42,3%). Dit betekent dat vrouwen in de uitzendarbeid, ten opzichte van de tewerkstellingen voor bepaalde duur, eveneens lichtjes oververtegenwoordigd zijn.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

90

In alle leeftijdsklassen werken in verhouding meer vrouwen dan mannen met een tijdelijke overeenkomst. Verder zien we dat vooral jongeren, zowel vrouwen als mannen, meer tijdelijke arbeid verrichten. Bijna een derde van de Brusselse vrouwen en een vierde van de Brusselse mannen jonger dan 25 jaar werkt met een tijdelijk contract.

Grafiek 28: Werknemers met een tijdelijke arbeidsovereenkomst in het BHG volgens leeftijd en gender (in %) - 2002 40 35 30 25 20 15 10 5 0

32,0 26,1

8,9

15-24 jaar

5,4

25-49 jaar Vrouwen

Bron:

6,1

2,0

50 en +

Mannen

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

In de onderstaande grafiek stellen we vast dat de proportie vrouwen die een andere job zoeken uit schrik om hun huidige job te verliezen groter is dan de proportie mannen. De Enquête naar de Arbeidskrachten laat toe om de werknemers die op zoek zijn naar een andere job volgens hun motivatie te onderscheiden.

Grafiek 29: Redenen waarom Belgische werknemers een andere job zoeken (in %) - 2002 a) Vrouwen

b) Mannen Zoekt bet ere voorwaarden 40%

Zoekt bet ere voorwaarden 34%

Zoekt een bet rekking met minder uren 2% Zoekt bijkomende bet rekking of bet rekking met meer uren 16%

Bron:

Denkt de huidige bet rekking t e verliezen 24%

Betere overeenstemmin g met zijn kwalif icat ies 24%

Zoekt een bet rekking met minder uren 2% Zoekt bijkomende bet rekking of bet rekking met meer uren 10%

Denkt de huidige bet rekking t e verliezen 22%

Bet ere overeenst emmin g met zijn kwalificat ies 26%

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Zowel bij de vrouwen als bij de mannen vormen de arbeidsvoorwaarden de voornaamste reden om van werk te veranderen. Bij vrouwen is de vrees om de huidige job te verliezen de tweede reden om een andere baan te zoeken. Bij de mannen daarentegen wordt deze reden voorafgegaan door de wens om een betere overeenstemming te bereiken tussen de kwalificaties en de inhoud van de job.

Werkende beroepsbevolking

5.4.3.

91

Arbeidstijd

In dit gedeelte onderzoeken we drie aspecten van de arbeidstijd: deeltijdse arbeid, atypische werkuren en de wekelijkse arbeidsduur.

A.

Deeltijdse arbeid

Uit de volgende grafiek blijkt dat vrouwen in de drie gewesten vaker deeltijds werken dan mannen. Het aandeel van de vrouwen in de deeltijdse arbeid ligt in het Brussels Gewest aanzienlijk lager dan in Vlaanderen en Wallonië. Daar waar een vierde van de Brusselse vrouwen deeltijds werkt, bedraagt dit cijfer in de twee andere gewesten 40%. Daarentegen is deeltijdse arbeid onder de mannen in Brussel wijder verbreid dan in de twee andere gewesten.

Grafiek 30: Proportie deeltijdse werknemers in de drie gewesten volgens gender (in %) - 2002 50 40 30

41,4

39,7

25,9

20 10

9,8

5,6

5,1

0 Brussels Gewest

Vlaams Gewest Vrouwen

Bron:

Waals Gewest

Mannen

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

In vergelijking met 1992 is het aandeel van de deeltijds werkende vrouwen in het Brussels Gewest stabiel gebleven (24,5%). In het Vlaams en in het Waals Gewest is hun aantal daarentegen sterk gestegen: in 1992 werkte respectievelijk 27,4% en 30,7% van de vrouwen deeltijds. Dit betekent dat de deeltijdse arbeid in de twee andere gewesten duidelijk aan belang heeft gewonnen, zoals ook blijkt uit de volgende tabel.

Grafiek 31: Evolutie van het aantal deeltijds werkende vrouwen in de drie gewesten (1992-2002) 450.000 400.000 350.000 300.000 250.000 200.000 150.000 100.000 50.000 0 Brussels Gewest

Vlaams Gewest 1992

Bron:

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

2002

Waals Gewest

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

92

Terwijl de vrouwelijke deeltijdse arbeid in Brussel ten opzichte van 1992 lichtjes gestegen is (+2,5%) noteren we in Vlaanderen en Wallonië een stijging van respectievelijk 56,8% en 20,3%. Deze verschillende evolutie van de deeltijdse arbeid kan een verklaring vormen voor de verschillen die we in hoofdstuk 3 in verband met de evolutie van de vrouwelijke werkzaamheidsgraad hebben opgetekend. Het is immers zo dat bij de berekening van de werkzaamheidsgraad geen onderscheid wordt gemaakt tussen deeltijdse en voltijdse arbeid. Over het algemeen is deeltijdse arbeid frequenter in de tertiaire dan in de secundaire sector (respectievelijk 26,2% en 22,7%). Voor de mannen bedragen deze cijfers respectievelijk 10,8% en 5%. Er zijn grote verschillen volgens type activiteit. Deeltijdse arbeid komt vaker voor in de horeca (ook voor de mannen), de handel, het onderwijs, de gezondheidssector en de collectieve en sociale diensten. Bijna een derde van de vrouwen in deze sectoren werkt deeltijds. De volgende tabel deelt de deeltijdse arbeid in volgens leeftijdsklasse. We stellen vast dat in alle leeftijdsgroepen meer vrouwen dan mannen deeltijds werken. Toch is het genderverschil kleiner bij de jongeren dan bij de andere leeftijdsklassen. De verklaring hiervoor is dat jongeren voornamelijk deeltijds werken wanneer zij geen voltijdse baan vinden of wanneer zij een opleiding en een job combineren (de redenen waarom men deeltijds werkt, worden in de volgende paragraaf toegelicht). Beide factoren vinden we zowel bij de mannen als bij de vrouwen in ongeveer dezelfde mate terug, in tegenstelling tot familiale redenen, die vooral door vrouwen worden genoemd, maar dan eerder in de hogere leeftijdsklassen. Op Belgisch niveau doet zich hetzelfde fenomeen voor, zij het minder uitgesproken.

Grafiek 32: Proportie deeltijdse werknemers in het BHG volgens leeftijd en gender (in %) - 2002 30 25 20

24,4 21,1

21,9

19,7

15

8,8

10

7,4

5 0 15-24 jaar

25-49 jaar Vrouwen

Bron:

50 en +

Mannen

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

De Enquête naar de Arbeidskrachten vraagt de deeltijdse werknemers de reden waarom zij in deze arbeidsvorm tewerkgesteld zijn. Op basis van deze gegevens kunnen we de redenen die door vrouwen en door mannen worden aangehaald met mekaar vergelijken. 42% van de Brusselse vrouwen werkt deeltijds omwille van de kinderopvang of andere persoonlijke of familiale redenen. In de twee andere gewesten ligt dit aantal hoger: 62,5% van de Vlaamse en 47,8% van de Waalse vrouwen werkt deeltijds omwille van familiale redenen. Het is interessant op te merken dat deze reden door slechts 17% van de Brusselse deeltijds werkende mannen werd genoemd. In de twee andere gewesten zien we dezelfde genderverschillen. De tweede reden die de Brusselse vrouwen vernoemen, is dat zij geen voltijdse betrekking hebben gevonden. Voor de Brusselse en de Waalse mannen is dit de eerste reden waarom zij deeltijds werken (respectievelijk 41,8% en 46,2%). In Vlaanderen is dit voor slechts 13,6% van de mannen het geval. Deze verschillen tonen duidelijk het contrast aan tussen de Vlaamse arbeidsmarkt enerzijds en de Brusselse en Waalse arbeidsmarkt anderzijds. Bij de vrouwen vinden we hetzelfde contrast: daar waar 23,1% van de Brusselse vrouwen en 30,1% van de Waalse vrouwen aangeeft geen voltijdse baan te hebben gevonden, is dit slechts 11,3% bij de Vlaamse vrouwen. Deze laatste resultaten tonen aan dat deeltijdse arbeid voor bijna een vierde van de Brusselse vrouwen

Werkende beroepsbevolking

93

geen bewuste keuze, maar eerder een verplichting is. Ook moet onderlijnd worden dat de formulering van de vragen van de EAK i.v.m. de redenen van deeltijdse arbeid niet toelaat om in geval van deeltijds werk om familiale redenen te achterhalen of dit al dan niet vrijwillig gebeurt. Zo kunnen redenen van familiale aard (kinderopvang,…) in sommige gevallen als een externe dwingende factor worden gezien, terwijl het voor anderen om een persoonlijke keuze kan gaan. Op basis van de gegevens van de EAK kunnen we niettemin veronderstellen dat deeltijdse arbeid voor Brusselse en Waalse vrouwen vaker dan voor Vlaamse vrouwen een verplichting en niet een bewuste keuze is. De onderstaande grafiekenen tonen eveneens aan dat deeltijdse arbeid door mannen vaker gekozen wordt in combinatie met een opleiding (10% tegenover 3% bij de vrouwen).

Grafiek 33: Redenen van deeltijdse arbeid in het Brussels Gewest volgens gender (in %) - 2002 a) Vrouwen Combinat ie opleiding - werk 3%

b) Mannen Andere 16%

Andere 23% Combinat ie opleiding - werk 10%

Geen volt ijds werk gevonden 23%

Geen volt ijds werk gewenst 16%

Geen volt ijds werk gewenst 9%

Kinderopvang en andere persoonlijke redenen 42%

Bron:

B.

Geen volt ijds werk gevonden 41%

Kinderopvang en andere persoonlijke redenen 17%

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Werkuren

De volgende tabel geeft een overzicht van het percentage Brusselse mannen en vrouwen die atypische werktijden presteren. Bij atypische werktijden gaat het in de eerste plaats om avond- of zaterdagwerk, vervolgens om zondagwerk en tot slot om nachtwerk (dat minder frequent is). De sectoren waar we dit soort werktijden het meest terugvinden, zijn de horeca, de vervoersector, de gezondheidssector, de collectieve diensten en de handel. Wat opvalt, is dat onregelmatige werktijden iets minder frequent zijn onder de Brusselse beroepsbevolking (voor vrouwen en mannen) dan in de twee andere gewesten.

Grafiek 34: Brusselaars met atypische werktijden volgens gender (in %) - 2002 35

30,9

30 25 20

29,2 24,1

20,0

18,9 14,3

15

11,2

10

5,1

5 0 's Avonds

's Nachts Vrouwen

Zaterdag

Zondag

Mannen

Opmerking: Het gaat om het percentage Brusselaars dat soms, gewoonlijk of altijd volgens onregelmatige werktijden werkt. Bron: NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

94

De bovenstaande grafiek wijst uit dat meer mannen dan vrouwen met onregelmatige uren werken. Bij nacht- en avondwerk zijn de genderverschillen groter dan bij weekendwerk. Daar waar mannen in het Brussels Gewest iets vaker weekendwerk verrichten dan vrouwen, geldt dit niet op nationaal niveau, waar mannen en vrouwen een vergelijkbaar aandeel in het zaterdag- en zondagwerk vertegenwoordigen. Uit de gegevens blijkt dat avondwerk, maar vooral nachtwerk, voornamelijk door mannen wordt verricht. Onder de beroepsactieve werknemers die 's nachts werken, tellen we drie keer zoveel Brusselse mannen dan vrouwen. Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe wet betreffende de nachtarbeid (wet van 17 februari 1997) wordt voor nachtwerk geen onderscheid meer gemaakt tussen mannen en vrouwen. Deze evolutie betekent een "vooruitgang" in de gelijkheid tussen mannen en vrouwen, ook al is geweten dat verscheidene vormen van flexibiliteit nadelige gevolgen hebben voor de arbeidsomstandigheden van de loontrekkenden. Nachtwerk en andere flexibiliteitsvormen hebben negatieve gevolgen voor de gezondheid (hartritme, stress, vermoeidheid,…). Nachtwerk leidt immers tot een verstoring van het sociale leven en van het bioritme van de werknemers, en meer in het bijzonder van de werkneemsters, met een negatieve invloed op de levenskwaliteit. De kwestie van het dilemma tussen "gelijkheid en bescherming" heeft een belangrijke evolutie gekend. De normen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), die nachtwerk door vrouwen in de industrie verboden of beperkt hebben, werden aanvankelijk onthaald als een belangrijke stap voorwaarts in de bescherming van de werkneemsters. Vandaag worden deze beperkingen echter steeds meer als obstakels voor de gelijkheid beschouwd. Verscheidene lidstaten zijn tegen deze normen gekant en zijn voorstander van de bescherming van alle nachtwerkers, ongeacht hun geslacht, zoals ook de nieuwe Belgische wet betreffende nachtwerk illustreert.

C.

Wekelijkse arbeidsduur

De volgende grafiek toont de werktijden van de Brusselse werkenden volgens gender. Zij toont aan dat het aandeel van de vrouwen evenredig met de werktijden daalt. Ook zien we dat de Brusselse vrouwen gemiddeld langere werktijden hebben dan de vrouwen in de twee andere gewesten. Zo werkt 56% van de Brusselse vrouwen meer dan 37 uur, tegen 45,6% in Vlaanderen en 44% in Wallonië. Dit verschil is deels te verklaren door het feit dat deeltijdse arbeid minder frequent is onder de Brusselse beroepsbevolking. Anderzijds speelt ook het type arbeid in het Brussels Gewest een rol. Tot slot benadrukken we dat deze gegevens uitsluitend rekening houden met de werktijd van de beroepsactiviteit. Het volgende deel biedt een ruimer perspectief door de dubbele werklast - enerzijds beroeps- en anderzijds gezinsarbeid - van vooral de vrouwen aan te tonen.

Grafiek 35: Brusselse werkende beroepsbevolking volgens effectieve werktijd en gender (in %) - 2002 100% 80% 60% 40% 20% 0% 1-10 uren

11-20 uren

21-30 uren Vrouwen

Bron:

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

31-36 uren Mannen

37-40 uren

41 en +

Werkende beroepsbevolking

5.4.4.

95

Beroeps- en gezinsarbeid

De notie dubbele werkdag verwijst naar de verdeling van de huishoudelijke en familiale taken en verantwoordelijkheden tussen mannen en vrouwen, en naar de verschillen in beroepsarbeid. Zo vormt de verrichting van onbetaald werk, met name de huishoudelijke taken, een belangrijk verklarend element voor de economische en professionele ongelijkheid tussen vrouwen en mannen. De erkenning van het huishoudelijk werk, na kritiek vanuit feministische hoek, heeft de ongelijkheid aangetoond in de verdeling van de huishoudelijke/familiale en beroepstaken binnen het gezin. Want hoewel vrouwen steeds meer op de arbeidsmarkt aanwezig zijn, blijven de huishoudelijke taken erg ongelijk verdeeld: in één fictieve week besteden vrouwen 23 uur 58 minuten aan huishoudelijke taken, tegenover 13:36 voor de mannen102. De productie-eenheid is hier het gezin en omvat: "het geheel van goederen en diensten dat elk gezinslid voor zijn eigen behoeften en buiten de beroepsactiviteiten creëert 103"; zij bestaat uit een "harde kern", met name het beheer van de voedselvoorraden, het onderhoud van de woning, de was en de dagelijkse zorg voor de gezinsleden (kinderen en afhankelijke volwassenen). Een ruimere definitie rekent hier ook een aantal ludieke activiteiten bij, zoals tuinieren, klusjes of ontspanning104. Methodologisch gezien is de huishoudelijke productie moeilijk af te bakenen door middel van de klassieke meetinstrumenten uit de macro-economie: of zij nu gratis is binnen het gezin of uitbesteed wordt aan de informele economie, zij blijft hoe dan ook onzichtbaar in de nationale rekeningen. Alleen via een valorisering van de werktijd kan de huishoudelijke productie in kaart worden gebracht. Zo maakt een onderzoek naar de tijdsbesteding het mogelijk om de huishoudelijke productie af te leiden uit de sociale tijd die aan beroepsactiviteiten besteed wordt en de tijd die naar onbetaalde activiteiten gaat. Onder impuls van Eurostat heeft het NIS in 1999 een "Tijdsbudgetonderzoek" gevoerd. Tussen december 1998 en februari 2002 hebben 8.332 Belgen van 12 tot 95 jaar gedurende twee dagen (één weekdag en één zaterdag of zondag) elke tien minuten hun activiteiten gedetailleerd: ruiten wassen, huisvuil sorteren, de kinderen begeleiden bij buitenschoolse activiteiten, met de kaarten spelen…

A.

De vijf tijden van een gezin

De enquête naar "de tijdsindeling en de taakverdeling in de gezinnen" onderscheidt 5 grote sociale tijden105: - Beroepsarbeid in de brede zin, die de beroepstijd omvat, periodes van beroepsopleiding, zoeken naar werk, verplaatsingen tussen woon- en werkplaats,…; - De tijd voor de huishoudelijke taken: het huishouden in de eigenlijke zin (koken, wassen en strijken, boodschappen, tuinieren, verzorging van de huisdieren,…), maar ook de contacten met administraties of openbare diensten (belastingen, gemeente, politie, post); - De persoonlijke en vrije tijd, die opgedeeld wordt in lichaamsverzorging (manicure, sauna, scheren…) en gezondheidszorg (inname van medicijnen, doktersbezoeken,…), en in sociale activiteiten, zowel als deelnemer (vrijwilligerswerk, culturele, politieke of sociale evenementen) of ter ontspanning (sport, lezen, theater, televisie,…); - De fysiologische tijd: bijvoorbeeld eten, slapen, zich wassen,…; - De ouderlijke taken, die ingedeeld worden in omgangstijd (spelen en lezen buiten het schoolkader, gesprekken), huishoudelijke ouderschapstijd (eten geven en vlees snijden, aankleden, in bed leggen,…), taxiouderschapstijd (de kinderen naar de crèche brengen, naar school of naar buitenschoolse activiteiten, met de kinderen naar de dokter gaan,…) en tot slot school-ouderschapstijd (huiswerk nakijken, schoolbezoeken,...). 102 103

104 105

Glorieux I. en J. Vandeweyer, 2001, Dit is Belgisch …tijdsbestedingspatronen in Vlaanderen, Wallonië en Brussel, NIS, TOR. Glaude M., 1999, L'égalité entre les hommes et les femmes où en sommes-nous? In: Egalité entre les hommes et les femmes aspects économiques, pp. 71-103. Glaude M., 1999. Enquête uitgevoerd onder leiding van Barrere-Maurisson M.A., Buffier-Morel M. en S. Rivier, 2001, Le partage du temps et des tâches dans le ménage, cahier travail emploi, ed La documentation française, pp.18-19.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

96

B.

De tijd van de vrouwen106

De verdeling van de verschillende activiteiten tussen vrouwen en mannen stelt ons in staat om het rollenpatroon te achterhalen volgens hetwelk de taken of de werktijd in het gezin verdeeld worden. Tevens kunnen we een preciezere voorstelling maken van de verschillen in tijdsbesteding tussen vrouwen en mannen ten gevolge van huishoudelijke en familiale verplichtingen en verantwoordelijkheden, wat hoofdzakelijk vrouwelijke activiteiten blijven. Een voorbeeld hiervan is een onderzoek van de sociale tijd volgens werksituatie.

Tabel 53: Indeling van de sociale tijd in België volgens werksituatie en gender (fictieve week - in uren en minuten) - 1999 Voltijds

Deeltijds

Zonder werk

Beroepsarbeid Vrouwen Mannen

29:57 35:21

21:59 27:12

1:09 1:49

20:17 13:11

25:09 12:41

33:04 21:40

43:14 46:52

44:34 52:09

56:14 67:05

60:05 58:04

60:06 60:59

64:33 65:30

3:20 2:26

5:07 2:01

4:34 1:25

Huishoudelijke taken Vrouwen Mannen Persoonlijke en vrije tijd Vrouwen Mannen Fysiologische tijd Vrouwen Mannen Ouderlijke taken Vrouwen Mannen Bron:

NIS-Enquête naar de tijds- en vrijetijdsbesteding, berekeningen Observatorium

Meer huishoudelijk werk voor de vrouwen: ongeacht hun werksituatie verrichten vrouwen het grootste deel van het huishoudelijke werk: in alle situaties besteden vrouwen meer tijd aan het huishouden dan mannen. Een interessante vaststelling is dat dit verschil nog groter wordt in geval van deeltijdse arbeid. Zo zijn vrouwen die voltijds werken wekelijks gemiddeld 7 uur langer met het huishouden bezig dan mannen die voltijds werken en loopt dit verschil voor deeltijds werkende vrouwen op tot 12:30. Bij de mannen daarentegen blijft de bijdrage aan het huishouden ongewijzigd, ongeacht het arbeidsregime (voltijds, deeltijds). Bovendien zijn vrouwen met een deeltijdse baan gemiddeld 47:08 aan het werk (beroepsarbeid, huishoudelijke taken en familiale tijd) tegen 39:53 bij de mannen. Ondanks het feit dat vrouwen steeds vaker een activiteit in loondienst uitoefenen, worden huishoudelijke taken, uitgaande van de indeling van de tijd voor de huishoudelijke taken, nog steeds hoofdzakelijk door vrouwen verricht.

Meer vrije tijd voor de mannen: als we alleen de tijd die naar vrijetijdsbesteding gaat in aanmerking nemen, dan zien we dat deze voor voltijds werkende mannen 22:32 per week bedraagt (tegenover 18:08 voor de vrouwen), voor deeltijds werkende mannen 25:57 (tegenover 18:51) en voor werkloze mannen 38:53 (tegenover 27:39 voor de vrouwen)107. Ook al hebben elektrische huishoudapparaten en het principe van de arbeidsherverdeling de zorgtijd iets kunnen terugdringen, stellen we vast dat de tijd die hierdoor vrijkomt naargelang het geslacht anders wordt ingevuld108. Een gelijkere verdeling van de ouderlijke taken maar een geslachtsgebonden verdeling van de verantwoordelijkheden: wanneer we ten opzichte van de beroepsactiviteit de tijd onderzoeken die ouders aan hun ouderlijke taken besteden, stellen we vast dat de taken bij voltijds of deeltijds werkende ouders gelijker

106 107 108

Meda D., 2001, Le temps des femmes, pour un nouveau partage des rôles, Ed. Flammarion. NIS-Enquête naar de tijds- en vrijetijdsbesteding, 2002. Dumontier F. en Pan Ke Shon, 1999, En treize ans moins de temps contraint et plus de loisirs, INSEE première n° 675.

Werkende beroepsbevolking

97

verdeeld zijn. We constateren echter dat ouders ongeacht hun beroepssituatie zeer weinig tijd voor de kinderen kunnen vrijmaken: op weekdagen minder dan twee uur per dag. Anderzijds worden de ouderlijke taken in de enquête in twee groepen opgesplitst: de eerder huishoudelijke zorg voor de kinderen (bad geven, toezicht buiten de schooluren, eten, naar de dokter gaan,…) en die taken die verband houden met de socialisatie en de opvoeding van de kinderen (gesprekken, spelletjes, nazicht van het huiswerk, bezoeken aan de school of crèche). Dit onderscheid toont een aantal verschillen in de taakverdeling tussen de ouders aan. Daar waar vrouwen meer tijd besteden aan de verzorgende taken, houden mannen zich meer bezig met educatieve en ludieke activiteiten: onder de voltijdse werknemers besteden vrouwen op weekdagen dagelijks meer dan één uur aan de verzorging van de kinderen (tegenover 37' voor de mannen) en besteden mannen 55 minuten aan de opvoeding (tegenover 48' voor de vrouwen). Bij deeltijds werkenden zijn de verschillen groter: mannen zijn 1:25 met de opvoeding van de kinderen bezig (tegenover 48' voor de vrouwen), terwijl de tijd die aan huishoudelijke zorg wordt besteed gelijk blijft (1:03, 0:37).

D.

De gezinssituatie

De onderstaande tabel geeft de relatie tussen de sociale tijd en de gezinssamenstelling weer. Hierdoor is het mogelijk om het tijdsgebruik volgens gender in functie van de aanwezigheid van kind(eren) te evalueren.

Tabel 54: Indeling van de sociale tijd in België volgens gezinssituatie en gender (fictieve week - in uren en minuten) - 1999 Met partner en kind (eren) van minstens 16 jaar

Week

Zaterdag

Zondag

6:16 8:04

6:17 5:29

4:39 4:26

4:15 2:15

4:21 3:34

6:21 6:31

Met partner zonder kind

Week

Zaterdag

Zondag

7:30 6:45

5:35 5:42

4:10 4:37

3:33 2:30

4:20 2:59

4:13 3:26

8:07 8:54

8:14 9:21

8:07 8:41

8:19 7:56

8:55 8:49

10:08 10:06

9:14 8:57

1:31 1:00

1:30 1:21

1:46 1:27

Alleenstaande persoon

Week

Zaterdag

Zondag

7:14 6:59

7:26 5:24

5:22 4:27

3:03 2:11

3:49 2:54

3:48 2:48

2:54 2:31

9:13 9:56

10:52 10:23

8:16 8:58

9:56 10:27

10:07 10:06

9:25 9:24

10:25 10:23

9:17 8:37

9:09 8:48

9:42 9:41

Beroepsarbeid Vrouwen Mannen Huishoudelijke taken Vrouwen Mannen Persoonlijke tijd Vrouwen Mannen Fysiologische tijd Vrouwen Mannen Ouderlijke taken Vrouwen Mannen Bron:

NIS-Enquête naar de tijds- en vrijetijdsbesteding, berekeningen Observatorium

Met de aanwezigheid van een kind(eren) neemt de tijd die een vrouw aan huishoudelijke taken besteedt toe: voor de man neemt deze tijd af, terwijl de ouderlijke taken dezelfde blijven. Enkel vrouwen die alleen zijn, besteden minder tijd aan het huishouden. Dit betekent dat de gezinssituatie een invloed heeft op de huishoudelijke tijd van de vrouw. Deze statistische vaststelling kan wellicht in verband gebracht worden met de studies van Jean Claude Kauffmann109, die de huishoudelijke organisatie beschrijft als het toneel voor symbolische uitwisselingen en voor de identiteitsconstructie binnen het koppel.

Meer vrije tijd voor alleenstaanden, ongeacht het geslacht: Alleenstaanden hebben meer tijd voor zichzelf. Zo beschikken vrijgezelle mannen over bijna twee en een half uur meer persoonlijke tijd dan mannen

109

Kaufmann J.C., 1997, Le coeur à l'ouvrage, théorie de l'action ménagère, Ed Nathan.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

98

met een partner en kinderen (tegenover 1:55 voor de vrouwen). Ongeacht hun gezinssituatie blijven mannen over meer persoonlijke en vrije tijd beschikken dan vrouwen.

Weinig verschil tussen de arbeidstijd van alleenstaande vrouwen en mannen: de verschillen in beroepsarbeid zijn het kleinst bij personen die alleen leven. Dit laat vermoeden dat de gezinssituatie een invloed heeft op de werktijd: in afwezigheid van een partner en kinderen zijn vrouwen geneigd langer te werken, terwijl mannen de tijd besteed aan beroepsarbeid daarentegen lijken in te korten.

E.

Studieniveau

Niet alleen de gezins- en arbeidssituatie hebben een sterke invloed op de huishoudelijke taken. Ook het diploma biedt een verklaring voor de verschillen in huishoudelijke activiteit tussen vrouwen en mannen.

Tabel 55: Indeling van de sociale tijd volgens diploma en gender (fictieve week - in uren en minuten) - 1999 Lager onderwijs

Lager secundair

Hoger secundair

Hoger en univ

Week.

Za.

Zon.

Week.

Za.

Zon.

Week.

Za.

Zon.

Week.

Za.

Zon.

5:44 7:45

4:43 6:57

4:18 5:43

6:12 7:50

5:55 7:20

3:25 5:17

6:41 7:54

6:33 6:36

5:54 5:17

6:46 7:41

3:55 4:39

4:46 3:38

4:35 3:12

4:04 3:13

3:13 2:35

4:41 2:52

4:33 3:05

3:14 2:08

3:49 2:21

3:56 3:25

3:09 2:19

3:16 2:10

3:57 3:15

3:11 2:23

8:26 8:50

9:34 10:14

9:39 10:15

7:38 8:03

8:54 9:41

9:19 8:54

7:04 7:38

8:53 9:33

9:04 9:52

6:35 7:05

8:51 9:28

8:30 9:51

9:45 9:18

9:53 9:24

10:14 10:22

8:59 8:28

9:02 9:05

10:17 10:24

8:30 8:06

8:53 8:46

10:13 10:00

8:24 8:03

8:54 8:43

9:59 9:55

1:23 1:30

1:35 1:47

1:36 1:47

1:36 1:08

1:29 1:36

1:32 1:19

1:27 1:03

1:42 1:29

1:13 1:33

1:27 0:38

1:18 0:48

1:18 0:45

Beroepsarbeid Vrouwen Mannen Huishoudelijke taken Vrouwen Mannen Persoonlijke tijd Vrouwen Mannen Fysiologische tijd Vrouwen Mannen Ouderlijke taken Vrouwen Mannen Bron:

NIS- Enquête naar de tijds- en vrijetijdsbesteding, berekeningen Observatorium

Omvang van de huishoudelijke taken omgekeerd evenredig met het opleidingsniveau: bij identieke omstandigheden besteden vrouwen met een diploma van het hoger onderwijs of de universiteit veel minder tijd aan huishoudelijke taken dan vrouwen met een diploma van het lager onderwijs (-1:15), het lager secundair (-1:25) en het hoger secundair (-0:30). In micro-economische termen kunnen deze verschillen rationeel benaderd worden door het afwegen van de opportuniteitskosten, d.w.z. de inkomstenderving veroorzaakt door het verrichten van huishoudelijk werk en de vervangingskosten, d.w.z. de prijs van de dienstverlening. Sommige studies over de huishoudelijke productie hebben dezelfde tendens aangetoond in de sociaaleconomische profielen van personen die een beroep doen op buitenstaanders voor de uitvoering van de huishoudelijke taken110: ƒ een verband tussen het studieniveau (mannen en vrouwen) en het uitbesteden van huishoudelijke taken zoals schoonmaken, de bereiding van maaltijden, kinderopvang; ƒ een verband tussen de uitbesteding van taken en het inkomensniveau, of de solvabiliteit van de huishoudens; ƒ een verband tussen het scholingsniveau en de identiteitsconstructie binnen de familiale context111.

110

111

Van Haegendoren M. en G. Verreydt, 1993, Informele economie in het dagelijkse leven van vrouwen. Barrere-Maurisson, 2001. Kaufman J.C, 1997.

Werkende beroepsbevolking

F.

99

De combinatie van beroeps- en gezinstijd

Voor gezinnen met twee inkomens is de combinatie van werk en gezin moeilijker dan voor gezinnen met één inkomen. De gezamenlijke werklast van man en vrouw in een gezin met twee inkomens ligt in de buurt van de 106 uur per week, tegen 93 uur in gezinnen met één inkomen112. De gezinshoofden in eenoudergezinnen, meestal vrouwen, moeten alleen voor alle taken opdraaien, waardoor het nog moeilijker is om een evenwicht te vinden tussen beroeps- en gezinstijd. De resultaten van een enquête die in Frankrijk werd gevoerd113, tonen aan dat de arbeidstijd (betaalde en niet-betaalde werktijd) van alleenstaande ouders voor zowel de mannen als de vrouwen hoger ligt dan bij koppels die samenleven114. Doordat vrouwen steeds vaker en op permanente basis aan de arbeidsmarkt deelnemen, blijft de vrouwelijke werkdruk alleen maar toenemen, of het nu om bezoldigde arbeid gaat of niet. Bij mannen is deze werkdruk afhankelijk van het volume betaalde arbeid: per week werken zij 8 uur langer in loondienst. De tijdsbesteding van vrouwen is van haar kant verdeeld tussen de huishoudelijke en de professionele sfeer, met een totale werkdruk van 37:35 (resp. 35:02 voor de mannen)115. Een onderzoek van het tijdsgebruik toont enerzijds aan dat de tijdsindeling sterk aanleunt bij wat als "typisch vrouwelijke en typisch mannelijke" sociale rollen wordt beschouwd. Anderzijds blijkt dat vooral van vrouwen verwacht wordt dat zij inspanningen leveren om gezin en beroep op een evenwichtige manier te combineren, aangezien "zij zich bezighouden met de planning en de concrete organisatie tussen de verschillende tijden en plaatsen: zij zijn tijdsreservoirs en levende coördinatievoorzieningen"116. Daar waar de duur van de mannelijke betaalde arbeid flexibel is, geldt dit niet voor de vrouwen, doordat het ritme van het gezin geregeld en onveranderlijk is (openingsuren crèche, school, administratieve diensten…). Wat het vrouwelijke en mannelijke tijdsgebruik betreft, blijven de Europese aanbevelingen betreffende de combinatie van beroeps- en gezinsleven117 dan ook prangend actueel.

G.

De Brusselse situatie

Dit laatste deel, ten slotte, zet enkele specifieke kenmerken van het tijdsgebruik van de inwoners van het Brussels Gewest in de verf.

Tabel 56: Indeling van de activiteiten volgens gewest en gender (fictieve week - in uren en minuten) - 1999 Brussels Gewest

V

%

M

Vlaams Gewest

%

V

%

M

Waals Gewest

%

V

%

M

%

Arbeid Huishoudelijke taken Verzorging en opvoeding van kinderen

12:11 21:53 02:41

7 13 2

18:30 12:30 01:23

11 7 1

10:32 23:42 03:48

7 13 2

19:49 14:28 02:34

12 9 2

09:24 25:02 02:34

6 15 2

16:00 15:27 00:58

9 9 1

Persoonlijke verzorging Slapen en rusten Onderwijs en vorming Sociale activiteiten Vrije tijd Op weg

17:24 64:00 04:45 09:27 26:16 09:50

10 37 3 6 16 6 100

16:01 62:49 05:23 09:29 30:28 11:38

10 37 3 6 18 7 100

16:45 64:10 05:19 09:44 25:09 09:16

10 37 3 6 16 6 100

15:32 61:53 05:27 08:57 28:59 11:03

9 36 3 5 17 7 100

17:38 65:11 04:16 10:35 25:43 08:16

10 38 3 6 15 5 100

16:54 63:09 05:01 09:54 31:40 09:36

10 37 3 6 19 6 100

Bron:

112 113

114

115 116 117

NIS-Enquête naar de tijds- en vrijetijdsbesteding, berekeningen Observatorium

Glorieux I. en J. Vandeweyer, 2001, 24 uur … Belgische tijd: een onderzoek naar de tijdsbesteding van de Belgen, TOR. Op basis van de publicaties van het NIS over tijdsbesteding en vrije tijd is een indeling naar deze gezinssituaties niet mogelijk. Barrère-Maurisson M-A., Rivier Matisse S. en C. Minni, 2001, le partage des temps pour les hommes et les femmes: ou

comment conjuguer travail rémunéré, non rémunéré et non travail.

Barrère-Maurisson M-A., Rivier Matisse S. en C. Minni, 2001. Meda D., 2001, p. 51 Resolutie van de Raad van de ministers van Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, bijeen in de Raad van 29 juni 2000, betreffende de evenwichtige deelneming van mannen en vrouwen aan het beroeps- en gezinsleven. PB C 218 van 31.7.2000.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

100

Grafiek 36: Indeling van de activiteiten in een fictieve week in het Brussels Gewest volgens gender (in %) - 1999 a) Vrouwen

b) Mannen 7%

6%

11%

18%

16%

7%

7% 13%

1%

2% 6%

10% 6%

10%

3%

3% 37% B ero epsarbeid Verzo rging en o pvo eding kind. Slapen en rusten So ciale activiteiten Op weg

Bron:

Huisho udelijke taken P erso o nlijke verzo rging Onderwijs en vo rming Vrije tijd

37% B ero epsarbeid Verzo rging en o pvo eding kind. Slapen en rusten So ciale activiteiten Op weg

Huisho udelijke taken P erso o nlijke verzo rging Onderwijs en vo rming Vrije tijd

NIS-Enquête naar de tijds- en vrijetijdsbesteding, berekeningen Observatorium

Wanneer we de indeling van de activiteiten van vrouwen en mannen volgens gewest analyseren, dan stellen we het volgende vast: ƒ De verschillen in tijd besteed aan beroepsarbeid kunnen enerzijds verklaard worden door de ongelijke economische context in de drie gewesten en anderzijds door het aandeel van de niet-beroepsactieven in de steekproef, die de 12- tot 95-jarigen omvat. De verschillen tussen mannen en vrouwen kunnen van hun kant gerelateerd worden aan het feit dat vrouwen vaker deeltijds werken. ƒ De tijd die besteed wordt aan huishoudelijke taken varieert van gewest tot gewest. Deze verschillen hangen ongetwijfeld samen met de stedelijke context, het tweeverdienersmodel en het studieniveau van de respondenten. De gewestelijke verschillen zijn kleiner dan de verschillen tussen beide geslachten: in België komen de huishoudelijke taken hoofdzakelijk ten laste van de vrouw. Dit is vooral zo in Wallonië, waar vrouwen 15 % van hun tijd aan het huishouden besteden. De mindere bijdrage van de Brusselse vrouwen aan de huishoudelijke taken heeft wellicht te maken met het feit dat het aantal vrouwen met een diploma van het hoger en universitair onderwijs er verhoudingsgewijs veel groter is. Parallel daarmee staat het grotere aandeel van de Waalse vrouwen in het huishouden wellicht eveneens in verband met het behaalde diploma. ƒ In de drie gewesten besteden vrouwen meer tijd aan ouderlijke taken dan mannen. In het Vlaams Gewest besteden zowel mannen als vrouwen meer tijd aan de kinderen. ƒ In de drie gewesten gaat ongeveer even veel tijd naar vorming, slaap, sociale activiteiten en persoonlijke verzorging. ƒ In de vrijetijdsbesteding is er weinig verschil tussen de gewesten. Wel stellen we vast dat het percentage en de duur ervan voor de vrouwen iets lager zijn dan voor de mannen. Brusselse vrouwen hebben iets meer vrije tijd dan Vlaamse en Waalse vrouwen. ƒ De tijd besteed aan verplaatsingen is groter in Brussel en in Vlaanderen, vooral bij de mannen. De hoge pendelgraad werd eerder reeds aangeduid als een typisch Brussels fenomeen. Samengevat hebben de genderverschillen in tijdsbesteding in alle gewesten hoofdzakelijk betrekking op drie soorten taken: het werk, het huishouden en de opvoeding van de kinderen. Hieruit blijkt duidelijk dat het stereotiepe beeld van man en vrouw blijft bestaan.

5.4.5.

Werk en gezondheid

In dit gedeelte bespreken we kort de verschillen tussen vrouwen en mannen in de problematiek van de geestelijke en lichamelijke gezondheid. Het is evident dat geweld op het werk, in de vorm van morele en seksuele intimidatie, ernstige gevolgen kan hebben voor de gezondheid. Ondanks de veranderingen op de arbeidsmarkt zien we nog duidelijke genderverschillen. Zo werken mannen en vrouwen vaak in een andere werkomgeving, die hen aan verschillende risico's blootstelt. Daardoor vormt geslacht een belangrijke variabele in de analyse van het werk en de gezondheid. In eerste instantie bespreken we de

Werkende beroepsbevolking

101

arbeidsongevallen, vervolgens de werkgebonden gezondheidsproblemen en tot slot de gevolgen van geweld op het werk voor de mentale en lichamelijke gezondheid.

A.

Arbeidsongevallen

De gegevens waarover we i.v.m. werkongevallen beschikken, hebben betrekking op heel België. Sinds 1995 verzamelt de gegevensbank van het Fonds voor Arbeidsongevallen (FAO) alle gegevens over bedrijfsongevallen in de privésector.

Tabel 57: Indeling van de arbeidsongevallen in de privésector in België volgens gender - 2002 Vrouwen

Mannen

Totaal

%V

Totaal privésector (40,5% vrouwen) Tijdelijk arbeidsongeschikt Blijvend arbeidsongeschikt Dodelijk

18 385 2 071 4

77 988 9 640 117

96 373 11 711 121

19,1 17,7 3,3

Totaal aantal ongevallen

20 460

87 745

108 205

18,9

13,3 12,9

-3,7 5,6

-0,9 8,5

Tijdelijk arbeidsongeschikt Blijvend arbeidsongeschikt Dodelijk

11 303 1 257 3

63 071 8 066 92

74 374 9 323 95

15,2 13,5 3,2

Totaal aantal ongevallen - arbeiders

12 563

71 229

83 792

15,0

12,6 4,2

-14,8 1,7

-11,6 2,4

Tijdelijk arbeidsongeschikt Blijvend arbeidsongeschikt Dodelijk

4 552 618 1

4 115 633 14

8 707 1 251 15

52,3 49,4 6,7

Totaal aantal ongevallen - bedienden

5 171

4 762

9 973

51,8

Var. in % 1997-2002 Var. in % bezoldigde arbeid in de privé bedienden 9702

-25,0 17,0

-37,1 11,3

-31,3 14,3

Tijdelijk arbeidsongeschikt Blijvend arbeidsongeschikt Dodelijk

1 712 99 0

7 400 587 7

9 112 686 7

18,8 14,4 0,0

Totaal aantal ongevallen - uitzendkrachten

1 811

7 994

9 805

18,5

..

..

..

Var. in % 1997-2002 Var. in % bezoldigde arbeid in de privé totaal 97-02 Waarvan 1. Arbeiders privésector (26,9% vrouwen)

Var. in % 1997-2002 Var. in % bezoldigde arbeid in de privé arbeiders 9702 2.

3.

Bedienden privésector (53,2% vrouwen)

Uitzendarbeid (45% vrouwen)

Var. in % 1997-2002

Opmerking: het gaat alleen om de erkende arbeidsongevallen (in 2002 werd 38% van de ongevallen zonder gevolg geklasseerd en werd 6,9% geweigerd. 55,1% werd aanvaard en heeft tot letsels geleid). Het gaat alleen om arbeidsongevallen op de werkplaats. Er wordt geen rekening gehouden met de 12.927 ongevallen met letsels die op weg van of naar het werk zijn gebeurd (46,6% vrouwen). Tot slot zijn alleen de categorieën arbeiders, bedienden en uitzendkrachten in de tabel opgenomen (de categorieën "andere" en "onbekend" zijn weggelaten). Bron: Fonds voor Arbeidsongevallen, RSZ, berekeningen Observatorium

Uit de tabel blijkt dat 18,9% van de erkende ongevallen met letsel vrouwen betrof. Vooral arbeiders worden het slachtoffer van een arbeidsongeval, terwijl bedienden er veel minder vaak mee te maken krijgen. De sectoren met het grootste risico op ongevallen zijn sectoren waarin hoofdzakelijk mannen werken, zoals de metaalnijverheid, de bouwsector of het transport. Dit verklaart eveneens waarom de meeste arbeidsongevallen bij mannen gebeuren. Wanneer we echter de evolutie van het aantal ongevallen tussen 1997 en 2000 onderzoeken, stellen we vast dat het aantal arbeidsongevallen bij mannen met 3,7% gedaald is, terwijl hun aantal bij de vrouwen met 13,3% gestegen is. De evolutie van de arbeid in loondienst volgens gender vormt een

102

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

onvoldoende verklaring voor deze tendens, aangezien we op dezelfde periode een stijging van zowel de vrouwelijke (+12,9%) als de mannelijke (+5,6%) private loonarbeid vaststellen. De toename van het aantal ongevallen bij vrouwen is het gevolg van een stijging van de ongevallen bij arbeidsters. In deze studie kunnen we echter niet dieper ingaan op de oorzaken van deze stijging (grotere aanwezigheid van vrouwen in bepaalde risicosectoren, verslechtering van de arbeidsomstandigheden, toegenomen werkdruk…?). Tot slot beschikken we eveneens over gedeeltelijke gegevens i.v.m. arbeidsongevallen in de openbare sector118. Uit deze gegevens blijkt dat de slachtoffers van arbeidsongevallen in de publieke sector in 37,6% van de gevallen vrouwen zijn119.

B.

Werkgebonden gezondheidsproblemen

Europese studies hebben aangetoond dat gezondheid op het werk één van de voornaamste bekommeringen moet zijn. Globaal gezien vindt maar liefst 28% van de werknemers in de EU dat "zijn gezondheid of zijn veiligheid door zijn werk in het gedrang komt" en verklaart 60% van deze werknemers met minstens één gezondheidsprobleem te kampen dat het gevolg is van zijn werk120. Het verband tussen werk en gezondheid is een complexe problematiek, aangezien de gezondheidsproblemen meestal meer dan één oorzaak kennen en niet van het ene moment op het andere ontstaan (risico van een onmiddellijke schade, maar ook op langere termijn). In deze studie beperken wij ons tot de genderdimensie, waarbij wij uit zullen gaan van een aantal onderzoeken die gebaseerd zijn op enquêtes waarin de werknemers ondervraagd werden over hun specifieke werkgebonden gezondheidsproblemen. In deze studies staat dan ook de gewaarwording van de werknemers centraal. De blootstelling aan ongunstige arbeidsomstandigheden kan tot werkgebonden gezondheidsproblemen leiden. De lijst van aandoeningen is lang: lichamelijke gezondheidsproblemen (spierpijnen, hartproblemen, achteruitgang van het zicht en het gehoor…), psychologische gezondheidsproblemen (stress, hoofdpijn, slapeloosheid, angst,…) en gezondheidsproblemen die het gevolg zijn van arbeidsongevallen (oog- of gehoorproblemen, verwondingen,…). Een Europese enquête121 benadrukt dat mannen en vrouwen in gelijke mate blootgesteld zijn aan de vier frequentste gezondheidsproblemen (rugpijn, stress, algemene vermoeidheid en spierpijn in de nek en schouders), maar dat mannen meer risico hebben op arbeidsongevallen en op specifieke beroepsziekten. Dezelfde enquête toont aan dat de risico's verbonden aan de blootstelling aan gevaarlijke arbeidsomstandigheden voor mannen en vrouwen ongeveer gelijk zijn. Mannen zouden wel vaker met risico's voor hun lichamelijke veiligheid te maken krijgen, terwijl vrouwen vaker het slachtoffer worden van intimidatie op het werk. Het Fonds voor Beroepsziekten (FBZ) stelt statistieken op van de beroepsziekten in België volgens geslacht. Deze statistieken beperken zich tot ziekten die door de arbeidsgeneesheren als beroepsziekte erkend zijn. Zij geven geen zicht op alle voorgenoemde gezondheidsproblemen. Wel verstrekken zij informatie over de genderverschillen in aandoening.

118

119 120

121

Het gaat niet om de volledige openbare sector. De gegevens betreffen de plaatselijke administraties, ziekenhuizen, federale instellingen, autonome overheidsbedrijven en gewestelijke maatschappijen (zijn niet inbegrepen: de federale, gewestelijke en communautaire overheidsdiensten). Bron: FAO. Daubas-Letourneux V. en A. Thébaud-Mony, 2002, Organisation du travail et santé dans l'Union Européenne, Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden. Daubas-Letourneux V. en A. Thébaud-Mony, 2002.

Werkende beroepsbevolking

103

Tabel 58: Indeling van de beroepsziekten in België volgens diagnose en gender - 2002 Vrouwen

Mannen

Totaal

%V

Beroepsziekten veroorzaakt door chemische agentia Beroepshuidziekten Beroepsziekten welke zijn ontstaan door het inademen Infectieziekten en door parasieten verwekte ziekten Door fysische agentia veroorzaakte beroepsziekten Beroepsziekten die niet in een andere categorie worden ondergebracht Andere ziekten (art. 30bis van de gecoördineerde wetten)

36 102 16 192 79 45 132

118 98 73 60 515 7 146

154 200 89 252 594 52 278

23,4 51,0 18,0 76,2 13,3 86,5 47,5

Totaal

602

1017

1619

37,2

Bron:

Fonds voor Beroepsziekten

De bovenstaande tabel toont aan dat de verschillende diagnoses ongelijk verdeeld zijn over de vrouwen en de mannen. Vrouwen krijgen vaker te maken met infectieziekten, parasitaire ziekten en huidziekten. Uit het jaarverslag 2002 van het FBZ blijkt bovendien dat beroepsziekten zich voornamelijk in bepaalde sectoren situeren, zoals de industrie, de gezondheidszorg, de sociale dienstverlening en de bouwsector. Dit zelfde verslag geeft aan dat slechts 3,3% van de gevallen van beroepsziekte betrekking heeft op inwoners van het Brussels Gewest. Hoewel dit beperkte aandeel van het Brussels Gewest gedeeltelijk verklaard kan worden door het soort economische activiteit in Brussel (weinig industrie) en door de lijst van momenteel erkende beroepsziekten122, is het toch nuttig eraan te herinneren dat andere meer algemene studies naar de gezondheidstoestand (niet noodzakelijk beroepsgebonden) gewag maken van een zeer kritieke gezondheidssituatie in het Brussels Gewest. De Gezondheidsenquête 2001123, die nagaat in welke mate de respondenten zich gezond voelen, toont aan dat het aantal vrouwen dat verklaart een slechte gezondheid te hebben in Brussel proportioneel hoger ligt dan in de rest van het land. Deze situatie is te verklaren door het feit dat de gezondheidstoestand negatief correleert met het sociaal statuut (hoe lager het inkomen of de scholingsgraad, hoe slechter de eigen gezondheidstoestand wordt ingeschat), maar ook door het stedelijke karakter van het Brussels Gewest. Uit de volgende tabel leiden we af dat de Brusselse vrouwen de groep met de minst positieve subjectieve gezondheidsperceptie vormen.

Tabel 59: Proportie personen die verklaren een slechte gezondheid te hebben volgens gewest en gender (in %) - 2001

Bron:

Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

Vrouwen

30,9

22,5

29,0

25,1

Mannen

20,8

19,1

23,0

20,4

Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid, Gezondheidsenquête 2001

Tot slot onderlijnt het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk in zijn genderanalyse van deze problematiek124 dat de traditionele preventieve benadering van arbeidsongevallen en beroepsziekten kan leiden tot een onderschatting van de risico's die vrouwen op de werkplaats lopen.

122

123

124

Gezondheidsobservatorium van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2001, Overzicht van de gezondheid van de Brusselaars, p. 55. Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid, 2002, Gezondheidsenquête door middel van interview België 2001 – deel 2

Gezondheidstoestand.

European Agency for Safety and Health at Work, 2003, Gender issues in safety and health at work – A review.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

104

C.

Geweld op het werk

In 2001 werd in België een enquête gevoerd naar de aanwezigheid van feiten van morele intimidatie (pesterijen, collectieve agressie,…) en seksuele intimidatie ("ongewenst seksueel gedrag") op de werkplaats125. Volgens de resultaten van de enquête is geweld op het werk een wijd verbreid fenomeen: 11,5% van de ondervraagden verklaart zich minstens één keer het slachtoffer van morele intimidatie te hebben gevoeld, 8% zegt geconfronteerd te zijn geweest met seksuele intimidatie en 3,5% geeft aan te maken te hebben gehad met fysiek geweld. Onlangs werden nieuwe wettelijke bepalingen ter bestrijding van geweld op het werk vastgelegd in de wet van 11 juni 2002. Deze wet geeft een definitie van geweld op het werk evenals van morele en seksuele intimidatie op de werkplaats (artikel 32 ter). Er bestaan twee grote vormen van gedragingen van intimidatie op het werk: feiten van geweld gericht op het werk (in de beoordeling van het werk, de taakverdeling, het beheer van het carrièreverloop van het personeel,…) en feiten van geweld gericht op de persoon (verbaal, fysiek, seksueel en gedragsmatig geweld). De enquête die in België werd gevoerd (2001-2002) naar de problematiek van geweld op het werk maakt het mogelijk een vergelijking te maken tussen vrouwen en mannen. De studie heeft aangetoond dat mannen en vrouwen zonder onderscheid het voorwerp hebben uitgemaakt van de verschillende gedragingen van geweld, met uitzondering van feiten van seksueel geweld, die duidelijk vaker op vrouwen betrekking hebben. In de studie werd tevens nagegaan welke elementen een dergelijke gedraging kunnen veroorzaken. Hoewel sommige van deze aanleidinggevende gebeurtenissen zowel door mannen als door vrouwen worden genoemd (bekleden van een nieuwe betrekking of functie, de indiensttreding van een nieuwe hiërarchische meerdere, een conflict in verband met de organisatie van het werk,…), worden 6 gebeurtenissen uitsluitend door vrouwen genoemd. Het gaat om: de bekendmaking van een zwangerschap, de werkhervatting na een zwangerschapsverlof, het afwijzen van toenaderingspogingen van een hiërarchische meerdere, de weigering voor ongewenst seksueel gedrag te zwichten, de werktijdverkorting voor de kinderopvang of wegens familiale redenen en de komst van een nieuwe collega (m/v). Naargelang de dader van pesterijen en ongewenst seksueel gedrag kunnen we verschillende vormen van intimidatie onderscheiden (verticaal dalend pestgedrag, verticaal stijgend pestgedrag, horizontaal pestgedrag, gemengd pestgedrag,…). Terwijl de meeste gevallen van pesterijen door hiërarchische meerderen worden gepleegd, gaat ongewenst seksueel gedrag zowel van hiërarchische meerderen als van collega's uit. In 63% van de gevallen zijn de daders van pesterijen mannen, in 22% van de gevallen vrouwen en in 14% van de gevallen beide. De daders van ongewenst seksueel gedrag zijn in 3/4 van de gevallen mannen. Wat de slachtoffers van pesterijen en ongewenst seksueel gedrag betreft, heeft de enquête een aantal factoren onderscheiden die het risico van dergelijke gedragingen verhogen. Deze factoren variëren naargelang het soort intimidatie. Een eerste vaststelling is dat individuele eigenschappen (leeftijd, gender, nationaliteit,…) geen verklaring lijken te bieden in geval van pesterijen. Daarentegen zijn er wel verschillen naargelang de woonplaats. Brusselaars (18%) en Walen (16%) blijken vaker over pesterijen te klagen dan Vlamingen (8%)126. Rekening houdende met de beperkte steekproef van personen die in het Brussels Gewest wonen127, moet dit percentage echter met omzichtigheid geïnterpreteerd worden. De resultaten lijken aan te tonen dat de risicofactoren eerder verbonden zijn aan de werkomstandigheden dan aan persoonlijke eigenschappen. Tot slot maken vrouwen vaker gewag van de nadelige invloed van pesterijen op hun gezondheid en op hun loopbaan. In geval van ongewenst seksueel gedrag zijn gender, leeftijd en burgerlijke staat wel elementen die het risico verhogen. Zo lopen vrouwen twee keer meer risico het slachtoffer te worden van ongewenst seksueel gedrag op het werk. Ook alleenstaanden en werknemers/werkneemsters jonger dan 40 worden vaker geviseerd. Voor deze gedragingen is er geen onderscheid volgens het gewest van de woonplaats.

125

126 127

Garcia A. et al., 2002, Geweld op het werk, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag. Eigenschappen en gevolgen voor de mannelijjke en vrouwelijke werknemers. Studie uitgevoerd door de UCL in samenwerking met de KUL, op initiatief van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Garcia A. et al., 2002. Er werden 120 Brusselaars, 772 Vlamingen en 449 Walen ondervraagd.

Werkende beroepsbevolking

105

De verschillende onderzoeken die naar geweld op het werk werden gevoerd, concluderen dat de meeste slachtoffers van ongewenst seksueel gedrag vrouwen zijn. Wat de gedragingen van pesterijen betreft, heeft de kwantitatieve studie van de UCL onder de doelwitten van pesterijen op het werk geen grote genderverschillen kunnen blootleggen. Andere kwalitatieve studies onder slachtoffers van pesterijen spreken echter van een oververtegenwoordiging van vrouwelijke doelwitten (deze resultaten werden in de huidige studie niet besproken). Evenzo heeft ook de derde Europese enquête128 over de arbeidsomstandigheden geconcludeerd dat vrouwen op Europees niveau vaker met pesterijen te maken krijgen dan mannen (respectievelijk 10% t.o.v. 7%).

5.5. Besluit In dit vijfde hoofdstuk stond de situatie van de Brusselse werkende vrouwen centraal. Tijdens de periode 1992 2002 is het aantal Brusselse werkende vrouwen sterker gestegen dan het aantal Brusselse werkende mannen. Deze stijging situeert zich voornamelijk in de hoogste leeftijdscategorieën. Daartegenover zien we dat het aantal werkende jongeren gedaald is. De oorzaak hiervan ligt in de sterke stijging van het scholingsniveau van de vrouwen, waardoor zij later tot de arbeidsmarkt toetreden en ook langer actief blijven. Daar waar steeds meer vrouwen de hoogste scholingsgraad behalen (universitair niveau), is er een zekere stabilisatie bij de mannen, of zelfs een lichte daling van de werkende beroepsbevolking met een diploma van het hoger onderwijs. Terwijl 58% van de werkende vrouwen jonger dan 35 hogere studies heeft gevolgd - universitair of niet-universitair bedraagt dit cijfer voor de mannen in dezelfde leeftijdsklasse 42%. De zeer beperkte arbeidsdeelname van de laaggeschoolde vrouwen versterkt de oververtegenwoordiging van hooggekwalificeerde vrouwen op de arbeidsmarkt. Op een arbeidsmarkt waar de tertiaire sector een cruciale plaats inneemt, zoals in het Brussels Gewest (90% van de werkgelegenheid), zien we grote genderverschillen. Deze segregatie is deels te verklaren door een preselectie op school (studierichtingen), maar ook door een posteducatieve segregatie die plaatsvindt op het ogenblik van de toetreding tot het beroepsleven en in de loop van de beroepsloopbaan. De indeling naar beroepscategorie toont de gelijkenissen tussen de drie gewesten inzake beroepssegregatie. Vrouwen oefenen een kleiner aantal beroepen uit, wat genuanceerd moet worden door de beroepenclassificatie die minder gedetailleerd is voor de beroepen die vooral door vrouwen worden uitgeoefend. De Brusselse vrouwen zijn hoofdzakelijk tewerkgesteld in sectoren als de administratie, de verkoop, de gezondheidszorg en het onderwijs. Daartegenover vinden we in de categorieën leidinggevenden en hoger kader, ingenieurs, informatici en technici vooral mannen terug. In de arbeidersfuncties, zoals bouwvakker, bestuurder van motorvoertuigen, handlangers en warenbehandelaars is het overwicht van de mannen zeer duidelijk. Hoewel sommige beroepen zowel bij de mannen als bij de vrouwen een plaats in de top 10 innemen, is de volgorde weliswaar verschillend. Zo staat de categorie van de werkers en schoonmakers bij de vrouwen op de 2de plaats en bij de mannen op de 9de plaats. Omgekeerd nemen de leidinggevenden en zaakvoerders de 10de plaats in bij de vrouwen, tegen de 2de plaats bij de mannen. Vijf beroepen uit de top 10 vinden we alleen bij de vrouwen terug: verpleegkundige en vroedvrouw, leerkracht secundair onderwijs, secretaresse, verkoopster en administratief bediende. Omgekeerd zijn 5 beroepen alleen bij de mannen terug te vinden, zijnde chauffeur, directeur, informatica-specialist, architect-ingenieur en handarbeider in het vervoer. De indeling volgens beroepsstatuut is in de drie gewesten vrij gelijklopend: in de overheidssector zijn de vrouwen in de meerderheid (meer dan 50%), in de private loondienst vertegenwoordigen zij ongeveer 40% van de werknemers, onder de zelfstandigen tellen we plusminus 33% vrouwen en onder de werkgevers slechts 20%.

128

Europese Stichting tot verbetering van de levens-en arbeidsomstandigheden, 2001, Derde Europese enquête naar de

arbeidsomstandigheden 2000.

106

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Ook wat de kwaliteit van het werk betreft, stellen we verschillen tussen vrouwen en mannen vast. Allereerst is er in België in de drie gewesten een duidelijk onderscheid qua loon. Verscheidene studies hebben aangetoond dat de klassieke factoren een onvoldoende verklaring bieden voor deze loonverschillen. De verschillen die objectief niet verklaard kunnen worden, worden dan ook als discriminatie beschouwd. Verder stellen we vast dat vrouwen in de drie gewesten vaker tijdelijk werken, hoewel de genderkloof in het Brussels Gewest kleiner is. Vrouwen zijn vooral in twee types tijdelijke overeenkomsten sterker vertegenwoordigd: overeenkomsten van bepaalde duur (met uitzondering van uitzendarbeid) en PWA-contracten. Zoals geweten is, werken vrouwen ook vaker deeltijds dan mannen: 85% van de deeltijdse arbeidsplaatsen in België is door vrouwen ingenomen. Op nationaal niveau werkt 39,5% van de vrouwelijke loontrekkenden deeltijds, tegen 5,6% van de mannelijke loontrekkenden. Dit is een verhouding van 7 ten opzichte van 1. Met respectievelijk 25,9% tegen 9,8%, of een verhouding van 3 tegen 1, is de afwijking volgens geslacht in Brussel veel kleiner. Dit betekent dat de Brusselse vrouwen minder deeltijds werken dan de vrouwen in de twee andere gewesten. Tussen 1992 en 2002 is de deeltijdse arbeid onder vrouwen in Vlaanderen sterk gestegen. Ook in Wallonië was er een stijging, zij het in mindere mate. Hoewel een deeltijdse tewerkstelling de combinatie tussen beroeps- en gezinsleven vereenvoudigt, daalt het beschikbare inkomen en kan er in sommige gevallen sprake zijn van een zekere ondertewerkstelling, in die zin dat een deel van de deeltijdse werknemers (ongeveer een vierde van de Brusselse vrouwen) liever meer zou werken. In Vlaanderen blijkt deeltijdse arbeid vaker een vrijwillige keuze te zijn dan in Brussel en Wallonië. Ook merken we dat een deeltijdse tewerkstelling niet dezelfde effecten op de tijdsbesteding van vrouwen en mannen heeft: wanneer vrouwen deeltijds werken, besteden zij meer tijd aan huishoudelijke taken, wanneer mannen deeltijds werken blijft de tijd die zij aan het huishouden besteden ongewijzigd. Op weekbasis werken Brusselse vrouwen gemiddeld langer dan Vlaamse en Waalse vrouwen. De verklaring hiervoor is dat Brussel minder deeltijds werkende vrouwen en meer hooggekwalificeerde arbeidsplaatsen telt. Hoewel de wekelijkse arbeidstijd voor de mannen langer is dan voor de vrouwen, verandert dit wanneer we rekening houden met het huishoudelijk werk. Als we zowel de betaalde als de onbetaalde arbeid (huishoudelijke taken) in aanmerking nemen, constateren we dat vrouwen langer werken dan mannen. De aanwezigheid van een kind doet de tijd die vrouwen aan het huishouden besteden nog toenemen, terwijl hij bij de mannen afneemt. De analyse van de sociale tijd die besteed wordt aan huishoudelijke taken en de opvoeding van de kinderen bewijst dat de ongelijke verdeling van de familiale verplichtingen blijft bestaan, ongeacht de arbeidssituatie van de vrouw. Wat de atypische werkuren betreft, is gebleken dat mannen in verhouding vaker nachtwerk verrichten dan vrouwen. Terwijl nachtwerk aan de ene kant nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid en voor het gezins- en sociale leven van de werknemers en werkneemsters, is er aan de andere kant vaak een zekere compensatie aan verbonden (voordelen en lonen). Tot slot blijkt de combinatie van nachtwerk en gezin in de huidige context, waar vrouwen nog steeds de meeste familiale taken dragen, moeilijker voor vrouwen dan voor mannen. Het huishouden vormt voor vrouwen vaker een hindernis om 's nachts te gaan werken. Ook in de andere vormen van atypische werkuren - avond- en weekendwerk - tellen we meer Brusselse mannen dan vrouwen. Voor het weekendwerk zijn de verschillen volgens geslacht wel kleiner. De analyse van de arbeidsongevallen, van de werkgebonden gezondheidsproblemen en van het geweld op het werk toont aan dat vrouwen en mannen aan andere risico's zijn blootgesteld. Een gedeeltelijke verklaring hiervoor is de verschillende werkomgeving die het gevolg is van de segregatie op de arbeidsmarkt. Hoewel meer mannen het slachtoffer worden van een werkongeval, doordat de sectoren met het hoogste risico voornamelijk mannelijk zijn (de metaalindustrie, de bouw, het transport,...), zien we dat het aantal arbeidsongevallen bij vrouwen de laatste jaren is toegenomen. Anderzijds blijkt dat vrouwen en mannen in dezelfde mate aan de meest frequente werkgebonden gezondheidsproblemen zijn blootgesteld (stress, rugpijn, algemene vermoeidheid, spierpijn in nek en schouders). Wel blijkt uit de statistieken over de beroepsziekten dat vrouwen en mannen met andere ziekten te maken krijgen. Hoewel de erkende ziekten voornamelijk mannen treffen, kan

Werkende beroepsbevolking

107

de traditionele preventieaanpak inzake beroepsziekten tot een onderschatting leiden van de risico's die vrouwen op hun werkplaats lopen. Tot slot komen pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op de werkvloer vrij vaak voor. De slachtoffers van seksuele intimidatie zijn bijna uitsluitend vrouwen, terwijl de vorsers voor morele intimidatie op de werkplaats geen duidelijke verschillen onderscheiden. Volgens sommige studies zijn er geen grote genderverschillen onder de slachtoffers van morele intimidatie. Andere studies lijken voor dit soort intimidatie tot een oververtegenwoordiging van vrouwen te concluderen. Hoe dan ook krijgen zowel mannen als vrouwen met de verschillende vormen van geweld te maken, maar zijn de meeste slachtoffers van seksueel geweld overduidelijk vrouwen.

6. Werkloosheid Dit hoofdstuk kan opgesplitst worden in drie delen. Het eerste deel behandelt de evolutie van de werkloosheid in het Brussels Gewest vanuit een genderperspectief. In tegenstelling tot de andere gewesten is het aantal vrouwelijke en mannelijke werkzoekenden in Brussel relatief gelijklopend. In het tweede deel wordt dieper ingegaan op de vrouwelijke werkzoekenden. Zij worden zowel met de Brusselse mannen als met de Vlaamse en Waalse vrouwen vergeleken. Bovendien worden de kenmerken van de Brusselse werkzoekenden in een langer tijdsperspectief geplaatst. Het derde deel analyseert de werkloosheid op een dynamische wijze. Wie komt zich inschrijven als werkzoekenden? Wie verlaat de werkloosheid en wie wordt langdurig werkloos?

6.1. Evolutie van de werkloosheid Algemeen kunnen we de werkloosheid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opdelen in drie fasen. Het begin van de jaren 90 tot 96 wordt gekenmerkt door een stijging van de werkloosheid. De tweede fase is de periode 19972001. Gedurende deze periode daalden de werkloosheidscijfers met zo'n 10.000 eenheden. Deze daling werd midden 2001 afgebroken door een brutale stijging van de werkloosheid. In 2003 steeg de werkloosheid tot over het niveau van 1998. Momenteel schommelt het aantal niet-werkende werkzoekenden in het Brussels Gewest rond de 85.000 personen en heeft de werkloosheidsgraad de drempel van 20% overschreden. In tegenstelling tot de andere gewesten is het verschil tussen het aantal mannelijke en het aantal vrouwelijke werkzoekenden beperkt in het Brussels Gewest. Grafiek 37 toont hun evolutie per trimester sinds het begin van de jaren 90.

Grafiek 37: Trimestriële evolutie van het aantal niet-werkende werkzoekenden in het Brussels Gewest (1e trim.1990-3e trim. 2003) 50.000 45.000 40.000 35.000 30.000 25.000 20.000 15.000 10.000 5.000 0 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 Mannen Bron:

Vrouwen

BGDA, berekeningen Observatorium

In de eerste fase waarbij de werkloosheid stijgt merken we dat tot 1993 het aantal vrouwelijke niet-werkende werkzoekenden lichtjes hoger is dan het aantal mannelijke werkzoekenden. Wanneer de werkloosheid een eerste maal een alarmerend hoog peil bereikt merken we een licht overwicht van de mannen. Tot de tweede helft van 1999 maken vrouwen immers minder dan de helft van het aantal werkzoekenden uit. In de tweede fase waarbij de Brusselse werkloosheid opnieuw daalt kunnen we stellen dat het aantal werkzoekende vrouwen en mannen in

Werkloosheid

109

evenwicht is. Bij de brutale stijging van de werkloosheid die vanaf midden 2001 wordt opgetekend, merken we echter opnieuw een overwicht van de mannelijke werkzoekenden. We kunnen algemeen stellen dat het aantal vrouwelijke werkzoekenden minder gevoelig is aan de conjunctuurschommelingen dan het aantal mannelijke werkzoekenden. Wanneer halfweg de jaren 90 het aantal mannelijke werkzoekenden toegenomen is met 46,4%, is deze toename bij de vrouwen kleiner (+34%). Anderzijds is de afname van het aantal vrouwelijke werkzoekenden in de periode 1997-2001 ook kleiner (-8% t.o.v. -11,1%). Sinds juni 2001 is het aantal mannelijke werkzoekenden met meer dan een vijfde toegenomen (+22,6%) terwijl het aantal vrouwen met 16,9% steeg. Zoals reeds eerder opgemerkt kent het Brussels Gewest niet het overwicht aan vrouwelijke werkzoekenden die de andere gewesten kenmerkt. De proportie vrouwelijke werkzoekenden schommelde in de onderzochte periode tussen 48% en 52%. In de twee andere gewesten schommelde de proportie vrouwen bij de niet-werkende werkzoekenden tussen de 53% en 60%. In juni 2003 bedroeg de proportie vrouwen bij de Vlaamse werkzoekenden 53,7% ten opzichte van 54,6% bij de Waalse werkzoekenden. Ondanks de lagere proportie vrouwen bij de Brusselse werkzoekenden (48,5%) is de werkloosheidsgraad bij de vrouwen hoger dan bij de mannen (zie verder).

6.2. Kenmerken van de werkloosheid In dit onderdeel willen we de kenmerken van de Brusselse werkzoekenden vanuit het genderperspectief benaderen. Algemeen weten we dat de werkzoekenden in het Brussels Gewest zich kenmerken door een relatief groot aantal laaggeschoolden, langdurig werklozen, personen met een vreemde nationaliteit en een nog hoge werkloosheidsgraad bij de jongeren. Deze kenmerken verbergen echter een aantal verschillen tussen de vrouwelijke en mannelijke werkzoekenden zoals we zullen zien. Het statuut in de werkloosheid en de beroepen waarin de werkzoekenden ingeschreven zijn komen eveneens aan bod. Dit deel wordt afgesloten met een analyse van de werkloosheid in de 19 gemeenten. De gegevens die in dit onderdeel gebruikt worden zijn de werkloosheidscijfers van juni 2003. Het Brussels Gewest telde toen 81.735 werkzoekenden, waarvan 48,5% vrouwen. Elk van de geanalyseerde kenmerken wordt ook in een langer tijdsperspectief geplaatst waarbij rekening wordt gehouden met de algemene evolutie van de werkloosheid. De periode juni 1992-97 laat toe om de stijging van de werkloosheid begin jaren 90 per kenmerk te bestuderen. De periode juni 1997-01 weerspiegelt de afname van de werkloosheid, terwijl de periode juni 2001-03 toelaat om de bruuske stijging van de werkloosheid in beeld te brengen.

6.2.1.

Leeftijd, studieniveau en inactiviteitsduur

In juni 2003 telde het Brussels Gewest 14.805 werkzoekenden jonger dan 25 jaar. We merken dat vrouwen de helft uitmaken van deze jonge werkzoekenden (50,5%). Bij de werkzoekenden ouder dan 40 jaar zijn de mannen meer vertegenwoordigd (46,5% is een vrouw). Ook in de andere twee gewesten stellen we een relatief evenwicht tussen vrouwen en mannen in de jongste leeftijdscategorie vast (48,2% in Vlaanderen en 51% in Wallonië), terwijl bij de oudere leeftijdsgroepen de vrouwen in de meerderheid zijn. 55,5% van de werkzoekenden ouder dan 40 jaar is een vrouw in het Vlaams Gewest. In het Waals Gewest is dit 52,7%. Wat het studieniveau betreft, stellen we in de drie gewesten een hogere scholing bij de vrouwelijke werkzoekenden vast. In Brussel is 51,6% van de hooggeschoolden een vrouw. In Vlaanderen en Wallonië is dit respectievelijk 55,2% en 60,6%. Bij de laaggeschoolden merken we in de andere twee gewesten een relatief gelijke verdeling van vrouwen en mannen (50,4% in Vlaanderen en 52% in Wallonië). Het Brussels Gewest telt daarentegen meer mannelijke laaggeschoolden (46,2% van de laaggeschoolde werkzoekenden is een vrouw).

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

110

Ondanks hun hogere studieniveau zijn vrouwelijke werkzoekenden in de drie gewesten sterker vertegenwoordigd bij de langdurig werkzoekenden. In het Brussels Gewest is 53% van de werkzoekenden die langer dan twee jaar inactief zijn een vrouw. In de andere gewesten is het onevenwicht groter: 58,7% in Vlaanderen en 59,5% in Wallonië. Wat de leeftijd betreft, merken we dat het aantal werkzoekenden ouder dan 40 jaar in de periode 1992-97 minder sterk gestegen is dan de algemene evolutie. In de periode 1997-2001 is hun afname groter dan het gemiddelde. Deze vaststelling gaat zowel voor mannen als voor vrouwen op. Gedurende de bestudeerde periode is de proportie jonge werkzoekenden, zowel bij de vrouwen als bij de mannen, relatief constant gebleven. De proportie werkzoekenden ouder dan 40 jaar is afgenomen. In 1992 was een derde van de vrouwelijke en 37,4% van de mannelijke werkzoekenden ouder dan 40 jaar. In 2003 is dit respectievelijk 28,4% en 30,8%. We willen evenwel wijzen op de invloed van de wijzigingen in de wetgeving m.b.t. de oudere werkzoekenden129.

Tabel 60: Evolutie van de NWWZ in het BHG volgens leeftijd, studieniveau en inactiviteitsduur (in %) (juni 1992-2003)

Vrouwen

1992

1997

2001

2003

Evolutie 1992-97

Evolutie 1997-01

Evolutie 2001-03

Evolutie 1992-03

27 513

36 864

33 900

39 623

34,0

-8,0

16,9

44,0

< 25 jaar > 40 jaar

18,4 32,2

18,5 29,1

19,0 28,1

18,9 28,4

34,4 21,1

-5,5 -11,2

16,0 18,1

47,3 27,0

Laag Midden Hoog

73,7 16,8 9,5

67,6 21,3 11,1

68,2 21,9 9,9

63,7 24,0 12,3

23,0 69,6 56,1

-7,2 -5,4 -18,2

9,1 28,0 45,7

24,6 105,4 86,0

< 1 jaar > 2 jaar

44,4 36,3

37,2 41,1

41,7 41,3

44,5 31,7

12,3 51,8

3,1 -7,7

24,8 -10,1

44,5 26,0

Mannen

26 441

38 715

34 407

42 112

46,4

-11,1

22,4

59,3

< 25 jaar > 40 jaar

17,6 37,4

17,4 31,8

17,4 31,1

17,4 30,8

44,5 24,4

-11,3 -13,1

22,6 21,3

57,1 31,1

Laag Midden Hoog

77,2 14,0 8,8

74,2 16,8 9,0

74,4 16,9 8,8

69,8 19,4 10,9

40,7 76,6 48,5

-11,0 -10,9 -13,0

14,8 40,4 51,8

43,9 121,0 96,0

< 1 jaar > 2 jaar

48,8 32,4

39,8 38,2

49,6 34,3

49,5 27,1

19,5 72,6

10,7 -20,2

22,0 -3,3

61,4 33,2

Bron:

BGDA, berekeningen Observatorium

In een periode waarin de werkloosheid toeneemt, lijkt het aantal laaggeschoolde werkzoekenden minder sterk te stijgen dan het aantal midden- en hooggeschoolde werkzoekenden. Deze resultaten moeten echter genuanceerd worden door een algemene stijging van het scholingsniveau van de werkzoekenden. Hierbij merken we een belangrijk verschil tussen vrouwen en mannen. Terwijl de proportie laaggeschoolde vrouwelijke werkzoekenden met 10 procentpunten t.o.v. 1992 is afgenomen, bedraagt de afname van het aandeel van de laaggeschoolden bij de mannen 7,4 procentpunten. De belangrijkste toename wordt bij de middengeschoolden opgetekend. Bij de vrouwen is hun aandeel met 7,2 procentpunten toegenomen. Bijna een vierde van de vrouwelijke werkzoekenden beschikt in juni 2003 over een diploma hoger secundair onderwijs. De proportie vrouwelijke werkzoekenden die over een diploma hoger onderwijs beschikt is gestegen van 9,5% in 1992 tot 12,3% in 2003. Bij de mannen stellen we eveneens een stijging van het opleidingsniveau vast, maar deze is beperkter dan bij de vrouwen. De proportie middengeschoolde werkzoekenden is met 5,4 procentpunten toegenomen, terwijl de proportie

129

Het statuut van oudere werkloze heeft het voordeel dat men zich niet meer op de gemeentelijke stempelcontrole moet aanbieden, dat men niet meer moet ingeschreven zijn bij de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling en men een job kan weigeren. Er dient opgemerkt dat het nieuwe stelsel sinds 1/7/2002 het onderscheid maakt tussen een minimale en maximale vrijstelling. De maximumvrijstelling komt overeen met het oude stelsel, terwijl met de minimumvrijstelling de oudere werkloze nog steeds als werkzoekende ingeschreven moet zijn en dus beschikbaar moet zijn voor de arbeidsmarkt, maar hij is vrijgesteld van stempelcontrole.

Werkloosheid

111

hooggeschoolde met 2 procentpunten toenam tussen 1992 en 2003. We kunnen gerust stellen dat de kloof qua opleidingsniveau tussen vrouwen en mannen toegenomen is over een periode van 10 jaar. Wanneer we de evolutie van het aantal langdurig werkzoekenden in deze periode meer in detail bekijken, merken we een correlatie met de evolutie vanuit een genderperspectief. De evolutie van het aantal langdurige mannelijke werkzoekenden is meer onderhevig aan de schommelingen van de economische conjunctuur. In de periode 199297 is het aantal langdurige werkzoekende mannen met 72,6% toegenomen. Bij de vrouwen stellen we in dezelfde periode een minder grote toename vast. Anderzijds merken we in de periode waarin de werkloosheid daalde een gunstigere evolutie van de langdurige werkzoekende mannen: de afname van hun aantal is groter dan de afname van de langdurige werkzoekenden vrouwen (-20,2% t.o.v. -7,7%). Niettemin blijft het aandeel van de vrouwen die meer dan twee jaar werkzoekend zijn steeds hoger dan het aandeel van de langdurig werkzoekende mannen. Deze drie variabelen zijn nauw met elkaar verbonden. Door de band zijn jonge werkzoekenden hoger geschoold dan oudere werkzoekenden en gaat een hoger opleidingsniveau vaak samen met een lagere inactiviteitsduur. De onderstaande tabel combineert de variabelen leeftijd en studieniveau. Hiervoor werd studieniveau opgesplitst in hoogstens lager secundair onderwijs (LSO), hoger secundair onderwijs (HSO), hoger niet-universitair, universitair onderwijs en andere studies. De categorie leerlingschap is beperkt in grootte (1,5% van de werkzoekenden) en werd in de categorie HSO ondergebracht. De categorie andere studies bestaat voornamelijk uit personen die hun diploma in het buitenland behaald hebben en niet over een erkenning van de Vlaamse of Franse Gemeenschap beschikken waardoor deze personen gelijkgeschakeld worden aan laaggeschoolden. Gezien het belang van deze groep in het Brussels Gewest130 worden zij hier als een afzonderlijke categorie beschouwd.

Tabel 61: Niet-werkende werkzoekenden in het BHG volgens leeftijd en studieniveau (in %) - juni 2003 Hoogstens LSO

HSO

Hoger nietuniversitair

Universitair

Andere studies

Totaal

Vrouwen < 25 jaar

44,3

36,7

5,5

2,9

10,6

100

7 477

25-29 30-34 35-39 40-44

jaar jaar jaar jaar

30,5 35,0 35,6 36,9

30,1 20,9 19,3 15,2

10,7 8,9 7,8 6,1

8,0 4,9 3,7 3,7

20,7 30,2 33,6 38,1

100 100 100 100

7 7 5 4

45-49 jaar 50 en +

38,6 37,3

13,2 19,6

5,6 8,4

2,9 3,4

39,8 31,3

100 100

3 865 2 703

9 506

989 106 803 686

Totaal

14 536

3 083

1 791

10 713

%

36,7

24,0

7,8

4,5

27,0

100

39 629

< 25 jaar 25-29 jaar 30-34 jaar

52,7 32,8 32,1

30,5 26,1 17,1

3,3 9,9 7,3

1,7 6,7 4,4

11,8 24,5 39,1

100 100 100

7 330 7 940 7 395

35-39 jaar 40-44 jaar

30,2 31,9

14,6 11,7

6,3 5,6

4,1 3,9

44,8 46,9

100 100

6 479 5 295

45-49 jaar 50 en +

32,4 30,6

10,4 17,4

4,9 7,6

3,6 7,0

48,7 37,4

100 100

4 427 3 249

Mannen

Totaal

14 920

%

35,4

Bron:

8 155 19,4

2 732

1 844

14 464

6,5

4,4

34,3

42 115 100

BGDA, berekeningen Observatorium

Bij de jonge werkzoekenden (< 25 jaar) is de proportie hoger opgeleiden beperkter (6,7% t.o.v. 12,6% bij de werkzoekenden ouder dan 25 jaar). Dit kan gedeeltelijk verklaard worden door het langere onderwijsparcours dat de Brusselse jongeren doorlopen131. De proportie werkzoekenden in de categorie andere studies is minder

130

131

In de andere twee gewesten maakt deze categorie minder dan 10% van de werkzoekenden uit (8,4% in het Vlaams en 4,5% in het Waals Gewest). Zie ook: Brussels Observatorium van de Arbeidsmarkt en de Kwalificaties, 2003, Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt:

tussen dynamisme en dualiteit.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

112

doorslaggevend bij de werkzoekenden jonger dan 25 jaar. Bij de jonge vrouwen heeft 44,3% van de werkzoekenden hoogstens een diploma lager secundair en 10,6% behoort tot de categorie andere studies. Bij de mannen is 64,5% van de werkzoekenden jonger dan 25 jaar laaggeschoold: 52,7% heeft hoogstens een diploma lager secundair en 11,8% behoort tot de categorie andere studies. In de leeftijdsklassen 25-29 en 30-34 jaar vinden we, zowel bij de vrouwen als bij de mannen, een hogere proportie hooggeschoolden dan het gemiddelde. Bij de 50-plussers merken we eveneens een proportie werkzoekenden met een hoger niet-universitair diploma die iets hoger is dan de gemiddelde proportie werkzoekenden met een dergelijk diploma. Bij de werkzoekenden met een universitair diploma gaat deze vaststelling enkel op voor de mannen. Dit ligt in de lijn van de beperkte toegang tot het universitair onderwijs die oudere vrouwen hadden. In de leeftijdsklassen van 35 tot 49 jaar is de categorie andere studies belangrijk. Globaal vertegenwoordigt deze categorie 27% van de vrouwelijke en 34,3% van de mannelijke werkzoekenden. Bij de werkzoekenden ouder dan 35 jaar is dit respectievelijk 36,7% en 46,6%. In de onderstaande tabel wordt de inactiviteitsduur en de leeftijd van de werkzoekenden gecombineerd. De sterkere vertegenwoordiging van de vrouwen bij de werkzoekenden met een langere inactiviteitsduur komt niet in alle leeftijdsklassen even sterk tot uiting.

Tabel 62: Niet-werkende werkzoekenden in het BHG volgens leeftijd en inactiviteitsduur (in %) - juni 2003 <6 maanden

6 - 12 maanden

1 - 2 jaar

2 - 5 jaar

5 jaar en +

Totaal

Vrouwen < 25 jaar 25-29 jaar 30-34 jaar 35-39 jaar 40-44 jaar 45-49 jaar 50 en +

33,1 29,0 25,8 21,6 20,1 16,6 27,2

Totaal vrouwen

10 196

%

25,7

27,1 21,7 17,3 15,6 13,8 11,7 17,0 7 451 18,8

19,7 19,1 18,7 17,4 17,3 16,4 21,5 7 365 18,6

18,1 19,9 22,0 23,1 21,0 22,7 15,4 8 121 20,5

2,0 10,2 16,3 22,3 27,9 32,6 18,9

100 100 100 100 100 100 100

6 496 16,4

7 7 7 5 4 3 2

477 989 106 803 686 865 703

39 629 100

Mannen < 25 jaar

36,2

30,0

19,0

13,9

0,9

100

7 330

25-29 jaar 30-34 jaar 35-39 jaar 40-44 jaar 45-49 jaar 50 en +

32,0 29,4 26,0 23,4 18,9 30,1

24,6 19,5 17,1 16,1 13,1 18,1

21,2 22,0 19,8 18,0 16,4 19,9

17,3 19,5 21,5 21,0 22,0 15,2

4,9 9,7 15,6 21,5 29,5 16,7

100 100 100 100 100 100

7 7 6 5 4 3

Totaal mannen

12 109

%

28,8

Bron:

8 720 20,7

8 317 19,7

7 800 18,5

5 169 12,3

940 395 479 295 427 249

42 115 100

BGDA, berekeningen Observatorium

Globaal bevindt een vierde van de vrouwelijke werkzoekenden zich in de categorie minder dan 6 maanden. Bij de twee jongste leeftijdscategorieën is dit hoger. Bijna een derde van de jonge werkzoekenden (< 25 jaar) heeft een inactiviteitsduur van minder dan 6 maanden en 29% van de vrouwen in de categorie 25-29 jaar heeft een dergelijke inactiviteitsduur. Ongeveer een vijfde van de vrouwen jonger dan 25 jaar zijn langer dan twee jaar werkzoekend. In de categorie 25-29 jaar is dit 30,2% (ten opzichte van 36,9% bij alle vrouwelijke werkzoekenden). Hoewel deze vrouwen ten opzichte van het geheel van vrouwen een gunstiger profiel kennen, stellen we niettemin ten opzichte van de mannen in dezelfde leeftijdsklassen een minder gunstige situatie vast.

Werkloosheid

113

Met de leeftijd neemt de inactiviteitsduur toe en dit zowel bij vrouwen als bij mannen. In geen enkele leeftijdsklasse kennen de vrouwelijke werkzoekenden een gunstiger profiel dan de mannen. Terwijl een vijfde van de jonge werkzoekenden langer dan twee jaar werkzoekend is, bedraagt hun porportie in de leeftijdscategorie 40-44 jaar 48,8% en in de leeftijdscategorie 45-49 jaar zelfs 55,3%. Bij de mannen is 42,5% van de werkzoekenden tussen 40 en 44 jaar en 51,5% tussen 45 en 49 jaar langer dan 2 jaar werkzoekend. In de leeftijdscategorie van de 50-plussers zijn de langdurig werkzoekenden minder sterk vertegenwoordigd. Dit wordt evenwel verklaard door de specifieke wetgeving m.b.t. de oudere werkzoekenden. In de volgende tabel worden ten slotte de inactiviteitsduur en het studieniveau van de werkzoekenden gecombineerd. Een hoger opleidingsniveau verkleint de kans op langdurige werkloosheid. Terwijl algemeen 36,9% van de vrouwelijke werkzoekenden langer dan twee jaar ingeschreven is, varieert dit percentage van 49% bij de vrouwen met hoogstens een diploma lager secundair tot 18,1% bij de vrouwelijke werkzoekenden met een universitair diploma. Ook bij de mannen wordt deze correlatie tussen studieniveau en inactiviteitsduur vastgesteld. Bij de werkzoekenden met een diploma hoger onderwijs merken we weinig verschillen tussen de vrouwen en de mannen. Bijna een vierde van de werkzoekenden met een diploma hoger niet-universitair onderwijs en bijna een vijfde van de werkzoekenden met een universitair diploma is langer dan twee jaar werkzoekend en dit zowel bij de vrouwen als bij de mannen.

Tabel 63: Niet-werkende werkzoekenden in het BHG volgens studieniveau en inactiviteitsduur (in %) - juni 2003 <6 maanden

6 - 12 maanden

1 - 2 jaar

2 - 5 jaar

5 jaar en +

Totaal

Vrouwen Hoogstens LSO

19,2

14,4

17,4

23,9

25,1

100

14 536

HSO Hoger niet-univ. Universitair Andere studies

24,2 32,9 34,8 32,3

22,4 24,6 30,2 18,0

20,0 18,6 16,9 19,2

20,7 15,1 11,3 18,8

12,7 8,8 6,8 11,7

100 100 100 100

9 3 1 10

7 451

7 365

8 121

6 496

506 083 791 713

Totaal vrouwen

10 196

%

25,7

18,8

18,6

20,5

16,4

100

39 629

Hoogstens LSO

23,8

18,3

19,3

21,6

17,1

100

14 920

HSO Hoger niet-univ. Universitair Andere studies

28,5 31,3 33,8 32,9

24,1 26,2 30,7 19,0

20,9 18,6 16,9 20,2

17,7 14,9 13,2 17,2

8,8 9,0 5,5 10,7

100 100 100 100

8 2 1 14

Mannen

Totaal mannen

12 109

%

28,8

Bron:

8 720 20,7

8 317 19,7

7 800 18,5

5 169 12,3

155 732 844 464

42 115 100

BGDA, berekeningen Observatorium

Bij de laag- en middengeschoolden stellen we een grotere proportie vrouwen dan mannen in de langdurige werkloosheid vast. Terwijl bijna de helft van de laaggeschoolde en een derde van de middengeschoolde vrouwen langer dan 2 jaar werkzoekend zijn is dit bij de mannen respectievelijk 38,7% en 26,5%. De categorie andere studies, die een groot aantal personen met een niet-erkend diploma groepeert, vormt een buitenbeentje. Vaak hebben deze personen geen recht op een uitkering waardoor ze eerder als vrij ingeschreven werkzoekenden geregistreerd staan. Op deze manier kunnen ze gebruik maken van de dienstverlening van de BGDA. In tegenstelling tot werkzoekenden die recht hebben op een uitkering zijn ze niet onderworpen aan de stempelcontrole. Hun inschrijving als werkzoekende wordt zonder bevestiging van de werkzoekende beperkt tot 6 maanden, wat de concentratie van werkzoekenden ingeschreven in de categorie andere studies met een beperkte inactiviteitsduur verklaart.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

114

6.2.2.

Nationaliteit

In 2003 heeft meer dan een vierde van de Brusselse bevolking een vreemde nationaliteit. Bij de werkzoekenden ingeschreven in juni 2003 heeft 11,3% een niet-Belgische nationaliteit van binnen de Europese Unie en 26,1% van de werkzoekenden heeft een nationaliteit van buiten de Europese Unie. Wat de problemen betreffende de etnische discriminatie bij aanwerving en de inschakeling op de arbeidsmarkt van allochtonen betreft, heeft de variabele nationaliteit aan belang ingeboet. Vooral bij de laatste wetswijziging is het aantal genaturaliseerde Belgen sterk toegenomen. In de volgende tabel wordt de evolutie van de werkzoekenden volgens nationaliteit gegeven. We maken hierbij een onderscheid tussen werkzoekenden met een Belgische, Europese132 en nietEuropese nationaliteit. Het is belangrijk om op te merken dat personen met een niet-Europese nationaliteit niet steeds over dezelfde rechten beschikken, waardoor het aantal personen ingeschreven als vrij werkzoekende met een vreemde nationaliteit relatief hoog is.

Tabel 64: Evolutie van de niet-werkende werkzoekenden in het BHG volgens nationaliteit (in %) (juni 1992-2003)

Vrouwen Belg EU NEU Totaal

1992

1997

2001

2003

27 513

36 864

33 900

39 623

66,2 14,7 19,1

63,4 14,2 22,4

61,8 12,4 25,8

66,7 12,0 21,3

100

100

100

100

26 441

38 715

34 407

42 112

Belg EU NEU

54,0 14,1 31,9

53,7 13,1 33,2

52,5 10,7 36,8

58,6 10,7 30,7

Totaal

100

100

100

100

Mannen

Bron:

Evolutie 1992-97 34,0 28,3 29,8 57,0 46,4 45,6 35,9 52,4

Evolutie 1997-01 -8,0 -10,3 -19,8 5,7 -11,1 -13,1 -27,3 -1,6

Evolutie 2001-03 16,9 26,0 13,2 -3,3 22,4 36,6 22,2 2,2

Evolutie 1992-03 44,0 45,1 17,8 60,5 59,3 72,9 20,8 53,2

BGDA, berekeningen Observatorium

In de periode 1992-97 is het aantal werkzoekenden met een nationaliteit van buiten de Europese Unie sterker gestegen dan de algemene stijging. Bij de vrouwen is het aantal werkzoekenden met een niet-Europese nationaliteit toegenomen met 57% ten opzichte van een stijging met 28,3% bij de vrouwelijke werkzoekenden met de Belgische nationaliteit. Ondanks de gunstige evolutie van de werkloosheid in de periode 1997-01 is het aantal niet-Europese vrouwelijke werkzoekenden toegenomen. In 2001 maakten vrouwen met een niet-Europese nationaliteit één vierde van de werkzoekenden uit tegenover één vijfde in 1992. De proportie mannelijke werkzoekenden met een nationaliteit van buiten de Europese Unie bedroeg in 1992 bijna één derde (31,9%) en is in 2001 gestegen tot 36,8%. Deze hogere proportie mannen met een niet-Europese nationaliteit kan gedeeltelijk verklaard worden door de lagere participatie van niet-Europese vrouwen op de arbeidsmarkt (zie ook hoofdstuk 3). Bij de bruuske stijging van de werkloosheid na midden 2001 lijken werkzoekenden met een niet-Europese nationaliteit minder getroffen te zijn. Dit moet genuanceerd worden door de sterke toename van het aantal naturalisaties in dezelfde periode. Verscheidene studies hebben bovendien aangetoond dat de Belgische nationaliteit weinig bescherming tegen discriminatie biedt133. In de periode 1992-2003 stellen we vast dat de vrouwelijke werkzoekenden met een niet-Europese nationaliteit een minder gunstige evolutie kennen dan de mannelijke. Deze evolutie kan verklaard worden door een toename van de participatie van niet-Europese vrouwen op de arbeidsmarkt (cf. activiteitsgraad). Verhoudingsgewijs zijn er echter minder vrouwelijke werkzoekenden met een vreemde nationaliteit. Terwijl vrouwen algemeen 48,5%

132 133

Het betreft hier de 15 lidstaten van de Europese Unie (met uitzondering van België). Arrijn P., Feld S. en A. Nayer (red.), 1997, Etnische discriminatie bij aanwerving - Belgische deelname aan het internationaal vergelijkend onderzoek van het internationaal arbeidsbureau, Federale Diensten voor Wetenschappelijke, Technische en Culturele Aangelegenheden, Brussel.

Werkloosheid

115

uitmaken van de werkzoekenden, vertegenwoordigen ze 39,5% van de werkzoekenden met een niet-Europese nationaliteit. In het Vlaams en Waals Gewest is het aantal werkzoekenden met een niet-Europese nationaliteit proportioneel lager (respectievelijk 9,9% en 5,8%). Ook hier merken we verhoudingsgewijs een kleinere proportie vrouwen. Van de 100 werkzoekenden met een niet-Europese nationaliteit ingeschreven bij de VDAB tellen we 39 vrouwen. In het geheel van de niet-werkende werkzoekenden in het Vlaams Gewest bedraagt de proportie vrouwen 53,7%. In het Waals Gewest is deze proportie 54,6%, maar ook hier merken we een lagere proportie vrouwen bij de werkzoekenden van buiten de Europese Unie (39,7%). De onderstaande tabel splitst de niet-werkende werkzoekenden op volgens nationaliteit en studieniveau. Uit de tabel blijkt onmiddellijk de sterke correlatie tussen de categorie andere studies en de niet-Europese nationaliteit. 67,3% van de vrouwen en 69,7% van de mannen met een nationaliteit van buiten de Europese Unie hebben een diploma dat in het buitenland behaald werd en dat noch door de Vlaamse noch door de Franse Gemeenschap erkend wordt, waardoor ze gelijkgeschakeld worden aan laaggeschoolde werkzoekenden. Ook bij de werkzoekenden met een Europese nationaliteit lijkt dit probleem zich, weliswaar in mindere mate, te stellen.

Tabel 65: NWWZ in het BHG volgens studieniveau en nationaliteit (in %) - juni 2003 Hoogstens LSO

HSO

Hoger nietuniversitair

Universitair

Andere studies

Totaal

Vrouwen Belg EU NEU Totaal %

42,7 31,0 20,9

30,0 16,7 9,4

10,1 6,0 1,4

5,8 3,4 1,1

11,3 43,0 67,3

100 100 100

14 536

9 506

3 083

1 791

10 713

36,7

24,0

7,8

4,5

27,0

100

43,4 31,9 21,4

27,1 15,3 5,9

9,3 4,7 1,6

6,3 2,6 1,3

13,8 45,5 69,7

100 100 100

14 920

8 155

2 732

1 844

14 464

35,4

19,4

6,5

4,4

34,3

26 427 4 756 8 446 39 629

Mannen Belg EU NEU Totaal % Bron:

24 672 4 517 12 926 42 115

100

BGDA, berekeningen Observatorium

Wanneer 30% van de vrouwelijke werkzoekenden met een Belgische nationaliteit over een diploma hoger secundair beschikt is dit bij de niet-Europese vrouwen slechts voor één op tien het geval. Bij de mannen beschikt 27,1% van de Belgen over een diploma hoger secundair tegenover 5,9% bij de niet-Europese werkzoekenden. Hoewel de vrouwelijke werkzoekenden van buiten de Europese Unie een lager opleidingsniveau hebben dan de Belgische vrouwen is hun opleidingsniveau hoger dan dit van de mannelijke werkzoekenden van buiten de Europese Unie. In een Brusselse context, die wordt gekenmerkt door een hoge werkloosheid, worden de buitenlandse en de Belgische bevolkingsgroepen van buitenlandse afkomst in het bijzonder geconfronteerd met dit fenomeen van economische en sociale uitsluiting. De verslechtering van de arbeidsmarkt, meer bepaald de verdwijning van een deel van de laaggekwalificeerde banen en van de arbeidersbanen, accentueert de kwetsbaarheid van deze bevolkingsgroepen op het vlak van de professionele inschakeling. Naast de achteruitgang van de arbeidsmarkt is er tevens sprake van discriminaties bij de aanwerving tegenover kandidaten afkomstig uit landen van buiten de Europese Unie, die een grote vorm van verdringing van deze bevolkingsgroepen vertegenwoordigen. Naturalisaties veranderen niets aan de discriminatie. Een studie aangevraagd door het Internationaal ArbeidsBureau heeft aangetoond dat de omvang van deze discriminatie, bewust of niet, in Brussel aanzienlijk is134. Zonder in te gaan op de details van deze studie, is het duidelijk dat zij het belang heeft 134

Arrijn P., Feld S. en A. Nayer, 1997.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

116

aangetoond van discriminatiefenomenen en dit door de houding van werkgevers ten aanzien van Belgische en vreemde werknemers met een analoog profiel, waaronder een identiek studieniveau te vergelijken. In het Brussels Gewest werden testen met vrouwen en mannen uitgevoerd waaruit besloten kan worden dat de discriminatie voor alle jongeren van vreemde origine geldt. De methode liet echter niet toe om een vergelijking tussen vrouwen en mannen te maken.

6.2.3.

Beroepen

Hoewel vrouwen ongeveer de helft van de werkzoekenden uitmaken is dit niet het geval in alle beroepen. Bij de werkzoekenden ingeschreven als bedienden is dit 58,9% tegenover 39,7% van de werkzoekenden ingeschreven als arbeider. De horizontale en verticale segregatie die we vaststellen op de werkvloer (hoofdstuk 4 & 5) vinden we via de beroepencode van de werkzoekenden ook terug in de werkloosheidsstatistieken. De beroepencode die een werkzoekende krijgt bij inschrijving is gebaseerd op de beroepservaring van de betrokkene. Wanneer deze (nog) niet over voldoende ervaring beschikt is de beroepencode gebaseerd op de studies. We merken op dat de werkzoekenden in juni 2003 in 1.574 verschillende beroepencodes ingeschreven waren. Bij de vrouwelijke werkzoekenden telden we 947 verschillende beroepencodes tegenover 1.409 bij de mannelijke werkzoekenden. Dit verschil tussen vrouwen en mannen kan gedeeltelijk verklaard worden door de meer gedetailleerde indeling van technische beroepen (waar mannen vaker ingeschreven zijn), terwijl administratieve beroepencodes (die eerder vrouwelijk of genderneutraal zijn) meer algemeen zijn135. Bovendien is het aanpassen van de beroepencodes en functiebenamingen een proces van lange adem. Dit brengt met zich mee dat de beroepencodes de evolutie van de tertiaire sector en zijn beroepen moeilijk volgen. In de onderstaande grafiek wordt de verhouding vrouwen - mannen in de 20 meest voorkomende beroepsgroepen weergegeven. Zo'n 85% van de ingeschreven werkzoekenden behoort tot deze 20 beroepsgroepen. De verhouding vrouwen - mannen werd in dalende volgorde geordend. In vier categorieën tellen we een genderratio van drie vierde vrouwen of meer. Het kamerpersoneel in de hotels spannen hier de kroon: 92% van de ingeschreven werkzoekenden zijn immers vrouwen. Ook bij de secretaressen (90%), het verplegend personeel (88%) en de textielarbeiders (80%) stellen we een dergelijke oververtegenwoordiging van de vrouwelijke werkzoekenden vast. Zes beroepsgroepen bevinden zich in het andere uiterste, d.i. minder dan een vierde van de werkzoekenden ingeschreven in deze beroepsgroepen is een vrouw. Hier spannen de metaalbewerkers de kroon met 1,5% vrouwen, gevolgd door de arbeiders uit de bouw (2,4%), de werknemers in het vervoer en de communicatie (5,1%), de elektriciens (5,5%), de informatici (15,2%) en de warenbehandelaars (19,4%).

135

OESO, 2002, Les femmes au travail: qui sont-elles et quelle est leur situation?, In: OESO, Perspectives de l'emploi de l'OCDE.

Werkloosheid

117

Grafiek 38: Verhouding vrouwen-mannen in de Brusselse werkloosheid volgens beroepencode - juni 2003 2.082

Kamerpersoneel

2.451

286

1.704

227

Secretaressen Verplegend personeel

175

2.022

Textielarbeiders

2.395

1.019

448

Schoonmakers Hulpboekhouders en kassiers

508

5.812

3.615

Handelszaakbeheerders en verkopers

1.685

Vertalers, psychologen, sociologen,…

909

488

Bedienden voor administ ratief werk

5.671

3.161

1.175

Opvoeders

720

1.313

Serveerders en zaalpersoneel

1.412

781

Directeurs en kaderpersoneel

1.158

937

Koks en keukenpersoneel

1.828

1.098

Handlangers

2.906

696

Warenbehandelaars

2.894

232

Informatici

1.299

Elekt riciens

104

1.770

Werknemers in het vervoer en het verkeer

128

2.391

Bouwarbeiders

65

2.673

M etaalbewerkers

43

2.877

0%

20%

40% Vrouwen

Bron:

60%

80%

100%

M annen

BGDA, berekeningen Observatorium

Uit de gegevens van het NIS136 blijkt bovendien dat de typische vrouwen- en mannenberoepen sinds de jaren 60 relatief constant zijn gebleven. Bij de vrouwenberoepen vinden we in de top 5: de kleuterleidsters, diëtisten, verpleegsters, schoonmaaksters/ruitenwasser en verkoopster. Bij de typische mannenberoepen bestaat de top 5 uit: matroos/scheepsmachinist, bestuurder grondwerk- en bouwmachines, politieagent, bouwvakker en loodgieter. Een aantal beroepen die in 1961 minder voor kwamen bij de vrouwen hebben ondertussen een forse sprong voorwaarts gemaakt. Het gaat hierbij vaak om hoger opgeleide beroepen. Hier vinden we de vertaler-tolk, apotheker en bediende in de boekhouding terug. Uit deze gegevens blijkt ook dat het aantal mannen in vrouwenberoepen gemakkelijker toeneemt dan de proportie vrouwen in typische mannenberoepen. Ook Maruani merkte reeds op dat de toename van de vrouwelijke tewerkstelling enkel gebeurt in de sectoren/beroepen waar vrouwen reeds aanwezig zijn137.

6.2.4.

Werkloosheidscategorie

In juni 2003 was drie vierde van de niet-werkende werkzoekenden in het Brussels Gewest uitkeringsgerechtigd (ten opzichte van 78,2% in het Vlaams en 83,7% in het Waals Gewest). Ongeveer 5% van de Brusselse werkzoekenden is ingeschreven in wachttijd. Deze personen hebben (nog) geen recht op een uitkering. In het Vlaams Gewest bedraagt hun aandeel 5,6% tegenover 3,9% in Wallonië. In vergelijking met de andere gewesten kent het Brussels Gewest een belangrijk aandeel aan vrij ingeschreven werkzoekenden (12,6% t.o.v. 8,6% en 5,2% in Vlaanderen en Wallonië), wat zoals eerder vermeld verband houdt met de sociale samenstelling van het Gewest.

136 137

Bron: NIS - Enquêtes naar de Arbeidskrachten (1990, 2000 en 2002) en Volkstellingen (1961, 1970, 1981 en 1991). Maruani M., 2000.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

118

In het Brussels Gewest zijn de vrouwen enkel in de categorie van de andere verplicht ingeschreven niet-werkende werkzoekenden in de meerderheid. Bij de vrij ingeschreven werkzoekenden merken we een belangrijke vertegenwoordiging van de mannen, wat nauw samenhangt met de lagere arbeidsmarktparticipatie van de nietEuropese vrouwen. Deze categorie telt in Brussel immers een aanzienlijke proportie werkzoekenden met de nietEuropese nationaliteit. Het overwicht van de vrouwen in de werkloosheid in de andere twee gewesten vinden we, met uitzondering van de categorie van de werkzoekenden in wachttijd, in alle categorieën terug. In het Vlaams Gewest vinden we de hoogste proportie vrouwen bij de uitkeringsgerechtigde werkzoekenden terug. In het Waals Gewest is dit, net als in Brussel, bij de andere verplicht ingeschreven niet-werkende werkzoekenden.

Tabel 66: Niet-werkende werkzoekenden in de drie gewesten volgens categorie - juni 2003 BHG AW

Vlaams Gewest %V

AW

Waals Gewest

%V

AW

%V 54,2

Vrouwen UVW

30 025

48,8

82 006

54,7

105 984

WZ in wachttijd

2 024

46,5

5 075

47,5

4 318

47,8

Andere verplicht ingeschreven NWWZ Niet-werkende vrije WZ

3 180 4 394

57,1 42,6

7 314 8 447

50,7 51,0

10 645 6 562

62,9 54,2

39 623

48,5

102 842

53,7

127 509

54,6

Totaal vrouwen (NWWZ) Mannen UVW WZ in wachttijd Andere verplicht ingeschreven NWWZ Niet-werkende vrije WZ

31 2 2 5

Totaal mannen (NWWZ)

42 112

Bron:

474 331 391 916

67 5 7 8

863 605 120 101

88 689

89 4 6 5

659 724 266 547

106 196

BGDA, VDAB, Forem, berekeningen Observatorium

Wanneer we de evolutie van de werkzoekenden volgens categorie meer in detail bekijken, valt meteen de sterke toename van de niet-werkende vrij ingeschreven werkzoekenden, de werkzoekenden in wachttijd en andere verplicht ingeschreven niet-werkende werkzoekenden op. Dit hangt nauw samen met de veranderingen in de wetgeving inzake de werkloosheidsuitkeringen en de actieve welvaartstaat. Werkzoekenden hebben na het beëindigen van hun studies niet onmiddellijk recht op een uitkering, maar schrijven zich in als werkzoekende in wachttijd138. Een belangrijk aantal werkzoekenden ingeschreven in de categorie van verplicht ingeschreven werkzoekenden zijn personen die genieten van een leefloon of andere sociale uitkeringen. De niet-werkende vrij ingeschreven werkzoekenden hebben geen recht op een uitkering maar kunnen door hun inschrijving wel gebruik maken van de diensten van de BGDA. Hun inschrijving wordt zonder reactie van hun kant beperkt tot 6 maanden.

138

De duur van de wachtperiode hangt af van de leeftijd op het moment van inschrijving als werkzoekende: - 155 dagen (ongeveer 6 maanden), indien zij op het ogenblik van hun aanvraag minder dan 18 jaar zijn; - 233 dagen (ongeveer 9 maanden), indien zij op het ogenblik van hun aanvraag tussen 18 en 25 jaar zijn; - 310 dagen (ongeveer 1 jaar), indien zij op het ogenblik van hun aanvraag tussen 26 en 30 jaar zijn.

Werkloosheid

119

Tabel 67: Evolutie van de NWWZ in het BHG volgens statuut in de werkloosheid (in %) (juni 1992-2003) Evolutie 1992-97

Evolutie 1997-01

Evolutie 2001-03

Evolutie 1992-03

39 623

34,0

-8,0

16,9

44,0

75,8

21,0

-9,9

9,9

19,8

4,7

5,1

225,3

-7,7

28,1

284,8

4,3

8,0

188,5

-55,8

116,3

175,6

1992

1997

2001

2003

Vrouwen

27 513

36 864

33 900

UVW

91,1

82,3

80,6

1,9

4,6

4,2

9,0

WZ in wachttijd Andere verplicht ingeschreven nietwerkende WZ Niet-werkende vrije WZ

2,8

4,1

10,4

11,1

94,8

136,7

24,2

472,9

Mannen

26 441

38 715

34 407

42 112

46,4

-11,1

22,4

59,3

UVW WZ in wachttijd

86,8 2,1

76,4 4,9

74,5 5,4

74,7 5,5

28,8 245,5

-13,3 -2,1

22,7 26,5

37,1 327,7

Andere verplicht ingeschreven nietwerkende WZ

7,1

12,7

4,9

5,7

161,5

-65,8

42,4

27,2

Niet-werkende vrije WZ

4,0

6,1

15,2

14,0

122,8

123,2

13,0

461,8

Bron:

BGDA, berekeningen Observatorium

Terwijl in juni 2003 drie vierde van de vrouwelijke werkzoekenden uitkeringsgerechtigd is, maakten zij in 1992 91,1% van de vrouwelijke werkzoekenden uit. Ook bij de mannen stellen we over dezelfde periode een afname van de proportie uitkeringsgerechtigde volledig werklozen vast. Deze afname is echter minder groot dan bij de vrouwen. Wanneer we dit in absolute aantallen bekijken, merken we evenwel een sterkere toename van het aantal mannelijke uitkeringsgerechtigde werklozen (37,1% t.o.v. 19,8%). Vooral in de periode 2001-03 merken we een groot verschil met de evolutie van de vrouwelijke uitkeringsgerechtigde werklozen. Terwijl het aantal vrouwelijke UVW's met 9,9% toenam, steeg het aantal mannelijke UVW's met een vijfde. De proportie werkzoekenden in wachttijd kenden bij de vrouwen en mannen een gelijkaardige evolutie: van 2% in 1992 naar 5% in 2003. Bij deze categorie van werkzoekenden merken we een afwijking van het algemeen patroon: in de periode 1997-2001 daalde het aantal vrouwen sterker, terwijl hun aantal iets sterker toenam in 2001-03. De evolutie van de andere verplicht ingeschreven werkzoekenden wijkt volledig af van het algemene patroon. Bij de vrouwen merken we immers een sterkere stijging in de periodes 1992-1997 en 2001-03 en een sterkere afname in de periode 1997-2001. Dit blijkt ook uit de proportie vrouwen die in deze categorie ingeschreven zijn. Terwijl zij 4,2% van de vrouwelijke werkzoekenden in 1992 uitmaken, bedraagt hun proportie 8% in 2003. Bij de mannelijke werkzoekenden stellen we een lichte afname van het belang van deze categorie vast: van 7,1% in 1992 naar 5,7% in 2003. Wat specifiek de categorieën van de werkzoekenden ten laste van het OCMW betreft, stellen we vast dat de gemiddelde proportie vrouwen rond de 45% schommelt in de periode 2001-2003. De belangrijkste toename wordt vastgesteld bij de vrij ingeschreven werkzoekenden. Zelfs in de periode van werkloosheidsafname nam hun aantal toe. Vanaf 1997 stellen we bovendien een sterkere toename bij de vrouwelijke werkzoekenden vast, wat ook tot uiting komt in het aandeel van deze categorie. In de periode 19922003 steeg de proportie vrouwelijke werkzoekenden ingeschreven in deze categorie van 2,8% tot 11,1%. Bij de mannelijke werkzoekenden nam hun aantal van 4% tot 14% toe.

6.2.5.

Ruimtelijke spreiding

Niet alle Brusselse gemeenten worden op dezelfde manier door de werkloosheid getroffen. De centraal gelegen gemeenten kennen een hogere werkloosheid dan de gemeenten van de eerste of tweede kroon. Op gewestelijk niveau bedraagt de proportie werkzoekende vrouwen 48,5%. In zes van de negentien gemeenten is de proportie vrouwen lager. Het betreft de gemeenten: Schaarbeek (47%), Sint-Jans-Molenbeek (47%), Elsene (46,8%), Brussel-Stad (45,6%), Sint-Gillis (45,2%) en Sint-Joost-Ten-Node (44,8%). Een groot aantal gemeenten uit de tweede kroon die minder ongunstige werkloosheidscijfers kunnen voorleggen, kennen daarentegen een overwicht

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

120

aan vrouwelijke werkzoekenden: Sint-Agatha-Berchem (56,1%), Ganshoren (55,6%), Evere (55,3%), Ukkel (54,8%), Sint-Lambrechts-Woluwe (54,6%) en Watermaal-Bosvoorde (53,4%). Hoewel de positie van de vrouwelijke werkzoekenden gunstiger lijkt in de gemeenten die het sterkst door de werkloosheid getroffen worden moeten deze gegevens gerelativeerd worden. Het aantal vrouwelijke werkzoekenden in de centrale gemeenten vertegenwoordigen immers 56,9% van alle Brusselse vrouwelijke werkzoekenden. Bij de mannen bedraagt deze proportie 62,2%.

Grafiek 39: Verhouding vrouwen-mannen in de werkloosheid volgens gemeente - juni 2003 St-Agatha-Berchem

690

540

Ganshoren

655

522

Evere

949

767

Ukkel

1923

1585

St-Lambrechts-Woluwe

1019

Watermaal-Bosvoorde

561

848 489

1443

Jette

1308

2 101

Vorst

1997

St-Pieters-Woluwe

573

545

Oudergem

581

568

Etterbeek

1444

1447

Anderlecht

4 267

4 390

Koekelberg Brussels Gewest

878

904

39 623

42 112

Schaarbeek

5 627

6 345

St-Jans-Molenbeek

4 184

4 726

Elsene

2 598

2 959

Brussel

6 302

St-Gillis

2 326

2 819

St-Joost-ten-Node

1502

1847

0%

10%

20%

7 506

30%

40%

50% Vrouwen

Bron:

60%

70%

80%

90%

100%

Mannen

BGDA, berekeningen Observatorium

De geïnteresseerde lezer vindt tabel 8 in bijlage die de evolutie van de werkzoekenden per gemeente in de periode 1992-2003 weergeeft. Hoewel het aantal vrouwelijke werkzoekenden in alle 19 gemeenten toegenomen is, stellen we een minder sterke stijging bij de vrouwen dan bij de mannen vast. Sint-Agatha-Berchem vormt hier op een uitzondering. In 17 van de 19 gemeenten betekende dit een afname van de proportie vrouwelijke werkzoekenden. In zes gemeenten was de evolutie van het aantal vrouwelijke werkzoekenden minder gunstig dan hun evolutie op gewestelijk niveau. Ten slotte relativeren ook de gemeentelijke werkloosheidsgraden het gunstige profiel van de vrouwen in de centrale gemeenten, zoals blijkt uit de onderstaande tabel. Ter herinnering, bij de werkloosheidsgraad wordt het aantal werkzoekenden in verhouding tot het aantal beroepsactieve personen weergegeven. In tegenstelling tot de in hoofdstuk 3 gebruikte gegevens wordt hier gebruik gemaakt van de administratieve gegevens om de werkloosheidsgraad te berekenen. Hierdoor is de werkloosheidsgraad niet enkel hoger voor het Brussels Gewest, er wordt ook een belangrijk verschil tussen vrouwen en mannen vastgesteld. Meer dan een vijfde van de Brusselse vrouwen is werkloos ten opzichte van 18,4% van de Brusselse mannen. Bij de jongeren is 35,3% van de vrouwen en 31,7% van de mannen werkloos.

Werkloosheid

121

Tabel 68: Werkloosheidsgraad139 in de 19 gemeenten volgens gender - 2003 Totaal

Jongeren (< 25 jaar)

Vrouwen

Mannen

Totaal

Anderlecht Oudergem

25,6 11,7

20,0 9,8

22,4 10,7

St.-Agatha-Berchem

16,2

12,0

Brussel

25,3

21,7

Etterbeek

18,8

Evere Vorst

Genderverschil140

Totaal

Genderverschil

Vrouwen

Mannen

5,6 1,9

37,4 23,4

31,3 22,8

34,1 23,1

6,1 0,6

14,0

4,3

28,0

25,5

26,8

2,5

23,2

3,6

39,0

33,9

36,3

5,1

16,3

17,5

2,5

28,2

28,2

28,2

-0,1

17,7 22,1

12,6 17,8

15,0 19,8

5,0 4,3

32,5 34,5

26,7 29,8

29,5 32,1

5,8 4,7

Ganshoren Elsene

16,3 17,9

11,8 16,8

14,0 17,3

4,5 1,0

27,8 29,1

22,2 30,8

25,0 29,9

5,6 -1,7

Jette Koekelberg

17,4 25,4

13,9 21,1

15,5 23,0

3,5 4,3

30,4 36,0

27,9 34,4

29,1 35,2

2,5 1,7

St.-Jans-Molenbeek St.-Gillis St.-Joost-Ten-Node

32,3 27,8 38,9

26,4 24,8 30,6

28,9 26,1 33,9

5,9 3,0 8,3

44,9 40,0 43,7

37,5 34,5 38,0

41,0 37,1 40,5

7,4 5,5 5,7

Schaarbeek Ukkel

28,0 13,9

23,7 10,3

25,6 12,0

4,3 3,6

40,3 24,9

35,0 24,9

37,5 24,9

5,2 0,0

Watermaal-Bosvoorde

11,9

9,7

10,7

2,2

21,1

27,3

24,3

-6,2

St.-Lambrechts-Woluwe

11,7

9,2

10,4

2,6

22,8

23,6

23,1

-0,8

St.-Pieters-Woluwe

9,7

7,8

8,7

1,9

23,3

23,4

23,3

-0,1

Brussels Gewest

21,6

18,4

19,8

3,2

35,3

31,7

33,4

3,6

Bron:

NIS, RSVZ, RIZIV, BGDA, RSZ-LATG, RSZPPO, berekeningen Steunpunt WAV en Brussels Observatorium van de Arbeidsmarkt

De analyse van de werkloosheidsgraad vanuit een genderperspectief toont aan dat deze in alle gemeenten van het Brussels Gewest hoger is voor de vrouwen dan voor de mannen. De afwijking is groter in de centrale gemeenten, ondanks het feit dat we voor die gemeenten in absolute waarden meer werkzoekende mannen dan vrouwen tellen. Deze paradox kan verklaard worden door het feit dat de vrouwen in deze gemeenten minder aanwezig zijn op de arbeidsmarkt. Deze centrale gemeenten kennen namelijk een belangrijke concentratie aan personen van vreemde afkomst of nationaliteit. Het is moeilijk om een duidelijke lijn te trekken tussen de genderverschillen in werkloosheidsgraad in functie van de totale werkloosheidsgraad. Bij de 9 gemeenten uit de tweede kroon die een werkloosheidsgraad lager dan 16% kennen zien we een genderverschil lager dan het gewestelijk genderverschil in Sint-Pieters-Woluwe, Oudergem, Watermaal-Bosvoorde en Sint-Lambrechts-Woluwe. In Ukkel en Jette schommelt het verschil tussen vrouwen en mannen rond het gemiddelde, terwijl Ganshoren, Evere en Sint-Agatha-Berchem een verschil van meer dan 4 procentpunten laten optekenen. Ook in de zes gemeenten waar de werkloosheidsgraad rond het gewestelijk gemiddelde schommelt (tussen 16 en 23%) is het moeilijk om een eensluitende vaststelling te doen. Zo merken we weinig verschil tussen vrouwen en mannen in Elsene. Brussel-Stad en Etterbeek benaderen het gemiddelde, terwijl het verschil in Vorst, Anderlecht en Koekelberg groter is dan het gewestelijk verschil. In de vier gemeenten met een werkloosheidsgraad boven de 23% is het genderverschil groter dan 3,2 procentpunten, het gewestelijk gemiddelde. Het betreft Schaarbeek, Sint-Gillis, Sint-Jans-Molenbeek en Sint-Joost-Ten-Node. In deze laatste gemeente wordt het grootste genderverschil opgetekend: vrouwen hebben er een werkloosheidsgraad die 8 procentpunten hoger is dan de werkloosheidsgraad bij de mannen. Bij de Brusselse jongeren merken we een genderverschil dat iets hoger is dan het totale genderverschil. In tegenstelling tot de totale bevolking waar de werkloosheidsgraad steeds hoger is bij de vrouwen is dit niet het geval bij de jongeren. In 7 van de 19 gemeenten is de werkloosheidsgraad bestaat geen verschil in de werkloosheidsgraad van de -25-jarige vrouwen en mannen of is het verschil in het voordeel van de vrouwen. Het grootste verschil wordt opgetekend in Watermaal-Bosvoorde waar de werkloosheidsgraad van de jonge vrouwen bijna 8 procentpunten lager is dan deze van de mannen. In Elsene, Sint-Lambrechts-Woluwe, Sint-PietersWoluwe, Etterbeek en Ukkel is het genderverschil tussen de werkloosheidsgraad miniem. Koekelberg, Jette en 139 140

Voor de berekening van de werkloosheidsgraad hebben we het jaargemiddelde van 2003 gebruikt. Genderverschil = werkloosheidsgraad vrouwen - werkloosheidsgraad mannen.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

122

Sint-Agatha-Berchem situeren zich onder het gewestelijk gemiddelde. In de overige gemeenten situeert het verschil tussen vrouwen en mannen zich boven het gemiddelde: van 4,7 ppn. in Vorst tot 7,4 ppn. in Sint-JansMolenbeek.

6.3. Dynamiek van de werkloosheid Tot nu toe hebben we de werkloosheidscijfers op één bepaald moment bekeken. Op basis van de gegevens van de BGDA zullen we in dit onderdeel dieper ingaan op de instroom in en de uitstroom uit de werkloosheid. De statistieken die op het eind van elke maand gepubliceerd worden geven immers geen beeld van de dynamiek die achter deze cijfers schuilgaat. In 2002 waren gemiddeld 77.526 personen (37.691 vrouwen en 39.835 mannen) werkzoekend. De totale arbeidsreserve, het aantal personen dat bij de BGDA minstens één maal ingeschreven was als werkzoekend, bedroeg echter 138.562 personen (48% vrouwen). In de loop van 2002 bedroeg de instroom in de werkloosheid 60.218 personen. In een eerste onderdeel zal deze instroom volgens werkzoekendencategorie geanalyseerd worden. In het tweede onderdeel komt de uitstroom aan bod. Hierbij analyseren we wie op 1 januari 2002 ingeschreven was als werkzoekende en wie dit niet langer was op 31 december. In het derde onderdeel zal de uitsluiting uit de werkloosheid vanuit een genderperspectief benaderd worden en dit op basis van gegevens van de RVA. Naast deze externe bewegingen zal in het vierde onderdeel ook een belangrijke interne beweging van de werkzoekenden geanalyseerd worden, nl. de instroom in de langdurige werkloosheid. Hiervoor gebruiken we de cohorte van werkzoekenden die zich in december 1999 kwamen inschrijven en volgen hen tot in december 2003. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een analyse van de schoolverlaters.

6.3.1.

Instroom in de werkloosheid

Ongeveer 43% van de totale niet-werkende arbeidsreserve141 van het jaar 2002 is zich in de loop van het jaar komen inschrijven bij de BGDA als werkzoekenden. Bij de vrouwen is de verhouding tussen de instroom van werkzoekenden en de arbeidsreserve iets lager (42,2% t.o.v. 44,6% bij de mannen). In de onderstaande tabel wordt de instroom volgens werkzoekendencategorie en gender weergegeven.

Tabel 69: Instroom in de Brusselse werkloosheid volgens categorie en gender - 2002 Vrouwen

AW Uitkeringsgerechtigde volledig werklozen (UVW)

Mannen

%

AW

Totaal

%

AW

%

% Vrouwen

16 588

59,0

18 991

59,2

35 579

59,1

46,6

WZ ingeschreven in wachttijd

5 111

18,2

5 011

15,6

10 122

16,8

50,5

Niet-werkende vrij ingeschreven werkzoekenden

5 649

20,1

7 375

23,0

13 024

21,6

43,4

770

2,7

723

2,3

1 493

2,5

51,6

28 118

100

32 100

100

60 218

100

46,7

Andere verplicht ingeschreven niet-werkende WZ Totaal niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) Bron:

BGDA, berekeningen Observatorium

Ongeveer zes op tien personen die in 2002 werkzoekend werden behoren tot de categorie van de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen. De niet-werkende werkzoekenden vormen de tweede grootste categorie. Deze werkzoekenden oefenen geen beroepsactiviteit uit en hebben geen recht op een uitkering van de RVA. Hun proportie is iets hoger bij de instroom van de mannelijke werkzoekenden. De derde groep zijn de werkzoekenden in wachttijd. Het betreft hier vooral jongeren die zich na hun studies komen inschrijven en nog geen recht op een uitkering van de RVA hebben. Deze groep is iets sterker vertegenwoordigd bij de vrouwelijke werkzoekenden.

141

De niet-werkende arbeidsreserve zijn alle werkzoekenden die gedurende het jaar 2002 ingeschreven zijn geweest bij de BGDA.

Werkloosheid

123

Algemeen is 46,7% van de instroom in de werkloosheid een vrouw. Enkel in twee categorieën merken we dat vrouwen meer dan de helft uitmaken: bij de werkzoekenden in wachttijd en de andere verplicht ingeschreven niet-werkende werkzoekenden. Deze laatste categorie bestaat voornamelijk uit werkzoekenden ten laste van het OCMW, werkzoekenden uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen en werkzoekenden die deeltijds hebben gewerkt zonder bijpassing van de RVA en nu werkloos zijn geworden. Deze laatsten vertegenwoordigen ongeveer 10% van de andere verplicht ingeschreven niet-werkende werkzoekenden maar kennen een oververtegenwoordiging aan vrouwen (81,1%). Bij de instroom in de werkloosheid is het interessant om een onderscheid te maken tussen een nieuwe inschrijving en een herinschrijving. Bij inschrijving van een werkzoekende maakt de BGDA niet automatisch een nieuw dossier aan. Een groot deel van de inschrijvingen zijn immers personen die voordien reeds één of meerdere malen ingeschreven zijn geweest als werkzoekende. In dit geval spreken we van een herinschrijving. Ongeveer de helft van de instroom in de werkloosheid in 2002 was voordien reeds ingeschreven geweest bij de BGDA. Bij de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, die de belangrijkste categorie in de instroom vormen, vertegenwoordigen de herinschrijvingen bij de mannen 65,1%, terwijl bij de vrouwen de herinschrijvingen 69,6% van de instroom vertegenwoordigen.

6.3.2.

Uitstroom uit de werkloosheid

Algemeen bedroeg de uitstroom uit de werkloosheid 42% in 2002, m.a.w. 42% van de werkzoekenden ingeschreven in januari 2002 waren dit niet meer in december 2002. We stellen evenwel een verschil tussen vrouwen en mannen vast: 40,2% van de vrouwen en 43,6% van de mannen waren eind 2002 niet meer ingeschreven als werkzoekende. Bij deze analyse zullen telkens een aantal kenmerken gecombineerd worden waardoor het mogelijk is om een beter beeld te geven van de werkelijkheid. Het is evenwel niet de bedoeling om de individuele uitstroomkansen van de werkzoekenden te bepalen. Temeer omdat de reden van uitschrijven niet noodzakelijk betekent dat de betrokkene een job gevonden heeft. Weinig werkzoekenden laten de BGDA weten dat ze werk gevonden hebben. In de praktijk wordt de meerderheid van de werkzoekenden afgeschreven omdat de persoon niet meer op de stempellijst voorkomt. Bij vrij ingeschreven werkzoekenden geldt de inschrijving voor een periode van 6 maanden. Ten slotte, betekent het feit dat de werkzoekenden zowel in januari 2002 als in december 2002 ingeschreven waren echter niet dat ze voortdurend werkzoekend waren.

A.

Leeftijd en studieniveau

Zowel leeftijd als studieniveau vergemakkelijken de uitstroom uit de werkloosheid142. In die zin dat jongeren en hoogopgeleiden een hogere uitstroomgraad hebben. In 2002 was de uitstroomgraad van de -25-jarigen 13 procentpunten hoger dan de uitstroomgraad bij de 25-49-jarigen. Het grootste verschil wordt bij de mannen opgetekend (15 ppn.). Hooggeschoolden hebben dan weer een uitstroomgraad die 17 procentpunten hoger is dan laaggeschoolden. Het grootste verschil wordt hier bij de vrouwelijke werkzoekenden genoteerd (20 ppn.). In de onderstaande grafieken worden beide variabelen gecombineerd. Bovendien stellen we vast dat de gunstige invloed van de leeftijd en een hoger studieniveau niet in dezelfde mate geldt voor vrouwen als voor mannen.

142

De vijftigplussers werden niet in de analyse opgenomen omwille van hun vertekende hoge uitstroomgraad. Immers, hun uitstroom uit de werkloosheid is vaak omwille van het bereiken van de pensioenleeftijd of omwille van het vervallen van de verplichting om als werkzoekende ingeschreven te zijn. Zie ook: Brussels Observatorium van de Arbeidsmarkt en de Kwalificatie, 2003, Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt: tussen dynamisme en dualiteit.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

124

Grafiek 40: Uitstroomgraad uit de Brusselse werkloosheid volgens leeftijd, studieniveau en gender (in %) - 2002 a) Jongeren (< 25 jaar)

b) Volwassenen (25-49 jaar) 74,8

Ho o g

49,4

M idden

43,1

20

40 M annen

Bron:

60 Vro uwen

35,9 40,9 34,2

Laag

51,3 0

52,2

M idden

56,6

Laag

52,2

Ho o g

78,3

80

100

38,0 0

20

40 M annen

60

80

100

Vro uwen

BGDA, berekeningen Observatorium

Ongeacht hun studieniveau kennen jongeren een hogere uitstroomgraad uit de werkloosheid dan volwassenen. We merken de grootste genderkloof bij de laaggeschoolden waar mannen een uitstroomgraad hebben die 8 procentpunten hoger is dan de uitstroomgraad bij vrouwen. Bij de hooggeschoolde jongeren bedraagt het verschil tussen vrouwen en mannen nog 3,5 procentpunten. Bij de volwassenen zijn de verschillen tussen de uitstroomgraad van vrouwen en mannen kleiner. Het grootste verschil merken we bij de middengeschoolden waar het verschil tussen vrouwen en mannen 5 procentpunten bedraagt ten opzichte van bijna 4 bij de laaggeschoolden. Wat de hooggeschoolden betreft, merken we geen verschil in uitstroomgraad. Wat de leeftijd betreft, merken we de grootste afname van de uitstroomgraad bij de mannen. Een laaggeschoolde man die jonger is dan 25 jaar heeft een uitstroomgraad van 51,3%, wat 26 procentpunten hoger is dan de uitstroomgraad van een laaggeschoolde man tussen de 25 en 49 jaar. Bij de vrouwen is dit verschil minder groot. Het effect van de leeftijd neemt af bij een hoger studieniveau. Bij de hooggeschoolde vrouwen is de uitstroomgraad van een jonge vrouw bijna 9 procentpunten hoger dan deze van een vrouw tussen de 25 en 49 jaar. Bij de mannen is dit verschil in uitstroomgraad groter (13,3 procentpunten).

B.

Leeftijd en inactiviteitsduur

Uit een vorige studie143 is gebleken dat de inactiviteitsduur sterk doorweegt in de kansen om de werkloosheid te verlaten. Hoe langer iemand inactief is, hoe kleiner zijn of haar kansen worden en dit ongeacht de leeftijd of het studieniveau (zie verder). Enerzijds werkt een langere periode van inactiviteit ontmoedigend voor heel wat werkzoekenden om na een reeks van afwijzingen actief op zoek naar werk te blijven gaan. Anderzijds staan sommige werkgevers weigerachtig tegenover het in dienst nemen van langdurig werkzoekenden. Ze stellen zich vaak vragen bij hun motivatie en hun vaardigheden. Bij een analyse van de uitstroomgraad volgens inactiviteitsduur is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen de -25-jarigen en de 25-49-jarigen. Immers, in de Europese Werkgelegenheidsstrategie wordt een jongere als langdurig werkzoekende beschouwd vanaf een inactiviteitsduur vanaf 6 maanden, terwijl dit bij een volwassene vanaf één jaar is. Wat de leeftijd betreft, merken we opnieuw de grootste verschillen tussen vrouwen en mannen bij de -25-jarigen.

143

Brussels Observatorium van de Arbeidsmarkt en de Kwalificaties, 2003, Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt: tussen

dynamisme en dualiteit.

Werkloosheid

125

Grafiek 41: Uitstroomgraad uit de Brusselse werkloosheid volgens leeftijd, inactiviteitsduur en gender (in %) - 2002 a) Jongeren (< 25 jaar)

b) Volwassenen (25-49 jaar) 61,5 63,9

< 6 maanden 45,7 49,1

6 m - 1jaar

21,3

10

20

30 M annen

Bron:

20,0 20,9

5 jaar en +

27,3 0

27,4 28,1

2 - 5 jaar

37,3

5 jaar en +

37,0 38,1

1- 2 jaar

31,0

2 - 5 jaar

41,8 44,5

6 m - 1jaar

38,4 42,3

1- 2 jaar

56,0 55,7

< 6 maanden

40

50

Vro uwen

60

70

0

10

20

30 M annen

40

50

60

Vro uwen

BGDA, berekeningen Observatorium

Terwijl vrouwen jonger dan 25 jaar met een inactiviteitsduur van minder dan 6 maanden een uitstroomgraad van 61,5% hebben is dit bij de mannen met dezelfde kenmerken 63,9%. Dit verschil tussen vrouwen en mannen neemt bovendien toe met de inactiviteitsduur. Jonge vrouwen die reeds meer dan 2 jaar ingeschreven zijn als werkzoekende hebben een uitstroomgraad die 7 procentpunten lager is dan mannen uit dezelfde leeftijdsgroep. Bovendien is de proportie jonge vrouwen met een dergelijke inactiviteitsduur beduidend hoger dan de proportie jonge mannen (20,7% t.o.v. 13%). Bij de leeftijdsgroep van de 25-49-jarigen is het verschil in uitstroomgraad tussen vrouwen en mannen beperkter. Wanneer we de groep meer in detail bekijken, merken we een aantal verschillen. In de groep van de 25-29jarigen hebben werkzoekende vrouwen met een inactiviteitsduur van minder dan 1 jaar een iets hogere uitstroomgraad dan de mannelijke werkzoekenden (respectievelijk 57,8% en 56%). Wanneer hun werkloosheidsduur de 2 jaar overschrijdt is de uitstroomgraad voor de vrouwen minder gunstig (28,6% t.o.v. 29,4%). Bij de werkzoekenden tussen de 30 en 39 jaar bedraagt de uitstroomgraad van de kortdurige werkzoekenden (< 1 jaar) 51% voor de vrouwen en 52% voor de mannen. Ook bij de langdurig werkzoekenden stellen we weinig verschil tussen vrouwen en mannen vast. Bij de werkzoekenden tussen de 40 en 49 jaar is het verschil tussen de vrouwen en mannen groter, respectievelijk 45% en 48,8% van de werkzoekenden met een inactiviteitsduur van minder dan 1 jaar verlaat de werkloosheid. Bij de werkzoekenden met een inactiviteitsduur van meer dan twee jaar hebben vrouwen een uitstroomgraad van 21,2% en mannen 23,4%.

C.

Studieniveau en inactiviteitsduur

Bij de laaggeschoolden merken we ongeacht de inactiviteitsduur een lagere uitstroomgraad bij de vrouwen. Het verschil tussen vrouwen en mannen is het grootst bij de werkzoekenden die tussen de 6 en 12 maanden ingeschreven zijn als werkzoekend. Bij de hooggeschoolde werkzoekenden merken we enkel bij de werkzoekenden die reeds meer dan 5 jaar werkloos zijn een iets lagere uitstroomgraad bij de vrouwen.

70

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

126

Grafiek 42: Uitstroomgraad uit de Brusselse werkloosheid volgens studieniveau, inactiviteitsduur en gender (in %) - 2002 a) Laaggeschoolden

b) Hooggeschoolden 54,1 55,4

< 6 maanden 41,7 45,5

6 m - 1jaar

0

20

22,0 23,3

5 jaar en + 40

M annen

Bron:

35,6 32,8

2 - 5 jaar

21,6 22,0

5 jaar en +

46,9 45,4

1- 2 jaar

27,4 29,3

2 - 5 jaar

56,7 54,0

6 m - 1jaar

37,3 39,8

1- 2 jaar

69,4 69,1

< 6 maanden

60

80

0

20

40 M annen

Vro uwen

60

Vro uwen

BGDA, berekeningen Observatorium

Het belang van een hoger diploma bij het verlaten van de werkloosheid wordt door deze gegevens nog eens bevestigd. Een hooggeschoolde vrouw die minder dan 6 maanden werkzoekend is heeft een kans om de werklosheid te verlaten die 15,3 procentpunten hoger is dan de kans van een laaggeschoolde vrouw met eenzelfde inactiviteitsduur. Ook bij de mannelijke werkzoekenden wordt een dergelijk verschil vastgesteld (13,7 ppn.). Wanneer de inactiviteitsduur toeneemt, neemt het verschil in uitstroomkansen tussen hoog- en laaggeschoolden af. Bij langdurige werkzoekenden (> 2 jaar) hebben hooggeschoolde vrouwen een uitstroomgraad die 5 procentpunten hoger is dan laaggeschoolde vrouwen met eenzelfde inactiviteitsduur. We merken opnieuw dat het verschil bij de mannen iets kleiner is (3 ppn.).

D.

Werkloosheidscategorie

Bij de onderstaande grafiek valt meteen de hoge uitstroomgraad van de werkzoekenden in wachttijd en de vrij ingeschreven niet-werkzoekende werkzoekenden op. Het is echter belangrijk om deze gegevens te nuanceren. Enerzijds door de proportie werkzoekenden ingeschreven in deze categorieën (zie tabel 66) en anderzijds door de procedure om de vrij ingeschreven werkzoekenden na 6 maanden uit te schrijven zonder bericht van hun kant. Wat de werkzoekenden in wachttijd betreft, verwijzen we naar de meer uitgebreide analyse van de schoolverlaters (zie 6.3.5).

Grafiek 43: Uitstroomgraad uit de Brusselse werkloosheid volgens werkloosheidscategorie en gender (in %) 2002 34,3 38,1

UVW

65,7 66,3 64,7 61,8

WZ in wachttijd Vrij ingeschreven NWWZ 33,7 37,5

Andere verplicht ingeschreven NWWZ

40,2 43,6

Totaal NWWZ 0

10

20

30

40

Mannen Bron:

BGDA, berekeningen Observatorium

50 Vrouwen

60

70

80

80

Werkloosheid

127

Drie vierde van de ingeschreven niet-werkende werkzoekenden zijn uitkeringsgerechtigd (UVW). In deze categorie merken we een duidelijk verschil in uitstroomgraad bij de vrouwen en de mannen. Terwijl 34,3% van de vrouwelijke UVW's na een jaar niet meer ingeschreven is, bedraagt de uitstroomgraad bij de mannen 38,1%. Ook bij de andere verplicht ingeschreven werkzoekenden, waar we een oververtegenwoordiging aan vrouwen vaststellen (57%), is de uitstroomgraad lager bij de vrouwen.

E.

Nationaliteit

In dit onderdeel gaan we de invloed van de nationaliteit op de kansen om de werkloosheid te verlaten na. Gezien de belangrijke proportie vrij ingeschreven werkzoekenden bij de personen met een niet-Europese nationaliteit en de vertekening die dit met zich meebrengt bij de berekening van de uitstroomgraad (zie hierboven) hebben we in de onderstaande analyse de uitstroomgraad enkel berekend bij de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen. Algemeen is de relatie tussen een nationaliteit van buiten de Europese Unie en de uitstroomgraad negatief: werklozen met een Belgische nationaliteit hebben een uitstroomgraad die 8 procentpunten hoger is dan de werklozen met een niet-Europese nationaliteit. Dit verschil uit zich zowel bij vrouwen als bij mannen. NietEuropese vrouwen hebben evenwel een uitstroomgraad die lager is dan de uitstroomgraad van de mannen (27,5% t.o.v. 32%). Eerder zagen we reeds de sterke genderverschillen bij de jongeren. Deze verschillen blijken evenwel sterker te zijn bij de Belgen dan bij de niet-Europeanen. We merken bovendien een sterkere invloed van de leeftijdnationaliteit bij de mannen dan bij de vrouwen. Zowel bij Belgische als bij niet-Europese vrouwen hebben jongeren een uitstroomgraad die zo'n 5 à 6 procentpunten hoger ligt dan de uitstroomgraad bij de 25-49-jarigen. Bij de mannen daarentegen is de uitstroomgraad van Belgische jongeren 12 procentpunten hoger dan bij de 2549-jarigen. Bij de niet-Europeanen bedraagt dit verschil 8 procentpunten.

Grafiek 44: Uitstroomgraad uit de Brusselse werkloosheid volgens nationaliteit, leeftijd en gender (in %) - 2002 a) < 25 jaar

b) 25-49 jaar

39,7

BE

48,5

31,3

NEU

10

20

30

Mannen Bron:

40 Vrouwen

37,0

26,0

NEU

38,1 0

33,3

BE

50

60

30,4 0

10

20

30

Mannen

40

50

60

Vrouwen

BGDA, berekeningen Observatorium

Wat het studieniveau betreft, zijn de verschillen meer uitgesproken. Bij de vrouwen met een Belgische nationaliteit is het verschil tussen een hooggeschoolde en een laaggeschoolde 20 procentpunten. Bij de nietEuropese vrouwen is de uitstroomgraad ongeacht het studieniveau lager en is het verschil tussen een hooggeschoolde en een laaggeschoolde vrouw bovendien groter (27 ppn.). Bij de mannen hebben hooggeschoolde werkzoekenden met een Belgische nationaliteit een uitstroomgraad die 13 procentpunten hoger is dan de laaggeschoolde. Bij de niet-Europeanen bedraagt dit verschil 23 procentpunten. Het diploma hoger onderwijs van een niet-Europese vrouw heeft niet dezelfde uitstoomkansen als het diploma hoger onderwijs van

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

128

een Belgische vrouw. Hoewel dit ook bij de mannen vastgesteld wordt, is het verschil het meest uitgesproken bij de vrouwen.

Grafiek 45: Uitstroomgraad uit de Brusselse werkloosheid volgens nationaliteit, inactiviteitsduur en gender (in %) - 2002 a) Belgische nationaliteit

b) Niet-Europese nationaliteit 52,1 56,0

< 6 maanden 40,4 44,1

6 m - 1jaar

0

10

20 M annen

Bron:

24,6 26,2

2 - 5 jaar

21,4 21,8

5 jaar en +

19,8 21,8

5 jaar en + 30

40 Vro uwen

50

60

37,9

29,6 34,0

1- 2 jaar

28,7 29,7

2 - 5 jaar

28,5

6 m - 1jaar

37,6 39,4

1- 2 jaar

44,3 42,9

< 6 maanden

0

10

20

30

M annen

40

50

60

Vro uwen

BGDA, berekeningen Observatorium

Hoewel niet-Europese vrouwen met een inactiviteitsduur van minder dan 6 maanden een iets hogere uitstroomgraad kennen dan de niet-Europese mannen met een dergelijke inactiviteitsduur, is hun uitstroomgraad bijna 8 procentpunten lager dan de vrouwen met een Belgische nationaliteit. Bij de mannen bedraagt dit verschil 13 procentpunten. Niet-Europese vrouwen met een inactiviteitsduur die de zes maanden overschrijdt bevinden zich zowel ten opzichte van de niet-Europese mannen als ten opzichte van de vrouwen met een Belgische nationaliteit in een minder gunstige situatie wat hun uitstroomgraad uit de werkloosheid betreft. Het verschil neemt echter af bij een toenemende inactiviteitsduur. Vanaf een inactiviteitsduur van 2 jaar wordt het verschil in uitstroomgraad tussen Belgen en niet-Europeanen beduidend kleiner. Ook het verschil tussen vrouwen en mannen, zowel bij de werkzoekenden met een Belgische als niet-Europese nationaliteit, wordt klein.

F.

Jonge vrouwen met kinderen

Het hebben van (jonge) kinderen wordt niet langer automatisch beschouwd als een reden voor vrouwen om de arbeidsmarkt te verlaten. Niettemin kunnen kinderen, en zeker kinderen jonger dan drie jaar, een remmende factor op de inschakeling van de moeders op de arbeidsmarkt vormen. In hoofdstuk 3 werd reeds de werkzaamheidsgraad en werkloosheidsgraad volgens huishoudentype besproken. Vrouwen met kinderen kennen een lagere werkzaamheidsgraad. Wat de werkloosheidsgraad betreft, worden de grootste werkloosheidsgraad bij vrouwen vastgesteld bij eenoudergezinnen (28%). Het gebrek aan opvangplaatsen voor kinderen tussen 0 en 3 jaar en een adequate infrastructuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is algemeen gekend. Een studie van de ONE144 toont aan dat Brusselse vrouwen vaak reeds vanaf de derde maand van hun zwangerschap een plaats voor hun kind moeten zoeken. Voor personen met jonge kinderen die van de ene dag op de andere opnieuw aan het werk gaan is het vinden van een opvangplaats uiteraard nog meer problematisch. De stedelijke context biedt bovendien minder mogelijkheden op het gebied van informele kinderopvang. Het ontbreken of de moeilijke toegang tot betrouwbare kinderopvang wordt vaak als een belangrijke niet-financiële werkloosheidsval bestempeld. Terwijl de kostprijs van de kinderopvang, zeker bij laaggeschoolden waar het verschil tussen het netto-loon en het vervangingsinkomen klein is, een financiële drempel kan vormen. In dit onderdeel gaan we dieper in op de uitstroomgraad van vrouwen met kinderen. We maken hier gebruik van de gegevens beschikbaar in de werkzoekendendossiers van de BGDA. Hierin wordt enkel het aantal kinderen en niet hun leeftijd genoteerd. Aangezien de problematiek echter specifiek is voor jonge kinderen, zullen we de 144

Bevoegde instelling voor kinderopvang van de Franse Gemeenschap, vergelijkbaar met Kind en Gezin in Vlaanderen.

Werkloosheid

129

uitstroomgraad van vrouwen jonger dan 30 jaar als proxy gebruiken. In deze leeftijdsgroep kunnen we immers veronderstellen dat het hoofdzakelijk jonge kinderen betreft. In de onderstaande grafiek wordt de uitstroomgraad van deze vrouwen weergegeven in functie van hun studieniveau. Enerzijds speelt het studieniveau een rol bij de kansen om de werkloosheid te verlaten, zoals we eerder konden vaststellen, anderzijds is er ook een relatie tussen het studieniveau en het aantal kinderen. In de onderstaande tabel beschrijven we de groep vrouwen jonger dan 30 jaar ingeschreven in januari 2002 volgens hun leeftijd, inactiviteitsduur, studieniveau en het al dan niet hebben van kinderen.

Tabel 70: Ingeschreven vrouwen (< 30 jaar) volgens studieniveau, inactiviteitsduur en kinderen - januari 2002 < 25 jaar

Zonder kinderen

25 - 29 jaar

% Met kinderen

Met kinderen

Zonder kinderen

Met kinderen

% Met kinderen

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

2 630 2 147 821

1 493 554 27

36,2 20,5 3,2

1 202 859 971

1 919 748 129

61,5 46,5 11,7

< 1 jaar 1 - 2 jaar > 2 jaar

3 881 963 754

841 392 841

17,8 28,9 52,7

1 887 484 661

1 010 503 1 283

34,9 51,0 66,0

Totaal

5 598

2 074

27,0

3 032

2 796

48,0

Bron:

BGDA, berekeningen Observatorium

Zowel bij de -25-jarigen als de 25-29-jarigen neemt bij een hoger studieniveau de proportie vrouwen met kinderen af. In de leeftijdsklasse van de 25-29-jarigen heeft drie op vijf laaggeschoolde vrouwen kinderen. Bij de hooggeschoolden is dit 11,7%. Bij een hogere inactiviteitsduur neemt de proportie vrouwen met kinderen toe. Twee derde van de vrouwen tussen 25 en 29 jaar die meer dan 2 jaar inactief zijn heeft kinderen tegenover iets meer dan een derde bij de kortdurig werkzoekenden.

Grafiek 46: Uitstroomgraad van jonge vrouwen met en zonder kinderen volgens studieniveau (in %) - 2002 80

70,4

70 60 50 40

50,6

49,1 33,9

52,6

34,0

30 20 10 0 Laag

Midden Met kinderen

Bron:

Hoog

Zonder kinderen

BGDA, berekeningen Observatorium

De grafiek spreekt in feite voor zich. Terwijl eind 2002 de helft van de laag- en middengeschoolde jonge vrouwen (< 30 jaar) en zonder kinderen niet meer ingeschreven is als werkzoekende is dit slechts voor een derde van de vrouwen met kinderen het geval. Hoewel hooggeschoolde vrouwen met kinderen een hogere uitstroomgraad hebben ten opzichte van midden- of laaggeschoolde vrouwen, is het verschil in uitstroomgraad tussen vrouwen met en vrouwen zonder kinderen het grootst in deze categorie. Hooggeschoolde vrouwen met kinderen hebben een uitstroomgraad die 18 procentpunten lager is dan hooggeschoolde vrouwen zonder kinderen. Bij laaggeschoolde vrouwen bedraagt het verschil 15 procentpunten.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

130

Eerder werd reeds gewezen op de invloed van de inactiviteitsduur en de uitstroom uit de werkloosheid. In de onderstaande grafiek wordt voor de vrouwen jonger dan 30 jaar met en zonder kinderen deze relatie weergegeven.

Grafiek 47: Uitstroomgraad van jonge vrouwen met en zonder kinderen volgens inactiviteitsduur (in %) - 2002 70 60 50

61,9 45,2 33,6

40

42,3 28,9

30

29,3

20 10 0 < 1 jaar

1 - 2 jaar Met kinderen

Bron:

> 2 jaar

Zonder kinderen

BGDA, berekeningen Observatorium

Het verschil tussen jonge vrouwen met en zonder kinderen is het meest uitgesproken bij de werkzoekenden die minder dan een jaar ingeschreven zijn. Zonder kinderen hebben deze vrouwen een uitstroomgraad van 61,9%, terwijl we vaststellen dat slechts 45,2% van de vrouwen met kinderen niet langer ingeschreven zijn als werkzoekende. Bij een toename van de inactiviteitsduur worden de verschillen tussen jonge vrouwen met en zonder kinderen kleiner. Een derde van de vrouwen die tussen 1 en 2 jaar inactief zijn met kinderen verlaat de werkloosheid. Hoewel de grootste daling van de uitstroomgraad wordt opgetekend bij de vrouwen zonder kinderen (-20 ppn.), blijkt uit deze gegevens de negatieve invloed van kinderen op de uitstroomkansen van de vrouwen. Ook bij de mannen stellen we een verschil vast tussen mannen met en zonder kinderen. Gezien de leeftijd bij mannen om kinderen te krijgen hoger is dan de leeftijd bij vrouwen werd de leeftijdsklasse -40-jarigen als proxy gebruikt. Mannen met kinderen hebben een uitstroomgraad van 39% tegenover 48,1% bij hun leeftijdsgenoten zonder kinderen. Hoewel we vaststellen dat het hebben van kinderen ook interageert met de inactiviteitsduur en het opleidingsniveau, is dit minder uitgesproken dan bij de vrouwen. De problemen inzake kinderopvang zijn niet nieuw. Begin jaren 90 ging het Beheerscomité van de BGDA en de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve akkoord met de oprichting van het Kinderdagverblijf van de BGDA. Deze dienst moet het enerzijds voor de werkzoekenden mogelijk maken om alle stappen te ondernemen die noodzakelijk zijn in hun zoektocht naar werk (gesprek met tewerkstellingsconsulent, sollicitatietesten, gesprek met een werkgever,…) en anderzijds het kritieke moment van de (her)tewerkstelling te overbruggen door hen een tijdelijke opvangmogelijkheid ter beschikking te stellen. Het Kinderdagverblijf heeft een netwerk opgericht van 17 crèches in het Brussels Gewest met een capaciteit van 93 plaatsen. De behoefte aan een dergelijke structuur blijft echter toenemen145. Wanneer de verhoging van de werkzaamheidsgraad van vrouwen en mannen centraal gesteld wordt in het werkgelegenheidsbeleid (Europese doelstellingen, de strijd tegen sociale uitsluiting,…) moeten eveneens maatregelen genomen worden om het aantal beschikbare plaatsen in de kinderopvang te verhogen en de kwaliteit te verzekeren. Bovendien moet een antwoord geformuleerd worden op een aantal belangrijke uitdagingen op het gebied van de combinatie arbeid en gezin, zoals de toename van atypische contracten (deeltijds, tijdelijk, uitzendarbeid,…), de demografische context (aantal eenoudergezinnen,…),…

145

Kinderdagverblijf van de BGDA, 2002, 10-jarig bestaan van het Kinderdagverblijf van de BGDA vzw. Opzet en

perspectieven.

Werkloosheid

131

In hoofdstuk 3 werd reeds kort ingegaan op de invloed van het huishoudentype op de werkloosheidsgraad. Deze gegevens werden evenwel bekomen door een enquête die een beperkte definitie van werkzoekend hanteert. Hoewel de gegevens van de BGDA een andere finaliteit hebben kunnen deze gegevens als indicatie gebruikt worden. Alleenstaande vrouwen hebben een uitstroomgraad van 45,5% t.o.v. 37,3% bij gehuwde vrouwen. Bij mannen bedragen de uitstroomgraden respectievelijk 46,1% en 41,6%. Wanneer eveneens het hebben van jonge kinderen als variabele wordt ingebracht is het nodig om gebruik te maken van een proxy146. Van de gehuwde vrouwen met kinderen is ongeveer een derde niet meer ingeschreven op het einde van het jaar. Bij de alleenstaande vrouwen met kinderen is deze proportie iets hoger (37,2%). Bij alleenstaande vrouwen zonder kinderen bedraagt de uitstroomgraad 57,4% tegenover 43,9% bij de gehuwde vrouwen zonder kinderen. Omwille van de representativiteit is het niet mogelijk om bij de mannelijke werkzoekenden zowel de burgerlijke staat als het hebben van kinderen als variabelen in de analyse in te brengen.

6.3.3.

Instroom in de langdurige werkloosheid

Na een analyse van de externe bewegingen van de werkzoekenden vanuit een genderperspectief willen we nu belangrijke interne beweging van de werkzoekenden, nl. de instroom in de langdurige werkloosheid bespreken. Hiervoor hebben we de cohorte van de werkzoekenden die zich in december 1999 kwamen inschrijven gevolgd147. Hun evolutie kunnen we volgen in de onderstaande grafiek.

Grafiek 48: Evolutie van de cohorte werkzoekenden (in %) (december 1999-2003) 100 100

43

39 25

dec 99

dec 00

dec 01 Vrouwen

Bron:

21

17

dec 02

14

12

10

dec 03

Mannen

BGDA, berekeningen Observatorium

Van de 100 nieuw ingeschreven vrouwen in december 1999 waren er nog 43 ingeschreven in december 2000. In december 2001 zijn dat er 25, 17 in december 2002 en 12 in december 2003. Bij de mannen zijn de resultaten iets gunstiger. We merken op dat het in deze grafiek gaat om momentopnames. We houden met andere woorden geen rekening met werkzoekenden die de werkloosheid verlaten en zich opnieuw komen inschrijven148. Volgens de Europese Werkgelegenheidsstrategie is een volwassen werkzoekende langdurig werkloos wanneer hij meer dan 1 jaar inactief is. Uit de grafiek blijkt duidelijk dat gedurende het eerste jaar inactiviteit de werkzoekende de grootste kansen heeft om de werkloosheid te verlaten. Deze situatie is ongunstiger voor de vrouwen, hoewel zij een hoger opleidingsprofiel kennen. Immers, 38,9% van de vrouwen die zich in december 1999 kwamen inschrijven hadden minstens een diploma hoger secundair (15% had een diploma hoger onderwijs). Bij de mannen is dit respectievelijk 32,9% en 12,1%.

146 147 148

Voor de vrouwen wordt de leeftijdsgrens op 30 jaar ingesteld, bij de mannen is dit 40 jaar. Het betreft 1.633 vrouwen en 1.977 mannen. Ook wanneer rekening wordt gehouden met het tijdelijk verlaten van de werkloosheid is de situatie van de vrouwen minder gunstig: 31% is ingeschreven als werkzoekend in december 2003 tegenover 28% bij de mannen.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

132

De minder ongunstige situatie van de vrouwen blijkt ook uit de genderratio. 47,5% van de werkzoekenden die zich in december 1999 inschreven was een vrouw. Bij de werkzoekenden die in december 2003 nog werkzoekend waren zijn vrouwen in de meerderheid (51,8%).

6.3.4.

Uitsluiting uit de werkloosheid

De Belgische werkloosheidsverzekering kent in tegenstelling tot de andere Europese landen geen beperking in de tijd wat de uitkeringen betreft. Ter compensatie van deze onbeperkte duur kent de Belgische werkloosheidsverzekering het schorsingsartikel 80. Dit is een regeling die de uitkeringsduur beperkt voor bepaalde werkloze samenwonenden, waarvan aangenomen wordt dat zij niet langer werkwillig zijn. Het vermoeden bestaat dat langdurende en passieve werkloosheidsuitkeringen, zeker voor vrouwen, een belangrijke werkloosheidsval vormen149. De relatie tussen de hoogte van de uitkeringen en de herintredekans is echter complex en staat centraal in het huidige werkgelegenheidsbeleid. In dit onderdeel zullen wij ons niet uitspreken over deze relatie maar willen we een aantal elementen aanreiken om het beeld van de vrouwen in de werkloosheid te vervolledigen. We zullen hier enerzijds gebruik maken van de statistische gegevens van de RVA betreffende de sancties en anderzijds van de studie uitgevoerd door het Centrum voor Sociaal Beleid (CSB) van de Universiteit van Antwerpen en het Institut de Recherches Economiques et Sociales (IRES) van de Katholieke Universiteit van Louvain-La-Neuve150. In 2003 werden 3.711 Brusselse werklozen uitgesloten door de RVA. Iets meer dan vier op tien werklozen waren vrouwen. Uit de onderstaande tabel blijkt echter dat hun aandeel varieert volgens het type sanctie.

Tabel 71: Aantal beslissingen tot uitsluiting van de werkloosheid (volledige of gedeeltelijke uitsluiting) - 2003 Brussels Gewest

België

Werkloos wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil151 Vrouwen Mannen Totaal % vrouwen

761

6 003

1 434 2 195 34,7

11 113 17 116 35,1

Vrouwen

201

2 205

Mannen Totaal % vrouwen

393 594 33,8

4 557 6 762 32,6

618

5 961

304 922 67,0

2 398 8 359 71,3

1 580 2 131

14 169 18 068

3 711 42,6

32 237 44,0

Administratieve sancties

Langdurige werkloosheid Vrouwen Mannen Totaal % vrouwen Totaal aantal beslissingen Vrouwen Mannen Totaal % vrouwen Bron:

RVA, berekeningen Observatorium

Ongeveer een vierde van de beslissingen tot uitsluiting betreffen sancties omwille van langdurige werkloosheid. Hier merken we geen verschillen tussen het Brussels Gewest en het nationaal niveau. Deze vorm van sancties komt vaker voor bij vrouwen. Twee derde van de Brusselse werklozen die uitgesloten worden van de 149

150 151

De Lathouwer L. et al., 2003, De impact van schorsing artikel 80 in de werkloosheidsverzekering op herintrede en armoede, Reeks Actuele problemen met betrekking tot de sociale cohesie, Federaal Wetenschapsbeleid, Academia Press. De Lathouwer L. et al., 2003. De RVA groepeert onder deze categorie de uitsluitingen omwille werkverlatingen, de afdanking om billijke redenen, de weigerin van een job, het niet aanmelden bij een werkgever,…

Werkloosheid

133

werkloosheidsuitkering zijn vrouwen. Op Belgisch niveau is dit zelfs iets hoger. De beperking van de uitkeringsduur is enkel van toepassing op werkloze samenwonenden en door het inbouwen van inkomensgrenzen wordt een bescherming ingebouwd voor de lagere inkomensgroepen. De gegevens uit de studie van het CSB-IRES laten ons toe om een beeld te vormen van deze groep werklozen die geschorst worden omwille van langdurige werkloosheid (artikel 80) op het einde van de jaren 90. Op Belgisch niveau was 24% van de geschorste vrouwen (met een partner) na 15 maanden aan het werk. Bij de controlegroep was dit 17%. De grootste kans op herintrede was vlak na de schorsing. Slechts een minderheid werd opnieuw uitkeringsgerechtigd werkloos of vroeg andere sociale hulp. De auteurs wijzen terecht op de grote groep vrouwen die uitstroomde naar de inactiviteit (70%). Deze vrouwen bleken op het moment van de enquête vooral zorgarbeid te verrichten (huisvrouw). Slechts weinigen gingen opnieuw studeren of doen vrijwilligerswerk. Een aantal factoren beïnvloeden de herintredekans: de leeftijd (hoe ouder, hoe minder kans op werk), de inactiviteitsduur, de nationaliteit (niet-Belgische vrouwen hebben minder kans om werk te vinden) en een aantal gezinsgebonden factoren. Vrouwen met kinderen jonger dan 6 jaar kennen een lagere herintredekans. Verder blijkt dat de grootte van het partnerinkomen omgekeerd evenredig is aan de herintrede. Het studieniveau en de regio daarentegen oefenen geen invloed uit. Een dynamische analyse van de gegevens toont aan dat een meerderheid van de herintreedsters aan het werk blijft, al dan niet bij dezelfde werkgever. De kenmerken van de jobs suggereren een grote flexibiliteit door een oververtegenwoordiging van de herintreedsters in tijdelijke arbeidsstatuten: 23% had een contract van bepaalde duur en zo'n 6% had een contract als uitzendkracht. Zes op tien herintreedsters werkt deeltijds, wat een sterk neerwaarts effect heeft op de gemiddelde lonen van deze vrouwen. Maar zelfs bij een uitsplitsing naar voltijdse en deeltijdse jobs was het loon van de herintreedsters lager dan voor de modaal werkende vrouw.

6.3.5.

Schoolverlaters

We besluiten deze dynamische analyse van de werkloosheid met een analyse van de schoolverlaters. Deze groep vormt een specifieke categorie onder de werkzoekenden omdat zij voor het eerst de transitie onderwijs arbeidsmarkt maken. Schoolverlaters worden gedefinieerd als Brusselse werkzoekenden die niet meer leerplichtig zijn en zich komen inschrijven als werkzoekende in wachttijd in de periode juli-oktober na hun studies. Jongeren die afstuderen aan een Brusselse school maar niet in het Gewest wonen behoren niet tot onze onderzoeksgroep. Jonge Brusselaars die meteen na het beëindigen van hun studies een job vinden zonder inschrijving bij de BGDA maken evenmin deel uit van deze analyse. Deze werkzoekenden hebben door de band een gunstiger profiel dan het geheel van werkzoekenden152. Hun hogere uitstroomgraad betekent echter niet dat deze werkzoekenden niet langdurig werkloos kunnen worden. Jongeren wisselen meer dan andere werkzoekenden perioden van tijdelijke tewerkstelling af met perioden van werkloosheid. Bovendien is deze groep heel gevoelig aan conjunctuurschommelingen (zie grafiek 49). Hun gebrek aan ervaring wordt vaak aangehaald als belemmering bij hun intrede op de arbeidsmarkt. Anderzijds vormen deze werkzoekenden voor heel wat bedrijven elk jaar een interessante doelgroep, die in hun werkaanbiedingen persoonlijk aangesproken wordt. In de onderstaande tabel schetsen we de evolutie van het aantal ingeschreven werkzoekenden in de periode 1998-2002.

152

Voor een meer gedetailleerde analyse van de kenmerken van de schoolverlaters verwijzen we de lezer naar: Brussels Observatorium van de Arbeidsmarkt en de Kwalificaties, 2003, Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt: tussen dynamisme

en dualiteit.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

134

Tabel 72: Evolutie van het aantal inschrijvingen van schoolverlaters (1998-2002) 1998153 Vrouwen Mannen Totaal (A)

3 088 2 861 5 949

% Vrouwen NWWZ < 25jaar (B)

2000

3 486 3 215 6 701

2001

3 285 3 110 6 395

2002

3 282 2 997 6 279

Ev. in % 1998-2002

3 327 3 106 6 433

51,9

52,0

51,4

52,3

51,7

15 242

14 907

14 075

13 936

15 356

39,0

45,0

45,4

45,1

41,9

% A/B Bron:

1999

7,7 8,6 8,1 0,7

BGDA, berekeningen Observatorium

In de periode juli-oktober 2002 kwamen 6.433 schoolverlaters zich inschrijven bij de BGDA. In tegenstelling tot de algemene proportie vrouwen ingeschreven als werkzoekende merken we een licht overwicht van vrouwen bij de schoolverlaters. Ten opzichte van 1998 is het aantal vrouwelijke schoolverlaters toegenomen met 7,7% ten opzichte van 8,6% bij de mannelijke schoolverlaters. Hun toename is duidelijk hoger dan de toename van het aantal niet-werkende werkzoekenden jonger dan 25 jaar (+0,7%). De onderstaande grafiek geeft de proportie schoolverlaters weer die 1 jaar na hun inschrijving nog werkzoekend zijn. Deze gegevens illustreren de gevoeligheid van de schoolverlaters aan de conjunctuurschommelingen. In volle hoogconjunctuur stellen we vast dat 29,6% van de schoolverlaters ingeschreven in 2000 één jaar later nog werkzoekend was. Voor de schoolverlaters ingeschreven in de periode juli-oktober 2002 bedroeg deze proportie 37,6%. Bij een ongunstige conjunctuur zijn de schoolverlaters bij de eerste slachtoffers, maar anderzijds plukken zij relatief snel de vruchten van een gunstige conjunctuur.

Grafiek 49: Evolutie nog werkzoekende schoolverlaters na 1 jaar (in %) (1998-2002) a) Vrouwen

b) Mannen

c) Totaal

36,7%

38,4%

34,2%

33,1%

32,6%

31,7%

31,9%

30,5%

1998

Bron:

1999

2000

31,4% 29,4%

2001

37,5%

2002

1998

1999

32,0% 30,6%

28,7%

2000

2001

2002

1998

1999

29,6%

2000

2001

2002

BGDA, berekeningen Observatorium

Met uitzondering van 2002, leiden we uit de grafiek de minder hoge uitstroom van de vrouwelijke schoolverlaters af. Het verschil in uitstroomgraad schommelde rond de 2 procentpunten in de periode 1998-2000, in 2001 was het verschil slechts 1,2 procentpunt. Voor de schoolverlaters van 2002 is het verschil opnieuw groter (1,8 ppn.) maar dit maal in het voordeel van de vrouwen. We merken op dat het feit dat de schoolverlaters niet meer ingeschreven staan als werkzoekenden niet noodzakelijkerwijs betekent dat ze een job gevonden hebben. Bovendien zeggen deze gegevens niets over de aard van de job (contract, uurrooster,…). De ad hoc module van de Enquête naar de Arbeidskrachten van 2001 waarbij respondenten tussen 15 en 34 jaar retrospectief bevraagd werden naar hun eerste job, duiden echter op een minder stabiele betrekking voor de vrouwen. Zo is 57,5% van de respondenten die hun eerste job verlieten omdat het contract van bepaalde duur afliep een vrouw154. Ook de Sonar-enquête155 die de overgang onderwijs153 154

De gebruikte methodologie kon niet toegepast worden op gegevensbases van voor 1998. Gegevens voor België.

Werkloosheid

135

arbeidsmarkt in het Vlaams Gewest in kaart brengt toont aan dat vooral vrouwen de arbeidsmarkt betreden via een tijdelijk contract. Terwijl van 56% van de mannen hun eerste job een contract van bepaalde duur is, bedraagt deze proportie bij de vrouwen 64%. Bij de hoger geschoolden neemt dit verschil tussen vrouwen en mannen bovendien nog toe. Niet enkel is het contract van de eerste job bij de vrouwen vaker tijdelijk, het gaat bovendien vaker om een deeltijdse job. Hoewel dit zowel bij vrouwen als bij mannen vooral vanwege het niet vinden van een voltijdse job is, geven vrouwen meer te kennen hun deeltijdse job te combineren met een opleiding. Dit gaat in gelijke mate op voor zowel hooggeschoolde als laaggeschoolde vrouwen, terwijl bij de mannen vooral de laaggeschoolden een deeltijdse job met een opleiding combineren. In vergelijking met het geheel van de werkzoekenden merken we bij de schoolverlaters nog duidelijker het hogere studieniveau van de vrouwen: 43,2% van de vrouwelijke en 32,5% van de mannelijke schoolverlaters heeft een diploma hoger onderwijs. Bovendien bedraagt de proportie vrouwelijke schoolverlaters met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs 21,8% ten opzichte van 29,8% bij de mannelijke schoolverlaters. In de volgende grafiek wordt het percentage nog ingeschreven werkzoekenden in september 2003 weergegeven volgens studieniveau. Schoolverlaters met een diploma hoger niet-universitair onderwijs hebben de grootste kans om niet meer ingeschreven te zijn als werkzoekenden. Bij vrouwen is nog een vierde werkzoekend ten opzichte van 29,9% bij de mannelijke schoolverlaters. Ook bij de schoolverlaters met een universitair diploma zien we een hogere uitstroomgraad bij de vrouwen. We merken evenwel, net als bij het geheel van de werkzoekenden, dat vrouwen sterker vertegenwoordigd zijn bij de hoger geschoolden met een diploma in de menswetenschappen, terwijl hoger geschoolde mannen vaker over een diploma in de exacte wetenschappen beschikken: 62,2% van de houders van een universitair diploma in de menswetenschappen is een vrouw tegenover 43,2% bij de exacte wetenschappen. De uitstroomgraad van de houders van een universitair diploma in de menswetenschappen is hoger bij de vrouwen (72,7% tegenover 64,9% bij de mannen). Bij de exacte wetenschappen merken we een iets lagere uitstroomgraad bij de vrouwen (76% t.o.v. 78,1%). Ook bij de hogere niet-universitaire opleidingen merken we een belangrijk verschil tussen vrouwen en mannen. Bij de schoolverlaters ingeschreven onder de beroepscode van maatschappelijk assistent vinden we 80% vrouwen terug, bij de vertalers is dit 84,2%. Ook in het onderwijs vinden we een overwicht aan vrouwen: 57,1% van de leerkrachten voor het hoger secundair is een vrouw, voor het lager secundair is dit 70,7%, terwijl vrouwen 91,4% uitmaken van de schoolverlaters ingeschreven voor leerkracht in het basis- of kleuteronderwijs. Bij de meer technische beroepen zoals de industrieel ingenieurs is minder dan een vijfde van de ingeschreven schoolverlaters een vrouw, bij de tekenaars bedraagt deze proportie 46,2%.

155

Sonar, 2000, Jongeren in transitie. De arbeidsmarkt in Vlaanderen. Jaarreeks 2000 - Deel 4, Steunpunt WAV - VIONA Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek en Sonar, 2001, Jongeren op zoek naar werk. De arbeidsmarkt in Vlaanderen. Jaarreeks 2001 - Deel 3, Steunpunt WAV - VIONA Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

136

Grafiek 50: Nog werkzoekende schoolverlaters na 1 jaar volgens studieniveau en gender (in %) - 2002

46,2

LO

48,5

LSO 45,3

HSO Hoger niet-univ. Universitair

a) Vrouwen

24,4 26,9 42,6

Leerlingschap 30,2

Andere studies

LO

41,1 47,9

LSO 40,2

HSO Hoger niet-univ.

29,9

Universitair

b) Mannen

31,1

Leerlingschap

36,1 40,2

Andere studies

43,3

LO

48,2

LSO 42,9

HSO Hoger niet-univ. Universitair

c) Totaal

26,7 28,6 38,0

Leerlingschap Andere studies

Bron:

34,8

BGDA, berekeningen Observatorium

Deze genderverschillen weerspiegelen vanzelfsprekend de studiekeuze. Van Aerschot et.al156 wijzen er op dat de studiekeuze van meisjes vaker in de lijn van de opleiding van een van de ouders ligt dan de studiekeuze van de jongens. Hierbij spelen, in tegenstelling tot de jongens, beide ouders een rol. Als meisjes een typische jongensrichting kiezen is er vaak een samenhang met de studierichting die de vader gevolgd heeft. De auteurs wijzen bovendien op een lagere inschatting van hun (studie)capaciteiten bij meisjes. Dit gegeven komt ook naar voren in een studie uitgevoerd aan de Ehsal157. Vrouwelijke hogeschoolstudenten in een eerder "mannelijke" richting vinden hun mannelijke collega's beter geschikt in leidinggevende posities en zien zichzelf eerder in lagere posities. De onderzoekers wijzen er in dit verband op dat het glazen plafond zich ook tussen de oren bevindt. De keuze voor het hoger onderwijs wordt vanzelfsprekend reeds gemaakt in het secundair onderwijs. Terwijl de helft 156

157

Van Aerschot M., Hermans D.J. en J.C. Verhoeven, 2003, Gezocht: ingenieur (m/v). Een onderzoek naar studiekeuze vanuit genderperspectief, Steunpunt Gelijkekansenbeleid, Vlaamse Gemeenschap. ReMeDi, www.ehsal.be/ces/remedi/opbouw.asp.

Werkloosheid

137

van de jongens in de laatste graad van het secundair onderwijs in de Franse Gemeenschap in de sterke wiskundige richting ingeschreven is, bedraagt deze proportie bij de meisjes nauwelijks 30%158. Bij de lager geschoolden merken we een iets grotere uitstroomgraad bij de mannelijke schoolverlaters: 41,1% van de mannelijke schoolverlaters met enkel een diploma lager onderwijs is een jaar later nog werkzoekend tegenover 46,2% bij de vrouwen. Bij de schoolverlaters met een diploma lager secundair is het verschil miniem. Vanaf een diploma hoger secundair merken we een hogere uitstroomgraad bij de vrouwen. Ook hier merken we de traditionele opdeling tussen vrouwen- en mannenberoepen. In de technische beroepen zoals de bouw vinden we geen of relatief weinig vrouwen terug, terwijl bijna negen op de tien ingeschreven verpleegkundigen vrouwen zijn. Zoals eerder gezegd, was de situatie van de vrouwelijke schoolverlaters in 2002 gunstiger dan deze van de mannelijke schoolverlaters, wat ook blijkt uit de volgende grafiek. Niet enkel is de proportie uitgeschreven schoolverlaters hoger bij de vrouwen, ook de proportie werkzoekende schoolverlaters die de werkloosheid tijdelijk onderbroken heeft is hoger bij de vrouwen. We spreken van een onderbreking van de werkloosheid wanneer de werkzoekenden gedurende een periode van minimum drie maanden niet ingeschreven was. Door het gebruik van deze drempel vermijden we een vertekening door korte (interim)contracten. Deze dynamiek die schuilgaat achter de uitstroomgraad mag, zeker bij deze groep van werkzoekenden, niet verwaarloosd worden. Het concept transitie onderwijs-arbeidsmarkt mag dan een lineair proces veronderstellen, in werkelijkheid betreden jongeren vaak de arbeidsmarkt via korte contracten.

Grafiek 51: Dynamiek van de schoolverlaters volgens gender (2002-2003) a) Vrouwen

b) Mannen

WZ zo nder o nderbreking 31%

WZ zonder onderbreking 29%

Uitgeschreven 63% WZ met onderbreking 8%

Bron:

Uitgeschreven 61%

WZ met onderbreking 8%

BGDA, berekeningen Observatorium

Ondanks hun gunstiger profiel merken we dat een aanzienlijk deel van de schoolverlaters uitkeringsgerechtigde werklozen worden. Bij de vrouwen is dit 25,7%, bij de mannen 26,8%.

158

Gegevens voor 1997-2001, bron: Algemeen Secretariaat van de Franse Gemeenschap, 2002, Les filles et les carrières

scientifiques et techniques. In: Faits & gestes, juli-sept 2002.

138

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

6.4. Besluit Hoewel vrouwen iets minder dan de helft van de werkzoekenden uitmaken (48,5%), betekent dit niet dat bepaalde groepen niet meer getroffen worden door werkloosheid. Ondanks hun hoger opleidingsprofiel zijn de vrouwen evenwel langer inactief. Een op vijf vrouwelijke werkzoekenden jonger dan 25 jaar is langer dan 2 jaar inactief ten opzichte van 15% bij de jonge mannen. Dit verschil neemt bovendien toe met de leeftijd. 45% van de vrouwen tussen 35 en 39 jaar is langdurig werkzoekend. Bij de mannen in dezelfde leeftijdsklasse bedraagt deze proportie 37%. In tegenstelling tot de andere gewesten zijn de vrouwen niet sterker vertegenwoordigd bij de oudere werkzoekenden. 46,5% van de Brusselse werkzoekenden ouder dan 40 jaar is een vrouw. Bij de jonge werkzoekenden maken vrouwen de helft van de werkzoekenden uit. Wat de werkzoekenden met een nietEuropese nationaliteit betreft, zijn vrouwen ondervertegenwoordigd. Zoals reeds uit het derde hoofdstuk bleek houdt dit verband met relatief zwakke aanwezigheid op de arbeidsmarkt. Terwijl mannen ingeschreven zijn in een brede waaier van beroepen is dit bij de vrouwen meer beperkt. Hoewel dit enigszins verklaard kan worden door de beroepenclassificatie die de snelle evolutie van de tertiaire sector en zijn beroepen niet kan bijbenen, toont de genderratio weinig verschillen van de arbeidsmarkt. Negen op de tien werkzoekenden ingeschreven als kamerpersoneel, secretaresse, verplegend personeel,… zijn vrouwen. Berekend op basis van de administratieve gegevens is de werkloosheidsgraad voor vrouwen hoger dan deze voor mannen. 21,6% van de Brusselse vrouwen en 18,4% van de Brusselse mannen is werkzoekend. Bij de jongeren is dit 35,3% bij de vrouwen en 31,7% bij de mannen. Het grootste verschil in werkloosheidsgraad tussen vrouwen en mannen wordt opgetekend in Sint-Joost-Ten-Node. Bij de jongeren is dit in Sint-Jans-Molenbeek. Behalve een genderverschil in kenmerken van de werkzoekenden kennen de vrouwen en mannen ook een ander profiel qua in- en uitstroom uit de werkloosheid. Bij deze externe bewegingen stellen we vast dat vrouwen 47% van de instroom vertegenwoordigen. Hun uitstroomgraad daarentegen is lager: 40% van de vrouwen ingeschreven in januari is niet meer ingeschreven in december tegenover 44% bij de mannen. Dit genderverschil neemt bovendien toe wanneer bijkomende variabelen in de analyse worden ingebracht. De belangrijkste genderverschillen qua leeftijd noteren we bij de -25-jarigen. Jonge laaggeschoolde vrouwen hebben een uitstroomgraad van 43,1% ten opzichte van 51,3% bij de jonge mannen. Ongeacht hun inactiviteitsduur kennen laaggeschoolde vrouwen steeds een lagere uitstroomgraad dan de laaggeschoolde mannen. Bij de hooggeschoolden merken we, met uizondering van de langdurig werkzoekenden, een hogere uitstroomgraad bij de vrouwen. Bij de werklozen met een niet-Europese nationaliteit zijn de genderverschillen groter dan bij de werklozen met een Belgische nationaliteit. Een diploma hoger onderwijs biedt voor vrouwen met een niet-Europese nationaliteit niet dezelfde uitstroomkansen als voor een Belgische vrouw. In mindere mate wordt dit ook bij de mannen vastgesteld. Bij de langdurig werkzoekenden wordt het verschil in uitstroomgraad tussen vrouwen en mannen kleiner en dit zowel bij de Belgen als bij de niet-Belgen. Als laatste variabele bij de analyse van de uitstroom van de werkloosheid werd het al dan niet hebben van jonge kinderen besproken. Hoewel zij niet langer beschouwd worden als een reden voor vrouwen om de arbeidsmarkt te verlaten, vormen ze niettemin een belangrijke drempel in de uitstroom uit de werkloosheid. Terwijl 7 op de 10 hooggeschoolde vrouwen zonder kinderen de werkloosheid na een jaar verlaten heeft, is dit slechts voor iets meer dan de helft van de hooggeschoolde vrouwen met kinderen het geval. Bij laaggeschoolde vrouwen zonder kinderen bedraagt de uitstroomgraad 49,1%, bij laaggeschoolde vrouwen met kinderen is slechts een derde niet meer werkzoekend. Kortdurig vrouwelijke werkzoekenden zonder kinderen kennen een uitstroomgraad van 61,9%, wanneer ze kinderen hebben bedraagt hun uitstroom nog slechts 45,2%. Bij een stijgende inactiviteitsduur worden de verschillen tussen vrouwen met en zonder kinderen minder groot.

Werkloosheid

139

Uit een analyse van de instroom in de langdurige werkloosheid blijkt dat een werkzoekende gedurende het eerste jaar de grootste kansen heeft om de werkloosheid te verlaten. Deze kansen zijn evenwel kleiner voor vrouwen dan voor mannen. Bovendien zet dit genderverschil zich verder, waardoor vrouwen meer instromen in de langdurige werkloosheid dan mannen. Op basis van gegevens van de RVA kunnen we stellen dat vrouwen oververtegenwoordigd zijn bij de uitsluiting uit de werkloosheid op basis van artikel 80. Het betreft de uitsluiting van uitkeringsgerechtigde volledig werklozen die samenwonen met een partner en waarvan op basis van hun werkloosheidsduur aangenomen wordt dat zij niet langer werkwillig zijn. De studie van het CSB-IRES toonde aan dat zeven op de tien geschorste vrouwen de arbeidsmarkt verlaat. Ongeveer een vierde vond werk maar had in vergelijking met de modale werkende vrouwen vaker een tijdelijk contract en werkte bovendien vaker deeltijds. De schorsing van dit artikel is voorzien bij de veranderingen van de wetgeving inzake werkloosheid in 2004. Het hoofdstuk werd afgesloten met een analyse van de schoolverlaters. Deze jongeren vormen een bijzondere groep onder de werkzoekenden omdat ze de transitie van het onderwijs naar de arbeidsmarkt maken. In tegenstelling tot eerdere analyses merken we dat de vrouwelijke schoolverlaters van 2002 voor het eerst een grotere uitstroom kennen dan hun mannelijke collega's. Toekomstige analyses zullen uitwijzen of deze vaststelling bevestigd wordt.

7.

Algemeen besluit

Deze studie heeft een zo volledig mogelijk beeld van de situatie van de vrouwen op de Brusselse arbeidsmarkt geschetst op basis van voornamelijk bestaande gegevens. Hierbij werd vooral gefocust op de interne werkgelegenheid, dit is de werkgelegenheid die in het Brussels Gewest gecreëerd wordt, en de Brusselse beroepsbevolking. Deze laatste werd opgesplitst in de werkende en werkzoekende beroepsbevolking. Deze drie onderwerpen werden vanuit een genderperspectief benaderd. De Europese verplichting om statistische gegevens uit te splitsen voor vrouwen en mannen waarborgt immers niet de analyse van deze variabele. Bovendien vestigen de specifieke kenmerken van de Brusselse arbeidsmarkt de aandacht meer op de situatie van de mannen. De Brusselse arbeidsmarkt typeert zich door een sterk ontwikkelde tertiaire sector en een secundaire sector die steeds meer aan belang inboet. In een dergelijke context wordt terecht de aandacht gevraagd voor de werknemers in deze sector, die hoofdzakelijk mannelijke arbeiders zijn. Ongeveer 16% van de mannen die in het Brussels Gewest werken zijn tewerkgesteld in de industrie, een proportie die jaar na jaar afneemt. De positie van de vrouwen op de arbeidsmarkt wordt vaak over het hoofd gezien, enerzijds omdat 95% van de tewerkgestelde vrouwen in de tertiaire sector tewerkgesteld zijn, een sector die zich steeds verder ontwikkelt en nieuwe tewerkstellingskansen biedt en anderzijds is het verschil in werkloosheidsgraad tussen vrouwen en mannen minder belangrijk dan in de andere gewesten. Deze twee elementen mogen echter de hardnekkige ongelijkheden tussen vrouwen en mannen en de onzekerheid waarin een grote groep vrouwen verkeert niet verbergen. Bovendien moet rekening gehouden worden met de steeds hogere eisen qua opleiding die de Brusselse economie stelt. Hoewel de Brusselse vrouwelijke beroepsbevolking de hoogste proportie geschoolden met een diploma hoger onderwijs telt, kent ze ook de hoogste proportie laaggeschoolden. De groep van middengeschoolden, de houders van een diploma hoger secundair, die in de andere gewesten een omvangrijke groep van de beroepsbevolking vormen, neemt bij de Brusselse vrouwelijke beroepsbevolking af. Het gemiddelde opleidingsniveau van de Brusselse vrouwen is gestegen door een belangrijke stijging van het aantal vrouwen met een diploma hoger onderwijs, en meer in het bijzonder met een universitair diploma. Bij de Brusselse mannen is deze groep stabiel gebleven. Het gemiddelde opleidingsniveau van de Brusselse mannen steeg door een toename van het aantal houders van een diploma hoger secundair. Ook een analyse van de kernindicatoren van de arbeidsmarkt (de activiteitsgraad, de werkzaamheidsgraad en de werkloosheidsgraad) gaat vaak voorbij aan de situatie van de vrouwen op de Brusselse arbeidsmarkt omdat hun activiteitsgraad en werkzaamheidsgraad zich op het niveau Belgisch bevinden. Hoewel de verschillen tussen vrouwen en mannen in het Brussels Gewest kleiner zijn dan in de andere gewesten, blijft de positie van de vrouwen op de Brusselse arbeidsmarkt minder gunstig dan deze van de mannen. In de drie gewesten is de participatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt lager dan deze van de mannen, en dit ongeacht hun leeftijd, opleidingsniveau, nationaliteit of gezinssituatie. Specifiek voor de Brusselse arbeidsmarkt kunnen we wijzen op de lage werkzaamheidsgraad van de laaggeschoolde vrouwen: slechts één vijfde van hen is tewerkgesteld, tegenover 43,5% van de laaggeschoolde mannen en 75,5% van de hooggeschoolde vrouwen. Deze laatste kennen echter eveneens een lagere werkzaamheidsgraad dan hun mannelijke collega's (83,7%). De vrouwen met een niet-Europese nationaliteit zijn ondervertegenwoordigd op de arbeidsmarkt. Een op vijf laaggeschoolde vrouwen met een niet-Europese nationaliteit participeert op de arbeidsmarkt tegenover twee op vijf laaggeschoolde vrouwen met een Belgische nationaliteit. Bij de hooggeschoolde vrouwen bedraagt hun activiteitsgraad respectievelijk 56% en 83%. Op de arbeidsmarkt stellen we zowel een horizontale als een verticale segregatie tussen vrouwen en mannen vast. Deze over- of ondervertegenwoordiging van vrouwen in bepaalde sectoren of beroepen is zowel een gevolg van de segregatie die reeds in het onderwijs bestaat, dus voor de toetreding op de arbeidsmarkt, als een gevolg van fenomenen van posteducatieve segregatie bij het betreden van de arbeidsmarkt en in de latere beroepskeuzes.

Algemeen besluit

141

administratieve functies of werken in de verkoop, de gezondheidssector, het onderwijs en de schoonmaaksector. Omgekeerd is het aandeel van de mannen groter in Brusselse

vrouwen

vervullen

hoofdzakelijk

de categorieën leden uitvoerende macht, bedrijfsleiders en hoger kader, ingenieurs, informatici, technici, arbeiders en warenbehandelaars. Maar ook binnen sectoren waar een belangrijk aantal vrouwen werken is hun aandeel niet overal gelijk. In de onderwijssector stellen we vast dat de proportie vrouwen afneemt bij de hogere onderwijsniveaus. Waar in het basisonderwijs 83% van de leerkrachten vrouwen zijn, is dit in het secundair onderwijs nog 64%. In het hoger onderwijs zijn 44% van de docenten vrouwen. Ook binnen de gezondheidssector merken we een ongelijke verdeling van vrouwen en mannen. Hoewel 94% van het verzorgend personeel vrouwen zijn, 91% van de gediplomeerde verpleegkundigen en vroedvrouwen en het tussenkader voor 72% uit vrouwen bestaat, is dit bij de dokters nog maar 46%. Deze twee voorbeelden illustreren niettemin het belang van de non-profitsector voor de vrouwelijke werkgelegenheid. Terwijl ruim 1 op 3 vrouwen in Brussel in deze sector werkt, komt dit bij de mannen overeen met nog geen 1 op 5 werknemers. Als 47% van de Brusselse loontrekkenden vrouwen zijn, is dit bij slechts 29% van de zelfstandigen in hoofdberoep die in het Brussels Gewest wonen het geval. Bij de zelfstandigen in bijberoep is hun aandeel iets hoger (34%). Van de drie voornaamste activiteitensectoren waar Brusselse zelfstandigen actief zijn (de handel, de vrije beroepen en de nijverheid) is enkel in de vrije beroepen de proportie vrouwen hoger dan het gemiddelde(40%). Deze proportie verschilt naargelang het vrije beroep: 62% bij de paramedici, 61% bij de apothekers, 47% bij de vertalers, 45% bij de advocaten, 40% bij de dokters,… Wanneer de leeftijd en de gender van de zelfstandigen gecombineerd worden, stellen we vast dat de leeftijd omgekeerd evenredig is met de proportie vrouwen. Zowel in het Brussels Gewest als in België is de proportie vrouwen hoger bij de jongere leeftijdsklassen. Over een periode van 10 jaar is het aantal zelfstandigen, zowel vrouwen als mannen, in het Brussels Gewest echter afgenomen. De zelfstandigen in vrije beroepen zijn gedurende deze periode toegenomen, maar deze toename is in grote mate aan de positieve evolutie van de vrouwelijke zelfstandigen in vrije beroepen toe te schrijven. In deze studie over de situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt komen de kenmerken van de jobs die vrouwen uitoefenen ook aan bod. Brusselse voltijds werkende vrouwen verdienen 7% minder dan de Brusselse mannen. Meerdere studies hebben reeds aangetoond dat er op dit vlak wel degelijk sprake is van discriminatie aangezien niet alle loonverschillen verklaard kunnen worden door de sector, de behaalde diploma's, de leeftijd,… Daarnaast zien we dat vrouwen ook vaker tewerkgesteld zijn onder een tijdelijke arbeidsovereenkomst dan mannen: 10,3% van de Brusselse vrouwen hebben een tijdelijk contract tegenover 6,9% bij de Brusselse mannen. Ook bij de jongeren stellen we dit verschil tussen vrouwen en mannen vast: terwijl één derde van de Brusselse vrouwen jonger dan 25 jaar tewerkgesteld is met een tijdelijk arbeidsovereenkomst, is dit bij één vierde van de Brusselse mannen het geval. Wat de deeltijdse arbeid betreft, zien we de oververtegenwoordiging van de vrouwen maar ook de specifieke situatie van het Brussels Gewest. Een vierde van de Brusselse werkende vrouwen werkt deeltijds tegenover 10% van de Brusselse tewerkgestelde mannen. In het Vlaams en Waals Gewest werken vier op tien vrouwen deeltijds. Wanneer bovendien de redenen om deeltijds te werken geanalyseerd worden merken we een duidelijk verschil tussen enerzijds de Vlaamse arbeidsmarkt en anderzijds de Brusselse en Waalse arbeidsmarkt. Het niet vinden van een voltijdse job is voor Brusselse en Waalse vrouwen een belangrijkere reden om deeltijds te werken dan dit voor Vlaamse vrouwen is. Het deeltijds werken omwille van de kinderopvang of familiale redenen wordt in het Brussels Gewest bijgevolg minder naar voren geschoven. De Brusselse werkende beroepsbevolking heeft minder vaak atypische uren dan in de andere gewesten. Brusselse mannen zijn hier sterker vertegenwoordigd dan de vrouwen. In tegenstelling tot de andere gewesten waar vrouwen en mannen in gelijke mate in het weekend tewerkgesteld zijn, is dit in Brussel vaker het geval voor de mannen dan voor de vrouwen.

142

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Ook bij een analyse van de gepresteerde uren per week, zien we dat het aandeel van de vrouwen evenredig daalt met het stijgen van de werktijden. Niettemin hebben Brusselse vrouwen gemiddeld langere werktijden dan Vlaamse of Waalse. Wanneer eveneens de huishoudelijke taken in rekening gebracht worden blijkt duidelijk de dubbele dagtaak van de vrouwen. Vrouwen die voltijds werken besteden gemiddeld 7 uur per week meer aan huishoudelijke taken dan mannen. Dit verschil neemt toe bij deeltijds werkende vrouwen. Ongeacht het arbeidsregime is de bijdrage van de mannen constant en bij het hebben van kinderen neemt hun aandeel in de huishoudelijke taken bovendien af, terwijl bij de vrouwen de aanwezigheid van kinderen een toename van de huishoudelijke taken betekent. Een analyse van de arbeidsongevallen en van de werkgebonden gezondheidsproblemen toont dat vrouwen en mannen niet aan dezelfde risico's worden blootgesteld. Deze verschillen worden verklaard door de verschillen in werkomgeving die samenhangen met de segregatie op de arbeidsmarkt. Wat het geweld op het werk betreft, en meer specifiek de sexuele intimidatie, stellen we vast dat de slachtoffers bijna uitsluitend vrouwen zijn. Wat de morele intimidatie betreft, stellen onderzoekers geen significatieve verschillen tussen vrouwen en mannen vast. Het Brussels Gewest kent de hoogste werkloosheid van het land. In tegenstelling tot de andere gewesten maken vrouwen minder dan de helft van de niet-werkende werkzoekenden uit. Wat de kenmerken van de werkzoekenden betreft, merken we echter belangrijke verschillen tussen vrouwen en mannen. Het aantal mannelijke werkzoekenden wordt sterker beïnvloed door de conjunctuur dan dit bij de vrouwen het geval is. Een meerderheid van de laaggeschoolde werkzoekenden zijn mannen, bij de hooggeschoolden zijn vrouwen sterker vertegenwoordigd. Ook bij de langdurig werkzoekenden maken vrouwen meer dan de helft van de werkzoekenden uit. Ongeveer een vijfde van de vrouwen jonger dan 25 jaar zijn langer dan twee jaar werkzoekend, bij de mannen in dezelfde leeftijdsklasse is dit slechts 15%. Wanneer de werkloosheidsgraad berekend wordt op basis van de administratieve gegevens, stellen we een belangrijke genderkloof vast: de werkloosheidsgraad voor vrouwen bedraagt 21,6% tegenover 18,4% voor mannen. Een dynamische analyse van de werkloosheid toont eveneens belangrijke verschillen tussen vrouwen en mannen. Vrouwen vertegenwoordigen 47% van de instroom in de werkloosheid, maar hebben in vergelijking met mannen een lagere uitstroomgraad. 40% van de vrouwen ingeschreven in januari zijn in december niet meer ingeschreven tegenover 44% bij de mannen. Het inbrengen van bijkomende variabelen in de analyse laat toe om een duidelijker beeld te schetsen. Zo noteren we belangrijke genderverschillen bij de -25-jarigen. Jonge laaggeschoolde vrouwen hebben een uitstroomgraad van 43% terwijl meer dan de helft van de laaggeschoolde mannen in deze leeftijdsklasse niet meer ingeschreven is. Met uitzondering van de langdurig werkzoekenden, kunnen we stellen dat het beschikken over een diploma hoger onderwijs voor vrouwen een iets hogere uitstroomgraad betekent dan dit voor de mannelijke werkzoekenden het geval is. Dit genderverschil is echter gering. Ook bij de werkzoekenden met een niet-Europese nationaliteit stellen we belangrijke verschillen tussen vrouwen en mannen vast. Hierbij is het bovendien belangrijk om vast te stellen dat de uitstroomgraad van vrouwen met een niet-Europese nationaliteit lager ligt dan de uitstroomgraad van vrouwen met een Belgische nationaliteit. Bij mannen wordt dit eveneens vastgesteld maar is het verschil tussen een Belgische en een niet-Europese man minder groot. De aanwezigheid van jonge kinderen is een grote drempel bij het uitstromen uit de werkloosheid. Terwijl 7 op de 10 hooggeschoolde vrouwen zonder kinderen de werkloosheid na een jaar verlaten hebben, is dit slechts voor iets meer dan de helft van de hooggeschoolde vrouwen met kinderen het geval. Kortdurig vrouwelijke werkzoekenden zonder kinderen kennen een uitstroomgraad van 62%, wanneer ze kinderen hebben bedraagt hun uitstroom nog slechts 45%.

Algemeen besluit

143

Uit de studie is het specifieke karakter van het Brussels Gewest en zijn inwoners duidelijk gebleken. Om een beleid uit te stippelen die de situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt wil verbeteren moet dan ook rekening gehouden worden met de volgende punten: ♦ Laaggeschoolde vrouwen: Hoewel de proportie hooggeschoolde vrouwen het hoogst is in het Brussels Gewest, mag de omvangrijke groep laaggeschoolde vrouwen niet over het hoofd gezien worden. Ondanks het afnemen van de proportie laaggeschoolden bij de jongere leeftijdsgroepen blijft het probleem reëel. Bijna één op vier Brusselse vrouwen tussen de 25 en 29 jaar beschikt niet over een diploma hoger secundair tegenover 13,1% in het Vlaams en 21% in het Waals Gewest. De Brusselse laaggeschoolde vrouwen participeren minder op de arbeidsmarkt dan laaggeschoolde mannen. In de andere gewesten zijn laaggeschoolde vrouwen vaker tewerkgesteld. Wanneer Brusselse laaggeschoolde vrouwen participeren op de arbeidsmarkt worden ze in grotere mate geconfronteerd met werkloosheid. Meer dan een vierde van deze vrouwen is werkloos en bovendien vaak ook nog langdurig werkloos. Ongeveer de helft van de laaggeschoolde vrouwelijke werkzoekenden zijn meer dan 2 jaar werkzoekend. Bij de vrouwelijke werkzoekenden die beschikken over een diploma hoger secundair is dit 1 op 3. ♦ Arbeidsmarktparticipatie en moederschap: Hoewel Brusselse vrouwen proportioneel gezien minder kinderen hebben, blijkt het hebben van kinderen een grotere rem op de arbeidsmarktparticipatie van de moeders dan in de andere gewesten. Het hebben van jonge kinderen is voor vrouwen ook een belangrijk obstakel gebleken bij het uitstromen uit de werkloosheid. Het gebrek aan opvangvoorzieningen, zowel vanuit kwantitatief standpunt (aantal plaatsen) als kwalitatief standpunt (soepele arbeidstijden, kostprijs,…), draagt er toe bij dat vrouwen niet participeren op de arbeidsmarkt wanneer ze jonge kinderen hebben. Op de Europese top van Barcelona in 2002 werd hieromtrent een kwantitatieve doelstelling vastgelegd: "De lidstaten zouden tegen 2010 moeten trachten te zorgen voor een opvangstructuur voor 90% van de kinderen tussen 3 jaar en de schoolplichtige leeftijd en voor minstens 33% van de kinderen minder dan 3 jaar oud". Hoewel België reeds relatief goed scoort door de crèches, onthaalmoeders en het kleuteronderwijs, vestigde de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid reeds terecht de aandacht op het feit dat deze kwantitatieve doelstelling mogelijk ontoereikend is. Zeker voor een stedelijke context, zoals de Brusselse waar de ouders minder beroep kunnen doen op informele opvang (meer in het bijzonder op niet-actieve grootmoeders) zijn bijkomende maatregelen noodzakelijk. Er is een schrijnend gebrek aan plaatsen voor kinderen jonger dan drie jaar, een tekort aan buitenschoolse en tijdelijke opvang, een selectieve toegang tot de formele kinderopvang,… Het probleem stelt zich bovendien sterker voor vrouwelijke werkzoekenden: het niet vinden van aangepaste kinderopvang belet de werkzoekenden om de nodige stappen te ondernemen in hun zoektocht naar werk. De voorwaarden verbonden aan het gebruik van de kinderopvang (attest van de werkgever, kostprijs,…) houden niet steeds rekening met de specifieke situatie van de werkzoekenden. De behoefte aan kinderopvang vormt voor vrouwen een belangrijke werkloosheidsval. ♦ Alleenstaande vrouwen met kinderen: Alleenstaande vrouwen met kind(eren) vormen een omvangrijke groep in het Brussels Gewest: één op tien huishoudens zijn alleenstaande moeders, wat overeenkomt met bijna een derde van alle vrouwen met kinderen in het Brussels Gewest. De situatie van vrouwen met gezinslast is moeilijker wanneer ze alleen voor de kinderen moeten zorgen. De organisatorische moeilijkheden zijn zwaarder wanneer één enkele volwassene alles voor een gezin moet beredderen (vervoer, beperkingen door de openingsuren van de opvangvoorzieningen,…) Het uitoefenen van een betaalde activiteit of, op minst het ontvangen van een vervangingsinkomen, is absoluut noodzakelijk om in de behoeften van het gezin te voorzien. Hoewel hun werkzaamheidsgraad lager is dan deze van alleenstaande vrouwen zonder kinderen en vrouwen met een partner, wensen velen van hen werk te vinden. In het Brussels Gewest is 55% van de alleenstaande moeders in de leeftijdsklasse van de 25-49-jarigen tewerkgesteld. In het Vlaams en Waals Gewest bedraagt hun werkzaamheidsgraad respectievelijk 68% en 50%. Bij de Brusselse vrouwen met partner en één kind is twee derde tewerkgesteld. De werkloosheidsgraad van alleenstaande vrouwen bedraagt 28% en is de hoogste van het Brussels Gewest. Bij de Brusselse vrouwen met partner en één kind is dit 11%.

144

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

♦ Vrouwen van vreemde nationaliteit of origine: Vrouwen van vreemde nationaliteit of origine kennen een zeer zwakke arbeidsdeelname. Of het nu wegens hun culturele gewoonten, om persoonlijke redenen of ten gevolge van discriminatie bij aanwerving is, het is een feit dat vrouwen van buitenlandse afkomst veel vaker dan Belgische vrouwen niet buitenshuis werken. Één op vier Brusselse vrouwen heeft een vreemde nationaliteit en bij de vrouwen met de Belgische nationaliteit is een belangrijke proportie van vreemde origine. Om hun participatie op de arbeidsmarkt te verhogen moet zowel rekening gehouden worden met hun origine als met hun vrouw-zijn; zij kunnen immers geconfronteerd worden met een dubbele discriminatie. Bovendien worden de niet-Europese vrouwen ook geconfronteerd met het fenomeen van etnostratificatie van de arbeidsmarkt. In Brussel hebben hooggeschoolde vrouwen met een nietEuropese nationaliteit een werkzaamheidsgraad van 38%, terwijl deze bij de Belgische vrouwen 78% bedraagt. Ook hun werkloosheidsgraad is beduidend hoger (respectievelijk 33% en 6%). Hoewel ook bij mannen belangrijke verschillen bestaan tussen Belgen en niet-Europeanen, zijn deze verschillen minder uitgesproken. ♦ Verbetering van de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt: De ongelijke vertegenwoordiging van vrouwen op de arbeidsmarkt is geen typisch Brussels probleem. Ook in de andere gewesten verschilt het aandeel van de vrouwen naargelang de sector, het beroep of de functie. De overheid heeft in deze materie een niet enkel een regelgevende rol, maar ook een rol als werkgever. De segregatie die waargenomen wordt op de arbeidsmarkt hangt in sterke mate samen met de segregatie in het onderwijs. Recente resultaten tonen weliswaar aan dat de vrouwen een inhaalbeweging gemaakt hebben in de sterk technische en wetenschappelijke onderwijsrichtingen. Hun doorstroom naar de sectoren waar deze profielen gevraagd worden is echter niet vanzelfsprekend. In belangrijke mate hangt dit samen met de gehanteerde rekruteringsprocedures, de perceptie van de bedrijven door de kandidaat-werknemers,… Naast het probleem van de horizontale segregatie stelt zich ook het probleem van de verticale segregatie. Hoe hoger het functieniveau, hoe kleiner het aandeel van de vrouwen. De proportie vrouwen in leidinggevende functies, het aantal vrouwelijke zelfstandigen, het aantal vrouwelijke werkgevers, de proportie vrouwen bij de statutairen in het overheidspersoneel,… tonen de ondervertegenwoordiging van de vrouwen in deze functies of statuten. Met deze studie werden de verschillen tussen mannen en vrouwen op de Brusselse arbeidsmarkt zichtbaar. Deze verschillen blijken groter te zijn dan vaak gedacht. Hoewel de gegevens vaak bestaan worden ze zelden vanuit een genderperspectief geanalyseerd. Het meten van de verschillen tussen vrouwen en mannen is een belangrijke fase om tot een genderneutraal beleid te komen en alle beleidsbeslissingen af te wegen tegen de mogelijk verschillende impact op vrouwen en mannen, de zogenaamde gendermainstreaming. Dit begrip wordt vaker naar voren geschoven in het Europees beleid. Het lijkt ons bijgevolg interessant indien de Brusselse beleidsmakers op regelmatige basis een gendermonitoring zouden opstellen. Het zou bovendien nuttig zijn indien deze monitoring verder reikt dan de arbeidsmarkt. De situatie op de arbeidsmarkt hangt immers nauw samen met andere domeinen, zoals de huisvestingsmogelijkheden, de armoedeproblematiek, het beleid inzake kinderopvang, het onderwijs,…

Bijlagen Beroepsactieve en niet-beroepsactieve bevolking Tabel 1:

Evolutie van de activiteitsgraad in de drie gewesten (1992-2002) Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

1992

51,2

50,2

49,4

50,0

1997

55,7

54,8

52,9

54,3

2002

56,4

58,5

52,2

56,3

1992 1997

69,9 71,6

73,4 74,5

69,3 71,3

71,7 73,2

2002

71,6

74,9

70,6

73,2

1992 1997

60,4 63,6

61,9 64,8

59,4 62,1

61,0 63,8

2002

63,9

66,8

61,4

64,8

Vrouwen

Mannen

Vrouwen + mannen

Bron:

NIS-EAK

Tabel 2:

Evolutie van de werkzaamheidsgraad in de drie gewesten (1992-2002) Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

44,8 46,3 48,2

46,0 50,8 55,2

42,1 44,2 45,6

44,6 48,2 51,4

61,6 59,9 60,9

71,1 71,8 71,6

63,1 63,4 64,2

67,7 68,1 68,3

53,1 53,0 54,5

58,7 61,4 63,5

52,6 53,8 54,9

56,2 58,2 59,9

Vrouwen 1992 1997 2002 Mannen 1992 1997 2002 Vrouwen + mannen 1992 1997 2002 Bron:

NIS-EAK

Tabel 3:

Evolutie van de werkloosheidsgraad in de drie gewesten (1992-2002) Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

België

12,4 17,0 14,6

8,2 7,6 5,7

14,9 17,0 12,7

10,8 11,5 8,7

1992

11,8

3,1

8,9

5,7

1997 2002

16,4 14,9

3,6 4,3

11,1 9,1

7,1 6,7

1992

12,1

5,2

11,4

7,8

1997 2002

16,7 14,7

5,3 4,9

13,6 10,6

8,9 7,6

Vrouwen 1992 1997 2002 Mannen

Vrouwen + mannen

Bron:

NIS-EAK

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

146

Interne werkgelegenheid Tabel 4:

Bezoldigde arbeid en bevolking per gemeente - 2002 Loontrekkenden

Bevolking op 01/01/2003

Aantal V

% Totaal

M

T

Aantal

V

M

T

V

% Totaal

M

T

V

M

T

Anderlecht

17 020

24 420

41 440

6,2

7,5

6,9

47 280

44 479

91 759

9,2

9,3

9,2

Oudergem

4 972

7 381

12 353

1,8

2,3

2,1

15 425

13 567

28 992

3,0

2,8

2,9

Sint-Agatha-Berchem

2 629

2 329

4 958

1,0

0,7

0,8

10 347

9 131

19 478

2,0

1,9

2,0

113 787 10 887

132 612 11 772

246 399 22 659

41,4 4,0

40,5 3,6

40,9 3,8

69 793 21 707

69 708 19 312

139 501 41 019

13,5 4,2

14,6 4,1

14,1 4,1

8 354 5 485

17 070 14 682

25 424 20 167

3,0 2,0

5,2 4,5

4,2 3,3

17 521 24 832

15 182 22 481

32 703 47 313

3,4 4,8

3,2 4,7

3,3 4,8

Ganshoren Elsene

1 986 19 204

1 757 20 155

3 743 39 359

0,7 7,0

0,5 6,2

0,6 6,5

11 204 38 820

9 043 37 021

20 247 75 841

2,2 7,5

1,9 7,8

2,0 7,6

Jette Koekelberg Sint-Jans-Molenbeek

6 475 1 380 11 203

4 692 1 361 14 608

11 167 2 741 25 811

2,4 0,5 4,1

1,4 0,4 4,5

1,9 0,5 4,3

22 290 8 882 38 552

19 279 8 139 37 625

41 569 17 021 76 177

4,3 1,7 7,5

4,0 1,7 7,9

4,2 1,7 7,7

Sint-Gillis Sint-Joost-ten-Node

9 188 7 260

11 473 6 668

20 661 13 928

3,3 2,6

3,5 2,0

3,4 2,3

21 394 11 318

22 001 11 752

43 395 23 070

4,2 2,2

4,6 2,5

4,4 2,3

Schaarbeek

16 199

20 646

36 845

5,9

6,3

6,1

55 572

53 566

109 138

10,8

11,2

11,0

Ukkel

13 425

11 201

24 626

4,9

3,4

4,1

40 918

34 515

75 433

7,9

7,2

7,6

Watermaal-Bosvoorde Sint-Lambrechts-Woluwe Sint-Pieters-Woluwe

5 372 14 482 5 725

5 445 13 518 5 748

10 817 28 000 11 473

2,0 5,3 2,1

1,7 4,1 1,8

1,8 4,6 1,9

13 177 25 993 20 324

11 243 21 232 17 416

24 420 47 225 37 740

2,6 5,0 3,9

2,4 4,5 3,7

2,5 4,8 3,8

275 033

327 538

602 571

100

100

100

515 349

476 692

992 041

100

100

100

Brussel Etterbeek Evere Vorst

Brussels Gewest Bron:

NIS, RSZ, berekeningen Observatorium

Tabel 5:

Zelfstandige arbeid per gemeente - 2002 Activiteitensector Totaal

%V

Industrie

Handel

Vrije beroepen

Diensten

Andere

Totaal

Anderlecht Oudergem Sint-Agatha-Berchem Brussel Etterbeek Evere

4 2 1 9 2 1

596 112 158 276 859 495

24,8 32,8 27,8 27,0 31,1 29,0

21,1 18,5 20,1 17,4 16,1 19,1

50,7 37,1 42,2 47,8 38,4 47,2

20,7 37,3 29,6 28,6 40,0 24,9

6,2 5,9 6,4 5,0 4,5 8,2

1,3 1,2 1,6 1,2 1,0 0,5

100 100 100 100 100 100

Vorst Ganshoren

3 523 1 222

30,5 29,1

17,3 17,7

39,3 47,5

37,4 27,3

5,2 6,6

0,8 0,9

100 100

Elsene Jette Koekelberg Sint-Jans-Molenbeek Sint-Gillis Sint-Joost-ten-Node Schaarbeek Ukkel Watermaal-Bosvoorde Sint-Lambrechts-Woluwe Sint-Pieters-Woluwe

6 826 2 350 913 3 267 3 172 1 243 5 985 8 205 2 158 3 452 3 093

32,1 29,4 28,9 25,3 27,4 25,5 28,2 33,0 33,7 31,5 31,9

15,8 18,8 18,9 18,8 18,5 15,8 17,6 18,3 15,8 14,9 17,5

39,3 43,0 46,3 54,1 42,2 57,9 45,5 38,8 34,6 40,0 38,8

39,5 30,4 26,1 19,1 33,9 19,7 30,6 37,8 43,9 38,9 38,5

4,3 6,4 8,0 6,9 4,5 5,3 5,5 3,9 4,8 4,9 3,8

1,1 1,4 0,7 1,1 0,8 1,3 0,8 1,2 1,0 1,3 1,5

100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100

66 905

29,5

17,7

43,3%

32,7

5,2

1,1

100

Brussels Gewest Bron:

RSVZ, berekeningen Observatorium

Bijlagen

Tabel 6:

147

Inkomen van de zelfstandigen volgens gender (in euro/jaar) - 2002 Brussels Gewest

%V

Bron:

%M

België

% Totaal

%V

%M

% Totaal

-2 500 -10 000 -25 000 -50 000 -75 000 -100 000 -200 000 -500 000 -1 000 000 -2 250 000 > 2250000 n,r,

33,6 31,6 25,7 22,2 20,5 17,9 15,2 10,3 8,6 9,1 0,0 34,3

66,4 68,4 74,3 77,8 79,5 82,1 84,8 89,7 91,4 90,9 100 65,7

31,0 16,5 23,3 10,6 2,6 1,0 0,8 0,4 0,1 0,0 0,0 13,6

37,2 33,6 21,6 16,8 15,4 14,3 12,0 9,5 6,6 1,9 0,0 36,8

62,8 66,4 78,4 83,2 84,6 85,7 88,0 90,5 93,4 98,1 100 63,2

28,7 16,0 25,0 11,4 2,4 0,9 0,9 0,3 0,0 0,0 0,0 14,5

Total

29,5

70,5

100

29,3

70,7

100

RSVZ, berekeningen Observatorium

Tabel 7:

Brusselse interne werkgelegenheid volgens woonplaats, sector en gender (in %) - 2002 Brussels Gewest

Vlaams Gewest

V

T

V

M

M

Waals Gewest

T

V

M

Totaal

T

Primaire sector

0,0

0,1

0,0

0,0

0,1

0,1

0,0

0,1

0,0

0,1

Secundaire sector Winning van delfstoffen Industrie Electriciteit, gas en water Bouw

5,7 0,0 4,7 0,1 0,9

16,3 0,0 8,0 0,7 7,6

11,3 0,0 6,5 0,4 4,4

7,0 0,0 5,8 0,6 0,5

16,2 0,0 10,7 2,1 3,4

12,3 0,0 8,6 1,5 2,2

8,5 0,0 7,4 1,1 0,0

19,6 0,2 12,0 2,2 5,2

15,5 0,1 10,3 1,8 3,3

12,4 0,0 8,0 1,1 3,4

Tertiaire sector Handel Hotels en restaurants Vervoer en communicatie Financiële instellingen Diensten aan bedrijven Overheidsdiensten Onderwijs Gezondheidszorg en soc, dienstverlening Gemeenschapsvoorzieningen

94,3 12,6 4,5 3,0 6,1 15,2 14,4 11,7 20,3 6,5

83,6 12,3 7,0 8,6 5,9 19,0 12,7 5,2 6,6 6,3

88,7 12,4 5,8 5,9 6,0 17,2 13,5 8,2 13,1 6,4

93,0 10,0 1,6 6,2 14,0 12,5 20,3 7,9 12,3 8,2

83,7 9,4 1,7 13,5 15,6 13,2 19,4 2,9 2,8 5,2

87,7 9,6 1,6 10,4 14,9 12,9 19,8 5,0 6,9 6,5

91,5 7,8 1,6 6,3 15,0 9,8 22,1 10,1 14,1 4,7

80,4 8,7 1,6 14,5 11,5 11,9 19,0 3,9 4,4 4,9

84,5 8,4 1,6 11,5 12,8 11,1 20,1 6,2 8,0 4,8

87,5 10,7 3,5 8,6 10,4 14,5 17,0 6,7 9,9 6,1

Totaal

100

100

100

100

100

100

100

100

100

100

Bron:

NIS-EAK, berekeningen Observatorium

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

148

Werkloosheid Tabel 8:

Evolutie van de werkzoekenden volgens gemeente en gender (1992-2003) 1992

%V

1997

%V

2001

%V

2003

%V

Evolutie '92-'03

Vrouwen

27 513

51,0

36 864

48,8

33 900

49,6

39 623

48,5

44,0

Anderlecht

3 074

53,9

3 740

50,1

3 731

50,9

4 267

49,3

38,8

529 438

57,5 55,8

711 604

52,4 55,5

491 531

53,6 56,3

581 690

50,6 56,1

9,8 57,5

Brussel Etterbeek Evere

4 250 1 089 772

46,2 49,7 59,8

5 669 1 552 1 026

44,3 49,5 58,7

5 079 1 342 988

45,2 49,9 61,4

6 302 1 444 949

45,6 49,9 55,3

48,3 32,6 22,9

Vorst

1 510

54,7

2 045

52,6

1 755

52,0

2 101

51,3

39,1

Ganshoren Elsene

511 2 018

61,0 48,0

659 2 587

57,1 46,7

605 2 211

57,2 47,0

655 2 598

55,6 46,8

28,2 28,7

Jette Koekelberg

1 109 522

55,5 54,4

1 491 757

55,2 49,6

1 243 681

56,2 50,4

1 443 878

52,5 49,3

30,1 68,2

Sint,-Jans-Molenbeek Sint-Gillis

2 322 1 657

48,0 46,3

3 308 2 262

45,8 43,6

3 520 1 968

47,4 44,6

4 184 2 326

47,0 45,2

80,2 40,4

Oudergem Sint-Agatha-Berchem

Sint-Joost-ten-Node

878

46,4

1 323

45,2

1 450

47,2

1 502

44,8

71,1

Schaarbeek

3 558

49,8

4 850

46,9

4 749

48,3

5 627

47,0

58,2

Ukkel

1 422

57,8

1 936

57,0

1 709

58,2

1 923

54,8

35,2

478 857 519

59,2 59,3 55,9

590 1 073 681

56,8 57,0 57,4

501 836 510

57,7 57,7 56,8

561 1 019 573

53,4 54,6 51,3

17,4 18,9 10,4

Watermaal-Bosvoorde Sint-Lambrechts-Woluwe Sint-Pieters-Woluwe Mannen

26 440

38 715

34 407

42 112

Anderlecht

2 629

3 730

3 592

4 390

67,0

Oudergem Sint-Agatha-Berchem Brussel Etterbeek

391 347 4 948 1 100

647 484 7 139 1 581

425 412 6 156 1 347

568 540 7 506 1 447

45,3 55,6 51,7 31,5

Evere Vorst Ganshoren Elsene Jette Koekelberg Sint,-Jans-Molenbeek Sint-Gillis Sint-Joost-ten-Node

520 1 253 327 2 187 890 438 2 516 1 922 1 014

721 1 843 496 2 948 1 208 769 3 909 2 928 1 607

620 1 622 452 2 493 970 670 3 914 2 440 1 621

767 1 997 522 2 959 1 308 904 4 726 2 819 1 847

47,5 59,4 59,6 35,3 47,0 106,4 87,8 46,7 82,1

Schaarbeek Ukkel Watermaal-Bosvoorde Sint-Lambrechts-Woluwe Sint-Pieters-Woluwe

3 591 1 039 330 588 410

5 483 1 458 449 809 506

5 077 1 228 368 612 388

6 345 1 585 489 848 545

76,7 52,6 48,2 44,2 32,9

Bron:

BGDA, berekeningen Observatorium

59,3

Verklarende woordenlijst

A Activiteitsgraad =

werkenden + werkzoekenden bevolking op beroepsactieve leeftijd

ADG: Arbeitsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft, arbeidsbemiddeling in de Duitstalige gemeenschap

instelling

bevoegd

voor

de

opleiding

en

AW: absolute waarde

B Beroepsactieve bevolking = werkenden + werkzoekenden BGDA: Brussels Gewestelijke Dienst Arbeidsbemiddeling BHG: Brussels Hoofdstedelijk Gewest BIM: Brussels Instituut voor Milieubeheer

C CBGS: Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudie CESRW: Conseil Economique et Social de la Région Wallonne, economische en sociale raad voor het Waals Gewest COCOF: Commission communautaire française, Franse Gemeenschapscommissie, Brusselse instelling bevoegd voor instellingen die uitsluitend ressorteren onder de Franse Gemeenschap

E Eurostat - LFS: Europese instelling belast met statistieken - Labour Force Survey EAK: Enquête naar de Arbeidskrachten (NIS)

F FAO: Fonds voor Arbeidsongevallen FBZ: Fonds voor Beroepsziekten Federgon: Federatie van de partners voor werk, groepeert de uitzendkantoren, de wervings- en selectiebedrijven en de outplacementbedrijven FOD: Federale Overheidsdienst Forem: Office wallon de la formation professionnelle et de l'emploi

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

150

G Genderratio =

% vrouwen % mannen

GIEF: Groupe Interdisciplinaire d'études sur les femmes (ULB-UCL) GIMB: Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Brussel GGC: Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, Brusselse instelling bevoegd voor de instellingen die niet uitsluitend onder één van beide gemeenschappen ressorteren, de rechtstreekse bijstand aan personen

I IAB: Internationaal Arbeidsbureau IAO: Internationale Arbeidsorganisatie ISCO: International Standard Classification of Occupations, classificatie gebruikt door de Internationale Arbeidsorganisatie

K KMO: kleine en middelgrote ondernemingen (< 50 werknemers)

M MIVB: Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel

N Nace: Activiteitennomenclatuur Nationaliteit: BE - Belgische nationaliteit, EU - vreemde nationaliteit van binnen de Europese Unie (15 lidstaten), NEU - vreemde nationaliteit van buiten de Europese Unie Niet-beroepsactieve bevolking (IAB-definitie, gebruikt in de EAK-enquête): personen die niet tot de werkenden of werkzoekenden behoren. In de praktijk gaat het om studenten, huisvrouwen/-mannen, (brug)gepensioneerden,… Niet-werkende werkzoekenden (NWWZ): personen zonder betaalde arbeid ingeschreven als werkzoekende bij een openbare tewerkstellingsdienst NIS-EAK: Nationaal Instituut voor de Statistiek - Enquête naar de Arbeidskrachten

O OCMW: Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn ONE: Office de la Naissance et de l'Enfance de la Communauté française

P Ppn.: procentpunt PWA: Plaatselijke Werkgelegenheidsagenschap

Verklarende woordenlijst

151

R RoSa: Rol en Samenleving vzw, Vlaams documentatiecentrum voor informatie en documentatie over de maatschappelijke positie van vrouwen, feminisme en gelijke kansen voor mannen en vrouwen RSVZ: Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen RSZ: Rijksdienst Sociale Zekerheid RVA: Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening

S SERV: Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen Sophia: Belgisch coördinatienetwerk voor vrouwenstudies Studieniveau: het hoogste diploma dat een persoon heeft behaald en dat door de Vlaamse of Franse Gemeenschap als dusdanig erkend wordt. In deze studie definiëren we laaggeschoolden als personen die hoogstens over een diploma lager secundair (LSO) beschikken. Ook personen waarvan hun diploma niet erkend is worden tot deze categorie gerekend. Middengeschoolden hebben een diploma hoger secundair (HSO), terwijl hooggeschoolden een diploma hoger onderwijs (zowel universitair als niet-universitair) hebben.

U Uitkeringsgerechtigde volledig werklozen (UVW): werkzoekenden met een uitkering betaald door de RVA

V VDAB: Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding VG: Vlaams Gewest VGC: Vlaamse Gemeenschapscommissie, Brusselse instelling bevoegd voor instellingen die uitsluitend ressorteren onder de Vlaamse Gemeenschap Viona: Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering

W WAV: Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming Werkenden (IAB-definitie): personen die in de referentieweek minstens 1 uur betaalde arbeid verricht hebben

Werkloosheidsgraad =

werkzoekenden werkenden + werkzoekenden

Werklozen (IAB-definitie): personen die in de 4 weken voor de enquête geen betaalde job uitoefenden, actief op zoek zijn naar werk en binnen de twee weken beschikbaar om een job uit te oefenen. Werkzaamheidsgraad = WG: Waals Gewest

werkenden bevolking op beroepsactieve leeftijd

Bibliografie ARRIJN P., FELD S. en A. NAYER (red.), 1997, Etnische discriminatie bij aanwerving - Belgische deelname aan het internationaal vergelijkend onderzoek van het internationaal arbeidsbureau, Federale Diensten voor Wetenschappelijke, Technische en Culturele Aangelegenheden, Brussel. BAH I., GANGJI A., ORSINI K. en S. SISSOKO, 2002-2003, Etude en panel des disparités salariales entre hommes et femmes: une comparaison européenne, séminaire ULB. BARRERE-MAURISSON M.-A., BUFFIER-MOREL M. en S. RIVIER, 2001, Le partage du temps et des tâches dans le

ménage, Cahier Travail et emploi, Ed. La documentation française. BARRERE-MAURISSON M.-A., RIVIER S. en C. MINNI, 2001, Le partage des temps pour les hommes et les femmes: ou comment conjuger travail rémunéré, non rémunéré et non travail, Premières Synthèses, Dares, 11.1. BECK U., 1992, Risk Society, Towards a New Modernity, Sage Piblications, Londen. BEVERS T., 2004, Inégalités salariales entre les femmes et les hommes en Belgique, Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociale Concertatie, slides gepresenteerd op de studieavond "les femmes et l’emploi dans la Région de Bruxelles-Capitale", georganiseerd door CFFB op 8 maart 2004. BORRILLO D. (red.), 2003, Lutter contre les discriminations, Recherches, Editions la Découverte, Parijs. BROZE L., GAVRAY C. en C. RUYTERS, 2000, Dualisme, mobilité et déterminants familiaux: une analyse des transitions sur le marché du travail, 14e Congres van de Franstalige Economisten in België, Commissie 1, CIFOP, pp125-147. BROZE L., STEINAUER M. en I. THOMAS, 1999, Discrimination spatiale des femmes et ségrégation sur le marché du travail: l'exemple de Bruxelles, Universiteit van Rijsel (GREMARS) en UCL (CORE-Departement Geografie). BRUSSELS OBSERVATORIUM

VAN DE

ARBEIDSMARKT

EN DE

KWALIFICATIES, 2003, Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt:

ARBEIDSMARKT

EN DE

KWALIFICATIES, 2003, Analyse van de knelpuntberoepen in het

tussen dynamisme en dualiteit. BRUSSELS OBSERVATORIUM

VAN DE

Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2002. COUPPIÉ T. en D. EPIPHANE, 2003, Ségrégation professionnelle des hommes et des femmes: entre héritage éducatif et construction sur le marché du travail, Cereq. DAUBAS-LETOURNEUX V. en A. THÉBAUD-MONY, 2002, Work organisation and health at work in the European Union, European Foundation for the improvement of living and working conditions. DE CALUWE J. en A. VAN SANTEN, 2001, Gezocht: functiebenamingen (m/v). Wegwijzer voor vorming en gebruik van Nederlandse functiebenamingen, Nederlandse Taalunie, Sdu Uitgevers, Den Haag. DEGADT J., 1994, De vrije beroepen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Directie Studiën en Regionale Statistiek, BRES nr. 22, IRIS Uitgaven. DE LANNOY W., LAMMENS M., LESTHAEGHE R. en D. WILLAERT, 1999, Brussel in de jaren negentig en na 2000: een demografische doorlichting. In: Witte E., Alen A., Dumont H. en R. Ergec (red.), Het statuut van Brussel, Larcier, Brussel. DEN BOSCH, 2003, De impact van schorsing artikel 80 in de werkloosheidsverzekering op herintrede en armoede, Reeks Actuele problemen met betrekking tot de sociale

DE LATHOUWER L., COCKX B., BOGAERTS K., RIES J. en K. VAN cohesie, Federaal Wetenschapsbeleid, Academia Press.

DELBECQUE N., 1998, Feminisering in Romaans perspectief: structurele en functionele analyse van de Franse en Spaanse functie- en beroepsnamen. In: Lutjeharms M. (red.), Feminisering van beroepsnamen: een juiste keuze? Handelingen van een colloquium aan de VUB 28/3/1998, VUB - Instituut voor Taalonderwijs.

Bibliografie

153

DRAULANS V., 2002, Glazenplafond: realiteit of mythe? In: RoSa, Vrouwen naar de top. Uitgelezen, jaargang 8 nr.4. DUMONTIER F. en PAN KÉ SHON, 1999, En treize ans moins de temps et plus de loisirs, INSEE première nr. 675. EUROPEAN AGENCY FOR SAFETY AND HEALTH AT WORK, 2003, Gender issues in safety and health at work - A review. EUROPESE COMMISSIE WERKGELEGENHEID & SOCIALE ZAKEN, 1998, 100 woorden voor gelijkheid. Glossarium van termen

over gelijkheid tussen vrouwen en mannen. EUROPESE STICHTING TER VERBETERING VAN

DE

LEVENS-

EN

ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN, 2001, Derde Europese enquête naar

de arbeidsomstandigheden 2000. FEDERAAL MINISTERIE

VAN HET

OPENBAAR AMBT, 2001, Overzicht van de personeelssterkte in de overheidssector.

Situatie op 30 juni 2000 en 1 januari 2001. FEDERAAL MINISTERIE

VAN

TEWERKSTELLING, ARBEID

EN CONCERTATIE,

2002, Belgisch rapport over de kwaliteit van de

arbeid. FEDERAL PUBLIC SERVICE, EMPLOYMENT, LABOUR AND SOCIAL DIALOGUE,

2003, Equal pay in Belgium - discussion paper.

FLETCHER C., 2002, Formation continue à la française et système de laissez-faire britannique: quelles chances pour les femmes? In: Formation Emploi nr 78. FRANSE GEMEENSCHAP, 1993, Décret du 21 juin 1993 relatif à la féminisation des noms de métier, fonction, grade ou

titre. FRANSE GEMEENSCHAP, 2002, Les filles et les carrières scientifiques et techniques. In: Faits & gestes, juli-sept 2002. GARCIA A., C. HUE, S. OPDEBEECK en J. VAN LOOY, 2002, Geweld op het werk, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag. Eigenschappen en gevolgen voor de mannelijke en vrouwelijke werknemers, onderzoek gerealiseerd door de UCL en met medewerking van de KUL op initiatief van Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. GEURTS K., 2003, Werk, gezin of beide? Verschillen tussen laag- en hooggeschoolden. In: De arbeidsmarkt in Vlaanderen. Jaarboek 2003, Steunpunt WAV - VIONA Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek. GEURTS K., 2002, Minder gezin, meer arbeid. De arbeidsdeelname van de bevolking naar gezinspositie. Een situering van Vlaanderen in Europa. De Arbeidsmarkt in Vlaanderen, jaarreeks 2002, deel 2, Steunpunt WAV Viona Stuurgroep Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek. GLAUDE M., 1999, L'égalité entre les hommes et les femmes où en sommes-nous? In: Egalité entre les hommes et les femmes aspects économiques. GLORIEUX I. en J. VANDEWEYER, 2002, Het egalitaire gezin: nog niet voor morgen. Bevinden uit het Belgische tijdsbudgetonderzoek, Over.Werk, Tijdschrift van het Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming nr. 3/2002. GLORIEUX I. en J. VANDEWEYER, 2002, 24 uur…Belgische tijd: een onderzoek naar de tijdsbesteding van de Belgen, TOR-VUB, Reeks Statistische studiën, Statistische studie 110, Nationaal Instituut voor de Statistiek, Brussel. GLORIEUX I. en J. VANDEWEYER, 2001, Dit is Belgisch…tijdsbestedingspatronen in Vlaanderen, Wallonië en Brussel, NIS, TOR. HENAU A., 2002, De recente demografie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Directie Studiën en Regionale Statistiek, Dossiers 2002, nr. 38. HOGE RAAD VOOR DE WERKGELEGENHEID, juni 2003, Advies betreffende het Belgische werkgelegenheidsbeleid in het kader van de Europese werkgelegenheidsstrategie, Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

154

HOGE RAAD VOOR DE WERKGELEGENHEID, 2002, Rapport 2002, Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. HUYBRECHT G., 1998, Eén of twee benamingen per beroep? Een empirisch onderzoek. In: Lutjeharms M. (red.), Feminisering van beroepsnamen: een juiste keuze? Handelingen van een colloquium aan de VUB 28/3/1998, VUB Instituut voor Taalonderwijs. IDEA CONSULT, 2003, Uitzendkrachten in België: profiel en tewerkstellingskenmerken, www.federgon.be. INTERNATIONAL LABOUR OFFICE, 2003, Time for equality at work. Global report under the follow-up to the ILO Declaration on fundamental principles and rights at work. International Labour Conference 91st Session 2003. JENNES A., 1995, Profielen van geschoolde allochtone vrouwen op de arbeidsmarkt. In: Welzijn, vol.6, nr.1, pp1015. KAUFMANN JC., 1997, Le coeur à l'ouvrage, théorie de l'action ménagère, Ed. Nathan. KINDERDAGVERBLIJF

VAN DE

BGDA, 2002, 10-jarig bestaan van het Kinderdagverblijf van de BGDA vzw. Opzet en

perspectieven. LAMBRECHT H., VERHOEVEN H. en A. MARTENS, 1999, Ondernemende allochtonen … of allochtone ondernemers? Ondernemers! Een kwantitatief en kwalitatief verkennend onderzoek naar allochtone ondernemers in Vlaanderen, VIONA arbeidsprogramma 1999, KUL. LODEWIJCKX E., 2001, Types van huishoudens op 31/12/1999, www.cbgs.be. LUROL M., 2001, Le travail des femmes en France: trente ans d'évolution des problématiques en sociologie (19702000), CEE, document de travail n°70. LUTJEHARMS M. (red.), 1998, Feminisering van beroepsnamen: een juiste keuze? Handelingen van een colloquium aan de VUB 28/3/1998, VUB - Instituut voor Taalonderwijs. LUTJEHARMS M., 1998, Het Nederlands tussen het Engels en het Duits. In: Lutjeharms M. (red.), Feminisering van beroepsnamen: een juiste keuze? Handelingen van een colloquium aan de VUB 28/3/1998, VUB - Instituut voor Taalonderwijs. MARÉE M. en S. MERTENS, Contours et statistisues du non-marchand en Belgique, ULG. MARUANI M., 2000, Travail et emploi des femmes. Repères-Découverte, Parijs. MEDA D., 2001, Le temps des femmes, pour un nouveau partage des rôles, Ed. Flammarion. MERTON R.K., 1957, The role-set: problems in sociological theory, In: Coser L.A en L.K. Rosenberg, 1989, Sociological theory: a book of readings (fifth edition), Waveland Press Inc - Illinois, pp. 282-291. MINISTERIE

VAN HET

BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, Dienst Studies en Regionale Statistiek, 2002, Statistische

indicatoren van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, 2001, Gender mainstreaming. Een geïntegreerde aanpak van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Definitie, methodologie en stand van zaken in Vlaanderen. Verslag aan het Vlaams Parlement 1999-2000. NATIONAAL INSTITUUT VOOR Economische Zaken.

DE

STATISTIEK, 2002, Enquête naar de tijds- en vrijetijdsbesteding 1999, Ministerie van

GEZONDHEID EN WELZIJN, 2002, 8ste rapport over de staat van de armoede in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, Brussel. OBSERVATORIUM

VOOR

OBSERVATORIUM VOOR GEZONDHEID EN WELZIJN, 2001, Gezondheidsindicatoren Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, Brussel.

Bibliografie

155

OESO, 2002, Les femmes au travail: qui sont-elles et quelle est leur situation?, In: OESO, Perspectives de l'emploi de l'OCDE. RAAD

VAN

EUROPA, COMITÉ

VAN

MINISTERS, GROUP

OF

SPECIALISTS

ON

EQUALITY

BETWEEN

WOMEN

AND

MEN, 1998, Gender

mainstreaming. Conceptual framework, methodology and presentation of good practices. RAAD VAN DE GELIJKE KANSEN VOOR MANNEN EN VROUWEN, 1996, Vrouwen en armoede. RAAD

VAN DE

GELIJKE KANSEN

VOOR

MANNEN

EN

VROUWEN, 1994, Advies nr. 2 over het geslacht van beroeps- en

functienamen van 9 december 1994. ROSA, 2002, Genderterminologie, RoSa-factsheet nr. 17 - 2002. ROUSSEL V., 2003, Onderwijs- en arbeidsmarktsegregatie tussen mannen en vrouwen. Wat is de relatie tussen beide?, Over.Werk, Tijdschrift van het Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming nr. 3/2003. SCHIPPERS J., 2001, Arbeidsmarkt- en emancipatiebeleid: de vraag naar diversiteit, Universiteit Utrecht Economisch Instituut. SCHOENMAECKERS R.C. en M. CALLENS (red.), 1999, Gezinsvorming in Brussel. Resultaten van de ‘Fertility and Family Survey' (FFS) in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, CBGS-Publicaties, Garant. SONAR, 2001, Jongeren op zoek naar werk. De arbeidsmarkt in Vlaanderen. Jaarreeks 2001 - Deel 3, Steunpunt WAV - VIONA Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek. SONAR, 2000, Jongeren in transitie. De arbeidsmarkt in Vlaanderen. Jaarreeks 2000 - Deel 4, Steunpunt WAV VIONA Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek. STEEGMANS N. et al., 2002, Gelijke kansenindicatoren in Vlaanderen. Statistieken en indicatoren voor een gelijke kansenbeleid voor mannen en vrouwen, SEIN - LUC, Diepenbeek. STEEGMANS N. en E. VALGAEREN, 2001, Mannen en vrouwen op de drempel van de 21ste eeuw. Een gebruikershandboek genderstatistieken. LUC-SEIN, in opdracht van de Federale Diensten voor Wetenschappelijke, Technische en Culturele Aangelegenheden en het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en Gelijke Kansen. WERKGELEGENHEID IN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, 2003, Europa en werkgelegenheid… dat gaat ook mij aan, www.pactbru.irisnet.be. TERRITORIAAL PACT

VOOR

DE

VAN AERSCHOT M., HERMANS D.J. en J.C. VERHOEVEN, 2003, Gezocht: ingenieur (m/v). Een onderzoek naar studiekeuze vanuit genderperspectief, Steunpunt Gelijkekansenbeleid, Vlaamse Gemeenschap. VAN DONGEN W., BECK M. en E. VANHAUTE (red), 2001, Beroepsleven en gezinsleven. Het combinatiemodel als model voor een actieve welvaartsstaat?, CBGS-Publicaties, Garant, Leuven-Apeldoorn. VAN DONGEN W., MALFAIT D. en K. PAUWELS, 1995, De dagelijkse puzzel "gezin en arbeid", Centrum voor bevolkingsen Gezinsstudie. VAN DONGEN W., 1993, Nieuwe krijtlijnen voor gezin, markt en maatschappij, Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudiën, Garant-Leuven. VAN HAEGENDOREN M., 1998, Van huisvrouwen tot uitzendkrachten. Arbeid in België sinds 1945, Davidsfonds, Leuven. VAN HAEGENDOREN M. en G. Verreydt, 1993, Informele economie in het dagelijkse leven van vrouwen, In: Van Haegendoren M. en Desaeyere W. (red.), De donkere kant van de maan, Leuven, Acco. VAN HOOF J. en J. VAN RUYSSEVELDT, 1996, Sociologie en de moderne samenleving. Maatschappelijke veranderingen van de industriële revolutie tot in de 21ste eeuw, Open Universiteit, Heerlen.

156

Situatie van de vrouwen op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

VERHOEVEN H. en A. MARTENS, Arbeidsmarkt en diversiteit…Over de vreemde eend in de bijt. De werkgelegenheid van moeilijk af te bakenen doelgroepen: migranten, KUL, meta.fgov.be/pdf/pc/nlcee13b.pdf. VERHOFSTADT G., 1999, Beleidsverklaring van de federale Belgische regering november 1999, Federale Regering, Brussel. VERNAILLEN N. en E. LODEWIJCKX, 2002, Kinderen en het type huishouden waarvan ze deel uitmaken op 31/12/1999, www.cbgs.be. VLAAMSE OVERLEGCOMMISSIE

VROUW

- SERV, 1994, Advies over de feminisering van de beroepsnamen d.d.

13/10/1994. VLOEBERGHS E., 2001, Belg is gemiddeld 39,8 jaar oud, NIS-Nieuwsflits nr.2. WETENSCHAPPELIJK INSTITUUT VOLKSGEZONDHEID, 2002, Gezondheidsenquête door interview België - boek 2

Gezondheidstoestand.

Anspachlaan 65 - 1000 Brussel - http://www.bgda.be Verantwoordelijke uitgever : E. Courthéoux, Anspachlaan 65, 1000 Brussel

D/2004/57.47/3

Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.