Tussen wens en werkelijkheid. Het debat over vrede en veiligheid binnen de PvdA in de periode Zuijdam, F.A


1 UvA-DARE (Digital Academic Repository) Tussen wens en werkelijkheid. Het debat over vrede en veiligheid binnen de PvdA in de periode Zuijdam, F.A. L...

0 downloads 29 Views 3MB Size

Recommend Documents


No documents


UvA-DARE (Digital Academic Repository)

Tussen wens en werkelijkheid. Het debat over vrede en veiligheid binnen de PvdA in de periode 1958-1977 Zuijdam, F.A.

Link to publication

Citation for published version (APA): Zuijdam, F. A. (2001). Tussen wens en werkelijkheid. Het debat over vrede en veiligheid binnen de PvdA in de periode 1958-1977. Aksant.

General rights It is not permitted to download or to forward/distribute the text or part of it without the consent of the author(s) and/or copyright holder(s), other than for strictly personal, individual use, unless the work is under an open content license (like Creative Commons).

Disclaimer/Complaints regulations If you believe that digital publication of certain material infringes any of your rights or (privacy) interests, please let the Library know, stating your reasons. In case of a legitimate complaint, the Library will make the material inaccessible and/or remove it from the website. Please Ask the Library: http://uba.uva.nl/en/contact, or a letter to: Library of the University of Amsterdam, Secretariat, Singel 425, 1012 WP Amsterdam, The Netherlands. You will be contacted as soon as possible.

UvA-DARE is a service provided by the library of the University of Amsterdam (http://dare.uva.nl)

Download date: 27 Mar 2019

HOOFDSTUKK 4

D ee strijd tegen de atoomanarchie Eenn socialistische vredespolitiek in concreto, 1963-1965

'Inn de feitelijke wereld waarin we leven kan het vraagstuk van de coëxistentie niet met leuzenn worden opgelost', zei Geert Ruygers op het partijcongres van januari 1963.' Met dezee woorden onderstreepte hij de gedachte dat de PvdA een vredespolitiek diende te voerenn die rekening hield met de machtsverhoudingen in de internationale politiek. Vredee kon alleen met kleine stapjes dichterbij worden gebracht. Eenzijdige nationale ontwapeningg beschouwde de partij als een ontoelaatbare verstoring van het machtsevenwichtt en werd dan ook afgewezen. Het streven diende gericht te zijn op wederzijdsee gecontroleerde ontwapening. De PvdA wilde met kracht maatregelen steunen diee algehele ontwapening naderbij kon brengen. Om dit partijstandpunt verder vorm tee geven werd er op het partijcongres wederom een commissie in het leven geroepen omm het Partijbestuur te adviseren. De nieuwe commissie kreeg als taak de vraagstukkenn inzake vrede en ontwapening te bestuderen. De verschillende mogelijkheden en facettenn van ontwapening werden door deze commissie onder de loep genomen en monddee uit in een aantal aanbevelingen. Dee meeste aandacht in de periode 1963-1965 zou echter uitgaan naar de crisis in de NAVOO en het vraagstuk van de zeggenschap over het inzetten van atoomwapens door hett bondgenootschap. Begin jaren zestig leek de NAVO steeds meer verdeeld te raken. Frankrijkk weigerde nog langer de nucleaire hegemonie van de vs te accepteren en werktee onder leiding van De Gaulle verder aan een eigen nationale atoommacht. De bondgenoten,, niet in de laatste plaats Nederland, zagen dit met lede ogen aan. Zij toondenn zich vooral verontrust toen een Frans-Duits verdrag ook in een nucleaire samenwerkingg dreigde uit te monden. Om deze ontwikkelingen te bezweren werden err verschillende plannen uitgedacht om de zeggenschap over atoomwapens in de NAVOO te herzien. De discussie zou zich uiteindelijk toespitsen op het Amerikaanse plann voor een Multi Lateral Force (MLF). Dit plan behelsde de vorming van een multilateralee vloot met kernwapens aan boord. De PvdA stond over het algemeen afwijzendd tegenover het plan. Toen de Europese dimensie van de MLF een rol ging spelen,, laaide de discussie in de PvdA echter op. De meer Europees georiënteerde partijgenotenn zagen toch ook wel voordelen in het voorstel van de vs. Het debat binnen de partijj draaide om de vraag of de MLF een onschuldige stimulans voor de Europese

94 4

TUSSENN W E N S EN WERKELIJKHEID

eenwordingg of een gevaarlijke opmaat van een onafhankelijke Europese kernmacht vormde. . Allerleii internationale ontwikkelingen dwongen de PvdA haar eerder geformuleerdee standpunten in praktijk te toetsen. De 'strijd tegen de atoomanarchie' kon in dezee periode in concreto worden gevoerd. Door het afwijzen van de MLF poogde de partijj de vorming van een Europese kernmacht tegen te gaan en het 'aantal vingers aan dee atoomtrekker' zo beperkt mogelijk te houden. Met de commissie Vrede en ontwapeningning werd er door de partij tevens getracht het standpunt van wederzijdse ontwapeningg om te zetten in een praktisch politiek program. Op een ander terrein diende de partijj eveneens stelling te nemen. De Amerikaanse militaire interventie in Vietnam dwongg de PvdA haar positie te bepalen tegenover haar belangrijkste bondgenoot, de vs.. De PvdA kreeg zo de gelegenheid of werd gedwongen haar vredespolitiek concreet vormm te geven.

Dee commissie Vrede en ontwapening Inn het eerste hoofdstuk is er reeds op gewezen dat de verontrusting over de atoombewapeningg een internationaal fenomeen was. In Nederland was er vanaf 1957 de PSP en inn i960 volgdee de oprichting van het door de PSP ondersteunde 'Comité voor de Vrede'.. Een jaar later werd door Roel van Duyn de 'Ban de Bomgroep' opgericht.1 Het vraagstukk van de atoombewapening was ook in verschillende kerken onderwerp van gesprek.. De PvdA volgde — als doorbraakpartij - de ontwikkelingen in de verschillendee geloofsgemeenschappen op de voet. Met name de Protestants-Christelijke en de Katholiekee werkgemeenschap binnen de PvdA toonden grote belangstelling voor deze discussiee in de kerken en leverden door de diverse personele verbindingen daar zelf ookk een bijdrage aan. Het debat in de Hervormde Kerk leidde eind 1962 tot een Synodaall rapport, dat nogal wat commotie veroorzaakte. In het rapport werd een 'radicaal neenn tegen de kernwapenen' uitgesproken. Kernwapens hadden zo'n verschrikkelijke vernietigingskrachtt dat zij nooit ingezet konden worden. De vergaande conclusie die dee Synode hieruit trok, luidde dat ook het bezit van kernwapens verworpen moest worden.3 3 Patijnn verdedigde het PvdA-standpunt (van wederzijds gecontroleerde ontwapening)) tegenover de conclusies van de Synode. Hij gebruikte daarvoor een beproefde argumentatie:: ethische getuigenissen waren natuurlijk belangrijk, maar niet erg bruikbaarr in de politiek. Patijn constateerde dat de Synode weliswaar de atoombewapening opp ethische gronden verwierp, maar geen concrete weg naar de vrede had geformuleerd.. Het uitgangspunt moest zijn dat het bestaan van atoomwapens niet ongedaan konn worden gemaakt. Het ging er dus om vormen te vinden om vreedzaam met de atoombewapeningg te leven. Voor een realistische vredespolitiek diende men uit te gaann van het machtsevenwicht. Wederzijdse gecontroleerde ontwapening was de

DEE STRIJD TEGEN DE A T O O M AN A RCH I E

95 5

enigee politieke weg om de wereldvrede dichterbij te brengen. Of in de woorden van Patijn:: 'de weg naar de duurzame vrede moet eerst het station van een ontwapeningsovereenkomstt tussen de beide machtsblokken passeren'. Dit was echter nog een lange wegg en vooralsnog bleef de NAVO, inclusief de atoombewapening, onmisbaar.4 Niett alleen in de Hervormde Kerk, maar ook in de katholieke kerk werd er over hett gevaar van de bom gepraat. In 1963 bepleitte de paus in zijn encycliek Pacem in TerrisTerris een ernstige bezinning op de wapenwedloop. Gezien de gevaren van de voortgaandee atoombewapening was het volgens de kerkelijk leider nodig om tot internationaall overleg over wederzijdse ontwapening te komen. De katholieke vredesbeweging Paxx Christi nam de oproep van de paus zeer serieus en stelde een zware commissie in omm na te denken over de nieuwe grondslagen. De commissie stond onder leiding van politiekee kopstukken als Marga Klompé en Geert Ruygers. De commissie kwam uiteindelijkk na twee jaar met een rapport, dat niet veel afweek van de lijn die Ruygers in dee PvdA voorstond. De vredesbeweging kon volgens het rapport Met Pacem in Terris OnderwegOnderweg niet volstaan met ethische getuigenissen. Een diepgaande dialoog tussen Oostt en West was noodzakelijk om tot een 'nieuwe wereldorde' te komen. Het rapportt bepleitte wetenschappelijk onderzoek en mobilisatie van de publieke opinie om ditt gesprek op gang te brengen.5 Binnenn de PvdA duurde het gesprek over atoombewapening ook na het partijcongress van 1963 voort. Het Partijbestuur wilde het ontwapeningsstreven niet naar de achtergrondd laten verdwijnen en riep daarom wederom een commissie in het leven die 'dee vraagstukken van vrede en ontwapening' moest bestuderen. De commissie kon adviezenn uitbrengen of voorstellen uitwerken om het standpunt van wederzijdse gecontroleerdee ontwapening 'nader te omlijnen'. De commissie stond wederom onder voorzitterschapp van Geert Ruygers, maar was veel minder omvangrijk dan de voorafgaande.. Wel waren de atoompacifisten weer vertegenwoordigd. Zij konden door middell van commissielid Koopman hun stem laten horen. Datt het Partijbestuur weer voor een dergelijke opzet koos, wekt geen verwondering.. De ervaringen met de commissie Oorlog en vrede in het atoomtijdperk waren immerss positief. De regie van het debat kon zo strak in handen worden gehouden, terwijll de atoompacifisten toch de kans kregen hun zegje binnen de partij te doen. Het Partijbestuurr was er ook nu veel aan gelegen om het door het congres aangenomen standpuntt niet in de waagschaal te stellen. Om niet in de oude discussie te vervallen, diendee de commissie haar taak daarom te verrichten op grondslag van de door het congress aangenomen resolutie, die een afwijzing inhield van eenzijdige nationale ontwapening.. Alleen 'de facetten van alzijdige wederzijdse ontwapening konden onderwerpp van gesprek zijn'.7 Naar buiten toe kon het imago van de PvdA als Vredespartij' ookk weer wat worden opgepoetst met de commissie, zonder daarbij te ver uit de pas te lopenn bij de confessionele partijen. Ruygers meende dan ook dat voor het 'gezicht van dee partij' verstandig zou zijn het standpunt van wederzijdse ontwapening verder inhoudd te geven.

96

6

TUSSENN WENS EN WERKELIJKHEID

Eenn van de onderwerpen waaraan de nieuwe commissie niet voorbij kon gaan, was hethet Rapackiplan.9 Op het partijcongres van 1963 had de linkse socialist Theo van Tijn namenss de afdeling Watergraafsmeer het Rapackiplan nog eens onder de aandacht gebracht.. In de discussie over atoombewapening binnen de partij was er te weinig aandachtt besteed aan dit plan, meende hij. De PvdA zou er ten minste naar moeten strevenn om het Rapackiplan op de agenda van de besprekingen tussen Oost en West te krijgen.. Heinz Neudecker, een geestverwant van Van Tijn, steunde dit streven, omdat hethet Poolse plan in zijn ogen een ferme stap op weg naar vrede in Europa betekende. Dee verwijdering van atoomwapens zou voor eens en voor altijd het gevaar wegnemen vann een oorlog, veroorzaakt 'door toeval of een ongeluk'. Tevens zou het oorlogsgevaarr ten gevolge van 'politieke geschillen, overdreven en verscherpt door strategische overwegingen'' worden verminderd. Het plan zou immers ontspanning teweeg brengenn en een stuk wederzijds vertrouwen scheppen.'0 De tegenwerping dat een atoomvrijee zone in Midden-Europa een verstoring van het machtsevenwicht betekende, achttee Neudecker ongegrond. De bestaande krachtsverhoudingen werden niet door ditt plan aangetast. Alle reden dus voor de nieuw gevormde commissie om het Rapackiplann serieus te bestuderen. Ruygerss wees de bespreking van het Rapackiplan op het congres van de hand. Volgenss hem diende het congres zich uit te spreken over het al dan niet eenzijdig ontwapenenn en niet over het Rapackiplan. De congresgangers beschikten daarbij ook niet over dee (nieuwste) tekst van het Rapackiplan, dus het zou niet op een goede manier besprokenn kunnen worden. Door op het congres al in te stemmen met het Rapackiplan werd err bovendien op de zaken vooruit gelopen; de nieuwe commissie moest zich nog over hett onderwerp van een gedemilitariseerde zone buigen." Deze wat formele afwijzing vann een discussie op het congres leek voornamelijk bedoeld om de Partijresolutie van In dienstdienst van de vrede ongeschonden door het congres te loodsen. In de nieuwe commissie konn men echter niet om het onderwerp heen, begreep ook Van der Stoel.'1 Ditt betekende echter niet dat Van der Stoel enthousiast was over het Rapackiplan. Tenn tijde van de lange Berlijnse crisis had hij zijn bezwaren tegen het Rapackiplan al eenss op een rijtje gezet en hij herhaalde deze nog eens. Een gedemilitariseerde zone in Midden-Europaa had weliswaar als voordeel dat Duitsland geen beschikking kreeg overr atoomwapens, maar er waren betere wegen dan het Rapackiplan om dit te voorkomen.. Aan het plan kleefden namelijk een aantal grote bezwaren. Het belangrijkste bezwaarr was dat een atoomvrije zone in Midden-Europa wel degelijk een ernstige verstoringg van de bestaande krachtsverhoudingen betekende. De tactische atoomwapens inn Europa waren helaas onontbeerlijk om het Russische conventionele overwicht te compenseren.. Werd het Rapackiplan een feit, dan zouden de tactische kernwapens bovendienn in de dichtbevolkte gebieden van de Benelux en Noord-Italië worden gestationeerd.. Veel ernstiger was dat de Amerikanen zich dan uit Europa zouden terugtrekken.. De vs zouden het onverantwoord vinden hun troepen in Europa te legeren,, terwijl zij beroofd waren van hun voornaamste afweerkracht. Dit betekende

DEE STRIJD TEGEN DE ATOOM AN ARC H I E

97 97

datt De Gaulle zijn zin kreeg, maar de andere bondgenoten in de aap waren gelogeerd, alduss Van der Stoel.1'

Vierr stemmen over ontwapening Dee commissie trachtte ondertussen het ontwapeningsstreven zo concreet mogelijk vormm te geven, zonder daarbij de realiteit van de internationale machtsverhoudingen uitt het oog te verliezen. Om de discussie vorm te geven werd er een brochure geschreven,, getiteld Vier stemmen over ontwapening. Het betrof persoonlijke bijdragen waarin dee auteurs zich verdiepten in een aspect van ontwapening. Op deze wijze hoopte de commissiee een constructieve bijdrage te leveren aan de oplossing van het vraagstuk vann ontwapening. Van der Stoel, Röling, Koopman en Ruygers hadden zich bereid verklaardd deze taak op zich te nemen. Vann der Stoel ging nader in op de verschillende maatregelen die voorhanden warenn om het oorlogsgevaar te verminderen. Het meest effectieve middel was natuurlijkk algehele wederzijdse ontwapening en vervanging van de nationale militaire machtenn door een internationale politiemacht. Dit was op korte termijn echter niet haalbaarr en de wereld was gedoemd voorlopig te leven onder de dreiging van 'het nucleaire zwaardd van Damocles'.'4 Zolang algehele ontwapening nog niet haalbaar was, diende menn een actieve vredespolitiek te voeren die andere maatregelen uitdacht ter verminderingg van het oorlogsgevaar. Er waren wel maatregelen te bedenken die haalbaar waren,, volgens Van der Stoel. Een eerste maatregel was het instellen van een wederzijdss waarschuwingssysteem. De Cubacrisis had aangetoond dat het oorlogsgevaar doorr een verkeerde taxatie van eikaars bedoelingen geenszins was verdwenen. Beide machtsblokkenn zouden elkaar op de hoogte moeten houden van wat men als essentiële veiligheidsbelangenn beschouwde. Topconferenties konden zo, zelfs als overeenstemmingg uitbleef, toch heel nuttig zijn. Een tweede maatregel was het voorkomen van menselijkee of mechanische fouten. Van der Stoel constateerde dat er binnen de NAVO all veel gedaan werd om dergelijke missers niet op een oorlog uit te laten lopen. Een noodlottigee fout leek dan ook onwaarschijnlijk, maar de maatregelen zouden verder geperfectioneerdd kunnen worden. Een derde aspect ter indamming van het oorlogsgevaarr was een verbod op het gebruik van de ruimte voor militaire doelen. Zowel de suu als de vs zouden op korte termijn in staat zijn raketten vanuit de ruimte af te vuren. Hett was van het grootste belang dat een dergelijke ontwikkeling werd voorkomen.'5 Bovengenoemdee maatregelen gingen uit van een conflict tussen de vs en de su. Helaass was de situatie gecompliceerder. Engeland beschikte ook over kernwapens en Frankrijkk was hard op weg eveneens een nucleaire mogendheid te worden. Uitbreidingg van het aantal nationale atoommachten beschouwde Van der Stoel als het grootstee gevaar dat de wereldvrede bedreigde. Daarom was het nodig dat er een akkoord overr de stopzetting van kernproeven werd bereikt. Tot zijn vreugde constateerde hij

98

8

TUSSENN W E N S EN WERKELIJKHEID

datt er een overeenkomst op het verbod van bovengrondse kernproeven op stapel stond.. Stopzetting van de atoomproeven alleen vormde echter geen garantie voor de verderee verspreiding van kernwapens. De distributie van splijtbaar materiaal zou daarvoorr ook aan banden moeten worden gelegd. Atoomvrije zones in Afrika en LatijnsAmerikaa verdienden ook aanbeveling. De NAVO kon tevens een bijdrage leveren. De bondgenotenn moesten hun steun weigeren aan de opbouw van een nationale Franse kernmachtt en de Duitse nucleaire aspiraties krachtig bestrijden.'6 Ruygerss bouwde in zijn betoog voort op het stuk van Van der Stoel. Hij onderstreeptee nog eens de noodzaak om tot ontwapening te komen, maar benadrukte eveneenss dat dit een lange en moeizame weg zou zijn. De wereld werd immers niet van de enee op de andere dag wakker in een ontwapende wereld. In navolging van Van der Stoell achtte Ruygers het 'verder afglijden naar de atoomanarchie' de kern van de zaak. Hett grootste gevaar voor de wereld was de ontwikkeling naar een 'multinucleaire wereld'.. Hij had weinig toe te voegen aan de maatregelen die Van der Stoel genoemd hadd om de internationale ontspanning dichterbij konden brengen. Net als Patijn eerderr had betoogd, meende Ruygers wel dat het belangrijk was dat de NAVO afstapte van dee doctrine van de massale vergelding. Door de eenzijdige concentratie op atoomwapenss bestond slechts de keuze tussen 'alles of niets en liet men geen ruimte voor meer verantwoordee beslissingen'. Het zou tevens algehele atoomontwapening moeilijker maken.. Bovengenoemde maatregelen waren een eerste aanzet om de internationale ontspanningg dichterbij te brengen, maar zouden nog veel overleg vergen. Ruygers hooptee dat de internationale gemeenschap een zinvolle discussie over ontwapening zouu voeren, waarbij van de sociaal-democratie zeker een grote bijdrage verwacht mochtt worden.'7 Rölingss bijdrage was heel anders van toon. Hij ging in op de Pugwash-beweging. Rölingg zag voor dit gezelschap van wetenschappers een mooie taak weggelegd. Wetenschapperss zouden door allerlei contacten een beter begrip kunnen kweken voor de wederzijdsee standpunten. Door voorlichting zou de bevolking, maar vooral de regeringen,, het gevaar waarin de wereld verkeerde beter beseffen. Daarnaast konden de wetenschapperss door middel van onderzoek tevens middelen aanreiken om tot een veiligeree wereld te komen. Het ging hierbij niet alleen om wetenschappers uit de exactee hoek. De inbreng van economen, sociologen, juristen en politicologen was eveneenss dringend gewenst. Het ging immers niet alleen om technische problemen, maarr ook om geestelijke problemen. 'De aard van de wapenen der massale verdelging heeftt zijn werking op de mentaliteit, op de menselijke verhoudingen .... atoomwapenss bezoedelen wie er mee omgaan', meende Röling.'8 Hij spreidde hier een voor diee tijd kenmerkend geloof in de wetenschappelijk expertise ten toon en leek dientengevolgee de invloed van de Pugwash-beweging te overschatten. Dat deze gedachte niet vann voorbijgaande aard was bleek begin jaren zeventig. Röling richtte toen een Polemologischh Instituut op, om de vraagstukken van oorlog en vrede op wetenschappelijkee wijze te bestuderen.

DEE S T R I J D T E G E N DE A T O O M AN ARC H I E

99 99

Conformm de commissieopdracht kon Koopman niet zijn stokpaardje van eenzijdigee ontwapening berijden. Nu hij dit standpunt niet kon verdedigen, stelde hij zich tott taak de mythe te ontkrachten, dat algehele ontwapening tot een zware economischee crisis zou leiden. Ontwapening zou volgens hem in het geheel geen economische crisiss veroorzaken, integendeel. Een substantiële vermindering van de uitgaven aan bewapeningg zou juist de economische groei kunnen stimuleren. Natuurlijk zouden er inn de overgangstijd problemen kunnen ontstaan, maar deze mochten bepaald niet wordenn overschat. Met de financiële middelen die vrijkwamen zou, na die overgangstijd,, de economie gestimuleerd kunnen worden. Het geld kon dan worden besteed aann de vergroting van de particuliere consumptie, investeringen in de productieve sectorr (woningbouw, etc), bestedingen in de sociale en culturele sector (uitbreiding onderwijs,, gezondheidszorg, etc) en een grotere hulp aan ontwikkelingslanden. De socialee gevolgen van ontwapening waren dus louter positief. Aan de ene kant zou het vrijgekomenn geld een impuls kunnen geven aan allerlei sociale voorzieningen en aan dee andere kant verdwenen de schadelijke sociale gevolgen van bewapening. Zo ging onderr meer 'een overmatig deel van de beste wetenschappelijke kennis verloren aan geheimee militaire arbeid'. De eindconclusie luidde dan ook dat er nauwelijks economischee of sociale obstakels waren om tot ontwapening te komen. De droom van de mensheidd om 'de zwaarden om te smeden tot sikkels' zou daarom in daden kunnen wordenn omgezet.'9

Strijdd tegen de atoomanarchie Dee opvattingen die Van der Stoel en Ruygers in hun betoog hadden verwoord, kwamenn ook terug in het advies van de commissie aan het Partijbestuur. In januari 1964 zagg het rapport Strijd tegen de atoomanarchie het licht, dat de eenstemmige opvatting vann de gehele commissie verwoordde. In het rapport stonden een aantal aanbevelingenn om een begin te maken met de lange weg van ontwapening. Het eerste punt dat dee commissie onder de aandacht wilde brengen was 'de onvoldoende bewerktuiging vann de Nederlandse overheid tot een doelmatige en adequate bestudering van de vraagstukkenn van vrede en ontwapening'. Weliswaar had de minister van Buitenlandsee Zaken Luns de instelling van een adviescommissie voor ontwapeningsvraagstukkenn aangekondigd, maar een grotere belangstelling van de kant van de overheid voorr ontwapeningsvraagstukken was dringend gewenst.10 Hett belangrijkste gevaar dat de commissie zag, was de 'verdere uitzaaiing van atoomwapenss over de wereld'. Non-proliferatie was hard nodig om de kans op een atoomoorlogg zo klein mogelijk en de kans op een alles omvattende ontwapeningsovereenkomstt zo groot mogelijk te houden. Met vreugde had de commissie kennis genomenn van het kernstopverdrag van augustus 1963 te Moskou, al bleven er nog wensen bestaan.. Het verdrag bevatte immers geen controle- en inspectiemogelijkheden en

100 0

TUSSENN WENS EN WERKELIJKHEID

ookk niet alle mogelijke atoommogendheden (Frankrijk, China en Cuba) waren bereid hett verdrag te ondertekenen. Bovendien sloot het kernstopverdrag geen ondergrondse kernproevenn uit en was er ook geen clausule opgenomen om wapenleveranties of technischee inlichtingen tegen te gaan. Het kernstopverdrag was derhalve een goed begin, maarr helaas het halve werk.2' Dee zaak van de vrede zou gediend zijn bij het stabiliseren van de nucleaire verhoudingen,, vooral in Europa. Om dit te realiseren moest een Europese kernmacht wordenn afgewezen. De idee van de Europese eenheid zou door een kernmacht 'op ontoelaatbaree wijze worden vertroebeld'. Tevens zouden er in Midden-Europa geen nieuwee atoomwapens geïntroduceerd mogen worden en de in dit gebied liggende landenn zouden zich moeten verbinden zelf geen atoomwapens te vervaardigen. Het Rapackiplan,, waarin voor een atoomvrije zone in Midden-Europa werd gepleit, werd doorr de commissie afgewezen. Het plan zou een onaanvaardbare verstoring van het machtsevenwichtt tot gevolg hebben. Het was voor het Westen wel zaak dergelijke voorstellenn niet louter negatief te benaderen, maar zelf ook met constructieve tegenvoorstellenn te komen. Een geografisch minder omvangrijke zone zou bijvoorbeeld een belangrijkee verbetering kunnen zijn." Hett afsluiten van een non-agressieverdrag tussen de NAVO en het Warschaupact zouu tevens een stap in de richting van ontspanning kunnen zijn. In een dergelijke overeenkomstt diende wel de positie van West-Berlijn en de toegangswegen tot deze stadd als onschendbaar te worden gegarandeerd. Een laatste aanbeveling betrof een akkoordd tussen de beide machtsblokken ter voorkoming van een verrassingsaanval (mett conventionele strijdkrachten). Om dit te effectueren zouden beide machtsblokkenn het recht op waarnemers op vliegvelden en in havens moeten krijgen.2' Dee commissie had haar best gedaan een zo concreet politiek programma voor ontwapeningg uit te werken. Uitgangspunt van de commissie was geweest, rekening te houdenn met de tealiteit van de internationale machtsverhoudingen bij de bespreking vann het vraagstuk van ontwapening. Een tweede uitgangspunt betrof het besef dat geenn van de betrokken partijen gedurende het ontwapeningsproces eenzijdig verzwakt zouu mogen worden. Dit sloot naadloos aan bij de opdracht om het ontwapeningsvraagstukk te bekijken vanuit de afwijzing van eenzijdige ontwapening. Door oog te houdenn voor de realiteit van de internationale politiek moest een bruikbaar politiek programmaa ontstaan. De atoompacifisten konden zich ook in deze voorstellen vinden,, al wilden zij liever voorstellen formuleren die verder gingen dan die van de commissie.. De beperking van het afwijzen van eenzijdige ontwapening verhinderde dat. Zoo slaagde de partij erin de atoompacifisten min of meer pro forma mee te laten praten.. De weg naar een nieuwe discussie over eenzijdige ontwapening was zorgvuldig afgesloten. . Jaapp Burger kon weinig waardering opbrengen voor het werk van de commissie. Volgenss hem 'marcheerden in het PvdA-rapport een handvol desiderata, zoals internationalee controle, een verdrag tegen verrassingsaanvallen en bevriezing van de bestaan-

DEE S T R I J D T E G E N DE A T O O M A N ARC H I E

101 1

dee nucleaire bewapening in Midden-Europa'. Het probleem was, dat dit op weinig overtuigendee wijze gebeurde. Hij meende dat de PvdA de zaken ernstig gesimplificeerdd had, anders waren de voorstellen van de PvdA toch allang gerealiseerd?24 In een reactiee stelden Van der Stoel en Ruygers vast dat Burger nergens hard kon maken dat dee commissie de zaken had gesimplificeerd. Verschillende gerenommeerde buitenlandsee bladen en vooraanstaande buitenlandse politici werden geciteerd om het tegendeell van Burgers stelling te bewijzen. Beiden vonden het teleurstellend dat Burger zonderr degelijke onderbouwing het werk van de commissie verwierp.1' Dat Burger het werkk van de commissie afwees, had vooral te maken met het verschil van inzicht tussenn hem en Van der Stoel cum suis over een multilaterale kernmacht. Nagenoegg tegelijkertijd verscheen er ook een regeringsnota over ontwapening. Toenn deze nota in de Kamer aan de orde kwam, voerde Ruygers het woord. Zijn kritiekk betrof het feit dat in de nota wel een aantal standpunten was geformuleerd, maar datt dit niet in beleidsvoornemens werd omgezet. Om het ontwapeningsstandpunt vasterr in het beleid te verankeren, deed Ruygers een aantal suggesties waarin duidelijk hett PvdA-rapport doorklonk. In de eerste plaats diende de behartiging van het vraagstukk een duidelijkere plaats op het ministerie van Buitenlandse Zaken te krijgen en wass een betere afstemming met het ministerie van Defensie noodzakelijk. Het tweede puntt betrof het feit dat minister Luns wel de toezegging had gedaan om een adviescommissiee voor ontwapeningsvraagstukken in te stellen, maar in de nota was hier nietsniets meer over terug te vinden. Ten slotte hoopte Ruygers dat de regering hetzij zelf, hetzijj door financiële steun het wetenschappelijk onderzoek naar vraagstukken inzake vredee en ontwapening wilde stimuleren. Meer inhoudelijk was Ruygers van mening datt een aantal standpunten te negatief was geformuleerd. De regering kon niet alleen volstaann met de verwerping van het Rapackiplan en een niet-aanvalsverdrag. De regeringg zou de mogelijkheden moeten aftasten voor plannen die wel haalbaar waren.16 Partijgenoott Franssen greep de regeringsnota aan om een heel ander geluid te laten horen.. Bevrijd van de strikte opdracht van de PvdA-commissie voerde hij in de Kamer eenn pleidooi voor eenzijdige ontwapening. Volgens hem was eenzijdige ontwapening geenn zaak van goedkoop het eigen hachje redden, maar de beste manier om de wereldvredee te dienen. De geografische ligging van Nederland rechtvaardigde zo'n beslissing.. Nederland zou best tot eenzijdige ontwapening kunnen overgaan en de vrijgekomenn gelden besteden aan ontwikkelingshulp of aan een vredeskorps. Als enig overgeblevenn atoompacifist van de fractie kreeg Franssen in de Kamer de vrijheid om een afwijkendd standpunt te vertolken.17 Vanaf begin jaren zestig hadden de atoompacifistenn die ruimte gekregen en was het hen tevens toegestaan om tegen onderdelen van de defensiebegrotingg te stemmen. De partijleiding kon zich gezien de marginale positie vann de atoompacifisten een dergelijk geluid permitteren. Bovendien was zo'n tegenstemm een welkom geluid tegenover de PSP. Door de regie van het debat over ontwapeningg in de eigen partij strak in handen te houden en de eenzame positie van Franssen konn de partij weinig averij oplopen.

102 2

TUSSENN W E N S EN WERKELIJKHEID

Dee commissie Vrede en ontwapening werd na het advies aan het Partijbestuur niet ontbonden,, al kwam de commissie nog slechts incidenteel bijeen. De resterende vergaderingenn werden gewijd aan de VN. Dit zou wederom uitmonden in een advies aan hett Partijbestuur. Voor het partijcongres van maart 1965 werd nader ingegaan op de VNN als instrument tot handhaving van de vrede. De commissie constateerde dat de VN nogg niet bij machte waren om een mondiale rechtsorde te handhaven. Op het functionerenn van de organisatie was de nodige kritiek mogelijk. Grote verdeeldheid en het oneigenlijkk gebruik van veto's hadden een efficiënte werkwijze vaak belemmerd. Toch achttee de commissie het wenselijk dat de tekortkomingen overwonnen werden. Door 'hett samengroeien van de wereld' was een mondiale organisatie vereist. Daarbij was eenn VN-vredesmacht vaak het enige middel om een confrontatie tussen Oost en West inn conflictgebieden tegen te gaan en vormde de VN het enige orgaan waar alle landen mett elkaar konden overleggen. Al met al genoeg redenen om de wereldwijde samenwerkingg in de VN te steunen.1 Inn een paar jaar tijd had de commissie Vrede en ontwapeninghaar licht laten schijnenn op twee hoofdpunten van de buitenlandse politiek van de PvdA: het verzekeren vann de wereldvrede en het opbouwen van een internationale rechtsorde. Voor het realiserenn van deze idealen bleef de weerbarstige realiteit van de internationale politiek hethet uitgangspunt. 'Haalbare kaart' stond hoog in het vaandel. Het derde kernpunt van dee socialistische vredespolitiek, het realiseren van de vrijheid voor alle volkeren, bleef onbesproken.. Pas in 1973, toen Van der Stoel de mensenrechten in het buitenlands beleidd verankerde, leek de partij een thema in handen te hebben om ook op dit terrein dee smalle marges van de buitenlandse politiek iets op te rekken. Dee discussie over ontwapening in de PvdA werd sinds 1963 overschaduwd door hethet debat over de crisis in de NAVO. De wens van de grote Europese bondgenoten een meerr autonome rol te kunnen spelen, mondde uit in een debat over de zeggenschap overr kernwapens in de NAVO. Verschillende plannen om een gezamenlijke kernmacht opp te bouwen werden ontwikkeld. Uiteindelijk zou de discussie zich echter toespitsen opp het Amerikaanse voorstel voor een multilaterale kernmacht.

Dee MLF en de crisis in de NAVO

Naa de oprichting van de NAVO in 1949 had in de jaren vijftig de militaire aaneensluitingg in Atlantisch verband verder zijn beslag gekregen. Conform de Nederlandse wensenn was de Bondsrepubliek in het Atlantisch kader opgenomen en in het daarvoor afgeslotenn Verdrag van Parijs (oktober 1954) was tevens een reeks maatregelen opgenomen,, die de groei van de West-Duitse militaire macht en wapenindustrie aan bandenn moest leggen. Nederland was een groot voorstander van de versteviging en uitwerkingg van de Atlantische militaire samenwerking. Geheel in deze lijn accepteerde dee Nederlandse regering dan ook de stationering van kernwapens op Nederlandse

DEE S T R I J D T E G E N DE A T O O M A N AR C H I E

Huubb Franssen, datum onbekend (Collectiee iiSG, Amsterdam)

103 3

104 4

TUSSENN W E N S EN WERKELIJKHEID

bodem.. De NAVO-raad van december 1957 keurde de stationering van Amerikaanse kernwapenss in West-Europa formeel goed en in mei 1958 werd daartoe een verdrag mett de vs ondertekend. Mett het besluit tot plaatsing van Amerikaanse kernladingen op West-Europees grondgebiedd was echter het probleem van de beschikkingsbevoegdheid over kernwapenss niet van de baan. Immers, in de bilaterale overeenkomsten was de beslissing over hett gebruik van kernladingen aan de Amerikaanse president voorbehouden. Aan het loslatenn van het Amerikaanse veto zaten verschillende haken en ogen. Zo zou de vormingg van nationale atoommachten door de Europese partners inhouden dat ook West-Duitslandd over een eigen nucleaire macht kon beschikken. Met name in Engelandd en Frankrijk bestond eind jaren vijftig voor deze optie bitter weinig belangstelling.. Een andere mogelijkheid was het opbouwen van een meer gecentraliseerde atoommachtt in NAVO-verband. Bij een dergelijke constructie was het de vraag wie er uiteindelijkk over de inzet van kernwapens zou beslissen. Want als de Europese nationalee regeringen of de vs geen zeggenschap hadden over de atoommacht, wie dan wel? Dee West-Europese landen waren niet genegen de zeggenschap over te dragen aan een internationaall comité of een hoge militair. Kortom, eindjaren vijftig waren er vooralsnogg geen opties voorhanden om de nucleaire zeggenschap op een bevredigende manierr te regelen zonder dat de Bondsrepubliek autonoom over de inzet van atoomwapenss kon beslissen/ 9 Hoewell het probleem vooralsnog onoplosbaar leek, werd de kwestie van meer directee zeggenschap over nucleaire wapens voor de West-Europese landen steeds actueler.. Eind jaren vijftig openbaarden zich binnen de NAVO divergerende tendensen, zozeerr dat er met enige regelmaat van crisis in de NAVO werd gesproken. De wederopbouww van West-Europa was eind jaren vijftig voltooid, economisch ging het voor de windd en de Europese integratie kreeg ook steeds duidelijker vorm. Tegen deze achtergrondd begonnen de grote West-Europese landen een meer zelfstandige positie ten opzichtee van de vs te ambiëren, ook op militair gebied. Nadat de betekenis van het kernwapenn in de Amerikaanse defensiestrategie vanaf 1953 in betekenis toenam, ontstond ookk in Europa de wens om op enigerlei wijze over atoomwapens te kunnen beschikken.'00 Temeer daar er door de opkomst van de su als kernmacht bij sommigen twijfel wass ontstaan over de 'hardheid' van de Amerikaanse nucleaire garantie voor WestEuropa.. Met name Frankrijk wenste de Amerikaanse hegemonie niet meer te accepterenn en begon midden jaren vijftig, in navolging van de Britten, met de opbouw van een nationalee kernmacht. Tevens had De Gaulle na zijn aantreden als president in 1958 de regeringg in Washington het voorstel gedaan om de NAVO voortaan te laten leiden door eenn driemanschap: de vs, Groot-Brittannië en Frankrijk. Voor de Bondsrepubliek was dee aanmaak en het bezit van kernwapens krachtens het Verdrag van Parijs uit 1954 verboden.. Gezien de positie van de Bondsrepubliek op het breukvlak van Oost en West, trachttee men in West-Duitsland wel, vooral bij monde van minister van Defensie F.J.. Strauss, meer invloed te verwerven inzake de planning en inzet van kernwapens."

DEE S T R I J D T E G E N DE A T O O M A N ARC H I E

105 5

Nederlandd zag deze ontwikkelingen binnen de NAVO met lede ogen aan. De nucleairee garantie van de vs vormde een belangrijk onderdeel van het Nederlandse veiligheidsbeleid.. Als klein land ambieerde Nederland geen eigen nationale kernmachtt en was het van mening dat andere West-Europese landen dit eveneens achterwegee dienden te laten. Met kracht werd er stelling genomen tegen ontwikkelingen diee de Amerikaanse hegemonie zouden kunnen verstoren en Nederland toonde zich medee om die reden een warm voorstander van het tegengaan van de verdere verspreidingg van kernwapens (non-proliferatie). D. Hellema heeft erop gewezen dat de Amerikaansee betrokkenheid bij West-Europa niet alleen de beste waarborg was tegen de Sovjetdreiging,, maar dat die betrokkenheid tevens het beste de Nederlandse belangenn binnen de Westerse wereld diende, met name tegenover Frankrijk en de Bondsrepubliek.. Het ging Nederland niet alleen om het neutraliseren van Duitsland, maarr zeker ook van Frankrijk.32 Politieke toenadering tussen deze landen werd dan ookk met wantrouwen gade geslagen. De mogelijke nucleaire samenwerking tussen Frankrijkk en de Bondsrepubliek, die na een bezoek van Strauss in januari 1957 aan Parijss aanstaande leek, baarde Nederland ernstige zorgen. De Nederlandse voorkeur voorr een eenzijdige Amerikaanse nucleaire garantie leek dan ook in belangrijke mate ingegevenn door de wens de (nucleaire) aspiraties van Frankrijk en Duitsland de kop inn te drukken. Nederlandd was niet het enige land dat zich bezorgd toonde over de Frans-Duitse aspiraties.. De regering-Kennedy toonde zich eveneens een fervent tegenstander van de ontwikkelingvann nationale Europese atoommachten. De vs beschouwden het beheer enn de beschikkingsbevoegdheid over kernwapens binnen de NAVO als een Amerikaansee verantwoordelijkheid. Desalniettemin zagen zij zich door de eerder geschetste ontwikkelingenn gedwongen initiatieven te nemen om de medezeggenschap op het terreinn van de kernwapens te vergroten. Eind 1962 stelde de Amerikaanse opperbevelhebber,, generaal L. Norstadt, voor om de NAVO kernwapens ter beschikking te stellen,, naast het reeds in West-Europa opgeslagen Amerikaanse arsenaal. De Amerikaansee regering was verdeeld over dit plan en het gaf mede daarom aanleiding tot misverstandenn en meningsverschillen bij de bondgenoten. In een poging de Atlantische eenheidd te bevorderen sloten de vs in 1962 een overeenkomst met Groot-Brittannië. Inn deze Nassau-overeenkomst werd vastgelegd dat de vs Polarisraketten aan de Engelsee nucleaire onderzeeboten zou leveren, die tevens als basis zouden moeten fungeren voorr een op te richten multilaterale nucleaire strijdkracht. De vs boden Frankrijk dezelfdee mogelijkheid, maar president De Gaulle wees dit aanbod af omdat hij het als eenn knieval voor de Amerikaanse hegemonie beschouwde. Om de Franse invloed in Europaa zo groot mogelijk te maken sprak De Gaulle zijn veto uit tegen de Britse toetredingg tot de EEG en wendde zich tot de Bondsrepubliek. Deze toenadering mondde inn januari 1963 uit in de ondertekening van het vriendschapsverdrag tussen Frankrijk enn Duitsland. Aan dit £/)tf
io6 6

TUSSENN WENS EN WERKELIJKHEID

Tegenn de achtergrond van de Frans-Duitse toenadering werd in de NAVO-raad van februarii 1963 door de regering-Kennedy het voorstel gedaan om een Multilateral Force (MLF)) op te richten. Deze MLF ZOU bestaan uit 25 oppervlakteschepen met ieder tweehonderdd Polarisraketten aan boord. Deze raketten waren uitgerust met een kernlading.. De bemanning op ieder schip zou minimaal uit drie nationaliteiten moeten bestaann en de vloot zou worden gecontroleerd en gefinancierd door de deelnemendee NAVO-landen. Over de eventuele inzet van kernwapens bij een crisis, zou een klein comitéé van deelnemende landen slechts met eenparigheid van stemmen kunnen beslissen. . D ee voornaamste reden voor het Amerikaanse MLF-voorstel was de nucleaire aspiratiess van de Bondsrepubliek in Europees verband in de kiem te smoren. Daartoe moestt er tegengewicht worden geboden aan de Gaullistische politiek en een FransDuitsee samenwerking op het gebied van kernbewapening worden verhinderd. De Amerikanenn wensten geen nationale atoommachten met een beperkt nucleair vermogenn en drongen er bij de bondgenoten op aan zich meer te concentreren op de conventionelee bewapening. Aan het MLF-plan lag ook nog een andere, militair-strategische overwegingg ten grondslag. Met de ontwikkeling van strategische atoomwapens in de s u ,, meer in het bijzonder de lancering van de Spoetnik, was de kwetsbaarheid van het Amerikaansee arsenaal toegenomen. De vs wilden daarom de diversiteit in de reactiemogelijkhedenn vergroten door onder meer op verschillende plaatsen in Europa kernwapenss te stationeren. In het licht van de bovenstaande ontwikkelingen is het niet verwonderlijkk dat de officiële NAVO-strategie van de massive retaliation inzet van discussie werd.. De nieuwe Amerikaanse minister van Defensie, McNamara, was een voorstanderr van de flexible response. Met deze nieuwe strategie werd de tegenstander in het ongewissee gelaten over de reactie op een aanval, die kon zowel conventioneel als nucleair zijn.. De omarming van deze strategie voedde echter wel de reeds bestaande twijfel overr de bereidheid van de vs om kernwapens in te zetten ter verdediging van WestEuropa. .

Eenn ondeugdelijk lapmiddel Inn de wereldpers en vakliteratuur doken er in die tijd allerlei varianten op van een gezamenlijkee kernmacht. Naast het in de NAVO-raad gelanceerde plan van de Amerikanenn voor een Multilateral Force, circuleerden er ook plannen voor een multinationale,, Europese en NAVO-atoommacht. De defensie-specialist van de fractie, de oud beroepsmilitairr en inmiddels kolonel buiten dienst Wiebe Wierda, constateerde in eenn artikel in het partijblad Paraat dat er internationaal langzamerhand een soort 'atoomchinees'' werd gebezigd en liep de verschillende varianten nog eens af. Een multinationalee kernmacht zou worden gevormd door het samenvoegen van de Franse, Britsee en Amerikaanse nucleaire wapens. Dit zou erop neerkomen dat er 'drie vingers

DEE S T R I J D T E G E N DE A T O O M AN ARC H I E

107 7

aann de atoomtrekker' waren en gezien de aanwezigheid van een 'grillig politiek elementt als de Gaulle', was een dergelijke aanpak militair en politiek ongewenst. Over eenn Europese kernmacht kon hij kort zijn. Dan zou er een 'derde macht' ontstaan beheerstt door de as Frankrijk-Duitsland die niet effectief was, de Amerikaanse troepenn uit Europa zou verdrijven en zodoende het strategisch evenwicht verstoren. Bovendienn werd een mogelijke overeenkomst (over ontwapening) tussen de twee grootmachtenn daarmee geblokkeerd. Een NATO-atoommacht kon in zijn ogen al evenmin genadee vinden. Dit plan zou slechts leiden tot '15 vingers aan de trekker' met een onoplosbaarr vraagstuk van de beslissingsbevoegdheid." Eenn multilaterale kernmacht wees Wierda eveneens af. Hij benadrukte dat er vanuitt strategisch en militair-technisch oogpunt geen enkele reden bestond voor de opbouww van een multilaterale kernmacht. De atoommacht van de vs was zo omvangrijk enn technisch dusdanig toegerust dat er geen militaire noodzaak bestond die uit te breiden.. De plannen en discussie over de multilaterale kernmacht hadden dan ook uitsluitendd een politieke en psychologische achtergrond. Hierbij waren drie punten in het geding.. Ten eerste het gebrek aan vertrouwen in de Amerikaanse bereidheid kernwapenss in te zetten anders dan bij een directe aanval op de vs. Ofwel, 'zal men bereid zijn Chicagoo en meer op te offeren voor Berlijn?' Ten tweede het streven van de regering in Washingtonn om uitbreiding van het aantal nationale atoommachten te voorkomen en tenn slotte de vrees van de Europese landen de 'rol van voetvolk te vervullen', terwijl anderenn met hun atoomcapaciteit een dominerende positie innemen. Een multilateralee kernmacht zou voor deze problemen echter geen oplossing bieden, aangezien de beslissingsbevoegdheidd over kernwapens bij de vs bleef berusten/ Inn de ogen van Wierda was een multilaterale kernmacht dus militair overbodig en boodd het geen oplossing voor de politieke problemen. Bij de behandeling van de begrotingg van Buitenlandse Zaken nam Goedhart eveneens stelling tegen allerlei 'pogingenn om een vernuftige regeling te ontwerpen .. zodat men een NATO-etiket op hett Amerikaanse wapen zou kunnen plakken'. Ook Goedhart meende dat deze plannenn militair volstrekt overbodig waren. De Amerikaanse kernbewapening was ruim voldoendee om Europa te beschermen en er was volgens hem geen enkele aanleiding te veronderstellenn dat Amerika Europa in de steek zou laten. Het Amerikaanse monopoliee in de Westerse wereld was een voldongen feit en Europa deed er goed aan dit te aanvaarden.. Ingewikkelde medezeggenschapsconstructies konden hier niets aan veranderen.. Europa's taak in de gemeenschappelijk verdediging lag niet op het nucleaire vlak,, maar op het terrein van de conventionele bewapening, aldus Goedhart.'7 Vanuitt een andere hoek van de sociaal-democratie werden eveneens de stellingen betrokkenn tegen de verschillende plannen voor een multilaterale atoommacht. In SocialistischSocialistisch Perspectief dt spreekbuis van de ex-SDC-ers, noemde Neudecker de verschillendee plannen voor de NAVO 'onzinnig en gevaarlijk'. In 'deze gehele ingewikkeldee zaak' was hun standpunt van een duidelijke eenvoud. Zij waren voor afschaffing vann de atoombewapening en in afwachting daarvan voor de inkrimping ervan. Hier-

io8 8

TUSSENN W E N S EN WERKELIJKHEID

uitt volgde dat zij tegen alles waren wat er uitbreiding aan zou geven: tegen nieuwe nationalee atoommachten en evenzeer tegen een NAVO-atoommacht, die of zeer kostbaree 'nonsens' was of een brug zou vormen tot uitbreiding van het aantal atoommogendheden.'88 Hij riep de PvdA op stellig te verklaren in geen geval mee te werken aan eenn Nederlandse bijdrage of deelname aan een NAVO-kernmacht. Daarbij zou de PvdAA initiatief moeten nemen voor plannen tot ontspanning in Europa in plaats van plannenn tot het verkrijgen van kernwapens of de zeggenschap erover. Het Rapackiplann en de erkenning van de Oost-Duitse staat waren pas 'politieke antwoorden op de Fransee en West-Duitse atoommaniakken', aldus Neudecker.'9 Opp 9 april 1963 hield fractievoorzitter Anne Vondeling een interpellatie in de Kamer.. De fractieleider wilde van de minister van Buitenlandse Zaken Luns weten watt het standpunt van de Nederlandse regering was over een multinationale, multilaterale,, een Europese of een NAVO-kernmacht en of zij reeds concrete toezeggingen hadd gedaan. Deze interpellatie werd gevoed door de angst dat de regering-De Quay eenn volgend kabinet voor voldongen feiten zou plaatsen. De PvdA wilde erop toezien datdat het kabinet-De Quay 'in haar nadagen' zich niet zou vastleggen op een multilateralee kernmacht.40 Vondeling benadrukte nog eens dat de PvdA van mening was dat hett voor de veiligheid van het vrije Westen militair noch politiek noodzakelijk of gewenstt was, dat de Nederlandse regering steun zou verlenen aan een gezamenlijke kernmacht.. Minister Luns antwoordde dat de regering zich bereid had verklaard de problematiekk te bestuderen, maar dat de opvattingen nog niet waren uitgekristalliseerd.. Hij stelde met nadruk dat de regering zich formeel, noch feitelijk, noch moreel aann een gezamenlijke kernmacht had gebonden.4' De PvdA-fractie toonde zich tevredenn over de antwoorden van Luns. De minister had blijk gegeven van een groot vertrouwenn in de Amerikaanse nucleaire garantie en als het aan de fractie lag, bleef dit ookk zo. De Amerikanen hadden toch 'niet voor de grap meer dan 400.000 man in Europaa staan'.41 Naa de interpellatie Vondeling zou het onderwerp voorlopig van de agenda van de Tweedee Kamer verdwijnen. De PvdA stelde nog wel Kamervragen over de MLF, maar datdat werd door velen afgedaan als verkiezingspropaganda.4' Op internationaal niveau gingg het overleg ondertussen in alle hevigheid voort, waarbij de discussie zich leek te concentrerenn op de MLF en andere plannen voorlopig naar de achtergrond verdwenen.. Het MLF-plan kreeg ook steeds concreter vorm en de Amerikanen oefenden druk uitt op de bondgenoten om aan het project deel te nemen. Dit zou resulteren in voorbereidendee besprekingen over de MLF tussen de Bondsrepubliek, Italië, Griekenland, Turkijee en de vs, die in september 1963 van start gingen.44 Dee Nederlandse regering stond vooralsnog sceptisch tegenover de MLF-plannen.45 Dee minister van Defensie S.H. Visser oordeelde op militair-technische gronden negatieff over het plan. Deze bezwaren hadden vooralsnog de overhand en de regering nam dann ook geen deel aan de voorbereidende besprekingen over de MLF tussen de verschillendee NAVO-partners. Het regeringsstandpunt begon in de zomer langzaam op te

DEE S T R I J D T E G E N DE A T O O M A N AR CH I E

109 9

schuiven.. Ondertussen was het kabinet-Mar ij nen aangetreden met Luns opnieuw als ministervann Buitenlandse Zaken en op defensie P. de Jong. Luns had zich inmiddels achterr het MLF-plan geschaard, maar minister De Jong handhaafde de militaire bezwaren.. De meningsverschillen bleven bestaan en pas na lang aarzelen besloot de regeringg in december 1963 tot het MLF-overleg toe te treden. Bij dit besluit werd wel uitdrukkelijkk vermeld dat het participeren in het overleg geenszins deelname aan de MLF impliceerde.. Tevens maakte de regering in februari 1964 bekend mee te zullen werken aann het experiment van een schip met gemengde bemanning.4 Inmiddelss hadden zich in de Bondsrepubliek enkele belangrijke ontwikkelingen voorgedaann in het kader van de MLF. In het voorjaar van 1963 'corrigeerde' de Duitse Bondsdagg het Elysée-verdrag door het van een pro-Atlantische preambule te voorzien. Belangrijkerr was echter dat in oktober er een wisseling van de wacht in West-Duitslandd plaatsvond. Na de Spiegel-affaire werd de minister van Defensie Strauss op een politiekk zijspoor gerangeerd en in oktober 1963 nam bondskanselier Adenauer ont slag.477 Hij werd vervangen door Erhard, die meer Atlantisch georiënteerd bleek. Bij verschillendee gelegenheden sprak Erhard uit, voor de Europese veiligheid de band met dee vs aanmerkelijk belangrijker te vinden dan de Frans-Duitse samenwerking. Door dezee koerswijziging van de Bondsrepubliek verloor de gevreesde nucleaire samenwerkingg tussen Duitsland en Frankrijk veel van zijn waarde.

Dee MLF in discussie Binnenn de PvdA stond de MLF in 1963 daarna niet hoog meer op de agenda. Wel had dee partij zich in september 1963 op een bijeenkomst van socialistische partijen uit verschillendee NAVO-landen achter een resolutie geschaard die zich keerde tegen de MLF.4 Inn de partij leverde de MLF vooralsnog weinig discussiestof op, maar daar kwam in de loopp der tijd verandering in. Eind 1963, begin 1964 begonnen de voorstanders van de MLFF zich in toenemende mate te roeren. Patijn was één van hen. Hij meende dat de MLFF een reële poging was de Britse en Franse nucleaire politiek te ondermijnen en tegelijkertijdd eventuele Duitse aspiraties de kop in te drukken. Patijn keurde zowel de nationalee atoommachten als een Europese kernmacht af en zag in de MLF juist een pogingg de Europese inbreng - waar zijns inziens niet aan te ontkomen viel - stevig aan dee Amerikaanse zeggenschap te verbinden. Zolang er geen alternatief bestond om de Europesee zeggenschap in enigerlei vorm te regelen, achtte hij het voorstel nuttig genoegg om kritisch te worden gesteund. Van der Goes van Naters verklaarde ook achterr het standpunt van Patijn te staan.49 G.. Benthem van den Bergh was van mening dat er betere oplossingen dan de MLF warenn om de Atlantische integratie te versterken. Toch stelde hij zich op het standpuntt dat in de huidige politieke situatie de MLF van socialistische zijde ondersteuning verdiende.. Volgens Benthem van den Bergh werd het hoog tijd dat de politiek van De

110 0

TUSSENN WENS EN WERKELIJKHEID

Gaullee met kracht werd bestreden. Het optreden van de Franse president had niet alleenn een ontbindende werking op de Europese en Atlantische samenwerking, het vormdee ook een verleiding voor 'andere nationale groeperingen om puur nationalistischee doeleinden' na te streven. De MLF was een concreet plan waarover onderhandeld werdd en daarom de beste manier om te tonen het met de Gaullistische opvatting over Europa'ss rol in de wereld niet eens te zijn.50 Vann der Stoel was een verklaard tegenstander van de MLF. Hij meende dat het plan alss bindmiddel tegen een Gaullistische politiek tekort schoot en er gevaarlijke kanten aann kleefden. West-Duitsland zette hiermee een voet over de atoomdrempel en het helee MLF-project werd door sommigen gezien als een opmaat van een Europese kernmacht. 5 '' Hij zag liever dat de Europese zeggenschap op een andere manier werd geregeld.. Volgens hem was het zinvoller om de Europese landen een aandeel te laten krijgenn in de besluitvorming inzake de gehele Amerikaanse deterrent. In ruil hiervoor zoudenn de Europese landen moeten afzien van de opbouw van nationale atoomstrijdkrachten.. Voor een dergelijke Europese medezeggenschap zag hij een drietal onderwerpen.. Ten eerste het opstellen van richtlijnen die bij de besluitvorming voor het inzettenn van kernwapens moesten worden gehanteerd. Ten tweede de beslissingen overr de verplaatsing van nucleaire wapens en ten derde de beslissingen over een 'doelenplan'' voor atoomwapens. Als de medezeggenschap op een goede manier werd vormm gegeven, zou de definitieve beslissingsmacht niet op een andere wijze worden gehanteerdd dan Europa zou wensen, dacht Van der Stoel." Vann der Stoel constateerde dat de argumentatie van de voorstanders van de MLF zichh steeds meer richtte op de noodzaak proliferatie van nationale atoommachten te voorkomen.. Indien Engeland en Frankrijk - op grond van overwegingen van nationaall prestige en nationale veiligheid - aan een eigen kernmacht zouden vasthouden, zouu de Bondsrepubliek dit ook wensen, was de gedachte. D e MLF, die West-Duitsland eenn stuk nucleaire zeggenschap verzekerde, zou deze ontwikkeling kunnen voorkomen.. Van der Stoel vond deze redenering om verschillende redenen aanvechtbaar. Voorr de Bondsrepubliek bestonden onoverkomelijke obstakels - met name het Verdragg van Parijs van 1954 - om een nationale atoommacht op te bouwen. Daarbij was dee regering in Bonn dit helemaal niet van plan. De nieuwe regering van Erhard leek geenn gelegenheid voorbij te laten gaan om te demonstreren dat men de Amerikaanse nucleairee bescherming veel belangrijker vond dan een Franse force de frappe. Bovendienn was de MLF bepaald geen adequaat middel om een eventuele Duitse atoommacht tee voorkomen. In feite zou de MLF grotendeels een Duits-Amerikaanse atoommacht zijn,, waarmee de Bondsrepubliek een semi-nucleaire status zou worden verleend. De paradoxalee situatie zou dan ontstaan dat er in het kader van non-proliferatie een nieuwee atoommacht werd opgericht. O o k in Engeland was er inmiddels in brede kringg twijfel ontstaan over de mogelijkheden om een zelfstandige atomaire status te handhaven.. Het was dus allerminst zeker dat Groot-Brittannië aan een zelfstandige atoommachtt vast zou blijven houden, aldus Van der Stoel/'

DEE S T R I J D T E G E N DE A T O O M A N A R C H I E

111 1

Bijj de bespreking van het conceptrapport van de commissie Vrede en ontwapening ontpoptenn Burger en Samkalden zich eveneens als voorstanders van de MLF. In het conceptrapport,, dat in februari 1964 verscheen, stond over de MLF te lezen: 'evenmin bestaatt de behoefte aan de oprichting van enigerlei gemeenschappelijke atoomstrijdmacht,, welk de deelnemende landen wellicht de schijn, maar niet de werkelijkheid vann nucleaire zeggenschap verzekert'. Om het probleem van de zeggenschap op te lossenn zag de commissie meer in Europese zeggenschap ten aanzien van de nucleaire planningg en strategie.54 Samkalden meende dat de partij zich meer rekenschap diende tee geven van het feit dat er allerlei bewegingen waren die de eenheid van de NAVO in gevaarr brachten. De vs ondernamen in de vorm van de MLF een poging de eenheid te bewaren,bewaren, iets waar de partij niet aan voorbij kon gaan. De MLF ZOU een alternatief kunnenn bieden voor de atoompolitiek van De Gaulle. Consultatie inzake planning en strategiee was op zich een goede zaak, maar Samkalden maakte wel bezwaar tegen de 'apodictischee wijze waarop dit alternatief werd gesteld'." Volgens Burger ging de negatievee kwalificatie van de MLF door de commissie voorbij aan het feit dat het wel om eenn hoofdpunt van Amerika's internationale defensiepolitiek ging. Met 'alleen maar neenn zeggen tegen Amerikaanse plannen' kwam men er niet. Burger hoopte dat de partijj in ieder geval de mogelijkheid van de MLF nader wilde bestuderen.' Datt de voorstanders zich meer en meer gingen roeren is wellicht te verklaren doordatt de politieke kant van de MLF steeds meer op de voorgrond trad. Voor- en tegenstanderss waren het er over eens dat er geen enkele militaire noodzaak bestond voorr de oprichting van een multilaterale kernmacht. De discussie draaide vooral om dee vraag hoe het beste de nucleaire politiek van De Gaulle kon worden ondermijnd en dee West-Duitse aspiraties op dit terrein ingedamd. Voorkomen moest worden dat de Europesee politiek door Frankrijk werd gedomineerd en zodoende de EEG en meer in hett bijzonder de Bondsrepubliek, zich in toenemende mate onafhankelijk van de vs zoudenn ontwikkelen. Anders gezegd, de MLF was militair weliswaar overbodig, maar wass het met het oog op de Europese politiek wel een geschikt middel? De tegenstanderss meenden dat de MLF militair noch politiek iets zou oplossen, terwijl er gevaarlijke kantenn aan het Amerikaanse plan kleefden. De voorstanders wilden de MLF niet verwerpenn omdat dit het enige ter tafel liggende plan was om tegenwicht te bieden aan de politiekk van grote Europese landen. Beter iets dan niets zullen zij hebben gedacht. Dezee Europese dimensie van de MLF ZOU in de loop van 1964 een steeds grotere rol gaann spelen. Aanleiding hiervoor waren de verklaringen van het 'Actiecomité voor de Verenigdee Staten van Europa', kortweg het 'Comité Monnet'.

Dee MLF als opmaat van een Europese kernmacht? Hett Comité Monnet werd in 1955 opgericht om richting te geven aan de stappen die ondernomenn moesten worden op weg naar een Europese eenheid met als einddoel een

112 2

TUSSENN W E N S EN W E R K E L I J K H E I D

Fractievoorzitterr Anne Vondeling in de Tweede Kamer (Fotoo Wim Bont; Collectie IISG, Amsterdam)

DEE S T R I J D T E G E N DE A T O O M A N ARC H I E

113 3

Europesee politieke unie. Al in 1962 werd door het comité in een verklaring gesteld, dat dee bestaande Atlantische samenwerking geleidelijk moest veranderen in een verhoudingg waarbij het verenigd Europa en de vs als gelijkwaardige partners met elkaar warenn verbonden." Die gelijkwaardigheid kon alleen worden bereikt als Europa ook opp nucleair gebied de gelijke van de vs zou worden. Tegen deze achtergrond pleitte Monnett op 25 februari 1964 voor de vorming van een Europese kernmacht. Zo'n Europesee atoommacht zou een sterke stimulans zijn om tot een verenigd Europa en eenn equal partnership met de vs te komen. De MLF werd hiertoe als een eerste stap gezienn en zou als overgangsfase kunnen dienen voor de vorming van zo'n Europese atoommacht.5 5 Opp 1 en 2 juni 1964 kwam het Comité Monnet bijeen in Bonn. In de gemeenschappelijkee verklaring werd opgenomen dat de oprichting van een multilaterale atoommachtt 'het begin kon zijn van een gemeenschappelijke organisatie' voor een gemeenschappelijkk beleid op atoomgebied. Bovendien meende het Comité dat 'gezienn de moeilijke en verwarde omstandigheden en in het bewustzijn van de noodzaakk Europa en de vs gelijkwaardige deelgenoten te doen worden', een voorlopige oplossingg noodzakelijk was." Tijdens de zitting in Bonn was Vondeling de enige afgevaardigdee die tegen de verklaring stemde, omdat hij zich niet kon verenigen met genoemdee passage over de MLF. ° Vondelingg had naar eigen zeggen verschillende redenen om tegen de verklaring vann het Comité Monnet te stemmen. Hij benadrukte nog eens dat de MLF militair overbodigg was en dat het een ondeugdelijk middel was om de eenheid binnen de NAVOO te versterken. Vondeling dacht namelijk niet dat de MLF 'de nationalistische en reactionairee krachten in Europa', die het eigen land desnoods met atoomwapens wildenn verdedigen, tevreden kon stellen. Het was dan ook maar zeer de vraag of door de MLFF de verdere verspreiding van nationale atoommachten kon worden voorkomen. Integendeell zelfs, in Oost-Europa zou men de deelname van de Bondsrepubliek wel eenss als 'een hellend vlak' kunnen beschouwen. Zijn grootste bezwaar was echter dat hett Comité Monnet de MLF niet als einddoel zag, maar als een belangrijke stap om te komenn tot een gelijkwaardige positie van de Europese defensie ten opzichte van die vann de vs. Anders gezegd, de MLF werd als een opmaat gezien van een Europese kernmachtt en daarom moest er nee worden gezegd tegen de verklaring van het Comité Monnet.. Vondeling was zich wel van het gevaar bewust in de hoek te worden gezet als éénn van de mensen die het niet goed voorhadden met de Europese integratie, maar namm dat maar voor lief.' Dreess en Röling betuigden hun instemming met het stemgedrag van Vondeling. Dreess dacht dat Monnet de MLF erdoor wilde drukken. Hij achtte de uitbreiding van dee zeggenschap over de Amerikaanse atoommacht 'noodlottig' en hoopte dat het verzett hiertegen gehandhaafd bleef. Röling vond het onaanvaardbaar dat de Europese eenheidd werd bevorderd met kernwapens. Het was vooral gevaarlijk, omdat Duitsland opp die manier in de richting van een atoommacht dreigde te gaan.61 Ruygers was even-

114 4

TUSSENN WENS EN WERKELIJKHEID

eenss tevreden over het stemgedrag van Vondeling. De partij mocht geen steun verlenenn aan een project waarvan onduidelijk was of het als 'hefboom voor een afzonderlijkee Europese kernmacht zou worden gebruikt, dan wel als een poging om de Atlantischee integratie te versterken'. Bovendien achtte Ruygers het een uiting van provincialismee om het vraagstuk van een multilaterale atoommacht als een Europees vraagstuk tee beschouwen en niet primair als een wereldvraagstuk waarin het Vrije Westen tegenoverr de su stond/" Vondelingg wist zich ten slotte ook gesteund door Van der Stoel. Het idee van gelijkwaardigheidd van Europa en de vs op nucleair terrein was een irreële gedachte, meendee hij. Zelfs al zou Europa de defensie-inspanningen fors verhogen, dan zou een Europesee kernmacht nog maar een fractie beslaan van de Amerikaanse. Daarbij zou de opbouww van een Europese kernmacht zeker ten koste gaan van de conventionele bewapening,, waardoor de afhankelijkheid van nucleaire wapens nog groter werd. Hij wass er tevens van overtuigd dat de Amerikanen zich uit Europa zouden terugtrekken indienn een Europese kernmacht realiteit werd. Een Europese kernmacht zou er immerss toe kunnen leiden dat de Amerikanen in NAVO-verband gedwongen werden hunn atoommacht in te zetten voor een kwestie die zij geen nucleair conflict waard achtten.. Genoeg redenen om 'een duidelijk neen' tegen de verklaring van het Comité Monnett te laten horen, aldus Van der Stoel. 4

D ee actiegroep Samkalden en d e overrompelingstheorie Niett iedereen binnen de partij was echter enthousiast over de handelwijze van Vondelingg in Bonn. In de wat gezwollen woorden van Den Uyl raakte de partij door de opstellingg van de fractievoorzitter 'tot op de bodem en tot in de politieke leiding verd e e l d ' // Inderdaad viel de oppositie van Vondeling tegen de verklaring van het Comitéé Monnet bij vooraanstaande partijgenoten als Mansholt, Burger, Van der Beugel, Patijnn en Samkalden zeer slecht. Zij meenden dat de MLF zou kunnen leiden tot een breukk in de Europese politiek van de partij. Was dat het geval, dan kwam 'onvermijdelijkk het ogenblik dat er stelling moest worden genomen', aldus Patijn/1'1 De scheidingg der geesten voltrok zich dan ook tussen de Europees georiënteerde partijgenoten aann de ene kant en de Atlantici aan de andere kant. Datt de 'Europeanen' in het geweer kwamen had voor een deel te maken met de opvattingg van Vondeling over de vorming van een Europese politieke unie. De fractieleiderr vond de vorming van een Europese politieke unie een zaak die niet erg actueel was.. Daarvoor was immers nog een hele lange weg te gaan. Het was volgens Vondelingg in ieder geval een vergissing te denken dat de gestagneerde Europese samenwerkingg door middel van de MLF weer op gang gebracht kon worden. Daarbij was hij van meningg dat in de verre toekomst een Europese politieke unie niet over een eigen atoommachtt hoefde te beschikken/'

DEE STRIJD TEGEN DE A T O O M AN ARC H I E

«5 5

Mett name Van der Goes van Naters had weinig op met deze manier van denken. Inn de eerste plaats meende hij dat het onzinnig was een politiek doel te diskwalificeren,, omdat 'het nog wel even kon duren'. Dat had het socialisme nog nooit gedaan. Belangrijkerr was echter dat de PvdA zich had vastgelegd op de uitbreiding van de Europesee integratie tot het politieke vlak en daar hoorde het militaire nu eenmaal bij. Reedss bij de behandeling van de vorming van een Europese Defensie Gemeenschap (EDG)) tussen 1952 en 1954 had de partij zich meerdere malen uitgesproken voor een Europeess leger onder een Europese politieke autoriteit en daarbij was tevens de productiee van kernwapens geregeld. Van der Goes van Naters zag geen aanleiding om nu vann deze lijn af te wijken. Als voorstander van een Europese kernmacht wenste hij de MLFF te beschouwen als 'een gedeeltelijke oplossing voor een overgangsperiode, die zichh diende te transformeren in een communautaire Europese organisatie'. Anderee partijgenoten waren minder enthousiast over een toekomstige Europese kernmacht,, maar zagen weer andere - politieke - voordelen in de MLF. Een gezamenlijkee kernmacht werd gezien als een adequaat middel om Duitsland steviger in te kapselenn en de politiek van De Gaulle te ondermijnen. Volgens Burger was de kracht van hett Comité Monnet juist het gesloten front, vooral tegen De Gaulle. Het was niet aan dee PvdA - 'onder invloed van de traditioneel anti-Europese Labourwind' - om dat te ondermijnen/99 Benthem van den Bergh was een vergelijkbare opvatting toegedaan. Hijj erkende dat de MLF als middel werd gezien om een Europese kernmacht te laten vormen,, maar dat was toch in de eerste plaats bedoeld om een alternatief tegenover de nationalistischee politiek van De Gaulle te stellen. In Frankrijk kon men nu eenmaal beterr met een Europees alternatief, dan met een Atlantisch alternatief aankomen. Daarbijj behoefde volgens hem aan de Atlantische gezindheid van Monnet bepaald niett getwijfeld te worden.70 Samkaldenn zag eveneens veel mogelijkheden voor de MLF. Het bood Frankrijk de mogelijkheid,, desnoods na De Gaulle, een weg terug naar de NAVO en Engeland een 'eervoll alternatief voor de nationale atoommacht. Het was tevens een mogelijkheid omm Duitsland in een stevige band met de vs en de andere Europese landen vast te houden.. Bovendien was het een illusie om te denken dat de grote Europese landen mett een bescheiden rol genoegen zouden nemen. Het ging er om hun aandeel in de verdedigingsmachtt goed te regelen. De MLF was in dit opzicht te prefereren boven nationalee atoommachten of een Europese kernmacht.7' Inn een poging de partij op een ander spoor te manoeuvreren, werd ook 'de overhaastee standpuntbepaling inzake de MLF' door de 'Europeanen' aangekaart. Burger verklaardee verrast te zijn door de opstelling van Vondeling en ook uit de mond van Samkaldenn en Roemers waren dergelijke geluiden te horen.72 Patijn vond eveneens dat hett Partijbestuur, Vondeling en Van der Stoel de neiging hadden de partij te sterk te bindenn aan een standpunt tegen de MLF en dit bij verrassing deden. Zo was de zinsnedee over de MLF in het rapport van de commissie Vrede en ontwapeningzonder overlegg met de Kamerfracties opgenomen, terwijl die toch het buitenlands beleid van de

ii6 6

TUSSENN W E N S EN WERKELIJKHEID

partijj tegenover de regering en het Europese Parlement moesten verdedigen. Vondelingg en Van der Stoel hanteerden de afspraken die binnen het verbindingsbureau van dee Socialistische Internationale waren gemaakt te strikt als beleidslijn. Door deze handelwijzee was 'een meer doordachte standpuntbepaling' onmogelijk geweest. ' Vann der Stoel was van mening dat deze 'overrompelingstheorie van de actiegroepSamkalden'' niet houdbaar was. Vanaf begin 1963 had de fractie bij herhaling stelling genomenn tegen de MLF. D e interpellatie-Vondeling en de resolutie van de Socialistischee partijen van de NAVO-landen waren voorbeelden van een 'resoluut geformuleerdd fractiestandpunt tegen de MLF'. Tevens was het onderwerp verschillende malen inn het Partijbestuur aan de orde geweest en in het hele ontwapeningsadvies maar één zinn gewijd aan de M L F . O p Patijn en Van der Goes van Naters na, had niemand binnenn de partij zich tot begin 1964 duidelijk voor een MLF uitgesproken, terwijl daar tochh ruimschoots de gelegenheid voor was geweest. 4 Vondelingg meende eveneens dat van verrassing geen sprake kon zijn. De fractie hadd bij monde van Wierda, Van der Stoel en hemzelf al vanaf het begin duidelijk gemaaktt niet mee te zullen werken aan de MLF. Er waren tevens verschillende nota's verschenenn waarin werd gesteld dat een multilaterale kernmacht militair noch politiek aanvaardbaarr was. Van de voorstanders van de MLF had hij nog geen enkel stuk gezien.. Desalniettemin toonde Vondeling zich bereid met de voorstanders nog eens naderr op de zaak in te gaan. Afgesproken werd om in het najaar van 1964 een gezamenlijkee bijeenkomst van beide fracties en het Partijbestuur te houden.''

Eenn alternatief voor de M L F Naastt de Europese dimensie ging het debat over de vraag of de MLF een bijdrage kon leverenn aan de Atlantische eenheid. De voorstanders meenden dat MLF een middel konn zijn 'om enige vooruitgang en dynamiek te waarborgen zonder een absolute breukk te forceren'.'* Bovendien was de MLF het enige plan ter tafel om de Atlantische eenheidd te bevorderen. Volgens Wierda en Van der Stoel was er echter wel degelijk eenn alternatief om de samenhang binnen het bondgenootschap te versterken. Al verschillendee malen hadden zij gewezen op de mogelijkheid van Europese zeggenschap inzakee de gehele Amerikaanse nucleaire planning en strategie in plaats van de MLF. In eenn poging de fractie van hun gelijk te overtuigen, schreven zij in mei 1964 een nota voorr de Tweede Kamerfractie waarin zij dit alternatief voor de MLF verder uitwerkten. Wierdaa en Van der Stoel constateerden dat de gebrekkige organisatorische structuurr van de NAVO een belangrijke oorzaak was voor het ontbreken van Europese inspraak.. Het politieke centrum, in de vorm van de NAVO-raad, was gevestigd in Parijs, terwijll het militaire comité van de NAVO, de zogenaamde Standing Group in Washingtonn was gehuisvest. Door het ontbreken van politieke impulsen had het militaire overleg,, waarin alleen de v s , Frankrijk en Engeland waren vertegenwoordigd, weinig te

DEE S T R I J D T E G E N DE A T O O M A N AR CH I E

117 7

betekenen.. Van een werkelijke invloed op de militaire planning van het bondgenootschapp was geen sprake en in feite het Amerikaanse monopolie volledig. Een zinvolle stapp voorwaarts zou kunnen worden bereikt door de vorming van een geïntegreerd centraall orgaan. Een dergelijke geïntegreerde eenheid moest om goed te kunnen functionerenn een duidelijk omschreven takenpakket krijgen. Deze geïntegreerde planning staffzoustaffzou ten minste geconsulteerd moeten worden over: de richtlijnen voor het inzettenn van atoomwapens; maatregelen ter voorkoming van het voortijdig inzetten van tactischee atoomwapens; beslissingen over de verplaatsing van atoomwapens en zeggenschapp krijgen over het zogenaamde doelenplan voor nucleaire wapens. De uiteindelijkee beslissingsbevoegdheid zou bij een dergelijke constructie wel bij de vs blijven berusten.7 7 Ditt alternatief had als belangrijk voordeel dat de Europese zeggenschap zich zou uitstrekkenn tot de gehele Amerikaanse nucleaire strategie en planning. In het geval van eenn MLF zou de zeggenschap zich beperken tot een onbetekenend deel van het nucleairee vermogen van het Atlantisch bondgenootschap. Voor het geschetste alternatief bestondd ook wel degelijk draagvlak. Er waren aanwijzingen dat invloedrijke kringen inn Washington bereid zouden zijn een dergelijke oplossing te aanvaarden. Van Amerikaansee zijde zou als tegenprestatie waarschijnlijk wel worden aangedrongen op het trouwerr nakomen van de conventionele inspanningen van de Europese partners. Een prijss die West-Europa bereid moest zijn te betalen, mede gezien de wens van de vs om dee troepenmacht in Europa te verminderen, meenden Van der Stoel en Wierda. Eenn geïntegreerd orgaan binnen de NAVO voor nucleaire planning en strategie was niett het enige alternatief voor de MLF. De in het najaar van 1964 aan de macht gekomenn Labourregering in Engeland had de afwijzing van de MLF in haar verkiezingsprogrammaa opgenomen en was druk doende om alternatieven te formuleren. Hoewel err nog geen uitgewerkt plan beschikbaar was, meende Van der Stoel toch te weten welkee richting de gedachten van Labour zouden gaan. Uit contacten met Labourleiderr Wilson was hem duidelijk geworden dat Engeland bereid was de status van zelfstandigee atoommacht op te geven en de bestaande nucleaire wapens in de Amerikaansee deterrent te integreren. Tevens had Labour het voorstel gelanceerd om voor de tactischee atoomwapens op het Europese continent een multilaterale oplossing te zoeken,, in plaats van de bilaterale overeenkomsten die eerder waren gesloten. De Engelsenn probeerden zodoende een beheersformule te vinden voor alle zich in Europa bevindendee nucleaire strijdkrachten.78 Dee Labourplannen boden volgens Van der Stoel een aantal voordelen ten opzichte vann de MLF. Ten eerste was er een veel grotere verscheidenheid aan atoomwapens betrokkenn en daarmee zou het gemakkelijker zijn een reële invloed op de Amerikaanse strategiee en planning te verwerven. Ten tweede zou door Engelse deelneming het gevaarr van een zelfstandige Europese kernmacht aanzienlijk worden verkleind. Ten derdee zou Duitsland een gelijkwaardige positie ten opzichte van Engeland kunnen innemen,, maar in vergelijking met de MLF een geringer aandeel bezitten. De toe-

118 8

TUSSENN W E N S EN WERKELIJKHEID

komstigee ontwikkeling van zo'n nucleaire strijdmacht zou daardoor in minder sterke matee door Duitsland kunnen worden beïnvloed. Ten slotte zou het in een dergelijk kaderr gemakkelijker zijn om effectieve maatregelen te treffen tegen een onverantwoordd gebruik van atoomwapens.' 9 Oud-internationaal secretaris Mozer zag daarentegenn in de Labour-opzet geen verbetering. Volgens hem neigde het plan teveel in de richtingg van een genuanceerde deling van de zeggenschap tussen Londen en Washington.. De Franse weerstand zou daardoor alleen maar worden verhoogd en de Bondsrepubliekk gediscrimineerd. Dit alles zou niet alleen kunnen uitmonden in een grotere drukk van de Franse regering op Duitsland, maar ook op de andere EEG-landen om een keuzee te maken tussen Washington en Parijs. Een ontwikkeling die hij onaanvaardbaarr zou achten. °

Gezamenlijkk beraad Zoalss eerder in het Partijbestuur overeen was gekomen, vond er eind 1964 gezamenlijk beraadd over de MLF plaats. O p 20 november vergaderden de Eerste en Tweede Kamerfractiee en het Partijbestuur over deze kwestie. Met algehele instemming werd een Europesee kernmacht onder een Europese politieke unie afgewezen. Een Europese kernmacht,, wel geassocieerd, maar niet geïntegreerd in de Amerikaanse nucleaire machtt was gevaarlijk, omdat het Amerika ertoe kon brengen zich van Europa te distantiëren.. Het ging er juist om dat een geïntegreerd Europa onverbrekelijk verbonden bleeff met de v s . Alle aanwezigen waren dus eensgezind in hun afwijzing van de politiekk van De Gaulle. De scheiding der geesten ging over de vraag of de MLF wel het juistee middel was om de politiek van De Gaulle te frustreren. Dee 'Europeanen' in de partij benadrukten nog eens dat de MLF het enige plan was omm de politiek van De Gaulle te doorkruisen. Het was daarom van het grootste belang datt de MLF werd gesteund, omdat daarmee 'de gevaren van het kleine politieke Europa'' in de kiem werden gesmoord.*' Mansholt meende bovendien dat er buiten de MLF geenn alternatief bestond voor het creëren van een gemeenschappelijke nucleaire verdediging,, die ontwapeningsmogelijkheden open liet en waarbij proliferatie werd voorkomen.. Alleen al om die reden verdiende het plan alle steun van de PvdA. z Dat het projectt militair overbodig was, deed volgens Samkalden niet ter zake. Bij de MLF ging hett immers niet om het vergroten van atoommacht, maar om het betrekken van de Europesee bondgenoten bij de organisatie en opbouw van de nucleaire afweer.8' Samkaldenn was tevens van mening dat indien Engeland en Frankrijk vast bleven houdenn aan een eigen nationale kernmacht, het steeds moeilijker zou worden om Duitslandd deze rol te blijven ontzeggen. Het ging dan ook niet zozeer over de vraag of Duitslandd een eigen rol te vervullen kreeg, maar om hoe dat aandeel in het geheel van dee Atlantische verdediging geïntegreerd zou worden. De MLF was een manier om de Duitsee inbreng op een dusdanige wijze te organiseren dat het atoomwapen geen on-

DEE S T R I J D T E G E N DE A T O O M AN A R C H I E

119 9

afhankelijkk politiek instrument van de Bondsrepubliek kon worden. Op die manier kondenn de Russen er ook geen aanstoot aan nemen en zou het geen belemmering vormenn voor ontspanning tussen de vs en de su. Vanuit Europees oogpunt bezien had de MLFF ook nog een ander groot voordeel. De kans bestond dat Groot Brittannië aan de MLFF wilde meedoen, zij het dan in de Britse versie van het plan. Zou dat inderdaad het gevall zijn, dan werd de weg voor 'politieke saamhorigheid' en deelneming aan de EEG voorr de Britten weer vrijj gemaakt. Samkalden hoopte dan ook dat de partij de ommezwaaii van anti-MLF naar pro-MLF alsnog zou maken, anders werd de Europese politiekk een slechte dienst bewezen.84 Vredelingg meende dat de MLF om andere redenen dienstbaar zou kunnen zijn aan dee Europese politiek. Door de MLF lag er een concreet plan dat voorzag in een grotere matee van samenwerking op het terrein van de Europese defensie. Dit was positief wantt zonder de vraagstukken van defensie in de politieke samenwerking te betrekken, zouu dit een louter theoretische zaak blijven. De MLF sloot bovendien naadloos aan bij dee doelstellingen van de politieke eenwording van Europa. De bovennationale samenwerkingg was immers voornamelijk ingegeven door de wens West-Duitsland blijvend inn te kapselen in een geïntegreerd Europa. Door mee te doen met een MLF zou de Bondsrepubliekk ook voor wat betreft nucleaire aangelegenheden in een bovennationalee besluitvorming gevangen zitten. Daardoor zou West-Duitsland altijd een minderheidspositiee innemen en 'een Duitse vinger aan de atoomtrekker' voorkomen worden.. De MLF was daarmee een probaat middel om het gevaar van een opkomend Duitss nationalisme te bezweren.8' Voorr de tegenstanders bleven de schaduwzijden van de MLF overheersen. Het plan schiepp immers meer problemen dan het oploste. Aangezien de MLF over een te verwaarlozenn deel van de totale kernmacht van de NAVO ging, kon het moeilijk worden gezienn als een oplossing voor de Europese zeggenschap op dit terrein, meende Van der Stoel.. Het was tevens maar zeer de vraag of het wel een adequaat middel was om de politiekk van De Gaulle te dwarsbomen. Daar kwam nog bij dat de MLF als opmaat kon wordenn beschouwd voor een Europese kernmacht en 'de Duitse vinger aan de atoomtrekker'' een obstakel vormde voor de ontspanning tussen Oost en West. Röling zag dee MLF teveel als een poging de interne moeilijkheden van de NAVO af te reageren in eenn 'soort buitenlandse NAVO-politiek'. Bovendien was hij niet gerust op de waarborgenn die MLF bood tegen het Duitse revanchisme. De Bondsrepubliek zou niet direct eenn oorlog beginnen, maar zou wel met behulp van atoomwapens een buitenlandse politiekk kunnen gaan voeren, die gezien de grenskwesties niet zonder oorlogsgevaar zouu zijn.7 Tijdenss het gezamenlijk beraad konden de verschillende kampen niet nader tot elkaarr komen. Over alternatieven, zoals het Britse plan voor het gezamenlijk beheer vann atoomwapens, was te weinig informatie beschikbaar om daar reeds een gefundeerdd oordeel over te geven. In een perscommuniqué liet de PvdA dan ook weten niet tott een hernieuwde standpuntbepaling over te gaan, zolang de materie nog volop in

120 0

TUSSENN W E N S EN WERKELIJKHEID

bewegingg was. Om niet achter de feiten aan te lopen formuleerde de PvdA-fractie een aantall voorwaarden, waaraan de maatregelen om de crisis in de NAVO te bezweren diendee te voldoen. Uitgangspunt van een regeling diende te zijn dat het Amerikaanse vetoo voor het inzetten van kernwapens gehandhaafd bleef. De ontwikkeling van een onafhankelijkee Europese kernmacht moest dan ook worden afgewezen. Tevens moest eenn bilaterale overeenkomst tussen de vs en de Bondsrepubliek voorkomen worden. Iederee nieuwe regeling zou bovendien meer waarborgen moeten omvatten over het gebruikk en de inzet van kernwapens en mocht niet leiden tot een accentverschuiving vann conventionele wapens naar atoomwapens in de NAVO-strategie. Ten slotte riep de fractiee de Europese bondgenoten op, af te zien van de mogelijkheid een nationale kernmachtt te ontwikkelen of in stand te houden.89

Dee stille aftocht van de MLF Niett alleen binnen de PvdA wonnen de argumenten voor een MLF in de loop van 19644 steeds meer aan kracht. Ook buiten de partij leek steeds meer een pro-MLFstemmingg te ontstaan. In ieder geval werd steeds meer de onvermijdelijkheid van een oplossingg voor de crisis in de NAVO in deze richting onderschreven. De regering in Washingtonn kwam echter langzamerhand tot een tegengesteld inzicht. Eind 1964 moestenn de vs tot hun spijt constateren dat na Frankrijk ook Engeland na het aantredenn van de Labour-regering geen steun aan het Amerikaanse plan wenste te verlenen. Steedss duidelijker werd ook, dat de MLF de Atlantische eenheid niet zou versterken, maarr eerder zou leiden tot een verwijdering tussen Frankrijk en de andere bondgenoten.. Een snelle overeenkomst inzake de MLF zou wel eens tot een complete breuk met Frankrijkk kunnen leiden, vreesde men. Daardoor was ook in het Amerikaanse Congress de steun voor de MLF nog maar minimaal. Buiten het bondgenootschap was het mett name de su die zich tegen de plannen keerde. De Russische protesten klonken hethet luidst toen de MLF een Amerikaans-Duits onderonsje leek te worden. Al deze factorenn deden president Johnson — de opvolger van de vermoorde Kennedy — besluitenn geen druk meer uit te oefenen op de bondgenoten om de MLF te aanvaarden. Tijdenss de NAVO-raad van december 1964 bleken de meningsverschillen over de multilateralee kernmacht onoverbrugbaar. Dit betekende het einde van de MLF, hoewel dee werkgroep in Parijs nog geruime tijd bleef functioneren. Het zou nog tot eind 19655 duren voordat publiekelijk bekend werd gemaakt, dat het MLF-project van de aann was. Hett was Van der Stoel ondertussen niet ontgaan dat in Washington de kansen voorr de MLF waren gekeerd. Met genoegen constateerde hij dat er in het Amerikaanse congress een toenemende aarzeling bestond over de wenselijkheid van de MLF. Zijn hoopp bleef gevestigd op het mislukken van het gehele MLF-project. Een 'secondbest'-oplossingg was het voorstel van Labour. Begin 1965 kwamen de Britse socialisten

DEE S T R I J D T E G E N DE A T O O M A N A R C H I E

121 1

mett het langverwachte Atlantic Nucleair Force (ANF), een uitwerking van hun plannenn ten aanzien van een Atlantische kernmacht. De AN F behelsde de vorming van een Atlantischee strijdmacht, die ruwweg zou bestaan uit nagenoeg alle nucleaire strijdkrachtenn die op het Europese continent waren gestationeerd. Volgens Van der Stoel warenn er belangrijke voordelen ten opzichte van de MLF. Het Amerikaanse veto bleef gehandhaafdd en de weg naar een zelfstandige Europese kernmacht was afgesloten. In hett ANF-plan was ook voorzien in zeggenschap van de Europese bondgenoten in de gehelee Amerikaanse nucleaire strategie en planning. Daarbij was de Duitse bijdrage tott de juiste proportie teruggebracht, zonder dat de Duitsers gediscrimineerd werden. Bovendienn verplichte de ANF de deelnemers die al over een kernmacht beschikten, anderee deelnemers niet te helpen met de opbouw van een nationale kernmacht. Zo wass het plan ook dienstbaar aan de non-proliferatie.9' Tott de vorming van een gezamenlijke kernmacht in welke vorm dan ook, zou het niett meer komen. Op 31 mei 1965 stelde de Amerikaanse minister van Defensie McNamaraa voor om een NAVO-commissie op te richten die de verbetering van de nucleairee planning en consultatie zou moeten bestuderen. Dit zou uiteindelijk leiden tott de oprichting van een Nucleair Affairs Committee (NAC) en een Nucleair Planning GroupGroup (NPG). De Nederlandse regering, waar de PvdA sinds april 1965 weer in vertegenwoordigdd was met Van der Stoel als staatssecretaris op Buitenlandse Zaken, reageerdee positief op dit voorstel. Wel bestonden er binnen de regering grote reserves ten aanzienn van de samenstelling van de NPG. De vs streefden er aanvankelijk naar het lidmaatschapp van deze cruciale commissie te beperken tot de grote NAVO-mogendheden.. Met name Nederland en Canada verzetten zich hiertegen. Er rolde vervolgens eenn compromis uit de bus, waarin overeengekomen werd dat het zeteltal van de NPG uitgebreidd werd tot zeven, zodat er drie zetels beschikbaar waren voor kleinere landen. Dee kleine NAVO-landen zouden deze zetels bij toerbeurt kunnen bezetten.

Hett NAVO-lidmaatschap ter discussie Binnenn de PvdA stond een multilaterale kernmacht op het maartcongres van 1965 voorr de laatste maal op de agenda. Door het afblazen van de MLF was het onzeker welkee oplossing er uit de bus zou rollen. Volgens een resolutie van de hand van Van derr Stoel diende de regeling in ieder geval aan een vijftal voorwaarden te voldoen. Ten eerstee mochten er niet 'meer vingers aan de atoomtrekker' komen en daarom diende hett Amerikaanse veto onverkort gehandhaafd blijven. Ten tweede moest de regeling dienstbaarr worden gemaakt aan het streven naar non-proliferatie. Daarvoor dienden dee Europese partners af te zien van het in stand houden van een nationale kernmacht. Tenn derde dienden de Europese partners zeggenschap te krijgen over de totale Amerikaansee deterrent en in het bijzonder over beslissingen die hun vitale veiligheidsbelangenn raakten. Ten vierde moest de regeling de instemming hebben in een brede

122 2

TUSSENN W E N S EN WERKELIJKHEID

kringg bondgenoten en ten slotte een bijdrage leveren aan betere waarborgen voor het beheerr van tactische atoomwapens op het Europese continent.92 Tijdenss het congres vormde deze kwestie geen aanleiding meer voor felle debatten. Hett congres beschouwde de MLF als een afgedane zaak.9' In plaats van voorstellen om dee eenheid van het bondgenootschap te versterken, werd het wezen van de NAVO aan dee orde gesteld. De aanwezigheid van Portugal in de NAVO was voor een aantal congresgangerss aanleiding de Nederlandse bijdrage aan het bondgenootschap ter discussiee te stellen. Het feit dat Portugal een dictatuur was in een bondgenootschap dat zich opwierpp om de vrijheid en de democratie te verdedigen, was moeilijk te verteren. Het militairee optreden van Portugal in de koloniën Angola en Mozambique wekte eveneenss veel verontwaardiging. Piet Dankert, die Van der Stoel dat jaar zou opvolgen als secretariss buitenland, had wel een verklaring voor deze houding. Volgens hem was de relatievee ontspanning tussen Oost en West aanleiding om 'in eigen huis de onrechtmatighedenn eens wat nader te onderzoeken'. Portugal viel hierbij al snel op door het brutee optreden, zowel in eigen land als in de koloniën.94 Hett lidmaatschap van het ondemocratische Portugal was veel partijleden al enige tijdd een doorn in het oog. In 1949 liet de latere fractievoorzitter Nederhorst al weten hethet NAVO-lidmaatschap van 'het half-democratische Portugal' te betreuren. Op verschillendee partijcongressen eind jaren vijftig en begin jaren zestig werden hierover eveneenss kritische noten gekraakt. In 1963 was een NAVO-taptoe aanleiding voor de Federatiee van Jongerengroepen (FJG) van de PvdA om te demonstreren tegen de aanwezigheidd van Portugal in de NAVO. In een toelichting op de houding van de PvdAjongeren,, schreef FjG-lid Hans van den Doel dat hij het onverteerbaar vond, dat Nederlandd met het fascistische Portugal samenwerkte in de NAVO. In 1969, bij herzieningg van het NAVO-verdrag, zou Portugal uit het bondgenootschap verwijderd moetenn worden. De FJG had aan de demonstratie meegedaan, omdat zij van mening was datt de strijd tegen de koloniale misdaden van de NAVO-partners (naast Portugal werd ookk Frankrijk bedoeld) bij de PvdA op een te laag pitje stond. De partij had die misdadenn wel veroordeeld, maar naar de buitenwacht niet duidelijk kunnen maken een strijdbaree partij tegen 'fascistische uitingen van militaire bondgenoten' te zijn. Van denn Doel wilde wel het misverstand wegnemen dat de FJG tegen de NAVO als geheel was.. Volgens hem waren de meeste FjG-ers overtuigde NAVO-aanhangers. Er was dan ookk nauwlettend toegezien dat er door de jongerenorganisatie geen pamfletten werdenn verspreid tegen de NAVO als zodanig.95 Voorr het partijcongres van maart 1965 had de FJG er bij de partijleiding op aangedrongenn zich krachtig tegen het NAVO-lidmaatschap van Portugal uit te spreken.9 Vanuitt de afdelingen waren er eveneens voorstellen geformuleerd, waarin uitstoting vann Portugal uit de NAVO werd bepleit.97 Van der Stoel, die het woord voerde over de buitenlandsee politiek op het congres, wees er op dat de PvdA bij herhaling het optreden vann Portugal, zowel in het eigen land als in de koloniën, had veroordeeld. De PvdA had err bij de regering ook met klem op aangedrongen geen wapens te leveren aan Portugal.

DEE S T R I J D T E G E N DE A T O O M A N ARC H I E

123 3

Vann der Stoel verwierp de voorstellen, waarin werd aangedrongen op verwijdering van Portugall uit de NAVO. Zijns inziens werden dan de prioriteitenn verkeerd gesteld. In de eerstee plaats zou de eis gesteld moeten worden dat de democratie in dat land terugkeerde.. Met kracht zouden de democratische krachten in Portugal moeten worden gesteund.. Bovendien wilde hij ook nog een misverstand uit de weg ruimen. In 1969 werd hett verdrag van de NAVO wel herzien, maar er bestond geen mogelijkheid bondgenoten uitt te sluiten. Nederland kon dan ook niet veel meer doen dan stevige druk op Portugal uitoefenenn en de democratische krachten in het land steunen/8 Opp het congres kwam nog een manier ter sprake om de bondgenootschappelijke bandd met Portugal te verbreken. Nederland zou in 1969 zelf uit de NAVO moeten treden,, indien het fascistische Portugal lid zou blijven. Voor deze optie leek bijna geen vann de congresgangers te voelen." In de uiteindelijk aangenomen resolutie werd er mett geen woord gerept over een eventueel Nederlands uittreden in 1969. Wel werd er gepleitt voor krachtige steun aan democratische krachten in Portugal en de afwijzing vann wapenieveranties. Tevens werd het Partijbestuur opgedragen met de zusterorganisatiess te overleggen over de mogelijkheid in het NAVO-verdrag een bepaling op te nemenn om fascistische landen uit te sluiten. Ten slotte werd associatie van Portugal mett de EEG onaanvaardbaar geacht.'00 Veel van de bovengenoemde maatregelen warenn overigens ook van toepassing op Spanje en Zuid-Afrika.'02 Vooralsnogg was het een zeer kleine groep van met name jonge socialisten die het Nederlandsee NAVO-lidmaatschap wezenlijk ter discussie stelde. De overgrote meerderheidd van de PvdA wilde ondanks het lidmaatschap van Portugal onverkort vast te houdenn aan het Atlantisch bondgenootschap. Wel zou je kunnen zeggen dat de relatievee ontspanning tussen de beide machtsblokken meer ruimte schiep voor bezinning inn eigen kring. De ergste kou tussen de su en de vs verdween na 1963 uit de lucht. De verbeteringg van de betrekkingen kreeg vorm door het instellen van een hotline tussen Washingtonn en Moskou en de test ban treaty, het verbod op bovengrondse kernproeven.. Door de détente werd de NAVO in toenemende mate gezien als meer dan alleen eenn militair bondgenootschap. De Westerse waarden als democratie en vrijheid deden niett alleen dienst als tegenwicht van het communisme, maar vormden tevens een leidraadd voor de houding ten opzichte van de vrijheidsstrijd die in veel gebieden in de Derdee Wereld werd gevoerd. De discrepantie dat de NAVO een organisatie was voor de verdedigingg van vrijheid en democratie, terwijl een ondemocratisch regime lid was vann het bondgenootschap, kreeg tevens meer gewicht. Bovendien vormde de verdeeldheidd binnen de NAVO eveneens aanleiding om de militaire organisatie steeds kritischerr te benaderen. Hett zou echter nog enige jaren duren voordat deze kritische geluiden op een brederr draagvlak konden rekenen. De critici werden daarbij enigszins geholpen door dee Amerikaanse militaire interventie in Vietnam. Het optreden van de Amerikanen inn Vietnam zou in toenemende mate kritiek ontlokken op de belangrijkste bondgenoot,, de vs.

124 4

TUSSENN W E N S EN WERKELIJKHEID

Eenn hachelijke onderneming tegen het Peking-communisme Dee voorgeschiedenis van de Amerikaanse interventie in het Vietnamese conflict begintt in 1954. In dat jaar werd het vertrek van Frankrijk uit Indochina geregeld in de akkoordenn van Genève. Vietnam werd opgedeeld in twee delen, het communistische Noordenn en het 'vrije' Zuiden. De Amerikanen wilden voorkomen dat Zuid-Vietnam communistischh zou worden en steunden de dictatoriale leider van het land, president Diem.. De vs gaven financiële steun en Zuid-Vietnam werd opgenomen in de Zuidoost-Aziatischee Verdragsorganisatie (ZOAVO), een Aziatische tegenhanger van de NAVO.. Het regime van Diem kon niet rekenen op brede steun van de bevolking en weigerde,, de in de akkoorden van Genève overeengekomen, vrije verkiezingen uit te schrijven.. Diem werd eind jaren vijftig geconfronteerd met gewapende opstandelingen,, die zich weldra verenigden in het Nationale Bevrijdingsfront (NLF). Dit bevrijdingsfrontt bestond in meerderheid uit communisten en kreeg later meer bekendheidd onder de naam 'Vietcong'."" Onduidelijkk is in hoeverre de Vietcong handelde op instructies van het communistischee Noord-Vietnam. Zeker is wel dat zij nauwe banden met Hanoi onderhielden.. Voor president Kennedy stond in ieder geval vast dat Noord-Vietnam de drijvendee kracht achter de rebellie van de Vietcong was. Hij wilde koste wat het kost voorkomenn dat Zuid-Vietnam aan het communisme ten prooi zou vallen, temeer daar hij vreesdee voor een 'domino-effect' in de rest van Zuidoost-Azië. Met name voor de strategischh belangrijke landen als Indonesië en de Filippijnen werd gevreesd. Meer algemeenn zou je kunnen stellen dat de vs voor haar politiek in Zuidoost-Azië sterk gebukt gingg onder het eerdere 'verlies van China'. De frustratie over het communistisch wordenn van China in 1949, liet geen ruimte voor een objectieve afweging van doel en middelenn om de opmars van het communisme aldaar te stuiten. Daar kwam bij dat het optimismee van de regering-Kennedy om Zuid-Vietnam voor een communistische omwentelingg te behoeden groot was. De vs hadden immers nog nooit een oorlog verlorenn en door middel van interventies in diverse landen waren de vs er steeds in geslaagdd een communistische machtsovername te voorkomen. De grote technologische overmachtt van de vs zou het neerslaan van de communistische opstand in ZuidVietnamm een eenvoudige zaak maken.'0' Dee opvolger van de vermoorde Kennedy, L.B. Johnson, bleef Zuid-Vietnam ook steunen.. Hij wilde niet de boeken ingaan als de president 'who saw Southeast Asia go thee way China went'.'"4 Hij beschouwde Zuid-Vietnam als een testcase voor de Amerikaansee betrouwbaarheid. Ondertussen was president Diem bij een aanslag om het levenn gekomen en versterkte de Vietcong in hoog tempo haar positie op het platteland.. De roep om harde maatregelen werd in de vs steeds sterker. De aanval op Amerikaansee schepen in 1964 in de Golf van Tonkin, was voor de regering-Johnson aanleidingg om maatregelen te nemen. Johnson kreeg van de volksvertegenwoordiging nagenoegg unanieme steun voor de zogenaamde Tonkin-resolutie. In deze resolutie werd

DEE S T R I J D T E G E N DE A T 0 0 M A N A R C H I E

125 5

hett behoud van Zuid-Vietnam essentieel genoemd voor de veiligheid van de vs en het behoudd van de wereldvrede. De president kreeg een blanco volmacht om alle noodzakelijkee middelen in te zetten om deze doelstelling te verwezenlijken. Deze carte blancheblanche zou. het sein zijn voor een grootscheepse militaire interventie. Zo arriveerden err in 1965 alleen al zo'n 80.000 Amerikaanse militairen in Vietnam. Naar aanleiding vann de dood van enkele Amerikaanse militairen tijdens een aanval van de Vietcong, besloott Johnson tevens Noord-Vietnam te bombarderen. De bombardementen warenn bedoeld als vergelding, maar poogden ook een einde te maken aan de wapenleverantiess van Hanoi aan de Vietcong. Het conflict in Zuidoost-Azië was hierdoor verwordenn van een Vietnamees conflict tot 'an American war very inefficiently assistedd by the South Vietnamese'.05 Binnenn de PvdA werden deze ontwikkelingen met zorg gadegeslagen. Eind 1964 hadd Piet Dankert, de coming man op het gebied van de buitenlandse politiek, (ai) weinigg vertrouwen in een goede afloop van het militaire optreden van de vs in ZuidVietnam.. De 'vrome leus' dat de Amerikanen de vrijheid verdedigden in ZuidVietnamm achtte hij onhoudbaar. Zuid-Vietnam was in feite een Amerikaans protectoraat,, waar nog nooit vrije verkiezingen waren gehouden. Daarmee hadden de Amerikanen,, even hard als de communisten, de akkoorden van Genève geschonden en werd zelfss hun positie als morele leider van de vrije wereld ondermijnd. Voor hem stond tevenss vast dat militaire hulp aan Zuid-Vietnam nooit tot een oplossing zou kunnen leiden.. Niet de militairen, maar de bevolking van Zuid-Vietnam moest beslissen over dee toekomst van het land.10 Vann der Stoel meende eveneens dat de militaire interventie in Vietnamm weinig uitzichtt bood op een oplossing. Door de Amerikaanse interventie dreigde het gevaar van escalatiee waarbij China en de vs militair tegenover elkaar zouden komen te staan. Dit moestt te allen tijde voorkomen worden. Aan de andere kant was hij van mening dat Vietnamm niet zonder meer kon worden prijsgegeven. Het Chinese communisme zou dann weldra Zuidoost-Azië overspoelen, vreesde hij. De meest verkieslijke oplossing vann het conflict was een terugkeer naar de onderhandelingstafel door de beide strijdendee partijen. Het grootste probleem daarbij was de vraag, onder welke voorwaarden err onderhandeld moest worden. Van der Stoel had geen kant en klare oplossingen voorhanden.. De enige mogelijkheid die hij zag, was gebruik te maken van de verdeeldheidd in de communistische wereld. Hanoi wilde een van Peking onafhankelijke koerss en ook tussen de su en China bestonden fundamentele tegenstellingen. Door diplomatiekk handig te opereren zou er voor Washington wellicht nog een aanvaardbaree regeling uit het vuur te slepen zijn.'07 Dezee visie van Van der Stoel representeert de enigszins dubbelhartige houding, die dee PvdA ten aanzien van het Vietnamese conflict in 1965 innam. Aan de ene kant wildee de partij de vs niet afvallen. Zij waren immers de belangrijkste bondgenoot. Hett optreden van de Amerikanen werd door de partij gerechtvaardigd door te benadrukkenn dat er weerstand geboden moest worden tegen het oprukkend communisme.

126 6

TUSSENN W E N S EN WERKELIJKHEID

Zoo liet de nieuwe fractievoorzitter G.M. Nederhorst op het congres van maart 1965 wetenn dat 'de uitzaaiing van het Peking-communisme' moest worden tegengegaan. Aann goedkopee kritiek op de Amerikaanse politiek in Zuidoost-Azië wilde hij niet meedoen,, want de vs offerden 'goed en bloed voor de strijd waarvan uiteindelijk de vrijheidd werd verwacht'. Aan de andere kant kon de PvdA het Amerikaanse beleid ook niett kritiekloos volgen. Met de dag werd duidelijker dat via een militaire interventie dee vrede niet gewonnen kon worden. Met name de bombardementen achtte men afkeurenswaardig.. Daarbij vielen onschuldige burgerslachtoffers en ze kweekten slechts eenn sfeer van haat tegen het Westen en tegen de vs in het bijzonder. De PvdA zou uit dezee spagaat worden verlost indien het conflict vreedzaam werd beëindigd. De partij pleittee daarom voor een stopzetting van de bombardementen en een terugkeer naar de onderhandelingstafel.. Tevens diende de bevolking van Zuid-Vietnam zich uit sprekenn in vrije verkiezingen onder auspiciën van devN. Devs moesten bereid zijn de uitslagg van deze verkiezingen te accepteren en de onafhankelijkheid van het nieuwe regimee moest vervolgens worden gegarandeerd en gesteund door grootscheepse ontwikkelingshulp.'08 8

Vann stichtelijke fraseologie naar redelijkheid Inn het voorjaar van 1965 verklaarde president Johnson, dat de vs bereid waren zonder voorafgaandee voorwaarden te overleggen om tot een vreedzame oplossing van het conflictt in Vietnam te komen. In een verklaring liet het Partijbestuur weten dit als een positieff signaal op te vatten. Alles moest worden gedaan om verdere escalatie van de gewelddadighedenn te voorkomen. Het Partijbestuur riep daarom ook de communistischee tegenpartij op, zich bereid te verklaren onvoorwaardelijk te onderhandelen.1099 De gedachte van Johnson om een nieuw internationaal ontwikkelingsplan voor Zuidoost-Aziëë te ontwerpen, kon eveneens op warme steun van de PvdA rekenen. Het Partijbestuurr meende dat een doeltreffend verzet tegen het communisme in Vietnam werdd belemmerd door 'de obstructie van de sociale revolutie' in dat land door een kleinee bevoorrechte groep. Het Westen zou daarom met grootscheepse ontwikkelingshulpp het sociale omwentelingsproces in Zuid-Vietnam moeten ondersteunen."0 Hett enthousiasme van de partij voor een dergelijk ontwikkelingsplan was niet nieuw binnenn de partij, maar illustreert dat de PvdA tevens oog had voor de sociaal-economischee kanten van het conflict in Vietnam. Hett belang van economische hulp kwam ook tot uiting in de motie-Ruygers, die doorr de PvdA in het Kamerdebat van mei 1965 over Vietnam werd ingediend. Met dezee motie werd voor het eerst min of meer het officiële partijstandpunt inzake Vietnamm vastgelegd. De partij stond nog altijd ambivalent tegenover het Amerikaanse optredenn in Vietnam. De schuld van het conflict werd door de fractie eenzijdig bij Chinaa gelegd, maar de partij geloofde niet dat de militaire interventie tot vrede zou

DEE S T R I J D T E G E N DE A T O O M AN ARC H I E

127 7

leiden.. In de motie werd aangedrongen op een wapenstilstand en ondethandelingen. Dee wezenlijke problematiek in Vietnam betrof echter niet de militaire kant van de zaak,, maar de deplorabele sociaal-economische toestand waarin het land verkeerde. Eenn grootscheeps hulpprogramma zou daar verbetering in moeten brengen. De motie steldee voor om na het beëindigen van de vijandelijkheden, met kracht Europese steun tee verlenen aan een omvangrijk economisch hulpprogramma zoals dat door president Johnsonn was voorgesteld." Vann een dergelijk hulpprogramma voor Vietnam kwam voorlopig niets terecht. In plaatss daarvan vonden steeds meer militairen en oorlogsmaterieel hun weg naar ZuidVietnam.. Deze ontwikkeling was voor het Partijbestuur aanleiding om haar bezorgdheidd uit te spreken. Het bestuur achtte een duurzame en rechtvaardige oplossing van hett conflict in Vietnam niet mogelijk langs militaire weg. De PvdA wilde zich van hartee aansluiten bij hetgeen door de Britse Labourparty op het congres in Blackpool wass gesteld. Het Labour-voorstel betrof vier punten. Ten eerste diende er een 'staakt hett vuren' te komen, gevolgd door een vredesconferentie. Ten tweede moesten de Amerikanenn de bombardementen op Noord-Vietnam direct stopzetten en de NoordVietnamezenn de militaire steun aan de Vietcong beëindigen. Ten derde dienden alle vreemdee troepen zich uit Vietnam terug te trekken en Zuid- noch Noord-Vietnam mochtt deel uit maken van een militaire alliantie. Ten slotte diende er een omvangrijk hulpprogrammaa ontwikkeld te worden en zouden er zo snel mogelijk vrije verkiezingenn moeten worden gehouden onder toezicht van de VN.' 2 Doorr de militaire escalatie werd het voor een groot deel van de partij steeds moeilijkerr het Amerikaanse optreden te verdedigen. Dankert vroeg zich af of de vs de verhoudingg tussen doel en middelen niet uit het oog waren verloren. Vietnam was niet de sleutell voor de toekomstige ontwikkeling van Zuidoost-Azië. Het Amerikaanse optredenn zette alleen maar kwaad bloed in Zuidoost-Azië en China plukte daar de vruchten van.. Wanneer de Amerikanen kans zagen een rechtvaardige vrede in Vietnam te realiseren,, zou dat kunnen leiden tot een aanzienlijke verbetering van de betrekkingen met eenn groot aantal landen in Zuidoost-Azië. Veel hing af van de wijze waarop de vs zich uitt het hachelijke Vietnamese avontuur zouden weten te redden, aldus Dankert."3 Inn de loop van 1965 begon de PvdA zich stilaan steeds kritischer uit te laten over hett Amerikaanse optreden in Vietnam. Dat was het linkse opinieblad De Groene AmsterdammerAmsterdammer met ontgaan. Volgens het weekblad had de partij in het begin van het conflictt gedwee in de pas van Luns gelopen, 'terwijl je van socialisten toch woedende protestenn mocht verwachten tegen de smerigste imperialistische oorlog sinds 1945'. Dee door de partij eerder beleden ernstige bezorgdheid over de ontwikkelingen in Vietnamm werd afgedaan als 'stichtelijke fraseologie'. Tevreden constateerde De Groene fax dee PvdA, zij het wat laat, alsnog een behoorlijke zwaai naar 'redelijkheid en menselijkheid'' had gemaakt."4 Niett iedereen binnen de PvdA had deze ommezwaai naar 'redelijkheid en menselijkheid'' gemaakt. Op 29 oktober 1965 verdedigde Lou de Jong het Amerikaanse stand-

128 8

TUSSENN W E N S EN WERKELIJKHEID

puntt tijdens teach inns in Amsterdam en Leiden. In het zelfde jaar stelde De Jong onderr meer dat de Amerikanen in Vietnam waren om het oprukkende communisme vann de Volksrepubliek China tot staan te brengen. Het was daarom niet gepast de vs te bekritiserenn of af te vallen.'5 Ook Frans Goedhart verdedigde eind 1965 in de Tweede Kamercommissiee voor Buitenlandse Zaken de Amerikaanse militaire interventie. Hij riepp net als De Jong op tot terughoudendheid in het bekritiseren van de vs."s

Besluit t Dee partij kreeg in de periode 1963-1965 de gelegenheid om haar vredespolitiek nader te omlijnen.. Enerzijds dwongen de internationale ontwikkelingen de partij haar standpuntt in de praktijk te toetsen. Anderzijds ging de PvdA voort op de ingeslagen weg vann wederzijdse ontwapening, door dit streven verder uit te werken. De partijleiding bleeff de regie over vrede en veiligheid strak in handen houden. De partij was er veel aann gelegen om geen herhaling van zetten te krijgen. De commissie Vrede en ontwapeningning kreeg daarom de strikte opdracht te werken vanuit het vertrekpunt van wederzijdsee ontwapening. Een hernieuwde discussie over eenzijdige atoomontwapening wass hierdoor uit den boze en de atoompacifisten deden in de commissie in feite voor spekk en bonen mee. Hett parool dat een politieke partij dient te handelen in de context van de bestaandee (internationale) machtsverhoudingen had nog niet aan kracht ingeboet. Het uitwerkenn van het standpunt van wederzijdse ontwapening zou dan ook uitmonden inn een concreet politiek programma. Daarin werd de vorming van nieuwe nationale atoommachtenn als de gevaarlijkste bedreiging voor de wereldvrede bestempeld. Een multi-nucleairee wereld zou de kans op oorlog aanzienlijk groter maken en de kans op eenn ontwapeningsovereenkomst verkleinen. Non-proliferatie stond dan ook centraal inn de vredespolitiek van de partij en veel andere punten waren hiervan afgeleid. Het verbodd op bovengrondse kernproeven was een goed begin om de verspreiding van kernwapenss tegen te gaan, maar jammer genoeg het halve werk. Aanvullende maatregelenn waren nodig om dit gevaar afdoende in te dammen. Non-proliferatie betekendee ook het tegengaan van nationale atoommachten in Europa en het verzet tegen eenn Europese kernmacht. Dee strijd tegen de atoomanarcbiewetd actueel toen er begin jaren zestig allerlei plannenn voor een gezamenlijke kernmacht, al dan niet in het kader van de NAVO, werden gelanceerd.. Deze voorstellen waren bedoeld om de crisis in de NAVO te bezweren. Het debatt zou zich uiteindelijk toespitsen op het voorstel van de vs voor een MLF. In de discussiee hierover in Nederland deden zich twee accentverschuivingen voor. Het nonproliferatie-argumentt won in de loop der tijd steeds meer aan gewicht. De actualiteit gaff daar ook aanleiding toe. Na het Kernstopverdrag in 1963 werden er in Genève onderhandelingenn gevoerd tussen de vs en de su over een verdrag dat de verdere versprei-

DEE S T R I J D T E G E N DE A T O O M A N A R C H I E

129 9

dingg van kernwapens moest tegengaan. De Russen beschouwden de plannen voor een gezamenlijkee kernmacht voor de NAVO als een gevaarlijke ontwikkeling, die een WestDuitsee atoommacht dichterbij bracht. Door het verzet van de su, gebaseerd op die angst,, kwamen de besprekingen in Genève niet veel verder. Een tweede accentverschuivingg in de argumentatie, was gelegen in de toenemende angst voor een Europese kernmacht.. De critici vreesden dat de MLF als een opstapje zou dienen voor een onafhankelijkee Europese kernmacht."7 De verklaringen van het Comité Monnet en het voorstell van de zogenaamde Europese clausule, die de mogelijkheid openliet voor de Europeanenn om als een groep binnen het MLF-comité te opereren, voedde deze angst. Binnenn de PvdA leverde de MLF in vergelijking met andere politieke partijen de meestee controversen op. Vanaf het begin van de MLF-discussie wisten de critici, bij mondee van Wierda, Van der Stoel en Vondeling, hun stempel op het partijstandpunt tee drukken. Zij meenden dat de MLF 'een ondeugdelijk lapmiddel' was om de crisis in dee NAVO te bezweren. Het voornaamste bezwaar was de militaire zwakte van het concept.. Er bestond geen enkele militaire noodzaak voor een MLF, omdat het Amerikaansee nucleaire arsenaal ruim voldoende was om de Russische dreiging het hoofd te bieden.. Daarbij leek de MLF ook niet bepaald een adequate oplossing voor de politieke problemenn binnen het bondgenootschap, aangezien het Amerikaanse veto onverkort gehandhaafdd bleef. Tevens was het maar zeer de vraag of het daadwerkelijk een dam zouu kunnen opwerpen tegen de vorming van nationale atoommachten. Frankrijk liet zichh immers niet onder 'nucleaire curatele' stellen en werkte onverminderd voort aan zijnn force defrappe.Er zaten ook schadelijke kanten aan het Amerikaanse plan. De MLF konn als opmaat dienen van een onafhankelijke Europese kernmacht. Door het hardnekkigee verzet van de su tegen het plan, betekende het bovendien een bedreiging voor dee ontluikende ontspanning tussen Oost en West. Hett non-proliferatie-argument kreeg binnen de PvdA van het begin af aan relatief veell gewicht. Frankrijk, maar vooral Duitsland diende af te zien van de opbouw van eenn nationale atoommacht. Anders gezegd, er mochten niet meer vingers aan de atoomtrekkerr komen. Naast non-proliferatie kreeg ook het eventueel blokkeren van dee ontspanning tussen Oost en West door de MLF relatief veel aandacht. Dit is niet verwonderlijk,, omdat de partij zich de afgelopen jaren intensief met het vraagstuk van dee atoombewapening en het streven naar ontspanning had bezig gehouden en non-proliferatienon-proliferatie als speerpunt van een 'actieve vredespolitiek' had benoemd. Dee voorstanders van de MLF lieten zich aanvankelijk spaarzaam horen, terwijl daar tochh ruimschoots de gelegenheid voor bestond. Pas toen de Europese dimensie van de MLFF op de voorgrond trad, begonnen de voorstanders zich duidelijker te roeren. De meerr Europees georiënteerde partijgenoten zoals Van der Goes, Mansholt, Samkaldenn zagen de MLF als het enige voorhanden zijnde wapen tegen de ongewenste politiekk van De Gaulle. Voorkomen moest worden dat de Europese politiek door Frankrijkk werd gedomineerd en de EEG daardoor los werd geweekt van de vs. Dat het plan militairr overbodig was, deed in dit verband niet ter zake. De MLF met Britse deel-

130 0

TUSSENN WENS EN WERKELIJKHEID

nemingg bood bovendien de mogelijkheid om de Engelsen, die door het veto van De Gaullee buiten de Europese boot werden gehouden, toch aan Europa te binden en zodoendee tegenwicht te bieden tegen de as Frankrijk-Duitsland. De MLF kon tevens dienstbaarr zijn aan de doelstelling om Duitsland ook op nucleair terrein stevig in tee kapselen, zodat een keuze voor Parijs, of erger nog een 'nucleaire Alleingang, voorkomenn kon worden. Ditt illustreert de stelling van Hellema dat de Atlantische verbondenheid door Nederlandd ook ingezer kon worden in de Europese politiek tegen Duitsland, maar zekerr ook tegen Frankrijk. De 'Europeanen' in de partij gingen bij de MLF uit van het primaatt van de Europese politiek. Het Amerikaanse plan en meer in het algemeen de Atlantischee verbondenheid kon dienstbaar zijn aan het realiseren van bepaalde doeleindenn in de Europese politiek. De Atlantici gingen van het tegenovergestelde uit. Een geïntegreerdd Europa zou in hun ogen vooral een versterking van het Atlantisch bondgenootschapp moeten betekenen. Zij wensten de MLF daarom te beoordelen op zijn Atlantischee merites. Oftewel, was het Amerikaanse voorstel een geschikt middel om dee crisis in de NAVO te bezweren? Door dit verschil van inzicht liepen de meningsverschillenn in de partij over de MLF hoog op. Eenstemmigheidd over de MLF was binnen de partij niet haalbaar. Toen duidelijk werdd dat de MLF er toch niet zou komen, werden er een aantal voorwaarden geformuleerdd waaraan een oplossing voor de crisis in de NAVO diende te voldoen. Uitgangspuntt was dat het Amerikaanse veto gehandhaafd diende te blijven en de regeling dienstbaarr moest zijn aan non-proliferatie. Met kracht werd er daarom nog eens stellingg genomen tegen een Europese kernmacht. De oplossing voor de crisis in de NAVO moestt meer worden gezocht in het verbeteren van de consultatie inzake de gehele planningg en strategie van de Amerikaanse afschrikking. Met de oprichting van de NucleairNucleair Planning Group werd de partij op haar wenken bediend. Opp een ander terrein werd de PvdA eveneens gedwongen zich uit te spreken. Geen enkelee zichzelf respecterende partij kon het zich immers permitteren om geen mening tee formuleren over de Amerikaanse militaire interventie in Vietnam. De partij werd in dee eerste jaren van het Vietnam-conflict heen en weer geslingerd tussen bondgenootschappelijkee solidariteit en anticommunisme aan de ene kant en de weerzin tegen de militairee interventie en de vrees voor de uitzichtloosheid daarvan aan de andere kant. Hett Amerikaanse optreden werd gebillijkt door de noodzaak van de strijd tegen het 'Peking-communisme'' te benadrukken. De partij had echter al snel in de gaten dat eenn rechtvaardige en duurzame oplossing in Zuid-Vietnam niet met militaire middelenn afgedwongen kon worden. De regering in Zuid-Vietnam kon niet op de steun van dee bevolking rekenen en het land behoefde niet zozeer militaire steun, maar vooral sociaal-economischee ontwikkeling. De partij maakte zich dan ook sterk voor een grootscheepss hulpprogramma om de sociaal-economische ontwikkeling in het land te versnellen.. Dit streven sloot naadloos aan bij het belang dat de PvdA in meer algemenee zin aan ontwikkelingshulp hechtte.

DEE S T R I J D T E G E N DE A T O O M A N A R C H I E

131 1

Nadatt de gemoederen over de MLF weer tot bedaren waren gebracht, werd voorzichtigg de Atlantische koers van de partij ter discussie gesteld. Steen des aanstoots was hett NAVO-lidmaatschap van het ondemocratische Portugal. Het zou niet lang duren voordatt de schroomm op dit punt werd afgeworpen. Met de opkomst en integratie van Nieuww Links werd de Atlantische oriëntatie van de partij inzet van felle discussies. In hett volgende hoofdstuk wordt nader ingaan op deze woelige episode uit de partijgeschiedenis. .

Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.