VELDSPATEN: een grote familie


1 Roep, Th. B and Van Regteren Altena, J. F, Paleotidal levels in tidal sediments ( BP); compaction, sea-level rise and human occupation at Bovenkarsp...
Author:  Ine van den Velde

1 downloads 16 Views 1MB Size

Recommend Documents


No documents


Roep, Th. B and Van Regteren Altena, J. F, 1988. Paleotidal levels in tidal sediments (3800- 3635 BP); compaction, sea-level rise and human occupation at Bovenkarspel, NW Netherlands. In: P. L. de Boer, A. van Gelder and S. D. Nio (editors), TideInfluenced Sedimentary Environments and Fades. D. Reidel, Dordrecht, p. 215-231. Stive, M. J. F, Roelvink, J. A. and De Vriend, H. J., 1990. Largescale coastal evolution concept. The Dutch Coast. Proc. Int. Conf. Coastal Eng., 22nd, Pap. 9, ASCE, New York. Van der Spek, A. J. F. and Beets, D. J., 1992. Mid-Holocene evolution of a tidal basin in the western Netherlands: a model for

future changes in the northern Netherlands under conditions of accelerated sea-level rise. Sedimentary Geology, 80, p. 185-197. Van Straaten, L. M. J. U., 1964, De bodem der Waddenzee. Het Waddenboek, Thieme & Cie, p. 75-152. Van Straaten, L. M. J. U., 1975, De sedimenthuishouding in de Waddenzee. Symposium Waddenonderzoek, Med. 1 Werkgroep Waddengebied, p. 5-23. Warrick, R. A. and Oerlemans, J., 1990. Sea-level rise. In; J. T. Houghton, G. J. Jenkins and J. J. Ephraums (editors), Climate Change, the IPCC Scientific Assesment. Cambridge University Press, Cambridge, p. 257-281.

VELDSPATEN: een grote familie door J. Stemvers-van Bemmel

De aardkorst waarop wij leven en waarmee wij ons hier geologisch bezighouden heeft naar wij momenteel weten zo'n 4000 mineralen te bieden. Maar het zijn slechts zeven mineraalgroepen, die het overgrote deel van het korstmateriaal uitmaken: plagioklaas alkaliveldspaat kwarts pyroxenen amfibolen glimmers olivijnen

39massa-% 12 12 11 5 5 3 87

gische en kristallografische eigenschappen, of is op microscopisch-petrografische leest geschoeid. Hier volgt een poging om de vele voor veldspaten gebruikte namen en eigenschappen eens op een rijtje te zetten en te "vertalen" naar de mineralenliefhebber.

Veldspaten: twee mengreeksen Helaas zijn er eerst een paar formules nodig. Veldspaten zijn silicaten: het zijn verbindingen die bestaan uit een [silicium-, aluminium- en zuurstof-]groep en één of meer van de elementen kalium, natrium en calcium. Zowel de plagioklazen als alkaliveldspaten vormen een mengreeks, d.w.z. de eindleden van twee verwante verbindingen zijn onderling mengbaar. Zo kan de samenstelling van de plagioklazen variëren tussen albiet (Ab) en anorthiet (An). Albiet is het natriumhoudende eindlid van de reeks: Na(AISi O ), anorthiet is het calcium-eindlid: Ca(AI Si 0 ). Tussenliggende samenstellingen hebben aparte namen. Hoe Carijker de plagioklaas is, hoe "basischer" zijn samenstelling wordt genoemd. De verschillen tussen de plagioklaasmineralen onderling zijn met het blote oog eigenlijk niet te zien, wel onder een polarisatie-microscoop. Plagioklaas is triklien; idiomorfe kristallen zijn blok- tot latvormig; zij vertonen een evenwijdige streping, die bij flinke kristallen (zeg, 1 cm) vaak met de loep zichtbaar is. Deze strepen zijn de alternerende, evenwijdige lamellen van de bij plagioklazen haast altijd optredende albietvertweelinging. 3

Over het totaal van de korstgesteenten gemeten is de veldspaatgroep (plagioklazen en alkaliveldspaten samen) met 51 % de grootste aandeelhouder. In basische gesteenten, zoals bazalten, gabbro's, amfibolieten, overheersen sterk de plagioklazen; als we kijken naar de zure gesteenten: granieten, syenieten, rhyolieten, gneizen, dan is het alkaliveldspaatgehalte het grootst. Maar waar eerder zeldzame "speldeknop-mineralen" de aandacht van mineralenverzamelaars krijgen, blijft er voor de veldspaten hooguit een rol als ondergrond of matrix over, als ze al worden opgemerkt. Omdat veldspaten vaak ook niet erg hun best doen om op te vallen blijven ze bij mineralenliefhebbers tamelijk onbekend. Ze zijn bij uitstek gesteentevormend, al zijn er ook variëteiten die door verzamelaars hoog worden gewaardeerd en zelfs die edelsteenkwaliteiten bezitten. Hun afmetingen kennen soms geen grenzen: uit pegmatieten (Noorwegen, Finland) zijn metersgrote en duizenden tonnen zware kristallen bekend. Kortom, de veldspaten vormen een omvangrijk onderwerp; er zijn veel termen in omloop en daardoor is begripsverwarring hun deel. Natuurlijk bestaat er over veldspaten volop vakliteratuur. Deze belicht de mineralo-

a

2

2

8

Ook aan de kant van de alkaliveldspaten is er menging mogelijk, en wel tussen kalium- en natriumcomponenten: K(AISi 0 ), kaliveldspaat (Kv), en Na(AISi 0 ), albiet. De mengvormen van deze reeks ontstaan bij tamelijk hoge temperatuur; ze zijn echter bij het afkoelen van een magma niet steeds zo stabiel als de plagioklazen. Uit de driehoek van afb. 1 is op te maken, bij welke samenstelling de veldspaten wel en niet stabiel zijn. Bij afkoeling ontstaan aparte mineralen. Sanidien (monoklien) ontstaat al bij hoge temperatuur; bij middelmatige temperatuur wordt orthoklaas (eveneens monoklien) gevormd en bij lage temperatuur het trikliene mikroklien. Aan het natriumrijke uiteinde van de serie bevindt zich weer albiet. De deelname van albiet aan de mengreeks geeft de groep de naam alkaliveldspaat (naar de alkali-metalen natrium en kalium). De Na-, K- en Ca-componenten zijn ook gedrieën mengbaar, maar wel in beperkte mate. 3

3

8

8

57

Veldspaten zijn redelijk hard: 6 - 6 /2 op de schaal van Mohs. Ze worden dus door kwarts gekrast. Zelf krassen ze uw hamer. Deze hamer krast calciet - ziedaar een snelle schifting in enkele veel in het veld voorkomende mogelijkheden. De splijting is zeer goed: orthos = recht; klasein = splijten; dit geldt voor alle veldspaten. Bij onverweerde kristallen glanzen de splijtvlakken in het licht. Blootgesteld aan oppervlakte-omstandigheden verweren de veldspaten op den duur. Ze krijgen een troebel aanzien, vaak verkleuren ze. Een vers breukvlak van een onverweerd gesteente is daarom het best voor de observatie. Met deze summiere kennis en een goede loep gewapend dringen we door in het oerwoud van de veldspaat-terminologie. 1

De alkaliveldspaten Sanidien komt voor als fenokristen in vulkanische gesteenten. Als het mineraal idiomorf voorkomt is het plaatvormig; het is kleurloos tot wit. Afb. 2-1. Afb. 3. Rastertextuur bij mikroklien, veroorzaakt door het gezamenlijk optreden van albiet- en periklien-vertweelinging. Slijpplaatje met gepolariseerd licht (XN). Beeldbreedte 0,8 mm.

Afb. 1. (Boven) Het bereik van de mengreeksen van de twee groepen veldspaten: plagioklazen en alkaliveldspaten. Bij hoge temperatuur zijn de veldspaten beter onderling mengbaar dan bij lage. Bij 1000 °C geldt dan ook de HT-lijn (boven), met sanidien en anorthoklaas. Bij 600 °C is de LTlijn (onder) van toepassing, met orthoklaas, mikroklien en perthiet. (NaarM.G. Best). Kv = kaliveldspaat: K(AISi OJ; Ab = albiet: Na(AISi OJ; An = anorthiet: Ca(AI Si OJ. 3

2

3

2

Afb. 2. (Onder) Enkele vormen van alkaliveldspaten. 1. sanidien; 2. orthoklaas; 3. orthoklaas, gestrekt evenwijdig aan de a-as; 4. anorthoklaas; 5. adulaar; 6. contacttweeling volgens de Karlsbad-wet; 7. doordringingstweeling volgens de Karlsbad-wet; 8. Baveno-tweeling; 9. Manebach-tweeling.

Orthoklaas (Or) is zeer algemeen, vooral in "zure" dieptegesteenten; hij is vaak rose, ook wel wit. Het voorkomen van perthiet (zie verderop) maakt het mineraal wat troebel. Idiomorf: blokvormig langprismatisch. Vaak als Karlsbad-tweelingen. Afb. 2-2 en 2-3. Mikroklien (bij lagere temperatuur gevormd dan orthoklaas) is eveneens een massa-produkt; het is de meest voorkomende alkaliveldspaat. Mikroklien lijkt veel op orthoklaas; onder de polarisatie-microscoop is het van orthoklaas te onderscheiden door twee loodrecht op elkaar staande vertweelingingen, een eigenschap die eigen is aan zijn trikliene (iets schuine) kristalbouw. Hoe lager de temperatuur bij de kristallisatie, hoe hoger de trikliniteit en hoe grover het raster van de vertweelinging. Dit grove raster kan soms met de loep worden opgemerkt. Zie afb. 3 en kleurenfoto AA in "Noorwegen" (Gea 1994, nr. 1, pag. 39). Anorthoklaas. Was mikroklien een triklien, K-rijk, lage-temperatuurmineraal van de alkaliveldspaatgroep, er is ook nog een triklien hoge-temperatuurmineraal: anorthoklaas, dat Na-rijk is. Dit mineraal kan in vulkanieten voorkomen. Afb. 2-4. Perthiet ontstaat bij langzame afkoeling door ontmenging van de Na-component (albiet) uit een Na-K-veldspaat. De albiet is als kleurloze of witte druppeltjes, sliertjes, bandjes in het gastheermineraal te zien. Als de gastheer gekleurd is, is dat zelfs zonder

58

G e a , 1994, nr. 2

Antiperthiet tenslotte heeft plagioklaas als belangrijkste component: de kali-veldspaat is hier de ontmengde gast. Antiperthiet is soms met de loep te zien, de gastheer zal dan de albietvertweelinging vertonen. Amazoniet is een mikroklien die groen gekleurd is door sporen koper, lood of andere verontreiniging. De eventuele witte slieren erin zijn weer perthitische albiet. Adulaar heeft een eigen, aparte kristalvorm; het is een hydrothermale kaliveldspaat-variëteit met een inhomogene structuur en een beperkte paragenese, bekend uit Alpine rekspleten. Afb. 2-5. Karlsbaders zijn veldspaattweelingen met parallelle doordringing; ze zijn 180°ten opzichte van elkaar gedraaid. Zij komen zowel bij monokliene als trikliene veldspaten voor, dus ook bij de plagioklazen. Gesteentevormend kunnen zij heel groot worden: in bepaalde granieten bereiken idiomorfe Karlsbaders van alkaliveldspaat wel een centimeter of acht. Afb. 2-6 en 2-7.

Afb. 4. Perthitische alkaliveldspaat in een slijpplaatje onder de polarisatie-microscoop met gekruiste nicols. Grijs: kaliveldspaat. Wit: albiet, ook aan de kristalbegrenzingen van de kaliveldspaat. Het gesteente is een ekeriet, (alkaliveldspaat-graniet) uit het Oslo-gebied. Beeldbreedte 4,5 mm. loep mogelijk. De afmeting is 1 -1/10 mm. Over het algemeen geldt: hoe grover de perthiet, hoe meer albiet. Afb. 4. Microperthiet is hetzelfde verschijnsel als perthiet, maar fijner. Deze is alleen microscopisch te zien. Cryptoperthiet is nog fijner en is pas met de elektronenmicroscoop aantoonbaar. Microperthiet en cryptoperthiet veroorzaken een "schilled-effect: het wit-blauwe oplichten (iriseren) van bepaalde vlakken in een veldspaat waarlangs de perthiet georiënteerd is. De alkaliveldspaat die dit verschijnsel vertoont wordt maansteen genoemd. Afb. 5. Granofirische vergroeiing van kwarts (wit) en kaliveldspaat (zwart, in uitdoofstand tussen gekruiste polarisatiefilters) in granitisch gesteente. Beeldbreedte circa 0,8 mm. Baveno-tweelingen hebben een diagonaal van het kristal als tweelingsvlak (afb. 2-8). Ze zijn veel minder algemeen dan Karlsbader-tweelingen, evenals Manebach-tweelingen, waarbij het tweelingsvlak evenwijdig aan het topvlak [001] ligt, afb. 2-9.

Afb. 6. Myrmekiet, wormvormige vergroeiing van plagioklaas en kwarts, voorkomend tussen plagioklaas- en alkaliveldspaatkristallen. Onder: plagioklaas met albietvertweelinging; boven: alkaliveldspaat. Slijpplaatje, gekruiste pol.-filters; beeldbreedte 0,8 mm.

Schriftgraniet wordt meestal beschouwd als een gelijktijdige kristallisatievorm van kwarts en alkaliveldspaat (microperthitische mikroklien). Het verschijnsel wordt ook wel grafische vergroeiing genoemd. Meestal is het al met het blote oog te zien. Niet altijd hebben de schrifttekens van de kwarts in hun gastheer dezelfde oriëntatie; in dat geval zou een gedeeltelijke vervanging van alkaliveldspaat door kwarts in het spel kunnen zijn. Zie kleurenafb. BB in "Noorwegen". Iets dergelijks, maar op veel fijnere schaal, komt voor in bv. rhyolieten en porfirische granieten; dit wordt granofirische structuur genoemd. Afb. 5. Myrmekiet is een vergroeiing van wormvormige kwarts en albietoligoklaas, doorgaans in granieten. Het verschijnsel treedt op op

59

het contact van alkaliveldspaat en plagioklaas. Gewoonlijk penetreert de myrmekiet vanuit de plagioklaas de alkaliveldspaat; de orthoklaas of mikroklien wordt daardoor vervangen. Afb. 6.

(veelal albiet) vormt in bepaalde richtingen in het kristal georiënteerde antiperthiet. Dit vertoont vergelijkbare slieren, druppels en bandjes als de perthiet in de alkaliveldspaat.

Rapakivi-textuur is de kenmerkende textuur van rapakivi-granieten. Grote alkaliveldspaten hebben een mantel (corona) van plagioklaas (albiet of oligoklaas). Er was plaatselijke migratie van Na uit de ontmenging van perthiet.

Peristeriet is de submicroscopische vergroeiing van albiet met oligoklaas; het verschijnsel is zichtbaar als "schiller"-effect en treedt op bij samenstellingen tussen An en An . Het verschijnsel is vooral bekend bij het ornamentale gesteente larvikiet, dat door de prachtig blauw oplichtende veldspaat heel geliefd is. De veldspaat bevat hier ook nog eens een aanzienlijke kaliumcomponent: Kv Ab An . Ook bij enkele andere Na/Ca-verhoudingen is de plagioklaas niet homogeen. Bij een gehalte van ongeveer An treedt er een submicroscopische ontmenging op die tot een blauwe labradorisatie leidt. Dit komt plaatselijk voor in de anorthosieten van Rogaland (ZW-Noorwegen), waar de labradorisatie vanwege de "Boggildlamellen" bij An duidelijk te zien is (zie kleurenafb. CC in "Noorwegen"). Hier betreft de labradorisatie inderdaad het mineraal labradoriet. "Huttenlocher-lamellen" zijn plagioklaas-ontmengingen in het bereik An : bytowniet; deze zijn wèl microscopisch zichtbaar. Ook hier treedt labradorisatie op.

Metamorfe orthoklaas. In hoog-metamorfe omstandigheden wordt kaliveldspaat gevormd door de instabiliteit van glimmers, bijvoorbeeld: muscoviet + kwarts ® orthoklaas + sillimaniet of kyaniet + water biotiet + kwarts ® orthoklaas + granaat of pyroxeen + water Barium-veldspaat. Voor de volledigheid: Celsian is de zuivere Ba-veldspaat: Ba(AI Si 0 ). Hyalofaan is een tussenvorm tusen adulaar en celsian. 2

2

8

en de plagioklazen

3

27

61

22

l2

50

50

7 0 90

Langs de linker balk van de afgebeelde driehoek in afb. 1 bevinden zich de plagioklazen, met van de Na- naar de Ca-pool een toenemend "anorthietgehalte". Albiet (Ab), is in de mengreeks van de plagioklazen het Naeindlid (afb. 7-1). Anorthiet (An) bevindt zich aan de Ca-kant van de mengreeks, afb. 7-2. In tegenstelling tot albiet komt anorthiet als mineraal praktisch niet voor. Wordt 10 - 30 % van de Na/Ca-hoeveelheid ingenomen door Ca (is het An-gehalte 10-30), dan is er sprake van oligoklaas. Bij An (dus als de Ca-component 30 - 50% is) heet het mineraal andesien. Bij A n ^ is het een labradoriet; bij An een bytowniet. Bij het uitkristalliseren van plagioklaas in een calcium/natriumhoudende silicaatsmelt ontstaat een plagioklaas met een anorthietgehalte dat bepaald wordt door de samenstelling van het magma. Door het onttrekken van Ca-rijke plagioklaas wordt de rest van het magma Ca-armer. De aangroei aan het plagioklaaskristal is met deze nieuwe situatie in overeenstemming en is dus ook Ca-armer. Hierdoor ontstaat een zonaire plagioklaas, waarin het An-gehalte vanaf de kern naar de rand duidelijk afneemt. In een basisch, bazaltisch magma kan dit variëren van bv. An (bytowniet) tot An (andesien); in een zuur, granitisch magma (d.w.z. rijk aan Si0 ) is een zonering van An naar An (oligoklaas) niet ongewoon. Soms is zonaliteit met een loep te zien; doorgaans alleen microscopisch. Afb. 8. Ook bij plagioklazen kan ontmenging optreden. De alkaliveldspaat 30 50

70 90

85

Albiet komt als goed ontwikkelde, idiomorfe kristallen veel voor. Kleurenafb. DD in "Noorwegen". Meestal wit; kristallen vaak ongeveer equidimensionaal; grote kristallen met duidelijke streping van de lamellaire vertweelinging evenwijdig aan de beste splijtrichting. In oude literatuur vaak natronspaat genoemd. Afb. 7-1. Periklien is de plagioklaas-equivalent van adulaar: hij wordt eveneens hydrothermaal gevormd en komt in een beperkte paragenese voor (Alpine rekspleten). Periklien heeft een karakteristieke habitus. Afb. 7-3. Albiet en periklien hebben hun naam aan een bepaalde vorm van vertweelinging gegeven, die kan optreden bij trikliene mineralen uit de veldspaatfamilie. Beide geven polysynthetische (parallelle) vertweelinging; bij albiet loopt die parallel met een zijvlak {010}, bij periklien ongeveer loodrecht daarop. Ook komen ze beide in één kristal voor, zoals we bij mikroklien al zagen. Afb. 7-3 en 7-4, 8 en kleurenfoto AA in "Noorwegen". Overigens komen ook bij de plagioklazen veelvuldig Karlsbadtweelingen voor.

30

2

30

20

Cleavelandiet is een plagioklaas (albiet) met een plaatvormige habitus, dus niet in de hoogte, maar in de breedte gestrekt. Vaak iets lichtgroen of lichtblauw door sporen lood. Zonnesteen is een plagioklaas uit het albiet - oligoklaas-gebied, waarin tijdens de kristallisatie enig ijzer werd opgenomen. Bij afkoeling trad ontmenging op. Het ijzer werd geconcentreerd in hematietschubjes, die evenwijdig aan sommige kristallografische richtingen georiënteerd liggen. Onder een bepaalde belichtingshoek lichten deze schubjes goudkleurig op. Kleurenafb. EE en FF in "Noorwegen". Ook glimmer komt in zonnesteen wel voor. Aventurijn-veldspaat komt met zonnesteen overeen. Beide namen worden wel door elkaar gebruikt. Aventurijn-Zcwarte is vaak groen gekleurd door aanwezigheid van georiënteerde groene (chroom)glimmer: fuchsiet. Ook in aventurijn-kwarts kan hematiet zitten, dan is de steen rood of bruin gekleurd. Schriftgraniet, de vergroeiing van plagioklaas met kwarts, komt wel eens voor.

Afb. 7. Enkele vormen van plagioklazen. 1. albiet; 2. anorthiet; 3. periklien; 4 en 5. lamellaire albietvertweelinging; 6. periklien-vertweelinging.

60

Myrmekiet is een vergroeiing op microschaal van kwartswormpjes met albiet-oligoklaas, die zich ontwikkelt ten koste van alkaliveldspaat, veelal in granitisch gesteente, zoals we bij de alkaliveldspaten al vermeldden. Afb. 6. Labradoriet is een mineraal uit de plagioklaasgroep. De naam wordt in de steenhouwersbranche echter gebruikt voor het veel

Gea, 1994, nr. 2

Afb. 8. Plagioklaas met lamellaire albiet-vertweelinging en zonering in een dioriet. Slijpplaatje, gekruiste pol.fiIters; beeldbreedte 0,8 mm. wordt veelal gekeken naar het meest voorkomende donkere mineraal: is dit augiet, dan is het gesteente waarschijnlijk een gabbro of bazalt; is het hoornblende, dan een dioriet of andesiet.

toegepaste Noorse gesteente larvikiet; als mineraalnaam is het in deze sfeer niet van toepassing. Uit de petrografische naamgeving is het woord juist geweerd, omdat het als mineraalnaam al bestond. In Labrador (Quebec, Canada) komt een labradoriet-rijk gesteente voor, dat in de literatuur vermeld staat als labradiet, labradoritiet, of labradoriet-anorthosiet. Anorthose is een oude naam voor plagioklaas. Deze is nog terug te vinden in anorthosiet, een verzamelnaam voor bepaalde dieptegesteenten, die bijna geheel uit plagioklaas bestaan. Daarentegen is orthose (Frans): orthoklaas. Oligoklasiet en andesiniet zijn anorthositische gesteenten, die nagenoeg geheel uit de betreffende plagioklaas bestaan. Andesien is de algemene plagioklaas in andesiet en dioriet. (Andesiet is een veel voorkomend vulkanisch gesteente in o.a. de Andes). Het onderscheid tussen andesiet en bazalt, respectievelijk dioriet en gabbro, wordt gelegd bij An . Is het Ca-gehalte lager dan is het gesteente een andesiet of dioriet, ligt het erboven, dan moet men het bazalt of gabbro noemen. Dit is uiteraard alleen microscopisch waar te nemen. Voor een determinatie in het veld 50

In de gesteentekunde is het belang van de veldspaten overheersend. De indeling van de stollingsgesteenten berust voor een groot deel op de hoeveelheid alkaliveldspaat versus plagioklaas. Het is dan ook van doorslaggevend belang om beide groepen uit elkaar te houden. En juist dat is in een handstuk - zeker met het blote oog - vaak razend moeilijk. Uit slijpplaatjes, onder de polarisatie-microscoop gezien, is de hoedanigheid doorgaans wèl goed na te gaan, zoals uit de bijgaande foto's blijkt. Komen de veldspaten idiomorf en in redelijke afmetingen voor, dan is het onderscheid tussen de hoofdgroepen beter mogelijk, maar ook dan blijft het oppassen. De albiet op kleurenafbeelding DD ("Noorwegen"), die al eens eerder als omslagplaat voor het nummer "Pegmatieten" fungeerde, werd aanvankelijk als voorbeeld van een mikroklien uitgekozen! Door zijn albietstreping viel hij door de mand en via röntgenanalyse bleek zijn ware aard. Met hartelijke dank aan Dr. C. Maijer voor het kritisch doorlezen van het manuscript.

Literatuur W.A. Deer, R.A. Howie en J. Zussman: An introduction to the rock-forming minerals, 1974. P. Ramdohr en H. Strunz: Klockmanns Lehrbuch der Mineralogie, 1978. J. Sinkankas: Mineralogy, 1964. W.E. Tröger: Optische Bestimmung der gesteinsbildenden Minerale, 1969. M.G. Best: Igneous and metamorphic Petrology, 1982. Foto's: P. Stemvers

Hoogovens IJmuiden: veranderingen aan de horizon door Rob Meijer

We zijn vertrouwd met enkele hoge constructies, zoals schoorstenen, mijnschachten en ... hoogovens. Aan de horizon zijn ze direct herkenbaar. Echter, het aantal schoorstenen en mijnschachten wordt al jaren minder - wordt nu ook de hoogoven bedreigd? Wat is er loos? Het hoogovenproces blijkt vervangbaar te zijn door een nieuw proces: directe reductie. Aanleiding tot dit artikel is een in alle landelijke kranten verschenen mededeling, dat Hoogovens IJmuiden een belangrijk stadium bereikte in een onderzoek naar directe reductie. Dit nieuws werd

voorafgegaan door een artikel hierover in het personeelsblad van Hoogovens: de Grijper. De huidige hoogovens ontwikkelden zich uit de kleine, lemen oven die we kennen uit de Ijzertijd. Deze oven, zoals weergegeven op afb. 1, werd na iedere ijzerproduktie gesloopt om het ijzer te bereiken. Door blazen met balgen kwam het ijzer tot smelten (rennen, renoven, zie afb. 2). Vanaf ongeveer 1400 werden grotere ovens gebouwd, gestookt met houtskool. We vinden deze ook op de Veluwe. Overal waar ovens stonden was ontbossing het gevolg, zodat gezocht werd naar andere brandstoffen. Het lukte Abraham Darby tussen 1709 en 1745 om als brandstof kooks te gebruiken. Dit was een enorme stap voorwaarts, evenals de toepassing van windverhitters sinds 1829.

61

Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.