ZONDAG 24. Weerlegging van de leer van de rechtvaardiging uit de werken


1 205 ZONDAG 24. Weerlegging van de leer van de rechtvaardiging uit de werken. Zoals degenen die de muren van de stad Jeruzalem opbouwden, met de ene ...

0 downloads 22 Views 152KB Size

Recommend Documents


No documents


205

ZONDAG 24. Weerlegging van de leer van de rechtvaardiging uit de werken. Zoals degenen die de muren van de stad Jeruzalem opbouwden, met de ene hand werkten en met de andere hand de wapens vasthielden om zich te verdedigen tegen degenen, die de opbouw wilden beletten, Neh. 4 : 17: zo is het ook de plicht der trouwe leraars, die Gods Kerk werkelijk zullen stichten en opbouwen, 1 Kor. 3 : 9v., om niet alleen de gezonde leer tot stichting der Gemeente voor te stellen, maar ook degenen die haar tegenspreken, te weerleggen, Tit. 1 : 9. Dit voetspoor volgt ook de Catechismus. Want nadat de rechtzinnige leer van de rechtvaardigmaking des mensen in de vorige Zondagsafdeling verklaard werd, v, elke in alle tijden vele tegensprekers gehad heeft, zo worden die nu in deze Zondag weerlegd en bestreden. En daar de tegensprekers van deze leer inzake dit stuk zeer schandelijke dwalingen drijven, waarvoor de Kerk gewaarschuwd en waartegen zij gewapend dient te worden — aangezien zij hun dwalingen met tal van ongegronde redenen trachten voort te planten en te verdedigen — zo worden in deze Zondag zeer geschikt 1. de dwalingen weerlegd, welke in dit stuk van de rechtvaardigmaking de voornaamste zijn, Vraag 62; 2. geantwoord op de voornaamste tegenwerpingen, die zowel ten gunste van de dwalingen, als tegen de gezonde 1eer worden aangevoerd, Vraag 63 en 64. Vraag 62: Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God zijn, noch een stuk daarvan? Antwoord: Daarom dat de gerechtigheid, die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en der Wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet a); en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonde besmet zijn b). 



Deut. 27 : 26; Gal. 3 : 10 en Jak. 2 : 10. Ps. 143 : 2; Jes. 64 : 6 en Dan. 9 : 5 en 18.

Verklaring van Vraag 62. Tot dusverre hebben wij uiteengezet, waarom en hóe wij door het geloof alleen gerechtvaardigd worden. En daar het niet afdoende is, om de fundamenten van de christelijke leer voor te stellen, maar het ook nodig is om de valse leer te weerleggen, wordt ná de leer van de rechtvaardigmaking van de mens voor God, (op grond van Gods Woord op schriftuurlijke wijze in de Catechismus verklaard) de valse leer, die hiermee in strijd is, weerlegd. In verband daarmee wordt in deze Vraag aan de orde gesteld, waarom wij niet door de werken, of ten dele door het geloei én ten dele door de werken gerechtvaardigd kunnen worden. Tot verklaring van dit Antwoord moeten wij naast de getuigenissen van de Heilige Schrift en de al eerder vermelde bewijzen tegen de Rooms-katholieken, ook nog op het volgende letten:  Dat al onze werken onvolmaakt zijn. Want wij laten vele dingen na, die wij verplicht zijn te doen, en wij doen vele dingen, die wij behoorden na te laten. Bovendien mengen wij onder de goede werken die wij doen, ook veel verkeerde,

206 en doen wij de goede werken op een verkeerde manier; zoals de profeet Jesaja in hoofdstuk 64 : 6 verklaart: „Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.” Welnu, de onvolkomen werken kunnen geen volmaakte gerechtigheid zijn, zoals de Wet die van ons eist, Deut. 27 : 26, vgl. met Gal. 3 : 10: „Vervloekt zij, die de woorden dezer wet niet zal bevestigen, doende dezelve.” Jakobus verklaart dit zeer juist in Jak. 2 : 10: „Wie de gehele Wet zal houden en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle" (Vgl. N.G.B., art. 24).  Ook al waren onze werken volmaakt, dan zijn wij ze toch schuldig te doen; en dus kunnen wij daarmee niet de vroegere schulden voldoen, Luk. 17 : 10: „Alzo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen.”  De goede werken zijn geen werken van ons, maar van God, Die ze in ons werkt, Fil. 2 : 13.  Ze zijn tijdelijk, en er bestaat geen overeenkomst of vergelijking tussen die tijdelijke werken en de eeuwige goederen; en tussen loon en verdienste behoort overeenstemming te zijn.  De goede werken komen voort uit het geloof en uit de rechtvaardigmaking. Daarom kunnen ze daar dus geen oorzaak van zijn.  Want anders zouden wij iets hebben, waarop wij ons zouden kunnen beroemen, in strijd met hetgeen de Heilige Schrift zegt in Ef. 2 : 9: „Niet uit de werken, opdat niemand roeme.”  Ons geweten zou dan van de zékere troost beroofd zijn, Rom. 4 : 16: „Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al den zade.” (Vgl. N.G.B., art. 23). In de Oratie aan keizer Maximiliaan II wordt zeer terecht gezegd, dat het Artikel van de rechtvaardigmaking alleen de verslagen harten, die zuchten onder hun zondepak en Gods toorn, kan vertroosten en oprichten.  Ook zou Christus dan tevergeefs gestorven zijn, Gal. 2 : 21: „Indien de rechtvaardigheid door de Wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.”

 De weg der zaligheid zou niet één en dezelfde zijn in beide Testamenten, indien Abraham alleen door het geloof gerechtvaardigd werd, zoals dat geschreven staat in Rom. 4 : 1-3, en als wij thans door de werken — alleen, of met het geloof vergezeld — gerechtvaardigd zouden worden. 10. Tenslotte zou Christus dan geen volkomen Zaligmaker zijn, aangezien er dan buiten Hem een deel van onze rechtvaardigheid gevonden zou worden. En dit is in strijd met de N.G.B., art. 22. (Lansbergen: Uit al deze opmerkingen volgt dan dit vaste en noodzakelijke besluit, dat onze goede werken niet zijn, noch zijn kunnen onze gerechtigheid voor God, noch een deel daarvan. En dit hebben de allerheiligsten steeds beleden, door met deze conclusie in te stemmen. Want zo spreekt Job in Hfdst. 9 : 2v. en 20: „Waarlijk, ik weet dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God? Zo Hij lust heeft om met hem te twisten, niet één uit duizend zal hij Hem beantwoorden. Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren"; en in Hfdst. 15 : 14-16: „Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn? en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig

207 zou zijn? Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen. Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water?" En David zegt in Ps. 130 : 3: „Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat: Heere, wie zal bestaan?"; en in Ps. 143 : 2: „En ga niet in het gericht met Uwen knecht; want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.” Zo spreekt ook Daniël in Hfdst. 9 : 18: „Wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uwe barmhartigheden, die groot zijn.” Als zó de allerheiligste dienaren van God, met wie de allerheiligsten onder ons niet te vergelijken zijn, het oordeel Gods hebben afgebeden, laat ons dan daaruit afleiden, wat ook wij behoren te doen. Deze waarheid is zo helder en klaar, dat zelfs enkele voorname Roomse (kerk)leraars ze rondborstig hebben beleden; zoals o.a. kardinaal Conthrenus; in zijn traktaat over de Rechtvaardigmaking zegt hij: „Aangezien wij door het geloof tot tweeërlei rechtvaardigheid geraken, n.l. tot een rechtvaardigheid in ons, en een liefde en genade, waardoor wij de Goddelijke natuur deelachtig worden; én tot de rechtvaardigheid van Christus, die ons geschonken en toegerekend wordt, omdat wij Christus ingelijfd zijn en wij Hem aandoen, zo blijft nog over te onderzoeken, op welke van beide wij moeten steunen, om te weten, dat wij voor God gerechtvaardigd worden, d.w.z. voor heilig en rechtvaardig gehouden worden. Ik houd het er ten enenmale voor, dat het godvruchtig en christelijk gezegd wordt, dat wij a.h.w. steunen (steunen, zeg ik) moeten op een bestendige zaak, die ons stellig staande houdt, n.l. op de gerechtigheid van Christus, die ons geschonken wordt; en niet op de heiligheid en genade in ons. Want deze onze gerechtigheid is slechts begonnen en nog onvolmaakt, die er ons niet voor kan bewaren, dat wij in vele struikelen en nog regelmatig zondigen. Daarom — zo vervolgt hij — kunnen wij voor Gods aangezicht, vanwege deze onze rechtvaardigheid, niet voor rechtvaardig en goed gerekend worden, zoals het Gods kinderen paste om goed en heilig te zijn. Maar Christus' gerechtigheid die ons geschonken is, is een waarachtige en volmaakte gerechtigheid, die ten enenmale aangenaam is in Gods ogen, en waarin niets is dat God zou kunnen vertoornen en Hem niet hoogst welgevallig zijn zou. Alleen dus op deze grond, die zeker en bestendig is, moeten wij steunen, en geloven dat wij deswege alleen voor God gerechtvaardigd, d.w.z. voor rechtvaardig gehouden en verklaard worden.” Zelfs kardinaal Bellarminus, die al zijn krachten er lange tijd voor ingespannen had om 's mensen verdiensten — tegenover Gods genade — met tal van sofismen te drijven en te handhaven, belijdt tenslotte, „dat, als het erop aankomt, het 't allerveiligste is, vanwege de onzekerheid van onze eigengerechtigheid en vanwege het gevaar van ijdele eer …, dat men al zijn vertrouwen alleen moet stellen op Gods barmhartigheid en goedertierenheid.” Hier belijdt dus die roomse Goliath ten volle, dat de leer van de Gereformeerde Kerk, die de mensen leert om al hun vertrouwen alleen te stellen op Gods loutere genade, de veiligste en zekerste is; en dat de Roomse leer van de verdienstelijkheid der werken onzeker en gevaarlijk is. Laat ons daarom hieruit leren, om onze ogen zo op het oordeel Gods te slaan, dat wij veel liever beven dan ons ijdellijk verheffen. Want al gebeurt het licht, als de vergelijking onder mensen plaatsheeft, dat een ieder iets meent te hebben, dat een ander niet behoort te verachten, toch, als wij tot Gods gerechtigheid komen, zal ons vertrouwen dan dadelijk bezwijken en vergaan. Want zoals het gezicht van onze ogen, zolang het de dingen hier beneden aanschouwt, daaraan bepaalde bewijzen ontleent voor een scherp gezichtsvermogen, maar wanneer het tot de zon

208 opgeheven wordt, het door haar al te sterke glans totaal verduisterd wordt, zo vergaat het ook onze ziel, als die voor Gods gerechtigheid gebracht wordt. Laten wij onszelf dan niet met een ijdel vertrouwen bedriegen! Want als door zulke vermaningen onze hoogmoed niet bedwongen kan worden, dan zal de Heere ons antwoorden met de woorden die Hij vroeger tot de Farizeeën sprak: „Gij zijt het, die uzelven rechtvaardigt voor de mensen; maar God kent uw harten; want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God", Luk. 16 : 15). Tegenwerping: Tien gulden zijn een deel van honderd gulden bij het betalen van schuld. Daarom kunnen, hoewel ze onvolmaakt zijn, onze goede werken toch wel een deel uitmaken van onze betaling en rechtvaardigheid voor God. Antwoord: Dit voorbeeld ligt op een heel ander vlak („is zeer ongelyk"). Want, 1. zijn tien gulden een geheel en volmaakt deel van honderd gulden, welk deel, bij vermenigvuldiging met tien, de hele som der schuld oplevert. Maar onze werken zijn niet een geheel, maar een onvolmaakt deel van de gerechtigheid of gehoorzaamheid, die wij aan God schuldig zijn; welk deel, al werd het honderdduizendmaal vermenigvuldigd, toch nooit en te nimmer de volledige som zal kunnen uitmaken. Bovendien kunnen tien gulden door de schuldheer ontvangen worden als een deel van de schuld, omdat er hoop op betaling bestaat voor de andere delen. Maar onze goede werken worden door God niet geaccepteerd als een deel der gerechtigheid. Want er bestaat geen enkele hoop voor, dat wij een volkomen betaling zullen kannen doen; en al wat onvolkomen is, wordt door de Wet verdoemd. Bezwaren der Rooms-katholieken tegen de rechtvaardigheid des geloofs, ten voordele van de rechtvaardigheid der goede werken. Vraag 63: Hoe! Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen a) ? Antwoord: Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade b). a. b.

Matth. 5 : 12, en 10 : 42; Luk. 6 : 35; Rom. 2 : 6 en 1 Kor. 3 : 8. Matth. 20 : 1; Luk. 17 : 10; 1 Kor. 9 : 16-18; 2 Tim. 1 : 16 en 18; Rom. 6: 23.

Verklaring van Vraag 63. Lansbergen. Dit is het eerste bezwaar tegen de besproken leer. Het is ontleend aan het loon dat God aan hen belooft, die ijverig zijn in goede werken, en zulks zowel in dit, als in het toekomende leven. Sommigen willen daaruit besluiten tot de rechtvaardigheid der werken, omdat zij zich verbeelden, dat, waar loon is, ook noodzakelijk verdienste moet zijn. Het antwoord luidt: Het is wel waar, dat God loon belooft aan de Godzaligen, wanneer zij goede werken gaan doen; zoals men zien kan in Matth. 5 : 12 en 10 : 42, Luk. 5 : 35 en 14 : 13, Rom. 2 : 6, 1 Kor. 3 : 8 en op andere plaatsen. Maar wanneer God belooft dat Hij de goede werken belonen wil, dan wordt het woordje „loon" in oneigenlijke zin bedoeld. Want feitelijk is loon een verplichte vergoeding voor enig werk, die met de rechtvaardigheid overeenkomt. En waar zo'n loon is, daar is ook steeds verdienste; en dat wordt een onverplicht werk genoemd, dat men volgens de orde der rechtvaardigheid verplicht is te belonen.   Bastingius. Zulke verdiensten schrijft de Heilige Schrift ons nergens toe. De

209 Latijnse theologen en ook enkele oudere godgeleerden hebben het woord „verdienen" vaak in oneigenlijke zin gebruikt, voor „verkrijgen en het woord „verdienste" voor een goed werk. Het is dus door hen aanvankelijk niet zo verstaan als het later opgevat werd temidden van de duisternis van het pausdom. Want toen hebben de mensen hun verdiensten voor God (in aanmerking) willen brengen, om overeenkomstig hun waarde met Hem een geding aan te gaan en Hem met hun vergeldingen en voldoeningen te strelen en tevreden te stellen. Nu zeg ik, dat — al is het aanvankelijk niet zo bedoeld, als het later het geval was — zij toch de christenheid en de zuiverheid des geloofs geen goede dienst bewezen hebben, toen zij deze woorden verdienen en verdiensten op de menselijke werken gingen toepassen, om die voor Gods gericht vergolden te krijgen. Als men n.l. bij de Heilige Schrift gebleven was, zouden wij daar nu niet over hebben te twisten. In oneigenlijke zin wordt ook loon een beloning genoemd, die men niet verschuldigd is (te geven), zoals men wel loon geeft zonder dat er gewerkt werd, of dat men meer loon geeft dan er gepresteerd werd. Dit komt ook meermalen onder de mensen voor. Want hoewel men dan de beloningen niet overeenkomstig de verdiensten geeft, noemt men ze toch „loon.” Maar met een nog veel oneigenlijker uitdrukking wordt het eeuwige leven een loon voor onze arbeid of werken genoemd. Want geen enkel schepsel kan bij God ook maar iets verdienen, en het eeuwige leven is een genadegift van God, Rom. 6 : 23. Lansbergen. Zo belooft God ons dus het eeuwige leven als een loon, niet uit verdienste, maar uit genade, als een genadige vergelding om-niet, En dit laat zich met vele teksten uit de Heilige Schrift aantonen: Ef. 2 : 8v.: „Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme"; Tit. 3 : 5: „Hij heeft ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid", en 2 Tim. 1 : 9: „Die ons heeft zalig gemaakt en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen.” Daaruit blijkt wel, dat onze werken geenszins iets verdienen. Daartoe strekt ook de gelijkenis, die de Heere Jezus in het Evangelie ons Zelf voorstelt, Matth. 20 : v. Want het loon wordt gegeven aan mensen, die het niet verdiend hebben, en die maar een enkel uur gewerkt hadden, en dat zonder enige overeenkomst (beding); en aan hen die de hitte des daags verdragen hadden, wordt ook niet meer gegeven. Wat wil Christus met dit verhaal anders te kennen geven, dan dat God aan niemand iets verplicht is, en dat ook de mensen niet zorgeloos of goddeloos. Maar de leer van de rechtvaardigmaking door het geloof alléén maakt wel zorgeloos en goddeloos. Lansbergen. Het antwoord heeft twee onderdelen: 1. Allereerst wordt ontkend, dat de leer der rechtvaardigmaking des geloofs zorgeloze mensen maakt. Want dat wordt ons in Ps. 130 : 4 geleerd: „Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.” Met die woorden wil de profeet David aangeven, dat de genadige kwijtschelding der zonden geen reden en oorzaak is tot goddeloosheid, maar juist een reden is om God te dienen en te vrezen. En ook de apostel zegt in Rom. 6 : 1: „Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?" Zoals ook de apostel Johannes, toen hij de leer der rechtvaardigmaking had voorgesteld, zegt: „Mijne kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt", 1 Joh. 2 : 1. Want beide Apostelen bedoelen daarmee, dat door de leer van de rechtvaardigmaking geenszins aanleiding gegeven wordt tot

210 zondigen bij degenen, die waarachtig door het geloof gerechtvaardigd zijn, maar dat zij daardoor daarentegen krachtig worden opgewekt tot een haten en vlieden van de zonden. Dus veroorzaakt deze leer van de rechtvaardigmaking des geloofs geen vleselijke zorgeloosheid uit zichzelf of krachtens haar aard, maar dit is te wijten aan de verkeerdheid en schuld der mensen, die de vrijheid misbruiken tot een deksel voor het vlees, zoals Petrus zegt in 1 Petrus 2 : 16. Want van zichzelf wekt deze leer in de wedergeborenen een vlijt om God te gehoorzamen en Hem dankbaarheid te bewijzen. 2. De reden daarvan wordt erbij genoemd: aangezien „het onmogelijk is, dat, zo wie Christus door een waar geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid", zoals er in Matth. 7 : 18 geschreven staat: „Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen", en in Joh. 15 : 5: „Die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht.” Lansbergen. Deze reden is ontleend aan de aard en natuur van het rechtvaardigende geloof. Want dat is a.h.w. wortel of boom, waarvan de goede werken voortkomen. Daarom zijn de Roomsen in hoge mate ernaast, als zij denken dat er door de leer der rechtvaardigmaking een weg gebaand wordt tot allerlei zonden. Want wij spreken niet over een geloof, dat de goede werken mist. Maar wij zeggen dit, dat het geloof en de goede werken met een onafscheidelijke band aanéén verbonden zijn, en dat wij toch niet door de werken, maar door het geloof gerechtvaardigd worden. En dit laat zich zeer gemakkelijk verklaren, als wij ons tot Christus wenden, tot Wie ons geloof zich uitstrekt. Want waarom worden wij door het geloof gerechtvaardigd? Omdat wij daardoor Christus ingelijfd worden en deel krijgen niemand iets bij Hem verdienen kan! Zeer duidelijk verklaart de Heere dit Zelf in Luk. 17 : 10: „Wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen.” Met die woorden bedoelt Hij (te zeggen), dat zelfs de allerbeste en volmaaktste onderhouding der Wet bij God eigenlijk geen loon verdient. En hoe zouden wij trouwens met onze werken bij God iets kunnen verdienen, aangezien Hij Zelf de Auteur en Werkmeester is van al onze goede werken, Fil. 2 : 13: „Want het is God Die in u werkt beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen.” Zo kroont dus God in ons uit genade niet Ons werk, maar Zijn eigen werk. Want het onze wordt met tal van vuilheden bezoedeld. Daarom dwalen de Roomsen zo erg, als zij op grond van het woordje „loon" tot hun (eigen) verdiensten willen besluiten. Want dit loon wordt slechts uit genade gegeven. En daarom zegt de Apostel zeer terecht in Rom. 11 : 35: „Of wie heeft Hem eerst gegeven en het zal hem weder vergolden worden?" En toch mag niemand daaruit de conclusie trekken, dat de Heere ons bedriegt of met ons de spot drijft, Want deze genadige en onverdiende vergelding noemt Hij met de naam „loon": 1. opdat Hij daarmee zou aanduiden, dat onze goede werken Hem aangenaam zijn_ en behagen; 2. om ons te Ieren dat, hoewel deze beloning om-niet gegeven wordt, ze toch alleen aan hen, die strijden en ijverig hun best doen, voorgesteld wordt; 3. omdat Hij het ons zo stellig geven zal, alsof wij het verdiend hadden. En tenslotte: Daar het hard en zwaar is, om zichzelf te verloochenen en Christus' kruis op de schouders te nemen, komt Hij, als een milde Vader, met deze manier van spreken onze zwakheid te hulp, opdat wij daardoor zouden aangespoord worden om de moed niet op te geven (vgl. N.G.B., art, 24).

211 Vraag 64: Maar maakt deze leer geen zorgeloze en goddeloze mensen? Antwoord: Neen zij a), want het is onmogelijk dat, zo wie Christus door een waar geloof is ingeplant, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid b).  Ps. 130 : 4, Luk. 1 : 73-75, Rom. 6 : v.; 11 : 18-20, Ef. 1 : 4, Fil. 2 : 12v., Tit. 2 : 1v., 1 Joh. 1 : 9 en 2 : 1.

 Matth. 7 : 18 en Joh. 15 : 5.

Verklaring van Vraag 64. Dit is het tweede bezwaar van de Roomsen betreffende de gezonde leer van de rechtvaardigmaking, zoals die pas uiteengezet is. Dit bezwaar kan aldus worden omschreven: De ware leer der rechtvaardigmaking maakt aan Zijn gerechtigheid, precies zoals een rank in de wijnstok het sap of vocht van de wijnstok, of een scheut het sap van de boom waar ze ingeënt is, deelachtig wordt. En wanneer wij aan de gerechtigheid van Christus deel krijgen, kan het niet anders, of wij moeten tevens ook in ons de kracht der heiligmaking bevinden. Want Christus is ons niet alleen tot rechtvaardigheid, maar ook tot heiligmaking gegeven, zoals de Apostel nadrukkelijk verklaart in 1 Kor. 1 : 30. Daarom is het openbaar, dat Christus niemand rechtvaardigt, of Hij maakt hem tevens heilig. Want als wij Christus deelachtig worden, krijgen wij niet alleen aan Zijn gerechtigheid, maar ook aan Zijn heiligmaking deel (vgl. N.G.B., art. 24). Eerste tegenwerping. Men dient ook de dingen te vermijden, die om de een of andere toevallige omstandigheid verkeerd zijn. Daarom dient ook deze leer vermeden te worden, aangezien ze — al is het ook niet door haarzelf — toch door een bepaalde toevalligheid voor de mens verkeerd is. Antwoord: Men dient de dingen te mijden, ook die toevallig verkeerd zijn tenzij er een nog belangrijker reden is waarom men ze niet behoort los te laten, maar vast te houden en te leren, hetgeen voor sommigen door hun eigen schuld verkeerd zou zijn. Maar op dit punt zijn er gewichtige en zeer noodzakelijke redenen, waarom deze leer onderwezen en niet losge laten moet worden, n.l. 1. Gods gebod en eer, en 2. de zaligheid van de uitverkorenen. Tweede tegenwerping. Uit deze leer van de rechtvaardigmaking der gelovigen zou volgen, dat men de toekomstige zonden niet zou behoeven te ontvluchten. Want ze kunnen immers geen schade doen, omdat Christus voor alle (zonden) betaald heeft, En wat niet schaden kan, hoeft men niet te ontvluchten. Maar aangezien het zeer ongerijmd is om zoiets te beweren, moet het een zeer ongerijmde leer zijn, waar dit uit zou volgen. Antwoord: 1. Men behoeft niet te ontvluchten wat niet schaden kan, n.l. hetzij dat men het zou ontvluchten, ja dan neen, Maar de toekomstige zonden doen de gelovigen geen schade, als men ze ijverig tracht te vermijden. Maar hun berokkenen ze veel schade, die ze niet proberen te vermijden.  Ook al zouden de zonden niet kunnen schaden, dan hebben de Godzaligen toch nog grote oorzaak om de zonden te vermijden, n.l. omdat zij daardoor God zouden vertoornen. Want hoewel Gods kinderen niet zien op de hun voorgestelde straffen, als zij zondigen, toch willen en proberen zij ijverig de zonden te ontvluchten, opdat zij God, hun Vader, niet zouden vertoornen.  De zonden schaden ook, want 1e wordt God erdoor vertoornd; 2e beroven ze ons van de gelijkvormigheid met God, en 3e onderwerpen ze ons aan tijdelijke en ook

212 aan de eeuwige straffen, als men zich niet van harte bekeert. Derde tegenwerping. Men moet geen leer aanvaarden, die niet in de Heilige Schrift geleerd wordt, Dat wij nu door het geloof alléén gerechtvaardigd worden, is een leer, die in de Heilige Schrift niet voorkomt. Daarom moet men dat niet aannemen. Antwoord: Men moet geen enkele leer aanvaarden, die niet in de Heilige Schrift Woordelijk of inhoudelijk geleerd wordt. Maar hoewel nu de leer dat wij door het geloof alléén gerechtvaardigd worden, in de Schrift niet met. tal van woorden uitgedrukt wordt, toch wordt ze er naar haar inhoud zeer duidelijk geleerd, wanneer n.l. andere dingen — waarin men zijn rechtvaardigheid zou kunnen stellen — van de rechtvaardigheid worden uitgesloten; zoals er gezegd wordt, dat wij gerechtvaardigd worden om niet, uit zijn genade, Rom. 3 : 24; zonder de werken der Wet, vers 28; Gal. 2 : 16; zonder de Wet, Rom. 3 : 21; niet uit ons, niet uit de werken, Ef. 2 : 8v.; niet uit de werken der rechtvaardigheid die wij gedaan hebben, Tit. 3 : 5; en wanneer van het bloed van Jezus Christus gezegd wordt, dat het ons reinigt van alle zonden, 1 Joh. 1 : 7. Want het is precies hetzelfde om gerechtvaardigd te worden door het geloof alleen, als door het bloed van Christus, zonder enige verdienste onzerzijds, alleen ontvangende en gelovende, en niet verdienende noch door het geloof noch door andere werken. En om welke reden men het woord „alleen" handhaven moet, is al eerder in den brede verklaard. Vierde tegenwerping. Hetgeen niet alleen is, dat rechtvaardigt niet alleen. Het geloof is niet alleen. Dus rechtvaardigt het niet alleen. Antwoord. Als de conclusie juist opgevat wordt, zoals het op deze wijze behóórde opgevat te worden, n.l.: het geloof alléén rechtvaardigt niet! dan geven wij dat helemaal toe. Maar als het in deze zin verstaan wordt: Het geloof alléén heeft niet de macht om te rechtvaardigen of Christus' verdiensten te ontvangen, dan kan dit daaruit niet geconcludeerd worden. Ook is de stelling niet waar, dat hetgeen niet alleen is, ook niet alleen rechtvaardigen kan. Want ik kan wel alleen in de kamer spreken, al ben ik niet alleen, maar al zijn er ook anderen met mij in die kamer. En een zaak kan heel goed niet alleen zijn, maar noodzakelijk met andere zaken gepaard gaan, en kan dan toch een eigen vermogen of werking bezitten. Zoals de wil, die nooit alleen bestaat, maar steeds bij het verstand is, toch alleen de macht heeft om te willen. 's Mensen ziel is niet alleen, maar met het lichaam verbonden, en toch heeft zij alleen verstand. Het scherp van een mes is niet alleen, maar is met het heft verenigd, en toch snijdt het scherp alleen. Daarom wordt het woord „alleen" in de conclusie op een bedrieglijke wijze gevoegd bij het woord „rechtvaardigen", waarmee het niet verbonden mag worden in de eerste zin. Want dan is het verkeerd 1), n.l. als men zegt: Wat niet alleen is, dat rechtvaardigt niet alleen. Vijfde tegenwerping. Zonder hetgeen noodzakelijk vereist wordt in hen die gerechtvaardigd zullen worden, maakt het geloof niet rechtvaardig. De goede werken worden noodzakelijk vereist in degenen, die gerechtvaardigd zullen worden. Dus maakt het geloof alléén, zonder de goede werken, niet rechtvaardig, en derhalve ook niet alléén. Antwoord: Ook hier weer hetzelfde bedrog! Omdat het woordje „zonder" hier twijfelachtig geplaatst wordt, (zonder dat men weet n.l.) waarmee het verbonden moet worden. Hetgeen vereist wordt in degenen die gerechtvaardigd worden, maakt wanneer het niet met geloof gepaard gaat — ook niet rechtvaardig. Echter, hoewel het geloof niet alleen is, maar steeds krachtig werkt door de liefde en de

213 goede werken, en dus daarmee steeds vergezelschapt is, zo maakt het (geloof n.1.) toch alleen rechtvaardig, d.w.z. het ontvangt en eigent zich alleen de verdiensten van Christus toe. Bovendien moet men ook op de juiste wijze uiteenzetten de uitspraak, n.l. dat de goede werken noodzakelijk vereist worden in hen, die gerechtvaardigd zullen worden. Nu wordt het geloof en de goede werken vereist in degenen die gerechtvaardigd zullen worden, maar niet op dezelfde manier; het geloof n.l. als een noodzakelijk instrument, dat de gerechtigheid, in het Evangelie voorgesteld, aanneemt, en de goede werken als vruchten des geloofs en als bewijzen der dankbaarheid jegens God. Want het geloof zonder de goede werken is dood, en het wordt alleen dááraan gekend. Op deze wijze moet men dit verstaan. Want anders is het niet waar. Want de goede werken worden niet in degenen die gerechtvaardigd worden, vereist als een oorzaak voor, of verdienste van de rechtvaardigmaking. Want dan zouden ze aan de rechtvaardigmaking voorafgaan, zoals de oorzaak voorafgaat aan hetgeen ze bewerkt; en dat is (hier) niet zo. Ook worden de goede werken niet vereist als een instrument voor de rechtvaardigmaking. Want alleen het geloof neemt de rechtvaardigheid van Christus aan. En om alle twijfel buiten te sluiten, zeggen wij met Augustinus, dat de werken niet vereist worden tot rechtvaardigmaking. Hijzelf schrijft: De goede werken gaan niet vooraf in degenen die gerechtvaardigd zullen worden, maar zij volgen hij degenen die al gerechtvaardigd zijn. Daarom is het juist uitgedrukt, dat de goede werken vereist worden bij hen die gerechtvaardigd zijn, en niet bij die nog gerechtvaardigd zullen worden. Zesde tegenwerping. Wie door twee dingen gerechtvaardigd wordt, die wordt niet gerechtvaardigd door één alleen. Nu, wij worden door twee dingen gerechtvaardigd, n.l. door het geloof en door Christus' verdiensten. Daarom worden wij niet door het geloof alléén gerechtvaardigd. Antwoord: Wie op één en dezelfde manier door twee dingen gerechtvaardigd wordt, die wordt niet door diezelfde manier alleen gerechtvaardigd. Maar wij worden op verschillende wijze door twee dingen gerechtvaardigd, n.l. door het geloof bij wijze van instrument, en door Christus' verdiensten, als de voornaamste oorzaak om ons te rechtvaardigen, en die God beweegt om ons rechtvaardig te maken. Zevende tegenwerping. Kennis maakt niet rechtvaardig. Het geloof is kennis. Daarom maakt dat niet rechtvaardig. Antwoord: Een blote kennis alleen maakt niet rechtvaardig. Maar het geloof is wel kennis, maar toch geen blote kennis, maar ze gaat gepaard met een vertrouwen des harten, zodat het geloof terecht een vertrouwende kennis mag heten. Nu zijn kennis en vertrouwen zeer verschillend. Want de kennis zit in het verstand, en het vertrouwen woont in de wil en het hart; en het is niet alleen een wetenschap van een zaak, maar ook een opzettelijke verkiezing, om hetgeen dat men weet, te doen, of zich toe te eigenen en zich daarin te verheugen en gerust te stellen. Zo betekent in God geloven: niet slechts God kennen, maar ook op Hem zijn vertrouwen stellen. Want de duivel bezit ook wel kennis van God en van Zijn beloften, maar zonder vertrouwen. Daarom is zijn kennis niet een rechtvaardigend, maar slechts een historisch geloof. En daarvan zegt Jakobus in Hfdst. 2 : 19: „De duivelen geloven het ook en zij sidderen.” Wij geven de Roomsen gaarne toe, dat zulk een kennis niet rechtvaardigt, maar dat doet wel de kennis, die met vertrouwen gepaard gaat. Achtste tegenwerping. In Jak. 2 : 24 staat geschreven: „Ziet gij dan nu dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt en niet alleenlijk uit het geloof?"

214 Daarom maakt het geloof alléén niet rechtvaardig. Antwoord. Beide woorden, „rechtvaardigen" en „geloof", worden hier door Jakobus anders bedoeld en verstaan dan ze door de apostel Paulus in de leer der rechtvaardigmaking gebruikt worden. Want: I. hij spreekt niet van 's mensen rechtvaardiging voor God — waarover Paulus handelt in Rom. 3 : 4, en waarover wij het nu hebben — maar over die voor de mensen; d.w.z. hij spreekt over het uiterlijke betoon en bewijs van de innerlijke rechtvaardigheid, te weten: hoe de mens uiterlijk voor de medemensen bewijzen en verklaren kan, dat hij innerlijk voor God werkelijk gerechtvaardigd is. Dit, zo zegt hij, kan niet geschieden door het geloof alléén, maar ook, ja voornamelijk door de werken. Want het geloof kan niet gezien worden, maar de werken zijn wel zichtbaar. Daarom moet het geloof door de werken vertoond en verklaard worden. En dat dit de bedoeling van Jakobus is, wordt bewezen: 1. omdat hij in vers 18 zegt: „Toon mij uw geloof uit uwe werken.” Toon dat, zo zegt hij tegen mij die namelijk een mens ben. Daarom spreekt hij over de bewijzen van het geloof en van de rechtvaardigheid voor God. Ten 2e, omdat hij in vers 21 zegt: „Abraham onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izaak zijn zoon geofferd heeft op het altaar?" Dit laat zich niet verstaan van de rechtvaardigmaking voor God. Want: a. de Historie getuigt, dat Abraham al lang voordat hij zijn zoon offerde, door God rechtvaardig verklaard is. b. Paulus leert op grond van de Heilige Schrift, in Rom. 4, dat Abraham niet door de werken, maar door het geloof voor God gerechtvaardigd is. c. Het offer van Izak is geen volkomen vervulling der Wet, maar slechts een enkele daad geweest. Daarom kon ze geen volkomen rechtvaardigheid zijn, noch Abraham voor God rechtvaardigen. Zo is het dus duidelijk, dat Jakobus dit wil zeggen, n.l. dat Abraham wel door het geloof gerechtvaardigd was voor God, zoals de Schrift getuigt in Gen. 15 : 6: „En hij geloofde in den HEERE, en Hij rekende het hem tot gerechtigheid", maar dat hij door de werken en gehoorzaamheid aan God, zijn geloof en rechtvaardigheid voor de mensen betoond en bewezen heeft, Daarom roept de Engel in Gen. 22 : 12 uit: „Nu weet Ik, dat gij God vrezende zijt.” II. Jakobus spreekt hier niet, zoals Paulus (wel), over het ware en levende geloof, als hij zegt, dat wij daardoor niet gerechtvaardigd worden, maar over een dood geloof; en dat is een blote kennis zonder vertrouwen en goede werken. Dit blijkt uit Jak. 2 : 17: „Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelf dood.” En in vers 19 kent hij aan de duivelen ook zo'n geloof toe, en toch hebben die stellig het rechtvaardigmakend geloof niet. Tenslotte vergelijkt hij dit geloof, waardoor — naar hij zegt — wij niet alleen gerechtvaardigd worden — bij een lichaam zonder geest, d.w.z. bij een dood lichaam, vers 26. Maar zodanig, is het rechtvaardigende geloof niet, Onze Oude Statenvertalers zeggen in 't kort, wanneer in Jak. 2 : 24 van de mens gezegd wordt, dat hij gerechtvaardigd wordt uit de werken, d.w.z. dat van hem verklaard en bewezen wordt, dat hij gerechtvaardigd is door de goede werken, en niet alleen uit het geloof, d.w.z. niet door zo'n geloof, dat zonder goede werken is, of geen goede werken voortbrengt; en wanneer Jakobus in vers 21 zegt, dat Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, toen hij zijn zoon Izak op het altaar offerde, dat hij (n.l. Jakobus) met die woorden „uit de werken" bedoelt, dat Abraham door zijn werken getoond heeft, dat hij een waar en levend geloof bezeten heeft, en dat hij door middel van de goede werken, als vruchten van het geloof, voor God en de mensen betoond heeft, dat hij werkelijk

215 voor God gerechtvaardigd was. En dan merken zij inzake dat werk van het offeren van zijn zoon, tevens op — zoals hierboven al gezegd is — dat Abraham (eigenlijk gezegd) niet uit dat werk voor God gerechtvaardigd is, zoals duidelijk blijkt uit Gen. 15 : 6 (waar gezegd wordt, dat Abraham al enige jaren voordat hij zijn zoon ging offeren, n.l. toen hij de belofte inzake deze zoon geloofde, door het geloof van Godswege gerechtvaardigd werd); zoals hier ook Jakobus in vers 23 getuigt; bij welk vers de Kanttekenaars ook deze plechtige opmerking geven, dat de Apostel daar verklaart, dat Abraham door dat werk betoond heeft, dat het waar was hetgeen de Schrift van hem zegt, n.l. dat hij door het geloof gerechtvaardigd was, aangezien uit dit werk blijkt, dat hij het ware rechtvaardigmakende geloof gehad heeft en daardoor voor God gerechtvaardigd is. En hieruit blijkt ook, dat Jakobus de rechtvaardigmaking voor God, eigenlijk gezegd, niet aan de werken, maar aan het geloof toeschrijft, dat zich door de werken vertoont. Negende tegenwerping. Wij worden door het geloof gerechtvaardigd. Maar het geloof is een werk. Dus worden wij door de werken gerechtvaardigd. Antwoord. Deze conclusie is te breed. Want alleen dit volgt: Dus worden wij door een werk gerechtvaardigd. En dit zou men — wel verstaan! — kunnen toegeven van een werk van het instrument, d.w.z. van het doen, wanneer de gerechtigheid van Christus aangenomen wordt. Want dat aannemen is een werk, aan het geloof eigen. Maar het geldt niet van een werk, dat de rechtvaardigheid zou (kunnen) verdienen of veroorzaken 2). Want dan heet het ook van ons, dat wij door het geloof gerechtvaardigd worden, niet als (door) een verdienste of oorzaak — waardoor God bewogen wordt om ons te rechtvaardigen — maar als een middel en instrument der rechtvaardigmaking. Want, anders opgevat, worden wij eigenlijk niet door het geloof gerechtvaardigd. Want wij worden niet gerechtvaardigd Om het geloof, maar dóór het geloof als een instrument, waardoor Christus' gerechtigheid ons geschonken wordt. Het woord „geloof" wordt hier niet steeds in eenzelfde betekenis bedoeld. Want als er gezegd wordt: Wij worden door het geloof gerechtvaardigd, dan wordt onder het geloof verstaan datgene, waarop het geloof zich richt. Maar als er gezegd wordt, dat het geloof een werk is, dan wordt daarmee eigenlijk de werking van het geloof bedoeld, en de daad, als men gelooft. Tiende tegenwerping. Onze rechtvaardigheid is datgene waardoor wij wezenlijk rechtvaardig zijn. Het geloof nu is onze rechtvaardigheid. Dus zijn wij wezenlijk daardoor rechtvaardig. Antwoord: I. Dat het geloof onze rechtvaardigheid is, wordt niet in de eigenlijke, maar oneigenlijke zin van het woord verstaan, n.l. om die reden dat het geloof ziet op hetgeen onze rechtvaardigheid is. Want in eigenlijke zin is het geloof niet onze rechtvaardigheid; maar datgene waar ons geloof op ziet en gegrond is, dát is onze rechtvaardigheid, nl. de verdiensten van Christus, welke het geloof zich toeëigent. II. Wij spreken hier over de rechtvaardigheid des Evangelies en niet over die der Wet. En daarom is het niet juist uitgedrukt, dat hetgeen waardoor wij wezenlijk rechtvaardig zijn, onze rechtvaardigheid is. Want de rechtvaardigheid des Evangelies is niet wezenlijk in ons, zoals het wit aan de wand en de kennis in de geleerden, maar ze is buiten ons, in Christus, en wordt de onze door toerekening, zoals al eerder aangetoond werd. Elfde tegenwerping. Hetgeen dat ons tot rechtvaardigheid gerekend wordt, om die zaak zijn wij rechtvaardig. Het geloof wordt ons tot rechtvaardigheid gerekend, Rom. 4 : 5. Dus zijn wij om dat geloof gerechtvaardigd, en niet alleen

216 dóór het geloof. Antwoord: Ook nu weer wordt het niet in eigenlijke zin bedoeld, dat het geloof ons tot rechtvaardigheid gerekend wordt. Want als dat in eigenlijke zin zo opgevat wordt, is zulks niet alleen onwaar, maar ook godslasterlijk. Want alleen Christus' verdiensten zijn er eigenlijk de oorzaak van, waardoor onze ongerechtigheid in het oordeel Gods bedekt wordt, en dit wordt ons tot rechtvaardigheid gerekend. Het geloof is sleets het instrument, waaraan door een figuurlijke of oneigenlijke manier van spreken toegekend wordt, hetgeen aan de voornaamste werkende oorzaak toekomt, Daarom moeten deze uitdrukkingen, n.l. dat wij door het geloof gerechtvaardigd worden, en dat het geloof ons tot rechtvaardigheid toegerekend wordt, niet volgens de Wet — zoals de Roomsen doen — maar volgens het Evangelie worden verstaan. Twaalfde tegenwerping. De verkeerde werken verdoemen ons. Daarom maken de goede werken ons ook rechtvaardig. Want ze zijn met elkaar in strijd. En tegengestelde oorzaken brengen steeds tegengestelde werkingen voort. Antwoord: I. De goede en verkeerde werken staan hier niet direct precies tegenover elkaar. Want de verkeerde werken zijn volkomen verkeerd, en daarom verdienen ze, volgens de orde van Gods rechtvaardigheid, zeer terecht de verdoemenis. Maar de goede werken zijn onvolkomen goed, en daarom kunnen ze in geen geval de rechtvaardigheid en het leven verdienen. II. Ja, al waren zelfs de goede werken volmaakt goed, dan zouden ze toch niets verdienen, aangezien ze verschuldigd zijn. Want het schepsel is wel steeds aan zijn Schepper verplicht; maar de Schepper is daarentegen geenszins (iets) aan het schepsel (verplicht). En het schepsel kan op geen enkele manier of door enige verdienste God verplichten, om loon te geven, zoals geschreven staat in Rom. 11 : 35: „Wie heeft Hem eerst gegeven en het zal hem weder vergolden worden?" Dertiende tegenwerping. Wie rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, 1 Joh. 3 : 7. Dus zijn wij rechtvaardig, door de rechtvaardigheid te doen; d.w.z. door de goede werken. Antwoord: Wie rechtvaardigheid doet, door n.l. een Godzalig en rechtvaardig leven te leiden, die is rechtvaardig; d.w.z. hij tóónt dat hij Godzalig en rechtvaardig is. Maar hier wordt niet gesproken over die rechtvaardigheid, om welke wij voor God gerechtvaardigd en vrijgesproken worden. Want voor God zijn wij niet rechtvaardig door daden, maar alleen door het geloof, zoals er geschreven staat in Ps. 143 : 2 en in Rom. 3 : 20: „Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem.” Het is in 1 Joh. 3 : 7 niet Johannes' bedoeling 1) om de oorzaak aan te wijzen, door of om welke wij gerechtvaardigd worden, maar alleen: Hoe zij gesteld zijn, die gerechtvaardigd zijn; d.w.z hij geeft hier te kennen, niet op welke wijze of door welke zaak wij rechtvaardig zijn, maar hoedanig de gerechtvaardigden zijn. En de betekenis van deze woorden is dus: Wie wedergeboren is, die is ook gerechtvaardigd, en betuigt metterdaad, dat hij gerechtvaardigd is. Want of iemand gerechtvaardigd is, dat wordt gezien en afgeleid (uit het feit), als hij de werken der wedergeboorte en der rechtvaardigheid doet. Veertiende tegenwerping. Christus zegt van die zondares: „Hare zonden zijn haar vergeven die vele waren; want zij heeft veel liefgehad", Luk. 7 : 47. Daarom is de liefde een oorzaak van de vergeving der zonden en van de rechtvaardigmaking. Antwoord: I. De liefde kan geen oorzaak zijn van de vergeving der zonden; want een oorzaak is er steeds vóór hetgeen ze voortbrengt; maar onze liefde is er niet

217 vóór, maar uit de vergeving der zonden, 1 Joh. 4 : 10 en 19: „Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad; wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.” En dit blijkt uit de gelijkenis van Luk. 7 : 4v. De schuldheer schold beide schuldenaars hun schuld kwijt. Daarom werd hij door beiden bemind, maar het meest door hem, wie hij veel kwijtgescholden had. En het is duidelijk, dat de kwijtschelding van de schuldheer aan de liefde van de schuldenaars voorafging en een oorzaak van hun liefde geweest is. Daarom, toen Christus van de vrouw zeide: „Hare zonden zijn haar vergeven die vele waren; want zij heeft veel liefgehad", dan duidt Hij daarmee niet aan, waaróm haar zonden vergeven zijn, maar waarom zij liefheeft. Alsof Hij wilde zeggen: Omdat zij Mij meer liefgehad heeft dan gij Mij liefhebt, is dat een teken en bewijs, dat haar ook meer zonden vergeven zijn dan u, en dat gij geheel en al ongelijk hebt om te denken dat zij om haar zonden, van Mijn genade behoort uitgesloten te worden. Want de volgende woorden bevestigen deze uitleg. „Dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.” Want hier wijst Christus erop, dat waar deze oorzaak niet is, te weten de vergeving der zonden, dat daar ook de vrucht ervan niet (aanwezig) is, n.l. de liefde. II. Hieruit kan niet de conclusie getrokken worden, dat de liefde een oorzaak is van de vergeving der zonden, aangezien het woordje „want" hier niet de oorzaak van de vergeving der zonden aanduidt, maar uitsluitend datgene, waaruit men besluiten kan, dat de zonden vergeven zijn; zoals men wel zegt: De zon is opgegaan, want het is dag. Hier wordt niet aangeduid de oorzaak van de zonsopgang, welke is de omloop des hemels, maar datgene waaruit men besluiten kan, dat de zon is opgegaan. Daarom bewijst Christus hier niet, waarom, maar alleen, n.l. haar de zonden vergeven zijn. Vijftiende tegenwerping. Indien de goede werken tot de rechtvaardigmaking niet vereist worden, dan zou men die ook niet behoeven te doen. Maar wij moeten goede werken doen. Dus zijn ze ook nodig tot rechtvaardigmaking. Antwoord: Hoewel de goede werken voor de rechtvaardigmaking niet nodig zijn, zo volgt daaruit nog niet, dat men ze niet zou behoeven te doen. Want ze kunnen voor andere zaken vereist worden, zodat het nodig is, om ze te doen; zoals het stellig ook nodig is dat wij goede werken doen, omdat ze vereist worden tot dankbaarheid en tot eer van God; overeenkomstig de les van Christus in Matth. 5 : 16: „Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien en uwen Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.” Zie hierover breder bij Vraag 86. Zestiende tegenwerping. In Ps. 106 : 31 wordt van het doen van Pinehas gezegd: Het is hem tot gerechtigheid gerekend. Dus maken de werken rechtvaardig. Antwoord: Deze uitdrukking wordt dan verkeerd uitgelegd. Want dit is niet de betekenis, alsof Pinehas om dit ene werk gerechtvaardigd zou zijn voor God of in Zijn oordeel. Want daartegen klinkt de stem der Wet in Deut. 27 : 26: „Vervloekt zij, die de woorden dezer wet niet zal bevestigen, doende dezelve", en in Ps. 143 : 2, vergeleken met Rom. 3 : 20: „Uit de werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem.” En één werk alleen kon geen volkomen vervulling der Wet zijn, en toch wordt die vereist tot de rechtvaardigmaking der Wet. Maar de betekenis is deze, dat dit werk — dat zeer wreed scheen en zijn persoon niet betaamde — van God voor rechtvaardig en heilig is gerekend.

218

Osiander's bezwaren tegen de toegerekende gerechtigheid van Christus Bezwaar 1. Dan. 9 : 24: De Messias zal een eeuwige gerechtigheid aan brengen. Maar Christus' toegerekende gerechtigheid is niet eeuwig. Daar, om is de toegerekende gerechtigheid, welke de Catechismus onderwijst, niet de gerechtigheid van de Messias, zoals Daniël die beloofde. Antwoord. Het is niet waar, dat de toegerekende gerechtigheid van Christus geen eeuwige is. Want God zal in alle eeuwigheid ons voor rechtvaardig houden om Zijns Zoons wil. En hoewel wij in het andere leven op een andere manier rechtvaardig zullen zijn dan nu (omdat wij dan ook rechtvaardig zullen zijn naar de Wet, terwijl wij thans rechtvaardig zijn naar het Evangelie!), toch zal het een zelfde gerechtigheid zijn en ook dezelfde rechtvaardigheid van de Messias. Want de toegerekende rechtvaardigheid zal veranderd worden in een rechtvaardigheid der Wet, of deze zal met de andere voortaan gestadig volgen. En zo zal de Messias ons deze rechtvaardigheid der Wet aanbrengen en schenken, zo goed als de toegerekende. Aanhoudend bezwaar. Waar geen zonde is, daar heeft de vergeving der zonden en de toerekening der gerechtigheid niet plaats. In het eeuwige leven zal er geen zonde zijn. Dus zal er ook geen vergeving noch toerekening zijn Antwoord. Wij geven dit toe, mits het goed verstaan wordt! In het toekomende leven zal er geen vergeving der zonden zijn, n.l. van de tegenwoordige zonden. Maar toch zal er een vergeving van vroeger bedreven zonden zijn. Want de vergeving die eenmaal in dit leven, door en om Christus, geschiedt, zal steeds (voort)duren en in het eeuwige leven gestadig onderhouden worden. Ja, deze gelijkvormigheid van de uitverkorenen met God naar de Wet zal in het andere leven een vrucht zijn, die voortvloeit uit de toerekening van Christus' gerechtigheid, zoals die in dit leven geschied is. Dus zullen ze, ten aanzien van deze, allebei eeuwig zijn. Bezwaar 2. Jer. 33 : 16: De HEERE is onze Gerechtigheid. Dus worden wij niet gerechtvaardigd door het geloof of door de verdiensten van Christus, ons toegerekend, maar God zal, door wezenlijk in ons te wonen, onze Gerechtigheid zijn. Antwoord. Deze tekst wordt verkeerd uitgelegd. Want hier wordt het werk in plaats van de Werkmeester genomen. De HEERE is onze Gerechtigheid, d.w.z. onze Rechtvaardigmaking, zoals ook Christus heet in 1 Kor. 1 : 30: Die ons geworden is van God tot Wijsheid, Gerechtigheid, heiligmaking en verlossing, dat is: een Leraar der wijsheid, de Rechtvaardigmaker, een Heiligmaker en Verlosser. En de Heere maakt ons rechtvaardig, niet door met Zijn wezenlijke rechtvaardigheid in ons te wonen. Want dan zou de rechtvaardigheid Gods, welke God Zelf is, een toevallige zaak of onze wezenlijke gestalte zijn. Maar zij maakt ons rechtvaardig, allereerst, door de vergeving der zonden, welke ons om Christus' voldoening en verdiensten wordt toegezegd; en vervolgens door een herstel van onze natuur, of door een begin van een nieuwe gehoorzaamheid, in ons (gewerkt) door de Heilige Geest. Osiander vermengt totaal onjuist de Werkmeester met het werk, de geschapen met de ongeschapen Gerechtigheid. Want zoals wij niet leven of wijs zijn door het Wezen Gods, zo zijn wij Daardoor ook niet rechtvaardig. Daarom kan er niets ongerijmders en goddelozers gezegd worden, dan dat de wezenlijke gerechtigheid

219 van de Schepper ook de gerechtigheid van de schepselen is. Want daaruit zou (moeten) volgen, dat wij de rechtvaardigheid van God, ja zelfs Zijn Wezen bezaten, en dat wij goden waren. Men leze over de „sufferijen" van Osiander breder na, wat Calvijn geschreven heeft in zijn Institutie, Liber III, cap. 11, par. 5-12.

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

Life Enjoy

" Life is not a problem to be solved but a reality to be experienced! "

Get in touch

Social

© Copyright 2013 - 2019 TIXPDF.COM - All rights reserved.